^^Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van de Nationale Woningraad,waarin opgenomen de mededelingen van de Rijksdienstvoor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan deWederopbouwFebruari 1951 32e Jaargang no.N.V. Van den Belt & Go's HandelMij.AMSTERDAM - Prinsengracht 852-862 - Tel. 31019-31144Specialiste in:TRIPLEXASBEST- en ASBEST-CEMENT pro-ductenBOUWPLATEN (diverse soorten hout-vezelplaten, stro- en rietvezelplaten)ACOUSTISCHE materialen, o.a. glas-wol, acoustische tegelsOVERHEAD DOORSOVER THE TOP DOORS (KANTELDEUREN)en' alle andere systemen garagedeurenJ. & a STROBANDNieuwe Teertuinen 22-23 -- AMSTERDAM-C. -- Telefoon'47139EDEL STANDGROENEDEL STANDROODEDEL STANDBRUINEDEL STANDZWARTEDEL STANDGEELEDEL STANDBLAUWEDEL STANDWITf ^A-fl?.7/?AA* ^ptue-.N.V. v*h. EVERT KONING & Co.ZAANDAM - Tckl.s 3692-4821-4985. ?A. R.MSTERDAMSE |\OLLUIKEN FABRIEKRolluiken -- Rolhekken ^ Schuifhekken -- MarkiezenZonschermen -- Veerrolschermen -- BaltexWiUieknJnastraat 118 ^ Amsterdam -- Telefoon 85798II bent vcrantwoord en tevens tcvredenURDALwanneer U onze vocht- en salpeterwerendemiddelen voor Uw bouwwerken toepastvoor bestrijking of bespuiting van gevels tegenregendoorslag, afdoende en kleurloos. Door wit-kalk gemengd voorkomt 't schlmmel en zwartworden der muren. Waterverven aangemaaktmet URDAL zijn dan vochtwerend en tevensduurzamer.i^Tj'pv ?? y voor waterdichte bepleistering van kelders enz.lllc II Zi 1. Alle pleisterwerken waarin O R D A L is toe-gepast, zijn vocht- en salpcterwerend.vervangt het olien van muren, ce-ment- of kalkpleister, welke metolieverf behandeld moeten wor-den. Eternit hiermede bestreken,voorkomt verzeping van de verf.URDAL-SpecialChem. Fabriek Fa. J. G. SIEMER Purmerend, Tel. K 2990-625STAND JAARBEURSTERREIN: CROESELAAN HAL F 23^^acature^HERHAALDE OPROEPING.GEMEENTE GOES.Burgemeester en Wethouders van Goes roepen sollicitantenop naar de betrekking vanADMINISTRATEURbij de Dienst van Gemeentewerken.Jaarwedde f 3168.-- tot f 3720.-- (4 eenjaarlijkse verhogin-gen van f 138.--), exclusief de tijdelijke loontoelage en de5% duurtetoeslagen. Kindertoelage overeenkomstig rijksre-geling. Verplaatsingskostenbesluit van toepassing.Gegadigden moeten in het bezit zijn van het Practijkdi-ploma Boekhouden en in staat zijn cm zelfstandig de ad-ministratie van Gemeentewerken bij te houden, het beheerte voeren over de magazijngoederen, de kostprijsberekeningte doen, alsmede het in rekening stellen van werken voorderden. Het diploma Gemeente-administratie I en/of hetdiploma Gemeentefinancien strekt tot aanbeveling. Aan-stelling geschiedt voorlopig met een proeftijd van 1 jaar.Bij gebleken geschiktheid volgt vaste aanstelling. Sollici-taties binnen 10 dagen na het verschijnen van dit blad inte zenden aan de Burgemeester.Zij, die reeds gesolliciteerd hebben, behoeven hun sollici-tatie niet opnieuw in te zenden.^T, GEMEENTE ROTTERDAMBij de Dienst van Stadsontwilclieling en Wederopbouw kaneentechnisch ambtenaar Bworden geplaatst, die met werkzaauJieden veruonden aanonteigenlng en aaiiitoop van oiiroerende goedereii zalworden belast. Eivaring op dit gebied bij een Overheids-dlenst strekt tot aanbeveling. Het diploma M.T.S.ibouw'iunde o? weg- en wateibov.wkunde) Is verelst.Salarisgrenzen ti2'M.- - i 5400.- (te verhogen met een vastetoelage van H>^!i \ '--I riTtEII 1-*?--111,B o u w k 1 a s s e nWoningtypeInhoudin m^min.Inhoudin m^max.gevel-breedtein mmin.dieptein mmax.perceelopper-vlaktein m*rnin.goothoogtein mmin.max.aaneen tebouwenaantalmax.onderl.afstandvan dewoon-blokkenin mmin.afstanderfschei-ding tothoofdge-bouw inm min.A. eengezinsw. 225 375 550 800 -- 500/700 ^ 200 --B. ,, 325!^ 60011000 -- 500/700 -- 200 --c, 225 375 550 -- 110 max. 700 -- -- --Ci 325 - 650 -- 180 max. 700 -- -Di 450 - goo -- 500 max. 700 2 -- 48ODn!450 - 800 _11000 max. 700 -- -- 480E. boven/ben. i ,yrwon.250 600 800 520/700 -- 200 ^flatwoningen 1000 -- -- - 500 max. 15 - - --winkels 325 -- 600 1000 -- 500/700 -- 200 --woningbouwwinkels toegel.325 -- 600 1000 -- 500/700 -- 200 --woningb. verzorgen-de bedr. (geen win-kels zijnde) toegel.325 -- 600 1000 -- 500/700 -- 200 ^klein IndustrieIndustriel?l>_jr?r--#" I, bizondere bebouwingI Ut ...I I.J [TlEsOkerkenscholenspoorwegterreinwegenberm, groenstrook of plantsoenrecreatie terreinspeel- en sportterreinj 1 begraafplaats.' -' waterbepaling van sportterreinen een bevredigend resultaat en demethode is dan 00k met behulp van de leeftijdsprogno&e toe-gepast.B^graalplaatsenEen behoorlijke samenweriking van de surveyor met de Ge-meentelijke Plantsoenen- en Begraafplaatsendienst kan lei-den tot een bruikbare raming van de benodigde oppervlaktebegraafplaatsen.De bevolkingsprognose kan gegevens verschaffen over de,te verwachten aantallen overledenen in de komende jaren.De Begraafplaatsendienst kan daarnaast zijn technische ge-gevens naar voren brengen: verhouding eigen graven^--^huur-graven, graven in een of meerdere lagen, kwesties van rui-mingstermijnen, kinder.graven etc.Door combinatie van deze gegevens werd voor Enschedeeen goed resultaat verkregen.Ook geografische factoren werden hierin betr-okken, zoals deplaats van de begraafplaatsen t.o.v. de woonwijken. Dezekan immers o.m. voor het verkeer van grote invloed zijn.Dit heeft dan ook in Enschede in een bepaald geval ertoegeleid om af te zien van een nog verdergaande uitbreidingvan een van de begraafplaatsen, maar een nieuwe teprojecteren aan de andere kant van de stad, waardoor eenbetere spreiding werd bereikt.Hoofdelementen van het planNa dit globale overzicht over de richtinggevende