April-Mei 1951lie Jaargaog - No. 4-5De WoningbouwverenigingUitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerschijnt maandelijksAdres yoor Redaotie en Abonnementen! Wouwermanitraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 24298Adret Toor AdTcrtcntiea: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128De woningbouw wordt wezenlijk bedreigdHet zal niemand verborgen zijn gebleven, dat het er in onsland in financieel opzicht weinig rooskleurig uitziet. Bij hetoptreden van de nieuwe regering is aan onze volksvertegen-woordiging duidelijk gemaakt, dat het bezuinigingsmes krach-tig gehanteerd zal moeten worden Vrijwel geen enkel terreinvan het maatschappelijk leven zal door de noodzakelijke ver-sobering ongemoeid worden gelaten. Uiteraard roept iedereoverheidsmaatregel, bedoeld om bepaalde voorzieningen tebereiken, weerstanden wakker uit de hoek, die zich bedreigdof getroffen acht. Wilt U enige voorbeelden hiervan? Delandbouwsector klaagt, dat het bestaansniveau van het agra-rische deel van de bevolking onredelijk zal worden verlaagd;mensen uit het onderwijs vestigen de aandacht op de gevaren,die de opvoeding en de vorming van onze jeugd bedreigen;de middenstand zucht onder steeds zwaarder wordende las-ten; de industrie beweert, dat haar niet de middelen tot nood-zakelijke uitbreiding en vernieuwing worden gelaten; het weg-vervoer betoogt, dat nieuwe belastingen op zijn bestaan on-aanvaardbaar moeten heten; kunstenaars en kunstminnendenvrezen voor aantasting van culturele waarden; de vakbewe-ging uit talrijke waarschuwingen en staat verbeten op de bresvoor de belangen der werknemers.Zo voegen zich de vertogen, klachten en bezweringen tot eenveelstemmige nationale hymne, die niet bijster welluidend inde oren klinkt.. Zo wordt binnen ons volk een zekere ver-deeldheid openbaar, die af te bakenen is langs de grenzenvan het -- op zichzelf redelijke en rechtmatige -- eigenbe-lang.Het is intussen vrijwel zeker, dat enig resultaat als gevolg vaneen protestactie van de ene groep groter nadeel voor anderegroepen of belangen betekent. Wij mogen aannemen, dat menin Den Haag vrij nauwkeurig weet wat er op het ogenblik inonze nationale huishouding nog mogelijk is. De omstandighe-den, die onze nationale mogelijkheden bepalen, staan vast oflaten slechts ruimte voor verschuivingen, die op het totaal-beeld nagenoeg geen invloed vermogen uit te oefenen. Onzeverarming als gevolg van de oorlog is een gegeven; de gewij-zigde verhouding tot Indonesie speelt ons in economisch op-zicht parten; op de Internationale politieke en daarmede nauwverweven economische verhoudingen kunnen wij geen invloedvan enige betekenis uitoefenen; de grote offers tenslotte, dieNederland zich voor zijn defensieve kracht getroost, wordendoor de overgrote meerderheid van onze volksvertegenwoor-diging noodzakelijk geacht. Als de zaken zo liggen behoeftmen waarlijk niet verbaasd te zijn, dat het grote moeite kostom de uitgaven niet nog meer boven de ontvangsten te latenuitsteken dan sedert de oorlog reeds gebruikelijk was. Verderbehoeft het geen verwondering te wekken, dat de bezuini-gingsbui zich met meer of minder intensiteit ontlast bovenvrijwel a//e sectoren van het maatschappelijk en economischleven. ^Uit het bovenstaande kan volgen, dat wij in het algemeenweinig geneigd zijn om al te grote waarde toe te kennen aande vertogen, die zeggen dat dit belang of die economische sec-tor voor de invloed van bezuinigingen moet worden gevrij-Wijsheid van de maand:OUDERS LAAT UW KINDEREN GEEN BOUW-VAKARBEIDER WORDENAdvies van Prof. Tinbergenwaard. Het is interessant kennis te nemen van de vele argu-menten die voor ieder belang worden aangevoerd; men kandie argumenten meer of minder steekhoudend achten; altijdweer zal de conclusie moeten zijn: ,,Toch moet het mes er in,het is betreurenswaardig, maar het kan niet anders!"Het is dus ook naar ons eigen inzicht een waagstuk, dat wijin dit artikel een lans willen breken voor de woningbouw. Wijzijn van oordeel, dat deze woningbouw, geruststellende ver-klaringen van regeringszijde ten spijt, wezenlijk wordt be-dreigd. Dit oordeel zullen wij trachten te motiveren.Welk bedrag kan er in '51 aan woningbouw worden besteed?In het bouwplan voor 1951 is voor de woningbouw gerekendop een bedrag van 560 millioen gulden. Als de geruchtendaaromtrent juist zijn, dan zal er op dit bedrag 20 millioengulden worden gekort. Er is medegedeeld, dat op het totalebouwprogramma voor 1951 een vermindering van circa 300millioen gulden moet worden toegepast. De minister heeft erin zijn radio-toespraak op 2 April j.l. voor gepleit deze bezui-nigingen vooral te zoe'ken in het achterwege laten van nietbeslist noodzakelijke bouwwerken. Als zodanig noemde hijb.v. fabrieken, die niet tot versterking van onze nationale eco-nomie zouden bijdragen, bioscopen en andere inrichtingen vanvermaak, societeiten, schouwburgen en musea en benzinesta-tions. Verfraaiingen van gebouwen en verbouwingen van win-kelpuien zullen niet aan de orde mogen komen. De bouw vankleuterscholen en gymnastieklokalen moet achterwege blijven.Met de bouw van verenigingslokalen, badhuizen, zweminrich-tingen en bankpaleizen zal het voorlopig goeddeels afgelopenzijn. Overheidsgebouwen zullen slechts in uiterste noodzaakworden gesticht en openbare werken zullen zoveel mogelijkworden bepefkt. Blijkbaar koestert de minister de hoop, dat hijdoor deze beperkingen nog in 1951 op de investeringen in degehele bouwsector een 300 millioen gulden kan bezuinigen. Alsdit inderdaad lukt, dan zal het waarschijnlijk niet nodig zijn omhet alsnog voor de woningbouw uitgetrokken bedrag -- 540millioen gulden dus -- nog verder te verlagen. ?Hoeveel woningen zullen er in 1951 gegundkunnen worden?Laat ons nu eens zien, wat er voor de wonigbouw dit jaar metdeze 540 millioen te bereiken valt. Op 1 Januari j.l. waren er52.700 woningen in aanbouw. Het is aannemelijk, dat een grootdeel van dit aantal woningen nog slechts in een der eerstephasen van uitvoering verkeerde. De vrij onrustbarende stij-ging van het aantal-woningen-in-uitvoering manifesteerdezich immers voornamelijk in het tweede halfjaar van 1950. Devraag is nu: welk kapitaal is er nodig om in de loop van 1951ongestoord en in vlot tempo aan deze 52.700 woningen doorte werken? Wij menen veilig te kunnen aannemen, dat aan 4546deze woningen, dooreen genomen, nog ongeveer 3/4 deelvan de totale bouwkosten moet worden besteed. Een officielepublicatie van het Ministerie maakt duidelijk, dat de gemid-delde prijs van de in 1950 goedgekeurde woningen (exclu-sief de grondkosten) nog / 10.690,-- bedroeg. (Voor wie zichhier verbazen wil, diene dat wij juist nog enige plannetjesuit de zgn. ,,vrije sector" hebben gezien: een eenvoudige bun-galow jf 