VolSte'Orgaan van het Nederlands Instituut voor Vollcshuis-vesting en Stedebouw en van de Nationale Woningraad,waarin opgenomen de mededelingen van de Rijksdienstvoor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan deWederopbouwNovember 1951 32e Jaargang no. 11N.V. Van den Belt 6 Go's Handel Mij.AMSTERDAM - Prinsengracht 852-862 - Tel. 31019-31144Specialiste in:? TRIPLEX? ASBEST- en ASBEST-CEMENT pro-^ ducten--W ? BOUWPLATEN (diverse soortenhout-vezelplaten, stro- en rietvezelplaten)? ACOUSTISCHE materialen, o.a. glas-wol, acoustische tegels/Vochtvcrschijnsclenweg wcrken is duurVocht voorkomenkost slechts weinigLaat ons het U voorrekenen.LANG 6 Co.Chemisch-Technische BouwstoffenindustrieXieuwe Keizersgracht 41-43, AMSTERDAMTelefoon: 54103Wij leveren vooroorlogse kwaliteiten met garantie voorduurzaamheidOok CARBOLINEUMVERFDEKT IN eeN KEER !Leverbaar in 16 kleuren en wit.TEGELHANDElKantoor en toonkamer:Pijnackerstraat 40A'dam (Z.) - Telef. 26986Wand- en vloertegels, schoorsteenmantels,lilliputstenen, raamdorpels, gresmateriaal,vensterbankstenen, enz.T. en S.Fabriek van Turn'en SchoolmeubelenDir. M. J. HilleniusAMSTERDAM -- Bilderdijkpark 17 -- Telef. 85207AtmotaHoutbetonsteen? LIGHT IN GEWICHT? GROOT ISOLATIEVERMOGEN? GEEN BREUK? ONBRANDBAAR? SPUKERBAAR en SCHROEFBAARWendt U voor levering tot Uw liandelaar.Fat>rikatite: IV.V. ATMOTARIGAKADE 8--12 AMSTERDAM Tel. 44819--44879IN NEDERLANDSE WONINGENP*E metaalindustrie n.v. Amsterdam.TELEFOON KZ9 0 0. 46841 - 43969 - 61147GRANITOHoofdweg 66AMSTERDAMTelefoon 82745H. J. POSTMASpecialiteit in gepolijst kunstgranietenaanreclitbladen, gootstenen enz. engranite vloeren.Leverancier o.a. van de SpoorwegenTijdschrift voorVolkshuisvesting enNovember 195132e Jaargang - No. 11MaandbladStedebouTTOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen, waarin opgenomen de mede-delingen van de Rijl^sdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de WederopbouwRcdacties Mr H. W. Bloemers, J. Bommer, Ir H. M. Buskens, Jhr M. J. I. de Jonge van EUemeet, B. Merkelbach,Ir L. S. P. Scheffer, Ir P. Bakker Schut, Drs H. van der WeijdeAdres voor Kedactie en Abonnemeniten: Lange Voorhout 19, 's Gravenhage, Telefoon 184225Advcrtentics: Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Telefoon 49128 ('s avonds: Haarlem, Orion-weg 119, Telefoon K 2500 25560)Officiele mededelingenNederlands InstituutMevrouw L. van der Pek-WentMet groot leedwezen is in de kring van het Instituut het be-richt vernomen van het overlijden van Mevrouw L. van derPek-Went, op 86-jarige leeftijd. In het volgend nummer zaleen in memoriam aan de nagedachtenis van de overledeneworden gewijd. Wij mogen thans volstaan met een woordvan dank namens het bestuur voor de voortreffelijke diensten,die Mevrouw van der Pek in haar lange werkzaamheid alspionier van de woninghervorming, als woninginspectrice, alsactief deelneemster aan vergaderingen en congressen in bin-nen- en buitenland, aan de volkshuisvesting bewezen heeft.BestuurOns bestuurslid, de Heer P. Vorkink, die sinds geruime tijdzitting had vanwege het Genootschap Architectura et Ami-citia heeft te kennen gegeven dat hij zijn functie wenst neerte leggen.Wij stellen er prijs op de Heer Vorkink de erkentelijkheid vanhet Instituut te betuigen voor zijn bereidwilligheid om velejaren deel uit te maken van ons bestuur.Congres Vooruitzichten voor de woningbouwHet aangekondigde congres over dit onderwerp, dat in samen-werking met de Nationale Woningraad georganiseerd is, heeftop 24 October te Utrecht plaats gehad. De resolutie, die aanhet slot van het congres is aangenomen, is elders in dit num-mer afgedrukt. Het ligt in de bedoeling een verslag van deinleidingen en van de gedachtenwisseling afzonderlijk in drukte doen verschijnen, als gemeenschappelijke publicatie vanInstituut en Woningraad.Herdenking 50-jarig bestaan WoningwetIn het April-nummer is reeds bericKt dat het bestuur besloteiihad de herdenking van het 50-jarig bestaan van onze Wo-ningwet niet te doen aansluiten bij de datum die de wet draagt,maar bij de datum van inwerkingtreden van de wet, 1 Augus-tus 1902. Daarvoor pleitte met name de omstandigheid datdan tegelijkertijd het 50-jarig bestaan van het Staatstoezichtop de Volkshuisvesting kan worden herdacht. Over de vorm,die de herdenking van een en ander zou kunnen aannemen,heeft overleg plaats gehad met de Centrale Directie voor deVolkshuisvesting, waarbij de afspraak is gemaakt dat eenvolledige samenwerking in di't opzicht zal plaats vinden.Er is door Centrale Directie en Instituut gemeenschappelijkeen werkcomite ingesteld, waarin zitting hebben de Heer MrH. W. Bloemers, J. Bommer, Mr. G. van der Flier, F. G. vande Gun (voor het Katholiek Instituut voor Volkshuisvesting),Dr. S. O. van Poelje (voor de Vereniging van NederlandseGemeenten), W, Scheerens (voor de Nationale Woning-raad) en Drs H. van der Weijde.Binnenkort zal een breder samengesteld officieel herdenkings-comite in het leven worden geroepen.Het werkcomJte heeft zich in de eerste plaats bezig gehoudenmet het uitwerken van een plan tot het doen verschijnen vaneen Gedenkboek.Een Engelse Woningprijsvraagdoor Ir C. de ClerOngeveer twee jaar geleden schreef het Engelse vakblad ophet gebied van het bouwwezen, ,,The Builder", een prijsvraaguit voor een goedkope woning. In het voorjaar van 1951 werdhet resultaat van de prijsvraag gepubliceerd. De prijsvraagviel dus nagenoeg samen met het initiatief van minister In 'tVeld om ook in ons land een prijsvraag uit te schrijven; zoalsmen weet heeft de minister de gedachte hieraan enige maan-den geleden opgegeven, wegens de hoge kosten aan een enander verbonden. Het is daarom wel interessant de Engelseprijsvraag eens te bezien, wat organisatie en resultaten aan-gaat.Het programmaWanneer men het prijsvraagprogramma leest valt het op datde opzet van een aantrek'kelijke eenvoud is. Men moet in eenstedelijk gebied een rijenhuis ontwerpen -- een tussentype uiteen rij van minstens vier ^ met een bouwprijs tussen 900 en1000 pond sterling en met ,,passende voorzieningen" wat be-treft verwarming, verlichting, warm water en berging, inclu-sief die voor tuingereedschap, vuilnisvat en brandstoffen. Hethuis moet vijf personen kunnen huisvesten, te weten tweeouders en drie kinderen van gemengd geslacht. Men moetdaarbij de normen van het ,,Housing Manual" (de Engelse,,Wenken") en van de bouwverordeningen wel in het ooghouden, maar wegens de dringende noodzaak van het ver-lagen van de bouwkosten mag men voorstellen doen voor af-wijkingen van beide, tenminste als daardoor de bewoonbaar-heid niet wordt geschaad en de hechtheid van de constructieverzekerd is. De prijs moet berekend worden naar de heersen-de omstandigheden wat arbeidskracht en materiakn betreft enhet huis moet vervaardigd zijn van bouwstoffen, die op hetogenblik algemeen verkrijgbaar zijn. Een geheel houten huiskomt echter niet in aanmerking. Voorts is dan vastgelegdwat de prijs van de woning precies moet omvatten en welke 153Artikelen154tekeningen en bescheiden men moet overleggen. De prijzenzijn geldprijzen.De Engelse prijsvraaginzender genoot dus vele vrijheden.Pra'ktisch was hij alleen strikt gebonden aan de maximaleprijs en hij, wiens ontwerp daarvoor kwalitatief en kwantita-tief het meeste leverde, kreeg de bekroning. Zo eenvoudigechter als het programma was, zo moeiHjk was de taak opzichzelf. Goed en goedkoop is immers geen kleinigheid. Hoe-wel de voorwaarden tot mededinging van de inzenders eistendat ze behoorden tot de bevoegde architecten, werd samen-werking met verwante beroepen -- in bet bizonder met men-sen uit het bouwbedrijf -- aangemoedigd, kennehjk uit deoverweging dat een werkehjk goede en goedkope woningslechts tot stand kan komeni in hechte samenwerking tussende geschoolde ontwerper en de man uit de praktijk.Gezien het vrij grote aantal inzendingen -- 322 stuks -- isde prijsvraag wel een succes geworden. Als men nu vergehj-kingen trekt met hetgeen bekend is geworden over de Ncder-landse prijsvraag, ontkomt men niet aan de gedachte dat dezebij voorbaat tot stranden was gedoemd door te grote ingewik-keldheid van de opzet. In het bizonder heeft de gedachte omde winnaars te belonen met de uitvoering van een aantalwoningen volgens hun ontwerp, en dat in een vrij grootaantal en met medewerking van diverse gemeenten, compli-caties medegebracht.Het werpt een typisch licht op de eisen, die het huidige Enge-land aan zijn volkswoningen stelt, dat men een bouwprijs vanfl. 