m^mAQenDuwOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van de Nationale Woningraad,waarin opgenomen de mededelingen van de Rijksdienstvoor het Nationale Plan, en tevens gewljd aan deWederopbouwJuni 1947 28e Jaargang no. Odat kost geld!Proefnemingen in Amerika hebben be-wezen dat een te lage temperatuur ineen werkplaats of fabriek de arbeidsca-paciteit op ongekende wijze vennindertHet is voor elken fabrieksdiiecteur dusvan het allergrootste belang, zijn geheelebedrijf (nauwkeurig) tot de juiste tem-peratuur te verwarmen. AIs ge Uw be-drijf op de doeltreffendste wijze ver-warmd en geventileerd wenscht te zien,- vraag onzen deskundige dan eens oraeen advies.VOLKER280E.NDHovtN CENTRALE VERWARMING N.V.Specialiteit in het aanleggen van fabrielcsapparaten voor verwarmingbevochtiging - ontneveling - droging en Icoeling.HOLLAND TRIPLEX IMPORTROTTERDAM - Schiedamschesingel 50 - Tel. 28303293Abraham van Stolk&Zoonen n.v.ROTTERDAMPOSTBUS 1100TELEFOON 35400444HOUTHANDELphilips' bouwbedrijfwedaropbouw-adresveisenJan kostelljklaan 30tel. 4484spruitenboschstraat 1 7tel. 16902Haarlem385VERFvoorBOUWVAKKEN ENINDUSTRIEWAGEMAKERSBREDA441Woor den wederopbouwvoerden wij reeds vele grooie op-drachien uH. Met de daardoor ver-worven ervaring siaan wij gaarne iotUw diensi voor het verzorgen vanal Uw scbilderwerklSchildersbedrijfW. BLOK ROTTERDAMMijnsheerenlaan 1 72 BTelefoon 70802Juni^l94728e Jaargang - No. 6MaandbladTijdschrift voorVolkshuisvesting en StedebouT^Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen, waarin opgenomen de mede-delingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de WederopbouwRedactic: Mr. H. W. Bloemers, J. Bommer, Ir. H. M. Buskens, Jhr. M. J. I. de Jonge van Ellemeet, B. Merkelbach,Ir. L. S. P. Scheffer, Ir. P. Bakker Schut, Mr. J. Vink, Drs. H. van der WeijdeAdres voor Redactie en Aboimementen: Lange Voorhout 19, s Gravenhage, Telefoon 115720Advcrtentics! Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128In Memoriam Ir. A. H. LiebertOp 4 Juni 1947 overleed na een langdurige ongesteldheidIr. A. H. Liebert, sedert 1 September 19^6 inspecteur vande Volksgezondheid (Volkshuisvesting) te Leeuwarden.Aanvankelijk had Liebert als ambtsgebied de gehele provincieFriesland, zomede de provincie Drenthe, uitgezonderd de 8noordelijke gemeenten, die destijds het ressort der gezond-heidscommissie Assen vormden.Bij de reorganisatie van de dienst in 1946 werd LiebertHoofdingenieur-Directeur van de Volkshuisvesting in deprovincie Friesland. Op 1 Augustus 1947 zou hij wegens hetbereiken van de 65-jarige leeftijd de dienst met pensioenhebben verlaten. Dit hceft helaas niet zo mogen zijn. Nogvoordat zijn rustperiode aanbrak is hij van zijn postopgeroepen.Wanneer wij thans trachten ons een beeld van Liebert voorogen te stellen, dan zijn het vooral twee dingen, die naar vorenkomen: zijn warme belangstelling voor alien, wier leven tenge-volge van slechte huisvesting niet tot ontwikkeling kon komen,en zijn onvermoeibare werkkracht, die hem ten slotte te veelvan zichzelf deed vergen.Liebert heeft z'ch gedurende de 20 jaren van zijn ambtsver-vulling ontwikkeld tot een inspecteur van formaat, wien alleaan hem toevertrouwde belangen evenzeer ter harte gingen,maar het liefst zien wij hem toch als strijder voor de opruimingvan krotten en keten en voor de verbetering der erbarmelijkewoningtoestanden op de arme Friese heide en op het Drentseplatteland.Zelf had hij geen kinderen, maar in zijn rapporten kwamsteeds tot uiting de deernis om het Ibt der kinderen in de inellende weggezonken gezinnen, die in een ongelukkige be-huizing moesten opgroeien met het grote gevaar, zelf ookweer krotbewoners te worden. Dat wilde Liebert uit allemacht voorkomen. Daarom was zijn streven vooral gericht opde vervanging van de slechte woningen in zijn ambtsgebieden de bevordering van een goede bewoning van de nieuwge-bouwde woningen.Bij zijn werk had Liebert de omstandigheden niet mee. Toenhij in zijn ambtsgebied thuis begon te raken en hij het werkvan de krotopruiming en de bouw van nieuwe woningen metkracht ter hand wilde nemen, viel de economische crisis overEuropa, die wel het voordeel met zich bracht van ongewoonlage bouwkosten, maar daarnaast het nadeel van een grotefinanciele terughoudendheid, die tegen alles bezwaar maakte,wat . de gave gulden" in gevaar zou kunnen brengen. In dietijd had, doordat het bouwen zo goedkoop was, met betrek-keiiik weinig geld veel goeds kunnen worden bereikt. Maarzelfs dit weinige geld had men er niet voor over.Met name in de gemeente Emmen en omgeving heeft Ir. Lieberteen jarenlange strijd gevoerd voor de verwijdering van ketenen plaggehutten en er is een tijd geweest, dat zijn jaarverslagieder jaar in een grafiek het aantal van deze onmenswaardigeverblijven vermeldde, dat was opgeruimd en door gezondewoningen vervangen. Wat deed het hem leed, dat deze cijfersniet hoger waren.Nog in het jaar 1938, een jaar overigens van een veel groterewoningproductie dan voorafgaande jaren, ook op het platte-land, wees hij in zijn vcrslag op het stijgende w.oningtekort inde plattelandsgemeenten, waar het aantal onwettige samen-woningen en het aantal slechte woonwagens en woonschepenbleef toenemen,Een dergelijk geluid viel ook in zijn verslag over 1939 tebeluisteren, waarbij hij ook wees op de ondervonden moei-lijkheden in verband met de aard van vele gezinnen, die doorde nood en de slechte huisvesting ver gezonken zijn.,,Wie niet theoretisch", schreef hij, ,,maar ook practisch ditsociale werk der krotopruiming, waarbij de toekomst derkinderen domineert, wenst ter hand te nemen, dient er zichvan te voren rekenschap van te geven, dat dit zeer veelgemeenschapszin vergt, wegens te verwachten teleurstellingen,doch daarnaast een dankbaar werk is".Het was ook voor Liebert een ergernis, dat de z.g. E.W.P.