RAPPORT VAN DEZONNECOMMISSIEVAN HETNEDERLANDS INSTITUUTVOORVOLKSHUISVESTING EN STEDEBOUWBinnenkort zal met medewerking van de Afdeling GezondheidstechniekT.N.O. het rapport verschijnen van de zgn. ,,ZONNECOMMISSIE"van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw.Het rapport geeft een eenvoudige en practische handleiding voor archi-tecten, stedebouwkundige bureaux, diensten van Gcmeentewerkcn envan Bouw- en Woningtoezicht ten aanzien van de bezonning bij hetontwerpen van woningen en andere gcbouwen en van verkavclings-plannen, en bij het beoordelen van de zonhchttoetreding tot bestaandegebouwen en bij verbouwingen.Het rapport bevat grafieken, waarmede de duur en de tijdstippcn vanzonhchttoetreding tot gebouwen op eenvoudige wijzc kunnen wordenbepaald. Evencens wordt een toestel beschreven, waarmede de zonhcht-toetreding met behulp van maquette's der te onderzoeken gebouwen ofgebouwengroepen kan worden nagegaan.Met behulp van de beschreven methoden kan inzicht worden verkregenin de wijze, waarop de zonhchttoetreding door allerlei factoren: orien-tering, gcvelafstand, hoogte der bebouwing en seizoen wordt beinvloed.VOORBEELD VAN ILLUSTRATIEWerking van zijdelingse belemmeringen op de toetreding van zonlicht.Z-ortrtebajM opZ.m4^^-^^^^ =.3P,,nt.^_lT-i*- -^^--"^~-.JJ 1( ' ,. ^,,- '(flguur 37 van het rapport)Uit de inhoud:Algemene Inleiding.Medische Inleiding.Physische Inleiding.Hoofdstuk I. Algemene feiten betreffende de toetreding van directzonlicht tot gevels.Hoofdstuk II. Het bepalen van tijdstip en duur de bezonning inconcrete gevallen.Hoofdstuk III. Factoren, welke in verband met de toetreding vandirect zonlicht in aanmerking dienen te worden geno-men bij het maken van verkavelingsplannen en de bouwvan woningen.Hoofdstuk IV. De invloed van balkons, loggia's, enz. en van voor-sprongen in gevels op de zonlichttoetreding.BRIEFKAARTAan het Nederlands Instituut voorVolkshuisvesting en Stedebouw,Lange Voorhout 19,'s-GRAVENHAGE.Hoofdstuk V. De toetreding van zonlicht in kamers.Hoofdstuk VI. Practische aanwijzingen.Met 5 grotc tckcningcn, 66 flgurcn en tabellen betrcfFendc zonshoogte,azimuth en bezonningstijden.De prijs bij voorintekening bedraagt f 14,--.Men kan zich de toczending, onmiddellijk na het verschijncn verze-keren door de bijgevoegde kaart in te zenden aan het NcderlandsInstituur voor Volkshuisvesting en Stedebouw, Lange Voorhout 19,'s-Gravenhage.Na het verschijnen zal de prijs bedragen f 16,50.Blokletters s.v.p.Ondergetekcnde;Naam:Functie:Adres: zou gaarne onmiddellijk na het verschijncn ontvangen het Rapportvan de Zonnecommissie van het Nedcrlands Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw tegen gereduceerde prijs van f 14,--, welk be-drag inmiddels werd overgemaakt door overschrijving op girorekeningno. 29080 van het Ned. Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw.Ondertekening:Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van de Nationale Woningraad,waarin opgenomen de mededelingen van de Rijicsdienstvoor het Nationale Plan, en tevens gewljd aan deWederopbouwMaart 1951 32e Jaargang no. OrN.V. Van den Belt 6 Go's Handel Mij.AMSTERDAM - Prinsengracht 852-862 - Tel. 31019-31144Specialiste in:TRIPLEXASBEST- en ASBEST-CEMENT pro-ductenBOUWPLATEN (diverse soorten hout-vezelplaten, stro- en rietvezelplaten)ACOUSTISCHE materialen, o.a. glas-wol, acoustische tegelseen letter,twee namen,een begripA F-MSTERDAMSE |\OLLUIKEN fABRIEKRoUuiken -- Rolhekken -- Schuifhekken -- MarkiezenZonschermen -- Veerrolschennen -- BaltexWilhelminastraat 118 -- Amsterdaim -- Teldoon 85798U bent vcrantwoord en tevens tcvredenURDALwanneer V onze vocht- en salpeterwerendemiddelen voor Uw bouwwerken toepastvoor bestrijking of bespuiting van gevels tegenregendoorslag, afdoende en kleurloos. Door wit-kalk gemengd voorkomt 't schlmmel en zwartworden der muren. Waterverven aangemaaktmet URDAL zijn dan vochtwerend en tevensduurzamer./^r|TV Tk T voor waterdichte bepleistering van kelders enz.Ill* 11/* I. Alle pleisterwerken waarin O R D A L is toe-gepast, zijn vocht- en salpeterwerend.vervangt het olien van muren, ce-ment- of kalkpleister, welke metolievcrf behandeld moeten wor-den, Eternit hiermede bestreken,voorkomt verzeping van de verf.URDAL-SpecialChem. Fabriek Fa. J. G. SIEMER Purmerend, Tel. K 2990-625STAND JAABBEUBSXERBEIN: CBOESELAAN HAL F 23^T^acaturedGEMEENTE EINDHOVEN.Bij de Dienst van Gemeentewerken kunnen op arbeidsover-eenkomst naar burgerlijk recht, dan wel in publiekrechtelijkdienstverband met een proeftijd, geplaatst wordeneen twee-tal technische ambtenarenvoor de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, om te wordenbelast met het bouwtoezicht en het toezicht op de woning-verbeteringen. Afhankelijk van opleiding en practische er-varing zal plaatsing geschieden in de rang van Technischambtenaar (salarisgrenzen f. 3400,-- en f. 4600,-- via 6 een-jaarlijkse verhogingen van f. 200,--) of Technisch ambtenaarle klasse (salarisgrenzen f. 4600,-- en f. 5400,-- via 4 een-jaarlijkse verhogingen van f. 150,-- en 2 van f 100,--). Opvorengenoemde bedragen komen de thans geldende toelagenin meerdering.Tewerkstelling, c.q. aanstelling, boven het minimum is nietuitgesloten.Vereiste: diploma M.T.S. of daaraan gelijkwaardige oplei-ding. Sollicitaties op zegel met uitvoerige inlichtingen om-trent opleiding, practische ervaring en referenties binnen 14dagen na het verschijnen van dit blad te richten aan deDirecteur van Gemeentewerken, Stratumsedijk 20, Eindho-ven.Persoonlijke kennismaking uitsluitend na oproep.Vochtverschijnselenweg werken is duurVocht voorkomenkost slechts weinigLaat ons het U voorrekenen.LANG & Co.Chemisch-Technische BouwstoffenindustrieNieuwe Keizersgracht 41-43, AMSTERDAMTelefoon: 54103JaarbearsGeb, J.Stand 20.GRANITOH. J. FOSTMAHoofdweg 66AMSTERDAMTelefoon 82745Specialiteit in gepolijst kunstgranietenaanrechtbladen, gootstenen enz. engranito vioeren.Leverancier o.a. van de SpoorwegenEEN NIEUW PRODUCTAtwnota'wnotsteenEen buitengewone isolatiesteen voorgewone prijs.Licht in gewicht. -- Onbrandbaar.Vraagt Uw handelaar om inlichtingen.Fabrlkante N.V. ATMOTA i.o.Rigakade 8-12 - AMSTERDAM-C. - Tel. 44819-44879L.Tijdschrift voorVolkshuisvesting enMaart 195132e Jaargan? - No. 3MaandbledStedebouT^^Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen, waarin opgenomen de mede-delingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de WederopbouwRedactie; Mr H. W. Bloemers, ]. Bommer, Ir H. M. Buskens, Jhr M. J. I. de Jonge van EUemeet, B. Merkelbach,Ir L. S. P. Scheffer, Ir P. Bakker Schut, Drs H. van der WeijdeAdres voor Redactie en Abonncmeniten: Lange Voorhout 19, 's Gravenhage, Telefoon 184225Advertenties! Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Telefoon 49128 ('s avonds: Haarlem, Orion-weg 119, Telefoon K 2500 25560)In Memoriam Mr Dr A. L. ScholtensOp 23 Februari 1.1, overleed te 's Gravenhage de Heer Schol-tens, oud-Secretaris-Generaal van het departement van SocialeZaken. Hoewel zijn langdurig lidmaatschap van het Instituutblijk gaf van zijn belangstelling, heeft Mr Scholtens, wiensambtelijke bemoeiingen grotendeels in andere richting gingen,in het Instituut aanvankelijk geen actieve rol gespeeld. Datwerd anders toen -- in het begin van de oorlog -- de Duitsersde Heer Scholtens als Secretaris-Generaal terzijde steldenen hij, in een gesprek met een van de leden van ons dagelijksbestuur, te kennen gaf wel bereid te zijn aan het werk vaneen of andere studie-commissie uit het Instituut deel te nemen,als het onderwerp in zijn lijn lag. Wij hadden niet dadelijkgelegenheid van dat aanbod gebruik te maken, maar toenkort na de oorlog een commissie werd ingesteld voor hetonderwerp van schade en baat bij stedebouwkundige maat-regelen, scheen Scholtens als uitnemend jurist, prae-adviseur over de niet-onrechtmatige overheidsdaad voor deNederlandse Juristenvereniging en man van grote admini-stratieve ervaring, de aangewezen voorzitter. Zelf was hijhet hiermee oneens. Zijn grote bescheidenheid deed hem aananderen voor de leiding van dit werk de voorkeur gevenen het heeft vrij veel overredingskracht gekost om hem deuitnodiging te doen aannemen. Het bestuur van het Insti-tuut en de leden van de