Juni-Juli-Aug. 1950lOe Jaargang - No. 6De WoningbouwverenigingUitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerschijnt maandelijksAdres Toor Redactie en Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 24298Adret voor Advertentie*: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128HEX VERSLAG VAN DESTAATSCOMMISSIE-VAN DEN BERGHDaar ligt dan op ons Bureau het boekdeel, waarin het verslagvan de Staatscommissie-Van den Bergh tot herziening van deWoningwet is vervat. De rustgevende wetenschap, dat ver-scheidene knappe en capabele personen in deze commissieijverig bezig waren met het werk, dat hun was toevertrouwdvermocht toch niet enig vriendelijk ongeduld de baas te blij-ven. Ongeduld, vermengd met belangstellende nieuwsgierig-hid naar wat de commissie ter tafel zou brengen. De zaakwaarop men broedde, was immers van buitengemeen belangvoor hen, wie de volkshuisvesting ter harte gaat. Welnu,het ongeduld is verdreven en de nieuwsgierigheid bevredigd.Het Verslag -- en welk een -- is er!Als dit nummer van ons blad verschijnt, zullen op ons Con-gres reeds enige voor ons belangrijke conclusies uit het ver-slag aan de orde zijn geweest. Wellicht heeft het Congreszich over een of meer dezer conclusies uitgesproken. Daarwillei wij --- dit schrijvende -- niet op vooruit lopen en er?-- voor U ^--^ op deze plaats niet over nakaarten. In dezebeschouwing willen wij alleen trachten aan te geven, welkehoofdzaken in het verslag worden behandeld en zijn uitge-werkt in de wetsvoorstellen, die aan het verslag zijn toe-gevoegd.De cfommissie is tot de overtuiging gekomen, dat met eenmeer of minder eenvoudige wijziging van de thans vigeren-de Woningwet niet kan worden volstaan. Een zo grootaantal vraagstukken is afzonderlijk en in onderling verbandonderzocht, een zo groot en verscheiden aantal bepalingendiende in wetsartikelen te worden ondergebracht, dat hetde commissie niet wenselijk en zelfs onmogelijk voorkwam,dit alles in de vorm van een wijziging van de bestaandeWoningwet gestalte te geven. Het beste werd, naar haarmening, aan de opdracht voldaan door het gereedmakenvan idrie ontwerpen van wet, te weten een ontwerp vooreen Ruimtewet, een ontwerp voor een geheel nieuwe Woning-wet en een ontwerp voor herziening van de Onteigeningswet.Opnierkelijk is, dat de commissie in haar voorstellen een voorNederland nieuwe vorm van wetten invoert. De ontwerpenvan de Ruimtewet en de (nieuwe) Woningwet wijken, naarde vorm, af van de tot nu toe hier te lande gebruikelijke in-deling. Vele artikelen van deze wetten verwijzen namelijknaar regelingen, die min of meer een zelfstandig geheel vor-men, doch niettemin van de wetten deel uit maken en dezelf-de rechtskracht hebben. Deze indeling komt, naar het oordeelvan de commissie, de overzichtelijkheid van het geheel zeerten goede. De ontwerpen geven nu een reeks hoofdbepalin-gen ?-- het schema of het geraamte van de wet zou men kun-nen zeggen -- en in aansluiting op die hoofdbepalingen eenserie van bijzondere, elk op zichzelf min of meer een afgerondgeheel vormende, regelingen. Ten aanzien van de rechtsgevol-yen zijn deze regelingen -- om bij onze beeldspraak te blijven:'de aankleding van het geraamte -- volkomen gelijk met dehoofdbepalingen. Nooit raakt de menselijke nieuwsgierigheidgeheel bevredigd; wij haken naar het oordeel, dat de Regeringstraks met haar ontwerpen over deze vrij revolutionnairevormveranderingen zal vellen.Voorzover nog nodig vinden wij in het verslag van de com-missie de stelling bevestigd, dat de wet de practijk volgt.Enige ruimtekundige ordening heeft in ons land voor het eersthaar intrede gedaan bij de toepassing van de bepalingen om-trent het uitbreidingsplan in de bestaande Woningwet. In deloop der jaren is dit echter meer dan onvoldoende gebleken,al hebben vooruitziende gemeentebesturen de beknopte bepa-lingen gebruikt voor een breder beheersing van grondbestem-ming dan waarvoor ze in eerste aanleg waren bedoeld.Er bestaan thans ten aanzien van het gebruik van de vader-landse bodem hevige spanningen. De toeneming van de be-volking, de industriele ontwikkeling, de opkomst van hetgemotoriseerde verkeer, de niet in ronde guldens uit te druk-ken waarde van natuurlijke en aangelegde recreatie-gebieden,dit alles noopt tot het nemen van afdoende maatregelen, diede vele verschillende belangen behoorlijk tegen elkaar kun-nen afwegen en zo mogelijk ook met elkaar kunnen verzoenen.Als ieder orgaan, dat voor een dezer belangen heeft te zor-gen, zijn eigen weg gaat, dan ontstaan er conflicten en danVv'orden voorzLeningen getroffen, die dienstig zijn aan eenbelang, maar schadelijk blijken voor het geheel. De commissiegeeft in haar rapport een getrouw verslag van de vrij inciden-tele maatregelen, die men in de afgelopen jaren ten aanzienvan deze ruimtekundige problemen heeft genomen; zij be-spreekt gemeentelijke, provinciale en nationale bemoeiingenin dit opzicht en zij komt tot de conclusie, dat al met al degang van zaken niet zo onbevredigend is geweest als hetgemis aan afdoende wettelijke voorzieningen wel zou doenvrezen. Met name over de vrij luidruchtige oppositie tegende regelingen ten aanzien van het Nationale Plan constateertde commissie, dat niet een feitelijk -- dus gebleken -- mis-bruik, maar een als mogelijkheid verondersteld misbruik totgrondslag van de critiek kan dienen. Het trof ons, dat de com-missie de practijk, waarbij sommige provinciale ruimtekundige(planologische) diensten zich in belangrijke mate belastenmet de voorbereiding (en -- aanvulling van ons -- ook hetontwerpen!) van gemeentelijke plannen, ongewenst acht. Datmen bij enige tot stedebouwkundige bureaux uitgegroeidediensten dit oordeel ernstig neme!De commissie geeft een duidelijk overzicht van de feitelijketoestand: De gemeentebesturen streven naar bestemmings-plannen; de provincies bezitten provinciale planologischediensten en werken aan de voorbereiding van regionale plan-nen; de Rijksdienst voor het Nationale Plan ontwikkelt zichtot het centrum, waar de draden van plaatselijk en geweste-lijk ruimtekundig beleid samenkomen. Op dit stramien --gegeven door de feitelijke toestand -- borduurde de commis-sie haar wetsontwerp. Het ontwerp regelt de totstandkomingen de rechtsgevolgen van ruimtekundige plannen op natio-naal, provinciaal en op gemeentelijk niveau; tevens voorziethet in de organisatie, die nodig is om de vaststelling en denaleving van deze plannen te verzekeren. In verband met dezeer snelle ontwikkeling, die in de laatste tientallen jaren op 65het stuk van bodembestemming plaatsgreep, is in het ontwerpgestreefd naar een royale opzet en naar ruime mogelijkheden.Hierdoor lean een door onderdelen-regelingen onbelemmerdeontplooiing mogelijk zijn.Volledigheidshalve stippen wij nog enkele hoofdzaken uit deRuimtewet aan. In het ontwerp is als nieuw beginsel ver-ankerd de verplichting voor de gemeentebesturen om voorhun gehele grondgebied, voorzover dit niet tot de bebouwdekom behoort, een ,,gemeentelijk bestemmingsplan" vast testellen.Voor alle werken en werkzaamheden, die een blijvend stem-pel drukken op de bestemming en het gebruik van de grondzal -- volgens het ontwerp -- een z.g. aanlegvergunning ver-eist zijn. Deze vergunning is tevens een middel tot waarborgvoor de naleving van de z.g. bestemmingsplannen. In hetwetsontwerp is een opsomming van bovenbedoelde werkente vinden. Bij Algemene Maatregel van Bestuur zal de Kroondeze wettelijke lijst kunnen inkrimpen of uitbreiden. In delijst worden o.m. genoemd het aanleggen van wegen, kanalen,hoogspanningsleidingen, vliegvelden, havens, industrieterrei-nen, sportvelden, het tot stand brengen van inpolderingen, op-hogingen en ontgrondingen, het kappen van houtopstanden,het dempen van wateren, het winnen van delfstoffen en --belangrijk voor ons -- het oprichten of slopen van bouw-werken.Het ontwerp wil het mogelijk maken om aan eigenaren vanen rechthebbenden op onroerend goed een tegemoetkomingtoe te kennen, wanneer voor hen schade ontstaat als gevolgvan voorbereiding of vaststelling van bestemmingsplannen.Onder deze schade moet echter alleen worden verstaan ern-stige schade, die voortvloeit uit belemmering van het be-staande gebruik van het onroerend goed. Ook mag in ditverband rekening worden gehouden met een aannemelijk ge-maakt toekomstig gebruik, dat, hoewel binnen afzienbare tijdvoorzien, door de werking van het bestemmingsplan niet kanworden verwezenlijkt. Enige vergoeding van of tegemoetko-ming in gederfde winst wordt echter nadrukkelijk uitgesloten.Deze regeling roept voorheen niet ^- of slechts zeer ten dele?