-regeling, die bedoeld was om op ruime schaal aan krotbewonersten plattelande een eigen woning te verschaffen, in 9 jaren inhet gehele land niet meer heeft weten te produceren dan 197woningen of gemiddeld 22 per jaar. Ook Liebert was intussenovertuigd, dat deze geringe resultaten niet uitsluitend aanonwil zijn toe te schrijven. In vele gevallen is van de bestaan-de steunregelingen niet voldoende gebruik gemaakt, omdatmen van de bestaande mogelijkheden van overheidshulp nietvoldoende op de hoogte was.De ervaring heeft Liebert wel geleerd, dat het niet voldoendeis, regelingen vast te stellen en deze per circulaire ter kennisvan de gemeentebesturen te brengen. Zij worden dan tersecretarie gedeponeerd en uit het oog verloren om alleen,wanneer zich een sprekend geval voordoet, waarmee men geenraad weet, voor de dag te worden gehaald. Op deze wijzekomt men nooit tot een uitgebreide toepassing, ook van opzichzelf goed bedoelde regelingen.Ir. Liebert heeft steeds getracht de gemeentebesturen totgrotere activiteit te prikkelen" door hen voortdurend debestaande regelingen onder het oog te brengen. Typerend isin dit verband een circulaire, die hij eens aan alle gemeentenin zijn ambtsgebied zond, teneinde de verschillende mogelijk-heden van overheidshulp voor woningbouw nog eens opnieuwonder de aandacht te brengen en waarboven hij met vetteletters had laten drukken: ,,Secretaris, niet in de kluis op-bergen".Aan het ijveren van Liebert is het ook te danken, dat in 1939een aanvulling van de E.W.P.-regeling tot stand kwam,krachtens welke het mogelijk werd, bij het opruimen van eenkrot twee nieuwe woningen met bijdragen te bouwen. Op 73OfficieelcmededeelingenNationalc PlanArtikelcn74deze wijze werd het mogelijk, ook samenwonende en nieuwcgezinnen, die niet in het bezit van een krot waren, opbescheiden schaal aan een nieuwe woning te helpen. Hetuitbreken van de oorlog is oorzaak geweest, dat ook dezeregeling geen effect heeft gehad.Dit was de schaduw, die steeds op het werk van Liebert heeftgerust. Wanneer hij door zijn ijver en toewijding een nieuwemogehjkheid tot verbetering der volkshuisvesting had wetente openen, was het een oorlog of een economische crisis ofeen aanpassingspolitiek; die zijn pogingen verijdelde. Daar-door zijn de woningtoestanden, met name in de veengebieden,ook na een 20 jarige arbeid van Liebert, nog slecht. Hij heeftde betere tijd voor dit deel van ons vaderland, waarvan wijdoor de huidige crisis heen, iets van het gloren menen te zien,niet mogen beleven.De herinnering echter aan zijn arbeid bhjft. Overal op hetplatteland van Friesland en Drenthe zullen zij, die na hemkomen, bij het zien van de vriendehjke, zonnige woningen,die tijdens zijn ambtsperiode zijn tot stand gebracht, denkenaan de arbeid van deze pionier voor de volkshuisvesting, diezijn kracht heeft opgebruikt in de dienst van wat hij zag alshet levensbelang van de bevolking, waarvan de zorg voor dehuisvesting aan hem was opgedragen.Het Friese volk heeft een sociaal voelend man verloren metee:n warm hart voor de belangen der maatschappelijk mis-deelden. En wij alien, die lange jaren met hem mochtensamenwerken, hebben een vriend verloren, wiens warme be-langstelling ook in ons persoonlijk lot, ons verkwikte enversterkte.H. G. van Beusekom17 Juni 1947Officiele mededelingenNederlands InstituutPraeadviezenvergaderingAangezien de voorbereiding van de aangekondigde prae-adviezenvergadering inzake de uitvoering van het woning,-bouwprogramma vertraging heeft ondervonden bij depraeadviseurs, heeft het dagelijks bestuur moeten besluitendeze vergadering niet meer voor het zomerverlof, maardaarna, te doen plaats vinden.In aansluiting op de mededeling in het April-nummer overde namen der praeadviseurs kan nog worden bericht dat hetpraeadvies over de verdeling van het programma zal wordenuitgebracht door de Heer }. Bommer.Commissie inzake schade en baat bij stedebouwkundige maat-regelenHet dagelijks bestuur van het Instituut is overgegaan tot deinstelling van een commissie ter bestudering van het onder-werp van schade en baat bij stedebouwkundige maatregelen.Aan deze commissie zijn de volgende vragen ter beantwoordingvoorgelegd.Door welke beginselen moef de overheid zich laten leiden bijhet bepalen van haar houding ten opzichte van schade,voortvloeiende uit stedebouwkundige maatregelen en tenopzichte van waardestijging uit dezelfde oorzaak?In welke gevallen behoort zij tot tegemoetkoming in de schade,resp. tot aantasting van waardestijging over te gaan?In hoeverre behoort een en ander aanleiding te geven totvaststelling of herziening van wettelijke regelingen?In deze commissie hebben zitting genomen de Heren Mr. Dr.A. L. Scholtens, oud-Secretaris-Generaal van het Departementvan Sociale Zaken, Voorzitter, H. J. H. van Oyen, Referen-daris bij de Rijksdienst voor het Nationale Plan, Prof. Dr. G. A.van Poelje, lid van de Raad van State, Ir. J. J. Sterkenbiirg,hoofd van de afdeling Grondbedrijf van de Dienst vanPublieke Werken te Amsterdam, Drs. H. van der Weijde,Secretaris-Directeur van het Instituut, Ir. H. B. J. Witte,burgemeester van Bergen op