October 1950lOe Jaargang - No. 10De WoningbouwverenigingUitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerSchijnt maandelijksAdres voor Redactie en Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 24298Adres voor Advertcntiea: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128Centrale voorzieningen in de woningbouwlictIn hbt nummer van 21 October 1950 van het Weekblad,,Bouw" is een uitvoerig verslag opgenomen van hetgeen Mi-nister In 't Veld over zijn bevindingen in Denemarken enZweden heeft willen verklaren. Het is zeer de moeite waardvan de inzichten van de Minister kennis te nemen. De Re-dactie van ,,Bouw" zal het wel goedvinden, dat wij hier eenenkele '-- voor ons bijzonder belangwek'kende -- passage uithet verslag citeren:Na te hebben vastgesteld, dat Nederland niet langer eenvooraanstaande plaats op het terrein van de volkshuisvestinginneemt, zegt de Minister: ,,Wij kunnen onze positie alleen,,veroveren, indien wij voldoende aandacht besteden aan de,,centrale voorzieningen. Dat kan, want het is een kwestie,,van misschien een gulden meer per week. In Zweden ge-,,lukt het, omdat de toepassing op grote schaal geschiedt. Daar,,worden een 800 woningen op een centrale aangesloten. In,,Amerika. waar de verhoudingen weer anders liggen, worden,,2000 aansluitingen op een centrale als de meest economische,,oplossing beschouwd. In Nederland kan het waarschijnlijk,,ook gelukken, indien verschillende opdrachtgevers de han-,,den ineenslaan om tot blokverwarming te komen. Het liefst,,zou ik zien, dat een woningbouwvereniging of een particu-.,liere bouwer, die een groot aantal huizen gaat zetten, zegt:,, ,,I'k zal het eens proberen!" Ik ben er van overtuigd, dat hij,,zal slagen. De bewindsman vertelde verder, dat te Amster-,,dain voor het z.g. 1800-woningen-plan overwogen is cen-,,trale voorzieningen aan te brengen. Men heeft het echter,,nog niet aangedurfd. Naar de mening van de Minister is het,,een gebrek in Nederland, dat elke woningbouwvereniging,,haar eigen plannen en haar eigen architect heeft. Wanneer,,er meer samenwerking was, zouden er ook meer mogelijk-,,heden zijn. Misschien kan de Nationale Woningraad er iets,,aan doen." Tot zover dit citaat.Het is natuurlijk bijzonder prettig voor ons, dat de Ministeronze Nationale Woningraad een taa'k toekent ten aanzienvan het maken van deze centrale voorzieningen en van eengroter concentratie in de werkzaamheden van de woningbouw-verenigingen. Wij zijn nu wel verplicht hieromtrent het eenen ander mede te delen.Een goed voorbeeld van de door de Minister bedoelde con-centratie biedt juist de gang van zaken bij de voorbereidingvan het z.g. 1800-woningen-plan voor ,,Bos en Lommer" inAmsterdam. Negen woningbouwverenigingen ^- ieder methun eigen architect -- zijn bij dit plan betrokken. Met de Mi-nister zijn de besturen dezer verenigingen van mening, datnegen architecten hier wat te veel van het goede bieden. Devoor deze bouwplannen gelegde verbindingen dateren even-wel van vrij geruime tijd geleden en men heeft zich op hetzeker niet verwerpelijk standpunt gesteld, dat deze verbin-dingen geeerbiedigd moeten worden. Dat neemt niet weg, datmen bij deze bouw toch kans heeft gezien om alle voordelen,die concentratie bieden 'kan, te bereiken. Alle voorbereidingentot de bouw van deze 1800 woningen zijn in federatief ver-band getroffen. De gemeente Amsterdam regelt alle zakenbetreffende de bouw met een orgaan: de federatie van Am-sterdamse bouwverenigingen. Deze federatie onderhandeltmet de architecten en is daarbij niet bevreesd om verstrek-kende aanwijzingen te geven. De verdeling van de bouwmoge-lijkheden, die de gemeente aan de bouwverenigingen wil ge-ven, wordt in de federatie geregeld. Zo treedt voor de ver-bonden verenigingen de federatie naar buiten op. Dat is eenvorm van gezonde concentratie, die men niet alleen in Am-sterdam aantreft. Men zie -- om in de buurt te blijven -- naarHaarlem, Hilversum en Leiden. Waar dit mogelijk blijkt,propageert de Nationale Woningraad deze wijze van werken.Onze experimentele woningbouwplannen voor Hengelo (O.),Leiden, Tilburg, Katwijk en Vlaardingen zullen er straks tenovervloede getuigenis van afleggen. Wij zullen de geweldigehoeveelheid werk, die ons voor de komende tientallen vanjaren te wachten staat, beter baas kunnen naarmate wij ingroter verband, op langer termijn en in uitgebreider samen-werking het karwei aanvatten. Het verwezenlijken van diesamenwerking behoeft in 't geheel niet het verlies van heteigen karakter der onderscheidene bouwverenigingen mee tebrengen. Intussen hebben deze denkbeelden nog niet overalingang gevonden. Onlangs hebben wij in een der grote ge-meenten in het Oosten des lands gepleit voor de erkenningvan het federatief verband der woningbouwverenigingen doorhet gemeentebestuur. De betrokken wethouder -- in de Ne-derlandse volkshuisvesting niet de eerste de beste -- gafdaarop als zijn mening, dat hij wel hield van het ,,particula-risme" van de onderscheidene bouwverenigingen. Zie, zolangdit misverstand nog niet is overwonnen, blijft een beroep vande Minister op de bouwverenigingen en de Nationale Wo-ningraad ten dele vruchteloos, zonder dat men dit de vereni-gingen mag verwijten.Blijkbaar is niet algemeen bekend, dat de Amsterdamse wo-ningbouwverenigingen reeds jaren voor de oorlog een Stich-ting Centrale Warmwatervoorziening in het leven hebben ge-roepen. Deze Stichting voorziet reeds lang vele honderdenwoningen van warm water. Uiteraard moesten in de oorlogs-jaren de vuren onder de ketels worden gedoofd. Na-oorlogsemoeilijkheden verhinderden tot voor kort nog de dagelijkselevering van warm water; men moest volstaan met de leveringop enkele dagen per week. Thans is men weer zo ver, dat dehuisvrouw in de aangesloten woningen op ieder gewenst ogen-blik naar believen warm water kan tappen. Voor woningen,die voorzien zijn van een douche-inrichting, rekent men opeen gebruik van circa 120 liter warm water per dag, voorwoningen met een echt bad op ongeveer 185 liter per dag.De ervaring heeft geleerd, dat deze cijfers een voor de kost-prijsberekening alleszins betrouwbaar gemiddelde vormen. Deprijs is thans voor de eerste categorie woningen f 1,65 perweek en voor de tweede categorie f 2,15 per week. Hierbijmoet worden opgemerkt, dat deze bedragen dus gelden uit-sluitend voor de levering van warm water. De prijs is uiter-aard gunstig beinvloed door het gebruik van de voor-oorlogse-- en dus naar de tegenwoordige begrippen goedkope -- in-stallaties. Een der bij de Stichting aangesloten verenigingen 105is tot dagelijkse levering tegen bovenvermelde prijzen over-gegaan. Opmerkelijk is, dat de leden van andcre bij de Stich-ting aangesloten verenigingen op hun besturen in 't geheelgeen aandrang uitoefenen om 66k tot dagelijkse levering tebesluiten. Wij vrezen, dat men dus het tarief nog rijkelijkbezwaarlijk acht.Vanzelfsprekend heeft de hierboven genoemde Stichting zichook ernstig beziggehouden met de vraag of en in hoeverrecentrale voorzieningen in de 1800 in Bos en Lommer te bou-wen woningen 'kunnen worden aangebracht. In Juni hebbenhet Bestuur der Stichting en de Nationale Woningraad hier-over met de Minister gesproken. Men moet namelijk weten,dat de woningbouwverenigingen zelfs aan de voorbereidingvan dergelijke plannen ternauwernood iets kunnen doen zon-der goedkeuring en/of medewerking van de Rijks- of gemeen-telijke overheid. Reeds in 1947 liet de Stichting in een over-moedige bui een installatie-plan voor enige honderden nieuwewoningen vervaardigen. Het plan bleek niet uitvoerbaar tezijn. De kosten voor het maken van het plan (circa f 3.000,-- )moesren evenwel betaald worden. De betrokken woningbouw-vereniging kon dit bedrag best uitleggen, maar zij mocht hetniet doen, omdat oude bepalingen, die van centrale voorzie-ningen niet wisten, zich daartegen verzetten. Als U het nietverder vertelt, willen wij U wel zeggen hoc dit probleem isopgelost. Men heeft de desbetreffende woningen ingerichtmet gasgeysers. Van hetgeen van de huur van deze geysersoverblijft, betaalt men de rekening voor het installatie-plan af.Gedachtig aan deze ervaring achtte het Bestuur van de Stich-ting het dus raadzaam om met de Minister te praten alvorensde opdracht