Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van de Nationate Woningraad,waarin opgenomen de mededelingen van de Rijksdienstvoor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan deWederopbouwSeptember 1950 SU Jaargang no. 9KI^BURCARBOlUINE^UiViBij ons geen teleurstelling, want wij leveren vooroorlogse kwaliteitenmet garantie voor duurzaamlieidook CARBOLINEUMVERFSEPTOIvEUiVlDEKT IN ^eN KEER!Leverbaar In 16 kleuren en wit ;'Abraham van Stolk & Zoonen n.v.ROTTERDAMPOSTBUS 1100TELEF. No. 3540052SHOUTHANDELA, R RMSTERDAMSE IVOLLUIKEN TABRIEKRolluiken -- Rolhekken -- Schuifhekkcn -- MarkiezenZonschermcn -- Veerrolschermen .-- BaltexWilhelminastraat 118 -- Amsterdam -- Telefoon 812830r^'^\x^^c}^STOOMBOOTWEG 31L.ANDSMEER 'NH)TEL.(K 2908) 256 EN 7x2500 V24285-^,,STANDGLANS"wint twant kwaliteitwint 't altijdSCHAAP & B0R6MAN, VERFFABRtKANTEN, AMSTERDAM/W.IN NEDERLANDSE WONiNGENlillliiilllliiiiiiliiliiliiiiiiillllillilllliilliTijdschrift voorVolkshuisvesting enSeptember 195031e J??rg?ng - No. 9MaandbladStedebouwOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen, waarin opgenomen de mede-delingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de WederopbouwRedactie: Mr. H. W. Bloemers, ]. Bommer, Ir. H. M. Buskens, Jhr. M. J. I. de Jonge van Ellemeet, B. Merkelbach,Ir. L. S. P. Scheffer, Ir. P. Bakker Schut, Mr. J. Vink, Drs. H. van der WeijdeAdres voor Redactie en Abonncmentcn: Lange Voorhout 19, 's Gravenhage, Telefoon 184225Adviertenties! Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Telefoon 49128 ('s avonds: Haarlem, Orion-weg 119, Telefoon K 2500 25560)Ofdciele mededelingenNederlands InstituutTentoonstelling Zuiderkerk AmsterdamDe tentoonstelling, die door de International Federation forHousing and Town Planning tijdens het congres te Amster-dam in de Zuiderkerk aldaar is gehouden, is na afloop daar-van, nog tijdens de maand September, voor het publiek open-gesteld, onder auspicien van het Instituut. Aan de ledenvan het Instituut is hiervan afzonderlijk mededeling gedaan.Rijksdienst voor het Nationale PlanIBesluitenvan de President van de Rijksdienst voor het Nationale PlanOp grond van artikel 5, derde lid van het Besluit van 15 Mei1941 betreffende de instelling van een Rijksdienst voor hetNationale Plan werden door de President van deze Dienstde volgende bezwaren gemaakt:a.I d.d. 21 Juli 1950, No. 43 P betreffende de voorgenomenj verbouwing van een bunker tot een tweetal zomerhuisjesonder de gemeente Groede.Hiertegen is bezwaar gemaakt wegens strijd met het invoorbereiding zijnde ontwerp voor een nationaal planen van het streekplan Zeeuws-Vlaanderen.b. d.d. 25 Juli 1950, No. 49 P betreffende de voorgenomenoprichting van een landhuis onder de gemeente Ambt-Ommen.- Hiertegen is bezwaar gemaakt wegens strijd met hetin voorbereiding zijnde ontwerp voor een nationaal plan.c. dd. 23 Augustus 1950, No. 58 P betreffende een voor-genomen ontginning van een perceel woeste grond onderde gemeente Tilburg.Hiertegen is bezwaar gemaakt wegens strijd met hetontwerp van het in voorbereiding zijnde facetstreekplanter bescherming van de waterwingebieden in Noord-brabant, dat een onderdeel vormt van de in voorberei-ding zijnde streekplannen voor Oost-Noordbrabant envoor Midden- en West-Noordbrabant.d. dd. 23 Augustus 1950, No. 59 P en dd. 31 Augustus 1950,No. 60 P betreffende enige voorgenomen ontginningenin het natuurgebied ,,de Lange Goren" onder de ge-meente Zundert. Hiertegen is bezwaar gemaakt wegensstrijd met een in voorbereiding zijnd ontwerp voor eennationaal plan.Vierde Internationaal Bodemkundig CongresOp het vierde Internationale Bodemkundig Congres, dat van24 Juli t/m 1 Augustus 1950 te Amsterdam werd gehouden,was ook de Rijksdienst voor het Nationale Plan vertegen-woordigd.Op Dinsdag 1 Augustus 1950 hield de chef van het Bureauvoor Agrarische Zaken van de Rijksdienst voor het congreseen inleiding getiteld: ,,Topological inertia and Soil Science"(topologische traagheid en bodemkunde).Op de tentoonstelling van het congres was door de Rijks-dienst een stand ingericht.Brochure ..Ruimtelijke ordening in Nederland"Ter gelegenheid van het door de ,,International Federationfor Housing and Town Planning" georganiseerde 20ste in-ternationale congres, gehouden te Amsterdam van 29 Augus-tus 1950 tot 2 September 1950 werd door de Regeringsvoor-lichtingsdienst een Engelse brochure uitgegeven, getiteld:,,Physical Planning in the Netherlands" (ruimtelijke ordeningin Nederland), samengesteld door de Rijksdienst voor hetNationale Plan en de Persdienst van het Ministerie vanWederopbouw en Volkshuisvesting.Deze publicatie geeft een algemeen overzicht van de pro-blemen, welke met betrekking tot de ruimtelijke ordening inNederland de aandacht vragen, van de organisatie van hetplanologisch werk in Nederland en van de huidige standder werkzaamheden. Een en ander wordt verduidelijkt dooreen aantal cartogrammen en grafieken.Binnenkort zal ook een Nederlandse, Franse en Duitse tekstvan deze brochure verschijnen.Resume van het plan in hoofdzaak van Oslo,1950')InleidingHet plan in hoofdzaak voor Oslo 1950 vormt een onderdeelvan het plan voor Groot-Oslo, daterend van 1934, dat eenplan was voor de stad en de twee aangrenzende districtenAker en Baerum. Oslo-Aker werd in 1948 tot een geheel.Het plan voor het nieuwe Oslo bestrijkt een gebied van on-geveer 178 vierkante mijl. Het is gebaseerd op een maximalebevolkingsgrootte van 700.000, bepaald door een gebied vanongeveer 55 vierkante mijl, dat geschikt is voor uitbreiding^) Dit artikel bevat de vertaling van een in het Engels gestelde samen- i nnvatting van de inhoud van de publicati^ Generalplan for Oslo 1950. iKjyFmmjnnsiiAnoAfb. 