-- bestaande aanspraken in het leven.Tenslotte -- voorzover het de Ruimtewet betreft -- ver-meiden wij welke organen de commissie zich heeft gedacht,die met de uitvoering van de wet belast moeten worden. Voorhet Rijk schiep de commissie een Ruimtekundige Raad een eenRijks Ruimtekundige Dienst. De Raad zal onafhankelijk ad-viesorgaan zijn met betrekking tot de interdepartementaleruimtekundige coordinatie; de Dienst zal alle werkzaamhedenvoorbereiden, die ter uitvoering van de wet verricht moetenworden.Het provinciale apparaat zal bestaan uit een, eveneens on-afhankelijke, adviserende ruimtekundige commissie en eenprovinciale ruimtekundige dienst. Deze opzet beantwoordtin grote lijnen aan de in de practijk gegroeide toestand. Zowelde Rijksraad als de provinciale commissies zullen z6 veelzijdigsamengesteld dienen te zijn, dat alle in het geding zijnde be-langen volledig tot hun recht zullen komen.Voor de gemeentelijke plannen wordt slechts voorgeschreven,dat de werkzaamheden van de voorbereiding en het toezichtop ruimtekundig gebied van gemeentewege moeten plaats-vinden.Uit deze zo beknopt mogelijk gehouden opsomming blijkt weloverduidelijk, dat de gehele ruimtekundige materie noodza-kelijk in een afzonderlijke wet dient te worden geregeld. Het-geen de commissie in haar verslag veel uitvoeriger en ge-motiveerder mededeelt is een afdoende argumentatie voor deoplossing, die zij ten aanzien van het scheppen van dezeRuimtewet heeft gekozen.66De nieuwc woningwetIn de nieuwe Woningwet, zoals die door de commissie wordtvoorgesteld, missen we dus de ruimtekundige regelingen, diein de wet van 1901 nog te vinden zijn. Er blijven dus ^ endat is een voordeel -- de bepalingen omtrent de volkshuis-vesting, die thans weer een opzichzelf staand geheel zullenvormen. In verband met de economische ontwikkehng moestenevenwel weer enige nieuwe onderwerpen in de wet aan deorde worden gesteld, zoals de instandhoudingsbeperking, hetrijkswoningbouwprogramma en de productieregelingen.De vanouds bekende en beproefde gemeentelijke bouwveror-dening blijft door de nieuwe wet voorgeschreven. Uiteraardis bij de behandeling van deze verordening de vraag gesteldof en hoe meer eenheid in de verschillende gemeentelijke ver-ordeningen ware te brengen. Een andere commissie breektzich over dit probleem reeds geruime tijd het hoofd. Voor-zover die te bereiken eenheid de indeling der verordening, deadministratieve procedures en de formulering betreffen, zijner slechts weinig moeilijkheden. Reeds is immers door model-verordeningen in dit opzicht een vrij grote eenheid bereikt.Anders staat het met de materiele inhoud van de technischevoorschriften. De commissie heeft alle belangen, die hiermedeverband houden, tegen elkaar afgewogen en vond naar haarmening een aanvaardbare tussen-oplossing. Zij stelt voor aande Kroon de bevoegdheid te geven om bij Algemene Maat-regel van Bestuur nadere regelen vast te stellen omtrent deinhoud van een aantal bepaaldelijk aangeduide technischevoorschriften, zoals bijvoorbeeld de afmetingen van trappen,de hechtheid van verschillende bouwonderdelen enz. Dezeregelen kunnen, waar nodig, een einde maken aan schadelijkeverscheidenheid. Deze bevoegdheid van de Kroon zal zichechter niet uitstrekken tot die bepahngen van de bouwveror-dening, waarin het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid totuitdrukking is gebracht, zoals bijvoorbeeld de bepalingen om-trent indeling van woningen en inhoud en afmetingen vanvertrekken. Voorzover zich ook bij deze categoric van voor-schriften de dringende noodzaak tot meer eenheid zou voor-doen (b.v. verdiepingshoogte), kan zulks worden nagestreefdlangs de weg van opdracht tot wijziging van de bouwverorde-ning, aan een gemeentebestuur te verstrekken door het col-lege van Gedeputeerde Staten.Een ,,tijdelijke" bouwvergunning acht de commissie een on-mogelijkheid. Wel is denkbaar een bouwvergunning, diewordt verleend onder voorwaarde, dat het gebouwde na eenbepaalde tijd zal worden verwijderd of veranderd. In het al-gemeen acht de commissie het zeer gevaarlijk om in de wetde mogelijkheid tot een tijdelijke afwijking van de voorschrif-ten der bouwverordening toe te staan. Overigens biedt de,,aanlegvergunning", voorzien in de nieuwe Ruimtewet, vol-doende mogelijkheid om voorlopige oplossingen al of niet teaccepteren. Een uitzondering ten aanzien van mogelijke af-wijkingen maakt de commissie voor de z.g. montage-wonin-gen. Voor de bouw van woningen volgens een door de be-voegde Minister goedgekeurd bouwsysteem zal het gemeen-tebestuur bevoegd -- doch geenszins verplicht -- zijn bouw-vergunning te verlenen, ook al voldoen de woningen niet aande voorschriften van de bouwverordening.Volgens de wetsvoorstellen van de commissie zullen er vooreen bouwwerk twee vergunningen nodig zijn; de aanlegver-gunning en de bouwvergunning. De commissie laat het aande gemeentebesturen over of in de bouwverordening of ineen afzonderlijke verordening de wijze van aanvragen enverlenen dezer vergunningen z6 te regelen, dat de aanvragermet de minst mogelijke moeite klaar kan komen. Men ver-wacht, dat in de practijk het verkrijgen van de beide vergun-ningen niet meer moeite zal kosten dan voorheen het ver-krijgen van de bouwvergunning alleen.De commissie is van oordeel, dat voor zomerhuisjes en volks-tuinhuisjes, alsmede voor woonschepen voorschriften bij al-gemene maatregel van bestuur gegeven moeten worden. Voorwoonwagens is een afzonderlijkc wettelijke regeling reeds inde maak. In het wetsontwerp is uitdrukkelijk bepaald, dat inde eerste plaats de verschillende algemene maatregelen vanbestuiir de grondslag moeten vormen voor een stelsel van ge-meentelijke vergunningen betreffende zomerhuisjes, volkstuin-huisjes, tijdelijke niet tot bewoning bestemde gebouwen,woonketen en woonschepen, en in de tweede plaats, dat dezevergunningen niet alleen betrekking moeten hebben op hetbouwen van de hier bedoelde gebouwen van lichte construe-tie, doch ook op het in stand houden daarvan. In verband metdeze laatste eis zijn de hierbedoelde vergunningen aan eenbepaalde tijdsduur gebonden.Het Js bekend, dat de gewoonhjk gevolgde methode doormiddel van aanschrijvingen tot woningverbetering vrij veelmoeihjkheden hebben veroorzaakt. De rechterhjke macht staknu en dan een spaak in het wiel van de gemeentelijke over-heid. Ook hier ging de commissie bij haar redeneringen uitvan hetgeen in de practijk was gegroeid en gebleken en zijkwam tot de slotsom, dat in de nieuwe wet woningverbete-ring en onbewoonbaarverklaring moeten worden gezien als(bijzondere) middelen tot handhaving van de bouwverorde-ning. Aan de colleges van B. en W. zal -- volgens het wets-voorstel -- uitdrukkelijk worden opgedragen, voortdurendna te gaan welke bouwwerken (dus niet alleen woningen)niet aan de bouwverordening voldoen. leder zal zich tot hetgemeentebestuur kunnen wenden met een verzoek om eenaanschrijving tot woningverbetering te doen uitgaan of omeen jinbewoonbaarverklaring uit te spreken. Het is de bedoe-ling bmtrent het voldoen aan de aanschrijving tot verbeteringde keuze te laten uit twee mogelijkheden: of de verlangdevoorzieningen treffen of de bewoning doen staken.De commissie oppert het denkbeeld, om deze vrijheid vankeuze voor de eerste jaren na het in werking tredenvan de wet niet verplicht te stellen, omdat immers debestaande woningnood moeilijk gedoogt, dat men de beslis-sing over het al of niet voortzetten der bewoning aan deeigenaars der huizen laat.De bepalingen, gericht tegen overbevolking der woningen,komen in het wetsvoorstel niet voor. De commissie conclu-deert terecht, dat deze bepalingen in de bestaande Wet eigen-lijik dode letters waren. Hetzelfde geldt voor het voorschriftvan art. 24a der vigerende Woningwet betreffende de vor-ming en erkenning van woningcommissies. Aan dit artikelis nooit uitvoering gegeven; ieder kan zich voor woningver-betering en onbewoonbaarverklaring tot het gemeentebestuurwenden, voor het toezicht op de uitvoering van de wet zijnbetere bepalingen gemaakt, zodat aan woningcommissies geenbehoefte bestaat.Met de instandhoudingsbeperking doet een nieuw element zijnintrede. De commissie wil niet voorstellen, dat ieder nieuwbouwwerk na bijvoorbeeld 75 of 100 jaar zal moeten verdwij-nen. Dat gaat naar haar oordeel te ver. Er zijn ongetwijfeldzeer belangrijke voordelen, die voor een dergelije regelingpleiten. Er kan door worden voorkomen, dat woningen, dieop grond van sociale overwegingen zouden moeten verdwij-nen, in stand worden gehouden, omdat zij in 't economischverkeer nog een rendement opbrengen. 