tot het ontwerpen van een installatie-plan te ver-strekken. Per woning (die gemiddeld tienduizend gulden moetkosten) zou voor het plan ongeveer vijf gulden betaald moetenworden. De Minister liet na enige tijd weten, dat deze vijfgulden per woning -- als het plan onverhoopt niet verwezen-lijkt zou worden -- niet in de stichtingskosten mochten wor-den opgenomen. Het pleit voor het Stichtingsbestuur, dat het.ondanks deze afwijzing, het installatieplan toch heeft latenmaken. Daarmede toonde het iets van de ,,durf", die de Mi-nister blijkens het interview in ,,Bouw" van de bouwvereni-gingen verlangt.Het installatie-plan en de daarop gebaseerde begrotingen enexploitatie-berekeningen zijn inmiddels gereed. Voor in totaal1431 woningen zullen twee ketelhuizen gebouwd moeten wor-den. Men heeft de keuze tussen een met de hand te bedienencokes stookinrichting en een automatische oliestookinrichting.De stichtingskosten voor de laatstgenoemde installatie zijnhoger dan voor de eerstgenoemde, maar daartegenover zijn debedieningskosten -- en daarmede de exploitatie -- voordeliger.Voor het eerste plan van 632 woningen zijn de volgende cij-fers gevonden:Stichtingskosten:Centrale verwarmingWarmwatervoorzieningcokes-ketels/ 579.000,--,, 342.600,--foliestook-inrichting628.500,-370.100,-TotaalExploitatie'kosten perwoning per jaar:Centrale verwarmingWarmwatervoorziening/ 921.600--/ 164,-79,-f998.600,--155,--77,--Totaal f 243,--106Voor alleen centrale verwarmingzijn de cijfers:Stichtingskosten f 604.000,--Exploitatiekostenp.w. per jaar f 170,--/ 232,.f 653.000,-/ 163,-Voor het tweede plan van 799 woningen gelden de volgendecijfers:Stichtingskosten:Centrale verwarming f 814.000-- / 876.000,--Warmwatervoorziening ,, 400.500,-- ,, 429.500,--TotaalExploitatiekosten perwoning per jaar:Centrale verwarmingWarmwatervoorzieningTotaal/ 1.214.500,- f 1.305.500,--175,75,- f 165,72,/ 250,- f 237,-/ 844.000-- f 906.000,--Voor alleen centrale ver-warming zijn de cijfers:StichtingskostenExploitatiekosten p. w.per jaar: / 180,-- f 170,--Indien beide projecten worden gekoppeld, dan zijn de ex-ploitatiekosten per woning te stellen op:Centrale verwarming(oliestook) per jaar f 160,^ p. wk. / 3,08Warmwatervoorziening(ohestook) per jaar f 74,50 p. wk. / 1,43Totaal f 234,50 p. wk. f 4,51Hieruit blijkt dus, dat bij de meest economische opzet perwoning per week f 4,51 in rekening moet worden gebracht.In de plannen en berekeningen is voorzien in een zeer vol-doende verwarming van het woonvertrek en een verwarmingvan de gang of het portaal, zo mogelijijk in de onmiddellijkenabijheid van douche-eel of badkamer. Voorts is gerekend opeen prachtisch ongelimiteerd waterverbrui'k. Het is ons be-kend, dat de aanbieding van een Nederlands verwarmings-bureau, dat voor de voorzieningen een prijs van f 3,50 perweek calculeert, uitgaat van een gebruik van nauwelijks 300liter warm water per week. Deze hoeveelheid heeft voor dewaterbeschaving vrijwel geen betekenis. Het bestuur van deStichting te Amsterdam heeft zich terecht op het standpuntgesteld, dat men de centrale voorzieningen, indien men tothet aanbrengen besluit, zodanig meet maken, dat zij aanalleszins redelijke eisen voldoen. Een halve oplossing is hiergeen oplossing.Men zou de besturen der woningbouwverenigingen van licht-zinnigheid moeten beschuldigen, wanneer zij niet zeer ernstigzouden overwegen of zij hun leden-bewoners een vaste weke-lijkse last van /4,50 mogen opleggen. Men kan tegenover dezeverplichte uitgave enige bezuinigingen stellen. Een deskundigeschatte het jaarlijkse kolengebruik per gezin op gemiddeld 16hi. anthraciet of een evenwaardige hoeveelheid andere brand-stof. Daarmede is een bedrag van / 100,^ gemoeid. De kos-ten aan huur en gas voor een gasgeyser kan men stellen op/ 80,^-- per jaar. Rekent men verder nog de afschrijving, hetschoonhouden en het onderhoud van een haard op f 16,50per jaar, dan komt men op een totale bezuiniging van circa/ 3,78 per week. Men kan -- met de Minister -- dus stellen,dat men voor nog geen gulden per week meer de woningcentraal verwarmd heeft en bovendien onbeperkt over warmwater kan beschikken. Oppervlakkig bezien moeten de voor-dekn van de centrale voorzieningen dit offer volkomen waardzijn. Over de voortreffelijkheden van de centrale voorzienin-gen bestaan er tussen de Minister en de besturen der woning-bouwverenigingen geen meningsverschillen.Er zijn echter nog andere overwegingen in het geding. Ge-bruikt het arbeidersgezin 16 hi. anthraciet per jaar? Ingewij-den verklaren, dat moeder-de-vrouw. zolang het maar enigs-zins kan, de woning overdag onverwarmd laat en pas 's avondsNog een afbeelding van een paneel der internationale tentoonstelling te Amsterdam. Na-oorlogse vereinigingsbouw 107kachel of haard aanmaakt. Met het gebrui'k van warm waterwordt zeer zuinig omgesprongen. Men is er zich terdege vanbewust, dat ieder keteltje heet water geld kost. Kachel en gas-kraan vormen voor de huisvrouw enige der weinig overge-bleven ,,uitwijkmoge'ijkheden". In deze opzichten kan men nietlanger ,,de tering naar de nering" zetten, wanneer de huur-incasseerder wekelijks een kwitantie van f, 4,50 voor de cen-trale voorzieningen aanbiedt. In het grootste deel der arbei-dersgezinnen komt men slechts toe met passen en meten.ledere aanslag op de sector, waarbinnen dit passen en metennog mogelijk is, maakt de strijd om het hoofd boven water tehouden nog moeilijker. Men kan dit betreuren, maar men kaner de besturen der woningbouwverenigingen geen verwijt vanmaken, dat zij deze overwegingen in hun beslissing latenmeespreken.Men heeft onderzocht of door middel van een selectie derbewoners een oplossing is te.vinden. Indien men de meerdraagkrachtige gezinnen in de complexen met centrale voor-zieningen zou kunnen huisvesten, dan zou de wekelijkse be-taling misschien minder moeilijkheden opleveren. Daartoe zoumen een deel van de bewoners der oudere verenigingshuizennaar de nieuwe woningen moeten brengen. Bij de toewijzingvan nieuwe woningen aan woningzoekenden speelt immers na-genoeg uitsluitend de urgentie en niet de draagkracht een rol.Wie zich er verder van bewust is, welke grote bedragen alleenal met verhuizing en her-inrichting zijn gemoeid, zal van eenomvangrijke ,,herverdeling der bewoners" geen al te grote ver-wachtingen koesteren.In de besprekingen, die aan de voorlopige beslissing vooraf-gingen, merkte een ervaren bestuurder van een woningbouw-vereniging op, dat men 40 jaar geleden niet met het werk derbouwverenigingen zou zijn begonnen, indien men ook toende verhoging der lasten al te zwaar had laten wegen. De oudekrotwoningen werden verhuurd voor gemiddeld / 2,50 perweek; de nieuwe verenigingswoningen moesten f. 3,50 perweek opbrengen. Het gemiddelde weekloon bedroeg in die tijdf. 13,^--. Nochtans hebben duizenden de nieuwe woningengretig aanvaard. Tegenover dit betoog stelde een ander, dat indie tijd enig optimisme ten aanzien van een redelijker verde-ling van de vaderlandse welvaart gerechtvaardigd was. Daar-om kon men ook wat wagen. Nu liggen de zaken anders. Devergelijkingen in percentages tussen de huurbedragen in Scan-dinavie en in Nederland zijn zonder meer niet bruikbaar. Inons land is -- anders dan in Denemarken en Zweden -- hetbestaansminimum van de arbeider in het geding. De Zweedsehuisvrouw houdt, nadat zij een voor onze tegenwoordige be-grippen vrij hoog percentage van haar inkomen aan huur heeftbesteed, in absolute zin nog genoeg over om, zelfs met enigevariatie en fantasie. in andere levensbehoeften te voorzien.De Nederlandse moeder-de-vrouw is er, wat dat betreft,slechter aan toe. Als zij de weekhuur heeft betaald (een vrijlaag percentage van het inkomen), dan mag zij zich geenenkele fantasie in haar huishouden veroorloven op straffe vanzich opstapelende tekorten. Alleen onverbeterlijke optimistenverwachten, dat er binnen afzienbare tijd een ontspanningtussen lonen en prijzen zal intreden. De jongste uiteenzettin-gen van Minister Lieftinck geven tot optimisme in dit opzichtgeen enkel recht.Inderdaad, de meerderheid van de besturen der Amsterdamsebouwverenigingen heeft het niet aangedurfd om de normalehuurprijzen voor enige tientallen jaren met f. 4,50 per weekte verhogen. Daarbij was die