voorwaar-den, waaraan het plan moest voldoen nog een korte be-schouwing over de voornaamste elementen ervan. ZoArtlkelen --24 -'^GroeninfiltraiiesEen van de meest in het oog springende doelstellingen vande ontwerper is wel geweest om een gelijkmatig olievlekachtiguitvloeien van de stadsomtrek te voorkomen. Hiervoor in deplaats is gesteld een sterk gelobde, een diep ingesneden om-trek, waarin zich groenelementen a.h.w. een weg hebbengebaand. Door aansluiting op de 70 meter brede groen ge-zoomde boulevard van het Wederopbouwplan heeft dezegroenpenetratie van de Oostelijke zijde zelfs plaats tot inhet stadshart.KernvormingIn het algemeen heeft de ontwerper gewaakt tegen een zicheindeloos herhalend patroon van steeds gelijkvormige bouw-blokken, maar waar mogelijk, gestreefd naar kernvorming.Naast het stratenbeloop, plein- of plantsoenvorming heeft hijdaarbij ook de aard van de bebouwing betrokken door kerk-gebouwen, wijkgebouwtjes en winkels bij voorkeur in eenkern te concentreren en zodoende ook in een buurt een puntvan activiteit te ontwikkelen.De omstandigheden waren voor dit streven zeker het meestgunstig in het Zuidwesten van de stad, waar naast de be-staande woningen ca. 2500 nieuwe woningen zijn gepro-jecteerd.Concentratie van de IndustrieDe expansiemogelijkheden van de bestaande kapitale tex-tielfabrieken in het stadbeeld konden uiteraard niet wordenaangetast.De nieuwe industrieterreinen op het plan zijn echter gecon'centreerd aan het einde van het Twentekanaal.BebouwingshoogteAlhoewel op bescheiden schaal heeft de ontwerper bij ditplan voor het eerst in Enschede de mogelijkheid gekregenom een afwisseling te brengen in de traditionele eengezins-woningbouw, Vooral in de wijkcentra en aan de plantsoenenis van deze gelegenheid gebrurk gemaakt.SportterreinenBij het projecteren van de benodigde sportterreinen is ge-streefd naar decentralisatie.De afstand van de sportbeoefenaar tot de terreinen is hier-mee zoveel mogelijk beperkt en daarmee is aan de bestaandetraditie van buurtsportverenigingen tegemoet gekomen. Zon-der twijfel komt dit laatste immers aan de sociale bindingenin de stad ten goede.Het zou te ver voeren om al'e andere aspecten, die er nogaan dit plan zitten hier te bespreken. De bedoeling is slechtsgeweest iets te vertellen.van de omstandigheden waarmee methet ontwerpen van dit plan moest worden rekening ge-houden.Crisis in de VolkshuisvestingDe verzwaring van de militaire lasten, die Nederland te dra-gen heeft, stelt de Regering voor de taak een nieuw even-wicht te zoeken in de verdeling van ons nationale inkomen.Het is waarschijnlijk dat ditvraagstuk bij de opstelling van hetprogramma, dat als grondslag voor het nieuwe Kabinet moetdienen, een centrale plaats inneemt. Zal het bedrag van meerdan 500 millioen, dat ter uitvoering van het woningbouwpro-gramma voor dit jaar als investering nodig is, ongeschondenuit de strijd te voorschijn komen? Het is niet uitgesloten dater aanslagen op worden beraamd. Aan alle zijden klinkendringende eisen, tot voortzetting van de investering m de eco-nomische sector, tot behoud van het peil van de consumptie.Wij willen hier met de grootste nadruk stellen dat inkrim-ping van het woningbouwprogramma een maatschappelijke *"*?'?"ramp zou zijn. Er mag geen woning en geen cent af. Dit isgeen bewering, die voortkomt uit een naief speciahsme, uitoverschatting van een eng belang, met verwaarlozing van hetgeheel. Integendee', juist bij een beschouwing, die de sociaal-economische toestand van ons land als geheel overziet, spreektde noodzaak van een onverzwakte voortzetting van de wo-ningbouw het sterkst.Wij hebben de oorlog nu bijna zes jaar achter ons en hebbenin dat tijdvak in bijna alle opzichten een krachtig materieelherstel doorgemaakt. In vele richtingen zijn wij de oorlogs-nood zelfs volledig te boven. De woningnood echter steekt bijdie algemene verbetering schril af. Hij is aanvankelijk na deoorlog nog verergerd en eerst in de laatste tijd lopen wij ietsin op de achterstand, zij het ook niet overal. Zouden wij nuhet tempo vertragen, al is het maar weinig, dan zouden wijterugvallen op het dode punt, waarop alleen het accres vande behoefte wordt bijgehouden en van het tekort niets afgaat.Dan zou het vooruitzicht op de overwinning van de woning-nood in tien of vijftien jaar vervallen. Dan zou worden aan-vaard dat de tijdelijke ellende, waarin nu honderdduizendenleven, als een blijvende ellende op ons volk komt te rusten.Wat dit inhoudt aan aantasting van !ichamelijke en geestelijkevolksgezondheid, van energie en werklust, aan ontwrichtingvan sociale verhoudingen, is onberekenbaar. Naar alle zijdenzou ons sociaal-cconomisch bestel de fatale gevolgen van zulkeen beleid ondervinden. Laten de financiers zich die conse-quenties helder voor ogen stellen, voor zij iets beslissen. Latenzij desnoods alleen maar denken aan de uitwerking op onsproductie-vermogen en aan de dreigende werkloosheid in debouwvakken.En als zij vragen wat er dan moet gebeuren, dan wijzen wijop de moge'ijkheid om in de verbruikssfeer besnoeiing toe tepassen, met name bij de genotmiddelen, waaraan bijv. in 1947voor 1265 millioen werd uitgegeven. Stellen wij dit bedragtegenover dat van de investering in de woningbouw en be-denken wij dat allicht slechts een fractie van die 500 millioenin het geding is, dan dringt zich de conclusie op dat een doel-matige versobering in de richting van de genotmiddelen verreverkieselijk is. Wie de onbegrensde voortzetting van de wo-ningnood met zijn nasleep in de weegschaal legt tegenoverenige ontzegging van genotmiddelen, kan