1. Kaart van Oslo in 1858.van de stad. Wanneer in de toekomst een groter aantalmensen naar de hoofdstad zou trekken, zullen zij zich moetenvestigen in de omliggende gemeenten; wanneer voor dezegemeenten eveneens een omvattend plan zou bestaan, is demogelijkheid aanwezig, dat de uitbreiding onder controleplaats vindt.Binnen het regionale gebied zal niet alleen ruimte gevondenmoeten worden voor huisvesting en Industrie, ook dient aan-dacht besteed te worden aan de afstand tussen woning enwerk. Tevens zullen de verschillende lokale plannen eengeheel moeten vormen met een regionaal plan. Vijftien platte-landsgemeenten en de centrale gemeente, Oslo, zijn nu totovereenstemming gekomen ter opstelling van een dergelijkplan. Oslo zelf beslaat zulk een uitgestrekt gebied en heeftzo een grote bevolking, dat een plan in hoofdzaak voor dezestad ook moet voorzien in lokale centra buiten bet eigenlijkestadsgebied. In deze lokale centra zal, behalve voor tech-nische diensten en sociale instellingen, ook ruimte moetenzijn voor winkels, werkplaatsen en fabrieken.De hoofdstad met haar verkeerslijnen, uitgestrekte recreatie-ruimten, stadscentrum en grotepublieke instellingen, heeft eenverzorgende functie voor eenuitgestrekt gebied. Het isniet door gemeentegrenzen be-paald, waar het plan voorOslo eindigt en het regionaleplan begint. Het aan de stadgrenzende deel van het regio-nale gebied bevat een dertigtalplattelandsdistricten, en hettotale regionale gebied om-vat tegenwoordig het geheleZuid-Oosten van Noorwe-gen, met een bevolking vanmeer dan een millioen men-sen,De samenwerking tussen Osloen de dichtstbij gelegen 15districten vormt slechts eenbegin, maar een zeer belang-rijk begin.Natuurlijke omstandighedenin de stadHet uitbreidingsgebied als ge-heel beslaat een derde deel vande totale oppervlakte van destad. Twee derde wordt ge-vormd door recreatie- en wa-terwinningsgebied, en bestaatuit heuvels, wouden, grasland,heide, meren, eilanden enfjordkust. Het bebouwde ge-bied breidt zich steeds meeruit over de landbouwgrond,die grotendeels een onderlaagbezit van klei en zand, Hieren daar komt de rots aan deoppervlakte, lopende in kam-men in vrijwel Noord-Zuide-lijke richting. De diepte totdeze rotsbodem is zeer onge-lijk en funderingen kunnenzeer kostbaar zijn.De binnen-Oslofjord heeftkoude winters en warme zo-mers. De heersende windkomt *s zomers uit het Zuiden,'s winters uit het Noord-Oosten, maar is nooit zeersterk en brengt een aanzien-lijke hoeveelheid neerslag met zich mede. De stad is om-geven door landbouwgebied, bergen en uitgestrekte bos-sen en verscheidene kleine industriestadjes. In het Westcnis het landschap liefelijk, met een archipel van kleine be-groeide eilandjes, terwijl het vasteland terrasgewijze afdaaltnaar de fjord. Hier zijn talrijke badplaatsen gelegen. Als eenbarriere naar het Noorden liggen de oude vulkanische for-maties, rotsachtige, steile heuvels met plateaux, begroeid metnaaldbossen.De centraal gelegen haven wordt beschermd door een aantaleilanden, waarvan sommige bestemd zijn als woongebied,andere als park, en sommige gereserveerd zijn voor de havenzelve.De Oostzijde van de binnenfjord heeft een steile kustlijn enweinig eilanden. De bodem bestaat uit vast gesteente, bedektmet een dunne oppervlaktelaag en naaldbossen, behalve in devele kleine, maar langgerekte dalen, waarin grasland is, endie naar het Zuiden lopen. Deze dalen vormen een aardiguitbreidingsgebied, speciaal voor huisvestingsdoeleinden.Het verschil tussen hoog- en laagwater in de fjord bedraagtnooit meer dan twee voet, hetgeen van groot voordeel is voorde scheepvaart en de zeil- en zwemsport. De kust wordt 's zo-mers veel gebruikt voor deze sporten, de bergen en bossen's winters om te skien en voor het maken van tochten invoor- en najaar. Op een mooie Zondag kan het voorkomendat 100.000 mensen de stad verlaten per openbare verkeers-gekgenheid, terwijl andere lopen, fietsen of per auto er opuit trekken.GeschiedenisOslo is een oude marktplaats uit de tijd der Vikings, naarmen zegt in 1050 gesticht als stad door koning Harold Hard-rade (gesneuveld in de slag bij Stamford in Engeland, in1066). Deze bouwde een paleis en verschillende kerken aaneen zijde van het gebied, terwijl de residentie van de aarts-bisschop en andere kerken en kloosters aan de andere zijdewerden opgericht. Zeer weinig sporen zijn overgebleven vandeze middeleeuwse stad, daar zij herhaalde malen werd ge-plunderd in burgeroorlogen tussen de verschillende troon-pretendenten. Het Ruin Park in het Oostelijk gedeelte vanhet centrum vertoont echter nog fundamenten van enige oudegebouwen.in 1624 werd Oslo totaal door brand verwoest. ChristiaanIV, koning van Denemarken en Noorwegen, besloot de stadop een andere plaats te herbouwen, achter de muren vanhet kastee! Akerhus, dat gebouwd is op een schiereiland tenWesten van de haven, op vaste rotsbodem. De barokstadwerd Christiania genoemd. Zij werd aangelegd naar hetvoorbeeld van den'Haag, met rechthoekig stratenplan enfortificaties. Dit stratenplan is heden nog onveranderdbewaard gebleven, en sommige oude koopmanshuizen enopenbare gebouwen zijn blijven bestaan; de meeste zijn echterafgebroken, hoewel vele eerst na 1900, om ruimte te makenvoor moderne zakenpanden. Sinds het einde van de 17e eeuwbreidde de stad zich uit met krotten-voorsteden, die een vooreen bij de stad werden ingelijfd.In de jaren na 1830 werd door de architect Linstow de KarlJohanstraat aangelegd in neo-klassieke stijl als een wig naarhet paleis, dat in een groot park in het Westen was gelegen.Ten Noorden van deze straat werden de universiteit en an-dere gebouwen opgericht, en ten Zuiden strekt zich een parkuit, de z.g. Studententuin, lopende tot het Parlementsgebouw(Storting) in het hart van het zakenkwartier.Met de komst van het spoorwegverkeer, de uitbreiding vande haven en de zware Industrie begon de ongunstige periodevoor de stedebouw. De grijze, vier-verdiepingen hoge huizen-rijen in smalle straten, die men in vele delen van de stad kanzien, dateren uit dit tijdvak.Na 1900 werd door spoorwegverbinding met de voorstedenen het motorverkeer een omvangrijke emigratie naar hetplatteland mogelijk. De tuinstadbeweging had onder meertot resultaat, dat de oude landgoederen opgedeeld werdentot kavels voor eengezinshuizen voor de middenstand.In 1920 werden door het gemeentebestuur grote woning-bouwprogramma's opgesteld en verscheidene projecten tenuitvoer gebracht. De tuin-voorstad Ulleval, gelegen in hetNoord Westen, is zeer de moeite van het bekijken waard.Voorts het gebied van Torshov in het Noorden, en de kleinetuin-voorstad Lille-Toyen in het Oosten.Gedurende de jaren na 1930 is door cooperatieve woning-bouwverenigingen en particulier initiatief een begin gemaaktmet bouw op grote schaal van flatwoningen buiten het cen-trum van de stad. Enige goede voorbeelden hiervan zijnHjortnes in het Zuid Westen en Ila in het Noorden. In hetcentrum zelf werd het gebied om het stadhuis herbouwd,tevens een gedeelte aan de binnenste cirkelweg, de HendrikIbsenstraat (met omgeving),In het tijdvak tusen de beide wereldoorlogen heeft belangrijkefabrieksbouw plaats gehad in het Oosten. Na 1945 zijn wo-ningbouwprojecten op aanzienlijke schaal tot stand gekomenaan de rand van de stad. De volgende complexen zijn zeer deArtikelenAfb. 