25.000, -- ; een landhuis f 75.000, -- . Wij wetenverder, dat nog in de afgelopen maanden in een dorp met veeloorlogsschade herbouwwoningen zijn aanbesteed en gegundtegen bouwprijzen van f 40.000,-- tot f 60.000,-- per geval).Van een opzienbarende vcrlaging der kosten kan intussengeen sprake zijn geweest, zodat wij zeker aan de veilige kantblijven wanneer wij de gemiddelde prijs van de in aanbouwzijnde woningen op rond f 10.500,-- stellen. Wij komen nuaan onze eerste som: Voor het afbouwen van de in uitvoe-ring zijnde woningen is in 1951 nodig een bedrag van naarschatting 52.700 maal 3/4 van f 10.500,-- is gelijk aan rond/ 415.000.000, --.In Januari 1951 werden er 4.015 woningen in uitvoering ge-nomen. Wij menen te weten, dat nog in Februari de uitvoe-ring van ongeveer 5.000 woningen werd goedgekeurd i). Hetis niet overdreven om aan te nemen, dat er voor de tweede enzeer rigoureuze goedkeuringenstop nog ongeveer 12.000,,wo-ningen ,,door zijn geglipt". Hiervoor zal in 1951 nodig zijneen kapitaal van 12.000 maal f 9.000,-- is gelijk aan/ 108.000.000, -- .Van het totaal-bedrag van 540 millioen gulden blijft dus juist17 millioen gulden beschikbaar voor gunningen, die na degoedkeuringenstop zouden zijn te verlenen. Rckenen wij opeen geleidehjk opendraaien van de kraan na 1 Juni a.s., danzou dit kunnen betekenen:Goed te keuren in Juni: 1.000 woningen.Daarvoor in 1951 te verwerken 1.000 X f 5.000,-- = 5 mln.Goed te keuren in Juli: 1.500 woningen.Daarvoor in 1951 te verwerken 1.500 X f 4.000,-- = 6 mln.Goed te keuren in Augustus: 2.000 woningen.Daarvoor in 1951 te verwerken 2.000 X f 3.000,-- = 6 mln.Na 31 Augustus a.s. zou in 1951 dan geen enkele woningmeer gegund kunnen worden. Opnieuw zal dan voor zeker 4maanden een absolute goedkeuringenstop noodzakelijk zijn.Aan het begin van dit jaar werd nog rekening gehouden metde mogelijkheid, dat ongeveer 48.000 woningen gegund zou-den kunnen worden. Op deze veronderstelling was o.m. deverdeling van de zgn. richtcontingenten gebaseerd. Nu nogverklaart de minister te rekenen op het gereedkomen vancirca 45.000 woningen in 1952. Blijkens de hiervoor gemaakteberekeningen echter -- waaraan mogelijk lets, maar tochweinig essentieels zal zijn te veranderen -- kunnen we slechtsrekenen op de gunning van ongeveer 17.000 woningen overhet gehele jaar 1951.Wij hebben redenen om aan te nemen, dat het merendeel dereerste goedkeuringen^ te verlenen na de ,,bouwstop", betrek-king zal hebben op woningen voor gerepatrieerden, systeem-woningen, woningen in de zgn. vrije sector en woningen voorwerknemers van grote industrieen. Voor de normale particu-liere- en verenigingswoningbouw wordt de spoeling dan weluitermate dun! Naar verlundt zal de regering zich -- andersdan in 1950 -- precies houden aan het uitgestippelde bouw-programma. Veel gelegenheid tot het ongezonde ,,smokke-len" zal er dus niet zijn. Buitendien zal waarschijnlijk van degemeentebesturen worden verlangd, dat zij bij de indieningvan ieder plan voor woningwetbouw aantonen, dat het nodigekapitaal op lange termijn beschikbaar is. Hoe dit verder zij,onze berekening leidt onontkoombaar tot de volgende con-clusie:De gemeenten zullen slechts mogen hopen op het vervullen^) Na het schrijven van dit artikel bleek uit mededelingen van het Cen-traal Bureau voor de Statistiek, dat in Februari 1951 zelfs aan 5.451woningen was begonnen.vap mimJer dan dc helft van haar richtcontingenten voor1951.Hoezeer wij ook ons best doen om in onze redenering op-luchtende fouten te ontdekken, wij moeten er cot onze spijtbij blijven, dat deze vetgedrukte conclusie in grote trekkenjuist is. De aan deze conclusie beantwoordende werkelijkheidzal in tweeerlei opzicht zeer ernstige gevolgen hebben.De gevolgen voor de bouwbedrijvigheidIn de eerste plaats zijn daar de grote moeilijkheden voor debouwbedrijvigheid, Wij kunnen toegeven, dat er thans te veelwoningen in uitvoering zijn. Het is echter aan te nemen, dater door de in de komende maanden geleidelijk afnemendespanning vlot aan de op 1 Januari j.l. in aanbouw zijnde wo-ningen kan worden doorgewerkt.Verreweg het grootste deel van de 52.700 woningen zal op31 December a.s. klaargekomen zijn. Laten wij gemakshajvede in 1951 goedgekeurde en nog goed te keuren woningen(17.000) als overloop naar 1952 beschouwen. Dat wil danzeggen, dat er in het begin van het volgend jaar in het gun-stigste geval tussen de 20 en 30 duizend woningen in aan-bouw zullen zijn. Daarbij nog overwegende, dat blijkens demededelingen van de minister in andere sectoren van de bouw-bedrijvigheid een 280 millioen gulden moet worden bezuinigd,moet worden gevreesd voor een ernstige onderbezetting vande bouwnijverheid in het komende jaar. Maatregelen, die nu,onder de dwang van de ogenblikkelijke omstandigheden rede-lijk of zelfs wel geboden schijnen, zullen pas over een jaarhun schadelijke invloed tonen. In een vorig nummer van hetTijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedebouw heeft Dr IrP. Bakker Schut de consequenties van het schoksgewijze ma-nipuleren met de goedkeuringenkraan duidelijk aangetoond.Als de regering inderdaad de nu door de cijfers voorgeschre-ven weg opgaat, dan zal zij zich ervan bewust moeten zijn,dat er in 1952 in de bouwvakken werkloosheid zal heersen 2).Dan zal met name de Minister van Wederopbouw en Volks-huisvesting zich moeten herinneren welk een moeite het in deachter ons liggende jaren heeft gekost om de bouwbedrijvig-heid en in het bijzonder de woningbouw na een periode vangedwongen onderbezetting weer behoorlijk op toeren te bren-gen. Deze ervaring heeft wel geleerd, dat men onmogelijkmet een enkele viotte handbeweging en met enige papierenmaatregelen de eenmaal uit het spoor gelopen bouw-wagenweer op normale- of topsnelheid brengen kan. Daarmede zalveel tijd, veel energie en veel kapitaal zijn gemoeid, die vrijonnut moeten worden besteed. Het lijkt ons zaak dat ook dewerkgeversorganisaties in de bouwnijverheid van hun doorstudie en practijk verworven inzichten in deze dingen duide-lijk, gemotiveerd en onomwonden blijk geven. Het lijkt ons-- wellicht ten overvloede -- verder noodzakelijk, dat de vak-centralen zich bezighouden met het kennelijk gevaar voorwerkloosheid voor vele van haar leden.De gevolgen voor de volkshuisvestingDe betekenis van een sterk ingekrompen woningbouw voorde huisvesting van ons volk hgt voor de hand. Er zijn geenberekeningen nodig om een ieder te overtuigen van de schadeaan geestkracht en arbeidslust, die een gevolg zal zijn van hettoenemen van de woningnood.Het Nederlandse volk kwam berooid uit de oorlog. Het hadnauwelijks voedsel, het had geen kleding en geen schoeisel,het had geen gereedschappen en geen materialen, waarmedegewerkt zou moeten worden. Tienduizenden landgenotenwaren