niet twijfe'en.Dat de nieuwe Regering zich op dit standpunt stelle, is eendringende eis. Van de woningbouw mag niets af. Geen wo-ning en geen cent. H. v. d. W.De Huurwetdoor A. J. A. RikkertOvereenkomstig het bepaalde in het Konink'ijk Besluit van22 December 1950 (Staatsblad K 636) is de Huurwet op 1Januari 1951 in werking getreden. Deze wet bepaalt o.a., datin het rechtsgebied van ieder kantongerecht ten minste eenhuuradviescommissie moet worden ingesteld. Nu is deze wetopgenomen in het Staatsblad van 13 October 1950 (No.K 452). Men zou dus verwacht mogen hebben dat onmiddel-lijk of kort na deze datum maatregelen werden voorbereid omte komen tot uitvoering der wet en wel speciaal met het zoe-ken naar de namen van die personen, weike voor de benoe-ming tot voorzitter en leden der Huuradviescommissie, envooral tot secretaris daarvan, in aanmerking zouden komen.Dit zoeken had niet behoeven te wachten totdat ook de ont-werpen tot herziening der be^astingen, waarmede het inwer-king treden der Huurwet verband hield, tot wet waren ver-heven, hetgeen eerst in de laatste dagen van December 1950geschiedde. Het had toch mogelijk moeten zijn om in een tijd-vak van twee en halve maand deze namen te vinden en hethad ook mogelijk moeten zijn voor het inwerking treden vande wet, overleg met deze personen te plegen of zij een be-noeming ambieerden. 25ArtikelenHet vorenstaande geldt ten aanzien van de voorzitters envan de leden der Huuradviescommissies voor het Provincialebestuur in de onderscheiden provincies en ten aanzien van desecretarissen voor het Departement van Wederopbouw enVolkshuisvesting.Niet minder dan 62 huuradviescommissies, in hoofdzaak be-staande uit een voorzitter, twee leden en een secretaris, moes-ten worden benoemd. Het betrof dus de benoeming van rond250 personen.Voor 1 Februari 1951, dus een maand nadat de Huurwet inwerking was getreden, waren nog slechts zeer enkele Huur-adviescommissies benoemd. Het overgrote deel dezer com-missies was bij het schrijven hiervan nog niet geformeerd.Ook niet in de grote steden, waar de belanghebbenden n.l. dehuurders en onderhuurders, zowel als de verhuurders in grotegeta e zitten te wachten op de instelhng van een instantie diein de plaats moet komen voor de Prijzenbureaux voor On-roerende Zaken, wier werkzaamheden ten aanzien van dehuren op 31 December 1950 zonder meer waren beeindigd.Welk een ongerief dit betekent laat zich denken wanneerwordt medegedeeld, dat bij het schrijven hiervan, alleen teAmsterdam niet minder dan 1500 schriftelijke verzoeken cmtussenkomst lagen te wachten tot de Huuradviescommissiedaar haar werkzaamheden kan aanvangen. In Rotterdam wasdit aantal 600 en in 's Gravenhage zelfs rond 1800. Deze ach-terstanden moeten eerst worden ingehaald voordat de normalewerkzaamheden der Huuradviescommissies kunnen aanvan-gen. En zoals het in de drie grootste steden is, is het ook inhet overige deel van het land, al zullen de aantal'en daarminder groot zijn.Wat dit zeggen wil, kan men zich indenken, wanneer menweet, dat reeds op 1 December van het vorig jaar de suggestiewerd gegeven, dat verzoeken om toestemming tot huurverho-ging niet meer door de Prijzenbureaux in behandeling moestenworden genomen en met ingang van 21 December 1950 op-dracht werd gegeven geen nieuwe zaken meer in behandelingte nemen. Dit gold zowel verzoeken om toestemming tot huur-verhoging, als klachten omtrent te veel gevraagde huren enook vervreemdingszaken. Wat zulks betekent ten opzichte vanklachten omtrent te veel betaalde huur en de meestal daaraanverbonden p'agerijen bij de onderhuur, is met geen pen tebeschrijven, nu met de behandeling daarvan, zoals te Rotter-dam, eerst met ingang van 1 Maart 1951 een aanvang kanworden gemaakt. In Amsterdam is deze datum beslist nieteerder te verwachten.Bij een op 16 Januari 1951 gevoerd proces (kort geding)weigerde de President van de Rechtbank te Amsterdam zijntussenkomst te verlenen, omdat bij een ontruimingsproceduregeen advies van de Huuradviescommissie kon worden over-gelegd.Het vonnis van de President bevat o.a. de volgende overwe-ging: ,,dat de gewone rechter tot gelijke toewijzing zal be-slissen, welk oordeel onmogelijk kan worden gevormd, wan-neer de President niet evenals deze Rechter van meergenoem-de verklaring kennis draagt" (cursivering van de schrijver).Dat deze weigering ook gegrond was op andere redenen,neemt niet weg dat de te late instelling der Huuradviescom-missie mede oorzaak is geweest, dat het Recht niet zijn nor-male verloop kon hebben.Gezien het grote be'ang dat verbonden is aan de werkzaam-heden, zoals deze voor 31 December 1950 door de Prijzen-bureaux werden uitgevoerd en voortaan door de Huuradvies-commissies worden overgenomen, had het toch mogelijk moe-ten zijn met dz voorbereidende maatregelen tot het instellender Huuradviescommissies eerder te beginnen, zodat zij metingang van 1 Januari 1951 met haar werkzaamheden ter voort-zetting van de huurprijsbeheersing een aanvang hadden kun-nen maken.De alinea in het ,,Beknopt overzicht", dat bij de postkantorenverkrijgbaar was luidende: ,,Wellicht zullen niet alle com-ZO missies op 1 Januari 1951 geinstalleerd zijn, doch dit is eenkwestie van korte duur", komt wel in een bizonder daglichtte staan.Verder wil ik nog de volgende opmerking maken. Het is vo^-komen toe te juichen, dat de huurprijsbeheersing thans is ge-regeld bij een wet, waarbij in eerste instantie de juiste huurwordt vastgesteld door een commissie, die bestaat uit een voor-zitter (vice-voorzitter), waarvan aangenomen mag wordendat hij in dit opzicht