9500 a fl. 10.500 voor een woning zonder de grond eenaantrekkelijke prijs vindt. In ons eigen land ligt het criteriumvoor een ,,goedkope woning" immers vrij wat lager, meer inde buurt van f. 6000 a fl. 7000.De resultatenDe prijsvraag heeft blijkbaar geen revolutionnaire ideeenvoortgebracht. De jury merkt namelijk op dat -- met uitzon-dering van een woningtype waarvan de verdiepingvloerrondom oversteekt en een ander type waarmee een cirkel-vormig bouwblok gemaakt kan worden -- geen van de ont-werpen veel afweek van de ,,present day practice". Hetzelfdegold voor de constructie, die bij het merendeel van de ont-werpen itraditioneel was. Dit had echter een practisch doel:men wilde hiermede de kleine aannemer in staat stellen aande bouw van dergelijke woningen deel te nemen. Bovendienis het onderhoud van een traditionele woning 'eenvoudig en,wat de kosten betreft, minimaal. De jury verzucht in ditverband dat zij weinig hoop heeft dat de bouwkosten ver-laagd kunnen worden langs de weg van de niet-traditioneleconstructiemethoden, terwijl ze daarentegen vreest voor toe-neming van de onderhoudskosten als gevolg van die metho-den. Men ziet nu de oplossing in twee richtingen, of lieverin een combinatie van die twee:a. door het verminderen van de totale oppervlakte van dewoning;b. door het toepassen van goedkopere en meer economische(traditionele) constructies.In het algemeen vertonen de inzendingen een aanzienlijkevermindering in totale oppervlakte, wanneer men ze toetst aande normen van het ,,Housing Manual 1949". Dit betekentniet dat de bewoonbaarheid nu ook is achteruitgegaan. Inte-gendeel, woonkamers met een oppervlakte van 18 a 19 m2 zijnheel' gewoon en de teruggang in oppervlakte van de slaap-kamers is, vergeleken bij de normen, te verwaarlozen. Deontwerpers hebben de bezuinigingen echter voornamelijk ge-vonden in de verkeersruimten, dus de halletjes, de gangen enportalen. De begane grond heeft voorts bij het merendeel vande ontwerpen slechts twee vertrekken, namelijk een woon-eetkamer en een keuken, zodat in het toegangsportaal slechtstwee deuren behoeven uit te komen. De algemene conclusievan de jury is dus dat de ontwerpen beknopter zijn geworden,zonder dat w^ezenlijk tekort is gedaan aan de eisen van deoverheid. In feite zijn immers de vormen van de vertrekkenen hun geschiktheid om het meubilair te bergen van primairbelang.Met de oppervlakte is de inhoud minimaal gehouden: voor devrije hoogte in de vertrekken had men vrijwel algemeen 7^voet, dus ongeveer 2.30 m gekozen, ook op de begane grond.Bij de ontwerpen, die de jury heeft verkozen, is de breedtevan de woning steeds groter dan de diepte. Men kan veiligaannemen dat dit ook bij vele van de overige inzendingen hetgeval is geweest. De Engelsman -- verzot als hij is op hetdubbele huis met de daardoox gemakkelijk bereikbare achter-tuin -- kan het rijenhuis slechts node aanvaarden. Wordthet toch gebouwd, dan heeft het vaak een overdekte door-gang tussen elke twee woningen. Hierbij kunnen de woningenniet alle aan elkaar gelijk zijn en de doorgang is dikwijlslelijk en moeilijk schoon te houden. Maakt men nu het huismeer breed dan diep, dan ontstaat de mogelijkheid om dekeuken en een ingebouwde schuur zodanig achter elkaar teleggen dat een verbinding ontstaat tussen voor- en achterkantvan de woning, zonder dat men door een gang of woonkamerbehoeft te gaan. Een niet te onderschatten voordeel van ditbrede woningtype is voorts dat vrijwel alle vertrekken methun lange kant langs een gevel kunnen liggen, zodat men zevolop licht kan verschaffen. Naar onze maatstaven maken deEngelse architecten van deze mogelijkheid evenwel betrekke-lijk weinig gebruik en bij ons zouden de ramen zeker groteruitvallen.Zoals ik reeds zei, is de berging meestal ingebouwd in dewoning en de hiervoor gevonden oplossingen zijn veelal uit-stekend. De jury vraagt zich echter af of de bewoners -- uitpuur conservatisme? -- toch niet zullen vragen om de bekendeschuurtjes in de tuin.Tot zover de indeling. Wat is er nu met de constructies be-reikt? Wie op dit gebied onder de inzendingen naar wonder-middelen zoekt, zal zich teleurgesteld zien. De meeste inzen-ders hebben getracht bij een traditionele constructiewijze klei-ne winstjes te behalen. De helft van de inzenders past eenbetonnen plaatfundering toe, de andere helft een funderingop betonvoet. De vloeren zijn vrijwel algemeen van hout, ophouten binten. Er is keus tussen allerlei kapvormen, maar hel-lingen groter dan 30? zijn practisch verdwenen. Met de entreevan de flauwe dakhelling is echter tevens de gebakken dakpangesneuveld en dit wordt door de jury bepaald betreurd. Deasbestcementplaa't, die ervoor in de plaats is gekomen, isheel wat minder mooi.Wat de trappen betreft bestaat er geen algemeen gedeeldeopvatting. Rechte steektrappen komen voor naast trappen meteen of twee kwarten of een hordes halverwege. De jury merktop dat sommige ontwerpers -- in hun streven naar een ge-ringe oppervlakte -- de trap zodanig deden kronkelen, dater bepaald last zal ontstaan met de verhuizers.Ook bij de verwarmingssystemen is grote verscheidenheidmerkbaar. Meestal wordt echter behalve de woonkamer ookde slaapverdieping enigszins verwarmd, door warme lucht ofmet behulp van radiatoren. Warmwater-tocstellen zijn ge-projecteerd in alle variaties.De bekroonde inzendingenHet is wel interessant om na te gaan welke ontwerpen vande jury de meeste waardering hebben verkregen. Het zijn erin totaal negen, waaronder een eerste prijs, een tweede eneen derde prijs, drie eervolle vermeldingen en drie ,,zeer aan-bevolen" ontwerpen.Het ontwerp dat de eerste prijs kreeg -- dat van de architec-ten Womersley en Hopkinson -- toont een huis met eenflinke woon'kamer en met een keuken aan de voorzij (zie afb.1). De loopruimte is minimaal. Uit een portaaltje waar juistnog een kapstok hangen kan, komt men in de woonkamer.De vorm en indeling van dit vertrek zijn uitstekend. De eet-tafel staat dicht bij de keuken; de zithoek is rustig gelegenbij het raam; nergens is er gebrek aan ruimte en nergens zitmen te ver van de kachel. De kamer heeft twee lichtpunten. Eris een groot breed raam met een flinke vensterbank voorruiNzuoeBegane grondAfb. 1smMTzijoeVerdiepingplanter!. De deur naar de keuken ligt bescheiden in een hoeken men is daar bij wijze van spreken in twee stappen.Door de berging been kan men de tuin bereiken. Behalve eendeur naar de berging heeft de keuken ook een deur naar destraat, zodat men de leveranciers gemakkelijk helpen kan.Ook de indeling van de verdieping is zeer geslaagd. Alleenis de kleinste slaapkamer wat minder mooi van vorm, door degrote kast, die evenwel zo groot moest worden omdat de traper onder door gaat. De kastvloer ligt dan ook ongeveer eendriekwart meter boven de kamervloer. De overloop en eender slaapkamers worden verwarmd door radiatoren, die ge-voed worden door de boiler in de keuken. Daarenboven heeftde grootste slaapkamer een electrische haard. Voor onze be-grippen ongebruikelijk maar naar Engelse opvatting normaalis de ligging van het toilet, op de verdieping. De ontwerperszeggen in hun toelichting dat zij de combinatie van toilet enbadkamer weliswaar niet ideaal vinden, doch dat zij hier tocheen ooncessie hebben gedaan, terwille van de beknoptheidvan het plan. Kasten zijn er niet veel, noch beneden, nochboven. De ontwerpers menen namelijk dat de bewoners meest-al wel voldoende van meubelen zijn voorzien en dat dusmet een flinke keukenkast en met een slaapkamerkast kanworden volstaan.De tweede prijs --- gegaan naar architect Narracott en zijnmedewerkers .