2. Schema van de decentr,alisaftie van de stedelijke functiesmoeite van een bezoek waard: Hovseter en Husby in hetWesten, Sogn en Korsvoll in het Noorden, Keyserlokka enEtterstad in het Oosten, en Lille Ekeberg in het ZuidWesten.Hoe groot zal de stad warden?Dit probleem is er een van regionale omvang. Ver-schillende berekeningen zijn voor Oslo gemaakt. Een dingstaat vast: binnen de gemeentegrenzen zullen niet meer dan700.000 mensen zich mogen vestigen, gebaseerd op een ge-middelde dichtheid van 20 inwoners per acre in het geheleuitbreidingsgebied.In de woongebieden zullen lokale sociale en handelscentrakomen, naar een scala van district, wijk-met-volksschool,wooneenheid en woninggroep. Een theoretisch diagram hier-over is afgedrukt (afb. 2). Natuurlijk aangepast aan de topo-grafie kunnen buitendistrictscentra opgericht worden voorwoonwijken met drie lagere scholen, hetgeen een bevolkingvan ongeveer 25.000 betekent. Wooneenheden kunnen wisse-len in grootte, maar mogen niet meer dan 1000--1500 per-sonen omvatten en zullen eigen centra voor de dagelijkse be-hoeften moeten bezitten. In de buurt van de districtscentramoet ruimte zijn voor werkplaatsen en enige kleine fabrieken.Waar voorwaarden voor transport en diensten en de plaatse-lijke gesteldheid gunstig samenvallen, zijn iets grotere dis-trictszones gereserveerd. De voornaamste industriezone islangs de Oostelijke spoorweg geprojecteerd, vanaf de haven,en zal zich uitstrekken tot ver in het Oosten. Aan weerszijdenvan dit industriegebied zijn weer woongebieden geprojecteerd,met een oppervlakte vijf maal zo groot als de industriezone,waar niet alleen industriearbeiders gehuisvest zullen worden,zodat de lokale gemeenschap een samengestelde bevolkingheeft.De bevolkingstendenzen in de verschillende lokale gebiedenzijn geanalyseerd, varierend naar leeftijd, geslacht en gezins- 111Artikelen112Afb. 3. Ontwerp voor een algemeen plan voor Oslo met plaatselijke centragrootte, ambacht en beroep, woningstandaard en woondicht-baid. Men beoogt hierdoor wijken te projecteren, homogeennaar inkomen en beroep, en zelfs naar gezinsgrootte en leef-tijd. Het nieuwe plan veronderstelt een variatie van bevol-king rondom ieder districtscentrum, en tevens binnen dewijken-met-volksschool.Dit kan worden gerealiseerd, wanneer door de Volkshuis-vestingsautoriteiten verschillende woningtypen in de verschil-lende gebieden worden ontworpen.ParkenHet parksysteem is gebaseerd op karakteristieke puntendie in het landschap van Oslo bestaan. Enige grote gebieden,die zelfs in de buurt van het centrum ongebouwd zijn geble-ven en verschillende riviertjes met hun mondingsgebied,vormen de voornaamste gedeelten van een netwerk vangroenstroken, die het ontwikkelingsgebied in natuurlijke dis-tricten verdelen. Voornamelijk door de grotere groenstrokenlopen de ,,tourwegen" (turveier) -- skipaden in de winter,voetpaden in de zomer '- die van oudsher verbindingen vor-men van het centrum naar het bosgebied of het strand vande fjord. Tienduizenden beginnen hun skitocht naar de bossenop deze paden, op een mooie winterzondag.Andere kaarten geven het verkeersnet aan, het voornaamsterioleringssysteem, de zuive-ringsinstallaties bij het haven-bekken en de fjord, en de wa-tertoevoerbuizen met hun uit-gestrekt waterwinningsgebiedrond de meren en rivieren.Hierdoor wordt Oslo voorzienvan heerlijk zacht fris drink-water. Tegelijkertijd wordt hetgebruik der meren en rivierenbeperkt tot kamperen, zwem-men, vissen enz.Het centrumHet plan in hoofdzaak, dathier besproken wordt, houdtzich niet bezig met de proble-men binnen het eigenlijke cen-trum. Slechts het hoofdwegen-net wordt getoond. Detailplan-nen voor de binnenstad be-staan wel; het is echter meereen kwestie van verbeteringdan van het opstellen vannieuwe plannen. Een aanzien-lijke taak ligt hier voor de ge-meente: ontwikkeling van hetomvangrijke straten- en we-gennet en een voldoend stads-spoorwegnet, welke zich vanuit het centrum vertakken.Voorzien zal moeten wordenin nieuwe rioolbuizen, tunnelsen buizen voor de drinkwa-tervoorziening. Verschillendeverontreinigde rivieren en hunmondingsgebied moeten ont-smet worden. Saneringsplan-nen voor de omgeving van hetnieuwe Centraalstation, eenplan voor het gebied van hetkort geleden voltooide stad-huis in het Westen, en plan-nen voor verscheidene verval-len woongebieden zullen wel-dra gerealiseerd moeten wor-den. Om de problemen, diesamenhangen met de ontwik-keling van de nieuw-verworven grote landgoederen van degemeente aan de rand van de stad op te lossen, is een coor-dinatie-commissie ingesteld. Een oplossing zou kunnen zijn,de installing van een speciaal lichaam voor de problemenvan verbetering van het centrale gebied.Nieuwe erkende instellingen? ')door S. J. MookDe Staatscommissie-Van den Bergh stelt in haar rapport demogelijkheid open om naast de groep van erkende woning-bouwverenigingen een nieuwe groep van erkende instellingenin het leven te roepen onder het predicaat ,,mede werkzaamin het belang van de volkshuisvesting".Aan de beide groepen gezamenlijk wordt dan een domine-^) De redactie heeft het door de Staatscommissie-Van den Bergh aan-vaarde denkbeeld van erkende particuliere woningbedrijven voorgelegdaan een vertegenwoordiger van het particulier woningbeheer en aaniemand uit de kring van de woningbouwverenigingen. Aangezien totnutoeuit laatstbedoelde kring nog niemand bereid is gevonden een korte be-schouwing over dit onderwerp te leveren, moet voorlopig worden vo!-staan met de publicatie van het antwoord van de Heer Mook als woord-voerder van het particuliere bedrijf.Bij de PROVINCIALE PLANOLOGISCHE DIENST IN LIMBURGkan worden aangesteld eenINGENIEUR (B.I. of C.I.)Salarisgrenzen f 4.560,-- en f 8.640,- (+ 50/o).Het aanvangssalaris zal afhankelijk gesteld worden van v66rpraktijk.Gegadigden, weike over stedebouwkundige ervaring beschikken, kun-nen binnen 14 dagen na het verschijnen van dit blad hun sollicitatierichten aan de Direc eur, Postbus 4 te Maastricht.GEMEENTE ALKMAAR.Bij de Dienst van Openbare Werken kan in de rang vantechniscii hoofdambtenaar worden geplaatst eenSTEDEBOUWKUNDIGEJaarwedde f 5040.-- tot f 6000.-- (6 eenjaarlijkse verhogin-gen van f 160.--), exclusief de 5% tijdelijke bijslag. Kinder-bijslag overeenkomstig de voor het Rijkspersoneel geldenderegeling.Het Verplaatsingskostenbesluit is van toepassing.Vereist is ervaring op stedebouwkundig gebied.SoUicitaties met uitvoerige inlichtingen te zenden aan deDirecteur van Openbare Werken, Keetgracht 1--3, Alkmaar,binnen 10 dagen na het verschijnen van dit blad.Persoonlijk bezoek alleen na oproeping.CORotterdam zNijverheidstr. 53(?Moon 72507bouwwerkenALLEBETONARTIKELENVOORRIOLERING, WEG-EN WATERBOUWFabrieken ie Krimpen a. d. IJssel, Meppel en GoesRuhhol A'ZGeeft binnen zowel als buiten eenmooie en duurzame bescherming.Rubbol A-Z is nieuw genoeg omhet beste te zijn en oud genoegom in de practijk zijn geschiktheidvoor de moeilijkste toepassingen tehebben bewezen!