'n Dergelijke regelingzou ook de uitvoering kunnen bevorderen van saneringen, diethans veelal worden tegengehouden door de aarzeling om overte gaan tot een kostbare onteigening of een onbewoonbaar-verklaring, die aanzienlijke benadeling kan veroorzaken.Er is thans in het wetsvoorstel wel een regeling opgenomen,waardoor in bepaalde gevallen het hierbedoelde systeem kanworden toegepast. Het gemeentebestuur zal van het middelvan instandhoudingsbeperking op de volgende wijze gebruikkunnen maken. Men verwacht, dat in een bepaalde stadswijkover bijvoorbeeld 25 jaar het merendeel der woningen on-bewoonbaar zal zijn. Voor zodanig gebied moet dan in deeerste plaats een gemeentelijk bestemmingsplan worden vast-gesteld, waarbij de nieuwe bebouwingswijze hetzij in hoofd-lijnen, hetzij in onderdelen, nauwkeurig wordt geregeld.Nieuwe bebouwing, in strijd met dit plan, wordt verboden;eventueel kan onder bepaalde voorwaarden de stichting vantijdelijke gebouwen mogelijk zijn. Nadat het gemeentelijkebestemmingsplan van kracht is geworden, wordt nagegaanwelke bestaande gebouwen niet in dat plan passen. Met be-trekking tot deze gebouwen kan dan een verordening tot''nstandhoudingsbeperking worden vastgesteld, waarbij uit-sluitend gelet wordt op de toestand van elk afzonderlijk ge-bouw. Hierbij wordt, gelet op die toestand, voor elk bestaandgebouw het aantal jaren welke het gehandhaafd mag blijven,vastgesteld. Voor vele gebouwen zal in het hier gekozen gevaldeze termijn ten hoogste 25 jaar bedragen. Er zijn ook ge-vallen denkbaar, waarin die termijn langer zal moeten zijn.Als het tijdstip van de sanering is aangebroken, zullen degebouwen, ingevolge wettelijk voorschrift, niet meer mogenworden gebruikt en dus geen gebruikswaarde meer hebben.De waarde van de gebouwen, waarvan de levensduur op dattijdstip nog niet is verstreken, doch wel beperkt is, zal bijonteigening door de invloedvan die beperking verminderdworden. Uiteraard is deze gehele regeling omringd door talvan waarborgen.Zeer belangrijk is hetgeen de commissie in haar verslag me-dedeelt over de regeling van de woningvoorziening. Zij con-stateert, dat in het verleden de woningbouw niet altijd inovereenstemming was met de optredende behoefte. De parti-culiere woningbouw met name is zeer conjunctuurgevoelig endaardoor aan sterke schommelingen onderhevig. Niet alleenkwantitatief, ook kwalitatief past de productie zich moeilijkbij de behoefte aan. De nadelen van deze verschijnselen somtde commissie op: onvoldoende voorziening in de volkshuis-vesting, geringe bestaanszekerheid voor hen, die in het wo-ningbouwbedrijf werkzaam zijn, kapitaalsverspilling en te ge-ringe mogelijkheden voor de technische ontwikkeling van hetbouwbedrijf door gemis aan continuiteit. De commissie is vanoordeel, dat het een blijvende taak van de Regering is er optoe te zien, dat de woningvoorziening zich aansluit bij aarden omvang van de behoefte. Er moet aanhoudend naar wor-den gestreefd, dat niet alleen voldoende aantallen woningenworden gebouwd, maar ook, dat die soorten woningen wor-den gebouwd, waaraan wezenlijk behoefte bestaat en dat zijdaar worden gebouwd, waar zij nodig zijn. Het begripwoningvoorziening dient daarbij zo ruim te worden opgevat,dat het zich ook uitstrekt over de bestaande woningvoorraad.Dit betekent, dat ook verwijdering van woningen, welke nietmeer aan de behoefte voldoen, en verbetering en eventueelook splitsing van woningen, welke daardoor meer voor haardoel geschikt worden gemaakt, er onder vallen.De Regering komt telkens voor een, twee of drie jaar met eenrijkswoningbouwprogramma. Onder de door haar, in verbandmet dat programma te nemen maatregelen vallen in de eersteplaats die, welke ten doel hebben de productie op te voeren,dus geldelijke steunverlening van rijkswege voor woningbouwof voor voorzieningen aan bestaande woningen. Daarnaastkan ongewenste productie worden geweerd. Dit laatste doormiddel van een z.g. productieregeling. Zulk een regeling kanbij Koninklijk Besluit worden vastgesteld; zij kan gelden voorhet gehele Rijk of voor gedeelten daarvan. Voor woningbouw,die niet strookt met de uitgevaardigde productieregeling, moetbouwvergunning worden geweigerd. Naar het oordeel van decommissie zal er met deze productieregelingen voorzichtigomgesprongen moeten worden; zij zullen uitsluitend werenden niet dirigerend zijn.In de bestaande financiele regelingen op voet van de Woning-wet wenst de commissie geen wijzigingen te brengen. Wel iser naar gestreefd de bepalingen omtrent geldelijke steun zoruim te stellen, dat voortaan voor deze steun steeds in deWoningwet een wettelijke basis kan worden gevonden. Steun 67ingevolge een op een of andere begrotingspost gebaseerdecirculaire zal dan tot het verleden kunnen behoren.De term ..toelating ingevolge de Woningwet" zal, als decommissie haar zin krijgt, verdwijnen en vervangen wordendoor het woord ,,erkenning". Deze erkenning krijgt dan tweevormen. Een, die eenvoudig in de plaats treedt van de thansbij ons algemeen bekende ,,toelating" en een, die geldt voorverenigingen, stichtingen of zelfs wel ondernemingen, die..mede in het belang van de volkshuisvesting werkzaam zijn".Bij de laatste groep rekent de commissie bijvoorbeeld woning-bouwverenigingen, die door werkgevers in het leven zijn ge-roepen en worden bestuurd en waarmede zulke werkgeversook andere belangen dan die der volkshuisvesting denken tedienen. Voorts is er een tendens tot vorming van onderne-mingen, die woningen bouwcn en exploiteren, daarmedcslechts het behalen van een bescheiden winst -- redelijke be-leggingsrente -- beogend. Ook de erkende instelhngen vandeze tweede groep kunnen voor steunverlening op de voetvan de Woningwet in aanmerking komen, zij het, dat dekapitaalvoorziening uitsluitend of grotendeels door henzelfverzorgd zal moeten worden. De vanouds bekende ,,normale"woningbouwverenigingen en -stichtingen kunnen op kapitaal-voorziening vanwege de overheid blijven rekenen.Een in deze na-oorlogse jaren wel actueel geworden strijd-punt is ook door de commissiie grondig bekeken. Het gaat erom, of de woningwetbouw bij voorkeur door de verenigingenmoet worden verzorgd (zoals de oude Wet het stelt), of datverenigingen en gemeenten deze verzorging gelijkelijk kunnenbehartigen. De meerderheid van de commissie is van oordeel,dat de voorkeur, zowel voor de bouw door bouwverenigingenals voor de bouw door andere erkende instellingen, thansduidelijk in de wet dient te worden neergelegd en wel in diervoege, dat de gemeente alleen aanvullend optreedt, indienaannemelijk is, dat de bouw door verenigingen of erkendeparticuliere ondernemers niet voldoende in de woningbehoef-te zal voorzien. Een uit enkele leden bestaande minderheidvan de commissie is het met deze conclusie niet eens. Zijmeent, dat de gemeenten zeker niet bij de verenigingen be-hoeven te worden achtergesteld en zij somt enige voordelenop, die naar haar mening aan de gemeentelijke woningbouweigen zijn.De verkrijging van woningen in eigendom komt in het verslagook aan de orde. De staatscommissie heeft het ontwerp vanwet, dat door een andere commissie -- ingesteld in Juni 1948.