-- is naar mijn mening met minder recht ver-leend dan de eerste (zie afb. 2).Een L-vormige woorikamer is in een dergelijke kleine woningeigenlijk niet op zijn plaats. Er is dan ook, ondanks de betrek-kelijk flinke totale oppervlakte van die kamer, nergens eenbehoorlijke breedteafmeting. De verbinding van de keukennaar de voordeur, tussen de meubelen van de zithoek door,is langer en ongemakkelijker dan bij de met de eerste prijs be-kroonde woning. Ook de open verbinding tussen keuken enwoonkamer heeft grote bezwaren, temeer daar er geen bijkeu-ken in het plan is opgenomen, waar men de vuile of erg nattewerkjes kan doen. Erg geslaagd daarentegen is het ,,speel-hok" (children's den) met de grote speelgoedkast onder detrap. Moeder kan van achter het aanrecht door een ,,controle-raam" op de kinderen letten. Een voordeel boven het vorigeontwerp is voorts dat de woonkamer van voor naar achterloopt, zodat de woning geschikt is voor verschillende liggin-gen.Afb. 2Begane grondI SiStA.,^v,of ruiN2iJ0EVerdiepingOok de indeling op de verdieping, met de drie flinke gave Anikcienslaapkamers, is heel prettig. Dat de oppervlakte van de wo-ning zo merikbaar groter gemaakt kon worden dan bij hethiervoor beschreven. ontwerp is o.a. bereikt door de woningplat af te dekken.Architect Underbill Diplock maakte het ontwerp dat de derdeprijs verkreeg. Ook hier loopt de woonkamer van voor naarachter door en ligt de keuken achter. Er is echter tussende woonkamer en de keuken geen open verbinding maar een..breakfast counter". naar Amerikaans voorbeeld. De inge-bouwde schuur ligt aan de voorzijde.Het eerste plan met een eervolle vermelding. een eenvoudigen heel gaaf plan, heeft in de vloer tussen begane grond enverdieping onzichtbare verwarmingspanelen, die het hele huisverwarmen. Volgens de architect is de hierdoor afgegevenstralingswarmte met lage temperatuur ideaal voor het doel.Men ondervindt geen van de nadelen van convectieverwar-ming, waarvan de onaangename droge prikkeling van de slijm-vliezen wel de ergste is. De ontwerper, die de bedoelde ver-warmingspanelen in vele van de door hem gebouwde wonin-gen heeft doen aanbrengen. is van mening dat het systeemgemakkelijk en goedkoop is in het gebruik.Vergelijking met ons landHet zou te ver voeren hier ook de andere ..eervolle vermel-dingen" en ..aanbevolen ontwerpen" te bespreken. Liever wil-de ik nagaan wat de prijsvraagresultaten wellicht kunnen be-tekenen voor de woningbouw in ons land.In het algemeen kan men hierover zeggen dat met deze prijs-vraag nog eens duidelijk naar voren is gekomen, hoe beschei-den de hier te lande aan de woningbouw gestelde eisen zijn,vergeleken bij de Engelse. Deze prijsvraag, die toch beoogtde Engelse woningbouw tot zijn simpelste vorm terug te bren-gen. doet in de uitgekozen woningontwerpen immers slechtstypen zien van -- in onze ogen -- bepaald royale afmetingenen met een uitrusting. die zelfs in onze beste volkswoningenuitzondering is. De woningen zijn alle aanzienlijk breder dandiep, met alle voordelen die dit medebrengt voor de platte-grond. Ze hebben groter kamers dan bij ons, er is een bad-kamer met een bad inplaats van een douche, er is warm waterin de badkamer, de keuken en voor een vaste wastafel, deslaapvertrekken zijn nooit geheel onverwarmd.Nu zal het zeker niet mogelijk zijn om onze woningbouw spoe-dig tot dit peil omhoog te brengen. Onze economische om-standigheden laten- dit eenvoudig niet toe. Er wordt bij onsevenwel in bepaalde kringen nog al eens gesproken over de..overdreven eisen", die aan de woningbouw worden gesteld.Het adres van ,,Cencobouw", het Centraal College van On-dernemersorganisaties op het gebied van het Bouwwezen, on-langs verzonden aan de ministerraad, is er een voorbeeld van.Het is daarom goed als wij zo nu en dan eens een vergelijkingtrekken met omringende landen -- niet met Engeland alleen-- en ons dan realiseren dat onze woningbouw ganselijk nietzo perfect is als wel eens wordt voorgegeven en dat onzevolkshuisvesting nog altijd vooruit moet en niet achteruit.Prognose-Studies van de Centrale Directie vande Wederopbouw en de VolkshuisvestingII ^ .. : _ -Natuurlijke bevolkingsgroei, leeftijdsopbouw en wo-ningbehoefteIn het eerste artikel van deze reeks prognose-studies werdhet vraagstuk van de algemene grondslagen voor een kwan-titatieve woningbehoefteraming aan de orde gesteld. i) Daar-in werd betoogd dat de normen voor het begrip ,,woning-behoefte" een geleidelijke verandering ondergaan naarmateSTR^TzrjDe Zie het Juli^--Augustus-nummer van dit Tijdschrift. 155Aitlkeleo het na-oorlogse herstel voortgang vindt, en dat dezc ont-wikkclingsgang van nature besloten ligt in de aard van dezaak zelve. De verandering werd gekarakteriseerd als eenaccentverschuiving van demografische naar economische as-pecten.In aansluiting op deze chroaoJogiscIie volgorde zuUen deeerstkomende prognose-studies gewijd zijn aan enKele fac-toren van demografische aard, die medebepalend zijn voorde woningbehoefte.Van demografisch standpunt bezien kan men ervan uitgaandat de lomvang ivan de woningbehoefte in de eerste plaatsafhangt van het aantal gezinnen en dat het aantal gezinnenweer wordt bepaald door het aantal gehuwden. Het aantalgehuwden is echter eveneens een afgeleide grootheid: menkan immers pas van een bepaalde leeftijd af trouwen, boven-dien loopt de leeftijd waarop men in het huwelijk pleegt tetreden tamelijk uiteen in de verschillende gewesten van onsland en overigens trouwt ook niet iedereen die de huwbareleeftijd heeft bereikt. Dit betekent met andere woorden dateen demografische prognose voor de toekomstige woningbe-hoefte van een bepaald gebied n'et zonder meer kan wordenafgeleid uit een eventueel beschikbare prognose van het toe-komstige totale inwonertal van dat gebied; men dient ter-dege rekening te houden met de leeftijdsopbouw en met depercentages gehuwden in iedere leeftijdsklasse. i)Door de leeftijdsopbouw als afzonderlijke factor te verreke-nen, bereikt men bovendien een groot voordeel: op deze wijzekan het speculatieve element, hetwelk in een geboorteprog-nose is gelegen, worden ontweken bij het opstellen van eenwoningbehoefteraming, althans indien de prognose zich nietuitstrekt over een al te lange termijn. Degenen die in denaaste toekomst zullen huwen, behoren immers reeds toti debestaande bevolking en staan ingeschreven in de bevolkings-statistiek, al zijn zij dan ook op dit moment nog niet gehuwd.In dit verband zij de factor migratie voorlopig nog buitenbeschouwing gelaten. Men kan er daarom van uitgaan, dateen kwantitatieve demografische prognose van de toekomstigewoningbehoefte voor de eerstkomende 15 a 20 jaar kan wor-den opgesteld, zonder dat men het geboortecijfer in de be-schouwing behoeft te betrekken. De resterende demografischefactoren, waarop de raming gebaseerd moet worden, zijn detoekomstige sterftekans en de toekomstige huwelijksfrequentievan de bestaande bevolking. Daar deze factoren op langetermijn gczien aanmerkelijk stabieler zijn dan de geboorte-frequentie, 'kan de toekomstige woningbehoefte nauwkeurigerworden geraamd dan de toekomstige totale bevolking.Op grond van de bovenveimelde gedachten en voortbouwendeop vroegere onderzoekingen, heeft de Centrale Directie eendemografische methode ontwikkeld, waarmede de toekomstigewoningbehoefte kan worden geraamd en waarbij tevens totop zekere hoogte rekening wordt gehouden met sociaal-eco-nomische factoren. 2) Hoewel de toepassing van deze me-thode vrij veel rekenwerk vergt, is haar beginsel in wezenzeer eenvoudig en doorzichtig, Dit beginsel komt namelijkhierop neer, dat men de bestaande bevolking met behulp vaneen sterftetafel herleidt tot de toekomstige bevolking. Voorhet overige worden alle factoren, die bepalend zijn voor dewoningbehoefte, constant gedacht. Het feit, dat de bereke-ningen vrij omvangrijk zijn, is slechts een gevolg van devorm, waarin de statistische gegevens ter beschikking staan.Indien men zich de eenvoud van het principe voor ogen blijfthouden, winnen de onderstaande beschouwingen aan duide-lijkheid. Voor het overige is het niet steeds nodig de tech-nische beschrijving van de opeenvolgende bewerkingen op devoet te volgen, wanneer men zich slechts een algemeen beeldwenst te vormen van de toegepaste werkwijze.De practische uitwerking van de methode steunt op een twee-tal begrippen, die overigens alleen maar academische bete-kenis hebben:le. De theoretische woningbehoefte, waaronder wordt ver-staan het aantal ivnouwen van 20 jaar en ouder, dat gehuwdis, dan wel gehuwd is geweest. Hieronder vallen dus de vol-gende categorieen vrouwen: gehuwd, gescheiden van tafel enbed, gescheiden van echt, weduwe en burgerlijke staat onbe-kend.i)2e. Het woningbehoeftequotient, hetwelk de verhouding wecr-geeft tussen de reele en de theoretische woningbehoefte, re-kening houdende met uiteenlopende sociaal-economische fac-toren. Met andere woorden:Reele woningbehoefteWoningbehoeftequotient = ^, ;--, :--;--\ .