^ Vraagt het nummer,,Bescherming" en debrochure Rubbol A-Z?5IKKEN5LAKFABRIEKENS A S S E N H E I MEen vacatureop het gebied van volkshuisvestingen stedebouw ?De juiste manop de juiste plaats krijgt U als Uwoproep voorkomt in hetTijdschrift voorVolkshuisvesting en Stedebouw,het maandblad dat reeds mcer dan30 jaar onder de ogen komt van zogoed als alien, die op dit gebiedwerkzaam zijn!ADVERTENTIE-AFDELING sKeizcrsgracht 188, Amsterdam, C.Telefoon: 49128 en 43254?-^?^1i|!;|'^lf^ 1 DeDaU-GASOJAR(gasradiator)heeft geen schoorsteenafvoerMet lagere kosten, fraaiere gebouwenBi) toepassing van DRU-GASOJAR-verwarming heeft de architect hec specialevoordeel dat geen ontsierende en kostbare schoorstenen, ketelhuizen e. d.de fraaie lijnen van zijn bouwwerken verstoren. Doordat de DRU-GASOJARgeen schoorsteen-afvoer heeft, kan hij onder het raam geplaatst worden;de ideale plaats voor elk verwarmingstoestel. De DRU-GASOJAR verenigtde gemakkeu van de gasverwarming met de voordden der centrale verwarming.Goedgekeurd door de Gasstichting, ook voor vuurgevaarlijke ruimten (metspeciale aansteekinrichting).Vraagt een technische brochure ofnadm inluhtingm hij de Gastechnische Dienst vanRlEPENBROCK & IVEIGERS NY ULFTIJZERGIETERI], FABRIEK VOOR KEUKEN EMAIUE, BADKUIPEN, DRUSANS. HAARDEN EN GASRADIATOREN ? OPGERICHT 1761Ui D RU"Draaideuren? Harmonicawanden? Geluiddempendeschuifwanden? Schuifdeuren omde hoek? Telefooncellen? BetimmeringenR.CRUYFFENZOONFokke Simonszstraat 62-68AMSTERDAM - Telefoon 32051DOOR EEN ADVERTENTIEIN DIT TIJDSCHRIFTverwerft Uw zaak in ge-heel Nederland bekendheidbij:Architecten,Ingenietirsbureaux,Woningbouwverenigingen,Gemeentebesturen,Gemeentelijke diensten vanOpenbare Werken,Bureaux v. Bouw- en Wo-ningtoezicht e.d.Provinciale Besturen,Provinciale Streekplannen-diensten, enz. enz..... omdat dit onovertroKen albijtmiddel na eenkeer instrijken bijna alle verf en vernislagenverwijdert. VELA BYT lost de verflagen veelsterker op, ook cellulose- en synthetische lakken.N'awassen absoluut onnodig, naverwijdering van de verf is het houlvolkomen droog. VELABYT is on-schadelijk voor handen en kwasien.Fa. H. DRENTH & Co. ? GRONINGENTELEFOON 25828-K 5900Afb. 4. Plan voor het groen-systeemrende rol toegedacht bij de toekomstige woningvoorziening.Zo zullen zij o.a. voorrang verkrijgen boven bouw van ge-meentewege. Of deze voorrang zich ook zal uitstrekken tegen-over particuliere bouw blijft in het rapport onbeantwoord,maar als wij lezen, dat de gemeenten eerst dan aanvullendzullen optreden, indien aannemelijk is dat ,,beide groepen"onvoldoende in ,,de woningbehoefte" voorzien, dan is datmischien een aanwijzing in welke richting de gedachten zichbewogen. Wij kunnen dit echter thans in het midden laten enbeperken ons tot een nadere beschouwing over de nieuwegroep erkende instellingen.Het predicaat, waaronder zij werken, ,,mede werkzaam inhet belang van de volkshuisvesting", is zo algemeen, datvrijwel iedereen, die zich op het terrein van de volkshuis-vesting beweegt, daarvoor in aanmerking zou dienen te ko-men. Toch is dat niet het geval. Slechts dan kan een erken-ning worden verkregen als zodanig werkzaam te zijn, indiengestreefd wordt naar een beperkte winst, waarbij de rechts-vorm een N.V. of cooperatieve vereniging moet zijn. Natuur-lijke personen zijn uitgesloten.Aan dit streven naar beperkte winst hecht de commissie zo-veel waarde, dat zij in feite hierop heeft gebaseerd het onder-scheid tussen deze instellingen met de bouwverenigingenAfb. 5. Nieuwe bebouwing in Oslorenerzijds, die geen winst en de particulieren andererzijds, diehoge winsten zouden nastreven.Wat is nu een beperkte winst? Daaronder schijnen wij kortsamengevat te moeten verstaan: het maken van een matig,doch verzekerd langdurig rendement, Om te beginnen zienwij hier geen verschil met de bouwverenigingen. Ook dezestreven er naar om. uit de huren te dekken: de onkosten, deafschrijving en een matige rente van de stichtingskosten.En het verschil met de particulieren? Door de commissiewordt wel gesteld, dat deze naar hoge winst streven, maarhet merkwaardige is, dat door een scherpe concurrentie indeze sector, de exploitatie van onroerend goed in Nederland,in het algemeen genomen, tegen een matige rente pleegt te ge-schieden, maar aUerminst verzekerd mag heten. Werd niettengevolge ener voortdurende daling der bouwkosten meerdan een milliard gulden verloren op het onroerend goed,gebouwd tussen de beide wereldoorlogen?En wat kwam er onder die omstandigheden terecht van eenmatig, doch verzekerd langdurig rendement van de stichtings-kosten? Zowel particulieren als woningbouwverenigingenwerden hierbij gelijkelijk getroffen. Het streven naar eenhoge, beperkte of geen winst zegt niets; waar het op aankomt is, door wie het uiteindelijk risico wordt gedragen. Ofde nieuwe erkende instellingen alle risico's zouden moetenaanvaarden weten wij niet, maar wel weten wij, dat bij eenbeperkte winst een beperkt risico past. Het omgekeerde zouonverantwoord zijn.De vrees lijkt ons daarom gerechtvaardigd, dat risico's voorde gemeenschap niet uitgesloten zullen zijn. Dit maakt danweer nauwgezette controle van de Overheid noodzakelijknaar vastgestelde normen als b.v. bij de woningbouwver-enigingen.Indien de gemeenschap echter geen enkel risico behoeft teaanvaarden en de instelling dus een zuiver particuliere zouzijn, dan zal controle of inmenging in het beleid der instellingvan de zijde der Overheid niet licht worden aanvaard, tenzijdaar voordelen van betekenis tegenover worden gesteld. Dezeworden dan ook inderdaad geboden in de vorm van financieleen andere faciliteiten door de Overheid, waarvan de niet er-kenden zijn uitgesloten.Financiele steun onder abnormale omstandigheden aan dezelaatsten verleend, kan de bevoorrechting onder normaleomstandigheden niet opheffen. Een bevoorrechting, die totgevolg kan hebben, dat de bekwaamsten achterop raken engezonde initiatieven niet tot ontplooiing kunnen komen.Een particuliere instelling, die haar kracht meent te moetenzoeken in bevoorrechting, kan niet sterk staan. Het is eeninstelling, die de vrije concurrentie onder gelijke voorwaardenniet aandurft en zonder bescherming van de Overheid waar-schijnlijk gedoemd zou zijn om te verdwijnen.Op zijn minst genomen schept men nieuwe controversen ennieuwe te verwachten strijd in de toekomst.Onze conclusie is, dat er slechts twee mogelijkheden zijn, t.w.le. de gemeenschap draagt risico en dan achten wij hetnoodzakelijk dat .erkenning en werkwijze van de nieuweinstellingen volledig wordt aangepast aan die der