commissie hebben hier geen spijtvan gehad. De voortreffelijke eigenschappen van Mr Schol-tens hebben hun stempel gezet op de vergaderingen van decommissie. Met grote belangstelhng en nauwgezetheid, meteen gematigd oordeel over bet werk van anderen en met eenhoffelijkheid, die aan een vorige generatie meer eigen wasdan aan de onze, heeft hij aan dit werk leiding gegeven. Zijnschriftelijke bijdragen, in de vorm van een goed doordachtschema, of in die van een overzicht van de beginselen inzakevergoeding van schade, waren door hun logische opzet enstylistische verzorging een verkwikking voor de lezer.Ni?t lang voor zijn overlijden zond Mr Scholtens mij eenexemplaar van de stellingen, die van Houten in 1902 vooreen Gronings gezelschap verdedigd had, betreffende de ver-goeding bij onteigening. Het toonde zijn onverflauwde belang-stelling voor het onderwerp, ondanks de last der jaren, diehem zichtbaar zwaarder drukte.Een woord van warme erkentelijkheid voor zijn medewer-king moge hier een plaats vinden, al zou de overledene bijzijn leven een dergelijke dankbetuiging bescheidenlijk hebbenafgewezen.De herinnering aan een voortreffelijk mens zal ons bij blijven.H. d. W.Officiele mededelingenNederlands InstituutJaarvergaderingDeze vergadering heeft op 23 Februari 1.1. te Utrecht plaatsgevonden.Het Jaarverslag over 1949 en de rekening en verantwoordingover dat jaar, beide te voren aan de leden toegestuurd, wer-den zonder wijziging goedgekeurd.De penningmeester werd gedechargeerd van zijn beheer overgenoemd jaar, nadat een commissie, die de boeken en be-scheiden had nagezien, in deze zin had geadviseerd.De begroting voor 1951 werd conform het ontwerp vastge-steld.De aftredende bestuursleden, de Heren Ir H. M. Buskens enB. Merkelbach, werden herbenoemd.Vervolgens werd overgegaan tot behandeling van het onder-werp ,,De huisvesting van onvolledige gezinnen", waaroverinleidingen werden gehouden door Mej. Mr N. S. CorryTendeloo en de Heren Dr W. Steigenga, B. Merkelbach enIr W. de Bruyn.Een verslag van dit deel der vergadering zal in het Tijd-schrift worden opgenomen.Commissie inzake de taak van de woningopzichteresHet bestuur van het Instituut is overgegaan tot de instellingvan een studie-commissie, die tot taak heeft zich te beradenover de taak van de woningopzichteres onder de huidige om-standigiheden.In deze commissie hebben zitting de Heer Ir A. Bos, Direc-teur van de Gemeentelijke dienst van Volkshuisvesting teRotterdam, Voorzitter, Mej. R. Hartstra. woninginspectricete Hengelo (O.) en voorzitster van de Vereniging van Wo-ningopzichteressen, Mej. Mr C. J. v. d. Hurk, woninginspec-trice in den Haag en secretaresse van genoemde vereniging,Mej. W. Kaag, sociaal werkster bij de Staatsmijnen, MevrouwMr M. J. Koch-Kijlstra, bestuurslid van de Vereniging ,,Nuts-woningen" te 's Gravenhage, Mej. Mr A. C. C. Nijhoff, di-rectrice van de Groningse Opbouwvereniging en de HerenAbr. Gerhardt, Chef van het groot-onderhoud bij de Ge-meentelijke Woningdienst te Amsterdam en Dr. }. F. deJongh, Directeur van de School voor Maatschappelijk Werkte Amsterdam.De commissie is door de Voorzitter van het Instituut ge-installeerd en is onmiddellijk met haar v/erk begonnen.Rapport Zonne-commissieBij dit nummer zullen de lezers aantreffen een prospectus van 37Officie!emededelingenArtikelenhet rapport van de z.g. Zonne-commissie uit het Instituut, datvoltooid is en nu met medewerking van de Organisatie-commissie T.N.O. wordt gepubliceerd. Wij vestigen de aan-dacht op de gelegenheid om zich bij wijze van voorintekeningdit rapport tegen verminderde prijs te verschaffen. Van dezegelegenheid tot voorintekening kan uiterlijk tot 30 April ge-bruik worden gemaakt.De Woningkartotheek (1)door A. J. A. RikkertSteeds sterker blijkt de behoefte om nu eindelijk te kunnenbeschikken over woningstatistische gegevens, die op uniformewijze voor het gehele land zijn verzameld, Zulks zal door deonderscheiden gemeenten moeten geschieden, omdat ook voorelke gemeente afzonderlijk deze behoefte bestaat. Het is n.l.niet te ontkennen dat, zonder te kunnen beschikken overvoldoende statistische gegevens, een weloverwogen beleidten aanzien van de volkshuisvesting -- ook in de kleine ge-meenten -- onmogelijk is.Zeer concreet zeide een der leden van de Tweede Kamerder Staten-Generaal dit bij de behandeling van de Rijks-begroting voor 1950. Hij zei n.l. o.a. het volgende: ,,Voorhet verkrijgen van statistische gegevens zal vaak eenmedewerking van de gemeenten onontbeerlijk zijn. Ik denkb.v. aan een goed bijgehouden uniforme woningregistratie".Bij de behandeling van de Rijksbegroting voor het jaar 1951kwam hij hierop terug. Nogmaals klaagde hij over het ont-breken van een uniforme woningstatistiek voor alle gemeen-ten. De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvestingverklaarde hierop dat hij het er mee eens was dat er tenaanzien van de woningstatistiek een lacune bestaat. Hij zeio.a.: ,,Hoe verder wij komen (n.l. met het inhalen van hetbestaande woningtekort) hoe meer dit vraagstuk zich even-wel ga'at opdringen. Ik ben het geheel met de geachte af-gevaardigde eens dat wij dit niet aan de vrije werking vanvraag en aanbod kunnen overlaten, omdat het gevaar dangaat rijzen, waarop de geachte afgevaardigde heeft gewezen.n.l. dat ten aanzien van bepaalde soorten woningen -- endan denk ik in de eerste plaats aan de z.g. betere woningen --een overproductie zou gaan optreden. Voorlopig zou ik ditin de eerste plaats nog aan het beleid van de gemeente-besturen willen overlaten. Ik neem daarbij aan, dat men ookin de gemeenten voldoende oog voor dit probleem zal heb-ben."Dit gold toen uiteraard het verstrekken van woningstatistischegegevens ten behoeve van de bespreking van het door betCentrale gezag te voeren beleid ten aanzien van alle te ne-men maatregelen en wel thans voornamelijk het vaststellenvan het Rijkswoningbouwprogramma en vooral ook de voor-bereiding daarvan. Niet alleen het Centrale gezag, maar ookde provinciale overheid heeft er belang bij, dat over op uni-forme wijze verzamelde gegevens kan worden beschikt. Ditgeldt te meer nu de provinciale overheid het aan de provin-cie toegewezen deel van het totale contingent naar juistemaatstaven moet verdelen over alle gemeenten in de pro-vincie. Maar ook, afgescheiden van deze verdeling, heeft hetProvinciaal bestuur er belang bij te kunnen beschikken overjuiste gegevens ten aanzien van de stand der volkshuisves-ting in de onderscheiden gemeenten. Gedacht wordt hierbijaan het w^erk der Provinciale Planologische Diensten bij debestudering ten behoeve van de streekplannen. Gedachtwordt ook aan de in de naaste toekomst in te stellen Pro-vinciale Commissies voor de Volkshuisvesting en aan deeveneens in te stellen Provinciale Diensten voor de Volks-huisvesting, welke worden genoemd in het ontwerp dernieuwe Woningwet, zoals dit door de Commissie-van denBergh is voorgesteld.Ook ten behoeve van de eventueel vast te stellen Rijks- enProvinciale productieregelingen zal moeten kunnen wordenOO beschikt over de nodige statistische gegevens.Al deze gegevens zullen door de gemeenten moeten wordengeleverd. Het is evenwel niet alleen ten behoeve van deverstrekking van de hierboven bedoelde gegevens dat degemeentcbesturen deze zullen moeten verzamelen. Ook voorde bepaling van het gemeentelijk beleid ten aanzien van devolkshuisvesting zijn zij onontbeerlijk.Een eis is evenwel dat al deze gegevens op uniforme wijzeworden verzameld. In tal van gemeenten is nog niets tenbehoeve van de woningstatistiek gedaan. Men vaart daarvolkomen in de mist. Wanneer door hoger gezag om gegevenswordt gevraagd, dan wordt vaak met de muts er naar ge-gooid, omdat men toch iets moet antwoorden. Van een re-gelmatig bijhouden van de gegevens is daar geen sprake.Ditzelfde geldt ten aanzien van de onontbeerlijke gegevensten behoeve van onteigeningen in het belang van de woning-voorziening, het vaststellen van uitbreidingsplannen met bij-behorende bebouwingsvoorschriften, het bouwrijp makenvan terreinen, het stimuleren van de woningbouw o.a. doorde bouw van woningwetwoningen en door de particulierebouwnijverheid. het ontwerpen van saneringsplannen en devoorbereiding van onbewoonbaarverklaring (in