Zoom, Drs. M. H. van Wijk,Referendaris, hoofd van de afdeling Onroerende Zaken vanhet Directoraat'Generaal van de Prijzen, leden.be commissie is ingesteld als subcommissie van de bestaandecommissie ter bestudering van de wettelijke regeling van destedebouw.Rijksdienst voor het Nationale PlanProvinciale Planologische Dienst OverijsselDe Ojinmissaris der Koningin in de Provincie Overijssel,Gezien zijn besluit van 29 October 1946, no. 1660, tot instelling van eenProvinciale Planologische Dienst voor Overijssel;Overwegende, dat als onderdeel van die Dienst een ,,Vaste Commissie"moet worden ingesteld;Overwegende, dat het gewenst moet worden geacht dat de Commissaris derKoningin het voorzitterschap dier Commissie op zich neemt;Overwegende, dat de Inspecteur van de Volkshuisvesting ambtshalve lidis dier Commissie; *Gezien het terzake ingewonnen bericht van de Vaste Commissie van deRijksdienst voor het Nationale Plan, d.d. 17 Februari 1947, no. 231;Gehoord Gedeputeerde Staten van Overijssel;Gelet op artikel 5 van de Derde Uitvoeringsbeschikking van de Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandse Zaken d.d. 1 ]uh 1942,B.Z,I.V., met betrekking tot het besluit van 15 Mei 1941 (Verordeningen-blad no. 91 van 1941) houdende voorschriften betneffende het NationalePlan en Streekplannen;Heeft goedgevonden;I. in te stellen een Vaste Commissie van de Provinciale PlanologischeDienst van Overijssel;II. het voorzitterschap dier Commissie op zich te nemen;III. te benoemen tot lid en plaatsvervangend voorzitter dier Commissie,de heer J. C. Wolthuis, lid van Gedeputeerde Staten van Overijssel;IV. te benoemen tot lid dier Commissie:a. Mr. R. van der Veen, Griffier der Staten van Overijssel;b. de heer Ir. F. S. Langemeijer, hoofdingenieur-directeur van deRijkswaterstaat, directie Overijssel en Drenthe;c. de heer Ir. P. Wolffensperger, hoofdingenieur van de ProvincialeWaterstaat in Overijssel;d. de heer J. Schilstra, algemeen secretaris van de Kamer van Koop-handel en Fabrieken voor Overijssel;e. de heer Dr. Ir. J. de Hoogh, houtvester Staatsboschbeheer;f. de heer J. W. van Nieuwenhuyzen, rijksconsulent voor grond-en pachtzaken voor Overijssel;' g. de heer Drs. C. J. Westenenk, directeur Economisch-TechnologischInstituut voor Overijssel;h. de heer Mr. A, H. Goeman Borgesius, burgemeester van Steenwijk;i. de heer Mr. J. A. H. ]. van der Dussen, burgemeester van Hengelo;j. de heer Ir. W. P. C. Knuttel, architect te Deventer;k. de heer Ir. W. de Bruyn, stedebouwkundige te Utrecht;I. de heer M. H. van Eck, chef IVe Afdeling provinciale griffie vanOverijssel;V. te benoemen tot lid tevens secretaris van de Vaste Commissie dedirecteur van het Bureau van de Provinciale Planologische Dienst,met bevoegdheid zich als secretaris te doen vervangen;VI. Afschrift dezes te doen toekomen aan:De Commissaris der Koningin voornoemd,(w.g.) J. B. G. M. Ridder de van der SchuerenDe Utrechtsche Wervendoor Prof. Dr. P. W. A. ImminkHet menschelijk bewustzijn is hoogst practisch ingericht. Vande ontelbaar vele en uiterst verscheiden indrukken, welke demensch in den loop van een dag opdoet, dirigeert het verreweghet grootste gedeelte naar een bewaarplaats, waar zij, naarmen zegt, gedurende het geheele verdere leven van dienmensch in depot blijven. Zij zijn daar degelijk opgeborgen,zoo degelijk, dat het in de meeste gevallen den mensch nietmogelijk is, ze naar willekeur weer te voorschijn te halen;slechts enkele ervan blijven gedurende korten of langeren tijdbij de hand.Hoofdzakelijk door middel van associaties krijgen wij toegangtot deze schatkamer van herinneringen. Ook hier weer blijktdan de practische aanleg van ons bewustzijn. Het is er n.l. ken-nelijk op uit de dingen zooveel mogelijk te vereenvoudigen.Weliswaar kan het niet beletten, dat een indruk, waarbij onsgemoed in sterke mate betrokken is, een bonte verscheidenheidvan soms de meest verrassende en ook verwarrende beeldenopwekt, in de minder bewogen gevallen van het dagehjkscheleven daarentegen weet het sterk schiftend op te treden. Doorhet toelaten van slechts enkele scherp beiichte beelden op denvoorgrond of door de beelden in een zekere volgorde na elkan-der te doen verschijnen en vooral ook door het stereotypeerender associaties tracht het eenvoud en klaarheid te brengen inhet menschelijk brein.Dank zij deze functie van het bewustzijn ,,kent" de Neder-lander zijn steden in het algemeen aan een enkel of enkelespaarzame stereotiepe beelden. De aard van deze beeldenhangt uiteraard geheel samen met den aard van den Neder-lander in kwestie. Sommigen zien bij het hooren van den naamGouda de beroemde siroopwafels, bij Gronmgen denken zij aankoek en bij Utrecht aan de vermaarde Utrechtsche sprits.Anderen, minder uitsluitend lucullisch aangelegd -- en dezenzullen den lezer van dit tijdschrift q.q. meer belang inboeze-men -- worden door Gouda herinnerd aan het mooie laat-Gothische Stadhuis of aan de gedurende eenige jaren aan hetoog onttrokken ,,glazen"; Groningen roept voor hen het beeldop van den Martinitoren en bij Utrecht denken zij onvermijde-lijk aan den Domtoren, al dan niet in samenhang met de Dom-kerk.Weinige associaties op het gebied van het stedeschoon zijnzoo gefixeerd, worden zoo algemeen ondervonden als de ver-binding van Utrecht met den Dom. De praevalentie van denDom in den geest van den Nederlander, die bij de gedachteaan Utrecht niet in de eerste plaats door mercantiele specu-laties in beslag wordt genomen -- de Jaarbeurs! -- is