--i heoretische woningbehoeiteDoor het invoeren van de theoretische woningbehoefte wordteen begrip gecreeerd, dat toegankelijk is voor de rekenkun-dige manipulaties, die bij het opstellen van een prognose-berekening moeten worden uitgevoerd, maar dat overigensniet nauwkeurig behoeft samen te vallen met de reelewoningbehoefte. Het punt waar het in dit verband om gaatis, dat de theoretische woningbehoefte uit demografisch oog-punt zoveel mogelijk representatief moet zijn voor de reelewoningbehoefte, zonder daaraan overigens gelij'k te zijn.Het woningbehoeftequotient dient als een omrekeningscoeffi-cent, waarmede men de theoretische woningbehoefte kan her-leiden tot de reele woningbehoefte, nadat de prognose voorde theoretische woningbehoefte langs demografische weg isberekend. In het woningbehoeftequotient zit dus het geheleresidu van sociaal-economische factoren verdisconteerd, het-welk bij het uitvoeren van de demografische bewerkingenvoorlopig ter zijde werd gelegd, echter met uitzondering vande migratie. Het spreekt vanzelf dat gebieden met een uiteen-lopend sociaal-economisch karakter gekenmerkt zullen zijndoor verschillende woningbehoefte-quotienten.Men kan van mening verschillen over de vraag, wat als de ,,reele" wo-ningbehoefte dient te worden beschouwd. De berekening van de woning-behoeftequotienten voor de verschillende delen van ons land is daarompas mogelijk, nadat eerst een algemene beleidsnorm is vastgesteld waaraande ,,reele" w^onigbehoefte kan worden afgemeten, rekening houdende metoverwegingen van economische en sociale aard. Onder het huidige tijds-bestel kan norm I van het C.B.S. als de meest aanvaardbare worden be-schouwd. ^) Op deze grondslag en gerekend naar de toestand op 31 Mei1947, kunnen voor de verschillende provincies van ons land quotientenworden berekend, die uiteenlopen van 0,997 tot 1,050. (Zie Tabel 2,kolom 6.) Het feit dat deze cijfers enerzijds slechts weinig van 1 verschil-len, terwiji er aan de andere kant toch duidelijke regionale verschillen intot uiting komen, vormt een aanwijzing, volgens welke het begrip theore-tische woningbehoefte aan de ene kant een representatieve demografischebenadering geeft voor de werkelijkheid, terwiji andererzijds met behulp vanhet woningbehoeftequotient toch een redelijke aanpassing kan wordenbereikt aan de uiteenlopende feitelijke omstandigheden in de verschillendegewesten.Wij kunnen thans overgaan tot een beschrijving van de prog-nose-methode en -techniek, waarmede de toekomstige wo-156^) Een veelgebruikte prognose-methode voor de toekomstige woningbe-hoefte bestaat hieruit, dat men het verwachte inwonertal deelt door de ver-wachte gezinsgrootte, waarbij de laatste dan gewoonlijk geraamd wordtop grond van de geconstateerde trend met betrekking tot de gezinsver-dunning. Deze werkwijze kan soms tot grove misrekeningen voeren.^) Zie ook: Jaarverslag van de Hoofdinspecteur van de Dienst belastmet het toezicht op de handhaving van de wettelijke bepalingen inzake devolkshuisvesting, 1944.^) De vrouwen van onbekende burgerlijke staat zijn eveneens tot detheoretisch woningbehoevenden gerekend, omdat men het aantal theore-tisch woningbehoevende vrouwen per leeftijdsklasse dan uit de Volkstel-lingsboekjes kan bepalen met behulp van een enkele aftrekking, namelijktotaal minus ongehuwd, in plaats van door meervoudige optelling van deeerste vier categorieen. (Zie Tabel 4b, AanvuUingsbladen 18-20 op Volks-en Beroepstelling 1947.)^) Volgens deze norm worden alle huishoudingen van meer dan eenpersoon woningbehoevend geacht, dus ook die van ,,pseudo-gezinnen",doch met uitzondering van de huishoudens van hotelhouders in hotels.Bovendien zijn volgens norm I de eenlingen als hoofdbewoner die eeneigen huishouding voeren tot de woningbehoevenden gerekend, ook indieneen woningbehoevend huishouden bij hen inwoont. Daarentegen zijn slechtsde alleenwonende inwoners (kamerbewoners) niet woningbehoevend ge-acht. Zie overigens: Centraal Bureau voor de Statistiek, Mededelingen,A.T. No. 4.Het goede is uiteindelijk de helft goedkoper!Wanneer alle ijzeren oi stalen netten, al dan niet gepuntlast, vervaar-digd met mazen van 5, 10 ol 15 cm., ,,bewapingsnetten" genoemdwordenDAN leidi EEN STREVEN NAAR HET GOEDE ioi een anderebewapening dan bij EEN STREVEN NAAR HET GOEDKOPEbei geval zou zijn.OCRIET koos het streven naar hetGOEDE en de OCRIETRESEARCHleerde, dat geen gram staal bespaardkan worden zonder de totale constructie in gevaar te brengen Nuch-tere cijfers, na moeizame research ver-kregen laten zich geen geweld aan doen,OCRIETFABRIEK N.V, BAARN TEL. 3641 (4 LIJNEN)EEN PRODUCT VANOc^liet IS NIET DUUR . . . DE TIJD ZAL HET LERENIU bent verantwoord en tevens tevredenURDALwanneer U onze vocht- en salpeterwerendemiddelen voor Uw bouwwerken toepastvoor bestrijking of bespuiting van gevels tegenregendoorslag, afdoende en kleurloos. Door wit-kalk gemengd voorkomt 't schimmel en zwartworden der muren. Waterverven aangemaaktmet "URDAL zijn dan vochtwerend en tevensduurzamer./^T\|~v T? T voor waterdichte bepleistering van kelders enz.lllc|J/\|. Alle pleisterwerken waarin ORDAL is toe-gepast, zijn vocht- en salpeterwerend.URDAL-Spccialvervangt het olien van muren, ce-ment- of kalkpleister, welke metolieverf behandeld moeten wor-den. Eternit hiermede bestreken,voorkomt verzeping van de verf.Chem. Fabriek Fa. J. G. SIEMER Purmerend, Tel. K 2990-625OVERHEAD DOORSOVER THE TOP DOORS (KANTELDEUREN)en alle andere systemen garagedeurenJ, 6 G. STROBANDNleuwe Teertuinen 22-23 - AMSTERDAM-C. -- Telefoon 47139DE KOSTEN VAN EEN RECLAME IN DIT TIJDSCHRIFTZULLEN U MEEVALLEN !Gaarne verstrekken wij U geheel vrijblijvendprijsopgave.ADMINISTRATIE: Keizersgracht 188, AMSTERDAM, C.Telefoon 49128 en 43254.EDEL STANDGROENEDEL STANDROODEDEL STANDBRUINEDEL STANDZWARTEDEL STANDGEELEDEL STANDBLAUWEDEL STANDWIT/ /N.V. v.h. EVERT KONING S Co.ZAANDAM - Telef.t 3692-4821-4985./ De sleender wijzen/\ Met B2-blokken, het moderne\ bouwmateriaal.isdeoplossingvoor het rationed bouwengevonden.De vorm en uitvoering zijn zodaniggekozen, dat ieder object voorwoning-,school- of utiliteitsbouw volgens tradi-tioneel ontwerp in B2-blokken kanworden uitgevoerd.Vraag inlichtingen.BREDEROBETONZUILENTEL,C.V. NEDERLANDSE LUCHTFOTO- EN RECLAME MlfAMSTERDAM - KEIZERSGRACHT 414 - TELEFOON 31391N.V.Asfali- enWegenbouwbedrijf JEOCHim"Nova Zemblastraat 65Amsterdam - Telefoon 48047VIoeren in ,,Maycrete" Woningenzijn door ons uitgevoerd!Door de navolgendeeigenschappen bij uitstekgeschikt voor woningbouw :VochtvrijHygienischKoudewerendStofvrij (in tegenstelling tot beton)Eenvoudig in onderhoudMaken bij het leggen van zeilof andere vioerbedekking hetgebruik van viltpapier overbodigAlle voorkomende wegconstructiesen het maken van gietasfaltvloerenDe Hollandsche Beton Maatschappij - Den Haagvoert ook uit: GRONDWERKEN, ASFALT^ & BETONWEGENningbehoefte kan worden geraamd, althans voorzover dezewordt bepaald door de natuurlijke bevolkingsgroei. Het on-derstaande bewerkingsschema verduidelijkt de gang van deberekeningen.1947-1949Volkshelling.19 47Vrouwen vanjaar en ouder in19 47Peicentages Iheor.woningbehoevendevrouwenWoningbehoef (e-quotienrVrouwen van 20jaar en ouder opprogno&edat'umTheotehschewoningbeboefl'e.op prognosedatumReeeiewoningbehoefte opprognoseda^umIn grdte lijnen gezien, verloopt het uitvoeren van de prog-noseberekeningen in drie etappes:I. Berekening van de toekomstige vrouwelijke bevolkingvan het gebied, ongeacht haar burgeriijke staat, gespecifi-ceerd naar leeftijdsgroepen. Deze bewerking verloopt aldus,dat de vrouwehjke bevolking van het gebied op 31 Mei 1947met b^hulp van overleveringsfactoren wordt herleid tot deoverlevende vrouwelijke bevolking van het gebied op deprognosedatum. Om nauwkeurige resultaten te verkrijgen ishet gewenst, hierbij gebruik te maken van Tabel 9b (de z.g.planologentafels) van de Sterftetafels voor Nederland over1947.