de toekomst)enz., enz.De gemeentebesturen hebben er dus alle belang bij regel-matig te kunnen beschikken over aktuele gegevens.Welke gegevens zijn nu daarvoor nodig? Er kan niet wordenvolstaan met de gegevens, die ter gelegenheid van de Volks-telling van 31 Mei 1947 zijn verzameld. In de eerste plaatszijn deze gegevens inmiddels weer verouderd en in de tweedeplaats waren de voorschriften, wat als woning moest wordenbeschouwd, niet geheel voldoende voor het gestelde doel.Hetgeen in de instructie voor de Volksteller te dezen aan-zien was vermeld, moet n.l. als een compromis worden be-rchouwd tussen hetgeen de woningstatistici verlangden enwaartoe de niet-deskundige volksteller in staat moest wor-den geacht.Het moet derhalve als een eis worden beschouwd dat iederegemeente beschikt over een woningkartotheek waarin wor-den opgenomen alle woningen naar de verschillende ken-merken.Het ligt voor de hand, dat de grotere gemeenten de behoeftezullen gevoelen, over meer gedetailleerde gegevens te be-schikken dan de kleinere en de allerkleinste gemeenten. Daar-bij moet dan evenwel de voorwaarde worden gesteld, dat degegevens, welke worden verzameld, voor de onderscheidengemeenten steeds vergelijkbaar zijn,De kaarten zullen zodanig moeten worden ingericht, dat inieder geval de maandelijkse opgaven aan het Centraal Bu-reau voor de Statistiek aan de hand daarvan kunnen wordensamengesteld. Deze opgaven betreffen thans de volgendegegevens:I. a. nieuwbouw, onderscheiden naar de opdrachtgever, n.l.:Rijk, gemeente, woningbouwvereniging spoorweg-maatschappijen en mijnbouwondernemingen en parti-culieren, dit laatste naar de wijze van financiering;b, boerderijen,II. a. vermeerdering van de woningvoorraad door verbouw,waardoor meer woningen ontstaan;b, verandering van de bestemming van winkels, kanto-ren e.d. tot woning.III. vermindering van de woningvoorraad door:a. afbraak of algehele vernietiging door brand of andererampen;b. onbewoonbaarverklaring;c. verbouw van woningen waardoor het aantal wonin-gen minder wordt;d. verandering van bestemming van woningen tot win-kel, kantoor e.d., al dan niet gepaard gaande met ver-bouwing.Het zijn derhalve de meest eenvoudige gegevens.Het ligt voor de hand, dat het gemeentebestuur over meergegevens zal willen beschikken.Bij de keuze, over welke gegevens men nog meer de beschik-king wil hebben, zal er op moeten worden gelet, dat hetzuike gegevens zijn, welke niet zonder medewerking vanBurgemeester en Wethouders kunnen veranderen, m.a.w.:alleen die gegevens zullen moeten worden verzameld, welkeslechts kunnen veranderen indien daarvoor een vergunningvan Burgemeester en Wethouders wordt verleend (uitgaandevan de veronderstelling, dat het toezicht, bedoeld in artikel13 der Woningwet, op de juiste wijze wordt uitgeoefend).Twee uitzonderingen kunnen hierop voorkomen, n.l. tenaanzien van de huur der woning en ten aanzien van de cen-trale voorzieningen in de woningen, zoals centrale verwar-ming en warmwaterlevering. Noch voor de verandering vande huur, noch voor het aanbrengen van centrale voorzienin-gen is een vergunning van Burgemeester en Wethoudersnodig.Indien slechts de hierbedoelde gegevens worden verzameld,dan is het aktueel houden van de woningkartotheek op een-voudige wijze uit te voeren. Immers: zonder toestemming vanBurgemeester en Wethouders kan in het aantal vertrekkengeen verandering komen, kunnen voorts geen privaten wor-den veranderd, kunnen geen gootstenen worden gemaakt,enz. enz. Aan de hand van de tot uitvoering gekomen ver-gunningen van Burgemeester en Wethouders kunnen denoodzakelijk geworden veranderingen in de ka'rtotheek wor-den aangebracht. Niettemin zal het noodzakelijk zijn, dat eenperiodieke controle ter plaatse geschiedt, om na te gaan ofeventuele veranderingen in de kartotheek moeten wordenaangebracht. Aan de hand van deze controle kan tevensworden nagegaan, in hoever de bepalingen van de Bouw-verordening worden nageleefd en welke eventuele overtre-dincjen plaats hebben, welke zouden kunnen leiden tot, zonodig, uitvaardigen van aanschrijvingen.Welke gegevens zal zo'n kartotheek ten minste moeten be-vatten?Gewenst zijn ten minste:Straat en huisnummer (eventueel met vermelding van hetonderdeel der gemeente);Perceelsgedeelte (alleen nodig indien de woning is gelegenin een meergezinshuis);Eigendomsverhouding (particulier, vereniging of gemeente);Bouwterrein (eigen terrein of erfpacht);Zonder o[ met winkel/bedrijf;Jaar van stichting;Type van het perceel (vrijstaand dubbel perceel, rijenhuis,enz.);Huur met huurgroep (hierbij ook te vermelden of het betrefteen huurwoning, een w^oning bewoond door de eigenaar,dienstwoning, hofjeswoning. Te rekenen op de mogelijkheidtot het aantekenen van huurveranderingen);Aantal en soort van de ruimten (vertrekken met raam, al-coven, blinde alcoven, keuken, zolderkamers, bergruimte an-dere dan kasten);Privaat (voor afzonderlijk gebruik, voor gemeenschappelijkgebruik of niet aanwezig);Soort van het privaat (met waterdoorspoeling, gewoon, wis-selton, boerenprivaat enz,);Ruimte in het privaat (al of niet bruikbaar met geslotendeur);Ligging van het privaat (aan ,,eigen" of aan gemeenschap-pelijke ruimte -- deze ruimte te noemen, b.v. vertrek, keu-ken, eigen portaal, gemeenschappelijk portaal, erf);Gootsteen (al of niet aanwezig voor afzonderlijk gebruik);Wateraanvoer (waterleiding, regenput, e.d. voor afzonder-lijk gebruik);Badgelegenheid (douche of kuip);Verdiepinghoogte;Centrale voorzieningen;Schuurtje;Materiaal der hinnenafscheidingen;Wijze van verlichting der gemeenschappelijke trap- en pcrr-taalruimten.Het spreekt vanzelf dat, al naar gelang der plaatselijke be- Anikeienhoefte, uitbreiding kan worden gegeven aan de aantekenin-gen in de woningkartotheek, Gewaakt moet er evenwel voorworden, dat deze uitbreiding geen betrekking heeft op onder-delen, waarvan het bijhouden extra moeilijkheden zal mede-brengen. Ik denk hierbij aan aantekeningen, die betrekkinghebben op het aantal bewoners. De consequentie daarvanzou zijn, dat van elke mutatie in het aantal bewoners, ookeen aantekening moet worden gemaakt in de woningkarto-theek, terwijl deze aantekeningen toch reeds bij het bevol-kingsregister worden gemaakt. Ook aantekeningen omtrentde onderhoudstoestand van het perceel moeten worden ver-meden, omdat deze naar het inzicht van de desbetreffendeeigenaren, zonder inmenging van de overheid, kan wordengewijzigd. Indien een onderzoek naar de onderhoudstoestandnoodzakelijk is, b.v. in geval van een in studie zijnde sane-ring, zal hiernaar een afzonderlijk onderzoek moeten wordeningesteld en vooral moet er tegen worden gewaakt, dat geenaantekeningen worden gemaakt van toestanden, welke af-hangen van het subjectief inzicht van de toevallige ambte-naar, die met het samenstellen der woningkartotheek wordtbelast. Het moeten derhalve alleen objectieve gegevens zijn.Slechts een klein aantal gemeenten beschikt thans over eenafzonderlijke woningkartotheek. In verreweg de meeste ge-meenten bestaat zij nog niet. De vraag rijst of het woning-register van het bevolkingsregister niet tevens kan dienenals woningkartotheek. Afgescheiden van andere bezwaren,moet worden geconstateerd dat het woningregister van hetbevolkingsregister een andere bedoeling heeft. Het is trou-wens bekend dat de Inspectie voor de Bevolkingsregisters,terecht, afwijzend staat tegenover het gebruik maken vanhet woningregister voor genoemd doel, o.a. omdat de bij-werking van de woningkartotheek een ta'ak is die door deambtenaar, als bedoeld in art. 13 der Woningwet (dus dooreen bouwtechnische ambtenaar), moet worden beoordeelden uitgevoerd, terwijl de bijwerking van het woningregistervan het bevolkingsregister een zuiver administratieve strek-king heeft.Het vorenstaande heeft tot doel, meer belangstelling te wek-ken voor een goede statistiek omtrent de volkshuisvesting.Het is ongetwijfeld waar, dat in tal van gemeenten onder-zoekingen hebben plaats gehad aan de hand van het voor-beeld, gegeven door de toenmaals bestaande Hoofdinspectievoor de Volkshuisvesting. Het daar gegeven voorbeeld heeftechter eerder betrekking op incidentele onderzoekingen omna te gaan, hoe de toestand op een bepaald moment was dandat het kan dienen ten behoeve van een woningkartotheek,welke voldoet aan de thans algemeen gestelde eisen.Moge het aanleiding zijn dat thans veel gemeenten, liefst alle,dus ook de kleinste, tot het aanleggen en aktueel houden vaneen woningkartotheek zullen overgaan. Laat men nu niet inde kleine gemeenten zeggen, dat men het daar zonder karto-theek wel weet. Dit is slechts ten dele waar. Ten gemeente-huize weet men wel veel, maar lang niet alles en zeker nietomtrent de volkshuisvesting.In een volgend artikel zal ik gelegenheid hebben op hetbovenstaande terug te komen en te vertellen op welke wijzeeen woningkartotheek moet worden aangelegd en hoe zijaktueel moet worden gehouden.Het Woningpeil in het buitenland(I) OostenrijkWij zijn voornemens in een aantal nummers gegevens te pu-bliceren over het woningpeil in het buitenland. Nu bij ons hetwoningpeil opnieuw is vastgelegd door de verschijning vande nieuwe Wenken en de daarmee corresponderende bijdrage-regeling, kan het van enige waarde zijn te weten hoe het peilelders is. Dergelijke gegevens moeten intussen bedachtzaamworden gehanteerd. Het zou gemakkelijk zijn landen op te 070lllllllllllS mSchema van de drie in de tekst genoemde woningtypes. 