bouw-verenigingen, desnoods met de onderscheiding van ge-deeltelijke zelffinanciering;2e. de gemeenschap draagt geen enkel risico, waarmede deinstelling een particulier karakter zou verkrijgen, maardan is er geen plaats voor bevoorrechting van de eenboven de ander.Tot slot nog iets over de motieven van sociale aard, die medegewicht in de schaal kunnen hebben gelegd.Mochten deze dan al in het begin van deze eeuw, toen deWoningwet nog tot stand moest komen, grote gelding heb-ben gehad, thans, nu de stedebouwkundige verzorging ge-schiedt door de Overheid en alien bouwen onder dezelfdebouw- en bebouwingsvoorschriften, terwijl dezelfde --straks wellicht officieel erkende --' architecten zijn inge-schakeld, is de grond aan de destijds gebezigde argumentenvrijwel ontnomen. Zonder bezwaar werden b.v. te RotterdamArtikelen113Artikelen plannen voor woningwetwoningen uitgevoerd door par-liculieren en omgekeerd.Particulieren en bouwverenigingen kampen thans met dc-zelfde exploitatie-moeilijkheden. Niet ontkend kan worden,dat ten aanzien van beheer en exploitatie van woningen doorparticulieren een ontwikkeling in gang is, die aangepast isaan moderne opvattingen en begrippen.De verschillen, juist in de sociale sfeer, zijn niet meer zogroot als vaak wordt aangenomen. Over de geleidelijke ver-mindering der tegenstellingen, die hieruit moeten voort-vloeien, kunnen wij ons slechts verheugen. Ze is in het belangonzer volkshuisvesting, terwijl samenwcrking in de plaats kantreden van onderlinge strijd.Het is mede daarom, dat wij er heel erg voor moeten oppas-sen, dat wij met nieuwe erkende instellingen niet tegelijknieuwe tegenstellingen in het leven roepen.Het internationale congres te AmsterdamEindelijk na ruim 25 jaar is de Internationale Federatie weermet haar congres in Nederland verschenen, evenals de vorigekeer in de Amsterdamse universiteit. De tijd is nog niet ge-komen om zelfs maar een voorlopig oordeel over het congresonder woorden te brengen. Daarvoor zijn de indrukken nogte vers; het verhandelde in de grote vergaderingen en destudiegroepen staat nog niet op schrift; de grote lijnen spre-. ken nog niet te midden van de vele kleine herinneringen ende ervaringen van de deelnemers, met name van de vreem-delingen, zijn nog maar in bescheiden aantal tot ons door-gedrongen.Wij zullen dus geen overzicht en nog minder een eindcon-clusie geven. In het volgend nummer hopen wij trouwens ophet congres terug te komen. Maar reeds nu willen wij uit hetgeheel van indrukken twee feiten naar voren brengen.In de eerste plaats da.t van de samenkomst van verscheidenehonderden in hoofdzaak gelijkgezinde en met dezelfde vraag-stukken worstelende vakgenoten een ongewoon stimulerendewerking uitgaat. De geisoleerde voorpost ziet zich weer op-genomen in het geheel van het leger. Degene die gebuktgaat onder moeilijkheden van wetgeving en organisatie, on-der tegenstand van partijpolitiek en openbare mening ineigen land, hoort een boekje opengaan van groter moeilijk-heden bij anderen en schaamt zich over eigen twijfel. Denk-beelden over eigen prestaties, gevoelens van trots en be-scheidenheid, worden tot hun ware verhoudingen terug-gebracht. Er is een week lang een grote beurs gehouden vanervaringen, ideeen en plannen, die nog lang zal nawerken.In de tW'eede plaats hebben wij dit alles nu in eigen landgehad. Vijf jaar na de bevrijding heeft Nederland de standvan zijn wederopbouw onder het oog van 500 buitenlandsespecialisten kunnen brengen. In de komende maanden zullenwij vermoedelijk nog veel over hun indrukken horen. Ver-scheidene vooraanstaande deelnemers hadden opdracht inhun vakbladen over Nederland te schrijven. Wij weten tegoed dat een vluchtig bezoek, al wordt het ondersteund doordeskundige voorlichting, mondeling en in geschrifte, niet toteen afdoend oordeel kan leiden, maar toch heeft de karak-teristiek van onze Nederlandse verhoudingen door de bui-tenlander van gezag grote waarde. Er wordt ons een spiegelvoorgehouden, waarin wij onszelf misschien niet altijd her-kennen, maar die zeker een deel van de waarheid weergeeft.Het spreekt van zelf dat voorlopige oordeelvellingen vanbuitenlanders al voortdurend tijdens het congres hebben ge-klonken. Het is niet altijd makkelijk daarin tussen de beleefd-heid van de gast en de objectieve mening van de criticuste onderscheiden. Wij voelen ons in onze nationale trotsgesterkt, doordat de lof het verre won van de critiek.Intussen wachten wij niet met voile gerustheid af wat wij ver-der te horen zullen krijgen. Wij weten te goed dat wij naarJ 14 woningpeil en aanleg van de woonwijken nie vooraan staan, alblijft de omvang van onze na-oorlogse woningbouw op zich-zelf een voortreffelijke prestatie.Het congres is voorbij. De nawerking van het congres beginten zal zich in de eerstkomende maanden voortzetten.H. V. d. W.Actieve recreatie in de openlucht, onder meerin verband met het Haagse Structuurplandoor Ir J. E. WillemsenHet artikel van de heer H. Cleyndert Azn in dit Tijdschrift(No. 11 van November 1949) geeft mij aanleiding een aan-tal opmerkingen over het beschouwde onderwerp te maken.Hoewel deze opmerkingen afkomstig zijn van de opstellervan de gepubliceerde normen voor recreatieterreinen voorDen Haag i) dient het hiernavolgende gezien te worden alseen persoonlijke mening, die niet kan worden beschouwd alseen officieel gemeentelijk Haags standpunt.Zonder te willen vervallen in de (goede?) gewoonte omcritiek te doen voorafgaan door goedmoedige waardering,moge ik toch beginnen een algemeen punt in het betoog vande heer Cleyndert volledig te ondersteunen. Het moet n.l,erkend worden, dat een groot deel van de stedelijke groen-voorziening te weinig gelegenheid biedt voor actieve recreatie.De parken zijn veelal paden met ,,kijkgroen" en vele verbods-bepalingen, aangepast aan de tijd, dat het gezin netjes uitge-dost ging ,,wandelen". Aan de behoefte der jongeren omeens op een grasveld te kunnen ravotten of van de ouderenom eens ergens in het bos '-- doch niet op een bank -- zichneer te vleien, wordt vaak in zeer geringe mate tegemoetgekomen.We spreken hier nog niet over speciale sportterreinen, dochover de terreinen, waar de jeugd zich' eens kan ,,uitdraven".Ook is veelal de parkaanleg te mooi, daar de op vrije midda-gen uitzwermende schooljeugd enigszins ,,ruige" terreinenzoekt voor haar wilde spelen. Het is in dit opzicht tekenenddat vele tijdens de oorlog kaalgeslagen en nu (voorlopig) wildbcgroeide terreinen grote aantallen jongeren tot zich trekkenom daar te spelen. Het is dus inderdaad alleszins de overwe-ging waard, de in de toekomst aan te leggen parken en bos-sen een zodanig vrije