meerderheid zich er ook vanbewust, dat zij moet werken met geld van de overheid en zijheeft dus ook overwogen, dat rente en aflossing op tijd be-taald zullen moeten worden. Al met al achtten zij de lastenvoor de bewoners te zwaar en het exploitatie-risico te groot,Wie zal deze besturen gispen voor hun verantwoordelijkheids-besef?w. s.1108Verslag (II)van de 32ste jaarvergadering van de Nationale Woning-raad, A. B. v. W., gehouden op Vrijdag 30 Juni en Zater-dag 1 Juli 1950 in ,,Musis Sacrum" te Arnhem.Aan de orde is punt 6 van de agenda: Voorstel van het Be-stuur aan het Congres om zich in een motie als volgt uit tespreken:De vergadering, kennis genomen hebbend van de voorstellender Staatscommissie voor de herziening van de Woningwetmet betrekking'tot de inste'ling van een Nederlandse Wo-ningraad, betuigt met deze voorstellen haar instemming.De Heer /. Bommer geeft namens het Bestuur een toelichtingop deze motie. Spreker stelt vast, dat er niet veel verschil zalbestaan tussen de Nationale Woningraad van thans en -- alsde Staatscommissie haar zin krijgt -- de Nederlandse Wo-ningraad van straks. Dit blijkt reeds uit de volgende passageuit het rapport van de Commissie: ,,Reeds in 1940 is er door,,de Nationale Woningraad voor gepleit, dat een deel van de,,zeer omvangrijke overheidstaak op het gebied van de woning-,,bouw en woningexploitatie door woningbouwverenigingen en,,gemeenten zou worden overgedragen aan een nicu'w te \or-,,men orgaan van belanghebbenden. De commissie heeft dit,,voorstel in grote lijnen overgenomen "Enige verschillen van ondergeschikte betekenis wi! sprekergaarne aanwijzen. De Commissie heeft gezegd, dat het beteris het nieuwe orgaan de naam van Nederlandse Woningraadte geven. Dit is voor ons van geen belang. Verder zijn er inde voorstellen van de Nationale Woningraad enige redactio-nele veranderingen -- die als verbeteringen beschouwd moetenworden -- aangebracht. Het enige belangrijke onderscheid tus-sen onze vroegere voorstellen en de denkbeelden van de Staats-commissie is, dat het nieuwe orgaan wat beperkter bevoegd-heden zal krijgen dan wij ons aanvankelijk hadden voorgesteld.De bevoegdheden ten aanzien van beslissingen over toelatingen handhaving van de toelating, de inhoud van statuten e.d.wenst de Staatscommissie onverkort in handen van het nieuweOrgaan te leggen. Slechts ten aanzien van de voorschriften.aangaande de exploitatie gaat de Commissie iets minder verdan wij.Ons Congres staat thans voor de vraag of het zich met devoorstellen van de Staatscommissie kan verenigen en of hetdit wil uitspreken. Het Bestuur heeft deze vraag onder hetoog gezien en gemeend het Congres te mogen uitnodigen eenuitspraak, als in de motie is neergelegd, te doen.Vermelding verdient nog, dat een minderheid in de Staats-commissie over de voorstellen niet enthousiast is. Zij heeft erernstige bezwaren tegen, dat het lidmaatschap van de Neder-landse Woningraad aan de zelf-exploiterende gemeenten bin-dend wordt voorgeschreven en dat de gemeenten de verorde-ningen van deze Nederlandse Woningraad zullen moeten na-komen. Spreker heeft er behoefte aan hierover een algemeneopmerking te maken. Hij wijst er nadrukkelijk op, dat het inde practijk hierop zal neerkomen, dat de voorschriften, die totdusverre door het Rijk aan de woningbouwverenigingen en ookaan de gemeenten werden opgelegd, in de nieuwe situatie zul-len worden vastgesteld en gegeven door een lichaam, dat doorverenigingen en gemeenten zelf is gevormd. Ik kan mij nogaltijd niet voorstellen, zegt spreker, dat men, wanneer meneven doordenkt, er bezwaar tegen kan hebben in dit opzichtzelf-bestuur te krijgen. Nu bestaat er de vrees, dat in een ge-meenschappelijk lichaam de gemeenten door de woningbouw-'verenigingen zouden kunnen worden overstemd. Daarop is ge-rekend, doordat in het bestuur van de Nederlandse Woning-raad pariteit tussen verenigingen en gemeenten zal bestaan.Men kan er op vertrouwen, dat de samenwerking tussen degemeenten en de woningbouwverenigingen juist door het wer-ken in de Nederlandse Woningraad anders en beter wordt danzij tot dusverre is gewcest.Er heeft destijds een discussle plaatsgevonden met enige afge-vaardigden van R.K. woningbouwverenigingen. Naar het oor-deel van deze vertegenwoordigers zou de R.K. invloed in deNederlandse Woningraad niet voldoende tot zijn recht dreigente komen. In ons Congres van 1946 zijn tenslotte de voorstel-len toch vrijwel met algemene stemmen aangenomen. Men kentde geschiedenis, zoals die zich sedert 1946 heeft ontwikkeld.In ,,De Volkskrant" kwam onlangs een artikel voor, waarinvan onze Nationale Woningraad niet veel goeds werd gezegd.Het is onbegrijpelijk, hoe men zich ten aanzien van de geschie-denis van de Nationale Woningraad zo sterk kan vergissenals de schrijver van dit artikel heeft gedaan. Intussen mogenwij zeggen: Eind goed, al goed, want aan het slot van ditartikel wordt de instelling van een Nederlandse Woningraadvan harte toegejuicht. Als straks zou blijken, dat ook de R.K.groeperingen, die thans niet bij ons willen horen, aangaandede Nederlandse Woningraad dezelfde opzet koesteren als wij,dan doen de meningsverschillen van het verleden niet meerter zake.Ik heb mij, zegt de Heer Bommer, beperkt tot de hoofdlijnenvan deze kwestie. Het zal niet de bedoeling zijn, dat over ditvoorstel tot het aannemen van de motie verder wordt gediscus-sieerd. Drie jaar geleden hebben wij een en ander reeds uit-voerig besproken. Ik meen, dat wij nu van ons standpunt naarbuiten duidelijk kunnen laten blijken,De Voorzitter dankt de Heer Bommer voor de gegeven toelich-ting en vraagt of het Congres zich met de voorgestelde motiekan verenigen,Er wordt vanuit het Congres geen enkele bedenking geopperd,zodat wordt aangenomen, dat de motie met algemene stemmenis aanvaard.Vervolgens verleent de Voorzitter gaarne het woord aan DrIr Z. IJ. V, d, Meer voor het uitspreken van zijn rede over,,De omvang van de toekomstige woningbouw en de invloeddaarvan op de leniging van de woningnood", (De tekst vandeze rede is reeds in No. 6 van deze jaargang van ,,De Wo-ningbouwvereniging" gepubliceerd). Aan de discussie op derede van Dr v. d. Meer nemen deel:De Heer R. Nieuwenhuis van de Woningstichting ,,ZomersBuiten" te Amsterdam.Spreker 'kan onmogelijk de tien stellingen en de daarop ge-baseerde belangwekkende inleiding op de voet volgen. Hijwil daarom zijn aandacht uitsluitend bepalen bij hetgeen overde montage-bouw is gezegd. Wij weten het nu: het experi-ment van de montage-bouw heeft ons 15 millioen gulden ge-kost. Wij zouden daar desnoods nog vrede mee kunnen heb-ben indien het hier bij bleef. De aantallen millioenen, diegemoeid zijn met het extra en vroegtijdig onderhoud komener echter nog achteraan! Reeds nu hebben de besturen derwoningbouwverenigingen in dit opzicht bittere ervaringenopgedaan. De op 50 jaar gefixeerde levensduur is voor demontagewoningen besHst te lang. Er is evenwel nog meer.Door het wonen in de montage-huizen treedt vervlakking vande geest op. De complexen prefabs vormen grauwe, mistroos-tige vlakken in het stadsbeeld. De eenvormigheid is zo grooten zo overheersend, dat bij de uitbreidingsplannen alleen nogmaar het lineaaltje te pas komt, zulks tot schade van de ge-zonde en aantrekke'ijke standsontwikkeling. Het is verder be-wezen, dat de montage-bouw niet goedkoper is en niet goed-koper wordt dan de traditionele bouw. Bij de reeds hoge prijsmoet men bovendien nog rekenen op de kosten van de voor-zieningen, die onmiddellijk na het gereedkomen van de mon-tage-woningen noodzakelijk blijken te zijn. Dit alleen wordtnu verdedigd met de stelling, dat we door de montage-bouweerder van de woningnood verlost zullen zijn. Ik betwijfelzeer sterk of deze stelling houdbaar is, zo zegt spreker. Hetkomt mij voor dat alleen door het loslaten van het loonplafondin de bouwvakken de traditionele bouw toereikend zal zijnvoor de beoogde woningproductie.De Heer Tj. Kingma uit Zaandam verklaart het gevoel tehebben, dat de geachte inleider een wel zeer ondankbare taakheeft te vervul'en. Met grote aandacht en waardering hebbenwij naar de in hoofdzaak economische beschouwingen geluis-terd. De kern van het betoog was wel: Zoals wij in Nederlandde laatste jaren geleefd