-- was uitgebracht overgenomen. Wij stellen ons voor op ditonderwerp in een afzonderlijke beschouwing een andere keerterug te komen en laten het ditmaal bij de mededeling, dat menzich heeft voorgesteld de bouwkassen bij de regeling tot ver-krijging van woningen in eigendom officieel in te schakelen.Tenslotte belanden wij bij de voorstellen van de Commissieten aanzien van de instelling van een Nederlandse Woning-raad. Wij menen goed te doen de hierop betrekking hebben-de passages uit het verslag in extenso te laten volgen. Boven-dien geven wij ter informatie aan onze lezers ook de door decommissie voorgestelde wettelijke uitwerking. Waarschijnlijkzal dit onderwerp in de toekomst nog wel ons aller aandachtvragen en daarom is het goed om in ons Orgaan de voor-stellen daaromtrent reeds volledig te vermiclden.68Uittreksel uit het verslag van de Staatscommissie voor deherziening van de woningwetReeds in 1940 is er door de Nationale Woningraad voor ge-pleit, dat een deel van de zeer omvangrijke overheidstaak ophet gebied van de woningbouw en woningexploitatie doorwoningbouwverenigingen en gemeenten zou worden overge-dragen aan een nieuw te vormen orgaan van belanghebben-den.De Commissie heeft dit voorstel in grote lijnen overgenomen,daar ook zij van oordeel is, dat functionele decentralisatie bijde uitvoering van de bepalingen van de Woningwet inzakede woningbouw en -exploitatie door gemeenten en instellin-gen, uitsluitend werkzaam in het belang van de volkshuis-vesting, aan de wijze van uitvoering van dit deel van de over-heidstaak ten goede zal komen. De Commissie denkt daarbijin de eerste plaats aan het beleid met betrekking tot de er-kenning van verenigingen en stichtingen, uitsluitend werk-zaam in het belang van de volkshuisvesting. Door dit aan eenorgaan van belanghebbenden op te dragen zal dit beleid uitde politieke sfeer worden getrokken en zal een meer doel-matige spreiding der instellingen over het land kunnen wor-den bevorderd. Voor het laatste is veelal overleg met de ge-meenten wenselijk; naar het oordeel der Commissie kan ditbeter door een organisatie van belanghebbenden dan vanrijkswege geschieden.Behalve uitvoerende ware aan een dergelijk orgaan (in hetontwerp aangeduid als Nederlandse Woningraad) enige ver-ordenende bevoegdheid toe te kennen. In de eerste plaats zoudeze behoren te betreffen de erkenning van de instellingen,uitsluitend werkzaam in het belang van de volkshuisvesting.De voorschriften van rijkswege -- als het Woningbesluitthans geeft -- kunnen zich dan beperken tot enkele hoofdpun-ten, die de verordeningen van de Nederlandse Woningraadnader uitwerken. Ten tweede ware aan deze Woningraadook op te dragen het vaststellen van verordeningen -- voorzover in de materie niet reeds bij of krachtens de wet is voor-zien -- omtrent het onderhoud en het administratief beheervan aan zijn leden toebehorende onroerende goederen. Ookop dit punt kan het Rijk zich dus beperken, terwijl anderzijdsde woningbouwverenigingen en zelf-exploiterende gemeentenmedezeggenschap krijgen ten aanzien van de inhoud van dezevoorschriften. Deze bevoegdheid van de Nederlandse Wo-ningraad is met een reeks waarborgen omringd: hij zal slechtsmogen regelen wat niet reeds bij of krachtens de wet regelingheeft gevonden, de verordeningen zullen aan de goedkeuringvan de kroon onderworpen zijn en vervallen zodra het onder-werp daarvan bij of krachtens de wet wordt geregeld.Reeds is aangeduid, dat lid ^ en van rechtswege lid -- vande Nederlandse Woningraad zullen zijn de zelf-exploiteren-de gemeenten en de instellingen, uitsluitend werkzaam in hetbelang van de volkshuisvesting. Deze zijn, wat de exploitatievan met rijkssteun gebouwde woningen betreft, aan gelijkebepalingen gebonden. Het doel -- vereenvoudiging van derijkstaak en een meer efficiente regeling -- kan dan ook al-leen worden verkregen wanneer en zelfexploiterende gemeen-ten en woningbouwverenigingen verplicht lid van de Nederl.Woningraad zijn. Opgemerkt zij, dat bij zelfexploiterendegemeenten gedacht is zowel aan gemeenten, die bijvoorbeeldvia' een stichting of een woningbouwvereniging de gemeente-woningen doen beheren, als aan gemeenten, die dit zelf doen.Dat gemeenten en woningbouwverenigingen samen de Neder-landse Woningraad zullen vormen, moet ook uit een oogpuntvan de verhoudingen overigens tussen de gemeenten en dezeinstellingen zeer wel aanvaardbaar worden geacht. Overigenswordt ten deze verwezen naar de Wet GemeenschappelijkeRegelingen, die mede een regeling van de samenwerking tus-sen gemeenten en particulieren bevat. Ten einde de vreesweg te nemen, dat in het hier besproken nieuwe orgaan degemeenten door de woningbouwverenigingen zouden kunnenworden overstemd, zou in de statuten van dit orgaan pariteitin de samenstelling van het bestuur voor gemeenten en wo-ningbouwverenigingen zijn te verzekeren.Een minderheid van enkele leden wenst aan te tekenen, datzij zich met het voorgestelde slechts zeer ten dele kan ver-enigen. In de eerste plaats is zij van oordeel, dat de behoefteaan een dergelijk orgaan noch bij het Rijk, noch bij de ge-meenten is gebleken en vreest zij van het nieuwe orgaan eenonnodige toeneming van de overheidsbemoeiingen en in hetbijzonder van de voorschriften op dit gebied. Desnoods zouzij zich echter kunnen neerleggen bij een overhevelen van derijkstaak met betrekking tot de erkenning van woningbouw-verenigingen aan een orgaan als hier bedocld. Zij heeft ern-stig bezwaar tegen het gedwongcn hdmaatschap van de zelf-exploiterende gemeenten met de woningbouwverenigingenvan een orgaan, dat tot taak zou krijgen voor de gemeen-ten -- die als overheidsorgaan met het toezicht op de woning-bouwverenigingen zijn belast ^- voorschriften voor het on-derhoud en beheer van haar woningen te geven. Zij zou inelk geval in de wet zelf de pariteit in de samenstelling vanhet bestuur van gemeenten en woningbouwverenigingen vast-gelegd willen zien.Overwogen is, of ook voor de instelingen, mede werkzaamin het belang van de volkshuisvesting, het lidmaatschap vande Nederlandse Woningraad verplicht of open zou wordengesteld. De conclusie was evenwel, dat voor een bepalinghieromtrent geen aanleiding is, daar deze nieuwe instellingeneen geheel ander karakter hebben dan de woningbouwver-enigingen en het ook, afgezien daarvan, aanbeveling verdienteerst de ontwikkeling van deze instellingen af te wachten.Eventueel kan, bij gebleken behoefte, te zijner tijd bij wets-wijziging hierin worden voorzien. Overigens is de Neder-landse Woningraad vrij in zijn statuten bepalingen op tenemen omtrent de toetreding van deze instellingen met ad-viserende stem.DRGANEN VOOR DE VOLKSHUISVESTINGArtikel 311. Er is een lichaam, als bedocld in artikel 155 van de Grond-wet, genaamd Nederlandse Woningraad.Van deze Raad zijn van rechtswege lid:a. gemeenten, die woningen in eigendom hebben, ten aan-zien waarvan de artikelen 28 of 30 toepassing hebbengedwongen;instellingen, uitsluitend werkzaam in het belang van devolkshuisvesting, als bedoeld in artikel 27, lid 1.3. Ee Nederlandse Woningraad heeft tot taak:het onder Onze goedkeuring vaststellen van verordenin-gen omtrent het onderhoud en het beheer van aan zijnleden toebehoorende onroerende goederen en omtrentde erkenning, bedoeld in artikel 27, lid 1, voor zovereen en ander niet bij of krachtens deze wet regelingheeft gevonden;hi het beslissen omtrent de erkenning van instellingen,uitsluitend werkzaam in het belang van de volkshuis-vesting, als bedoeld in artikel 27, lid 1;c- het verrichten van andere werkzaamheden in het belangI van zijn leden.4. De stof van dit artikel wordt nader geregeld bij regelingM (Regeling betreffende de Nederlandse Woningraad).REGELING MRegeling betreffende de Nederlandse Woningraad(Regeling als bedoeld in artikel 31 van de wet).I Artikel 11. Er is een lichaam, als bedoeld in artikel 155 van de Grond-wet, genaamd Nederlandse Woningraad.2. Wij benoemen de voorzitter van de Nederlandse Woning-raad.3. Het reglement van de Nederlandse Woningraad behoeftOnze goedkeuring.Artikel 2Van de Nederlandse Woningraad zijn van rechtswege lid:a. gemeenten, die woningen in eigendom hebben, ten aanzienwaarvan de artikelen 28 of 30 van de wet toepassing heb-ben gevonden;b. instellingen, uitsluitend werkzaam in het belang van devolkshuisvesting, als bedoeld in artikel 27, lid 1, van dewetArtikel 31. De Nederlandse Woningraad heeft tot taak:a. het vaststellen van verordeningen omtrent de volgendeonderwerpen voor zover deze niet bij of krachtens de wetregeling hebben gevonden;le. het onderhoud en, voor zover van administratieveaard, het beheeer van aan zijn leden toebehorende