onafhankelijk is en leden die iedervoor zich de belangen van de verhuurder en van de huurder(onderhuurder) vertegenwoordigen.Tot 31 December 1950 was deze taak gelegd op de schou-ders van een ambtenaar. De rechtszekerheid is hierdoor aan-merkelijk verbeterd.Niet echter ten aanzien van een ander deel van de werkzaam-heden van het Prijzenbureau, n.l. de behandeHng van z.g. Ver-vreemdingszaken. De beslissingen hieromtrent blijven opge-dragen aan een ambtenaar. Het Vervreemdingsbesluit Onroe-rende zaken (Verordeningenblad 1942, No. 49) blijft, metslechts geringe veranderingen, van kracht. Het Hoofd van hetPrijzenbureau is met ingang van 1 Januari 1951 gewordende Hoofdingenieur-Directeur van de Provinciale Directie vande Wederopbouw en Volkshuisvesting in iedere provincie.Op dit punt is derhalve generlei grotere rechtszekerheid ver-kregen, omdat het nieuwe Hoofd van het Prijzenbureau nogeen andere functie heeft waarin hij o.a. belangstelling die-^'tte hebben voor de prijzen bij verkoop van terreinen, die be-stemd zijn voor woningbouw (b.v. terreinen die bebouwdmoeten worden met gemeente- of verenigingswoningen). Hijis dus niet als onafhankelijk te beschouwen en ook is hetgevaar groot, dat hij niet onbevooroordeeld is ten aanzienvan de grondprijzen.Een ander bezwaar is, dat de secretaris aangewezen kan wor-den voor meer dan een Huuradviescommissie. Zo heeft b.v.de Secretaris van de Huuradviescommissie te Amsterdam, de-zelfde taak bij de commissie te Zaandam en de Secretaris vande commissie te Rotterdam is tevens Secretaris voor Schiedamen Oud-Beyerland. Dit wil dus voor de secretaris, die zeteltte Amsterdam, zeggen, dat zijn bureau verzoeken en klachtenmoet behandelen die liggen tussen Edam, Purmerend en Jispin het Noorden en Uithoorn in het Zuiden. Dit is hemels-breed een afstand van 36 km en omvat 24 gemeenten.Voor het bureau van de secretaris, wiens zetel is gevestigdte Rotterdam, is dit laatste getal 30. Aan de ambtenaren vandeze bureaux, die in hoofdzaak bekend zu'len zijn met de toe-standen in Amsterdam en Rotterdam zelf en die belast wor-den met het onderzoek ter plaatse, en het advies voorberei-den, wordt thans de eis gesteld, dat zij ook bekend zijn metde plaatselijke omstandighedcn ten aanzien van de huren ingemeenten, die enkele tientallen kilometers van hun woon-plaats verwijderd zijn. Wat weet b.v. een ambtenaar van hetbureau van de Secretaris te Amsterdam van de toestandenin Jisp, gesteld al, dat hij weet waar dat dorp ligt en hoe hijer moet komen, tenzij hij een auto met een chauffeur ter be-schikking krijgt. Hoe moet hij komen aan de gegevens voorzijn rapport, wanneer daar b.v. overeenkomstig art. 3 (3)een huur moet worden vastgesteM? Ik meen dat dit geen ge-lukkige greep is geweest bij de uitvoering van de Huurwet,vooral ook omdat de praktijk reeds heeft u'tgewezen, dat dez.g. buitengemeenten van de opgeheven Prijzenbureaux reedszoveel moeilijkheden hebben opge'everd. Ik vrees dat hierzuinigheid wordt betracht ten koste van de belanghebbendenhetgeen zich, indien een der partijen zich achteraf tot de Kan-tonrechter wendt, zal wreken, omdat beide partijen door dezezullen moeten worden gehoord en dan zal blijken, dat hetovergelegde advies van de Huuradviescommissie door een derpartijen of door beide op deugdelijke gronden zal wordenaangevochten. En welke moeilijkheden zal een niet tot in de-tails goed voorbereid rapport met geven, indien het betreftde toepassing van art. 18 van de Huurwet n.l. betreffendehuurbescherming. Over het tijdrovende werk, dus over hetaantal ambtenaren, zwijg ik in dit verband maar.Vo'Orts wil ik nog wijzen op de volgende moeilijkheid. DeHuurwet geeft een aantal scherp omschreven voorschriften enook minder scherpe richtlijnen. Op deze laatste slaat artikel3 (3) der Huurwet. Hier staat: ,,Indien een gebouwd ofeen ongebouwd onroerend goed op de dag, voorafgaande aande dag van inwerkingtreding van deze wet nog niet was totstand gekomen of niet of met een andere bestemming wasverhuurd, of de toen bestaande huur en verhuur niet ondernormale omstandigheden was tot stand gekomen, dan wel dehuurprijs niet met stelligheid uit de totale prijs op de dag,voorafgaande aan de dag van inwerkingtreding van deze wetkan worden afgeleid, geldt als oude huurprijs die van eenvergelijkbaar onroerend goed". Zulks kan betrekking hebbenop een normale woning, een vil a, een groot bedrijfsgebouw,een kantoor, maar ook op een los terreintje bij een schuurergens in een ver afgelegen dorp. Hier wacht het bureau vande Secretaris een zware en tijdrovende taak.Dan is er nog de onderhuur. In vele gevallen een groot euvel!Bij de Prijzenbureaux was het mogelijk dat de onderverhuur-der in de waan kon worden gebracht dat het optreden vanhet Prijzenbureau bij wijze van algemene controle geschiedde,dus zonder dat de naam van de klagende onderhuurder werdgenoemd. Thans is dit niet meer mogelijk omdat een adviesvan de Huuradviescommissie moet worden overgelegd. De on-derverhuurder weet dus precies welke van zijn onderhuur-ders heeft geklaagd. En nu hebbe men niet de illusie dat hetonsociale optreden van ve e onderverhuurders plotsehng eeneinde heeft genomen, doordat de Huurwet er is. Wat doet deonderhuurder er tegen wanneer de onderverhuurder geen pen-ning in de meter werpt en dan uitgaat? Wat doet de onder-huurder er tegen, wanneer de onderverhuurder zijn w.c. af-sluit en dan uitgaat? enz. enz.Zelfs de scherpzinnigste Kantonrechter is niet in staat om detalloze plagerijen tegenover een onderhuurder, die de onder-verhuurder niet meer wenst, te signaleren, nog veel minderte