September 1951lie Jaargang ? No. 9De WoningbouwverenigingUit^ave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerschijnt maandelijksAdres Toor Redaotie en Abonnementen: Wouwermanitraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 24298Adrei yoor Adyertcntiea: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128Geen geld - geen woningenSinds de goedkeuring van woningbouwplannen afhankelijkis gestcld van de mogelijkhcid om een geldschkter bereid tevinden de bouw met een langlopende lening te financieren,is er een wilde jacht gaande naar de bronnen, waaruit menmet enige hoop nog kan verwachten, dat de benodigde mid-delen kunnen worden geput.Het spreekt vanzelf, dat slechts in betrekkelijk geringe matede hier bestaande behoefte kan worden gedekt en dat totdusverre alleen slechts in zeer bijzondere omstandighedeneen gemeente er in kan slagen een beduidend bedrag op te,.scharrelen". Het is hier -een kwestie van ,,er is niet", Wantook die gemeenten, die, dank zij een of andere industrieel,die bij de woningbouwplannen belang heeft of daarin eenbelang, ook voor zijn bedrijf, ziet, een weg vonden om derente van 4%, die de Regering als maximaal to^elaatbaaracht, te overbieden met 1/2% of ^%, slaagden niet vlot inde ontduiking van de gestelde voorwaarden.Verhoging van de rente, wij betoogden het al eerder, hetbaat hier niet, want er is een gebrek aan kapitaal en voordeze investering komt men niet aan bod bij de huidige ver-houdingen op de markt.De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting heeftbij meer dan een gelegenheid erop gewezen, dat alleen dooreen nog verdergaande besparing op onze consumptie de mid-delen zullen kunnen worden gevonden, die nodig zijn om dewoningbouw voort te zetten op voldoende schaal.In het bijzonder de bezuiniging op allerlei door de Ministeronder de categorie van genotmiddelen gerubriceerde uitga-ven, b.v. die voor drank, snoeperij, alsmede de rookgewoon-te, -v^jerd daarbij mogelijk en urgent geacht.Nu zal men van mij. die al meer dan 30 jaar niet rookt endie ruim 40 jaar de blauwe knoop draagt, moeilijk anderskunnen verwachten, dan dat ik de theoretische mogelijkheidvan yerregaande bezuiniging op dit punt zonder schade voorde vJDlksgezondheid wel onderschrijf. IMiaar er is nogal enigverschil tussen de theoretische mogelijkheid, de wenselijk-heid en de practische doorvoerbaarheid.De niet-rokers en de geheelonthouders zijn niet debet aan devele millioenen, die voor rookartikelen en alcoholhoudendedranken worden uitgegeven door ons volk, maar of bij velenvan hen, tegenover de besparing daarmede verkregen, geenandere uitgaven staan, die ook tot de categorie ,.genotmid-delen" moeten worden gerekend, waag ik, op grond van eigenervaring, sterk te betwijfelen. Want boeken en tijdschriften,bioscoop-, schouwburg- en concertbezoek, enz. enz. behorenook tot de ,,genotmiddelen", al is 't van geheel andere en --uit een oogpunt van ,,cultuur" -- hogere orde.Wil op dit terrein lets bereikt worden, dan zal de algemenebereidheid om iets te offeren, zich lets te ontzeggen, er moe-ten zijn. Men zal doelbewust zijn behoeften moeten inkrim-pen en zorgen, dat de bedragen, ingelegd op de spaarbank-boekjes, regelmatig gaan stijgen. Op die manier zullen, viade spaarinstellingen, de kapitalen vergaard worden, die voorinvestering in de sector van de publiekrechtelijke lichamenvrijkomen. Maar niet alleen op deze wijze zal getracht moe-WIJSHEID VAN DE MAAND:JE GELD OF GEEN WONING!Nieuw motto voor huisvestingsambtenarcn.ten worden de middelen voor de financiering van onze wo-ningbouw te vinden. Het gaat niet aan, dat er in de sectorvan de particuhere investeringen nog zoveel uitwijkmoge-lijkheden zijn, dat men daar kans ziet voor 100% de ver-langens te bevredigen.Via de weg van niet uitgekeerde winsten of langs die vanwinstuitkering in de vorm