on-roerende goederen, ten aanzien waarvan de artikelen28 of 30 van de wet toepassing hebben gevonden;2e. de erkenning bedoeld in artikel 27, lid 1, van de wet;b- het verlenen, weigeren en intrekken van de erkenning, be-doeld in artikel 27, lid 1 van de wet.c. het verrichten van andere, in zijn reglement omschreven,werkzaamheden in het belang van zijn leden.2. De verordeningen van de Nederlandse Woningraad mogengeen voorschriften bevatten, die in strijd zijn met enigewettelijke bepaling. Een voorschrift van zulk een verorde-ning vervalt van rechtswege, indien het met enige wette-lijke bepaling in strijd komt.3. De verordeningen kunnen geen door straffen te handha-ven bepalingen bevatten.Artikel 41. Een verordening, als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a,behoeft Onze goedkeuring. W^ij horen, alvorens te beslis-sen, de Raad voor de Volkshuisvesting en vervolgens deRaad van State, Afdeling voor de Geschillen van Bestuur.2. De Nederlandse Woningraad maakt een goedgekeurdeverordening bekend in de Nederlandse Staatscourant.3. De verordening treedt, tenzij daarbij anders wordt be-paald, 30 dagen na de dag van plaatsing in de Nederland-se Staatscourant in werking.Artikel 51- Van besluiten van de Nederlandse Woningraad tot wei-gering of intrekking van een erkenning staat bij Onsberoep open. Wij horen, alvorens te beslissen, de Raadvan de Volkshuisvesting en vervolgens de Raad van State,Afdeling voor de Geschillen van Bestuur.2. Een verordening, als bedoeld in artikel 3, onder a, 2e, be-paalt, voor zover zulks niet bij of krachtens de wet geregeldis, door wie, op welke wijze en binnen welke trmijn ditberoep kan worden ingesteld.Artikel 61. Wij kunnen een besluit van de Nederlandse Woningraad,voor zover het strijdt met de wet of het algemeen be-lang, schorsen of vernietigen.2. Ons besluit tot schorsing bepaalt, voor welke tijd het geldt.Deze tijd bedraagt ten hoogste een jaar. Na het verstrij-ken van deze termijn kan geen schorsing meer plaats vin-den. Schorsing stuit onmiddellijk de werking van de ge-schorste bepalingen.3. Wij omkleden ons besluit met redenen. Alvorens te be-slissen horen Wij de Raad voor de Volkshuisvesting envervolgens de Raad van State, Afdeling voor de Geschil-len van Bestuur.4. Ons besluit wordt afgekondigd in het Staatsblad. OyToelichting:Artikel 31Gelijk reeds eerder is uiteengezet is, in het bclang van ver-eenvoudiging van de overheidstaak en van een meer efficientswerkwijze, een nieuw orgaan voorgesteld, dat zowel uitvoe-rende als verordenende bevoegdheid zal hebben.Aan dit orgaan ikomt toe het beleid met betrekking tot er-kenning van instellingen, uitsluitend werkzaam in het belangvan de volkshuisvesting. Verwacht wordt, dat op deze wijzepohtieke invloeden in dit beleid minder zullen meespreken eneen meer doelmatige spreiding der corporaties over het landzal worden verkregen.De verordeningen van het nieuwe orgaan ^ waarvoor denaam Nederlandse Woningraad wordt voorgesteld '-- zullenin de eerste plaats kunnen betreffen de erkenning van de in-stellingen, uitsluitend werkzaam in het belang van de volks-huisvesting. Bovendien zullen voorschriften kunnen wordengegeven met betrekking tot het onderhoud en het administra-tieve van de aan zijn leden toebehorende woningen.Deze verordenende bevoegdheid is met een reeks waarbor-gen omgeven: de Nederlandse Woningraad zal slechts mogenregelen wat niet reeds bij of krachtens de wet regeling heeftgevonden; de verordeningen zijn onderworpen aan de goeJ-keuring van de Kroon en vervallen bovendien zodra het on-derwerp ervan bij of krachtens de wet geregeld wordt.Bepaald is, dat zowel de instellingen, erkend als uitsluitendwerkzaam te zijn in het belang van de volkshuisvesting, alsde zelf-exploiterende gemeenten van rechtswege lid zijn vande Nederlandse Woningraad. Gemeend is, dat slechts wan-neer ook voor de hier bedoelde gemeenten het lidmaatschapverplicht wordt gesteld, het nieuwe orgaan aan zijn doel zalkunnen beantwoorden.zowel een preventief als een repressief toezicht. Dat van debevoegdheid tot vernietiging van een ^ door de Kroon goed-gekeurde -- verordening slechts een uiterst spaarzaam ge-bruik zal behoren te worden gemaakt, behoeft geen betoog.Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen, waarinvernietiging of schorsing van een verordening niet achterwegemag blijven.Tot zover dit uittreksel.Waarschijnlijk ten overvloede wijzen wij er op, dat al het-geen de Commissie te berde brengt nog slechts in de vormvan voorstellen is gegoten. De Minister en de Regering kun-nen over deze voorstellen beschikken en overwegen of en inhoeverre zij deze voorstellen, al of niet gewijzigd, op haarbeurt aan de Staten-Generaal zullen voorleggen. Het is aan-nemelijk, dat er nog vrij geruime tijd zal verstrijken, alvorensde voorstellen van wet van de zijde der Regering openbaarzullen worden. Als dat het geval is, dan volgt de gebruikelijkebehandeling door Tweede en Eerste Kamer. Men denke dusniet, dat men reeds thans op grond van de denkbeelden vande staatscommissie zou kunnen gaan werken. Intussen zullenonze lezers uit deze -- heus nog korte! -- samenvatting be-grijpen, welk een omvangrijk, belangrijik en waardevol werkde staatscommissie-Van den Bergh heeft geleverd.w. s.DE IDEALE WONINGGeen kamcr-keukenREGELING MArtikel 1Tot de waarborgen, waarmede het geven van verordenendebevoegdheid aan de Nederlandse Woningraad is omkleed,behoren onder meer de benoeming van de Voorzitter door deKroon en de voorgeschreven Koninklijke goedkeuring vanzijn reglement.Artikel 2Voor de toelichting tot dit artikel zij verwezen naar de toe-- lichting tot artikel 31 van de wet.Artikel 3Voor de toelichting tot dit artikel kan in hoofdzaak wordenverwezen naar die tot artikel 31 van de wet. Hier wordtslechts gewezen op de bepaling van het derde lid, die ver-biedt, dat de verordeningen van de Nederlandse Woningraaddoor straffen te handhaven bepalingen bevatten.Artikel 4Dit artikel spreekt voor zichzelf.Artikel 5In dit artikel worden enige voorschriften gegeven met be-trekking tot de erkenning door de Nederlandse Woningraadvan instellingen, uitsluitend werkzaam in het belang van devolkshuisvesting.Van besluiten inzake een erkenning, zij het dat deze weige-ring of intrekking ervan betreffen, is beroep opengesteld opde Kroon, terwijl er in voorzien is, dat nadere voorschriftenomtrent dit beroep hetzij van rijkswege hetzij door de Neder-landse Woningraad zullen worden gegeven.Artikel 6Alle besluiten van de Nederlandse Woningraad kunnen doorde Kroon worden vernietigd. Onder besluiten zijn te verstaanzowel de incidentele besluiten tot verlening, weigering of in-trekking van "een erkenning, als besluiten, waarbij verorde-/U ningen zijn vastgesteld. Voor de verordeningen bestaat dusMinister In 't Veld, terugkerende van zijn reis naar Amerika,heeft medegedeeld, dat wij woningen moeten hebben metcentrale verwarming en warmwatervoorziening. Volgens be-richten in de pers zou Z.Exc. zelfs gesproken hebben vanwoningen zonder verwarming op de slaapkamer als ,,onvol-waardige" woningen.Of de Minister deze qualificatie werkelijk gebezigd heeft,weet ik niet, ze komt me in elk geval wel wat overdrevenvoor. Verder zou de Minister gesproken hebben over wonin-gen met een eetruimte in de keuken.Het vraagstuk ,,centrale verwarming" en ,.warmwatervoor-ziening" is de besturen van de woningbouwverenigingen inhet algemeen niet vreemd en ware het niet, dat het Departe-ment van Wederopbouw bezwaar maakt tegen de aanleg vancentrale verwarming op grond van de te hoge kosten, velenieuwe, gedurende de naoorlogse periode tot stand gekomenwoningen, waren van centrale verwarming en warmwater-voorziening voorzien.Meer dan een bouwvereniging heeft, trots de bezwaren vanfinanciele aard, toch nog kans gezien de nieuwe woningen,middels het plaatsen van gasgeijsers, van warm water tevoorzien, waaruit moge blijken, dat de besturen van velebouwverenigingen zich van de grote waarde van centrale ver-warming e-d. volkomen bewust zijn.Het kan ons daarom niet anders dan verheugen van de op-vattingen van de Minister van Wederopbouw kennis te ne-men, want niets is ons liever dan arbeiderswoningen te mo-gen bouwen, voorzien van centrale verwarming, warmwater-voorziening, douche