--11949. 1). Indien bijvoorbeeld een prognose moet wor-den opgesteld voor 1957, dan vermenigvuldlgt men het aan-tal vrouwen van 10--14 jaar op 31 Mei 1947 met 0,99352, hetaantal vrouwen (ongeacht burgeriijke staat) van 15^--^19 jaarop dezelfde datum met 0,99102, enz., en verkrijgt men aldusde overlevende aantallen vrouwen van 20^--^24 jaar, van 25tot 29 jaar, enz., op 31 Mei 1957. De leeftijdsgroepen schui-ven dus in het gegeven voorbeeld telkens 10 jaar op.Bij de bovenbeschreven bewerking is het in het algemeen gesproken wen-selijk, tot in de hoogste leeftijden een groepering aan te houden in 5-jarigeleeftijdsklassen.II. Berekening van de theoretische woningbehoefte op deprognosedatum. Hiertoe wordt eerst aan de hand van de uit-komsteji der Volkstelling 1947 berekend, hoeveel procent vanhet aantal vrouwen in iedere afzonderlijke leeftijdsgroep inhet desbetreffende geografische gebied toentertijd theoretischwoningbehoevend was, d.w.z. niet ongehuwd was, voor zoverhun leeftijd 20 jaar of ouder bedroeg. De verkregen percen-tages, gespecificeerd naar leeftijdsgroepen, worden vervol-gens als vermenigvuldigingsfactoren toegepast op de over-levend^ aantallen vrouwen van iedere burgeriijke staat op deprognosedatum, gespecificeerd volgens de opgeschovenleeftijddgroepen, waarvan de aantallen onder I werden be-rekend. Dit wil dus zeggen, dat de bepalende demografischefactorem met betrekking tot de woningbehoefte voor de toe-komst constant worden gedacht. Een optelling van de aldusbecijferde aantallen theoretisch woningbehoevende vrouwenin iedeite leeftijdsklasse van 20 jaar en ouder levert daarnade totale theoretische woningbehoefte voor de prognose-datum Op.Ten aan^ien van de percentages theoretisch woningbehoevenden is hetgewenst, 'tenminste tot en met de leeftijd van 34 jaar een specificatie in5-jarige leeftijdsklassen aan te houden. Boven deze leeftijd kan eventueelmet een grovere specificatie worden volstaan, omdat de huwelijkskansenvoor de yrouw dan sterk afnemen. (Zie Grafiek 1.)Bij de etappe's I en II doet zich een kleine rekentechnische moeilijkheidvoor. De Volkstelling 1947 werd namelijk gehouden op 31 Mei, maar despecificatie van de leeftijdsopbouw is aangebracht op grond van de ge-boortejaren, lopende van 1 Januari tot 31 December. Dit heeft tot gevolg,dat de onderscheiden leeftijdsgroepen als volgt zijn ingedeeld: 0^^lt2 jaar.?/i2--l^/i2 jaar, l^lii--2Vi2 jaar, enz. ^) Voor de woningbehoefteramingals zodanig levert dit geen bezwaar op, omdat de hierdoor ontstane af-wijkingen tenslotte toch weer worden rechtgetrokken door middel vanhet woningbehoeftequotient.lets anders ligt de zaak echter, indien men hetzij de theoretische woning-behoefte, hetzij het woningbehoeftequotient aan een afzonderlijke studiewenst te onderwerpen, bijvoorbeeld wanneer men een vergelijking wiltrekken mec de overeenkomstige cijfers voor 1920 en 1930, toen een meerncrniale leeftijdsgroepenindeling beschikbaar was. Om deze reden heeft hetBuieau Sociaal-Economisch Onderzoek van de Centrale Directie bij hetopstellen van de navolgende tabellen gebruik gemaakt van een ,,gecorri-geerde leeftijdsopbouw". Deze berust hierop dat bijvoorbeeld de leeftijds-groep van 0--4 jaar op 31 Mei 1947 geacht werd te bestaan uit de toenter-tijd getelde geboortejaargangen 1947 {t/m 31 Mei), 1946, 1945, 1944, 1943en ''/12 van de jaargang 1942. Op dezelfde wijze werd de leeftijdsgroepvan 5^9 jaar opgebouwd gedacht uit ^/i2 van de jaargang 1942, voortsde jaargangen 1941, 1940, 1939 en 1938, en 7/i2 van de jaargang 1937.Enzovoorts. De aldus gecorrigeerde cijfers lenen zich tot een vergelijkingmet vroegere Volkstellingen.III. Berekening van de geraamde reele woningbehoefte op deprognosedatum. Deze bewerking begint met het bepalen vaneen algemene norm, waarmede de ,,reele" woningbe-hoefte op 31 Mei 1947 kan warden vastgesteld, rekeninghoudende met alle beschikbare sociaal-economische gegevensen met eventuele beleidsoverwegingen. Door de vastgesteldereele woningbehoefte vervolgens te delen door de theoretischewoningbehoefte op! 31 Mei 1947, verkrijgt men het woning-behoeftequotient voor deze datum. Een vermenigvuldigingvan de onder II berekende theoretische woningbehoefte opde prognosedatuml met het gevionden quotient levert dan ten-slotte de beoogde raming voor de reele woningbehoefte opde prognosedatum op. Hierbij wordt dus verondersteld datde bepalende economische factoren met betrekking tot dewoningbehoefte in de toekomst constant zullen zijn.Door de geschetste wijze van berekening toe te passen op depnovincies, de N.O. Polder en het Centraal BevoTkingsregis-ter, verkrijgt men de cijfers, die in de tabellen 1 en 2 zijnweergegeven. Met betrekking tot de uitkomsten kan nog wor-den opgemerkt dat zij berusten op de meest recente ge-gevens voor de sterftekansen, die bij het opmaken van het15 jarig bouwprogram, waarop de woningtoewijzingen voor1951 en volgende jaren gebaseerd zijn, nog niet beschikbaarwaren. Door de gunstiger sterftekansen is de raming van detoekomstige woningbehoefte hoger komen te liggen dan dievan het genoemde bouwprogram. Hier staat echter tegen-over dat in dit bouwprogram de invloed van de buitcnlandseemigratie op de woningbehoefte niet in rekening is gebracht.Aangenomen mag worden dat de vermindering der woning-behoefte als gevolg van de emigratie de verhoging der ramingals gevolg van gunstiger sterftekansen compenscerc.Geconstateerd kan worden dat eenzelfde berekening, opgezet voor hetRijk als een geheel, tot een uitkomst voert, die iets hoger is dan het totaalder regionale cijfers, hetwelk in de tabellen is vermeld. Deze rekentech-nische eigenaardigheid heeft voor de practijk echter generlei betekenis.fVerschil voor 1957: 2934 woningen op een totaal van 2.744.472: voor1967: 5716 woningen op een totaal van 3.080.152; d.w.z. 0,1 resp. 0,2%.)De uitkomsten geven aanleiding tot verschillerdc opmerkin-gen. Het blijkt onder meer, dat in sommige provincies eenuitgesproken knomlijnig groeiverloop kan worden verwacht,terwijl het groeiverloop in andere provincies meer rechtlijnigzail zijn. Dit verschijnsel, dat van betekenis is met het oogop een inzicht in de toekomstige bouwactiviteit, kan overigens00k worden geconstateerd bij onderzoek van de invloed dermigratie. Het uiteindelijke effect kan daarom pas Avorden af-gewogen, nadat Ide migratie eveneens in de beschouwing zaizijn betrokkcn. Hier moge daarom worden volstaan met deopmerking, dat een richtlijn voor de bouwactiviteit op korteArtiltelen^) Tabel 7b, de actuarissentafel van de genoemde Sterftetafels, voert totafwijkingen bij gebruikmaking voor het bovengestelde doel.^) In dit opzicht is de leeftijdsaanduiding in sommige tabellen van deVolkstellingsboekjes enigszins misleidend. De aldaar aangegeven groepe-ringen van 0--15 jaar, 16--20 jaar, enz. hebben in werkelijkheid betrek-king op groepen van 0--15^/i2 jaar, 15^/i2.--205/i2 jaar, enz. 157Artlkelenlabel I: Raming van de loekomstige Iheoretischewoningbehoefle, voorzover deze wordt bepaalddoor de natuurlljke bevoikingsgroei ^exclusiefbinnen-en buitenlandse migralie)ProvincieTheoretische woningbehoefte.VolgensVofks. Geraamd.telling31-5-47131-5-52. 31-5-'57 31-5-671 2 3 4 5Groningen 1 15791 1 23.6 80 130729 14 4.50CFriesland. 1 13.421 120.516 1 2 7.6 92 143.758Drenlhe. 6 3.47 5 69.995 7 6.410 8 9.521Overijssel.lJ 1 50.16 8 163861 176.925 201.81 5Gelderland. 237.486 2 57.862 27 7.349 31 6.045Utrecht-. 1 3 3.9 1 7 14 4.329 153.137 16 9.46 2Noord-Holland.2j 4 72.02 6 5 04.689 529.568 571.117Zuid-Holland. 588.741 6 33.168 6 70.0 60 73 4.7 3 7Zeeland. 67.119 7 0.796 7 3.940 8 0.08 7Noord-Brabant. 234.4 3 0 262.620 290.851 349.870Limburq. 14 0.77 0 1 57.72 5 174.614 2 0 8.391Nederland^ 2.317.344 2.5 09.241 2.681.275 3.009.313N.O. Polder. 504 547 595 823C.B.R. 9.499 10.769 1 1.866 1 4.724NederlandCt-ot-aalJ 2.3 27.34 7 2.5 20.5 57 2.693736 3.024.8601j incl. Urk.2) excl. Urk.3j excl. RO.Pen C.B.R.Tabel 2: Raming van de loekomstige reeelewoningbetioefte, voorzover deze wordt bepaalddoor de natuurlljke bevoikingsgroei (exclusiefbinnen-en buitenlandse migratie)Reeele vi/oningbehoefte Woning-VolgensProvincie won.