1. Woonkeuken;2. Kamer; 3. Oudersslaapkamer; 4. Kinderslaapkamer; 5. Kamer voor al-leenwonende; 6. Portaal; 7. Bad.;-s?* ^'sp^sS^^^,'^? 1 ^>1w I;Etagewoningen in Wenensporen waar men kleinere en minder afgewerkte woningenbouwt dan bij ons, om dan te concluderen dat wij over onspeil niet behoeven te klagen en evenzeer om uit het omge-keerde voorbeeld van landen, die ons ver achter zich laten, eenverwijt af te leiden aan degenen, die bij ons het niveau be-palen. Noch het een, noch het ander zou verdedigbaar zijn.Nationale woonzeden en omstandigheden, niet het minsthelaas economische omstandigheden, kunnen niet zonder in-vloed bhjven. Maar dit wil niet zeggen dat elke vergehjkingijdel zou zijn. Als wij met de uiteenlopende omstandighedenrekening houden, kan het won:ngpeil in met Nederland ver-gelijkbare landen wel degehjk tot lering strekken.Wij ontlenen nu enkele gegevens aan de door het gemeente-bestuur van Wenen gepubhceerde normen.De noodzakehjkheid van een voorafgaand stedebouwkundigplan wordt vooropgesteld. Er moet een doorgaand net vanrecreatieruimten ontstaan, waardoor op den duur geen kindverder dan 10 minuten van de naaste speelplaats zal wonen.Grote complexen moeten gemengd uit hoog- en laagbouwbestaan. De geleding stelt men zich voor in woonorganismenvan 3000 tot 5000 inwoners en door samenvatting van tel-Etagewoningen in WenenEengezinshuizen in Wenen40als voetbad.Alle washandelingen vanhet hele gezin zijn in hetLA VET mogelijk.. ,ookhetvoetbad. Deze foto toont dit.Is dit niet handig voor hen,die veel staan of lopen? Hetnemen van een voetbad gaatzander moeite. Men is veriestvan het slepen met teilen en erbehoeft naderhand niets op-geruimd te worden. Stoel enteil, de normale attributenvoor een voetbad, zijn in hetLAVET gecombineerd.fabriek n.v. Baarn.LoodgietersbedrijfA. de GraafiDomselaerstraat 8AMSTERDAM OTel. 55012Aanleg vanGAS- enWATERLEIDINGENLeveringSANITAIROnderhoudGENTRALE VERWARMINGI OVERHEAD DOORSOVER THE TOP DOORS (KANTELDEUREN)en alle andere systemen garagedeurenJ. 6 G. STROBANDNieuwe Teertuinen 22-23 -- AMSTERDAM C. -- Telefoon 47139F0.2Seen kwartje ?Neen: Gebouw F - Stand 25JaarbeursFAKTOR VERVEINHANDEL INBOUWMATERIALENF. * HaariemHoofdkantoor: Spaarnd. weg 21H Telef. 14-264Bijkantoor: Tuinlaantje 6-12 Telef. 13532Telefoon Huis 25820BEVFRWIJK- Scheybeeklaan 16 - Tel. 3879TEGELSAANNEMERSBEDRIJFJ. VAN EGTEREN & ZNUiiliieiisbouwWegenbouv/BurgerbouwGewapendBeionwerkenGrondwerken:nschedf Javastr. 92 - Telefoon 4672Dr LEEFLANGERIN NEDERLANDSE WONINGENP^E metaalindusirie n.v. Amsterdam.TELEFOON K290 0. 46841 - 43969 61147DEVOLLEDIGE P*E COLLECTIE IS TE ZIEN OP DEJAARBEURS TE UTRECHT STAND 72 GEBOUW M CROESELAANReela-MedieusZEGT::n de beste tijd voor abonne's en adverteerdersjreekt aan, telkens wanneer de lezers er echtde tijd voor nemen om hun tijdschrilt ie lezen.Wisl U feilelijk wel, hoeveel personen perabonnement geregeld kennis nemen van eentijdschrilt als dat waarin U nu leesi? Heianiwoord op deze en andere vragen staat ineen rapport van de Nederlandse Organisatievan Tijdschriil-Uitgevers (N.O.T.U.), dat devolledige resultaten vermeldt van een on-1^artijdig onderzoek over geheel Nederland.Wie de zekerheid verlangt, dat zijn advertentie rustig en bij her-lialing gelezen wordt, vrage het Rapport Professionele-Tijdschriiten aanbij de N.O.T.U., Lange Voorhout 14, Teleioon 182139, Den Haag.en,,, XJw advertentie leeft Idngerlkens drie dergelijke eenheden tot een wijk met 10.000 tot15.000 inwoners.In de stadskern moet het aantal verdiepingen van de om-geving worden aangehouden, terwijl aan de stadsrand een-gezinshuizen in strokenbouw de voorkeur hebben.De schakering van de woningen naar de grootte is als volgtgedacht:a. 15% woningen voor alleenwonenden met een woonka-mer, met kooknis, van 18 m^ en een totale woonoppervlaktevan 25 m^.b. 45% woningen met een tweede vertrek. Grootte woon-keuken 20 m^, tweede vertrek 18 m^, totale oppervlakte45 m2.c. 40% woningen met drie vertrekken. Woonkeuken 20 m2,andere vertrekken 16 m2 en 10 m^, totale oppervlakte 56 m^.Gemotiveerde overschrijdingen van deze maten met tenhoogste 2 m- zijn toegelaten.Verder worden een aantal beknopte aanwijzingen gegevenvoor de inrichting van de verschillende vertrekken.In de kelder zijn dienstruimten voorzien.Meer dan 18 woningen vereisen twee waskeukens en vierdroogruimten.Bij grotere complexen worden meestal centrale wasinrichtin-gen opgenomen.De verdiepinghoogten zijn voor de kelderverdieping 2,60 m,voor de bovenverdiepingen 3 m.I H. V. d. W.De Bouwstopdoor Dr Ir F. Bakker SchutMinister In t Veld is, mag ik wel zeggen, in deze moeilijketijd de hoop van hen, die het wel menen met de volkshuis-vesting.Hij heeft het oor van de Tweede Kamer en durft nieuwe pa-den te gaan, waar de oude paden niet naar het doel leiden.Hij waagt het ambtelijke heilige huisjes op te ruimen waardat in het belang is van een vlotte gang van zaken en schroomtniet van de ene dag op de andere het roer om te gooien,indien dat nodig blijkt. Algemeen juicht men het dan ooktoe, dat hij in het nieuwe kabinet teruggekomen is.Dat ik mij gaarne onder zijn bewonderaars schaar, mag echterniet verhinderen, dat (opbouwende) critiek wordt uitgeoefend,wanneer daartoe gegronde redenen zijn; een dergelijke redenis, naar ik meen, in het geval van de bouwstop aanwezig.Wij hebben kennis kunnen nemen van de circulaire van 3Maart j.l. aan de gemeentebesturen, met de bijbehorende richt-lijn ex artikel 17, 3de lid van de Wederopbouwwet en van hethierop befrekking hebbende op 9 Maart door de chef derafdeling Voorlichting van het Ministerie gehouden radio-praatje, waarin een nadere toelichting op de maatregel werdgegeven. Bij overweging van een en ander rijzen de volgendevragen:1. Waren er te veel woningen in aanbouw?2. Indien dit zo is, hoe kon dit dan ontstaan, ondanks denauwkeurige planning en bouwplanbewaking van hetministerie?3. Indien het aantal woningen in uitvoering moet wordenteruggebracht, is dan een algemene ,,bouwstop" het juistemiddel daartoe en zo neen, op welke wijze kan het be-oogde doel dan worden bereikt?Ad 1. Waren er te veel woningen in aanbouw?Uitdrukkelijk wordt in het radiopraatje gesteld, dat de bouw-stop niets te maken heeft met eventuele maatregelen tot be-perking van het woningbouwtempo in verband met de finan-ciele omstandigheden. Het gaat dus klaarblijkelijk uitsluitendom een overspanning van de arbeids- en materialen-markt. ArtikeieLandelijk kan ik dit niet overzien en moet het dus op gezagvan het ministerie aannemen.Duidelijk is echter dat de belasting van de arbeidsmarkt vanplaats tot plaats grote verschillen vertoont en dat dus eenalgemene bouwstop, die in de ene plaats een overspanningvoorkomt, in een andere plaats (tijdelijke) werkloosheid tengevolge moet hebben, iets wat op korte termijn niet voldoendedoor verplaatsing van arbeiders kan worden gecorrigeerd.Als maatstaf voor de vraag of er te veel woningen in uitvoeringzijn, neemt het radiopraatje het aantal in uitvoering zijndewoningen dat bij een