ernstig ondervoed, in grote delen van ons land baardede gezondheidstoestand van de bevolking zorg. Vervoersmid-delen waren er niet. De wegen waren voor een deel onbegaan-2) Wij vinden nog juist gelegenheid er op te wijzen, dat Prof. Tin-bergen, Directeur van het Centraal Planbureau, op 24 April j.l. in deverbondsraadvergadering van de K.A.B. heeft verklaard, dat de bouw-vakarbeiders er goed aan zullen doen naar andere werkzaamheden in an-dere bedrijfstakken om te zien. Onze vrees blijkt dus niet ongegrond te zijn.Door onvobrziene omstandigheden was het nietmogelijk het Aprilnummer afzonderlijk aan deabonne's te doen toekomen. Thans is een April-Mei-nummer bijgevoegd,- het Juninummer zal inwat uitgebreider omvang verschijnen.baar; de waterwegen waren versperd, talrijke verbindingenwaren verbroken. Onze veestapel was meer dan gedecimcerd;onze Industrie ontbrak het aan grondstoffen en machines. Innauwelijks vijf jaren was dit alles overwonnen. Nog is hetleven voor velen erg moeihjk. Nochtans mag gezegd worden,dat het herstel op ons alien, die het van nabij hebben ervarenen die er aan hebben medegewerkt, een overweldigende in-druk maakt.Het im.ponerende materiele herstel kent een uitzondering. In1945 had Nederland een tekort van enige honderdduizendenwoningen. Dat tekort is er ?-- na zes jaren -- nog! Wij moch-ten hopen op geleidelijke verbetering. Ons volk had aanvaard-- ondanks veel slecht gerucht en ondanks veel ongcmoti-veerde critiek -- dat er met de bestjijding van de woning-nood jaren gemoeid zcuden zijn. Het zal -- onvoorbereid --niet kunnen begrijpen, dat niet alleen de vooruitgang op zichlaat wachten, maar dat zelfs opnieuw achteruitgang zich doetgevoelen.In de Regeringsverklaring is aan de Tweede Kamer -- endaarmede aan ons alien -- gezegd, dat de bestrijding van dewoningnood effectief zal worden voortgezet. Natuurlijk is de-ze verklaring welgcmeend en goedbedocld. De werkelijkheidzal haar echter waar moeten maken. De Redactie van ,,DeVolkskrant" betcogde onlangs in antwoord op enige inge-zonden stukken, dat de vcle afzonderlijke protesten en bezwa-ren, ingegeven door grocpsbelangen, weinig zin hebben. DczeRedactie meende, dat de volksver!.egenwoordiging zo goedmogelijk geinformeerd moest worden -- ook door de burgerij-- en dat ons parlement samen met de regering dan alle za-ken zo bevredigend mogelijk diende te regelen. Wij zijn hetdaarmede uiteraard roerend cens. Fe volkshuisvesting en dewoningbouw hebben met geen enkel groepsbelang te maken.Zij raken de meest waardevolle belangen van ons gehele volk.Daarom hebben wij in dit artikel van onze verontrus.ing overde gang van zaken in de woningbouw doen blijken. Met deVolkskrant moeten wij aan regering en volksvertegenwoordi-ging overlaten, wat tegen de wezenlijke bedreiging van dewoningbouw moet worden verricht. W. S.De moeilijkheden in de kapitaalvoorzieningSteeds hogere spanning.In ons hoofdartikel maakten wij reeds melding van de grotemoeilijkheden, die met name de gemeentebesluren thans on-dervinden bij hun pogingen cm ten behoeve van de woning-wetbouw kapitaal-op-lange-termijn te verkrijgen. Men zietdeze moeilijkheden vrijwel overal als een onmiddellijk gevolgvan de algemene schaarste aan middelen ter belegging. Hetwoningbouwprogramma van de regering wordt sterk beheerstdoor de uitkomst van de berekeningen en schattingen aan-gaande de aanwezige investeringsmogelijkheden. Nog zeeronlangs hoorden wij de minister van Wederopbouw en Volks-huisvesting verklarcn, dat niet het verstrekken van rijksbijdra-dragen en premies de groots e moeilijkheden veroorzaakte,maar dat veeleer de gelden, die verder met de stichhting vande woningen zijn gemoeid, onvindbaar dreigen te worden.Nu men van regeringswege voor de woningbouw in 1951 re-kent op een investering van 540 millioen gulden, mag wordenaangenomen, dat men het in ,,Den Haag" mogelijk acht ditgeld op aannemelijke voorwaarden te verkrijgen. Zo dit nietgeheel mocht gelukken, dan is men blijkbaar bereid het ont-brekende deel van het kapitaal desnoods te ,,scheppen". Zogeredeneerd, zouden de gemeentebesturen dus niet al te on-gerust behoeven te zijn ten aanzien van de mogelijkheden tothet afsluiten van lang-lopende leningen voor hetgeen zij voorde woningbouw in 1951 behoeven.Zo eenvoudig is het echter niet. Het is geen geheim, dat nogvoor vele millioenen, die gemoeid waren met de in vorige ja-ren ondernomen woningbouw, op de kapitaalmarkt een pas-send onderdak moet worden gevonden. Wij be~chikken nietover concrete gegevens, die een betrouwbare schatting vanhet aantal dezer millioenen mogelijk maken. Het lijdt evenwelgeen twijfel, dat de meeste gemeen'ebesturen grotere zorghebben over het consolideren van hun kasgeldleningen of le-ningen-met-korte--looptijd dan over het afsluiten van lang-lopende leningen voor de woningbouw, die nu onderhanden isof komt. Wij menen niet van zwartgalligheid te mogen wor-den beschuldigd wanneer wij stellen, dat er naast de onmid-delijke behoef.e aan kapitaal ook nog een achterstand in dekapitaalvoorziening bestaat. De bedragen, die in 1950 en ooknog in 1949 met de woningbouw waren gemoeid, zijn voor eenbelangrijk deel gevonden op de markt voor kort geld en menis er in de loop van de tijd maar zeer ten dele in ge:laagd omdit korte geld terug te geven uit de opbrengst van leningen,verkregen uit de normaal ter belegging beschikbare middelen.Dit is bedenke ijk. Het betekent immers, dat de zorgen diereeds worden gekoesterd in verband met de noodzakelijke in-vesteringen voor dit jaar, nog worden verzwaard door dezorg, die men ook hebben moet voor het consolideren van deoude korte leningen. Het wil ons voorkomen, dat door dit ver-schijnsel de op zichzelf reeds vrij sombere uitkomsten van deberekeningen, die tot het herziene bouwprogramma voor 1951hebben geleid, een nog wat dieper tint verkrijgen. Bewust be-palen we ons bij onze bespiegelingen alleen tot de woning-bouw, hoewcl wij weten, dat de lagere publiekrechtelijke li-chamen ook uit andere hoofde nog wel enig kapitaal behoe-ven.Betekent renteverhoging redding?Nu is er reeds enige tijd een opmerkelijke ontwikkehng gaan-de. Men weet, dat de gemeenten slechls mogen lenen tegeneen rente-type, dat door de regering is voorgeschreven. Omde zaak eenvoudig te stellen: tot voor kort gold voor de ge-meentelijke lang-lopende leningen een rente van drie en eenkwart procent 's jaars. De geldgevers beweerden zo om-streeks het einde van 1950, dat zij direct zeer grote bedragenop lange termijn ter beschikking zouden kunnen stellen, in-dien de gemeenten slechts werd toegestaan een rentetype vany/2% 's-jaars te accepteren. Vele wethouders van financienmoet in die dagen het water om de tanden hebben gespoeld!Zij zouden immers met een slag uit de