-en Geraamd betioeftegezins-telling31- 5.47quotient31-5-'52 31-5-'57 31-5-671 2 3 4 5 6Groningen. 119.094 127208 134.458 148.622 1,028526Friesland. 118.531 125.946 133.445 150.245 1,045053Drenthe. 63.275 69774 76.169 89.239 0,996849Overijssel.b 151.811 165.654 178.861 204.023 1,010941Gelderland. 240.462 261.093 280.824 320.005 1,012531Utrectit. 136.742 147374 156.367 173.037 1,021095Noord-Holland.2j 485194 518768 544341 587.049 1.027897Zuid-Holland. 601.248 646.619 684295 750.346 1.021244Zeeland. 70.458 74318 77.618 84.071 1.049747Noord-Brabant. 242.605 271.778 300.994 362.071 1034872Limburq. 142.409 159.561 176.647 210.817 1,01164 3Nederland 3j 2.371.8292568093 2.744.019 3.079525 --N.O. Polder 384 417 453 627^1761905 1C.B.R. -- -- --Nederland(totaal) 2.372.213 2.568.510 2.744.472 3.080.152 --1j incl. Urk.2j excl. Urk.c.D.w.v. BUR. soc. ECON. ONDERZOEK 3j excl. N.O.R en C.B.R. C.O.W.V BUR. soc. ECON. ONDERZOEKtermijn volgens de prognose een ander jaargemiddelde zalleveren, dan pen op langerc termijn.Hoewel een beschrijving van de toegepaste prognosetechniekop zichzelf nodig is, teneinde een inzicht te verkrijgen in devraagstukken die hier aan de orde zijn, beoogft dit artikeltoch niet in de eerste plaats een technische uiteenzetting tegeven. Belangrijker is het, zich rekcnschap te geven van destilzwijgend gemaakte vooronderstellingen en van de bereiktemate van betrouwbaarheid. Hiermede geraken wij dus tot degriondslagencritiek en de betrouwbaarheidscontrole, twee on-derwerpen die wel eens in de verdruikking komen tijdens dedagelijkse arbeid der prognostici.Allereerst kan dan de vraag worden gesteld, waarom de berekening ge-baseerd is op de theoretisch woningbehoevende vrouwen. Men zou wel-licht evengoed van de mannen kunnen uitgaan, of van het aantal mannen+ vrouwen gezamenlijk gedeeld door twee. De practijk van het levenleert ons immers, dat het sluiten van een huwelijk in de eerste plaatsafhangt van het initiatief van de man en van zijn economische positie.Er zou daarom in dit opzicht alle reden zijn, om bij het opstellen van deprognose uit te gaan van de manlijke ibevolking. ^)Hiertegenover staat echter, dat de verhouding mannen : vrouwen in debevolking opmerkelijk constant is, voorzover zij niet wordt beinvloed doorde migratie, welke zoals gezegd buiten het bestek van dit artikel valt,Voor wat de jonge huwelijken betreft maakt het daarom geen wezenlijkverschil uit, of men de berekening wil baseren op de manUjke of op devrouwelijke bevolking. Men kan dit gemakkelijk controleren door bewer-king II nog eens na te gaan.lets anders ligt het vraagstuk bij de oudere leeftijdsgroepen, waar eenaanmerkelijk gedeelte der woningbehoevenden afkomstig is uit ontbondenhuwelijken, meestal tengevolge van overlijden van een der echtgenoten.Blijkens de ervaring is de vrouw in het algemeen sterk geneigd om eeneigen huishouding te blijven Idrijven nadat zij alleen is komen te staan,terwijl dit bij de man slechts in geringe mate het geval is. ^) Nu zou menhier weliswaar eveneens kunnen opmerken, dat bewerking II eenzelfdecompensatie tot gevolg heeft als ten aanzien van de jonge huwelijken,zodat het er dus weinig toe zou doen, of men van de manlijke dan welvan de vrouwelijke bevolking wenst uit te gaan. Dit argument is tot opzekere hoogte juist, maar het verliest aan geldigheid indien men te makenheeft met een bevolking, waar de oudere leeftijdsgroepen relatief sterk inaantal toenemen. Uiteindelijk blijkt het dan ook noodzakelijk de woning-behoefteprognose te baseren op de vrouwelijke bevolking.Een ander punt van overweging betreft de vraag, in hoe-verre de theoretische woningbehoefte inderdaad representa-tief mag worden geacht voor de reele woningbehoefte. Hetbetreft hier met name de rechtvaardiging van bewerking III.Deze bewerking heeft als stilzwijgende praemissie, dat dereele woningbehoefte in een constante verhouding staat tothet aantal theoretisch woningbehoevende vrouwen van 20jaar en puder, echter met inachtneming van regionale ver-schillen. Het feit evenwel, dat er regionale verschillen kun-nen worden geconstateerd, laat zich moeilijk rijmen met deveronderstelde constantheid. Veeleer lijkt het aannemelijk dathet woningbehoeftequotient in de toekomst zal veranderen,naarmate het sociaal-economisch karakter van de betreffendestreek zich zal wijzigen.In dit opzicht levert kolom 6 van Tabel 2 echter helaas geen enke!aanknopingspunt op. Provincies met eenzelfde karakter, zoals NoordBrabant en Limburg, blijken merkwaardige verschillen te vertonen watbetreft de grootte van het woningbehoeftequotient. Een onderlinge verge-lijking van de verschillende quotienten levert slechts een conclusie op, na-melijk dat de factoren, die de grootte ervan bepalen, uitermate ondoorzich-tig zijn, en dat er een afzonderlijke studie voor nodig zal zijn om dezefactoren te ontwarren. '^)Voor het overige kan worden geconstateerd dat de reele woning-behoefte' samengesteld is uit een zeer gevarieerde veelheid van bevolkings-categorieen, die soms wel en soms niet woningbehoevend kunnen wordengeacht. Zo is er bijvoorbeeld een aantal vrouwen, met name onder deweduwen, die weliswaar volgens onze omschrijving tot de theoretischwoningbehoevende vrouwen behoren, maar die in feite geen zelfstandigehuishouding voeren. Men denke hierbij onder meer aan ouderen, die bijhun volwassen kinderen inwonen, of aan de bewoners van gestichten,tehuizen en dergelijke instellingen. Omgekeerd zijn er personen, zowel onderde ongehuwde vrouwen als onder de ongehuwde of gescheiden mannen enweduwnaars, die volgens de definitie niet theoretisch woningbehoevendzijn, maar die in werkelijkheid geheel zelfstandig wonen, eventueel metinwonende kinderen of huispersoneel. Hieronder vallen ook de ,,pseudo-gezinnen" of ,,economische gezinnen", die de laatste tijd de aandachthebben getrokken. ^) Bovendien kan men zich allerlei combinaties vanal dan niet theoretisch woningbehoevende personen denken, die gezamen-lijk een huishouding voeren. De op dit gebied beschikbare statistiek158*) Deze opmerking kan overigens met evenveel recht worden aangevoerdtegen de gangbare geboorteprognoses.^) Zie ook: Dr. W. Sieigenga: Enige demografische en sociologischeaantekeningen inzake het vraagstuk der woningdifferentiatie. Tijdschriftvoor Volkshuisvesting en Stedebouw, 1951.^) Men denken in dit verband aan de wijze van registratie van devarende en rijdende bevolking en aan de omvang van de gestichtsbevol-king.^) Zie onder meer: Prof. Dr Ir H. G. van Beasekom: De grootte derwoningbehoefte. Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw,1950.!levert reeds een bonte staalkaart van gevallen op, hoewel zij allerminstuitputtend is.Het zal zonder meer duidelijk zijn, dat een demografische methode nim-mer recht kan doen wedervaren aan een dergelijke verscheidenheid. Ditbehoeft echter ook niet. Door middel van het woningbehoeftequotient kun-nen alle eventuele afwijkingen immers worden gecompenseerd, althans inprincipe. Om een dergelijke compensatie te bereiken is het evenwel nood-zakelijk, dat het begrip theoretische woningbehoefte inderdaad een re-presentatief gekozen maatstaf geeft voor de reele woningbehoefte,en dat deze representativiteit bovendien behouden blijft ingeval de leef-tijdsopbouw verandert. Aan deze voorwaarde zal in principe zijn vol-daan, indien de reele woningbehoefte voor iedere afzonderlijk be-schouwde leeftijdsgroep, gedeeld door het aantal theoretisch woningbe-hoevende vrouwen in deze groep, voor alle leeftijdsgroepen tennaastenbijeenzelfde cijfer oplevert. Met andere woorden, de leeftijdsopbouw van detheoretische woningbehoefte in zijn geheel behoort ongeveer overeen tekomen Imet die van de reele woningbehoefte in zijn geheel. De gesteldeeis verschaft bovendien de rechtvaardiging, om de overigens zeer kleinegroep gehuwde vrouwen beneden de leeftijd van 20 jaar te verwaar-lozen. (Zie grafiek.)In hoeverre het hierboven ontwikkelde begrip theoretische woningbe-hoefte aan deze eis voldoet, kan slechts ten dele worden gcontrolerd.Er bestaan niet voldoende gegevens om de reele woningbehoefteper leeftijdsgroep te bepalen. Weliswaar is er in de laatste tijd enigmateriaal beschikbaar gekomen, dat in dit opzicht een nader inzicht