hebben, zullen wij het zeker na 1952niet meer kunnen. Wij zullen dan zelf de touwtjes aan elkaarmoeten knopen. Er zijn in feite geen aanwijsbare mogelijk-heden tot verlaging van de bouwkosten. Dat betekent, dat detc^passing van de verminderde bijdragenregeling moet leidentot aantasting van het woonpeil. Als de Nederlandse volks-gemeenschap werkelijk te arm is om op voet van de Woning-wet goede woningen te kunnen bouwen, dan zal de overheiddat moeten aantonen. Het is dan beter, dat we ons bewustworden van onze armoede en er de consequenties -- ook voorde woningbouw -- van aanvaarden, dan dat wij nog langerdoen alsof alles bij het oude kan blijven niet alleen, maarook nog de indruk wekken alsof we bezig zijn het woonpeilomhoog te voeren.De Heer Nix van de Woningbouwvereniging ,,Goed Wonen",Heukelum: Ik ben het niet eens met de vorige spreker, diemeende, dat Dr v. d, Meer hier een ondankbare taak heeftvervuld. De Nederlandse geest is nog vaardig over ons. Voorde volkshuisvesting hebben wij vechtlust nodig. Wij hebbenin de rede van Dr v.d. Meer toch ook nog wel lichtpuntjesgezien. Voor het denkbeeld om in de bouwvakken de loon-stqp op te heffen, kan ik geen bewondering hebben. Hoe zul-len over een dergelijke bevoorrechting de arbeiders in anderebedrijfstakken denken? In mijn gemeente hebben wij voor debouw van goede woningen de aanbieding van een aannemer,die het voor f 6.500,-- per woning wil doen. Bij ons kampenwe echter met het euvel van te lage huren. Daardoor komenwij met een bijdrage van / 100,-- per woning per jaar nietuit. Als het f 120,-- zou kunnen zijn, dan lukte het wel. Ishier misschien iets aan te doen, mijnheer Van der Meer? (Dezeondeugende vraag wordt door het Congres met hilariteit be-groet).De Heer E. Kupers van de Algemene Woningbouwverenigingte Amsterdam kan zich over het algemeen met de beschou-wingen van Dr v. d. Meer verenigen. Alleen tegen de zesdestePing van de inleider heeft hij ernstige bezwaren. Deze stel-ling (binnen enkele jaren woningbouw voor de valide arbei- 'der op rendabele basis) is ontsproten aan een te rijke fantasieen vormt een utopie. De bouwkosten zijn altijd ruim 3 maalzo hoog als voor de oorlog. Vroeger kostte een woningf 3.000, -- ; nu is de prijs rond f 10.000, -- . Het voor-oorlogseweekloon bedroeg f 25,-- a f 26,-- per week. De huren be-droegen 17 a 20% van het loon. Nu verdient een arbeidergemiddeld f 50,-- per week. De Alg. Woningbouwverenigingbouwde nu woningen, die f 7,-- per week aan huur doen.Daarbij zijn niet medegerekend de extra kosten voor eventuelebijzondere voorzieningen in de woning. De geschiedenis her-haalt zich. Na de eerste wereldoorlog stegen de bouwkostenook aahzienlijk; de overheid moest in de vorm van jaarlijksebijdragen op de woning-ex.ploitatie bijpassen. Thans hebbenwij eenzelfde beeld te aanschouwen. Hoe denkt Dr v. d. Meerhet verschil te overbruggen tussen de thans geldende huurvan f 1,-- en de z.g. ,,dekkende huur", die circa f 14,-- ofmeer zou moeten bedragen? Er zouden slechts drie mogelijk-heden kunnen worden aangegeven: 109Ten eerste een belangrijke verlaging van de bouwkosten. Hoe-wel hier wellicht enig resultaat te bereiken valt, is niet dui-delijk hoe het grote verschil tussen f 3.000,'- en f 10.000,^--te overbruggen is. Spreker gelooftniet in de mogelijkheid vaneen hiertoe strekkende verlaging van de bouwkosten.Ten tweede zou een verlaging van het loonpeil een gunstigeinvloed op het kostenpeil kunnen hebben. Spreker acht even-vi^el een lager loonpeil onaanvaardbaar.Ten derde zien sommigen een uitkomst in het loslaten vande loonstop in de bouwvakken. Dit is een onmogelijkheid,tenzij men de totale loon- en prijspolitiek van de regering zouwillen doorbreken.Concluderende zegt de Heer Kupers, dat wij ons de gedachteaan een ,,dekkende" huur voor de straks te bouwen woningenuit het hoofd moeten zetten.De Heer Van Hessen uit Almelo vraagt hoe Dr v. d. Meerde woningbouw blijvend denkt te kunnen stimuleren als hijzegt, dat de investeringen beperkt moeten w.orden.De Heer Van der Broek heeft tijdens de rede van Dr v. d.Meer eens achterom gekeken of wellicht Minister Lieftinckzich ergens verdekt had opgesteld. Moeten wij zuinig zijn?Goed, maar niet ten koste van de woningkwaliteit. Confectie-woningen willen wij niet; wel eventueel een goede ,,maat-confectie-woning". Kan de Nationale Woningraad niet zor-gen voor goede plannen in die richting?De Heer De Jong betoogt, dat de tuinen, die bij de platte-landswoningen behoren, als prima cultuurgronden beschouwdkunnen worden. Alleen de voortuintjes worden gebruikt voorhet p'anten van bloemen e.d. Dat zou men dus als een verliesaan cultuurgrond kunnen zien.De Heer Kok is het niet eens met Dr v. d. Meer waar dezebetoogt, dat de investeringen in de woningbouw improductiefzouden zijn. Goed wonen bevordert wel degelijk de produc-tiviteit.De Heer Smit van de Woningbouwvereniging ,,Assen" be-weert, dat het eenmaal aanvaarden van montage-bouw leidttot de conclusie: ,,Dat nooit weer!" Ten aanzien van de huis-vesting voor ouden van dagen merkt hij op, dat de woningenweliswaar klein kunnen zijn, maar toch ook gelegenheid moe-ten bieden tot het ontvangen en herbergen van gasten. Als degetrouwde kinderen hun ouders willen bezo^ken, dan moetenzij toch ,,thuis" kunnen slapen. Hij acht verder de duplex-woning geschikt voor bejaarden. Jonge gezinnen groeien erna korte tijd uit. Daarom moet het aantal duplex-woningenbeperkt blijven.Dr Ir Z. If. V. d. Meer beantwoordt vervolgens de sprekersals volgt:Er is gevraagd of mijn taak een dankbare of een ondankbareis. Ik kies voor het eerste. Wij mogen toch ook enige optimis-tische klanken laten horen. Het staat er met de woningbouwin ons land toch niet slecht voor. Nauwelijks vijf jaar na debevrijding halen wij een woningproductie, die uitgaat bovenhet voor-oorlogse gemiddelde. Landelijk bezien lopen wij opde woningnood in. In de .provincie Zeeland is deze nood opeen oor na gevild. Over het algemeen is de vrees voor eendaling van het woonpeil onredelijk. De na-oorlogse bouw-plannen worden getoetst aan normen, die hoger liggen dande voor-oorlogse.Ik heb waarschuwingen gehoord tegen de duplex-woning.Men zegt wel eens, dat alles waar het woordje ,,te" bij tepas komt, niet deugt. Inzake de duplex-woning betekent dat,dat wij natuurlijk niet ,,te" veel van deze woningen moetenbouwen. Ik meen, dat het programma, dat de Minister tedezer zake heeft doen opstellen, alleszins redelijk is.Tegen hen, die bezwaren aanvoerden tegen een verlaging vande consumptie, zeg ik, dat ik slechts met enige voorbeelden1J U heb willen aangeven, waar dit misschien mogelijk zou zijn.Op loonsverlaging moeten wij niet rekenen. Eerder verwachtenwij het tegendeel. De materiaal-prijzen kunnen invloed opde bouwkosten uitoefenen. Voor de in Nederland gefabri-ceerde materialen is hier de loonbeweging weer bepalend. Hetlaatste jaar zijn de wereldprijzen wat gedaald. Het is echterbuitengewoon moeilijk te voorspellen, wat de wereldmarkt inde toe'komst te zien zal geven. Dat onttrekt zich nagenoeggeheel aan onze eigen invloed. Intussen stel ik met overtui-ging vast, dat rationeel bouwen goedkoper bouwen betekent,zelfs bij hogere lonen. Mechanisatie in de bouwnijverheid iseen onafwendbare eis. Ook daarom is het financiele offervoor de montage-bouw het brengen alleszins waard geweest.Mij interesseert bijzonder het in de fabriek vervaardigen vanwoning-onderdelen. In dit opzicht hebben we van de montage-bouw veel kunnen leren. Toen in Amsterdam met montage-bouw werd gedreigd, konden de traditioneel gebouwde wo-ningen plotseling tegen aanzienlijk lagere prijzen tot standkomen dan daarvoor. Hier heeft de montage-bouw een be-langrijke sanerende werking gehad. Een derde factor, die totkostenverlaging kan bijdragen is de differentiatie in de wo-ningbouw. Wanneer we huizen gaan bouwen, die met nameYoor de kleine gezinnen geschikt zijn, wanneer we onze bouw-programma's gaan afstemmen op de behoeften, die de gezins-gr.ootte in Nederland aangeeft, dan zullen de kosten per wo-ning dalen en dan zal in vele gevallen een beter sluitendeexploitatie-r^kening mogelijk blijken.Niet alleen de bouwkosten bepalen de mogelijkheden om dekloof, die ons nu nog van de rendabele