indeling te geven, dat zij niet slechtsgelegenheid bieden tot wandelen, doch evenzeer voor act'everecreatie, speciaal voor de jongeren.Indien wij echter voor de beslissing staan, de wensen op hetgebied der recreatie vast te leggen in normen (m^/inw.),komt de vraag naar voren, of deze wensen volledig zullenkunnen worden vervuld.De stedebouwer, die voortdurend alle belangen tegen elkaarmoet afwegen, ervaart al spoedig, dat het uitgesloten is, iedervoor 100% te bevredigen.Het zal ook ten aanzien van de recreatie niet mogelijk zijn,alles te geven, wat we nu graag ter beschikking zouden willenhebben. Vooral wanneer het terreinen betreft, die gedurendede weinige zomerse dagen de ,,grote uittocht" der stadsbevol-king op moeten vangen, zal het onvermijdelijk zijn, dat dezevaak ,,overvol" zijn. Tot deze conclusie kwam ook een recentestudie van de Provinciale Stedebouwkundige Dienst vanZuid Holland voor de dagcreatie buiten het stedelijk ge-bied. Hoeveel te meer zal dat niet gelden voor het stedelijkgebied.Voor het totale recreatieterrein geven verschillende studieseen vrij grote overeenstemming te zien. Vrijwel steeds komtmen voor de grotere steden tot een norm van de orde vangrootte van ? 30 m2/inw. Ook de heer Cleyndert erkent,dat het met het oog op andere belangen niet toelaatbaar is.*) ,,Enige Grondslagen voor de Stedebouwkundige Ontwikkeling van's-Gravenhage". Uitgave Gemeentebestuur 1948.deze norm te vergroten. Hierbij zij nog opgemerkt, dat naasthet streven om in nieuwc stadswijken een ruimere aanleg metmeer green dan in oude wijken te verwezenlijken, de .drukwordt gevoeld van tal van instanties tot beperking van hetgrondgebruik. Hierbij wordt dikwijls het toverwoord ,,hoog-bouw" gehanteerd. Het is echter voor stedebouwkundigengeen geheim, dat hoogbouw geenszins een middel is tot ver-hoging van de bebouwingsdichtheid ad libitum, terwijl hetgrondgebruik voor stedehjke doeleinden slechts in beperktemate bepaald wordt door de woningbouw.Na deze opmerkingcn -- min of meer terzijde -- komen wedus tot de vraag, of de suggesties in het artikel van de heerCleyndert, om te komen tot een hoger aandeel van de actieverecreatie in de totale groenvoorziening te verwezenhjken zijn.Ten aanzien van de parken en bossen zijn er zeker mogehjk-heden om een groter areaal voor actief gebruik te verkrij-qen. Dit laat zich echter moeihjk in een norm vastleggen. Ikkan mij voorstellen, dat bij een werkehjk geslaagde aanleg detoch altijd enigszins gekunstelde onderverdeling actief-passiefmoeilijk is aan te geven.Het lijkt echter niet waarschijnlijk, dat een zo groot aandeelvoor actieve recreatie als de normen voor het Greater LondonPlan of van de heer Stapledon aangeven, hier te verwezen-lijken is; nog daargelaten of zulks met de behoefte zou over-ecnstemm^en.We zullen deze normen zeker niet klakkeloos over kunnennemen -- dit wordt overigens ook niet in het artikel van deheer Cleyndert betoogd. Wijzigingen in de normen, die eenaanzienlijke verhoging van de totale groenvoorziening zoudenveroorzaken, zijn, zoals hiervoor werd betoogd -- zeker nietmogelijk, vooral niet in het zeer dicht-bevolkte westen deslands.De onmogelijkheid om de parkvoorziening (passieve re-creatie) tot de orde van grootte van 4-6 m2/inw. teruate brengen ten behoeve van de actieve recreatie, legt hier albeperkingen op aan de norm voor actief groen. Bepalen wijons tot het Haagse Structuurplan, dan is het volkomen dui-delijk, dat bv. het zeer grote Westduinpark nooit op groteschaal voor actieve recreatie zou kunnen worden opengesteld.Evenmin kan worden verwacht, dat de parken van voor-malige buitenplaatsen, waar met veel zorg en moeite oudeboombeplanting is gespaard, worden omgetoverd in speel-velden.Naast de wijk- en buurtparken, waarvoor een norm van 3]/im2/inw. is aanvaard, zullen dus aanzienlijke oppervlaktengrotere parken en bos nodig blijven.Verder zal het verschil in volksaard tussen Engela'nd en Ne-derland in rekening moeten worden gebracht bij vergelijkingvan de eisen, die men aan terreinen voor sport en spel stelt.En dan vergete men ook niet, dat de Londense normen zijnopgesteld voor een gebied, waar men een aanzienlijke ver-laging van het inwonertal t.o.v. voor de oorlog beoogt, endat men in Engeland in demografische verhoudingen leeft,die leiden tot zorgelijke rapporten over het verwachte intredenvan de teruggang der bevolking.In Nederland en zeer zeker in de overvolle randstad Hollandhebben we te maken met een voorlopig nog aanzienlijke voort-gang van de bevolkingsgroei.Al deze factoren tellen mee bij de beoordeling van de toerei-kendheid van onze huidige en de ontworpen groenvoorzie-ningen.Betreffende de veldsportterreinen zij vermeld, dat de gemoti-veerde overtuiging bestaat, dat in Den Haag een voldoendevoorziening zou worden bereikt, indien 4^ m^/inw. beschik-baar zou zijn. De normen, die in studies van andere gemeen-ten zijn aangetroffen, bewegen zich ook voor het merendeelop het niveau van rond 5 m2/inw. Deze voorziening kan vrijredelijk worden bepaald, daar de terreinbehoefte wordt aan-gegeven door de regelmatig oefenende of competitie spelendeploegen en hier dus niet die stootsgewijze belasting optreedt,die de terreinen voor minder georganiseerde recreatie ver-werken moeten.Over het al of niet optreden van aanzienlijke verschuivin- Anikekngen in de sportbeoefening kan men uiteraard van mening ver-schillen. Subjectiviteit is hier onvermijdelijk, Waarschijnlijkzal het groter gebruik door scholen nog enige verhogingvan de norm bewerkstelligen. Andererzijds wordt (na een tij-delijke stijging) op grond van de demografische verhoudingenin de toekomst een procentuele verlaging van de jeugdige leef-tijdsgroepen (die voornamelijk de sport-beoefenaren bevat-ten) verwacht, hetgeen dus bij overigens gelijke sportverhou-dingen zal leiden tot een verlaging van de norm. Hieropwees men ook reeds in het Rapport bij het Algemeen Uit-breidingsplan van Amsterdam.In eerste instantie zijn er geen aanwijzingen om voor desportterreinen een belangrijk hogere norm vast te stellen. Ingrote steden zal men zeker niet kunnen ontkomen aan eengecombineerd gebruik van bepaalde sportvelden voor scholenen sportverenigingen.De suggesties voor een toenemende beoefening van golf alsvolkssport (ook al zou het terrein-gebruik wat intensieverzijn dan bij het huidige golfspel) lijken mij in een grote stadin het westen volkomen onuitvoerbaar.De mogelijkheden tot uitbreiding van het areaal voor actieverecreatie, met handhaving voor de totale norm voor groen-voorziening, zullen voornamelijk gezocht moeten worden ineen ruimere toegankelijkheid van de (in grotere mate