en de nodige was- en drooggelegenheid.Dienaangaande behoeft Zijne Exc. geen tegenstand te ver-wachten.Met minder instemming begroeten wij de m^ededeling van deMinister inzake de keuken met ruimte om te eten. Dat doetons denken aan de z.g.n. woonkamer-keuken, waarbij deeigenlijke huiskamer het ,,salon" wordt, of beter gezegd, demeubelbewaarplaats.De woningtoestanden in Amerika zijn mij niet voldoende be-kend, kan daar dus niet met gezag over oordelen; wat ikechter wel weet is, dat de Amerikaan in het algemeen veeluithuiziger is dan de Hollander. Het kan dus best zijn, dat deAmerikaan minder waarde hecht aan de woongelegenheid eneen kamer-keuken verkiest om vlugger gereed te zijn.De vraag, of de huisvrouw met een woning waarin de keu-ken tevens het eetvertrek is, vlugger mat haar werk gereedis, ^ door Z.Exc. als argument aangevoerd, -- dan wanneerhet nuttigen van de maaltijd in de huiskamer geschiedt, is ze-ker niet zonder meer met ,,ja" te beantwoorden. Zou het in-derdaad wel het geval zijn, dan, daar zijn wij van overtuigd,zullen vele huisvrouwen het meerdere werk er voor overhebben, ten einde d? gezelligheid van het gezinsleven te ver-hogen.Wij gebruiken de woning niet in hoofdzaak om er in te etenen te slapen, wij ,,leven" in onze woning. En wij leven erbeter in naar mate wij in staat zijn om ons zo gerieflijk en zogenoeglijk mogelijk in te richten.Eten in de keuken betekent in een aantal gevallen ,,huizen"in de keuken; staren naar potten en pannen; naar de goot-steen en het gascomfoor, en dat alles omgeven met kookluchten damp van afwaswater. Niets, maar dan ook niets wat het,,thuis zijn" veraangenaamt.Men moet het z.g.n. ,,in de keuken huizen" zelf hebben be-leefd om zich van het deprimerende daarvan bewust te zijn.Daaraan zijn we, gelukkig voor 'n groot deel ontgroeid enhet zou te betreuren zijn, indien we de mogelijkheid opendenom op onze schreden terug te keren.Financieel levert het bovendien geen enkel voordeel op, waar-om het ook van die kant bezien geen aanbeveling behoeft teverdienen. Wij zouden willen zeggen ,,gelukkig", want nuallerwege gestreefd wordt naar verlaging van de bouwkos-ten, en o.i. niet ten onrechte, zou de mogelijkheid niet zijnuitgesloten, dat men in de richting van de kamer-keuken zougaan zoeken, teneinde de zo gewenste verlaging van bouw-kosten te bereiken.Deze richting gaan we niet in. Waar de arbeiders behoefteaan hebben is een woning met een kleine, geriefelijke envooral doelmatig ingedeelde keuken ,met daarnaast een apartedouche- en wasgelegenheid met droogruimte. Verder een niette kleine huiskamer plus de nodige slaapkamers.Wordt een dergelijke woning bovendien van centrale verwar-ming en warm water voorzien, dan kan van een ideale wo-ning gesproken worden.Met de Minister zeggen wij, vooruit naar de ideale woning,maar dan ook geen keuken-kamersysteem, daar moeten weniets van hebben.Amsterdam. P. V. NOORDENVERSLAGvan de 32ste jaarvergadering van de NationalcWoningraad, A.B.v.W., gehouden op Vrijdag 30Juni en Zaterdag 1 Juli 1950 in ,,Musis Sacrum"i^ Arnhem.De vergadering wordt bijgewoond door de Heren Dr Ir Z. IJ.V. d. Meer, Directeur-Generaal van de Wederopbouw en deVolkshuisvesting, Ir W. van Tijen, Voorzitter van de Kern-groep Woningarchitectuur van de B.N.A.; Mr P. A. v. d.Drif^, Voorzitter van de Voorlopige Raad v. d. Volkshuis-vesting; }. Bakker, Raadsadviseur van het Ministerie van Fi-nancien, Mr J. H. v. d. Meide, vertegenwoordiger van deDir^ctie van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;Drsi H. V. d. Weyde, Secretaris-Directeur van het Neder-lands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw; Ir D. S.Visser en Ir J. van Noppen, resp. Hoofdingenieur-Directeurin de provincies Friesland en Overijsel en verder vertegen-woordigers van de Provinciale Directies in Groningen enZeeland.Vari het Bestuui- is met kennisgeving afwezig de HeerH. Keegstra.Vrijdagmorgen om 10.50 uur opent de Voorzitter, de HeerA. in 't Veld het congres en spreekt de volgende rede uit:iHet is zeer verheugend, dat wij ditmaal weer een groot aan-tal deelnemers aan ons Congres hier een hartelijk welkommogen toeroepen. Weliswaar zoeken wij onze kracht niet inhet beleggen van massa-bijeenkomsten van uitsluitend de-monstratief karakter, maar wij achten het toch van bijzondergroot belang, dat zoveel mogelij'k geinteresseerden uit onzekringen op een congres als dit bijeen zijn om te horen watons bezighoudt en om onderling ervaringen uit te wisselen.Blijkens de ontvangen opgaven voor deelname zullen hierbijna 700 bezoekers aanwezig zijn. Zij vertegenwoordigen290 bij de Nationale Woningraad aangesloten corporaties engemeentebesturen of gemeentelijke instellingen.Bovendien bevinden zich onder de bezoekers afgevaardigdenvan 6 corporaties en van 17 gemeenten, die het voorbeeldvan de meerderheid nog niet hebben gevolgd en nog niet bijonze Raad zijn aangesloten. Wij zijn blij, dat ook zij op onzeuitnodiging aan dit congres willen deelnemen en wij hopen,dat zij na afloop van onze vergaderingen zichzelf de vraagzullen stellen of aansluiting bij de Nationale Woningraadook voor hen niet een zaak van groot gewicht is.Het is ons verder een groot genoegen hier ook een aantal,,officiele" gasten welkom te mogen heten. De Minister vanWederopbouw en Volkshuisvesting, die te kennen had ge-geven, hier hedenmiddag aanwezig te willen zijn, is tot zijnen onze spijt verhinderd aan zijn voornemen gevolg te geven.Wij weten, dat zijn aanwezigheid in de Tweede Kamer wordtvereist, waar de ook voor ons belangrijke Huurwet door onzevolksvertegenwoordiging wordt behandeld. Intussen prijzenwij ons gelukkig, dat de ,,rechterhand" van de Minister, DrIr Z. IJ. V. d. Meer in ons midden is om de Minister te ver-vangen niet alleen, maar ook om straiks als eerste inleiderzijn visie te geven op het onderwerp, dat wij aan de ordehebben gesteld. Mijnheer van der Meer weet, hoezeer wij zijnook thans weer gebleken bereidheid tot medewerking op prijsstellen. Op zijn beurt heeft ook Dr v. d. Meer weer ver-scheidene ,,rechterhanden". Enige van hen hebben tot onsgenoegen van onze uitnodiging gebruik willen maken. Weheten hier welkom Mr P. A. v. d. Drift, raadadviseur bij hetMinisterie van Wederopbouw en Volkshuisvesting en Voor-zitter van de Voorlopige Raad van de Volkshuisvesting. Ver-der ook de Hoofdingenieurs-Directeuren in de provinciesFriesland en Overijsel, de Heren Visser en Van Noppen.Andere Hoofdingenieurs-Directeuren hebben ons laten weten,dat zij door ambts-bezigheden zijn verhinderd ons congres tebezoeken. Wij kunnen dat begrijpen, want wij weten uit er-varing door het contact tussen onze verenigingen en hundiensten, hoezeer altijd nog hun bemoeiingen met woning-bouw en volkshuisvesting beslag op hun tijd leggen. Wij be-rusten in hun afwezigheid, bedenkende, dat zij ongetwijfeldop andere wijze de belangen behartigen, die ons hier hedenbijeenbrengen.Het Ministerie aan de Van Alkemadelaan heeft een achter-grond. Die achtergrond wordt gevormd door een Departementaan de Kneuterdijk. Ook bij de uitvoering van de Woning-wet, voorbehouden aan het Departement van Minister In 'tVeld, spreekt het Ministerie van Zijne Excellentie Lieftinckeen hartig woordje mee. Wij vinden het buitengewoon pret-tig, dat wij hier ook mogen welkom heten de Heer J. Bakker,Raadadviseur van het Ministerie van Financien. Mede door /I72zijn aanwezigheid wordt die fatale ,,achtergrond" wat open-baar en de Heer Bakker zelf kan deze dagen wellicht nog eensiets opvangen, dat hem bij het beoordelen van de financieleconsequenties van de woningbouw nog juist te binnen schiet.In het algemeen zouden wij over en tot onze ..officiele"gasten hier nog willen zeggen, dat er bij de woningbouw vannature een nauwe band bestaat tussen hen, die geroepen zijncm de talrijke bepaUngen en voorschriften te ontwerpen, tehandhaven en te controleren en tussen ons, wie het gegevenis om onder dit regiem van bepaHngen en voorschriften onswerk te doen. SoortgeHjke verhoudingen treffen we in het na-oorlogse Nederland uiteraard op vele terreinen aan. Men kanniet ahijd zeggen, dat het overal zonder haken en ogen ver-loopt. Welhcht is het op het terrein van de uitvoering vande Woningwet zo betrekkehjk