woningbouw scheidt,te overbruggen. Er zijn nog andere posten, die hiertoe eenbijdrage kunnen leveren. Denk in dit verband aan de rente.Die is gedaald en thans niet onaanzienlijk lager dan in dewoningbouw nog altijd in rekening wordt gebracht. Ik ver-schil met de Heer Kupers van mening. Ik zie n.l. niet als hijeen absolute onmogelijkheid tot het naar elkaar toegroeienvan de nu nog ver uiteenliggende posten: Bouwkosten enhuuropbrengst. Men vergelijke de bouwindex, die 3 bedraagten de index kosten levensonderhoud, die een cijfer 2,14 tezien geeft.Ten aanzien van de rijksbijdragen in de woningexploitatie zijnhier cijfers genoemd van 300 a 350 gulden per woning perjaar. Het gemiddelde ligt reeds nu aanzienlijk lager. Op hetogenbli'k slaagt men er in ve^e gebieden in om uit te komenmet een bijdrage van f 100,-- tot f 150,^-- per jaar. De ver-minderde bijdragen-regeling en daarbij behorende animerendetoeslagen op het bouwvolumen hebben een aantal gemeentenin de gelegenheid gesteld om dit jaar vrij aanzienlijk meerte bouwen, dan op grond van de normale toewijzingen moge-lijk zou zijn geweest. Deze verminderde bijdragen-regeling kannatuurlijk alleen toepassing vinden in uitgesproken gunstigegevallen. Met het woonpeil wordt daarbij niet gemarchan-deerd. In de provincie Groningen is nu een goede woningaangeboden voor een prijs van f 5.600,--. De ,,Voorlopigewenken" geMen voor onverminderd voor de z.g. goedkopewoningbouwplannen. Wat nu in ons land gebouwd wordtligt dooreen genomen op een hoger peil dan wat wij tussende beide oorlogen hebben gebouwd. De normen en voorschrif-ten van Rijkswege waren voor de oorlog gebaseerd op eenlager peil dan thans. Ik wil tenslotte nog wel verklappen, datde vaste bijdragen, die in de nieuwe -- normale -- bijdragen-regeling zullen worden opgenomen, aanzienlijk hoger zijn danf 120,^-- per woninq per jaar. Deze nieuwe regeling zal ver-moede'ijk begin 1951 van kracht worden. Er is dan geensprake meer van een berekende bijdrage. Overschotten op deexploitatie zijn dan mogelijk. Deze overschotten zullen aande reserve ten goede komen, een reserve, die de zelfstandig-heid van de woningbouwverenigingen belangrijk zal verster-ken.De Voorzitter bedankt namens het gehele Congres Dr v. d.Meer hartelijk voor zijn inleiding en voor de uitvoerige enduidelijke beantwoording van de sprekers. Wij prijzen onsgelukkig, 20 zegt de Heer In 't Veld, dat 00k nu weer isgebleken, dat Dr v. d. Meet onze organisaties een warm harttoedraagt. Op onze beurt zullen wij gaarne ons best doen,hem in zijn zware taak zo goed mogelijk bij te staan.Vervolgens sluit de Voorzitter de tweede Congreszittting,mededelende, dat Ir W. van Tijen ermede accoord gaat, dathij zijn rede in de derde zitting (Zaterdagmorgen) zal uit-spreken. Op verzoek uit de vergadering wordt besloten dederde zitting om negen uur te laten aanvangen.De tekst van de rede van Ir W. van Tijen is opgenomen inNo. 6 van deze jaargang van de ,,Woningbouwvereniging".De Heer C. Barel uit Delft toont zich dankbaar voor de prach-tige inleiding van de Heer Van Tijen. Hij verzoekt de secre-taris de op het Congres vertoonde afbeeldingen in ons orgaante doen afdrukken. Verder merkt hij op, dat een bouw-begro-ting een samenstel van posten is. In zo'n samenstel kan hetdomme potlood grote schade aanrichten. Het mag in Neder-land niet zo zijn, dat alleen de volkshuisvesting de tekenenvan onze nationale armoede draagt. In verband met stelling 2merkt deze spreker op, dat vooral de montage-woningen nahet opheffen van de woningnood ongewild zullen blijken tezijn. Wellicht kan de Nationale Woningraad zich om detoekomstwaarde der woningen meer dan tot dusver gaan be-kommeren. Ook stelling 8 geeft ruimte aan een taak voor onzeWoningraad. Spreker heeft op dit Congres gemist een be-spreking over het oude woningbezit. Wat kunnen wij b.v.doen, om onze voor-oorlogse woningen te voorzien van eencompleet ingerichte douche-eel.De Heer Van Brake! uit Delft vraagt aandacht voor het ver-warmingsvraagstuk. Hij is van oordeel, dat zo enigszins mo-gelijk in de te bouwen complexen centrale verwarmings-instal-laties moeten worden aangebracht.De Heer /. WituUet uit s-Gravenhage wijst er op, dat menin Den Haag alleen de montage-bouw in korrelbeton heefttoegepast om van het overtollige puin af te komen. Men gaatin Den Haag met de hoogbouw gewoonlijk niet verder dan3 woonlagen. Dat schijnt in verband te staan met Rijksvoor-schriften. Verder pleit de Heer Witvliet voor gemeenschap-pelijke tuinen. De afzonderlijke tuintjes met hun verschillendeindeling en verzorging geven een rommelig aanzien.De Heer /r W. van Tijen stelt er nog prijs op te verklaren,dat hij grote bewondering heeft voor hetgeen de overheid indeze na-oorlogse periode ten behoeve van de volkshuisvestingheeft gedaan. De meningsverschillen, die er zijn, betreffen inhoofdzaak detailpunten. Wei wil hij er nog eens uitdrukkelij'kop'wijzen, dat het toepassen van een te kleine schaal onher-stelbare schade kan toebrengen aan woningbouw- en verka-velingsplannen, die op zichzelf goed zijn te achten.Na dank te hebben gebracht aan deze inleider wenst de Voor-zittgr een inbreuk te plegen op de orde van het Congres. Gis-teren is bij de bestuursverkiezing gezegd, dat de Heer L.V. d. Wal niet herkiesbaar was. Hij is door een ander ver-vangen en verder is er over hem niet gesproken. Dat wil nietzeggen, dat wij het daarbij wilden laten. Het is nu een ge-schikt moment om van de Heer Van der Wal afscheid tenemen. Dat is een tragisch gebeuren. Als men van lets af-scheid neemt, dan wil dat zeggen, dat men iets heeft bezeten.Wij kunnen in dit geval alleen maar een dankbare herinne-ring bewaren aan hetgeen de Heer Van der Wal voor onzeWoningraad is geweest en wat wij in hem hebben bezeten.U hebt in onze Raad een prachtige staat van dienst. Jaren-lang hebt U de voorzittershamer op een uitnemende wijze ge-hanteerd. Uw werk voor de volkshuisvesting vloeide voortuit Uw maatschappelijke instelling. Dit was een waarborg,dat U Uw werk goed en met liefde kon doen. In de oorlogs-jaren hebt U over de Woningraad gewaakt en hem vele moei-lijkheden bespaard. Wij denken aan dit alles met grote dank-baarheid. U moet voor Uzelf uitmaken welke betekenis hetheeft voor U, dat U thans Uw zetel aan een ander afstaat. Ukunt in ieder geval met dankbaarheid terugzien op de tijd, datU deze plaats hebt bezet en U zult goede herinneringen be-waren aan de vele mensen, met wie U als vriend in de Na-tionale Woningraad hebt samengewerkt. Onder langdurigapplaus van de aanwezigen brengt de Voorzitter de HeerVan de Wal dank voor al hetgeen deze voor de Woningraadin een lange reeks van jaren heeft gedaan.De Heer Kazemier uit Groningen is vervolgens de tolk vanhet gehele Congres als hij de Heer Van de Wal in warmebewoordingen hulde en dank betuigt.De Heer Van der Wal dankt ontroerd naar op de van hembekende krachtige wijze voor de vriendelij'ke woorden. Hijblikt terug op de periode, waarin hij voor de Woningraad iswerkzaam geweest. Hij constateert deel te hebben gehad aaneen aanzienlijke vooruitgang in de levensvoorwaarden voorde Nederlandse arbeiders. In het bijzonder geldt dit de volks-huisvesting. Met weemoed neemt hij afscheid van de Natio-nale Woningraad, die de liefde van zijn hart heeft gehad ennog heeft.De Voorzitter geeft vervolgens het woord aan de secretaris:Inleidinggehouden door W. Scheerens, Secretaris van de Natio-nale Woningraad, over het onderwerp: Het aandeel vande woningbouwverenigingen en de gemeenten in de toe-komstige ontwikkeling van de woningbouw.Stelling 1Er mogen ten aanzien van de woningwetbouw geen tegen-stellingen worden geconstrueerd tussen woningbouwvereni-gingen en gemeentebesturen. Het antwoord op de vraag naarde aard en de omvang van ieders aandeel in deze woningbouwwordt gegeven aan de hand van ervaringen en door het oor-deel over doelmatigheid.