productie van 50.000 woningen lagerdan 50.000 zou moeten liggen, omdat de bouwtijd lager daneen jaar ligt.Ik wijs er op dat men hier gevaar loopt zich in statistischecijfers te verstrikken en deze te interpreteren buiten hun be-trouwbaarheidsgrenzen. Zoveel gemeenten als er zijn, zoveelverschillende interpretaties zijn er ook van bouwtijd, aanvangs-datum van de bouw en voltooiingsdatum van de bouw. Iknoem hier slechts het feit, dat dikwijls een complex van hon-derden woningen als aangevangen wordt opgegeven, zodrade eerste woning is aangevangen. Voorts het feit dat (althansin de grote steden) de datum van feitelijke voltooiing velemaanden eerder kan liggen dan de datum, welke aan het Cen-traal Bureau voor de Statistiek wordt opgegeven, omdat voordeze laatste meestal de dag van afgifte van de bewoonbaar-heidsverklaring wordt aangehouden, terwijl de woningen dik-wijls reeds maanden bewoond zijn.Men denke voorts aan de omstandigheid, dat er (althans inde grote steden) geruime tijd verstrijkt tussen de datum vangoedkeuring en de datum van aanvang van een werk. Zoumen zich dus door het cijfer van het ,,uitvoeringsniveau" bijhet al of niet verlenen van rijksgoedkeuringen laten leiden,dan vergeet men, dat dit niveau in de enkele maanden dieverstrijken voor de bouw is aangevangen, nog sterk daalt.Naar mijn oordeel kunnen deze cijfers dus niet dienen voorhet beoogde doel. JRegionaal dient mijns inziens door hetGewestelijk Arbeidsbureau dat hiertoe op grond van zijndagelijks binnenkomende gegevens en praktijkervaring bevoegdis, beoordeeld te worden of er al dan niet een overspanningis op de arbeidsmarkt in het bouwbedrijf.Ad 2. Hoe kon een teveel aan in aanbouw zijnde woningenontstaan 7Na langdurig commissoriaal vooroverleg aan de hand vanwetenschappelijke voorstudies wordt door de Minister eenbouwprogramma vastgesteld, dat door de col'eges van Gede-puteerde Staten over de gemeenten wordt verdeeld. Dit bouw-plan wordt minutieus bewaakt door een systeem, dat eenoverschrijding nog dezelfde dag signaleert. Dus van tweeeneen: of het bouwprogramma was fout, of het ministerie heeftzich van zijn eigen bouwprogramma weinig aangetrokken.Voor insiders is het duidelijk, dat het laatste feit zich heeftvoorgedaan, in hoofdzaak als gevolg van de verlening vanextr^-contingenten en wel in het bizonder voor de zogenaamdegoedkope woningbouw (,,stunt-woningen").Dat de gemeenten gebruik wilden maken van de hun gebodenmogelijkheden, kan hun mijns inziens moeilijk kwalijk wordengenomen.De gang van zaken kan in de volgende cijfers worden weer-gegeven:Aantal woningenAangevangen Gereedgekomen In aanbouwJuh 1950 5.547 3.707 47.352Aug. 1950 6.995 4.217 50.058Sept. 1950 6.530 4.649 51.872Oct. 1950 6.431 4.955 53.296Nov. 1950 4.691 4.629 53.355Dec. 1950 2.962 3.580 52.719Jan. 1951 3.941 2.848 50.134 41Artikelen De cijfers over Februari waren op het moment van het schrij-ven van dit artikel nog niet beschikbaar.De per 1 Januari j.l. gewijzigde opzet van het bouwprogramma(,,richtcontingent", in plaats van contingent) heeft op devorenstaande cijfers practisch nog geen invloed gehad, geziende bouwstop van 4 December 1950 tot 1 Februari 1951 enhet tijdverschil tussen rijksgoedkeuring en aanvang bouw. Datdit gewijzigde contingenteringssysteem na 1 Februari welinvloed zou hebben gehad op het aantal in uitvoering gebrachtewoningen, is weinig aannemelijk, ook al omdat het ministeriesteeds is uitgegaan van de gedachte dat de ,,financiele kraan"als middel ter regulering zou worden gebruikt.Ad. 3. Is een algemene bouwstop het juiste middel?Tegen de genomen maatregel zie ik zeer ernstige bezwaren,die enerzijds het wezen van de bouwstop betreffen en dieandererzijds betrekking hebben op de wijze, waarop de maat-regel is genomen.Gaarne erken ik dat men zich in zijn planning kan vergissen(wat nog iets anders is dan deze doelbewust ter zijde stellen)en dat dan een maatregel tot correctie (verlaging van het aan-tal in uitvoering zijnde woningen) moet worden genomen. Hoelanger men in een dergelijk geval met een correctie wacht,hoe meer de toestand scheef loopt omdat door de tijd, dietussen rijksgoedkeuring en aanvang bouw verstrijkt, elke actieeen uitgesteld effect heeft. Men moet dus de toestand vandag tot dag vo^gen en aanstonds ingrijpen op die plaatsen enin die mate, waar ingrijpen nodig is. Het tegendeel is thansgebeurd. Uit de cijfers blijkt dat hoewel reeds in Augustus1950 het aantal in aanbouw zijnde woningen sterk opliep,eerst op 4 December 1950 een maatregel (de bouwstop) werdgenomen. In plaats van de sluis geleidelijk en regionaal diffe-rentierend open te zetten wordt de gehele bouwstop op 1 Fe-bruari opgeheven. Op 3 Maart wordt de deur weer toege-slagen en ditmaal met een zodanige klap, dat tal van plannen,waarvoor reeds rijksgoedkeuring verleend was, mede wordengetroffen.Terwijl de vorige 'bouwstop door een groot aantal uitzonderin-gen weinig schade aanrichtte, maar ook weinig effectief was,is dit thans anders, ook omdat de maatregel wordt genomenop een tijdstip, het voorjaar, dat voor het in uitvoering nemenvan nieuwe plannen bij uitstek gunstig is.Mijn bezwaren zijn de volgende:a. Een algemene bouwstop draagt een stootkarakter, dat ont-wrichtend werkt op de continuiteit in het bouwbedrijf. Terwijlhet streven (met name ook bij de systeembouw) gericht is opeen continue bedrijvigheid, die financieel-economisch van grotebetekenis is, wordt deze door de getroffen maatregel onmoge-lijk gemaakt. Voor de arbeidsmarkt heeft dit stootkarakteruiteraard funeste gevolgen, omdat men hierdoor beroepsgewijze(eerst bij de grondwerkers, dan bij de metselaars en timmer-lieden, dan bij de stucadoors) tijdelijke werkloosheid gaatforceren.Ook de gemeentelijke planning, die zich moet instellen op eenevenredige verdeling van de aanbouw^ over het gehe'e jaar(vooral in de grote gemeenten), wordt door stootsgewijzebouwstoppen in de war gestuurd met als gevolg opeenhopingvan aanbestedingen in bepaalde gedeelten van het jaar.b. Door de wijze, waarop ditmaal de bouwstop is uitgevaar-digd, wordt het vertrouwen ondermijnd en wel in de eersteplaats het vertrouwen in het beginsel ivan een redelijke orde-ning in het bouwbedrijf, voorts het vertrouwen van de ge-meentebesturen wier afspraken met het ministerie eenzijdigworden doorkruist, en ten slotte het vertrouwen van de parti-culiere bouwers, die op goed geloof in een vastgestelde finan-cieringsregeling na ontvangen rijksgoedkeuring met hun werkwaren begonnen en thans niet zeker zijn van hun financiering.In het radiopraatje wordt gezegd, dat men niet moet sprekenvan een bouwstop, maar van een goedkeuringsstop. Dit isbepaaldelijk onjuist. Immers, terwijl de ministeriele beschikkingvan 3 Maart inderdaad slechts betrekking heeft op rijksgoed-4^ keuringen, gaat de bijbehorende circulaire veel verder.Tal van Woningwetplannen, waarvoor de rijksgoedkeuring(ook uit het contingent 1950) reeds was afgegeven, blijvenliggen, omdat nog geen schriftelijke machtiging tot gunningvan het ministerie was verkregen.Zelfs doen zich gevallen voor, waar mondeling reeds over-eenstemming over de prijs was verkregen, doch de schriftelijkegoedkeuring toevallig nog niet binnen is.Het is duidelijk dat bij de oplopende prijzen het gevolg kanzijn, dat de aannemer zijn bod niet meer gestand kan doenen in een dergelijk geval de strijd om aan de prijs te komenopnieuw moet worden gestreden. Men denke verder aan deverleende extra contingenten (ten dele nog uit 1950), die nietkunnen worden gerealiseerd, ondanks het feit dat de ge-meentebesturen hunnerzijds de tegenover de verlening staandeverplichtingen (bijvoorbeeld de huisvesting van gerepatrieer-den) reeds zijn nagekomen (vergelijk de vragen van hetTweede Kamerlid Mr. de Graaf).Dit alles verwekt mijns inziens onnodige onrust en had ver-meden kunnen worden, indien het ministerie vroegtijdiger enmet adequate middelen maatregelen tot beperking (en niettot stopzetting) van het aantal in aanbouw te nemen woningenhad genomen.In elk geval kan uit deze historie de conclusie worden getrok-ken dat ook ,,stunts" beter binnen het kader van het vastge-stede bouwprogramma plaats kunnen vinden.Is de stedebouw in Nederland op het verkeerdepad ?door Ir