rustig, omdat wij aangaandedeze verhouding tussen Overheid en uitvoerende organen eengrote voor-ooorlogse ervaring hebben opgedaan. Het harnasvan normen en maximum-prijzen en minimum-afmetingen isons niet na 1945 aangemeten! Overigens hebben wij ons voorde oorlog wel eens wat veronachtzaamd gevoeld. Toen washet bijna altijd z6, dat wij van onze kant aandrang moestenuitoefenen om aan de slag te kunnen komen. In de laatstejaren echter hebben wij meermalen het gevoel gehad, dat vande officiele, bestuurlijke en ambtelijke zijde aandrang op onswerd uitgeoefend om toch vooral aan de slag te gaan. Zeeronlangs heeft H.M. de Koningin de honderdduizendste wo-ning ontsloten, die na de bevrijding in ons land was gereed-gekomen. Wij hebben er begrip voor, dat dit huis juist eenvoor een oorlogsslachtoffer herbouwde woning was. Wijmogen er evenwel ^ niet zonder enige gerechtvaardigde trots-- op wijzen, dat het grootste deel van de aan de woning-voorraad toegevoegde huizen is tot stand gekomen op voetvan de Woningwet, mede door het werk van de in de Natio-nale Woningraad georganiseerde verenigingen en gemeen-ten. Onze contributie-boeken -- het zij als een prettige bij-komstigheid vermeld -- spreken in dit opzicht een duidelijketaal. Er is natuurlijk geen reden om onszelf hiervoor op deborst te slaan, Waar wij woningen hebben gebouwd en inbeheer hebben genomen en waar wij thans nog aan het bou-wen zijn, daar vervulden en doen wij niet meer dan onze dureplicht. Wij vervullen die plicht tegenover een bezit aanschamele en op velerlei wijze beperkte rechten. Nochtanstoonden wij ons bereid en wij zullen graag ons best doen omook in de toekomst ons mannetje te staan. Er is reden totblijdschap, omdat ook weer uit het officiele bezoek aan ditCongres blijkt, dat er een goede, gezonde en vertrouwelijkewisselwerking bestaat tussen de organen, die op grond vande Woningwet aan de touwtjes trekken en tussen degenen,die op grond van diezelfde Wet met de eigenlijke uitvoeringvan het werk zijn belast en die derhalve nog al eens het lotbeschoren is van aan die touwtjes te bungelen. Wij zullennaar vermogen voortgaan met het bouwen van goede wonin-gen met ruim begrip voor de volstrekt eigen verantwoorde-lijkheid van de regelende overheid, met een gevoel van ge-rechtvaardigde eigenwaarde tevens en -- wat misschien hetbelangrijkste is -- met onverflauwde ijver, omdat het werkin en voor onze verenigingen nog altijd de hefde van onshart heeft.U zult uit de U toegezonden Congresstukken hebben be-merkt, dat wij deze dagen willen proberen U aan de hand vancompetente inleiders het gezicht naar de toekomst te latenkeren. Nog altijd is alles op het terrein van de volkshuisves-ting en de woningbouw in beweging. Nog altijd volgen deveranderingen in voorschriften, bepalingen en regelingen el-kaar in snel tempo op. De overheid ontwikkelt hier een snel-heid, die ons niet altijd even prettig ligt. Wij geloven echter,dat de periode, waarin wij tot een zekere consolidatie zullenkomen, niet meer ver verwijderd is. Wij onderkennen eenstreven om regelingen van onderdelen te laten varen en omliever forse lijnen te trekken, waarlangs de uitvoerende or-ganen met enige bewegingsvrijheid hun werk kunnen doen.Voor deze ontwikkeling hebben wij een prijzend oordecl, mitsiets van die bewegingsvrijheid ook ons deel zal worden. Wijhopen zeer, dat onze inleiders op dit Congres ons ongeveerde richting zullen kunnen wijzen, waarin de Nederlandsevolkshuisvesting zich onder de altijd nog bijzonder moeilijkeomstandigheden beweegt. Wij vertrouwen, dat in de te hou-den discussies onze afgevaardigden zakelijk en puntig hundikwijls door de ervaring gescherpt oordeel zullen kunnengeven. Als deze hoop wordt vervuld, dan zullen wij in onssluitingswoord kunnen gewagen van een goed Congres, waarwij niet alleen prettig bijeen zijn geweest, maar waarvan wij'kennis mee naar huis nemen, die ons bij het mooie werkten behoeve van de Nederlandse volkshuisvesting te stadekomt.De afgevaardigden zullen met de S'ecretaris -- die sedert1 Januari zijn functie vervult -- reeds kennis hebben ge-maakt, hetzij door rechtstreeks contact, hetzij op debijzondere ledenvergadering van 1 April j-1. Het hgt voor dehand, dat deze secretaris zich moet inwerken. Intussen moe-ten echter de lopende zaken doorgaan en dat zijn er '-- inverhouding tot de vrij geringe omvans,, van onze bureau-capa-citeit -- vrij vele. Door alle beslommeringen, die verbandhouden met de secretariaats-wissehng was het niet mogelijkeen verslag over het jaar 1949 uit te brengen. Op de bijzon-dere ledenvergadering van 1 April hebben wij vrij uitvoerigover de toestand van de Nationale Woningraad gesproken.Het heeft weinig zin om wat toen gezegd is, thans te herha-len. Wij zouden U willen voorstellen om met deze voorlopigeonderbreking van het geijkte gebruik genoegen te nemen. Hetvalt te verwachten, dat in het volgende jaarverslag -- dat inbepaalde onderdelen welHcht op de voorgaande periode kanteruggrijpen -- van velerlei activiteit en van een opgewekt73en vruchtbaar organisatieleven kan worden gewaagd.Door het aantal deelnemcrs en vertegenwoordigingen is ditCongres-1950 reeds een hoogtepunt in de geschiedenis vande Nationale Woningraad. Wij wagen het niet te voorspel-len, dat het ook naar inhoud en betekenis zulk een hoogtepuntzal worden. In het verleden zijn uitnemende congressen ge-houden, die hun glans door deze bijeenkomst niet behoevente verliezen. Wei spreken wij tenslotte de hartehjke wens uit,dat ens samenzijn in deze dagen moge worden tot een mani-festatie, waarvan wij in de toekomst kunnen zeggen: ,,Daaris ons werk mee gediend geweest!"Vervolgens verleent de voorzitter het woord aan de HeerC. Smeenk, voorzitter van de provinciale afdehng Gelder-land. Deze verheugt zich erover dit congres in Arnhem wel-kom te mogen heten. Spreker wil gaarne een enkel woordwijden aan de stad, waarin deze vergadering thans bijeen isen daarbij in het bijzonder de volkshuisvesting betrekken. Inde periode 1901-1940 is ontzaglijk veel in Arnhem op hetterrein van de volkshuisvesting tot stand gekomen. In 1940kon men in deze stad ook niet van woningnood spreken. Desanering van wijken en het opruimen van sloppen was zeervergevorderd dank zij de grote activiteit van het gemeente-bestuur. In de oorlog zijn vele huizen verwoest. Wanneer Uthans door de straten wandelt, dan ziet U grote herbouw-activiteit. Wij kunnen spreken van vooruitgang al blijft hetwoningprobleem groot. Het aantal woningzoekenden in Arn-hem is ongeveer 4100. Ja, er is veel verwoest, vervolgt spre-ker, maar gebleven is ons natuurschoon en ik hoop, dat Ustraks in staat zult zijn veel van deze schoonheid te zien. Watde volkshuisvesting betreft zijn er ernstige problemen. In deeerste plaats de financiering. Hoe is het mogelijk om die velelOO.OOOen woningen, die in Nederland moeten worden ge-bouwd, te financieren. Ten tweede drukt ook 't probleem vande huurverschillen. Hier zijn mensen, die met 'n behoorlijkinkomen f 3.-- a f 4.-- huur per week betalen, waartegenoveranderen een huur van f 7.50 per week moeten verwonen.Hierdoor ontstaat een wanverhouding. Daarom juist is eencongres zo nuttig, waar immers al die vraagstukken kunnenworden belicht. Wij hopen, dat het congres een goed verloopzal hebben en U aan Arnhem de prettigste herinnering zultbewaren.Vervolgens richt de Burgcmeester van Arnhem enige vrien-delijke woorden tot het congres. Mijn stad, zo zegt hij, is vanouds een goede congresstad. Ik hoop, dat U deze dagen nietalleen goede zaken zult doen, maar tevens kunt genieten vanhetgeen mijn zwaar getroffen doch zich thans snel herstellen-de gemeente U te bieden heeft.2. De Voorzitter dankt de beide sprekers voor hun goedewensen en stelt aan de orde de bespreking van de redactievan het orgaan ,,De Woningbouwvereniging".De Heer J. v. d. Berg, Bussum, zegt, dat hij met belangstel-ling kennis neemt van de berichten over de woningbouw inhet buitenland, die regelmatig in ons maandblad worden ge-publiceerd. Hij acht deze berichtgeving zeer eenzijdig. Deaandacht valt steeds op de overigens onvoldoende prestatiesvan de westelijke landen en spreker mist berichten uit anderelanden. Bij interruptie wordt hem gevraagd, welke landen hijdan bedoelt. Spreker