zelfsvan dien aard, dat zij aan de -waardeering van andere elemen-ten van Utrechtsch stadsschoon in den weg staat. Velen levenbewust of onbewust in de veronderstelling, dat Utrecht naastDomtoren en -kerk niets of nagenoeg niets heeft te bieden,waaraan het oog van den immer verwend gewaanden vreem-deling zich kan verlustigen. En dit is toch stellig niet waar.Zeker, een monument als de Dom, voor ons land een van deweelderigste uitingen der late gothiek, is voor Utrecht eenigin zijn soort. De andere kerken zijn, voor zoover zij al niet opgruwelijke wijze zijn bedorven, te sober van bouw en orna-mentiek, dan dat zij zelfs maar uit de verte met de oude kathe-draal zouden kunnen wedijveren. Ook de profane bouwkunstheeft niets geleverd, dat in een adem met den Dom genoemdzou kunnen worden, ook al zou het door de vernielingen vande vorige eeuw gespaard zijn gebleven.Het is dus begrijpelijk, dat, ook al vindt men hier en daar over-blijfselen uit vroegere perioden, die op zich zelf de moeite vanhet aanzien alleszins waard zijn, het machtige Gothische mid-delpunt van de stad dit alles geheel in de schaduw stelt. Maartoch is er nog een ander monument, dat voor het karakter vande Utrechtsche binnenstad van zeer groote beteekenis is, ja,tezamen met den Domtoren dit karakter vrijwel geheel bepaalt.Dit monument wordt gevormd door de grachten, welke debinnenstad van zuid naar noord doorsnijden, t.w. de Oudz-gracht in het westen en de Nieuwegracht, Kromme Nieuwe-gracht. Drift en' Plompetorengracht in het oosten.De beteekenis van het water voor het stadsbeeld kan, vooralin ons land, bezwaarlijk worden overschat. Welke Nederland-sche stad dankt niet althans een deel van haar bekoring aande singels, die haar omgeven, of de grachten, die haar door-kruisen? Behooren die singels en grachten niet juist tot demeest in het oog springende teekenen, waaraan men de A/'etier-landsche stad herkent?Overal, waar slechts water was -- en bij de meeste onzersteden was daaraan geen gebrek! -- heeft men daarvan partijAitlk?lcn(foto Arch. Gemeentewerken, Utrecht)Afb. 1. De Oudegracht bij de Jansbrug75Afb. 2.(foto Lauwers)De Oudegracht tussen Gaardbrug en MaartensbrugArtlkdenAfb. 3. Ontsiering en verval van een werfmuur (foto Lauwers)Afb. 4. Opstallen op de werven (foto Arch. Gemeentewerken, Utrecht)Afb. 5. Opstallen op de werven (foto Lauwers)76getrokken, deels voor de verdediging, deels ten behoeve vanhet verkeer, of voor het beschikbaar hebben van bluschwater,dat vooral in de middeleeuwsche steden geen overbodige luxewas. Het spreekt vanzelf, dat het een het ander niet behocfdeuit te sluiten.Bij deze sterke overeenkomst in doelstelhng en de daardoor teduidehjker sprekende onderhnge verwantschap treft de grooteverscheidenheid in de onderscheidene stadsbeelden. Verschil-len in hgging ten opzichte van natuurhjke waterloopen, inplaatsehjke gesteldheid, ^in traditie, en de vele factoren, dieoverigens op den plattegrond van een stad van invloed kunnenzijn, waakten tegen het ontstaan van een star en eentonig zichherhalend type. Juist in de grachten komt dikwijls het eigenkarakter van een stad het meest tot uitdrukking.Wie zich van dit laatste wil overtuigen, die ga eens een kijkjenemen bij de Utrechtsche grachten en vergehjke zijn indrukkenmet die, welke hij elders heeft opgedaan. Zoo ergens, dan iszeker hier sprake van een eigen, karakteristiek grachtbeeld. Ikzie dan nog af van het merkwaardige beloop vooral van deOudegracht, die door zijn forsche, aan de slingeringen van eenouden Rijnarm ontleende bochten den wandelaar telkens weerverrassende aspecten biedt; de bekoringen van de gebogengracht zijn geen Utrechtsch monopolie, evenmin als die vande gebogen straat, die indertijd in dit tijdschrift zoo over-tuigend werden geschilderd i). Specifiek Utrechtsch even-wel is het dwarsprofiel van de grachten, in het bizonder datvan de Oude- en de Nieuwegracht, een profiel, dat met deoudste geschiedenis van de stad ten nauwste samenhangt, endus ook uit historisch oogpunt belangwekkend is.Het staat wel vast, dat de oudste bewoningskernen vanUtrecht moeten worden gezocht op het Domplein en ongeveerter plaatse van het Buurkerkhof, d.w.z. daar waar ook thansnog de bodem de grootste verheffing vertoont. De in 1928begonnen en in latere jaren voortgezette opgravingen op hetDomplein hebben aannemelijk gemaakt, dat dit hooge bodem-peil weliswaar deels te danken is aan natuurhjke oorzakenals overstroomingen en intensieve bewoning, doch ten deeletoch ook een gevolg is van opzettelijke ophooging. Dank zijdeze natuurhjke en kunstmatige ophoogingen ontstond gelei-delijk een heuvel, die zich zoo hoog boven het water verhief,dat hij ook in tijden van grooten watertoevoer in de toen nogonbedijkte landen een veilige woonplaats bood. Dat deze heu-vel -- in verschillende streken van ons land bekend als terp,wierd of woerd -- waardoor in hoofdzaak het peil van dedoor uitbreiding ervan gegroeide middeleeuwsche stad werdbepaald, na den aanleg van de groote rivierdijken hoog bovende nu bedwongen wateren bleef uitsteken, spreekt vanzelf. In-tusschen was het groote niveau-verschil oorzaak, dat de ge-wone zich langs het water, i.e. de grachten, bevindende wegenof straten bezwaarlijk als los- en laadplaats voor de scheep-vaart in die grachten konden dienen. Voor dat doel werdendan ook op een veel lager peil onmiddellijk langs het wat^rde kaden gemaakt, die bekend staan als de werven. 