W. F. Schut en J. de Waard, B.N.A.,, En dat komt omdat de uitbreidingsplan-nen van onze gemeenten te gedetailleerd wor-den uitgewerkt "Minister In 't Veld volgens ,,Het Vrije Volk"van 10 October 1950De vraag, of de gangbare vorm waarin uitbreidingsp'annene.d. plegen te worden vastgesteld niet een te grote vrijheids-beperking voor bv. de architect betekent, staat de laatste tijdnogal in de belangstelling.Wij willen trachten onze opvatting weer te geven, gegroeidaan de hand van onze praktijk in vele kleinere, dikwijls zeervitale gemeenten in Zuid Holland.Beginnen wij, alvorens de vraag te behandelen, hoever stede-bouwkundige voorschriften en bemoeiingen zich mogen uit-strekken, met ons de gebruikelijke terugblik te getroosten.Stedebouwloze tijdperkBeschouwen we die goede plannen, waarnaar we nu nogmet waardering kijken, dan blijkt steeds weer dat ze cen-voud en ongedwongenheid uitstralen, hoofdkenmerken vande tijd waarin zij ontstonden. Het rhythme van het levenkreeg in de stedebouw gestalte.Na een tijd van betrekkelijk evenwicht in vele opzichten,ontstond als gevolg van allerlei omstandigheden een versto-ring daarvan. Deze voltrok zich zo snel dat de daarvoornoodzakelijke uitbreiding van steden en dorpen daarmee geengelijke tred kon houden.De bestuursorganen misten ervaring en hadden trouwens ookgeen bevoegdheid om leiding te geven aan dit gebeuren. Degevolgen bleven niet uit: de natuurlijke groei der nederzet-tingen ontaardde in een ongebonden uitbreiden-in-het-wilde-weg, gepaard gaande met gemis aan waardering van engevoel voor de bestaande waarden.Men mishandelde, sloopte en rooide veel van het mooie oude,maar was onmachtig er iets gelijkwaardigs -- laat staan ietsbeters -- voor in de plaats te stellen. Het is voor ingewijdenoverbodig de karakteristieke stalen van verwording metnaam en adres op te sommen. We kennen deze niet alleen,maar we weten tevens, dat in de eerste helft der vorige eeuwde stedebouw er aan te gronde ging.Het recht van de (economisch of politiek) sterkste en dezucht tot speculatie maakten dat geen enkele m2 grond, 20-wel binnen steden en dorpen als daarbuiten meer veilig was.Nieuwe wegenHet bleek nodig aan deze roofbouw een halt toe te roepen,meer dan voorheen volgens vooraf op te stellen richtlijnende uitbreidingen van bovenaf voor te bereiden en duidelijkvast te stellen wat wel en niet mocht.De eerst merkbare poging: het instellen van een commissiedie verbetering van de volkshuisvesting beoogde. bedoeldenog geen positief gerichte stedebouw.Als resultaat werd in 1902 de Woningwet van kracht, eenschepping van grote sociale betekenis.Wanneer we thans, bij het kennisnemen van het jongsteontwerp tot herziening van deze wet zien, hoe men wederomvele in de praktijk gegroeide elementen er op wil enten, danmoet men respect hebben voor die eerste conceptie, waarinde huidige stedebouwkundige maatregelen nog altijd hunwortels vinden, zij het met alle onvolkomenheden daaraanverbonden.Onvolkomenheden, inderdaad. Maar deze wet was door deaard van haar bepalingen gericht op de volkshuisvesting.Het is zelfs de vraag of de samenstellers destijds de stede-bouw zoals wij die thans zien, wel voor ogen kan hebbengezweefd.De voorschriften hadden een werende functie, verteldenwaar niet gebouwd mocht worden, legden het zwaartepuntop het roemruchte bouwverbod en haalden daartoe de ont-eigeningswet binnen haar artikelen. De stedebouwkundigeplanvorm verschraalde echter tot het karakterloze stratenplan,omdat men slechts langs ,,aangelegde straten" en op ,,bouw-rijpe grond" mocht bouwen. Maar daarop kon dan ook vrij-wel van alles gebouwd worden, d.w.z. woningen naast fa-brieken, werkplaatsen naast kerken en scholen en dit allesin alle mogelijke hoogten en diepten.In 1921 gingen de , straten, grachten en pleinen" naar deachtergrond en werden alle in een plan begrepen grondenvoor vol aangezien. Het stratenplan werd bebouwingsplan.In 1931 volgde de paragraaf: ,,Regeling der bebouwing ender bestemming van gronden". Het bebouwingsplan werdbestcmmingsplan. Ook deden nu de bebouwingsvoorschriftenhun bescheiden intrede, een element waarmee werkelijk zeerveel viel te regelen.Voorts ,werden met art. 43 de bestaande kernen in het planbetrokken, waardoor beschermende maatregelen in het be-lang van het karakter van het bestaande mogelijk werden.Deze groeiden soms uit tot formele conserverings-, verbete-rings- ja zelfs pmvangrijke saneringsplannen, al of niet incombinatie met andere artikelen (bv. 2 en 6) van de wet.Het hek was nu van de dam; zo goed als alles scheenregelbaar. Maar intussen begon daardoor de vraag op teduiken of we nu niet in een ander uiterste waren beland,nl. een periode van overdreven stedebouw.Overdreven stedebouw?De tweede wereldoorlog schiep, als gevolg van de fahtas-tische vernielingen, ongekende mogelijkheden voor de stede-bouw. Als nieuwe creatie van de uitbreidingsplansoortenontstond het herbouwplan.Dit bracht allerlei nieuwe gebruiken met zich mee. Het had,meer dan de beproefde op lange afstand ingestelde plannen,veel haast om zich te laten verwezenlijken. Ook kon het zichdikwijls op bestaande rechten beroepen. Aan de andere kanthad men het voornemen om in de nieuwe plannen de voor-malige situatie te corrigeren. In dit streven werden de in-middels noodzakelijk geworden herzieningen der bestaandeuitbreidingsplannen no,g al eens mede betrokken. En, aande hand van de hiervoor genoemde ,,geperfectionneerde" mo-gelijkheden kon men vrijwel alias regelen en uitvoerig ge- Artikeieudetailleerd vastleggen.Als men het complex van stedebouwkundige maatregelenoverziet, waarvan vele plannen thans zwanger gaan, kanmen een gevoel van beklemming niet van zich afzetten. Nuheeft elke m2 grond een in onderdelen omschreven bestem-ming, zodat er gevaar dreigt voor oververzadiging van goedebedoelingen.Begrijpelijk dat de vraag opkomt: Kunnen de stedebouw-kundige maatregelen zich niet beperken tot enkele hoofd-zaken? Waarmee evenwel weer een ander uiterste voor dedeur zou staan. Maar in de benauwing van het keurslijf vanbeperkende maatregelen is het begrijpelijk dat allerwege be-zwaren en critiek opgeld doen.Bezwaren en critiekOnder degenen die op de huidige toestand meer of mindercritisch reageren herkennen wij, zonder volledig te zijn, viergroepen.Ten eerste de groep der ,,vrijbuiters', zij die door hun in-stelling bezwaar hebben tegen alle beperkende maatregelenin h't algemeen. We mogen met deze groep kort bezig zijn:zij verdienen feitelijk onze belangstelling niet, ja stellen ervermoedelijk ook geen prijs op. Maar we constateren tenopzichte van hen eenvoudig, dat een streng bindend uitbrei-dingsplan een gebiedende eis is, al zou dit slechts zijn omde belangen van hun medeburgers veilig te stellen,De tweede groep is die der neutralen, die evenwel toch niet20 neutraal zijn als zij zelf menen. Het zijn o.a. de bewoners,de gebruikers van de grond, de boeren, tuinders, industrielen.bouwers enz. Zij gevoelen zich meestal door een gedetailleerduitbreidingsplan belemmerd in hun bedoelingen en wensen.Toch is juist voor hen een weldoordadht uitbreidingsplanzeer nodig, in hun eigen vaak onbegrepen belang, Zo'n plangeeft immers de zo noodzakelijke wisselwerking tussen wen-sen en plaatselijke mogelijkheden. Ja zelfs zullen deze moge-lijkheden door een goed voorbereid plan beter worden uit-gebuit. Ter vergelijking denken we aan het verschil inuitkomst (op den duur!) tussen ogenschijnlijk goedkope roof-bouw en de moderne landbouw met kostbare machines.De derde groep is die van sommige bestuurderen van ge-meenten en hun ambtenarenstaf. In deze kringen heerst, wan-neer een uitbreidingsplan tegen hun eigenlijke bedoelingen ineenmaal moet worden vastgesteld, wel eens critiek op debeperkende bepalingen. Ook voor deze groep is een weldoor-dacht plan van grote waarde, een leidraad voor hun hande-lingen en -- mede -- een afweerwapen tegen soms lastigewensen en strevingen uit de nauwere gemeentelijke kring.Hun plaats is dan ook aan de andere kant van de lijn: zijbehoren medewerkers van het stedebouwkundige plan te zijn.De vierde groep tenslotte vormen de technische dienstenvan rijk, provincie en gemeenten en -- vooral -- de architec-ten die in het plan zullen bouwen. Het zijn in het bizonderde laatsten die zich, bij een te ver doorgevoerd detaillerenvan het uitbreidingsplan, belemmerd gevoelen in de vrije uit-leving van hun vormgevende capaciteiten.Er is inderdaad ook wel aanleiding voor dit gevoel van on-behagen tegen het rasterwerk van een te gedetailleerd plan,nog overkoepeld door welstandstoezicht en supervisor.Tot deze vierde groep zullen wij ons derhalve in het vervolgin gedachten richten.Architect en stedebouwkundigeArchitectuur -- en de architecten zijn daarvan wel het aller-meest overtuigd -- is de geb.onden kunst bij uitnemendheid,Zij is gebonden aan bestemming, volume en in het bizonderaan plaats, de elementen w^aarop het bouwprogramma vande architect is opgebouwd. Deze elementen worden ontleendaan het uitbreidingsplan; ze zijn door de stedebouwkundigedaarin vastgelegd. Hierin ligt dus al een zekere verdelingvan taken. Een verdelingj die het gevolg is van beider in-stelling en ambitie. 