voorkomen. De vindingrijkheid is in deze gevallen verbijs-terend en kent geen grenzen. Evenals zulks het geval was nade vorige wereldoorlog, is de onderhuurwoeker en alles watdaarmede verband houdt, vele malen erger dan de ongemoti-veerde huurverhogingen, welke door ^enkele verhuurders wor-den geeist.Tenslotte nog het ontbreken van strafbepalingen. Dat geenstrafbepalingen in de wet zijn opgenomen, dus dat alles alseen civiele zaak wordt beschouv.'d, acht ik een ernstige tekort-koming. Ik zou haast willen zeggen, dat het in vele gevallenneerkomt op het vrijlaten van de huren. Slechts twee voor-beelden.Eerste geval: een huurder meent bezwaar te moeten makentegen het bedrag dat hij wekelijks moet betalen. Over eg metde verhuurder baat echter niet. Hij gaat niet naar de Huur-adviescommissie, omdat hij niet weet wat het resultaat daar-van zal zijn, terwijl hij niettemin een bedrag van f 2,50 vooruitzou moeten betalen. En f 2,50 is voor de huurder vaak eengrote last. Hij berust dus in een te hoge huur. Daar tegenoverstaat dat, indien de huurder wel naar de Huuradviescommissiegaat en hij ontvangt een voor hem gunstig advies, dan heeftde verhuurder ,,pech gehad" en hij betaalt ten hoogste hetteveel betaalde terug en gaat verder vrij uit.Tweede geval: een onderhuurder meent, dat hij te veel betaalt.Overleg met de onderverhuurder heeft geen resultaat. Hij doeteen beroep op de Huuradviescommissie en ontvangt een voorhem gunstig advies. De onderverhuurder betaalt de onder-huurder het teveel betaa de terug en hij gaat verder vrij uit,maar hij zal de onderhuurder zoveel moeilijkheden in de wegleggen (zie boven). dat het voor deze niet langer mogelijkis te blijven. Dan heeft de onderverhuurder zijn zin en zijnonsociale bonding kan hij op zijn volgende onderhuurder bot-vieren. Hij doet dit zolang totdat hij een onderhuurder heeftgevonden, die zich bij zijn veel te hoge eisen neer zal leggen.Een aantal strafbepalingen had derhalve niet in de wet mogenontbreken en ook niet een bepaling, dat door of vanwege deHuuradviescommissie, op eiqen initiatief, zou kunnen worden Artikekn1 l\ 1 ... i.i'T-.. 1 Adressen enz.opgetreden. De te regelen materie is uiterst subtiel. Zi] wordtevenwel door de Huurwet bij lange na niet op voldoende wijzeopgelost.Adressen enz., uitgaande van het InstituutHerziening WoningwetHet bestuur van het Instituut hieeft het ontwerp-Ruimtewet en de voor-stellen tot wijziging van de Onteigeningswet van de Staatscommissie vooide herzieningj van de Woningwet in handen gesteld van de Stedebouw-kundige Raad, die zijn oordeel in twee nota's heeft neergelegd. De eersttvan deze nota's met de begeleidende brief van het bestuur volgt hieronderAan Zijne Excellentie de Minister vanWederopbouw en VolkshuisvestingExcellentieNamens het bestuur van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvestingen Stedebouw nemen ondergetekenden de vrijheid Uwe Excellentie hierbijtwee nota's te doen toekoraen, welke de Stedebouwkundige Raad van hetInstituut over het ontwerp-Ruimtewet en het ontwerp tot herziening vande Onteigeningswet van de Staatscommissie voor de herziening van deWoningwet heeft samengesteld.Het bestuur zou het bizonder op prijs stellen als Uwe Excellentie bij deoverweging van de voorstcllen van de Staatscommissie met deze nota'srekening zou willen houden.Een van de leden van het bestuur maakte bij de beoordeling van deinhoud van beide nota's het voorbehoud dat hij zich niet kan verenigenmet het pleidooi voor de uitbreiding van de verplichting tot vaststellingvan gemeentelijke bestemmingsplannen tot de bebouwde kernen en dathij de aanvaarding van de gebruikswaarde als norm voor de vergoedingbij onteigening niet kan aanvaarden, aangezien z.i. deze in onze rechts-verhoudingen diep ingrijpende maatregel niet zal voeren tot betere stede-bouwkundige verzorging of zal resulteren in lagere huurprijzen, omdatoverdracht van bouwgrond op basis van de marktwaarde en niet tegenkostprijs pleegt te geschieden, ook bij verkoop of uitgifte in erfpacht doorgemeentelijke grondbedrijven.Een ander lid van het bestuur heeft ons doen weten dat hij de hemtoegemeten tijd niet toereikend achtte voor een rustige overweging vande overgelegde stukken en dus de verantwoordelijkheid daarvoor niet kanaccepteren.Wat de in de nota's behandelde onderwerpen aangaat, mogen wij nogopmerken dat de Stedebouwkundige Raad zich over het geheel gehoudenheeft aan hetgeen door de Staatscommissie zelf in haar wetsontwerpen isopgenomen. Zo is met name het onderwerp van de vergoeding van be-drijfsschade, die in de huidige stads- en dorpsuitbreiding een belangrijkerol speelt, terzijde gelaten.Zonder dat wij dit op deze plaats verder kunnen uitwerken, willen wijde nadruk leggen op het grote praktische belang van een bevredigenderegeling van de bedrijfsschade, waarover thans tussen partijen niet zeldendiepgaand meningsverschil bestaat.In de hoop dat Uwe Excellentie aan een en ander aandacht zal willenschenkenMet verschuldigde hoogachting(w.g.) M. I. I. de longe van EUemeetVoorzitter(w.g.) H. v. d. WeijdeSecretaris-Directeur's Gravenhage, 8 Januari 1951Nota van de Stedebouwkundige Raad inzake het ontwerpRuimtewet van de Staatscommissie voor de herziening van deWoningwet i)/. Algemene beschouwingDe verschijning van het rapport van de Staatscommissie tot herzieningvan de Woningwet is in stedebouwkundige kringen met spanning afge-wacht. Sedert lang leefde hier het besef dat de wet in toenemende mateachter raakte bij de praktijk van de bemoeiingen, die zij beoogt te rege-len en -- meer nog -- bij de gedachten omtrent