* Van de 667 leden van de Nationale Woningraad zijn er 598te rekenen tot de corporatie als bedoeld in de Woningwet en69 tot de gemeenten of de zuiver gemeentelijke instellingen.Men oordeelt verkeerd als men uit deze cijfers concludeert,dat dus de gemeenten in dit opzicht ver in de minderheid zijn.Het is immers zo, dat -- om nu maar gelijk het sterkste voor-beeld te noemen -- in Amsterdam naast het ene gemeentelijkewoningbedrijf 26 verenigingen bestaan. In andere stedelijkegemeenten vindt men soortgelijke verhoudingen. Op dit con-gres zijn vertegenwoordigd 265 verenigingen en 48 gemeenten.De commissie'Van den Bergh tot herziening van de Woning-wet introduceert in haar verslag de Nederlandse Woningraad,waarvan van rechtswege lid zouden zijn de instellingen, uit-sluitend werkzaam in het belang van de volkshuisvesting, ende zelf-exploiterende gemeenten.Redenerend vanuit de feitelijke en historisch gegroeide toe-stand en vanuit een situatie zoals die door zeer respectabelemannen word bepleit, 'kom ik reeds tot mijn eerste conclusie,n.l., dat er ten aanzien van de woningwetbouw geen tegen-stellingen tussen bouwverenigingen en gemeenten gecon-strueerd mogen worden. Eerlijk gezegd heb ik die conclusienodig voor de verdere ontwikkeling van mijn inleiding. Wan-neer U mij zoudt tegenwerpen, dat op die manier een weten-schappelijke behandeling van het probleem geweld wordt aan-gedaan. dan zal ik daarin met gebogen hoofd berusten, noch-tans vertrouwende, dat mijn verdere argumenten zo sterkzullen zijn, dat U met mij de conclusie aanvaarden wilt.Intussen zullen scherpzinnige mensen zichzelf voorhouden,dat het stellen van mijn eerste eis er op wijst, dat er tussengemeenten en woningbouwverenigingen blijkbaar toch welspanningen of tegenstellingen bestaan. Ook hierom mag ikhet al niet bij een enkele -- met enige cijfers geillustreerde -- illaanduiding laten. Bovendien hebben de cijfers, die ik noemde,slechts betrekking op de verhouding tussen verenigingen enzelf-exploiterende gemeenten. Ons interesseert daarnaastechter ook hoe de zaken verlqpen tussen verenigingen en ge-meenten, die er zelf geen woningbezit op na houden.Inderdaad zijn er in deze na-oorlogse periode hier en daarmoeilij'kheden geweest waar het ging om het vaststellen vanieders taak en aandeel in de woningwetbouw. Voor hen, dievoor een voorrang van de verenigingen boven de gemeentenwensen te pleiten was het altijd een sterk argument te wijzenop de duidehjke prioriteit, die de Woningwet aan de vereni-gingen verleent. Uit de toevoeging bij artikel 54 van deze wet;..gemeentebouw ingeval dit noodzakelijk is voor de richtigeuitvoering der wet" en uit de toelichting op artikel 54 kan meninderdaad concluderen, dat de bedoeling heeft voorgezetenaan de bouw door verenigingen de voorkeur te geven. NeemtU mij niet kwaUjk, dat ik het zeg: Een wet is maar een wet.Als in de practijk -- om welke reden dan ook -- andere wegenworden ingeslagen dan in enigerlei wet zijn aangegeven, danzien wij na korter of langer tijd gewoonhjk, dat de wet zichdoor verandering of vernieuwing gaat richten naar hetgeen depractijk te zien geeft. Intussen viel uit de verhoudingen totvlak voor de oorlog wel te concluderen, dat de bedoeling vande wet vrij goed door de practijk was gevolgd. Tegenoverongeveer 160 duizend verenigingswoningen werden er circa60 duizend door de gemeenten gebouwd. De verenigingen na-men dus ongeveer 73% voor hun rekening. Na de oorlog isin dit opzicht een duidelijke verandering ingetreden, die, alnaar het standpunt dat men inneemt, de een ongerust maakten de ander met genoegdoening doet wijzen op de voortreffe-lijkheid van gemeentebouw. Eind Maart 1950 waren in uit-voering voor de gemeenten 15.800 woningen. voor de vereni-gingen 11.600 woningen en voor particulieren 11.360 wonin-gen. In 1949 kwamen gereed voor gemeentelijke rekening17.110 woningen, voor de verenigingen 14.120 woningen envoor particulieren 10.352 woningen. Over de aanleiding totde na de oorlog opgetreden verschuivingen spreek ik straksnog nader.Stelling 2Bijzondere omstandigheden kunnen tijdelijk doen afwijken vande beproefde regel: Voorbereidingen en uitvoering van debouw, beheer en exploitatie van de woningen aan de corpora-ties; stedebouwkundige voorbereiding en repressief toezicht opde exploitatie der woningen aan de gemeenten.Ik behoef niet lang uit te weiden over de voordelen, die wijaan de verenigingsbouw toekennen. De zelfwerkzaamheid vande burgers, die zich in een corporatie hebben verenigd; hetgeheel of nagenoeg belangeloze werk, dat door de verenigings-besturen ten behoeve van de volkshuisvesting wordt verricht,de binding van de leden-huurders aan woning en vereniging,die een gans andere verhouding schept dan die er bestaat tus-sen gemeentebesturen en huurders van gemeentewoningen(herhaaldelijk ontmoet ik burgemeesters en wethouders, diehet een corvee achten huisbaas te moeten spelen); de belang-rijke psychologische en opvoedkundige werking. die uitgaatvan het actief betrekken van de bewoners bij alles wat bouw,beheer en exp'oitatie aangaat; de veelal onmiskenbaar voor-deliger wijze, waarop de verenigingen het beheer voeren.Stelling 3Een juiste taakverdeling bevordert een vlotte gang van zaken,laat ruimte aan ,,de hoogste vorm van particulier initiatief"(belichaamd in het werk van gezonde bouv/verenigingen) enbrengt grote wederzijdse waardering.De voordelen, die ik hierboven opsomde, vormen inderdaadeen sterk pleidooi voor het vrijmaken van de .,hoogste vormvan particulier initiatief", dat in het werk van de goede wo-iLZ ningbouwverenigingen is belichaamd. Ik zou het gevoeglijkdaarbij kunnen laten, ware het niet, dat ik nog een enkelwoord wil spreken met de vertegenwoordigers van de ge-meenten in ons midden. Ik hoop, dat men mij niet te bemoei-zuchtig zal vinden als ik er op wijs, dat zeer vele gemeente-lijke technische diensten in deze na-oorlogse jaren zijn uitge-groeid tot heel omvangrijke bureaux. Ik weet, dat men daarals regel nog tot over de oren in het werk zit, het is mij be-kend, dat de uitbreiding dikwijls nog wordt geremd door demoeilijkheden, die men bij het aanwerven van geschikt perso"neel ondervindt. Ik weet echter ook, dat vooruitziende leidersvan deze gemeentelijke diensten zich wel eens bezorgd af-vragen of die nauwelijks te voorkomen uitbreidingen straksniet een bijzonder zware last op het gemeentelijke budget zul-len leggen. Onbewust wellicht en in de roes van het werkheeft men hier en daar geredeneerd: Bij alle bemoeiingen, diewij -- de gemeenten -- tegenwoordig met de woningbouwhebben, kunnen de zorgen, verbonden aan het bouwen enexploiteren van de woningen er ook nog wel bij. Zelfs komtmen er wel toe om van de nood een deugd te maken en dezoveel omvangrijker geworden technische dienst te verant-woorden met een verwijzing naar de werkzaamheden, die aanwoningbeheer en exploitatie zijn verbonden. Ik meen, dat eenwaarschuwing tegen deze gang van zaken op haar plaats is.Het is in feite een oneigenlijke taak van de gemeenten, zichmet de woning-exploitatie zelf bezig te houden. Op deze regelzijn er natuurlijk uitzonderingen; de grotere gemeenten heb-ben met hun woningdiensten bewezen uitnemend werk te kun-nen doen. Werk, dat bovendien waarde heeft ter vergelijkingmet de resultaten, die woningbouwverenigingen in dezelfdegemeente hebben geboekt.Ik ben mij er van bewust, dat de meningen over de vraag wateen gemeente op het gebied van de woningwetbouw kan enmag doen zeer uiteenlopen. Dit b'ijkt trouwens ten duidelijksteuit de verschillen in de vorm der activiteit van onderscheidenegemeentebesturen. Hier zijn enkele voorbeelden: In Amsterdamkomt de toestand vrijwel overeen met het landelijke beeld. Dewoningwetbouw wordt hier door gemeente en woningbouw-verenigingen zusterlijk gedeeld. Wellicht zal het aandeel derverenigingen in de naaste toekomst zelfs groter worden; het1800-woningenplan van de bouwverenigingen zal dit jaar nogaan de uitvoering toe zijn. In Rotterdam) waar een vrij groteparticuliere bouwbedrijvigheid heerst, wordt de woningwet-bouw voor verreweg het grootste deel door de gemeente on-dernomen. In Den Haag daarentegen zijn het weer de vereni-gingen, die de boventoon voeren. Delft: uitsluitend gemeente-lijke bouw. Nijmegen: uitsluitend verenigingsbouw. Schiedam:uitsluitend gemeente. Dordrecht: uitsluitend verenigingen.Breda: overwegend gemeente. Maastricht: overwegend vereni-gingen. Zaanstreek: uitsluitend verenigingen. U bemerkt wel,dat het landelijke beeld is samengesteld uit zeer uiteenlopendep'aatselijke en regionale beelden. Hierbij komt nog, dat destatistiek ook gemeentelijke bouw vermeldt voor die plaatsen,waar de gemeente de woningen na het gereedkomen over-draagt aan de woningbouwverenigingen. Dit is een probleemapart; ik wil er nu alleen van zeggen, dat het in het algemeenvoor de besturen der verenigingen niet prettig is complexente aanvaarden op het tot stand komen waarvan zij in hetgeheel geen invloed hebben uitgeoefend.Ik geloof, dat wij ons -- al lijken de verhoudingen thans nogwat chaotisch .