4oArtikelenVoor dz stedebouwkundige is de architectuur van een anderewaarde ,dan voor de architect. Voor de eerste is zij middel(groepering, straatwand, accent in hoogte of kleur, enz,).Voor de architect is de architectuur vanzelfsprekend doel(opvatting, vormgeving, materiaalkeuze, details).Geen wonder, dat de stedebouwkundige nogal eens meetconstateren. dat de architect geneigd is alleen zijn object(opdracht) te zien, daaraan zoveel expressie te willen geven,dat het onvermijdelijk belangrijker wordt dan de overigedelen van het plan. En wanneer hij wijzigingen voorsteltin de stedebouwkundige conceptie, hebben die bijna steedsde verbetering van zijn gedeelte tot uitgangspunt. Hij heeftuiteraard niet het overzicht over het geheel, dat de stede-bouwkundige, die onafgebroken het gehele plan in het ooghoudt en elke wijziging slechts kan zien in het ^grotere ver-band daarvan, wel degelijk bezit.Geen plannen met algemeenhedenTeneinde het gebied van de stedebouw tegenover dat vande architectuur duidelijk te omlijnen, dient men de doelstel-ling er van in het oog te houden.Deze is: bestemming van de grond, ruimtelijke ordening.Het spreekt vanzelf dat deze bestemming positief en karak-teristiek moet zijn, niet globaal of schematisch. Een goeduitbreidingsplan is het resultaat van een .geestelijk groeipro-ces. Het resultaat niet het halffabrikaat. De laatste tijd gaanvan buiten de stedebouwkundige kring steeds krachtigerstemmen op, die een verschraling van .de plannen aanbevelentot een soort schematisch geraamtewerk, waarvan feitelijkplaats en afmeting van de wegen de belangrijkste elementenzouden zijn, terwijl de open ruimten daartussen met eenglobale aanduiding hun bestemming zouden verkrijgen, diedoor of vanwege de architecten verder zou worden uitge-werkt. Zij die deze wijze van ,,pla'nologie" voorstaan, ver-leggen echter in feite de vormgevende stedebouwkundige taaknaar o.a. de toevallig tot bouwen in zo'n geraamteplan ge-roepen architect. Maar dan miskennen zij: of het wezen vande stedebouw of de vereiste psyche van hem, die zich aandit werk geeft. Want er is een wezenlijk verschil tussen detypische stedebouwkundige en de uitgesproken architect. Debouwende architect ziet in het gebouw de afzonderlijke een-heid. De ontwerpende stedebouwkundige ziet -- en denktdaarin ook -- het geheel, d.w.z. ruimte -- massa's -- sfeer.Hij wordt niet bei'nVloed en afgeleid door het detail en weetdat hoofdvorm, plaats, silhouet, volume en, vooral, groen-stoffering in het algemene beeld belangrijker zijn. Hij heeftgeen voorkeur voor dit of dat onderdeel, omdat die onder-delen met elkaar het plan vormen. Voor de architect is deplaats van zijn gebouw van een andere betekenis dan voorde planoloog.Behalve de vraag ,,door wie?" is echter ook van betekenisde quaestie ,,hoe?" In het uitbreidingsplan ligt een belangrijkjuridisch element gefixeerd. Beter nog, het uitbreidingsplanis zozeer juridisch ,,getint", dat zijn effect en bruikbaarheidstaat of valt met zijn merites in dat opzicht.Welnu, die juridisdhe qualificatie verdraagt zich practischnimmer met vaagheid en onrijpheid. De schade, die daardooraan de gemeenschap zou worden toegebraoht als gevolg vanonzekerheid ten aanzien van het toekomstig lot van particu-lier en samenleving, is ernstiger dan het gevoel van belem-mering bij diverse belanghebbenden. Een vervlakking vanhet uitbreidingsplan om deze reden is een ernstig plan on-waardig.Evenmin als dit bij enig ander ontwerp mogelijk is, kan meneen uitbreidingsplan te schematisch behandelen. De gegevenswaarom het begonnen is, zoals dichtheid, oppervlakte, groen,straten, diepte van de bouwblokken, de kosten van het planin de ruimste betekenis, enz. enz. eisen, dat men bij wijze vanproeve eerst iets opzet, om dan da'aruit aan de hand vanhet gestelde programma, het plan volledig te ontwikkelen ende algemene gegevens te voorschijn te brengen.44 Men kan in dit verband niet aan de hand van algemeneervaringen een plan tot een ,,voorlopig" eindstadium bren-gen, omdat elk geval anders is. Het is immers vormgevenen niet boekhouden of construeren wat wij moeten doen.Karakter, schaal, bizondere voorzieningen zowel van hetgeheel als van de onderdelen moeten van geval tot gevalworden bepaald en weergegeven.Dit kan niet gedeeltelijk, of globaal, maar vraagt tot opzekere hoogte detaillering. Men bedenke dat de verplichtingtot het doen vaststellen van een uitbreidingsplan een wette-lijke is. Men laat toch ook bij andere .gemeentelijke verorde-ningen de detaillering niet over aan de belanghebbenden?Een uitbreidingsplan is als het ware zo'n verordening inbeeld.Hoe denkt men zich bv. de realisering van de kleinere plan-nen, hetgeen toch in de overgrote meerderheid van onzegemeenten de feitelijke opgaaf van alle dag is, wanneer hetgaat om 1 werkplaats, 1 blokje woningen, 1 kerkje, schoolenz. En dit allemaal successievelijk en door bekwame archi-tecten en zelfs veelal ook door onbevoegden.Hieraan dient duidelijk leiding gegeven te worden vanuiteen centraal plan, dat niet het werk kan zijn van de archi-tect, de tuinarchitect, de weg- of waterbouwkundlge, de fi-nancier of de econoom. Deze alien kunnen door hun aanlegen instelling zich nimmer geheel losmaken van hun object,huis, tuin, techniek, de ,,dubbeltjes" of de rentabiliteit. Zijzijn gebonden aan een concrete opdracht, die weer financieelaan grenzen gebonden is. Slechts de stedebouwkundige ver-mag in dit opzicht boven de partijen te staan; hij moet be-slissen, omdat hij de verantwoordelijkheid voor het bebou-wingsplan draagt en op de hoogte kan zijn ,van alle factoren.Dit mag men van een der anderen zelfs niet eisen.De stedebouw is tenslotte in de eerste plaats overheids-bemoeiing; de stedebouwkundige is degene die dit werk voorde overheid verzorgt en voor het welslagen er van verant-woordelijk is.Detaillering anontbeedijkHet is daarom ondenkbaar dat het stedebouwkundige planeen globaal schema, hoofdzakelijk een stangenveelhoek vanwegen of weg-assen zou zijn. Zelfs het begrip ,,weg" bergtlegio stedebouwkundige interpretaties in zich, afhankelijkvan heel wat meer dan hartlijn en baanbreedte. De stede-bouwkundige kent niet ,,een v/eg". Hij ziet die weg zus endie weg zo. Zonder profiel, sfeer, beplanting, kleur, begin eneinde, wanden en accenten kent hij geen ,,weg ". Ditzelfdegeldt voor alle andere elementen: de bebouwing, het groen,de openbare voorzieningen, blokken of vrijstaande wonin-gen, enz. enz.En dan bovendien: het plan moet een eenheid worden, eensoort organisme. Geen optelsom van allerlei architectonischeexperimenten, die in stedebouwkundig opzicht als droog zandaan elkander hangen en het plan tot een architectuur-verza-meling zouden degraderen.Er moet daarom wel degelijk een opvatting aan het plan tengronds'ag liggen, die slechts door detaillering weer te ge-ven is.De vrees dat een gedetailleerd plan de architecten zou rem-men is ongegrond. Het zal hen juist stimuleren; mits het eengoed plan is, zullen zij het nog beter willen maken. De be-kwame en ambitieuze larchitect komt door het goede plan inactie. Het zal hem inspireren en in de gelegenheid stellen dejuiste betekenis van zijn gebouw -- op de juiste plaats enin de gewenste sfeer -- met de door hem te geven architec-tonische behandeling te