zorgen zijn, indien zijslechts een kwart procent meer aan rente mochten besteden.D.'t zou nog niet erg zijn bovendien, want de exploitatie vande woningwetwoningen is toch op een rente van 33/2% ^^ --uit een vroegere periode -- zelfs nog wel op 4% gebaseerd.De sluitende rekening zou in het algemeen dus door een ge-ringe verhoging van het rente-type niet in gevaar komen.Dit moge nu al voor de speciale woningwet-exploitatie juistzijn, in wezen is iedere verhoging van de geldende rentevoetwel uitermate belangrijk. Nog niet zo lang geleden heeft deMinister van Financien voor een uitgebreide kring van ge-meentebestuurders een uiteenzettig gegeven over de gevolgenvan een renteverhoging. Wij menen te weten, dat deze uit-eenzetting het aanvankelijke enthousiasme van velen voor eenbescheiden renteverhog'ng wel aanzienlijk heeft bekoeld.Geheel afgezien van de repercussies, die een zodanige verho-ging op velerlei gebied zou hebben, is het trouwens duidelijk,dat die verhoging in het geheel geen wezenlijke oplossing vande moeilijkheden verschaft. Slechts een enkele wethouder zouaanvankelijk zijn aanvragen voor lang-lopende leningen ge-honpreerd zien. Direct nadat de renteverhoging algemeen istoegestaan vindt men de beurzen gesloten als voorheen.Door een ingewikkeld samenstel van redenen, dat wij hierniet ten tonele vermogen te voeren, is onlangs het gemeente-lijke rentetype met een kwart procent verhoogd. Is er nu meerruimte onistaan? Geen sprake van! Als men stelt, dat de ge-zochte kapitalen geput moeten worden uit het reservoir, waar-in de besparingen van het Nederlandse volk terechtkomen,dan is het duidelijk, dat dit reservoir niet een, twee, drie vol-loopt als het rentetype voor gemeentelijke leningen iets aan-trekkelijker wordt. Op z'n gunstigst zou men op enige gelei- 47delijkc aanwas van de besparingen mogen hopen. Het is ech-ter een zwakke hoop, omdat weliswaar een renteverhoging deaantrekkelijkheid van het sparen kan verhogen, maar tegehj-kertijd de mogelijkheden tot sparen kleiner maakt. Aangeno-men, dat de huidige moeilijkheden inderdaad geheel wordenveroorzaakt door de ontoereikendheid van de besparingen,dan moet de conclusie zijn, dat een verhoging van het rente-type door deze moeihjkheden binnen redelijke termijn geensoulaas kan bieden.Staakt het beleggersfront?De personen en instellingen, die als regel grote kapitalen terbelegging aanbieden, hebben uiteraard vele gelijkgerichte be-langen. De veihgheid en het rendement der beleggingen zijnvoor ieder van hen van eminente betekenis. Het Hgt dus voorde hand, dat op de een of andere wijze een vorm van samen-werking tussen de onderscheidene beleggers is gevonden endat zij er door die samenwerking toe komen om bepaalde re-gels te stellen, waaraan de beleggingen in het algemeen die-nen te voldoen. Deze wijze van handelen kan zeer nuttig enheel wel in het algemeen belang zijn.Wij kunnen ons echter niet onttrekken aan de indruk, dat hetbe'eggersfront geneigd is gebruik te maken van de moeilijkhe-den, waarin de overheid zich ten aanzien van de investerin-gen en de kapitaalvoorziening ziet geplaatst. De spanningenop de kapitaalmarkt nemen geleidelijk toe, de vraag naarlang-lopende leningen is veel groter dan het aanbod, de rege-ring streeft naar credietbeperking en maakt daarom de credie-ten duurder, de Nederlandse Bank verhoogt de rente voor hetkort-lopende geld op abrupte en drastische manier. Allemaalverschijnselen, die het voor de beleggers wel plausibel ma-ken om ook op hun beurt op een wat hoger rendement te?mikken.Het ziet er naar uit, alsof de laatste tijd kort-lopende leningenworden opgezegd en beschikbare kapitalen niet ter beleggingworden aangeboden, omdat de geldgevers menen belang tehebben bij een extra grote spanning op de kapitaalmarkt. Mo-gelijk wensen zij van de gelegenheid gebruik te maken omhet rentetype op te voeren en daardoor het rendement van deleningen te verhogen. Onze vermoedens in deze richting von-den bevestiging in een dialoog tussen een minister en een,,grote belegger". De minister stelde argeloos de vraag of er,speculerende'op verdere renteverhoging, inderdaad kapitaalwordt achtergehouden. Het antwoord van de belegger luidderonduit bevestigend. Vervolgens wenste de minister te weten,welk rentepercentage dan toereikend zou zijn om deze kapita-len vlot te maken. De belegger meende, dat vier procent vol-doende zou zijn. Hij motiveerde dit door op te merken, datmen bij aankoop van staatsfondsen tegen de huidige koersenook reeds een rendement van 4 procent behalen kon. (Hetverdient overigens opmerking, dat dit niet geheel juist is. De31^% lening-1951 doet ter beurze 963^. Dat betekent eenrendement van 3,63%. De 3% Investeringscertificaten doenrond 90. Een rendement dus van 3,33%. U bemerkt wel: vierprocent is wel iets overdreven in de blijkbaar gewenste rich-ting!) De minister kwam er ook niet helemaal uit, want hij wenste verder nog te weten, wat de mensen, die op het ogen-blik hun staatsfondsen op de beurs doen verkopen, met de op-brengst daarvan zouden uitrichten. Ook dit was voor de be-legger geen probleem; hij meende, dat met deze opbrengst debelastingen zouden worden betaald. Zo was het verhaal in-derdaad rond.Intussen heeft deze dialoog ons gesterkt in onze mening, dater ongetwijfeld sprake moet zijn van zekere weerstanden bijde beleggers. Weerstanden, die verhinderen, dat al het be-schikbare kapitaal, ook inderdaad een belegging vindt. Als wijin het voorgaande moesten vaststellen, dat er in de kapitaal-voorziening een bedenkelijke achterstand is ontstaan, en alsdaaraan de conclusie moet worden verbonden, dat dus de be-rekeningen, die aan de bouwprogramma's en andere planning-projecten ten grondslag hggen niet geheel met de werkelijk-4o heid overeenstemmen, dan zal mogelijk een gedeeltelijke ver-klaring voor dit verschijnsel gczocht moeten worden in de sta-kingshouding van het beleggersfront. Wij zijn er ons van be-wust, dat harde zakelijkheid zich moeilijk met rein idealismeverdraagt. Toch kan het wel eens bitter stemmen, dat een fei-telijke belangenstrijd, die min of meer in het verborgene wordtuitgevochten, ook zijn nadelige invloed doet gevoclen op eenzo bij ui.stek sociale voorziening als de woningbouw.Tegenover deze verschijnselen dreigt het moeizame overlegover de na-oorlogse arbeidsverhoudingen en -voorwaarden,zoals dat met terzijdestelhng van de ,,Wet van Vraag enAanbod" voor onze nationale economie toch tot uitnemenderesultaten heeft geleid, wat onwerkelijk te gaan lijken. Wijwillen er gaarne op vertrouwen, dat de belangen van devolkswoningbouw niet door dwangmethoden van de beleg-gers zullen worden geschaad.Een zaak wor het Nederlandse 'polk?Onze beschouwingen over de moeilijkheden in de kapitaal-voorziening zouden, voor wat