-- over het na-oorlogse beeld ten aanzien vande taakverdeling tussen verenigingen en gemeenten niet al tezeer moeten veronrusten. Inderdaad hebben in deze jaren deuitzonderlijke omstandigheden er wel toe geleid, dat de ge-meenten zelf in de bres sprongen. In het bijzonder bij alleswat de montage-bouw betreft, kon het soms moeilijk anders.dan dat de gemeente van een plotseling opdoemende kansgebruik maakte en eventueel pas later tot inschakeling vanbouwverenigingen kon overgaan. Ik meen te mogen zeggen,dat over het algemeen onze verenigingen tegenover deze ver-schijnselen begrip hebben getoond en de gemeenten niet ,,metde brokken hebben laten zitten". Deze houding is door deNationale Woningraad trouwens steeds gepropageerd.De tijdzai het Uleren!?oord!l?^M-/5,rSn:i>tS:siid//i^^s^:'"' ded^:r"^af^akenl^^kf^^^.ekeleVs?vijas' Reeds duizenden malen heeft/ de tijd het kwaliteitsverschil/ tussen een origineel product/ en zijn imitatie onbarmhartig/ blootgelegd./ Steeds weer opnieuw is iiierdoorI bewezen dat imiteren eenvoudig,/ maar evenaren onmogelijk is./ HetLAVETvandeOCRIETFABRIEK/ is een der vele voorbeelden.I Hier zijn het de mechanische ver-r dichting, het stoomverhardingsprocede,de gepuntlaste bewapening, de dutDbelepolijsting, het zuraliseren, maar vooralde intensieve research en de 5-jarigeervaring, die hun stempel drukken op dekwaliteit van dit unieke product.Zonder juiste toepassing van deze procede'sis het vervaardigen van een verantwoordLAVET, opgewassen tegen zijn zware taakin de woning, uitgesloten.De tijd zaI het U leren!EEN PRODUCT VAN Oc^uetDOOR EN DOOR HETZELFDE OERSTERKE MATERIAALOCRIETFABRIEK N.V. BAARN JELEF. 2380-3037 (K 2954)iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiim113Ter afsluiting van de eerste drie punten van mijn inleiding: Ikgeloof, dat en de ervaringen en het oordeel over doelmatigheider voor pleiten aan de bouwverenigingen alle gelegenheid tegeven tot ontplooiing, uitbreiding en afronding van haar werk.Ik geloof, dat de gemeenten er ^ met de terugkeer van nor-maler verhoudingen ^ wel bij zullen varen als zij zich be-palen tot haar eigenlijke taak; tot het geven van raad en zonodig aanwijzingen, tot het uitoefen'en van haar wettelijkebevoegdheden jegens de corporaties. Tenslotte ben ik er --door mijn werk van het verstreken half jaar in dienst van deNationale Woningraad -- van overtuigd, dat een juiste taak-verdeling, een prettig, begrijpend contact tussen de beide opeen gelijk doel zich richtende partijen, leiden zuHen tot grotewederzijdse waardering, die op haar beurt weer het werkvlotter zal doen marcheren. Als ik een enkele keer ben tegen-komen, dat van de zijde van de gemeente de factor ,,macht"in de weegschaal werd geworpen, dan constateerde ik, datdaarvan alleen maar ook voor de gemeente onaangename ver-wikkelingen het gevolg waren.Ik hoop, dat U mij wilt toestaan om bij hetgeen ik nog meerop het hart heb, te spreken van woningwetbouw. voorbereid,verzorgd en beheerd door verenigingen en gemeenen in eenonderlinge verhouding, zoals die in mijn eerste drie puntenis bedoeld.Stelling 4De uitkomsten van de woningtelling-1947 leerden, dat vanalle gewone woningen zonder bedrijfsruimte (1.558.000)slechts 19% door de eigenaar werd bewoond. Aanzienlijkeverschuivingen in deze verhouding zijn niet te verwachten.Aan te nemen valt, dat in de komende twintig jaren 35.000 a40.000 huurwoningen per jaar gebouwd moeten worden.Deze stelling spreekt voor zichzelf. Ik wil er alleen nog ditvan zeggen. Door de invloed van de woningnood kan tijdelijkde bouw voor eigen bewoning toenemen. De financiele tege-moetkomingen van overheidswege zullen dit wellicht nog be-vorderen. Mogelijk, dat ook de resultaten van het onderzoekvan de z.g. Commissie-Bommer (verkrijging van eigen wo-ningen) in de practijk tot de hierbedoelde verschuiving watzullen bijdragen. Van de jaarlijkse productie van 55.000 wo-ningen, die in de komende jaren bereikt moet worden -- naarook Dr Van der Meer heeft verklaard -- stel ik er er 35 a 40duizend als huurwoningen. Dat is dus circa 70%. Ik meen,dat de marge van 30% voor de eigen bewoning voldoenderuim is gesteld.Stelling 5Tot voor kort waren de na-oorlogse financieringsregelingenvoor woningwetbouw en voor particuliere bouw op dezelfdeleest geschoeid. Onder de denkbaar moeilijkste omstandighe-den werd het overheidsbouwprogramma nagenoeg uitsluitenddoor woningbouwverenigingen en gemeenten uitgevoerd. Toe-komstige vermindering van het niet rendabele deel der stich-tingskosten van de nieuwe woningen zal voor woningwetbouwen particuliere bouw gelijkelijk gelden. Discriminatie van eender beide categorieen van woningbouw kan niet met verwijzingnaar verschil in lasten worden gemotiveerd.De Rijksbijdragen. zowel voor de woningwetbouw als voor departiculiere woningbouw werden tot voor kort gegeven doorde exploitatie-uitkomsten, zoals die tevoren werden berekend.Blijkens de mededelingen van de Minister bij de parlementairebehandeling van de begroting voor 1949 waren de bijdragenvoor de woningwetbouw gemiddeld f. 350,^-- per jaar en voorde particuliere woningbouw gemiddeld f. 300,-- per jaar. Inde laatst-bedoelde bijdragen is echter geen bedrag voor aflos-sing begrepen. Rekening houdende met de omstandigheid, datde gemiddelde grootte der particuliere woningen uitgaat bovendie der woningwetwoningen, kan toch worden gezegd, dat de114 bijdragen-verhouding gunstig is voor de woningwetbouw.Thans is er een (tijdelijk) verschil in het principe van definanciering der beide categorieen. Men weet, dat voor departiculiere woningbouw thans een ineens uit te keren premiekan worden toegekend. Het ligt voor de hand, dat de overheidin de te verlenen premie x-guldens calculeert voor de aantrek-kelijkheid van de uitkering-ineens. Ditbetekent, dat de bouwerzich tevreden moet stellen met een bedrag. dat lager is dande aanwijsbare gekapitaliseerde niet-rendabele kosten. Als erop grond van de premie-regeling in de particuliere sector ge-bouwd zal worden -- hetgeen wij nog moeten afwachten --dan zullen de bouwers dus moeten manipuleren om aan huntrek te komen. Zij kunnen manipuleren met de huurvaststellingen met de uitvoering. In verband met het laatste 'krijgt hetgeende Heer Kingma op dit Congres heeft gezegd een nog klem-mender betekenis.Intussen is te verwachten, dat de bijdragen voor de woning-wetbouw aangepast zullen worden aan de lasten, die het Rijkzich middels de nu vigerende premie-regeling voor de particu-liere bouw wil getroosten. Vadertje Staat kan en zal in eenaanzienlijk verschil in financiele medewerking voor de beidecategorieen niet berusten. Ik meen, dat dit juist is en dat wijdus tevreden kunnen zijn met gelijke kansen. Uiteraard zal devorm, waarin de financiele medewerking wordt verleend, voorbeide categorieen niet gelijk kunnen zijn.Stelling 6De gemeenten lenen ten behoeve van de woningwetbouw opde vrije kapitaalmarkt. In de kapitaalbehoefte voor de parti-culiere woningbouw zal als regel op dezelfde wijze voorzienmoeten worden. Er bestaat dus geen wezenlijk verschil in definanciering van beide soorten van woningbouw.Sommige --- in de goede zin van het woord conservaticve ^-beheerders van gemeentelij'ke financien zijn met grote schrikvervuld over de stijgende millioenenlast, die omwille van dewoningbouw moet worden aangegaan. Ik wil mij niet licht-zinnig tonen; ik geloof toch, dat er voor zulk een ,,eenzijdigeschrik" geen goede reden is. Deze millioenen worden immersop een verantwoorde wijze belegd in gemeenschapsbezit vanhoge orde. Voor overspanning in deze belegging waakt deRijksoverheid. die immers door haar jaarlijkse' bouwprogram-ma's mede bepaalt hoeveel millioenen in de woningbouw mo-gen worden geinvesteerd. Met anderen zal de Nationale Wo-ningraad (en dus ook de in deze Raad georganiseerde ge-meenten) hebben te waken tegen het ontstaan van z.g. ,,top-verliezen" in de exploitatie der woningen. Als met succes ge-waak wordt, dan is de gemeentelijke belegging -- die in degemeente-financien een volkomen afzonderlijk en self-suppor-ting hoofdstuk vormt -- volkomen verantwoord. Ik zou zelfsdurven stellen, dat deze belegging meer verantwoord is daneenzelfde investering in particuliere bouw, omdat ten aanzienvan de laatstbedoelde categorie niemand zekerheid heeft aan-gaande redelij'ke afschrijving en dus nieuwe kapitaalvorming.De omvang van de woningwetbouw behoeft dus ?