2)Het groote hoogteverschil maakte het bovendien mogelijk, datin den grond onder de eigenlijke straten en veelal ook onderde daarlangs staande huizen kelders werden uitgegraven indier voege, dat de vloer ervan met de voorgelegen werf opeen hoogte kwam te liggen. In verband met de zoo juist aan-gestipte functie van de werven voor den overslag van goe-deren behoeft het geen betoog, dat de onmiddellijk daaraangelegen kelders, of -- zooals zij algemeen worden genoemd --kluizen, een prachtige gelegenheid boden voor de berging van1) Door Dr. J. P. Fockema Andreae in Nr. 5 van 1944.^) Volgens Dr. K. Heeringa, die indertijd over dit onderwerp een voor-dracht hield in de sectie-vergadering van het Prov. Utr. Gen. v. K. enK., zou de eerste oorsprong van deze kaden worden gevormd door strookengrond, die voor de langs het water aangelegde ,,paaldijken" waren over-gebleven. (Zie maandblad van ,,Oud-Utrecht", 1930, biz. 73 v.v.) Tedezer plaatse kan dit in het midden worden gelaten; de hypothese vanHeeringa sluit in ieder geval niet uit, dat de eigenlijke aanleg der werven-reeds zeer vroeg en wel ten behoeve van den handel zal hebben plaatsgevonden. ..''N.V. H. GADELLA?o OUDEGRACHT 312 - UTRECHTlevert weer Waterpasinstrumenten en Jalons)f Siuuri onsUw aanvragevmisS^TEGEN ZWAARSTE BELASTING BESTANDONVERSLIJTBAAR EN GELUIDDEMPENDVONKVRIJ. MINDER BRANDGEVAARWARM AAN DE VOETEN.BRUYNZEEL VLOERENFABRIEK N.V.ZAANDAMGcmecnte DelftBij de dienst van Openbare Werken te Delft kan geplaatst wordeneen jong opzichter-tekenaarvoor werkzaamheden op waterbouwkundig gebied; diploma M.T.S.strekt tot aanbeveling.Jaarsalaris voor gehuwden als:opzichter-tekenaar 2e kl. f 2548,50 tot f 2933,25opzichter-tekenaar le kl. f 3189,75 tot f 3487,^,Ongehuwden f 120,-- per jaar minder. Kindertoeslag volgensgemeentelijke (rijks) regellng.SoUicitaties, op gezegeld plapier, onder opgave van uitvoerigeinlichtingen te richten aan Burgemeester en Wethouders van Delft,binnen 10 dagen na verschijning van dit blad.u KUNT BOUWENHolle betonvloerenMuurelementenTegels.PalenPlaten - enz. enz.fwarden vloi geleverd doorCementwarenfabriek SCHUURINKENSCHEDE - HavenTelef. 3009b.g.g. 4810 Burg. Stroinkstraat 116HANDEL INBij de Provinciate Planologische Dienst van Overijsselkan als assistent-stedebouwkundige worden geplaatst:EEN INGENIEURBrieven met uitvoerige inlichtingen te richten aan deDirecteur van bovengenoemde. Dienst, Provinciehuis,Zwolle.Bij de Provinciale Waterstaat van NoordhoUand kan wordengeplaatsteen bouwkundig- of civielingenieurmet stedebouwkundige aanleg en zo mogelijk erviaring, om te wor-den tewerkgesteld bij de Provinciale Planologische Dienst, ofeen civielingenieurvoor Waterstaatsdienst.Salarisgrenzen: f 3837,00--f 6556,00 (inclusief blijvende en tijdelijketoelagen, waaronder voorlopig een tijdelijke toelage van 5% overhet basis-salaris), vermeerderd met een overbruggingstoelage vanf 120,-- voor ongehuwden en f 240,-- voor gehuwden, benevenseventueel kinderbijslag.SoUicitaties in te zenden bij de Hoofdingenieur-Directeur van deProvinciale Waterstaat, Nieuwe Gracht 47, Haarlem.De Centrale Personeelsdienst roept sollicitanten op voorde functie vanADJUNCT INSPECTEURvan de Volkshuisvestingbij de Prov. Directie van de Wederopbouw te Assen.Bezit dipl. M.T.S. afd. Bouwkunde vereist. Min.leeftijd30 jaar.De taak zal o.a. bestaan uit: Beoordeling van woning-bouwplannen, woningonderzoek, controle uitvoering wo-ningbouw. Schriftelijke sollicitaties te richten tot deCENTRALE PERSONEELSDIENSTBINNENHOF 4 te 's-GRAVENHAGEonder motto L/Prodi-41.GLAS r in lood^Levering zonder bonnen in elke gewenschfcuitvoering, glassoort en kleur.Indien U overweegt glas in lood te bestel-len, vraagt dan het juist verschenen albummet modellen en foto's van uitgevoerd werkeens .ter inzage.N.V.DORDTSCHE GLASHANDELKuipershaven 28-29-30 DORDRECHT Teiefoon 5520BOUWMATERIALENF. HaarlemHoofdkantoor: Spaarnd. weg 212 Telef. 14264Biikantoor: Tuinlasntje 6-12 Telef. 13532Teiefoon Huis 25820BEVERWIJK- Scheybeeklaan 16 - Tel. 3879TEGELSN.V.GLASHANDEL DORENS&CoKEIZERSGRACHT 12-16 - TELEFOON 42735-47404AMSTERDAMALLE SOORTEN VLAKGLASVOOR DEN BOUW.&GLASNUVERHEID381demXtged. handelsmerkGOLF-PLATENBUIZENVLAKKE PLATENKOMEN WEER IN BEPERKTE HOEVEELHEIDN.V. ETERNIT ? AMSTERDAMNIEUWE DOELENSTRAAT 20-22 TEL. 49644-49744-49844ewapen e BetQnj^lm^jnggrim verschillende hooqten en zwaarten stefd'ilei 7432 FiR/^A GEBR.v.d. MEYDENIlLBURG BETON- EN BIMSWARENFABkIEKStelt U reeds nu op de hoogtevan de materialen die wij vodrde moderne woningbouwver-vaardigen:BIMSBETONVLOEREN EN-DAKENGEWAPEND BETONT-BALKVLOERENVLOEREN" VAN HOLLEBAKSTEENEN.>OSTALON? KUNSTSTEENTERRA-COTTA BOUW-PLATENVLAMOVENDAKPANNENOp aanvrage verstrekken wij gaarne inlichtingenALPHEN a. d. RUNTEL. 