ons betreft, niet volledig zijn,wanneer niet een enkel woord werd gewijd aan de berichtenen de publicalies, die intussen over een ,,spaar-actie", ,,verso-beringscampagne", ,,kapitaal-injectie", of hoe dit alles verdernog genoemd moge zijn, door de aether en de kolommen vandag- en weekbladen zijn gedwarreld. Het ware ons liever, in-dien wij hierover nog het stilzwijgen zouden kunnen bewaren.Aannemende, dat een beroep op ons volk, om gezamenlijk hethoofd te bieden aan de moeilijkheden, die de woningbouw be-dreigen, weerklank zou vinden, menen wij dat een zodanigberoep pas dan in grote en psychologisch verantwoorde opzetmoet worden losgelaten, wanneer de concrete plannen vooreen actie tot in onderdelen zijn uitgewerkt. ledere toespelingop, iedere voorzichtige aansporing tot, iedere wazige verwij-zing naar hetgeen zou kunnen gebeuren geeft alleen maaraanleiding tot bedenkelijke misverstanden. Misverstanden, diena de medelingen van de minister over hetgeen hij zich tenaanzien van een spaar-actie-of-iets-dergelijks voorstelde, danook ter dege aan het licht zijn getreden. Misverstanden heb-ben van nature een kattenleven; zij kunnen wel zeven dodensterven. Ieder misverstand maakt het klimaat, waarin een mo-gelijke algemene actie zou moeten gedijen, ongunstiger.Verder zijn wij van oordeel, dat het noodzakelijk is de velebelangrijke maatschappelijke organisaties, waarin het Neder-landse volk is verdeeld en verenigd, tevoren bij het overlegaangaande een eventuele landelijke campagne te betrekken.Zolang dit niet in voldoende mate is gebeurd, moet men lie-ver publiciteit over de voornemens vermijden.Wij geloven nog wel in de mogelijkheid om het Nederlandsevolk tot spontane medewerking aan een actie ten behoeve vande woningbouw te bewegen. De voorbeelden uit het verledenen uit het heden zijn er om te bewijzen, dat velen zich daad-werkelijk willen inspannen en zich een offer willen getroosten,wanneer het er om gaat bedreigingen van nationale belangenaf te weren. De woningbouw is zulk een nationaal belang.Het lijkt ons evenwel een voorwaarde tot succes, dat dan hetNederlandse volk zelf -- onder de vrijwillig aanvaarde lei-ding van de eigen al of niet bij de volkshuisvesting betrokkenorganisaties -- de handen aan de ploeg slaat. De rol van deRijksoverheid worde daarbij achter de coulissen gespeeld!Om al deze redenen zouden wij dus vooilopig liever zwijgen.Er is evenwel over deze zaken reeds zoveel geschreven en erzijn zulke vreemde berichten over verschenen, dat wij niet an-ders kunnen dan althans van onzentwege mede te delen watwij ons van een mogelijke campagne ten behoeve van de ka-pitaal-voorziening voorstellen.Om te beginnen is het denkbeeld, dat de Nationale Woning-raad -- blijkbaar samen met anderen -- bij de minister voor-zichtig aan de orde heeft gesteld, vreemd aan het begrip,,sparen". Het gaat er om, dat in de eerste plaats voor dehuidige moeilijkheden in de kapitaalvoorziening een gehele ofgedeeltelijke oplossing wordt gevonden. Een wellicht tijdelijktekort moet worden aangevuld. Niemand weet, hoe in de ko-mende drie, vijf en tien jaar de toestand zich zal ontwikkelen.We wetcn wel, dat het volgend jaar de zaak in ieder gcvaldreigt vast te lopen. Welnu, dan voor het volgend jaar eenpoging gewaagd om die moeilijkheden op te vangen. Daarkan een eigenlijke ,,spaar-actie" niet voor dienen.Sparen is werk van lange adem. Wil men in samenhang metde ogenblikkelijke hulpactie, die nu zou moeten worden on-dernomen, daarnaast en daarboven nog overwegen of en inhoeverre voor komende jaren de jonge mensen voor een eigenwoning kunnen sparen, accoord! Het eerst nodige is evenwelde mobilisatie van a//e burgers, die gelukkig voor het meren-deel niet direct behoefte hebben aan een huis. Dit laatste be-tekent, dat wij aan een eventuele actie dus ook geen gevolgenvoor de toewijzing van woningen willen verbinden,'Zoals tenonrechte in bepaalde publicaties is gesuggereerd. Zou deelne-ming aan een campagne ten behoeve van de kapitaal-voorzie-ning een zekere voorrang verschaffen, dan zou daarmede diecampagne bijna uitsluitend zijn afgestemd op de woningzoe-kenden. Het gaat evenwel om de gehele bevolking. Bovendienis het zjeer de vraag of het op grond van de Woonruimtewetmogelijk zou zijn een constructie te vinden, waardoor aaniemand, die met een willekeurig bedrag aan een landelijkecampagne deelneemt, voorrang bij de toewijzing kan wordenverleend. Weliswaar kan men stellen, dat in ons land dewoonruimteverdeling-naar-behoefte reeds is doorkruist doorde woningbouw in de vrije sector en ook door de woningbouwmet behulp van de premieregeling (over deze woningen kun-nen de eigenaars in de regel vrij beschikken), maar niemandzal er o.i. iets voor gevoelen om deze aantasting van het be-ginsel ,,verdeling naar behoefte" op vrij willekeurige grondenuit te breiden.Wat willen wij dan wel? Ons staat voor de geest de uitgiftevan speciale woningbouwobligaties in coupures van f 20,--,f 100,--. f 500,-- en f 1.000,--. De aflossingsperiode kan 30jaar zijn; het rentetype 2 a 2}/^%. Uit de rentewinst kunnenpremies worden gevormd, die telkenjare onder de uitlotendeobligatiehouders worden verloot. Dit zou de aantrekkelijkheidvan de lening verhogen. De obligaties krijgen een gemeente-lijk kenmerk. De in iedere gemeente geplaatste obligaties le-veren kapitaal voor de woningbouw in die gemeente, welkeniet op grond van de normale richtcontingenten tot stand zoukunnen komen. Zo zou men in de toekomst complexen in aan-bouw kunnen zien, aangeduid met de naam ,,actie-bouw" ofiets dergelijks. Uiteraard ontstaat tussen de gemeenten eenwedijver. Als een ,,Actie-bouw" in een gemeente door de in-spanning van de burgerij mogelijk wordt, dan zal men in na-burige gemeenten niet achter kunnen blijven. Er zijn tal vanaardige bijzonderheden te bedenken, die de kansen op hetslagen van de actie vergroten. Vrijwillig aanvaard overwerkwordt beloond met woningbouwobligaties. De werkgeversverlenen op deze beloning een toeslag in de vorm van obliga-ties. De minister van Financien zou de inkomsten uit de obli-gaties belastingvrij kunnen verklaren. Er bestaat zeker eengoede kans, dat zodoende landelijk een kapitaal kan wordenbijeengebracht, dat enerzijds niet wordt onttrokken aan demiddelen, die normaal ter belegging vrijkomen en dat ander-zijds nu kan worden aangewend voor de woningbouw, dieanders wegens gebrek aan kapitaal achterwege zou moetenblijven.Wij schroeven onze pen nu dicht en hopen, dat wij haar pasdan weer voor het schrijven over deze mogelijke campagnemoeten gebruiken, nadat de Commissie, die de minister heeftingesteld, tot een concreet en uitgewerkt plan zal zijn geko-men en het definitieve startsein zal zijn gegeven.W. S.De oogst van 1950Woningbouw tcHaarlem-OostDe