de noodzakelijke ont-wikkeling van de stedebouw in de toekomst. De laatste ingrijpendeherziening, die de Woningwet heeft ondergaan, is in 1934 voltrokkenen deze had het karakter van een aanpassing bij tijdelijke crisisomstandig-heden, zonder voor de stedebouw enig" winst te brengen. De voorafgaande wetswijzigingen hebben w^el beproefd aan de toepassing vande wet nieuwe ruimte te verschaffen, maar zij hadden in hoge mate eenincidentele strekking, waren meer gericht op het wegnemen van kleinehindernissen dan op het opbouwen van een nieuw stelsel, zoals depraktijk dit eiste en grepen zo weinig doortastend in het lichaam van') De opmerkingen van de Raad betreffende de in dit ontwerp opgenomen.schaderegeling zijn vervat in de nota inzake het ontwerp tot wijziging Q'yvan de Onteigeningswet. ^ 'Adressen, enz.28de geldende wet in, dat op vele plaatsen tegenspraak ontstond tussenhet oude, dat behouden bleef en het nieuw toegevoegde. Bestond reedslang voor de oorlog dan ook de wens naar een grondige herziening vande wet, zoals de Staatscommissie-Frederiks getracht heeft die uit tewerken, sedertdien is dit verlangen nog sterk aangewakkerd.De regelingen uit de oorlogsjaren, die een deel van de stedebouwkundigematerie aan de Woningwet hebben onttrokken en nieuwe rechtsmiddelenen een nieuw ambtelijk apparaat in het leven hebben geroepen, moetennoodzakelijk, na onderiinge aanpassing, een vaste plaats innemen in hetgeheel van de stedebouwkundige regehng, Het wederopbouwregime metzijn aanvankehjk straffe centrale leiding en zijn eenvoudige proceduresheeft erv3ringen opgeleverd, waaraan de vooroorlogse regehngen dienente worden getoetst.Het heeft algemeen voldoening gewekt dat de Regering het gewicht vande vraagstukken, waarvoor dit alles de wetgever stelt, erkend heeft doorde voorbereiding van een nieuwe regehng aan een veelzijdig samenge-stelde Staatscommissie op te dragen. Deze wijze van voorbereiding, waar-door alle groepen, die op het veld van de volkshuisvesting en destedebouw werkzaam zijn, rechtstreeks aan het tot stand komen van denieuwe regehngen kunnen deelnemen, steekt gunstig af bij de oude, zuiverdepartementale voorbereiding. Het gebrek van een op deze laatste wijzesamengesteld wetsontwerp was, dat de departementale praktijk zwaarderwoog dan alle andere, terwijl de in het ontwerp niet bevredigde wensennoodzakelijkerwijs de vorm moesten aannemen van critiek, die altijdgevaar loopt op de weerstand van een eenmaa! uitgewerkt stelsel afte stuiten. Thans zijn deze bezwaren op gelukkige wijze terzijde gesteld.Wanneer wij na kennisneming van het verslag van de Staatscommissiehaar voorstel voor een Ruimtewet plaatsen tegenover de verwachtingen,die de bovengeschetste omstand'gheden hebben doen ontstaan, dan kunnenwij zonder voorbehoud vaststellen dat deze verwachtingen in vervullingzijn gegaan. De commissie is er in geslaagd, in weerwil van de uiteen-lopende ervaring en staatkundige gezindte van haar leden, in grote lijnentot eenstemmigheid te komen. Zij heeft tal van constructieve denkbeeldenontwikkeld en heeft daaraan in haar ontwerp van wet op een bondigeen heldere wijze vorm weten te geven. Zij heeft zich wel grotendeels losgemaakt van de bestaande wet, maar sluit toch nauw aan bij de geest,die de wetgever van 1901 vervulde, inzoverre zij ook een regeling ont-worpen heeft, die over de voile linie op de hoogte van haar tijd is endie een ruim kader inhoudt, waarbinnen de uitvoerende maatregelen ende praktijk naar plaats, tijd en omstandigheden zelf kunnen vastleggenwat nodig is.Wij willen derhalve aan onze opmerkingen, die wij tot de hoofdzakenhebben beperkt, een betuiging van levendige instemming laten vooraf'gaan met de geest en de inhoud van het aangeboden ontwerp. Naaronze overtuiging is thans voor het eerst na 1901 een wetsvoorstel ont-worpen, dat aan de zorg voor onze stedebouw tegelijk ruim baan enrichting kan geven en dat over het geheel een gelukkige verhoudingvan dwang en vrijheid heeft getroffen.Wij hopen dat de Regering zal mogen besluiten na kennisneming vande opmerkingen, waartoe het verslag van de Staatscommissie aanleidingzal geven, haar voorstellen in hoofdzaak te volgen. Het spreekt vanzelfdat wijzig'ng van de wet mettertijd opnieuw nod'g zal zijn, zelfs als zij opde grondslag van een zo goed doordachte en ver vooruitziende studieals die van de Staatscommissie komt te berusten. De praktijk van degewestelijke plannen, zoals die zich thans zal ontwikkelen, om een enkelvoorbeeld te noemen, zal in de toekomst -- in welke zin valt nu nogniet te voorspellen -- enige regeling verlangen ten aanzien van de uit-voering van deze plannen. Wij bevelen de ontwikkeling van de buiten-landse wetgeving mede op dit punt in de aandacht aan.2. Afzondedijke RuimtewetDe Staatscommissie heeft uit de verruiming van het karakter van destedebouwkundige bemoeiing, waarbij naast het belang van de volks-huisvesting vele andere belangen gelijkelijk tot hun recht moeten komen,de conc'usie getrokken dat dit onderwerp in een Woningwet niet meer opzijn plaats is. De ervaring heeft geleerd dat de groepering van de rechtS'stof van meer belang kan zijn dan zij oppervlakkig lijkt, omdat de alge-mene strekking en de considerans van een wet op de volkshuisvesting,waarin de stedebouw mede regeling gevonden heeft. aan een beperkendeuitleg van de bepalingen voedsel kunnen geven. Bij de strijd over debestemming van grond voor landelijke doeleinden door middel van hetuitbreidingsplan in 1935 en volgende jaren heeft deze wijze van inter-pretatie een grote rol ge.speeld. Om deze praktische reden, maar