zou graag ook woningbouw-berichtenuit Rusland en de Oost-Europese landen vermeld zien.De Voorzitter antwoordt, dat de Heer v. d. Berg blijkbaarhet Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw bedoelt,maar dat thans de bespreking van ons orgaan ,,De Woning-bouwvereniging" aan de orde is-3. Verkiezing leden van het Bestuur.Aan de beurt van aftreden zijn de Heren: G. J. van As,}. Bommer, J. J. Camminga, H. Keegstra, G. Voerman, L. v./4 d. Wal en J. de Wilde. De Heer Van der Wal stelt zich nietherkiesbaar; in de daardoor ontstane vacature zal door deprovinciale afdeling Noordholland voorzien moeten worden.De Heren Camminga, Voerman en de Wilde dienen door deprovinciale afdelingen, welke zij in het bestuur vertegen-woordigen, te worden herkozen of vervangen.De Heren Van As, Bommer en Keegstra dienen door de le-denvergadering te worden herkozen of vervangen.Tegencandidaten zijn niet opgegeven, zodat de Voorzitteronder applaus van de vergadering constateert, dat de HerenVan As, Bommer en Keegstra bij acclamatie door het congreszijn herkozen.4. Benoeming van een commissie tot het nagaan van het be-heer over 1950.De commissie, die het beheer over 1949 heeft beoordeeld,bestond uit de Heren Beerman, Van der Galien en Jonker.Gebruikelijk is, dat ieder jaar een lid wordt vervangen. Dit-maal dient in de plaats van de Heer Beerman een ander teworden benoemd. Het Bestuur stelt voor om aan de afdelingZuidholland te verzoeken het nieuwe lid voor deze commissieaan te wijzen.Uit de vergadering wordt geen bezwaar gemaakt tegen desuggestie van het bestuur, zodat de afdeling Zuidholland eennieuw lid van de controle-commissie zal aanwijzen.5. Behandeling van de ingekomen voorstellen.a) Voorstel van de Woningbouwvereniging ,,Goed Wonen"te Vlissingen:Het Congres besluite, dat het Bestuur van de Nationale Wo-ningraad pogingen aanwendt voor die woningbouwverenigin-gen, welker woningen door inundatie gedurende of voor deoorlog 1940-1945 schade leden, om het daarheen te leiden,dat van de steeds weerkerende herstellingen, welke hun oor-sprong hebben in genoemde inundatie, het Rijk zoveel mo-gelijk de kosten zal dragen.Toelichting:Het blijkt steeds meer en meer, dat de herstellingen, welkena de inundatie zijn verricht, niet afdoende zijn geweest. Denawerkingen van het zeewater oefenen voornamelijk op demuren haar funeste invloed uit, met als gevolg het afvallenvan het behangsel en het loslaten der muurbezetting, waar-door steeds de muren opnieuw moeten worden afgebikt enbezet.Overal waar in de specie kalk is gebruikt en uiteraard is ditin de bezetting der muren en ook in de metselspecie verwerkt,blijkt dat achtergebleven salpeter-zout zelfs de voeg-specicnaar buiten werkt, met als gevolg, dat grote oppervlaktenopnieuw moeten worden bewerkt.Bovengenoemde euvelen zijn ontstaan na het volledig herstelder woningen, hetgeen betekent, dat tot nu toe uit het onder-houdsfonds de nakomende herstellingen moeten worden be-taald, wat ten enenmale onmogelijk is, aangezien de onder-houdskosten schrikbarend zijn gestegen.Het noodzakelijke onderhoudswerk, zoals schilder. en tim-merwerk, sanitaire voorzieningen etc. komt daardoor dusda-nig in het gedrang, dat gedeeltelijke verwaarlozing der wo-ningen het gevolg is.Het is o.i. dan ook volkomen billijk, dat het Rijk zoveel mo-gelijk in de kosten van dit extra-onderhoudswerk bijdraagtteneinde te voorkomen, dat het normale onderhoudswerkmoet worden verwaarloosd, waardoor uiteraard de kwaliteitvan de woningen ernstig te lijden heeft.Prae-advies van het Bestuur:Het Bestuur van de Nationale Woningraad is gaarne bereidom aan het secretariaat opdracht te geven in gevallen, als indit voorbeeld bedoeld, te bevoegder platase pogingen te on-dernemen, die wellicht tot een voor de bouwvereniging gun-stig resultaat kunnen leiden.De in het voorstel bedoelde ,,voortgezette oorlogsschade" aaneigendommen van woningbouwverenigingen vormt evenwel-- landelijk gezien. -- een uitzondering, weshalve hiervoormoeilijk een algemene regeling van overheidswege kan wor-den verlangd. Het Bestuur stelt daarom aan het Congres voorde behandeling van de door Vlissingen bedoelde gevallen aanhet secretariaat over te laten.Overeenkomstig het prae-advies van het Bestuur zal aan hetsecretariaat de behandehng van de gevallen van voortgezetteoorlogsschade worden opgedragen.b) Voorstel van de Federatie van te Leiden en Otjnstrekengevestigde woningbouwverenigingen:De Nationale Woningraad dringe er bij de Regering op aan,dat de aflossingsbestanddelen in de annuiteiten over de bouw-voorschotten nogmaals en thans voor de tijd van minstensdrie jaar ter beschikking van de woningbouwverenigingenworden gesteld, teneinde deze in de gelegenheid te stellen deachterstand in het onderhoud, voornamelijk wat betreft hetbinnenschilderwerk, in te halen.Prae-advies van het Bestuur:Na rijp beraad heeft de Nationale Woningraad destijds erbij de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting opaangedrongen, dat de betaling van de aflossingsbestanddelenvan de annuiteiten der bouwvoorschotten voor drie jaar zouworden opgeschort en dat de daardoor vrijkomende midde-len zouden worden gebruikt voor het financieren van achter-stallig onderhoudswerk aan woningwetwoningen.De Minister heeft bij circulaire van 24 April 1948, No. 41485EWV (O), aan de gemeentebesturen medegedeeld, dat dezeopschorting van betaling voor twee jaar mocht gelden.Het Bestuur van de Nationale Woningraad is zich ervan be-wust, dat hierdoor slechts een gedeeltelijke en daardoor on-toereikende oplossing voor het probleem van het achterstalligonderhoud is bereikt, De overweging, dat met het verwerkenvan de ter beschikking gekomen middelen een vrij geruimetijd is gemoeid, heeft het Bestuur er tot dusver van weerhou-den om op een uitbreiding van de getroffen regeling aan tedringen. Mede naar aanleiding van het voorstel van de Fe-deratie Leiden verdient het aanbeveling te overwegen ofthans aan de Minister de bedoelde uitbreiding ware aan tevragen. Hoewel door het uitblijven van de algemene huur-verhoging en daarmede in verband het achterwege blijvenvan de absoluut noodzakelijke verhoging van de onderhouds-normen voor woningwetwoningen ongetwijfeld de achterstandin het onderhoud van het voor-oorlogse woningbezit nog isvergroot en uit dien hoofde een verzoek om opschorting vanbetaling voor meer dan drie jaar niet besHst onredelijk zouzijn, acht het bestuur het toch niet mogelijk om meer te vra-gen, dan in eerste aanleg werd gedaan. Met de opschortingvoor een jaar is voor het Rijk een bedrag van naar schattingtien millioen gulden gemoeid. De stand van het onderhoudloopt plaatselijk zeer uiteen. Hier zal men met drie jaar op-schorting redelijk geholpen zijn; daar komt men misschien aan 75vijf jaar nog te kort. Uit het onderzoek, dat destijds is in-gesteld, is gebleken, dat een opschorting van drie jaar alsalgemeen gemiddelde zeer redelijk en ook aanvaardbaar moetworden geacht. Het Bestuur vraagt daarom aan het Congresmachtiging om aan de Minister van Wederopbouw en Volks-huisvesting te verzoeken, de termijn van twee jaar, genoemdin zijn bovenvermelde circulaire, uit te breiden tot een ter-mijn van drie jaar.De Heer Oostveen spreekt namens de Federatie Leiden endeelt mede, accoord te gaan met het prae-advies van hetBestuur. Hij spreekt de wens uit, dat het bestuur er in mogeslagen de termijn van twee jaar uit te breiden tot een periodevan drie jaar.De Heer Spek spreekt namens het Bestuur van de AlgemeneWoningbouwvereniging te Amsterdam en zegt, dat dit Be-stuur met belangstelhng kennis heeft genomen van het voor-stel van de Federatie Leiden en van de mening van het Be-stuur van de Nationale Woningraad. In tegenstelhng met deafgevaardigde van Leiden, die zich accoord verklaart met hetprae-advies van de Nationale Woningraad, acht het Bestuurvan de Algemene Woningbouwvereniging nogmaals een jaaruitstel van aflossing beslist onvoldoende. Het is juist, zealsook in het prae-advies werd opgemerkt, dat er verschil is inde stand van het onderhoud. Bij de ene vereniging is dieslechter, dan bij de andere. Dit verschil kan te wijten zijn aanminder vakkundig, minder duurzaam, duur en slordig onder-houd. Maar het kan ook het gevolg zijn v
Reacties