onderstrepen.SamenwerkingHet zal aan iedereen wel duidelijk zijn, dat dit ideaal alleente benaderen is door de zo noodzakelijke samenwerking.Dit is ook wenselijk, want het blijkt herhaaldelijk, dat wan-neer een bekwaam architect een onderdeel van een uitbrei-dingsplan te verzorgen krijgt, zijn suggesties betreffende degroepering der bebouwing winst voor het plan betekenen.En een goed plan houdt met deze mogelijkheden, mits iederbaas op eigen terrein blijft, inderdaad wel rekening.Het rekening houden met en verwerken van nadere sug-gesties geldt trouwens cveneens voor alle andere medewer-kers die we reeds noemden. Ook hun aandeel kan, uitgaandevan een coordinerend p'an, verrijkend en verdiepend wer-ken. Dat stedebouwkunde boven alles teamwork is mag welbekend geacht worden, maar dat dit team van uit een cen-traal punt moet worden bezield, wil er vooral heden ten dageminder vlot bij de belanghebbenden in.En ook: een ideale samenwerking strandt 20 af en toe opde juridische beletsels voor een vlotte werkwijze. Want uiteen oogpunt van herzieningsprocedures zijn niet alle wijzi-gingen direct door te voeren.En zo gevoelt men zich toch nog spoedig door een ver ge-detailleerd plan beknot in zijn mogelijkheden.Hoever detailleren?Het is dus van belang, het eens te worden over de vraag,hocver die detaillering bij de huidige juridische stand vanzaken moet worden doorgevoerd.Opgemerkt zij, dat hier verschillende mogelijkheden tot on-derscheiden antwoorden zullen leiden. Het geval van eengroot-stedelijk plan op eigen grond, dat door een aantal be-kwame architecten practisch binnen vijf jaar zal worden vol-gebouwd, staat lijnrecht tegenover het wat groot uitgevaPenplan voor een kleine plaats, waar de gemeente nog geenterrein heeft, ook niet voornemens is veel zelf te bouwen,maar verwacht, dat het plan door aller toedoen geleidelijkvol zal komen.Beperken wij ons tot de meest voorkomende situatie, dieoverigens dichter bij het laatste dan bij het eerste voorbeeldligt, rtl. het plan voor 10 a 20 jaren met de opzet ook vanparticuliere bouw op particulier terrein, dan menen wij temogen zeggen dat de gevaren van een oppervlakkige be-handeling groter zijn dan van een te ver ontwikkelde om-lijning. Evenwel, zoals bij alles en overal: er moet ook hiereen juiste weg in het midden liggen.Waar ligt de gulden middenweg?Stel dat bij het opzetten van een stedebouwkundig ontwerpzeer schematisch wordt te werk gegaan, hoe kan men dande noodzakelijke gegevens (dichtheid, capaciteit, kosten, be-stemming, etc.), gegevens waarom het toch meestal direct tedoen is, met voldoende zekerheid afleiden?Om de dichtheid en de capaciteit te kennen, dient men zichte verdiepen in de verkaveling (type, breedte, hoogte). Wilmen de kosten van het plan berekenen, dan zal het nodigzijn, de oppervlakte van straten en plantsoenen, sportvelden,de aanleg van kunstwerken, de schadevergoedingen bij sa-neringen e.d. vast te kunnen stellen.Zekerheid omtrent de gewenste bestemmingen van de grond(woningbouw, industrie, recreatie, enz. enz.) kan menslechts verkrijgen door deze aan te geven. En wil men ditalles, in onderling verband tot een harmonisch stedebouw-kundig en (of) landschappelijk geheel ordenen, dan zal hettoch, in ieder geval aanvankelijk, in een vrij ver gedetaiPeerdontwerp-plan moeten worden gecomponeerd.Of men de rompslomp, die voor het verkrijgen van dezegegevens nodig is, ook direct officieel vastleggen moet, is eenzaak, waarover men inderdaad verschillend kan denken. Eris o.i. wat voor te zeggen, bij het vaststellen van een planniet direct alle gegevens daarin te fixeren. De verwezenlijkinghoudt veelal geen gelijke tred met het tempo van veranderen-de inzichten en wenselijkheden. Een uitbreidingsplan ver-oudert soms onrustbarend snel, veel sneller dan de ontwer-per, mits deze met zijn tijd meegaat.En het zal daarom zeker aan te bevelen zijn, de plannenzodanig in gedeelten vast te stellen, dat het de noodzakelijkebehoeften als het w^are op de voet kan volgen.In grote lijnen zouden wij ons de gang van zaken als volgtkunnen voorstellen:1. Opstellen van een gedetailleerd ontwerp, aan de hand Anikeieivan planonderzoek en prognose (voorbereiding).2. Begroting van de financiele consequenties (kosten, ca-paciteit, dichtheid) en vaststelling van de te ontwikkelenphasen.3. Opstellen van een plan in hoofdzaken (bestemmingsplan-- basisplan -- schaal 1 : 5000, 1 :2500).4. Vaststellen van die gedeelten als plannen in onderdelenwaarvan verwezenlijking in de directe toekomst te ver-wachten is (schaal 1 : 1000).5. Deze gedeelten nader te detailleren (schaal 1 : 1000 of1 :500), in nauwe samenwerking met de architecten entuinarchitecten, die eventueel aan het plan zullen mede-werken (bebouwings- en beplantingsplan).Het spreekt wel vanzelf, dat de officiele plannen de nodigesoepelheid moeten bezitten. Mogelijk is reeds thans een gro-tere vrijheid in de plan-detaillering en in de bebouwingsvoor-schriften toe te passen.Wij denken aan grotere diepten van bouwblokken, aan va-riatie-mogelijkheden in dakrichting, eindgevel-behandeling,toepassing van erkers en balkons, van grotere speling ingrootte en (of) plaatsing van bijgebouwen, enz.Daarnaast is wenselijk een grotere soepelheid in de her-zienings-procedure. De huidige situatie staat door tijdrovendeomslachtigheid een vlotte aanpassing van de plannen aande practijk in de weg.De wijze van werken bij de plannen voor de grotere ge-meenten, waar de uitwerking veelal in handen van de be-kwamere architecten zal komen, mag intussen anders zijn danvoor de kleinere. Voor deze laatsten zouden wij het afge-ronde gedetailleerde uitbreidingsplan willen aanbevelen, om-dat daar de verwezenlijking meer incidenteel zal verlopen.Over dit alles heen zullen de stedebouwkundige plannen opde punten waar samenwerking noodzakelijk en mogelijk iseen grote mate van aanpassingsvermogen moeten bezitten(teamwork-supervisie). Wanneer dit ontbreekt, omdat hetplan te star is en de wil van de stedebouwkundige te veelaan anderen oplegt, zullen die spanningen ontstaan, ,wa'araanalle goede bedoelingen die er aan ten grondslag liggen tochnog te gronde gaan.Het ontwerp-Ruimtewet.Toetsen we tenslotte onze desiderata aan het ontwerp-Ruimtewet van de staatscommissie-Van den Bergh, hetgeenwe in het kader van dit artikel niet diepgaand meer willendoen. Het lijkt dat onze wensen aan de hand daarvan wel teverwezenlijken zouden zijn. Artikel 6 van Regeling J luidt:1. Een gemeentelijk bestemmingsplan kan, voorzover hetalleen de hoofdlijnen van de ruimtekundige ontwikkelingregelt, bepalen, dat en in hoeverre burgemeester en wet-houders, met inachtneming van de daaromtrent in hetplan vervatte regelen, bevoegd zijn voorschriften te ge-ven, teneinde het plan tot in bijzonderheden nader uit tewerken.2. Deze voorschriften van burgemeester en wethouders be-hoeven de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.Inderdaad! Soepelheid in de practijk belooft dit artikel ge-noeg. Voortaan geen verouderde plannen meer die al te langeen blok aan het been blijven. En dus meer kans op weerklankvan hun ideeen bij de team-leden; minder bezwaar tegen eengoed-doorwerkt plan als juridische basis en vormgevend uit-gangspunt ? Hier aarzelen wij. Onze wensen in de rich-ting van een .groter aanpassingsvermogen van de plannenaan de practijk zijn niet los te denken van de eigen centraletaak, die wij de stedebouwkundige weten toebedeeld. Eenvormgevende taak vooral.Spreekt het ontwerp-Ruimtewet zich daaromtrent ook dui-delijk uit? Bij het doorlezen van de diverse voorschriftenomtrent de bestemmingsplannen e.d., krijgen wij sterk de in-druk, dat in de nieuwe wet aan het vormgevende element inde stedebouw te weinig (feitelijk geen!) plaats is ingeruimd.Het is nagenoeg alles ,,ruimtekundige ordening" wat de klok 4oArtikelenAdressen, enz46sla'at. Wat is hiervan de practische betekenis? Dat in de toe-komst stedebouwkundige plannen verschralen zuren tot be-stemmingsplannen met hoofdelementen, welke 20 nu en danherzien zullen worden, maar waarbij het uitsluitend om deruimtelijke ordening (de optelsom) begonnen is.Eerst de uitwerking van deze plannen in onderdelen, op dedaarvoor volgens de gemeentebesturen geschikte
Reacties