28338en product van Zweedse vindingin Nederland vervaardigd.De beuken- of eikenhouten slijtlaag ende naaldhoutcn onderlaag worden, nakunstmatige droging, onder hoge drukmet kunsthars watervast verlijmd totvloerdelen van ca. 4 m. lengte en 15 cm.breedte.Bij het leggen worden de delen onzicht-baar gespijkerd en het resultaat is eenfraaie, trek- en krimpvrije, hygienischeloer.7^ Vraagt inlichtingen of bezoek.N.V. HOUTINDUSTRIEDE DRIEHOEKGelegdop^aagvloer, wiLDERVANK-TEL. 161-(VEENDAM) ^Een modern verfproduct dat nimmermeer verdrongen zal worden, ver-vaardigd op Phtalaat- en Lood-titanaat-basis; vormendde sterkste lakverf ooit verschenenLotina Wettig gedeponeerdN,V? Haarlcmsche StoomverffabriekTelefoon 11884376HAARLEMN.V. SCHOKINDUSTRIEZWIJNDRECHTPOSTBUS 26Keermuurstukken394goederen, welke uit de schepen worden gelost of ter versche-ping moesten worden opgeslagen. Aan den voorkant, d.i. aande grachtzijde, werden zij afgesloten met een muur, den zgn.werfmuur, die aldus als een voorgevel aan de werf kwam testaan. In dezen gevel werden zoowel de vensters ter verlich-ting van de kelderruimten gemaakt als de deuren, welke alshoofdtoegang, in vele gevallen zelfs als eenige toegang dienstmoesten doen. De werven zelf werden van de straat af toe-gankelijk gemaakt door middel van trappen en bovendien nogop sommige plaatsen, in het bizonder ten gerieve van hetvervoer van goederen, door middel van zacht-glooiende af-ritten, de zgn. wedden. Van deze wedden, waarvan er vroegerverscheidene waren, bestaat er thans nog slechts een, n.l. hetwed aan de Ganzenmarkt, dat rechtstreeks voerde naar deplaats, waar eens de stadskraan stond en dat dus wel tot demeest gebruikte zal hebben behoord.Zoo ontstond dan geleidelijk een wonderlijk geheel van hoog-en laaggelegen straten, van aaneengesloten keldergevels envan hooge, het water met forsche bogen overspannende brug-gen, dat zonder twijfel als een van de meest karakteristiekeeigenaardigheden van de Utrechtsche binnenstad moet wordenbeschouwd. Met recht is dan ook dit geheel zoowel in de ge-meentelijke Monumentenlijst als in de van Rijkswege opge-maakte ,,Voorloopige lijst der Nederlandsche Monumentenvan geschiedenis en kunst" als een monument opgenomen.Uniek moge het beeld dan al niet zijn, in zooverre ook elderswel grachten met werven voorkomen, in dezen omvang en stijlgeeft het toch aan Utrecht een zeer bizondere plaats in derij van oude Nederlandsche -- en ook buitenlandsche -- ste-den. Het effect ervan wordt nog verhoogd door het bewogenbeloop vooral van de Oudegracht en, mede dank zij dit beloop,door de verrassende werking van den zich telkens weer andersin het grachtbeeld scharenden Domtoren.Wanneer de eerste werven en de eerste kluizen werden ge-maakt, is bij gebreke van historisch materiaal niet meer na tegaan. De oudste mij bekende stukken, waarin van de wervengewag wordt gemaakt, dateeren uit de Hde eeuw; over kel-ders aan de Oudegracht wordt gerept in een stuk uit de eerstehelft van de 13de eeuw. Na het voorafgaande ligt echter deveronderstelling voor de hand, dat zoowel de werven als dekelders veel ouder moeten zijn; het ontstaan ervan moet zich inde nevelen, waarin het vroeg-middeleeuwsche Utrecht is ge-huld, verliezen.In den tijd sinds ? 1800 hebben vrijwel alle Nederlandschemonumenten -- in andere landen was het al niet anders, dochdit blijve hier buiten beschouwing -- een zware beproevingmoeten doorstaan. Vele zijn eraan bezweken, andere kwamener min of meer geschonden doorheen en, al hgt de crisis alverscheidene tientallen jaren achter ons, nog steeds dreigt erzoo af en toe een ten onder te gaan. Gelukkig zijn er ook, dienog tijdig konden worden gered en die, dank zij de herlevingvan besef voor de beteekenis van de oude, overgeleverde cul-tuurwaarden, in hun ouden luister werden hersteld. Alduszoowel de Domtoren als de Domkerk, voor welker restauratie,bijna een halve eeuw geleden begonnen, de Utrechtsche bur-gerij niet dankbaar genoeg kan zijn jegens hen, die hun kennisen doorzettingsvermogen in dienst van deze groote werkenhebben gesteld. En toch '-- zou die burgerij zich van dezenplicht werkelijk bewust zijn?Het is niet aangenaam het te moeten zeggen, maar men kanmoeilijk aannemen, dat dit bewustzijn inderdaad in eenigszinsbreede lagen van de stedelijke bevolking aanwezig is. Nogsteeds schijnt slechts een klein percentage ontvankelijk te zijnvoor de! schoonheid van de groote sieraden der eigen stad.Dit wordt op weinig verheugende maar steHig zeer overtui-gende wijze bevestigd door den staat, waarin het belangrijkstedeel van het Utrechtsche grachtenmonument, de Oudegracht,door klaarblijkelijke onverschilligheid is komen te verkeeren.Dit is te bedroevender, omdat de, overigens moeilijk te over-schatten, verarming, welke de gevels der grachtenhuizen heb-ben ondergaan, te dezer plaatse buiten beschouwing kanArtikelenAfb. 6. Opstallen op de werven (foto Lauwers)Afb. 7. Opstallen op de wervenAfb. 8. Opstallen op de werven(foto Lauwers)(foto Lauwers)77Afb. 9. Opstallen op de werven (foto Lauwers)Afb. 10. Gerestaureerde werfmuren (foto Lauwers)?iBi\u?mn\i\nMi\M\\\\i\".iAfb. 11. Gere.staureerde werfmuren (foto Lauwers)78worden gelaten. Het monument in engeren zin -- de huizenwaren reeds voor het opstellen van monumentenlijsten zoomassaal bedorven of door onwaardige producten vervangen,dat slechts weinige voor bestempeling als monument in aan-merking kwamen --, dus de werven met de kademuren en dewerfmuren met de daarop staande muurtjes of balies, ver-toont op zichzelf reeds een voldoend aantal vormen van ont-siering en veronachtzaming.Verwaarloozing van het onderhoud laat zich bij verreweg demeeste werfmuren en ook bij zeer vele werven constateeren. Insommige gevallen zelfs moest een stempeHng het gedeeltelijkinstorten van een werfmuur voorkomen. De ontsieringen be-staan veelal in een kalk-, verf- of pleisterlaag en in verminkteof volkomen misplaatste raam- en deurkozijnen. Het allerergsteis evenwel de aanwezigheid van een groote hoeveelheid scha-mele en over het geheel genomen onooghjke opstallen op dewerven. Voor het meerendeel worden deze opstallen gevormddoor houten of steenen afsluitingen, waardoor bepaalde werf-gedeelten van de rest worden afgescheiden. Primitieve