danvroeger) aan te leggen of uit te sparen open terreinen ingroenstroken en parken. Voor het spel van de kleinste kin-deren wordt in moderne plannen veel gebruik gemaakt vande gemeenschappelijke binnentuinen bij de bouwblokken.Op enkele bizonderheden van het betoog van de heer Cleyn-dert ingaand, zou ik in de eerste plaats willen constateren,dat de critiek op het toepassen van de methode van Wagnerm.i. onjuist is.Natuurlijk zijn de verhoudingen op recreatie-gebied sedert depublicatie van Wagners ,,,Stadtische Frciflachenpolitik" zeersterk gewijzigd. Doch de cijfers, die in het Amsterdamse rap-port zijn berekend (en ten dele voor Den Haag overgeno-men), zijn bepaald uit een analyse van de leeftijdsopbouw eneen schatting van de terreinbehoefte voor elk der personenin een bepaalde leeftijdsgroep. Deze methode -- in de rap-porten van Amsterdam en Den Haag aangehaald als de ,,me-thode Wagner" is uiteraard niet aan een bepaald jaar ge-bonden.Men dient deze methode te hanteren met de verhoudingenvan eigen tijd of met de verwachte verhoudingen van detoekomst.OVerigens zij naar aankiding van deze methode opgemerkt,dat deze door de analyse van de bevolking naar leeftijds-groepen soms een valse illusie van nauwkeurigheid wekt. Desubjectiviteit van het vaststellen van de terrein-behoefte perinwoner voor een bepaald onderdeel der recreatie in de open-lucht blijft hier uiteraard bestaan.In het artikel van de heer Cleyndert wordt verder een plei-dooi gehouden voor de aanleg van openlucht-zwemgelegen-heden.Daarbij wordt gewezen op de strook langs de voet van deduinen. Waarschijnlijk zou een voorstel in deze richting opernstige bezwaren stuiten van de zijde der waterleidingdirec-ties. Bovendien is men het er in de vakkringen -- voorzovermij bekend ^- nog niet over eens of openluchtzwembaden (dieenkele dagen der jaar overvol en bij koel weer veelal zeermatig bezet zijn) uit exploitatie-overwegingen moeten wor-den bevorderd, tenzij ze als het ware ,,voor het grijpen" lig-gen (bijv. een plas met een natuurlijk strandje).De hoofdgedachte, door de heer Cleyndert naar voren ge-bracht, namelijk het bevorderen van een relatief grotere voor-ziening voor actieve recreatie lijkt mij ondanks de verschil-lende naar voren gebrachte bedenkingen aanvaardbaar.Bij de motivering van de wens, dat een speciale commissiedit probleem in studie neemt, wijst de heer Cleyndert spe- 115Artikeic116ciaal op Den Haag en de gegevcns, die aan het Structuurplanen de Haagse Survey zijn ontleend. Hier moge echter wor-den onderstreept, dat juist de normen voor recreatieterreinenvoor een groot deel overeenstemmen met die voor Amster-dam en dat aan de Amsterdamse studie belangrijke gegevenszijn ontleend. Ook andere gemeenten richten zich ten aanzienvan de groenvoorziening op hiermede overeenkomende nor-men.Ket lijkt mij dus het meest voor dc hand Hggend, dat het pro-bleem van de recreatieterreinen landelijk wordt bezien, zowelvoor plattelands- als voor stedelijke gemeenten. Dit past ookbij het betoog van de heer Cleyndert, dat hier een nationaalbelang aan de orde is gestcld. Vandaar, dat ik met hem (enwaarschijnhjk vele anderen) met de grootste belangstellinguit zie naar de resultaten van de studie, waarmede de Rijks-dienst voor het Nationale Plan zich bezig houdt.December 1949Antwoord aan Ir J. E. WillemsenAls antwoord op de door mij 2eer gewaardeerde repliek van de heerWillemsen diene het volgende.De hoofdstrekking van het in mijn artikel gehouden betoog was een plei-dooi om de in de Nederlandse stedebouw thans vrijwel algemeen aange-nomen oppervlakte-novmen voor de actieve en de passieve recreatie aaneen nieuwe studie te onderwerpen, en wel op grond van de volgende feitenen overwegingen:I. het feit van het zeer grote verschil tussen de in de Nederlandse en deEngelse stedebouw, speciaal voor de actieve recreatie geldende normen:a. sport- en speelterreinen Plan Dudok 7 m^/inw. tegen Greater Lon-don Plan 24 mVinw.,b. actieve recreatie-verhouding tot totale groen- en recreatievoorzie-ning; Plan Dudok 25%, Greater London Plan 86%,welk verschil, met in aanmerkingneming van het verschil in de volks-karakters, toch wel z6 frappant groot is, dat een nadere bestuderingvan de voor 6ns noodzakelijk te .cchten normen wenselijk is te achten,terwijl verder de in de op het gebied der actieve recreatie evenzeertoonaangevende Scandinavische landen daarvoor geldende normen bijons nog onvoldoende bekend schijnen te zijn, in ieder geval bij debepaling van onze normen geen rol hebben gespeeld, wat n.m.m. alseen ernstige lacune is te beschouwen en eveneens een nadere studievereist;IL de overweging, dat de thans bij ons voor het heden geldende normen,niet als constante normen, dat betekent niet tevens als de deiinitievetoekomstige normen mogen worden aangenomen, doch dat deze toe-komstige normen hoogstwaarschijnlijk aanmerkelijk hoger zuUen blijkente moeten liggen dan de voor het heden geldende en wel wegens devolgende redenen:a. de nog te verwachten toeneming van de vrije tijd van de arbeiders-bevolking;b. de toeneming van de algemene sportbeoefening, te verwachten alsgevolg van de door de Regering voorgenomen en zeer noodzakelijkeverbetering van de overheidszorg voor de lichamelijke opvoedingvan de jeugd;c. de te verwachten en noodzakelijkerwijs te bevorderen gcotere veel-zijdigheid van onze, thans nog te overwegend op het voetbalspel ge-richte Nederlandse sportbeoefening, natuurlijkerwijs leidende tot debehoefte aan meer sportterreinen. (Ik denk b.v. aan de nog veelmeer bekendheid en drukkere beoefening verdienende, in Frieslandreeds lang zo populaire kaatssport, etc.). In het laatste Driemaande-lijks Bericht betreffende de Zuiderzeewerken lezen wij op bl. 151,dat in 1949 de voetbalspori de enige buitensport was, die in deNoord-Oostpolder werd beoefend.d. de tengevolge van de toeneraende industrialisatie onvermijdelijkesfijging van het percentage der rndusfrie-bevolking op de totale ar-beidersbevolking: waar de actieve openlucht-recreatie voor de in-dustrie-arbeiders (en ook voor het procentsgewijs sterk gestegenambtenarencorps) veel sterker een levensnoodzaak vormt dan voorbv. de agrarische bevolking, brengt de noodzakelijkerwijs toenemen-de industrialisatie ook verhoging van de normen voor de actieverecreatie met zich mee.Vergeten wij daarbij ook niet, dat het Alg. Uitbreidingsplan voor Am-sterdam, welks normen ook voor het Haagse Plan als richtsnoer hebbengediend, thans reeds weer 15 jaar oud is, en dat er sindsdien ontzaglijkveel in de wereld en ook in ons nationale volksbestaan veranderd is.Belangrijk is ook, dat de zeer hoge Engelse norm voor actieve recreatievan