Woningstichting ,,OnsBelang" te Haarlem heeftna de oorlog haar werk kun-nen voortzetten door hetbouwen van 34 duplexwo-ningen, 16 benedenwonin-gen en 34 bovenwoningenop de terreinen aan de Dun-cklerstraat en de Prins Ber-nardlaan. De foto's in ditnummer geven een beeldvan deze nieuwe complexen.Het gemeentebestuur vanHaarlem koesterde reedslang het voornemen om deuitbreidingen aan de meestoostelijke zijde van de stadaf te ronden. Mede door degoede zorgen van de ge-meentelijke dienst vanOpenbare Werken is in1949/'50 aan dit voorne-men gevolg gegeven. Na deeerste opzet op papier is menhet er later over eens ge-worden dat voor een on-derbreking in het langebouwblok aan de Prins Ber-nardlaan de op deze laanuitkomende Julius Ront-genstraat overbouwd zoumoeten worden. Dit is eengelukkige beslissing geble-ken; bet aanzicht van hetvrij lange bouwblok is door deze architectonisch goed op-ge'oste overbouwing ongetwijfeld veel vriendelijker gewor-den. De afbeeldingen 1, 2 en 3 geven van een en ander eenduidelijk beeld.Bouwblok Prins Bernhardlaan te Haarleni 49De voorbcreiding en de uitvoering van dit bouwplan zijnmet voortvarendheid verzorgd. De Heer Huib Tuninga ar-chitect B.N.A., verkreeg in Januari 1949 opdracht tot hetontwerpen van het plan; op 6 Juli 1949 vend reeds openbareaanbesteding plaats en op 12 Augustus vo'gde de gunningaan het Aannemersbed"ijf W. Thunnissen N.V. te Heem-stede. De aannemingssom bedroeg f 844.900,--. Indien hollebaksteen-vloeren inplaats van houten vloeren zouden wor-den toegepast, dan moest deze som met f 10.000,-- wordenverhoogd. In de uitvoering is voor de houten vloeren geko-zen. Om nog even bij de oude gewoonte van prijsbepalingper m3 te b'ijven, zij vermeld, dat deze woninqen, nagenoegzonder bijwerk, zijn k'aargekomen voor / 37,30 per mS. Dekosten voor schuren, bergplaatsen paalfunderingen enz. zijnhierin begrepen.In September 1949 is met de bouw een aanvanq gemaakt;precies een jaar later konden de woningen worden betrok-ken. Het gemeentebestuur en het bestuur van de Woning-stichting ,,Ons Belang" hebben deze heugelijke gebeurtenisop een gepaste vreugdevolle wijze gevierd. Het mag inder-daad een uitstekend resultaat heten, dat ongeveer anderhalfjaar na het verlenen van de opdracht aan de architect dehuizen reeds voor bewoning gereed kwamen. Hierdoor kon-den 118 gezinnen wo-den ver'ost van de ellende van samen-woning en troosteloos wachten.De huurprijzen voor de duplexbenedenwoningen, de duplex-bovenwoningen en de normale beneden- en bovenwoningenkonden worden vastgesteld op respectievelijk / 4,80 / 5^50,f 7 -- en / 6,50 per week. Vermelding verdient nog, dat inde keukens de bekende ,.Fasto"-geysers hun goede dienstenaan de huisvrouw verlenen en dat, mede dank zij deze gey-sers, de douche-celkn comp'eet zijn ingericht. Zeals gebrui-kelijk wordt voor deze extra-voorzieningen een bepaald be-drag boven de normale huur aan de bewoners in rekeninggebracht.De nieuwe compkxen zijn op een vlotte wijze tot stand ge-komen, niet in het minst dank zij de prettige samenwerkingtusisen alien die bij de bouw waren betrokken. Het ge-meentebestuur, de gemeen-telijke diensten, de architect,de aannemers, de Hoofd-opzichter en zijn medewer-ker, de Heren Van Brug-ge en Den Heyer, en zekerniet in de laatste plaats deleden van het dagelijks be-stuur van de Woningstich-ting ,Ons Belang" hebbenin goede harmonie eenwaardevol stuk werk gele-verd. Onze harte'ijke ge-lukwens met deze mooieaanwinst!W. S.fOverbouwing bouwblok Pr. Bernhardlaan, Haarlem50 Bebouwing langs de Julius Rontgenlaan te HaarlemDuplexwoningen van deWoningbouwvereniging,,Ons Belang" te HaarlemMededelingen van de Nationale WoningraadAchterstallig onderhoudZoals bekend heeft het Bestuur van de Nationale Woning-raad zich in opdracht van het Congres-1950 destijds tot deMinister van Wederopbouw en Volkshuisvesting gewend methet verzoek om nog een derde jaar opschorting van aflossingop rijksvoorschotten toe te staan. De daardoor vrijkomendemiddelen zouden dan kunnen worden gebruikt ten behoevevan achterstallige onderhoudswerkzaamheden.Op dit verzoek is thans antwoord ontvangen. De Ministerdeelt mede, dat inwilliging van het verzoek voor het Rijk zouneerkomen op het derven van inkomsten tot een bedrag vanrend 10 millioen gulden in het desbetreffende begrotingsjaar.Dit bedrag zou op een later tijdstip weliswaar toch wordenontvangen, zo schrijft de Minister verder, maar de monetaireen budgetaire toestand van dit ogenblik laat deze verschuivingvan inkomsten niet toe. Bovendien is de minister van oordeel,dat de algemene onderhoudstoertand ten gevolge van de in deafgelopen jaren genomen maatregelen zeer is verbcterd. Het-geen aan achterstallig onderhcudswerk nog niet kon wordenuitgevoerd, zal in de komende jaren geleidelijk tot stand kun-nen komen nu de onderhoudsfondsen tengevolge van de huur-verhoging en daarmede samenhangende verhoging van denormen voor onderhoud zullen worden versterkt, zo voegt deminister cr nog aan toe. Op grond van deze overwegingenheeft de minister op het verzoek afwijzend beschikt.Wij zijn er ons van bewust, dat deze mededeling voor veleleden van de Nationale Woningraad een teleurrtelling bete-kent. Het financiele argument sprcekt ons het sterkste aan.Gezien de vele bezuinigingen, die op de staatsuitgaven moe-ten worden gevonden, is het Degrijpelijk, dat derving van in-komsten bij de minister van Financien heel weinig genadekan vinden. Wij mogen dan ook wel veronderstellen, dat ditfinanciele argument bij het afwegen van de beslissing de door-slag heeft gegeven. Dit aannemende, is het van weinig be-lang in te gaan op de verder door de minister geleverde mo-tivering. Een enkel woord van commentaar mag echter nietachterwcge blijven. Er is ongetwijfeld in de afgelopen jarenveel achterstallig onderhcudswerk aan woningwetwoningenverricht kunnen worden. De woningbouwcorporaties en degemeentebesturen zullen dit dankbaar beamen. Zij zullen even-wel niet kunnen bevestigen, dat de algemene onderhoudstoe-stand nu bevredigend kan worden genoemd. Er bleef ook nade aanwending van de middelen, die beschikbaar kwamendoor de opschorting van twee jaar aflossing, nog veel te doenover. Wij hebben de indruk, dat men over het algemeen slechtshet mee-t noodzakelijke buitenwerk heeft kunnen verrichten.Met stelligheid durven wij verder te beweren, dat er geensprake van kan zijn, dat de verhoogde onderhoudsnormenonder de tegenwoordige omstandigheden het inhalen van denog bestaande achterstand in het onderhoud gedogen. Denieuwe normen zijn voor het normale onderhoud volstrektontoereikend. Dit laatste verdient nog even afzonderlijke be-schouwing.De nieuwe onderhoudsnormenVan verschillende kanten ontving het secretariaat klachten enbedenkingen aangaande de