afdek-kingen in den vorm van gegolfd ijzeren platen, soms ook vanmastiek en een enkele maal van pannen, riepen een reeks vanovergangsvormen in het leven van het eenvoudige hek naarhet ,,gebouw", waarin het ,,gebruik" der werven de hoogstetrap van ontwikkeling hceft bereikt. Zes van de bij dit artikelafgedrukte afbeeldingen, bevatten een keur uit deze verschei-denheid van bouwsels; zij geven een treurig beeld van gebrekaan goeden smaak en onverschilligheid tegenover het aesthe-tisch aanzien van eigen, naaste omgeving.Gelukkig heeft de stroom van het keerend getij, ongeveer driekwart eeuw geleden begonnen, eindelijk ook dit verwaarloos-de monument bereikt en er zelfs al eenige sporen van zijnberoering op achtergelaten. Het begin was schuchter en nictin alle opzichten eervol voor de Utrechtsche burgerij. Onge-veer tien jaren geleden moest n.l. een door de gemeentelijkeoverheid uitgewerkt plan voor verbetering van de werven enwerfmuren langs het gedeelte van de Oudegracht tusschenViebrug en Bakkerbrug ten deele afstuiten op gebrek aanmedewerking van eenige bij de zaak betrokken eigenaren, zulksniettegenstaande van gemeentewege een zekere steun in dekosten werd toegezegd. Noodgedwongen moest de uitvoeringvan het plan toen worden beperkt tot het gedeelte tusschenViebrug en Jansbrug. Verder werden hier en daar nog enkeleafzonderlijke stukjes werfmuur onder handen genomen, waar-bij de gemeente eveneens een bijdrage in de kosten verstrekte.Het is duidelijk, dat met deze grootendeels incidenteele her-stellingen, waartoe in den regel eerst wordt overgegaan, alshet object in een zoo slechten staat is geraakt, dat het gevaarvoor de veiligheid gaat opleveren en de eigenaar deswegedoor het gemeentebestuur tot het nemen van maatregelenwordt aangeschreven, nimmer een bevredigende toestand zalworden verkregen. Weliswaar bevat de Bouwverordening eenaantal bepalingen, op grond waarvan de gemeentelijke over-heid de eigenaren tot een beter onderhoud kan nopen, docheen restauratie, die tevens het vervangen en verbeteren vanniet passende en ontsierende onderdeelen beoogt, kan uit dienhoofde niet worden gevergd. Er moet dus een middel gevon-den worden om de eigenaren uit hun apathie jegens dezeperiferie hunner eigendommen te wekken en hen ertoe te be-wegen ze weer in een toestand te brengen, welke een stad mRteen oude traditie waardig is. Dit middel kan alleen bestaan ineen algemeen restauratieplan -- althans voor de Oudegracht:daar vooral laat de toestand veel te wenschen over -- dat zoo-wel de werfmuren als de werven omvat en waarbij den eigena-ren een gemeentelijke bijdrage in de kosten in uitzicht wordtgesteld. Is eenmaal zoo'n plan gereed en geeft de gemeentezelve met de aan haar in eigendom toebehoorende muren envooral werven het goede voorbeeld, dan bestaat een redelijkekans, dat geleidelijk de particuliere eigenaren zullen volgen.Deze gedachtengang lag klaarblijkelijk ten grondslag aan hetrapport van de Utrechtsche schoonheidscommissie, dat op zijn1) Gedrukte verzameling Utrecht 1944, Nr. 39.beurt de aanleiding vormde voor het besluit van den burge-meester dier gemeente, tot algeheele restauratie van de wervenen werfmuren langs de Oudegracht. Blijkens de uitvoerige toe-lichting op dit besluit ^) ligt het inderdaad in de bedoelinghet restauratieplan dusdanig in te richten, dat met de gemeen-tehjke eigendommen een aanvang zal worden gemaakt en datde particuhere eigenaren op financieelen steun van de over-heid zullen kunnen rekenen. Dit laatste alleen wat de werf-muren aangaat; met betrekking tot de werven behelst het be-sluit een nog radicaler regeling. Deze zullen n.l., voor zooverze niet reeds onbetwistbaar gemeente-eigendom zijn, en massedoor de gemeente worden onteigend en vervolgens van ge-meentewege worden gerestaureerd. Deze bizondere gedrags-lijn ten aanzien van alle werven houdt eenerzijds verband metde ingewikkelde juridieke verhoudingen, welke te dezen op-zichte bestaan en die hier buiten beschouwing kunnen blijven,en andererzijds met een zeker scepticisme, dat het gemeente-bestuur blijkt te koesteren jegens de belangstelling van denparticulieren eigenaar voor zijn werf. Dat dit scepticisme on-gegrond zou zijn, zal niemand beweren, die eenigermate ver-trouwd is met de liefde, waarmede particulieren eigendommen,die geheel of grootendcels met een openbare functie zijn be-last, plegen te verzorgen.Het allerbelangrijkste resultaat van de onteigening zal echterzijn, dat nu ook alle opstallen op de onbetwist particulierewerfgedeelten aan de gemeente zullen overgaan en door haarzullen worden gesloopt. Het verwijderen van al deze hekkenen hokken van de werven moet trouwens als een van de voor-naamste doelstellingen der geheele" restauratie worden be-achouwd. Eerst wanneer al deze afschuwelijke bouwsels zullenzijn verdwenen en dan bovendien de werven en muren weerin een behoorlijken toestand zijn gebracht, zal men te Utrechtden vreemdeling weer met trots op zijn grachten mogen wij-zen. Dan ook zal de vreemdeling zonder twijfel meer dan thansonder den indruk komen van de schoonheid dier grachten enzal haar beeld zich in zijn brein te gereeder verbinden met datvan den toren van Nederland!Utrecht, Sept. 1944I) Gedrukte Verzameling Utrecht 1944, Nr. 39.Wij kunnen in aansluiting op het bovenstaande artikel nog mededelendat de voorlopige goedkeuring van het Onteigeningsplan is geschied endat thans ten departemente de indiening van het wetsontwerp tot verkla-ring van het