-- binnenhet raam van de totale bouwactiviteit ?-- zeker niet beperktte worden, omdat de kapitaalbehoefte in enigerlei opzicht na-delig zou werken.Stelling 7Voor de woningwetbouw uitsluitend geldt het voordeel, datna 50 jaren de woningen onbelast gemeenschapsbezit zijn. ge-worden. De particuliere woningen blijven tot aan hun onbe-woonbaarverklaring objecten van belegging.Deze stelling laat een in onze kring overbekend geluid horen.Ik behoef er dus nauwelijks nog iets van te zeggen. Het be-taamde om in deze congres-voorbereiding vriendelijk te schrij-ven over ,,objecten van belegging". Het is echter geen on-vriendelijkheid, wanneer men dit wijzigt in ,,objecten van spe-culatie". Men constateert dan slechts een feitelyke tocstand.Voorzover nodig leveren de na-oorlogse omstandigheden op-nieuw klemmende bewijzen voor het ongewenste van dezetoestand. Er zijn thans gemeenten, die financiele tegemoet-komingen verlenen voor het nog in enigszins dragelij'ke staatbrengen van behuizingen, die eigenlijk niet meer bruikbaar zijnen toch nog dienst moeten doen. De huisbazen, die deze oudewoningen destijds voor een appel en ei hebben gekocht en dieintussen hun geld er met rente op rente al lang uit hebben,doen niets aan onderhoud. Een gemeentebestuur kan ze voorde keuze stellen: opknappen of bewoning doen staken. Menbehoeft slechts met het laatste te dreigen of de gemeente gaatdoor de knieen. Zo beleven we thans de ongerijmde situatie,dat overheidsgeld aan het repareren van deze oude woningenwordt besteed. als gevolg waarvan de eigenaar nog langer danhij in zijn stoutste dromen had verwacht de weekhuur kaninnen. Bij de woningwetbouw is zoiets eenvoudig ondenkbaar.Stelling 8De geschiedenis leerde, dat de particuhere woningbouw alleenop voor hem geschikte tijden aan de behoeften van de woning-markt -- en dan nog slechts ten dele ^ wilde voldoen. Pasna gebleken noodzakelijkheid wenste de overheid de woning-wetbouw te bevorderen. De woningwetbouw mag -- mede om-wille ener gezonde continuiteit -- niet een sluitpost op eenwisselvalhge verlies- en winstr^kening zijn.De motivering van deze stelling wordt mij wel bijzonder ge-makkelijk gemaakt. Ik behoef slechts te citeren over hetgeende Staatscommissie Van der Bergh in haar rapport over hetin gebreke blijven van de particuliere woningbouw vermeldt.De meesten van U weten trouwens uit ervaring hoe de activi-teit van de particuhere bouw in het verleden niet werd ge-prikkeld door de behoefte, maar door de mogelijkheid tot hetbehalen van winst. Dit past natuurlijk in het systeem van departiculiere bedrijvigheid en ik maak de vertegenwoordigersvan deze bedrijvigheid dus geen enkel verwijt. Ik constateeralleen, dat op deze wijze rechtmatige volkshuisvestingsbelan-gen niet op de juiste wijze worden gediend en ik stel hier-tegenover, dat de woningwetbouw geheel op de behoefte kanzijn afgestemd. Waar ik wel een verwijt van zou kunnen ma-ken, dat is het in gebreke blijven van de particuliere bouw-bedrijvigheid ten aanzien van de kwaliteit van de woningen.Al ontken ik niet, dat uitstekende particuliere woningbouwaan te wijzen valt; bekend is, dat juist in tijden van groteactiviteit de kwaliteit van de geleverde producten vaak tewensen overliet. Een bericht in .,De Volkskrant" van gisterenmaakt melding van de slechte ervaringen, die men in dit op-zicht ook te Kopenhagen heeft opgedaan, hetgeen er toe geleidheeft, dat meer aandacht aan de ..overheidsbouw" zal wordenbesteed.Ik meen, dat het moeilijk bestreden kan worden, dat een ge-zonde continuiteit in de volkswoningbouw eenvoudiger wordtbereikt door een ruime toepassing van de mogelykheden, diede woningwet biedt. In een van myn vorige stellingen wees iker reeds op. dat het plechtanker van het Ministerie na deoorlog de woningwetbouw is geweest, Waar zou men met debouwprogramma's gebleven zijn als niet de gemeenten en dewoningbouwverenigingen onder de moeilijkste omstandighedenhet leeuwendeel van de na-oorlogse woningbouw voor haarrekening hadden genomen? Billijkheidsoverwegingen moetener reeds toe leiden, dat straks, als de omstandigheden watgunstiger zijn geworden, de woningwetbouw niet als eensoort van reserve-paard op stal wordt gezet.Stelling 9Zowel Dr Ir v. d. Meer als Ir van Tijen bepleit juiste differen-tiatie in de woningbouw. Bij woningwetbouw kan het hiermedeverband houdende behoefte-element beter tot zijn recht komendan bij particuliere woningbouw.Als enige leiding van overheidswege t.a.v. differentiatie in dewoningbouw nodig is, dan is die leiding het gemakkelijkst inde sector van de woningwetbouw door te voeren. Ik beluis-terde voornamelijk in het betoog van Dr v. d. Meer, dat eender belangrijkste factoren, die tot verlaging van de kosten perwoning kunnen bijdragen de differentiatie is. Zoals de rege-lingen thans luiden kan men op de grootte der particuliere wo-ningen slechts invloed uitoefenen voorzover de maximum-grootte in het geding komt. Door wenken, aanwijzingen ofzelfs wel voorwaarden kan de Rijksoverheid via de gemeentenzeer grote invloed uitoefenen op de verscheidenheid in de tebouwen woningwetwoningen.Deskundigen zijn van oordeel, dat in de strijd om de bouw-kosten het Nederlandse woningbouwbedrijf vele gebreken tezien heeft gegeven. Te veel kleine bedrijven en daardoor ver-snippering van de activiteit en herhaling van kosten. Dit isoverigens een probleem apart. Terzijde merk ik op, dat, indieneen sanering in de Nederlandse aannemerij noodzakelijk is,alweer de woningwetbouw hiertoe een uitst^kend instrumentkan zien. De Nationale Woningraad houdt zich met dit pro-bleem ernstig bezig.Stelling 10Bij gelijke kansen voor woningwetbouw en particuliere bouwmoet er voor de komende periode op gerekend worden, dathet grootste deel van de te bouwen huurwoningen voor reke-ning van de woningbouwverenigingen en de gemeenten komt.Ik meen, dat wij met recht ons deel van de toekomstige wo-ningbouw mogen vragen. Het is moeilijk te schatten hoeveelvan de 40.000 huurwoningen per jaar in de woningsector ge-bouwd zullen worden. Het lijkt mij niet gewaagd een schattingvan 75% te maken. Als wij zorgen, dat onze zaken voor elkaarzijn, dat van onze kant de nodige initiatieven tot ontwikkelingkomen, dat -- voorzover het de corporaties betreft -- vaneen bloeiend verenigingsleven kan worden gesproken, dat wijrisico's durven te aanvaarden, dat jongere krachten klaar staanom, waar nodig, de taak van de ouderen over te nemen, dankunnen wij rekenen op zeer grote kansen in de komende twin-tig jaren. Als mijn schatting zelf maar bij benadering zou uit-komen, dan zouden de gemeenten en de corporaties haarwoningbezit in de komende twintig jaar meer dan verdubbelen.Dit karwei moet worden opgeknapt en dat betekent, dat wijin ieder opzicht voorbereid moeten zijn. In velerlei opzichtzullen wij daartoe de hand wel eens in eigen boezem moetensteken. Wij weten, dat lang niet overal de zaken worden be-hartigd, zoals dat eigenlijk zou moeten gebeuren. Wij wetengelukkig ook, dat er tal van voorbeelden van uitnemend beleidvallen aan te wijzen, die kunnen dienen tot voorbeeld en leringvan anderen. In onze Nationale Woningraad zullen wij onzekrachten kunnen bundelen, zoals wij dat in het verleden heb-ben gedaan. Wij willen alien, met de inzet van onze krachten,werkzaam zijn in het belang van de verbetering van de Neder-landse volkshuisvesting.voor binnen voor buitenSIGMMMNEde klassieke lakverfPIETER SCHOEN & ZOONJVERF- EN VERNISFABRIKANTEN .ZAANDAM115116De Heer P. de Bruin, wethouder der gemeente Vlaardingen,wil op de inleiding van de Heer Scheerens, naar wie hij overhet algemeen met ins
Reacties