kanverschaffen. ^) Hierbij doet zich evenwel de moeilijkheid voor, dat eenbeoordeling van dit vraagstuk niet kan worden losgemaakt van deeconomische aspecten met betrekking tot de woningbehoefte. Het is dui-delijk, dat wij met deze vraagstukken het bestek van dit artikel zoudenoverschrijden. Voorlopig moge daarom worden volstaan met de opmer-king, dat de toegepaste methode -- voorzover bewerking III in het ge-ding is -- vermoedelijk tot ietwat ruim bemeten uitkomsten voert ingevalhet welvaartspeil constant gedacht mag worden, en tot enigermate krapbemeten uitkomsten ingeval het welvaartspeil een krachtige stijging ver-toont. Bij de huidige stand van onze kennis mag de werkwijze wordenbeschouwd als de meest aannemelijke benadering, die momenteel beschik-baar is.Na te hebben onderzocht, in hoeverre de demografische me-thode representatief mag worden geacht voor een vraagstukdat ten dele door economische factoren wordt bepaald, die-nen wij tenslotte de toegepaste demografische werkwijze alszodanig nog aan een nadere beschouwing te onderwerpen.Het betreft hier dus de grondslagen en de betrouwbaarheidvan de prognose voor de theoretische woningbehoefte. Zijis gebaseerd op ide volgende stilzwijgende vooronderstellin-gen: \ -le. Ue toekomstige sterftekansen, zowel voor Nederlandin zijn geheel als voor de verschillende provincies, zullen nietnoemenswaard verschillen van de sterftekansen volgens deSterftetafel 1947--1949.2e. De percentages theoretisch woningbehoevende vrouwenin iedere afzonderlijke leeftijdsklasse zullen in de toekomstniet noemenswaard verschillen van de percentages voor 1947.Dit wll met andere woorden zeggen, dat de huwelijkskansenvoor de vrouw constant gedacht zijn.De eerstgenoemde vooronderstelling kan worden .gecontro-leerd aan de hand van de verschillende sterftetafels, die ge-durende de laatste halve eeuw werden berekend. 2) Hetblijkt dan dat de sterftekansen in het verleden een indruk-wekkende daling te zien hebben gegeven.. Voor de jongereleeftijdklassen (tot 40 jaar) zijn de cijfers thans reeds vrijdicht genaderd tot het minimum. Een verder voortgezette da-ling vin de sterftekansen voor deze leeftijdscategorie is dusslechts: binnen nauwe grenzen mogelijk en kan geen beteke-nende invloed uitoefenen op de woningbehoefte.Voor de oudere leeftijdsgroepen kan nog een verdere daling worden ver-wacht. Of deze binnen korte termijn zal intreden is overigens twijfel-achtig, omdat de sterftecijfers voor deze groep in de jaren 1947-1949 lagerwaren dan overeen zou komen met het doorgetrokken ontwikkelingsver-loop uit het verleden. Op langere termijn beschouwd zal een verderedaling van de sterftekansen pas invloed hebben, wanneer zij een reeksvan jaren heeft doorgewerkt. Dientengevolge zal de afwijking in de eerst-komende 10 a 15 jaar nog zeer gering zijn, maar daarna in versneldtempo toenemen. Nadere gegevens hieromtrent zullen binnenkort be-schikbaar komen, wanneer het C.B.S. de desbetreffende berekeningen met1) Aailvullingsbladen op de Volks- en Beroepstelling 1947, met nameBlad 17.|^) Zie hiervoor: Centraal Bureau voor de Statistiek; Sterftetafels voorNederland. 's Gravenhage 1949.LEEFTUDSOPBOUW EN THEORETISCHE3EH0EFTE VOOR NEDERLANDMEl 19?7.Artikelen100.000 200.000 300.000 400.000 500000Curve ACurve BCurve CAan^allen vrouwen van iedere starusAantallen fheorehsch woningbehoevende vrouwenAanMllen gehuwde vrouwenC.O.W V, BUR. SOC. ECON. ONDERZOEKhet cog op de bevolkingsprognose tot 1980 zal hebben bewerkt en ge-publiceerd.Uiteindelijk kan worden geconstateerd, dat het gestelde uit-gangspunt inzake de sterftekansen voor de eerstkomende 10a 15 jaren voldoende betrouwbaar mag worden geacht. Dezeconclusie kan bovendien ook worden getrokken voor de af-zonderlijke provincies, omdat de regionale verschillen insterfte gedurende de laatste decennia geleidelijk genivelleerdzijn en thans voor ons doel gevoeglijk kunnen worden ver-waarloosd. i) IWat betreft de tweede stilzwijgend gemaakte vooronder-stelling, volgens welke de huwelijkskansen voor de vrouw inde toekomst constant werden gedacht, is een nadere analysegewenst. Het is een bekend feit, dat de frequentie van dehuwelijkssluitingen beinvloedt wordt door de werkgelegen-heid, of althans door dc conjunctuursituatie meer in het alge-meen gesproken. Het gevolg hiervan is, dat de theoretischewoningbehoefte binnen een zekere marge schommelingen kanvertonen, welke door economische factoren van min of meertijdelijke aard worden teweeg gebracht. Bovendien dient nogte( worden onderzocht, of er op lange termijn beschouwdmisschien sprake is van een gestage verjongin,g van dc leef-tijd, waarop men in het huwelijk pleegt te treden. In sommigegedeelten van ons land is namelijk in het verleden gebleken,dat het openleggen van nieuwe welvaartsmogelijkheden leid-de tot jeugdiger huwelijkssluitingen. In dergelijke gevallengaat de economische structuurverandering dus .gepaard meteen wijziging in de bepalende demografische factoren met be-trekking tot de theoretische woningbehoefte. Tevens rijst indit verband de vraag, in hoeverre de betrouwbaarheid vanonze methode uiteenloopt, indien zij wordt toegepast in regio-nale gebieden van verschillend karakter.Volgens de huwelijksstatistiek is de gemiddelde huwelijksleeftijd van devoor het eerst huwenden (dus excl. hertrouwenden) vrijwel constantgebleven gedurende een lange reeks van decennia. In dit tijdvak is deleeftijdsopbouw van ons volk echter geleidelijk verouderd. Beide feitengecombineerd leren ons, dat er een tendentie moet bestaan tot het sluitenvan het huwelijk op een jeugdiger leeftijd dan voorheen het geval was.De bovenvermelde overwegingen maken het gewenst, de be-schreven methode te onderwerpen aan een betrouwbaarheids-controle inzake de veronderstelde huwelijkskansen voor devrouw. Dit wil met andere woorden zeggen, dat moet wordenonderzocht, in hoeverre het gestelde uitgangspunt een bruik-bare benadering van de realiteit oplevert. Daarbij behoort dan^) Rijksdienst voor het Nationale plan en Instituut voor Sociaal Onder-zoek van het Nederlandse Volk: De verspreiding van de bevolking in -i rQNederland. 's Gravenhage 1950. l-DyArtikelen Utiel 3: Bcrekende afwijking voof de theorehsche woningbehoefte In 1947 op basis van de .huwelijkskansen van 1920 en van 1930 'Theorellsche wonlngbehoefle Geconstateerde arwlj- Geconstateerde afwil- 1op 31 -5-1947 kin gen ln% kingen gecorr. v. trend in%berekfnd berekend vigs volks op basis op basis op basis op basis op basis op basisPro?ii)Ci? op basis V op basis V telling 1920 1930 1920 1920 1930 1920percenta- percenta- 1947 t.o.v. t.o.v. tov. t.o.v. t.o.v. t.o.v.ges ges 1947 1947 op basis 1947 1947 op basis1920 ?1930 1930 19301 2 3 4 5 6 7 8 9 IDGronjngen. 1 13.553 113818 115791 -1,93 -1,70 -0,23 + 1,38 + 0,64 + 0,74Friesland. Ij 113390 1 12847 113421 -00 3 -0,51 4 0,4 8 + 3,28 + 1,83 + 1,45Orenlhe. 64316 6331 1 63475 tl,32 r026 *1,58 + 4,63 + 208 +2,55Overlissel 2J U9354 14974C 15016E -0.54 -0,29 -0,25 + 27 7 + 2,05 + 0,72Gelderland- 227487 229984 237.4 86 -421 -3,20 -1,01 -0,90 -0,86 -0,04Utrechl. 129470 130 508 133917 -3,32 -2,55 -q77 -0,01 -Q21 + 0,20Noord-Holland 3J 454472 458119 47 2,026 -3.72 -2,95 -0,7 7 -0,41 -0,61 + 0,20Zuld - Holland. 56 366 4 56B547 588741 -4,26 -3,43 -0.83 -0,95 -1,09 + 0,14Zeeland. 65905 65610 671 IS -1.81 -2,25 >0,44 + 1.50 + 0,09 + 1,41Noord- Brabanr. 222746 230.32 7 2 34.4 30 -4,98 -1,7 5 -3^3 -1,67 +0,59 -2,26LImburq. 