algemeen nut wordt voorbereid.Draagkracht van de bodem en kosten van ves-tiging van nederzettingendoor Ir. P. K. van MeursAmsterdam, die grote stad, die is gebouwd op palenEn als die stad eens ommeviel, wie zou dat dan betalen?Gelukkig behoort Amsterdam niet tot de steden, die in het af-gelopen jaren in het vuur van het vrije spel der wereldmachtcngeheel of voor een groot gedeelte zijn omgekegeld. Over dekosten van heroprichting van Amsterdam behoeven wij dus indit verband het hoofd niet te breken. Niettemin: er zijn anderesteden, waarvoor dit wel geldt. En al moet Amsterdam niet opeen moment weder worden opgebouwd, het wordt geregeldverbouwd en vernieuwd, en breidt zich gestadig uit. In hoe-verre is het wel snugger, om steden te bouwen, uit te breidenen te herbouwen juist op gronden, waarop men alles op palenmoet zetten? Niet alleen wie zal dat betalen, maar hoeveelmoet hij wel betalen?Amsterdam is niet doelbewust gesticht, maar geleidelijk, wel-haast natuurlijk, gegroeid; die groei is soms zelfs een automa-tisch verlopend proces geweest. Te lang heeft men de groei Artikeienvan steden als vanzelfsprekend onbeperkt aanvaard en zichdaarin zelfs met ingeboren, ongemotiveerd chauvinisme ver-lustigd. Maar de plaats van vele steden is, wat de bodemge-steldheid betreft, dikwijls merkwaardig ongunstig gekozen.Naast nederzettingen, die kennelijk oordeelkundig en metoverleg op hoge, draagkrachtige gronden zijn gevestigd, zijn erdie met volkomen veronachtzaming van deze factor ontstaanof uitgebreid schijnen te zijn. Naarmate men zich meer en meergaat bezinnen op de vraag, hoe de stedebouwkundige ontwik-keling streeksgewijs moet worden geleid, wordt aan die ont-wikkeling stad voor stad het natuurlijk karakter ontnomen enkrijgt deze de vorm van een bewuste stap, die men alleen doetmet inachtneming van alle bepalende overwegingen. Daaromnogmaals: wat kost het bouwen van een stad in een moerasmeer dan het stichten ervan op vaste bodem? Vaste bodemstaat ons hier en daar ter beschikking, zand ligt op vele plaat-sen in ,ons hele land aan of even onder de oppervlakte, en integenstelling tot het bijbelwoord over hem, die zijn huis op hetzand bouwt, ziet ieder architect gretig uit naar een stukje zandom op te bouwen. Niet alleen wegens het ,,ommevallen" trou-wens, maar ook wegens het verzakken en wegzakken verlangenwij daarnaar, en niet alleen het gebouw, maar ook het bouw-werk, de straat, het riool kunnen in veen en slappe klei ver-dwijnen.'Het is de totale stedelijke nederzetting, waarvoor wijmeer betalen naarmate zij op slechtere bodem wordt gevestigd.Is het inderdaad geen ontoelaatbare dwaasheid, dit te doen opplaatsen, die nagenoeg moerassen zijn, terwijl men elders, zelfsnabij, wellicht betere bodem aantreft? Een tweede vraag is:waar vinden wij precies die betere bodem en in hoeverre is diebeter?Op die vraag geeft de geologischa kaart onvoldoende ant-woord. Zij wijst grondsoorten aan, maar niet voldoende nauw-keurig die op grote diepte, en niet in het bizonder onderschei-den naar de draagkracht. Zij geeft zodoende wel waardevollealgemene aanwijzingen in de goede richting, waaraan ont-breekt voldoende detaillering en iedere maat voor de draag-kracht. En juist een meetbaar maken van verschillen in draag-kracht, zij het absoluut, zij het door middel van verhoudings-cijfers, zou hen bruikbaar, hanteerbaar maken.Men zou zich voor kunneni stellen, de draagkracht van debodem, over een bepaald gebied gedifferentieerd, zo objectiefmogelijk uit te drukken in kg/cm^, maar al spoedig zal dui-delijk zijn dat dit niet veel helpt omdat dit cijfer op verschillen-de diepte anders zal luiden. Ook wordt de draagkracht gecom-pliceerd met andere factoren als het peil van de grondwater-stand, dat de kosten van funderen beinvloedt.In Duitse studies op dit gebied is de samenstelling van debodem ingedeeld naar de soort, als steenachtige bodem, zand-grond, klei, veen e.d. Aandacht werd besteed aan bijkomstigefactoren als overstromingsgevaar, veenzuren e.d. Vervolgenswerden de terreinen geklassificeerd als: zeer goede bouw-grond, goede bouwgrond, matige bouAvgrond, slechte bouw-grond en grond, ongeschikt als bouwterrein. Deze methode,gebaseerd op vrij globale verkenningen, is goed voor het ver-krijgen van een globaal overzicht, b.v. van te koloniseren ge-bieden, maar absoluut onvoldoende voor ons land, dat met zijngrote bevolkingsdichtheid en zijn vele locale verschillen veelnauwkeuriger en practisch bruikbaarder onderscheidingen no-dig heeft. In het westen van ons land zou trouwens een grootdeel in de categorie ,,ongeschikt als bouwterrein" dreigen tevallen. Toch moeten wij er bouwen. De meest universelemaatstaf voor del uitdrukking van de bruikbaarheid van debodem voor het vestigen van nederzettingen moet daaraanworden aangelegd. Die maatstaf, waarin wij, bij gebrek aanbeter, de meest uiteenlopende waarden pogen af te meten, ishet geld. Het hierboven aangehaalde rijmpje wijst al daarheen.Wat voor streekplanwerk ond-er meer nodig is, is een kaart,die het gebied aangeeft, onderscheiden naar de kosten van hetstichten van nederzettingen voor elk homogeen gedeelte vandat gebied. _Natuurlijk moet zo'n kaart gebruikt worden als een van vele lyArtlkeltnNOORDHOLLANDI : 4 00.000DRAAGKRACHT VAN DENBOOEM IFUNDEERiNG OPSTAAL EN OP PALEN -?'Vy;v>:-;(iEBlEDEN VAAB VOORLICMTE BEBOUWINSNtET (JEHEID BEHOEFTTE WORDENGEBiEDEN VAAR OOKVOOR LICHTE BEBOU-WING SEHEID MOETWORDEN5J,-T5!^4?^Vi3jS.%^jt,-/ .?:;
Reacties