nieuwe onderhoudsnormen. Alge-meen blijkt men in het land van oordeel te zijn, dat deze nieuwenormen een redelijk onderhoud niet mogelijk maken. Men re-kent op het ontstaan of de vergroting van de achterstand inhet onderhoud. In het bijzonder beklagen zich de woningbe-drijven en corporaties in die gemeenten, waar de huurverho-ging uitgaat boven hetgeen voor het optrekken der normennodig is.Deze ernstige aangelegenheid heeft in vergaderingen van hetdagelijks en het algemeen bestuur van de Nationale Woning- 51raad ondcrwerp van bespreking uitgemaakt. Op korte termijnworden nu betrouwbare gegevens verzameld over de standvan het onderhoud, de uitgaven, die na de oorlog met hetnormale onderhoud waren gemoeid, de baten, die uit de huur-verhoging voortvloeien en de bedragen, die voor de verhogingder oude normen nodig zijn. Op grond van deze gegevenszal het bestuur zich nader over mogelijk te ondernemen stap-pen bcraden. Na ontvangst en verwerking van alle gevraagdegegevens zullen in ons orgaan nadere mededehngen volgen.De wijze van onderhoudIntussen heeft het Bestuur van de Nationale Woningraad be-sloten tot het instellen van een commiesie, die zo spoedig mo-gelijk haar bevindingen ten aanzien van de wijze van onder-houd onder de tegenwoordige omstandigheden zal bekendmaken. De commissie is bereids met haar werkzaamheden be-gonnen. Mede ten gerieve van de overheid zal een ernstigepoging worden gedaan om richtlijnen te verstrekkeii voor uni-formiteit in het onderhoud van woningwetwoningen en voorde meest efficiente wijze van onderhoud. De commissie be-staat uit de Heren Joling (Almelo), Lucasse (Amsterdam),Foot (Rotterdam), Scholma (Groningen) en Spek (Amster-dam). Het secretariaat wordt waargenomen door de secre-taris van de Nationale Woningraad. W.S.BEKENDMAKING No. IIdd. 2 April 1951 van^de Interpretatie-Commissievoor de V.R-T. '49.De Interpretatie-Commissie V.R.T. '49, ingesteld door deBond van Nederlandse Architecten, de Nationale Woning-raad en de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvestingbij brieven resp. van 26^Mei 1950 en 7 Juli 1950, maakt metbetrekking tot de berekening van het honorarium bij ,,kenne-lijke herhaling" ingevolge de artt. 21 en 26 van de V.R.T.'49 bekend:dat de Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volks-huisvesting bij de beoordeling van de desbetreffende honora-ria gebruik maakt van een ,,Handleiding Architecten Hono-rarium in zake de artt. 21 en 26 van de V.R.T. '49";dat deze handleiding is en zal worden toegepast voor alle op-drachten, waarvan omtrent de afrekening op 1 Januari 1951nog geen overeenstemming was bereikt;dat de Commissie zich zowel met de in deze handleiding vast-gelegde methode van berekenen, als met de datum van inwer-kingtreding kan verenigen;waarom zij, met goedvinden van de Minister van Weder-opbouw en Volkshuisvesting, deze handleiding, welke als bij-lage hierbij gevoegd is, ter kennis van belanghebben brengt.Namens het Ministerie van Wederopbouw enVolkshuisvesting,(w.g.) Prof. Dr Ir H. G. VAN BEUSEKOMNamens de Nationale Woningraad,(w.g.) Ir L. VAN MARLENNamens de Bond van Nederlandse Architecten,(w.g.) Ir F. J. GOUWETOR.HANDLEIi^ING ARCHITECTEN-HONORARIUMINZAKE ART. 21 EN 26 VAN DE V.R.T. 1949.Art. 1. Indien de opdracht van de architect -- hetzij uitdruk-kelijk, hetzij feitelijk -- niet alle onderdelen, genoemdin art. 4 der V.R.T. '49 heeft omvat, wordt zijnhonorarium beperkt in overeenstemming met de uit-gevoerde werkzaamheden, met inachtneming van deprocentsgewijze onderverdeling, genoemd in art. 21der V.R.T. '49.52 Art. 2. Indien geen aanbesteding is gehouden, maar de ar-chitect in plaats daarvan ondcrhandelingen heeftmoeten voeren ter bepaling van de aanneemsom of-- ingeval van montagebouw -- van de bouwsomvan niet in de met het Ministerie overeengekomenprijs begrepen, onderdelen, wordt het honorariumberekend, alsof de architect de werkzaamheden, ge-noemd in art. 4 onder g, der V.R.T. '49, heeft uit-gevoerd.Art. 3. Indien een architect tegelijkertijd of ongeveer tege-lijkertijd opdrachten van verschillende opdrachtge-vers ontvangt en ter voldoening daaraan bouwplan-nen ontwerpt van eenzelfde type woningen, terwijlde uitvoering van de bouwplannen 'ook (ongeveer)tegelijkertijd plaatsvindt, wordt de grootste van dezeopdrachten als de eerst verleende beschouwd enworden de overige opdrachten beschouwd als kenne-lijke herha'ingen van een reeds eerder uitgevoerdbouwwerk, als bedoeld in art. 26, laatste alinea, derV.R.T. '49.Art. 4. Indien een opdracht gedurende de voorbereiding ofde uitvoering van het bouwwerk wordt uitgebreidmet een aantal woningen van eenzelfde type, wordthet honorarium berekend naar het aantal woningen,dat uiteindelijk in de opdracht was vervat.Art. 5. Indien een woningtype de vrijwel volkomen herha-ling is van een reeds door dezelfde architect in de-zelfde gemeente gebouwd of in uitvoering genomentype, en het niet betreft de uitbreiding van een eerderverleende opdracht, wordt het honorarium berekendvolgens kolom A van de tabel, opgenomen in art. 11van deze handleiding.Art. 6. Indien de in art. 5 bedoelde herhaling voorkomt ineen andere gemeente en het niet betreft de uitbrei-ding van een eerder verleende opdracht, wordt hethonorarium berekend volgens kolom B van de tabelvan art. 11, behalve als het bestuur dezer gemeentedoor dezelfde dienst van bouwtoezicht en tevensdoor dezelfde schoonheidscommissie wordt geadvi-seerd a's dat der gemeente, waarin de eerste groepwoningen werd gebouwd in welk geval het hono-rarium wordt berekend volgens kolom A van art. 11.Art. 7. Indien een woningtype de kennelijke herhaling isvan een reeds door dezelfde architect in dezelfde ge-meente gebouwd of in uitvoering genomen type, dochmet wijzigingen in bestektekeningen, bestek, begro-ting en werktekeningen, ten behoeve van wijzigin-gen in fundering, vloer- en kapconstructies en on-dergeschikte veranderingen in plattegrond en/of ge-vels, en het niet betreft de uitbreiding van een eerderVerleende opdracht, wordt het honorarium berekendvolgens kolom C van de tabel van art. 11.Art. 8. Indien de in art. 7 bedoelde herhaling voorkomtin een andere gemeente, en het niet betreft de uit-breiding van een eerder verleende opdracht, wordthet honorarium berekend volgens kolom D van detabel van art. 11, behalve als het bestuur dezer ge-meente door dezelfde dienst van bouwtoezicht entevens door dezelfde schoonheidscommissie wordtgeadviseerd, als dat der gemeente, waarin de eerstegroep woningen werd gebouwd, in welk geval hethonorarium wordt berekend volgens kolom C van detabel van art. 11.Art. 9. Indien een woningtype de kennelijke herhaling isvan een reeds door dezelfde architect in dezelfde ge-meente gebouwd of in uitvoering genomen type, doch met .grotere wijzigingen" in bestektekeningen,bestek, begroting en werktekeningen, ten behoevevan wijzigingen in fundering, v'oer- en kapconstruc-ties en ondergeschikte veranderingen in plattegronden/of gevels en het niet betreft de uitbreiding vaneen eerder verleende opdracht, wordt het honora-rium bcrekend volgcns kolom E van de tabel vanart. 