136338 140376 140.770 -3,15 -0,2 8 -2,87 + 0,16 + 2,06 -1,90Nedertand 4j 2.240696 2263.087 2317.34 4 -3,31 -2,34 -0,97 - -COWV BUR SOC ECON. ONOERZOEMIj Incl. Vlleland en Terschelling2j Incl. Urk3; Excl. Vlleland,Teischelling enUvk.4| Excl. NO.P en 0 B.R.tevens te worden nagegaan, van welke orde van grootte deeventueel te verwachten afwijkingen kunnen zijn.Een dergelijke betrouwbaarheidscontrole kan het beste wor-den verricht, door zich in gedachte terug te verplaatsen naarhet verleden en vervolgens met behulp van de toentertijd be-schikbarc gegevens een pro.gnose op te maken voor het heden.De uitkomsten van deze fictieve prognose kunnen dan ver-volgens worden vergeleken met de feitehjke hedendaagsetoestand. i) Stel bijvoorbeeld dat wij in het begin van dedertiger jaren zouden leven en dat wij met behulp van depercentages theoretisch woningbehoevende vrouwen volgensde Volkstelling 1930 een prognose voor 1947 zouden opstel-len, wat zou dan het resultaat hiervan zijn? En wat vooruitkomsten zou men verkrij.gen, indien men uitgaande van depercentages van 1920 een prognose voor 1947 zou maken?Levert een vergelijking tussen 1920 en 1930 eveneens afwij-kingen op?De uitkomsten van de met dit doel gemaakte berekeningen zijn weerge-geven in Tabel 3. Omdat momenteel alleen de percentages voor detheoretische woningbehoefte in het geding zijn, zijn de percentages voor1920 en voor 1930 toegepast op de werkelijke leeftijdsopbouw van devrouwen van 20 jaar en ouder op 31 Mei 1947. Dit geschiedde in dekolommen 2 en 3 voor alle provincies afzonderlijk voor de beide verge-lijkingsjaren, waarna de beide Rijkscijfers door totalisering van de pro-vinciate cijfers werden verkregen. Hierbij zij voorts in herinnering ge-bracht, dat gebruik werd gemaakt van een gecorrigeerde leeftijdsopbouwper 31 Mei 1947, zodat de beide fictieve bepalingen van de theoretischewoningbehoefte voor 1947 op een zuivere vergelijkingsbasis staan t.o.v.de feitelijke theoretische woningbehoefte in dat jaar. Een volkomen ver-gelijkbaarheid kon echter niet worden bereikt, omdat er in 1920 en in1930 nog geen N.O. Polder en geen C.B.R. bestonden.Het meest opvallende resultaat van de verkregen tabel is welin de eerste plaats, dat de toepassing van onze prognose-methode op de ontwikkeling in het verleden meestal tot lagerefictieve ramingen blijkt te voeren, dan met de werkelijkheidovereenstemt. Er is hier blijkbaar sprake van een systema-tische miswijzing, al is deze op zichzelf beschouwd tamelijkgering. (Zie de kolommen 5, 6 en 7.) Dit betekent dat deNederlandse jongeren tegenwoordig geneigd zijn op eenjeugdiger leeftijd te trouwen, dan men vroeger gewoon waste doen. 2) Deze tendentie kan trouwens ook voor 1920 reedsworden geconstateerd en werkt blijkbaar zeer langzaam, dochgestaag door. Dientengevolge is de woningbehoefte in onsland gedurende een reeks van decennia met ongeveer l^/ooper jaar meer toegenomen dan in het geval, dat de huwelijks-frequentie constant zou zijn gebleven.De vraag rijst thans of de geconstateerde ontwikkelingsgang zich in detoekomst nog verder zal voortzetten. Op grond van sociologische over-160^) Dit beginsel is onder meer toegepast door van Lohuizen en Delf-gaauw bi] hun onderzoek naar de betrouwbaarheid van de naar hen ge-noemde prognose-methode. Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stede-bouw, 1935.^) Onder de ouderen treft men eveneens naar verhouding minder on-gehuwden aan dan vroeger, maar dit verschijnsel heeft quantitatief veelminder invloed.wegingen mag worden aangenomen, dat jeugdiger huwelijkssluitingenin de hand kunnen worden gewerkt door het hedendaagse streven totindustrialisatie. Hier staat echter tegenover dat het aantal huwelijksslui-tingen in 1946 en 1947 uitzonderlijk hoog is geweest en dat er nadieneen aanmerkelijke daling is ingezet. Men kan globaal berekenen, dat despecifiek na-oorlogse huwelijksgolf een extra-toeneming van de theore-tische woningbehoefte heeft veroorzaakt, waarvan de grootte tennaasten-bij overeenkomt met de toeneming, die het gevolg zou zijn geweest vaneen verdere voortzetting van de normale tendentie tot verjonging van dehuwelijksleeftijd gedurende een tiental volgende jaren.Uiteindelijk schijnt het daarom rationeel om aan te nemen,dat de percentages inzake de theoretische woningbehoeftevolgens de Volkstelling 1947 bruikbaar mogen worden ge-acht voor een prognose, die zich over een tiental jaren uit-strekt. Voor dit tijdvak mag in icder geval worden veronder-steld, dat onze raming van de toekomstige theoretische wo-ningbehoefte voor het land als geheel een onzekerheidsmargevan V% zal blijken te bezitten, tenzij zich uitzonderlijke om-standigheden zouden voordoen. Op langere termijn wordt deonzekerheid uiteraard groter en kan de marge op 2% wordengeschat. Hierbij is dan echter zowel de zekerheidsmargevoor het woningbehoeftequotient als de invloed van de emi-gr.atie naar het buitenland nog buiten beschouwing gelaten.Nu is het weliswaar voor de practijk van weinig betekenis,of de woningbehoefte van ons land als geheel in 1957 of 1967of in welk jaar dan ook een paar procenten onder of bovende raming zal liggen. Met het oog op practische vraagstukkenis het van meer belang om de vraag te stellen, wclkc margevan betrouwbaarheid bereikt is in de provinciale prognoses,met name wat betreft de onderlinge verhouding van de pro-vinciale prognoses ten ojpzichte van elkaar. Dit aspect van dezaak brengt namelijk consequenties mee in verband met deverdeling van het bouwvolume door middcl van richtcontin-genten. Wij dienen daarom te onderzoeken, welke speling erin de provinciale prognoses resteert^ indien de afwij'king voorhet Rijk als geheel buiten de beschouwing wordt gebracht.Met dit doel is de afwijking voor het Rijk in de kolommen 8,9 en 10 van Tabel 3 in mindering gebracht op de geblekenprovinciale afwijkingen, waardoor een zuivere vergelijking mo-gelijk wordt. Op deze wijze berekend blijken de resterendeprovinciale afwijkingen over een 10 tot 20 jarige observatie-periode in procenten uitgedrukt betrekkelijk gering te zijn.Voorzover de huwelijkskansen in het geding zijn is dus eenredelijke mate van betrouwbaarheid bereikt met het oog op eenbillijke vaststelhng van de richtcontingenten.Bij een nadere bestudering van de kolommen 8, 9 en 10 treden nog enkeleeigenaardigheden aan het licht. Allereerst blijkt, dat de procentueleafwijkingen des te geringer zijn, naarmate het inwonertal van de betref-fende provincie groter is. Dit wil met andere woorden zeggen, dat deprognoses voor de grotere provincies nauwkeuriger zijn dan voor dekleinere. De oorzaak van het verschijnsel is, dat grotere provincies in hetalgemeen een meer gevarieerde economische structuur bezitten. Dienten-gevolge reageren zij minder sterk op een incidentele economische struc-tuurverandering, die zich bijvoorbeeld in een enkele bedrijfstak of zelfsin een bedrijf manifesteert.Het zou in dit artikel te ver voeren, de varieties in de theoretische wo-ningbehoefte voor de verschillende provincies nader te analyseren. Bi]wijze van globale benadering mag op grond van de beschikbare gegevensworden aangenomen, dat de maximale redelijkerwijze te verwachten af-wijking tussen de voorspelde theoretische woningbehoefte enerzijds ende toekomstige realiteit andererzijds voor de grootste provincies rond 1%zal bedragen, voor de middelbare provincies rond 2% en voor de kleinsteprovincies rond 3%. Grotere afwijkingen kunnen slechts mogelijk wordengeacht, wanneer zich in de betreffende provincie een ingrijpende econo-mische structuurwijziging zou voltrekken. Overigens houde men bij hetbeoordelen van de bovenvermelde cijfers in het oog, dat mogelijke af-wijkingen tussen voorspelling en toekomstige realiteit voor het Rijk alsgeheel, die zich in alle provincies gelijkelijk zuUen manifesteren, buitenbeschouwing zijn gelaten, en dat voorts ook geen rekening is gehoudenmet de invloed van de migratie.Men kan uiteraard van mening verschillen over de eisen, dieuit een oo.gpunt van nauwkeurigheid behoren te worden ge-steld aan een behoefteraming. Prognose-technisch bekeken,mag een maximale afwijking van 1 tot 3% over een tijdvakvan 10 tot 20 jaren zeer gunstig worden genoemd. Dezenauwkeurigheid is aanmerkelijk hoger dan die, welke wordtbereikt met andere methoden, bijvoorbeeld wanneer men hetgeraamde toekomstige inwonertal deelt door de geraamdetoekomstige gezinsgrootte. Indien men de berekende margeechter bekijkt uit de gezichtshoek van de woningbouwactivi-teit, dan komt zij no.g steads overeen met een maximale spelingper provincie van ettelijke honderden woningen per jaari envormt zij dus een factor van betekenis. Dit hangt hiermedesamen, dat het aantal te bouwen woningen in de eerste plaatsafhangt van de toeneming van de behoefte en dus veel ge-voeliger is voor een misschatting, dan ten aanzien van detotale behoefte het geval is. Het blijft daarom wensehjk, onsinzicht in deze vraagstukken verder te verdiepen.Enkele aanwijzingen voor voortgezette studie z
Reacties