ook envooral omdat de maatschappelijke betekenis van deze overheidsbemoeiingeen eigen wettelijk onderdak rechtvaardigt, onderschrijven wij de con-clusie van de Staatscommissie. Zij volgt hierin trouwens het voorbeeldvan de meeste andere landen met een moderne stedebouwwetgeving, diehetzij altijd in een eigen wet los van de volkshuisvesting is neergelegdgeweest, hetzij, zoals in Engeland reeds lang geleden uit het verband vande volkshuisvesting (Housing and Town Planning Act 1909) is losgemaakt (Town Planning Act 1925).Is eenraaal ten gunste van een wettelijke scheiding beslist, dan komt devraag op of deze zich ook in de ambtelijke organisatie en de departe-mentale indeling moet voortzetten. Het rapport en de daarin opgenomenwetsontwerpen beantwoorden de eerste vraag in bevestigende zin, doordatin landelijk en provinciaal verband de instelling van ambtelijke en com-missoriale organen wordt voorgeschreven, die zich met de stedebouw-kundige aangelegenheden hebben bezig te houden, terwijl de bemoeiingvan de Inspectie van de Volkshuisvesting met dit onderwerp komt tevervallcn. Deze opzct ligt in de lijn van de ontwikkeling, die reeds voorde oorlog in provinciaal kader is begonnen en in de regeling van nationaalplan en streekplannen is bevestigd, Wij menen dat de bizondere eisen,die het stedebouwkundig werk aan opleiding, ervaring en persoonlijkekwaliteiten van de ambtelijke staf stelt, deze specialisatie volledig recht-vaardigen. Ook uit tactisch oogpunt heeft deze ambtelijke afscheidinghaar goede zin. Zij ontneemt de grond aan de gedachte dat de volks-huisvesting bij de moeilijke afweging van soms onderling strijdige be-langen een bevoorrechte plaats zou innemen, wat aan het vertrouwen inde objectiviteit van de ambtelijke organen afbreuk zou doen.Ten aanzien van de departementale indeling, waaromtrent de laatsteoverweging eveneens van betekenis is, heeft de Staatscommissie zichniet uitgesproken. Alleen komt in een passage in het rapport de meningvan een minderheid aan het licht, die althans voorlopig het behoud vanhet bestaande verband in het Ministerie van Wederopbouw en Volks-huisvesting bepleit.De Stedebouwkundige Raad heeft dit punt niet diepgaand besproken,omdat hij zich bewust is dat de departementale indelingen een wisselendkarakter dragen en bij elke kabinetsformatie wijziging kunnen ondergaan,mede onder invloed van de persoonlijke voorkeur van de optredendebewindslieden. Overwegingen van persoonlijke en opportunistische aardbepalen derhalve de indeling in niet mindere mate dan aan de aard vande bemoeiingen ontleende motieven. In beginsel zou de gehele stede-bouwkundige bemoeiing het beste op haar plaats zijn bij een departementvan algemeen bestuur met een coordinerende taak, waarbij men kan denkenaan het historische voorbeeld van het departement van Binnenlandse Zakenuit de tijd van Thorbecke en mogelijk aan een toekomstig departementvan algemene zaken, waaronder dan al dergelijke takken van coordinerendebestuurszorg zouden moeten worden verenigd. Een dergelijk departementkennen wij echter op het ogenblik niet. In deze gedachtengang hebbenwij er geen bedenking tegen dat het Departement van Wederopbouw enVolkshuisvesting thans nog belast blijft met de stedebouwkundige aan-gelegenheden.De beschouwing van de Staatscommissie over de regeling van de materiein een of twee wetten bevat overigens een passage, waaraan wij nietmogen voorbijgaan, hoewel zij slechts de mening van enkele leden weer-geeft, Wij hebben het oog op de uiteenzetting (biz. 8 van het Verslag),waarin de taak van de ,,ruimtekundige" diensten wordt oraschreven als,,algemeen adviserend en coordinerend", met dien verstande dat uitvoe-ring, detaillering van plannen dient te worden overgelaten aan de specialediensten (Waterstaat, Volkshuisvesting, Landbouw etc). Dit streven totdisintegratie van de stedebouwkundige bemoeiingen achten wij zeer be-denkelijk. Wij zien deze bemoeiingen als een onderling onverbrekelijkverbonden keten van onderzoek en globaal ontwerp tot detaillering enuitvoering toe, waarvan geen onderdelen aan de leiding van anderenkunnen worden overgelaten, zonder schade voor het geheel. Ook het planvoor een gebied, dat in overwegende mate een stempel draagt, bijv. vanindustriegebied of woonwijk, moet in stedebouwkundige handen zijn, om-dat de uitwerking altijd teruggrijpt in het plan voor het grote geheel, omdater altijd andere belangen aan de orde komen, die door de dragers vanhet dominerende belang niet genoegzaam gewaardeerd kunnen wordenen omdat het ontwerp de bizondere kwaliteiten eist, die de stedebouw-kundige kenmerken. Wij ontkennen niet dat de organen, die met de zorgvoor een bepaald belang belast zijn, in ruime mate hun medewerkingzuUen moeten verlenen aan een dergelijk plan, maar de leiding dient teblijven bij de stedebouwkundige organen.Wat overigens de verdeling van de thans in de Woningwet geregeldeonderwerpen over de nieuwe wetsontwerpen aangaat, hebben wij ge-twijffld bij de instandhoudinqsbeperking die in het ontwerp-Woningwet inHoofdstuk IV en Regeling F is geregeld. De gesteldheid van de woningenen andere gebouwen, waarop deze maatregel zal worden toegepast, zalwel voor de wijze van toepassing beslissend zijn, maar de werkingssfeerwordt bepaald door die van een stedebouwkundig plan en de doelstellingis daaraan ondergeschikt. Deze omstandigheden spreken ten gunste vande opneming van dit nieuwe rechtsmiddel in de Ruimtewet in plaats vanin de Woningwet. Wij kunnen echter aanvaarden dat ten slotte grotergewicht moet worden toegekend aan de herkomst van deze figuur, name-lijk