11.Art. ,10. Indien de in art. 9 bedoelde herhaling voorkomt inj ' een andere gemeente en het niet bctreft de uitbrel-ding van een eerder verleende opdracht, wordt hethonorarium berekend volgens kolom F van de tabelVan art. 11, behalvc als het bestuur dezer gemeentevoorlopig ontwerpdefinitief ontwerp .materiaalstaten en begroting .bestektekeningenbestekalgemene details bij het bestekaanbcsteding ....werktekeningen ....uitvoering en afrekening .herhalingIn elk der gevallen, genoemd in de artt. 5 t/m 10 van dezehandleiding wordt het honorarium gesteld op een gedeelte vanhet krachtens de V.R.T. '49 berekende bedrag, overeenkomen-de met het totaal percentage, genoemd in de de'betreffendekolom van bovens^aande tabel, tenzij de posten ,,aanbesteding",,,uitvoering" en/of ,,atrekening" niet voor honorering in aan-merking komen, in welk geval het totaal-percentage wordtverminderd met het voor deze posten in de desbetreffende ko-lom aangegeven percentage.Art. 12. Indien een woningtype grotere afwijkingen vertoont< in bestektekeningen, bestek, begroting en werkteke-ningen ten behove van grotere wijzigingen in fun-deringen, vloer- en kapconstructies en veranderin-gen in plattegrond en/of gevels dan bedoeld in art.9, wordt het niet als een kennelijke herhaling aan-gemerkt.door dczelfde dienst van bouwtoezicht en tevensdoor dezelfde schoonheidscommissie wordt geadvi-seerd, als dat der gemeente, waarin de eerste groepwoningen werd gebouwd, in welk geval het honora-rium wordt berekend volgens kolom E van de tabelvan art. 11,Art. 11. ,,Berekening van het honorarium bij herhalingen".B D5 10 5 10 5 10-- ,-- .-- .-- , . ,5 5 5 5 5 5-- -- 5 5 10 10-- -- 2,5 2,5 5 5-- -- -- ^ 2,5 2,55 5 5 5 5 5-- -- 2,5 2,5 2,5 2,530 30 30- 30 30 30* * * * ? 5 5 5 5 5 5Totaal 50% 55% 60% 65% 70% 75%Art. 13. Indien, ingeval van montagebouw, de opdracht tothet ontwerpen en het maken van de tekeningen doorde bouwondernemer aan een architect wordt verleend,kan de bouwondernemer, ongeacht de omvang vanzijn opdracht aan de architect, geen recht doen gel-den op honorarium voor de materiaalstaten en begro-ting, voor de aanbesteding en voor de uitvoering enafrekening. Voor deze posten wordt het honorariumverminderd met inachtneming van de desbetreffendepercentages, genoemd in art. 21 van de V.R.T. '49.Art. 14. Ingeval van montagebouw, als bedoeld in art. 13van deze handleiding, wordt voor de uitvoering ende afrekening het honorarium, bedoeld in art. 21 vande V.R.T. '49 sub i., betaald aan de architect, diedoor de opdrachtgever met deze werkzaamheden isbelast.Circulaires van het Ministerie van Wederopbouw^en VolkshuisvestingAfdeling. Financiele ZakenNo. 328001Onderwerp:Bestemming van baten derhuurcorrectie van de Wo-ningwetwoningen.'s-Gravenhage, 30 Maart 1951.De GemeentebesturenIn mijn circu^aire dd. 2 Juli 1949 nr 78206 c, betreffendehuurcorrectie Woningwetwoningen, nodigde ik U uit voor-stellen in te dienen tot een correctie van de huurprijzen vanWoningwetwoningen, welke zo laag waren, dat zij belangrijkbleven beneden de plaatselijke markthuur, zonder dat dit mo-tivering vond in een evenredig laag inkomenspeil van debewoners. Aan deze uitnodiging hebt U gevo g gegeven,hetgeen er toe heeft geleid, dat de bedoelde correctie tenaanzien van in Uw gemeente gelegen Woningwetwoningenheeft plaats gevonden, respectievelijk binnenkort zal plaatsvinden.Ingevolge vorengenoemde circulaire mag de hogere huur-opbrengst welke uit de huurcorrectie voortv'oeit, in de eersteplaats worden aangewend voor verhoging der normen vooronderhoud en administratie tot een maximum dat gelijk isaan hetgeen voor de na-oorlogse Woningwetwoningen istoegestaan; het meerdere moet worden aangewend overieen-komstig de voor de exploitatie der voor-oorlogse Woning-wetwoningen geldende voorschriften.Het heeft mijn aandacht getrokken, dat de uit de huurcorrec-tie voortvloeiende hogere huuropbrengst veelal niet wordtverantwoord op de exp'oitatie-overzichten, doch rechtstreeksten gunste van het onderhoudsfonds wordt gebracht. Daarik mij hierdoor geen inzicht kan verschaffen omtrent de op-brengst van de huurcorrectie en de wijze, waarop deze isaangewend, verzoek ik U de voor 1 Januari 1951 ontvangenbruto-opbrengst van de huurcorrectie afzonderlijk onder deontvangsten op de nog in te dienen exploitatie overzichtente vermelden en onder de uitgaven tot uitdrukking te bren-gen op welke wijze deze opbrengst is besteed (b.v. door eenextra storting in het onderhoudsfonds). Ik merk hierbij nogop, dat, indien de opbrengst van de huurcorrectie geringeris dan het bedrag, dat nodig zou zijn om de normen voor on-derhoud en administratie op te voeren tot de bedragen, diedeswege voor de na-oor'ogse woningen gelden deze normenuiteraard met niet meer mogen worden verhoogd dan hetbedrag van de opbrengst der huurcorrectie (hieronder teverstaan: het verschil in bruto-huuropbrengst na en voorde correctie).Per 1 Januari j.l. is de algemene huurverhoging tot standgekomen. In verband hiermede bestaat thans niet langer eenreden voor een bijzondere regeling in zake de bestemmingvan de baten van de huurcorrectie. Deze regehng is indertijdin het leven geroepen vooruit lopende op de komende al-gemene huurverhoging. Nu deze een feit is geworden, dient-- te rekenen met ingang van 1 Januari 1951 -- ten aanzien 53van de baten van de huurcorrectie op dezelfde wij2e te wor-dcn gehande'd, als met betrckking tot de baten van de huur-verhaging is voorgeschreven; wat dit betreft verwijs ik Unaar mijn circulaire van 30 Maart 1951, nr 328002 c. betref-fendc bestemming van de baten der algemene huurverhogingvan de Woningwetwoningen. Derhalve behoeft de van 1Januari 1951 af ontvangen opbrengst van de huurcorrectieniet meer afzonderlijk op de exploitatie-overzichten tot uit-drukking te worden gebracht.Ik nodig U uit voor zoveel nodig het vorenstaande ter kcn-nis te brengen van de woningbouwcorporaties, die in Uwgemeente werkzaam zijn.De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvestingw.g. J. in 't Veld.MINISTERIE VAN WEDEROPBOUW EN VOLKS-HUISVESTINGAfd. Financic'e ZakenNr. 328002De Gemeentbesturen's-Gravenhage, 30 Maart 1951.Onderwerp: bestemming van de baten deralgemene huurverhoging van deWoningwetwoningen.Aan het slot van mijn circulaire dd. 21 December 1950, bc-treffende huurverhoging van met Rijkssteun gebouwde wo-ningen, stelde ik in uitzicht omtrent de bestemming van de.^^-^'-"^' f
Reacties