de stedelijke bevolking van 24/28 mVinw. is vastgesteld na zeernauwkeurig onderzoek op expetimentele basis door de bekende EngelseNational Playing Fields Association; op welke gronden Engeland tot dithoge cijfer is gekomen, verdient ongetwijfeld onze ernstige aandacht enstudie.Bovendien maakt het door de heer Willemsen naar voren gebrachte feitvan het verschil in demografische verhoudingen tussen Engeland (waarmen op een teruggang van het bevolkingscijfer rekent) en Nederland metzijn verwachte nog aanzienlijke bevolkingsgroei, gepaard aan de reedsgenoemde procentuele stijging van de industrie-bevolking, benevens aanhet bij ons op vrijwel ieder gebied heersende ruimfe-gcbrek, de juiste op-lossing van het vraagstuk van de vrijetijdsbesteding, waarvan de voldoen-de voorziening in de actieve openlucht-recreatie-behoefte een zeer belang-rijk onderdeel vormt, nog veel meer actueel en urgent dan in Engeland enin dun-bevolkte landen als de Scandinavische.Voorts brengt de tengevolge van de in ons land nog altijd voortgaandedaling zowel van het geboorte- als van het sterfte-cijfer steeds toenemen-de procentuele groei van het oudere bevolkingsgedeelte (van zeg bovende 30 jaar), met zich mee de noodzaak om op ruimere schaal ook in hunbehoefte aan actieve openlucht-recreatie te voorzien, wat eveneens tot eenverhoging van de totale normen der actieve recreatie zal moeten leiden.De statistiek leert, dat de bevolkingsgroep van 30 t/m 69-jarigen gestegenis van 1 Jan. 1910 tot 1 Jan. 1950 van 36.3 tot 42.1% der totale bevol-king, terwijl de prognose is, dat op 1 Jan. 1971 deze oudere bevol-kingsgroep totaal 5.367.625 personen zal omvatten, d.i. ongeveer 45% dertotale bevolking.De moeilijkheid om voor deze oudere leeftijdsgroepen, die het actief voet-bal, Rorfbal enz. moeten laten varen, toch nog sporten te vinden, welkezij nog een 30- of 40-tal jaren zuUen kunnen beoefenen, leidt m.i. als hetware van zelf tot de keuze van het golfspel, 66k voor de arbeidersklasse.Er is n.m.m. geen sport, die aan deze behoefte op zulk een ideale wijzezal kunnen voorzien: gespeeld in een landschappelijk goed verzorgde, na-tuurschoonrijke omgeving bevredigt het voor hen op de juiste wijze debehoefte aan beweging in de open lucht; gespeeld immers in een rustigtempo, door groepjes van 2, 3 of 4 personen, ontwikkelt en bestendigthet de vriendschapsbanden; door al deze factoren kan er van golfspel eenbeschavende en een voor lichaam en geest weldadige en heilzame invloeduitgaan; aldus kan het golfspel op ruimere schaal ook door de arbeiders-klasse beoefend, zoals in Engeland, doch vooral in Amerika reeds langhet geval is, ongetwijfeld een grote sociale betekenis verkrijgen.Terwijl er in Nederland nog geen openbare of gemeentelijke golfbanen zijn,bestaan er in Groot-Britannie op de totaal 1520 golflinks 190 openbare,die voor iedereen toegankelijk zijn; in de Un. States is dit aantal ookprocentsgewijze nog veel groter.Ook het bij ons steeds zo dringende ruimteprobleem is daarbij m.i. vol-strekt niet onoplosbaar. Ik suggereerde reeds in mijn artikel de aanlegvan een golf-terrein voor het z.g. verecnvoudigde golf, van zeg 30 ha,waaromheen dan een rondweg wordt aangelegd voor de wandelaars enfiefsers; legt men dan achter die rondweg, die kan worden voorzien vanenkele eenvoudige restaurants in landelijke stijl, een serie van sportvelden,van meer intensief grondgebruik; voetbal, hockey, korfbal, voUeybal, enz.,dan zou men op een terrein van zeg 50 ha (de grootte van een flinkstadspark: Vondelpark bijna 50 ha, Haagse Zuiderpark pl.m, 100 ha),met daarin als landschappelijke middenmoot het 30 ha grote golfterrein,een gecombineerd spori-landschapspark kunnen stichten van zeer intensiefgebruik, dat naar mijn voorlopige mening ook economisch als volkomenverantwoord zal zijn te beschouwen.De bijgaande schetstekening moge, zij het in schematische en speciaal indetails wellicht nog te wijzigen vorm, mijn bedoeling kunnen verduide-lijken.Als toelichting diene nog, dat een voetbal-, een korfbal- en een hockey-terrein gezamenlijk niet meer dan pl.m. 1 j/2 ha in beslag nemen; op eentotaal park van b.v. 50 ha blijft dus, na aftrek van het midden-golfterreinen rondweg van tezamen zeg 35 ha, nog een oppervlakte van ? 15 haover, voldoende voor de eventuele aanleg, behalve van een of twee restau-rants, van een groot aantal andere intensief gebruikte sportvelden.Bij informatie is mij gebleken, dat Het Nederlandse Golf Comite, dat mijde bovengenoemde cijfers over Engeland heeft verschaft, mijn denkbeeldom golf in te schakelen in het kader der toekomstige ontwikkeling derNederlandse sportbeweging en een of meer golfbanen aan te leggen insen complex van speelterreinen voor actieve openluchtrecreatie, benevenshet denkbeeld van de beoefening van het golfspel in de door mij bedoeldeaan Sir Stapledon ontleende verecnvoudigde vorm, ook, evenals in Enge-land en Amerika, door de arbeidersklasse, teneinde een groot aantal mindergesalarieerden uit de werkende stand de gelegenheid te verschaffen vannatuur, sport en spel te genieten, ten zeerste toejuicht.Als sport, geschikt 66k voor de oudere bevolkingsgroepen, moeten wij ookdenken aan de zwemsport: hoe sterk deze zo gezonde en opwekkende, ookvoor de arbeidersklasse en voor alle Iceftijden zo geschikte sport in onsland nog verwaarloosd wordt, bewijst wel het bijna ongelooflijke feit, dater van onze 1015 gemeenten 737 zijn (dus pl.m. ^4), waar nog geen zwem-bad, en 899 (d.i. 90%) waar geen badhuis is!Mijn pleidooi speciaal ook voor de stichting van veel meer openlucht-zwembaden, vooral ook in en bij de grote steden, en dan het liefst in devorm van ,,natuurbaden", grondt zich op het feit,le. dat overdekte zweminrichtingen, ook die met een afschuifbaar dak,vergeleken bij een voUedig openlucht-zwembad, hoe nodig ook voor hetzwemonderricht en voor het zwemmen bij slecht weer, ^ toch, vergelekenbij de volledige openlucht-zwembaden, vooral die met natuurlijke land-schappelijk mooie omgeving, slechts een zeer pover surrogaat vormen, endat wij n.m.m. verplicht zijn aan de grotestads-bevolking daarvoor opruime schaal lets veel beters in de plaats te geven.Wat betreft de exploitatie-mogelijkheid van dergelijke bij de grote stedengelegen natuurbaden, zal juist de fraaie landschappelijke omgeving met dcaanwezigheid van een aantrekkelijk eenvoudig restaurant of thee-schen-kerij m.i. voldoende attractie zijn om een geregeld vrij druk bezoek, ookTEf1Ml'>BAHEnof t1ATUU85ADArtiVeleii1^1^ -^ ?^::;^3Q;^-K:;;^;-I;-;F'#""^1 i1 ? J ! CdOirTt RKEItt + 30 \n.a.OMQEVEn 000 R SPOgTVUDEm 20 ,,,T0T A U t 50 ka.WANDLLWE^E n II U 'J'y
Reacties