uit het streven naar een zekere orde in de beeindiging van de levens-duur van woningen en gebouwen en aan de bedoeling, die met zoveelwoorden door de Staatscommissie wordt uitgesproken om, als deze proef-neming op bescheiden schaal lukt, straks daaraan een meer algemeenkarakter te geven, ook los van een stedebouwkundig plan.3. Het systeem van stedebouivkundigie rechtsmiddelenDat hierin een grote mate van eenheid wordt gebracht, verdient metbizondere voldoening te worden begroet. De verscheidenheid van degeldende wet, waarvan de bezwaren door de onduidelijke afbakening vanhet terrein der rechtsmiddelen en door moeilijk verklaarbare verschillen inde procedures werden geaccentueerd, dient stellig tot een einde te komen.De uniformiteit, die de Staatscommissie beoogt, wordt door de gekozenbenamingen -- nationaal, gewestelijk en gemeentelijk bestemmingsplan .--nader tot uitdrukking gebracht. Het lijkt ons gelukkig dat de bestemmingvan de grond, die het hoofddoel van deze bemoeiingen vormt. ook in determinologie haar plaats heeft gekregen.4. Omvang van de stedebouwkundige beheersingHierin worden ingrijpende veranderingen voorgesteld.Gold tot dusver voor de gemeenten de eis van deze beheersing alleenboven een zekere grootte of op grond van een snelle groei, nu zal deverplichting tot vaststelling van bestemmingsplannen algemeen worden.Deze stap is in belangrijke mate voorbereid door de feitelijke ontwikke-ling. Hct aantal gemeenten, dat thans reeds een uitbreidingsplan heeft ofmet de voorbereiding er van bezig is, is groot; verreweg de meestegemeenten zijn althans met deze materie vertrouwd en zullen door eenniet te ingrijpende herziening aan de nieuwe eis kunnen voldoen. Metdeze verruiming van de plicht tot vaststelling c.q. herziening van stede-bouwkundige plannen kunnen wij ons volledig verenigen.Wei zal bet voorschrift inzake vaststelling van de plannen binnen vijfjaren een zware last leggen op het stedebouwkundige apparaat. Het aantalbevoegde stedebouwkundige bureaus is gering en zij zijn bijgevolg zeerdruk bezet. Zij krijgen nu plotseling een zeer verruimde taak, die temoeilijker is, omdat de n'euwe wet en de daaruit voortvloeiende maat-regelen andere eisen zullen inhouden dan de tot nu toe gebruikelijke.Het routine-element, dat thans aan het voorbereiden en ontwerpen vanplannen verbonden is, zal dus in belangrijke mate komen te vervallen enin plaats daarvan zal tijdrovend overleg met provinciale diensten enjuridische afdelingen van de provinciale griffies de weg moeten wijzennaar een nieuwe praktijk. Onder deze omstandigheden zal het alleenmogelijk zijn de termijn van vijf jaren in acht te nemen, als voorlopigin een aantal gevallen gcnoegen wordt genomen met zeer globale plannen,die later gepreciseerd en in onderdelen uitgewerkt worden. Het zal dusboven twijfel gesteld dienen te worden dat aldus aan het voorschriftvoldaan kan worden.Een belangrijk punt, dat bij het overgangsrecht regeling zal moeten vin-den, is dat de geldende gedetailleerde plannen niet mogen vervallen, zodraeen algemeen globaal plan van kracht wordt. In vele gevallen toch zalhet nieuwe plan niet voldoende zijn om bij de overweging van aanvragenom aanlcgvergunning, met name voor toekomstige bebouwing, de nodigezekerheid te geven. De oude plannen zullen dan nog dien.st moeten doen.tot zij door uitwerking van het nieuwe plan met een voldoende mate vandetaillering, overbodig worden.Intussen is een belangrijk voorbehoud gemaakt inzake de ruimtekundigebeheersing in gemcentelijk verband, doordat de bebouwde kernen daaraanonttrokken zijn. Deze uitzondering is begrijpelijk. Het stedebouwkundigwerk in de bestaande bebouwing heeft altijd buitengewone moeilijkhedenmeegebracht. Om te beginnen, stelt het stedebouwkundig ontwerp hierhogere eisen, doordat de bewegingsvrijheid voor de ontwerper er veelgeringer is dan in het buitengebied. Verder is hier de beslissing voor deoverheid meestal moeilijk, omdat vaak verschillende oplossingen tegenoverelkaar staan, waaruit een keuze moet worden gedaan, die ten dele afhangtvan motieven, welke zich aan redelijke gedachtenwisseling onttrekken. Debestuurscolleges nemen in de binnen.steden dan ook niet gemakkelijk be-slissingen van ingrijpende betekenis. Hier komt bij dat in de binnenstedenterreinen en gebouwen van hoge waarde aanwezig zijn, die door deuitsluiting van bepaalde bestemmingen ingrijpend kunnen worden ge-troffen. De financiele consequenties van de vaststelling van plannen zijnhier veel ernstiger en onzekerder dan in het onbebouwde gebied. Denoodzakelijkheid om tot plannen voor de bestaande bebouwing te komen,is echter steeds meer gemeengoed geworden. Bij de regeling van de ste-debouwkundige ontwikkeling van een gemeente kan de kern niet buitenbe.schouwing worden gelaten. Zij vormt immers een onafscheidelijk enhoogst belangrijk deel van het gehele gemeentelijke organisme. AUeswat zich rond die kern ontwikkelt, vindt daarbinnen zijn weerslag. Ver-keerswegen uit hct buitengebied moeten er hun passende voortzettingvinden en zijn in hun capaciteit afhankelijk van de centrale voorzieningenen de werkgelegenheid in de kern. De omvang van de centra van be-stuurszorg, van zakenleven en amusement hangt af van de grootte engeaardheid van het verzorg-ngsgebied buiten de kern. Bovendien vindtin de bebouwde kommen zelf een voortdurende vervorming en ontwik-keling plaats, die zich niet zonder leiding kan voltrekken, omdat anderseen hinderlijke vermenging van wijken met tegengestelde belangen, ver-keersopstoppingen, gebrek aan parkeerruimte, aantasting van het
Reacties