van nieuwe aandelen vinden reedsinvesteringen op ruime schaal plaats. Maar op allerlei wijzewordt ook een beroep gedaan op de kapitaalmarkt en wordtde groep beleggers, die niet-risicodragende, wel vaste rente-dragende beleging verlangen, door hogere rente en vaak bij-zondere attracties bewogen om in plaats van aan de Over-heid aan de grote particuhere concerns te lenen.Voorheen was hier de uitgifte van nieuw aandelenkapitaalgebruikelijk, maar aangezien die belegging voor grote groe-pen van de z.g. institutionele beleggers, op grond van allerleial dan niet steekhoudende bezwaren, niet of slechts in be-perkte mate in aanmerking kan komen, heeft men nu een an-dere koers gevolgd.Hoeveel honderden millioenen er in de laatste jaren op dezewijze in de particuliere investerings-sector terecht zijn geko-men, is door mij niet bij benadering te schatten. Dat het eenheel groot bedrag is, staat wel vast.Indien deze gang van zaken er echter toe moet leiden, datde Overheid voor haar investeringen ten algemene nutteachter het net zal vissen, dan spreekt het wel van zelf, datzulks niet bestendigd kan worden en dat maatregelen nodigzijn om te zorgen, dat ook deze investeringen gefinancierdkunnen worden.Tot op dit ogenblik is het niet duidelijk geworden welke dezemaatregelen zullen zijn, maar er gaat geen dag voorbij of erkomt mij wel een of andere aanbieding van een gemeenteonder de ogen, die demonstreert op welke wijze men trachtnog kapitaal aan te trekken. Dan wordt de officiele rente van4% aangehouden, maar, door een uitkering ineens van eengekapitaliseerde hogere rente, aangeboden door een plaat-selijke Industrie, in feite 41/2%, zelfs reeds 43^%, aangebo-den aan de beleggers. Dit is een gegoochel, waaraan eenzichzelf respecterend gemeentebestuur m.i. niet mag mee-doen 1). Het is een aanfluiting van de door de verantwoor-delijke autoriteiten doelbewust gevoerde politick en het on-3) Wij kennen zelfs een geval, waarbij door particulieren de contantewaarde van de renteverhoging (per woning een bedrag van ? / 600,--)aan de gemeente wordt betaald. Particulieren, wel te verstaan, die daar-tegenover het recht op toewijzing van de woning verwerven en die duseenvoudig aan de plaatselijke overheid sleutelgeld betalen. Met toe-stemming blijkbaar van de centrale overheid. Redactie 89dergraaft in niet geringe mate hct gezag van onze Regering,terwijl het de gehele loon- en prijspolitiek in gevaar brengt,omdat wie zich eenmaal op dit hcllende vlak der vrije prijS'vorming begeeft, steeds sneller en sneller zal afdalen in deafgrond van de inflatie.Het gaat niet aan, dat wel grote kapitalcn worden bcschik-baar gesteld voor heel dure en luxueus ingerichte kantoorge-bouwen en voor de bouw en/of aanschaffing van uit eenoogpunt van rationele en efficiente bedrijfsorganisatie vaakniet of ternauwernood verantwoorde inrichtingen en instal-laties, maar dat de kapitalen nodig voor het bouwen van dewoningen, waarin de arbeiders en employe's moeten huizen,niet beschikbaar kunnen worden gesteld.De vrije prijsvorming, voor wat de rente betreft, wordt onsaanbevolen als het enige onfeilbare middel om deze crisistc overwinnen, Laat dit maar gaan, zo zegt men, en alles zalop z'n pootjes terecht komen als het natuurlijk evenwicht ishersteld. Wie dit gelooft. sluit de ogen voor de gevolgenvan die vrije prijsvorming en vergeet ook, dat het tegenoverde arbeiders, die in de dagen der schaarste aan arbeids-krachten, in het bijzonder in de bouwvakken, zich hebbenmoeten neerleggen bij de loonstop, niet te pas komt om mettwee maten te meten.Bij behecrste lonen moeten aansluiten beheerste prijzen en inde allerlaatste plaats een breideling van inkomen uit bezitzonder arbeid, het z.g. arbeidsloze inkomen.Zij die, nu van deze groep geeist moeten worden om naastde arbcidsvrede de kapitaalvrede te handhaven, de kreet,,vrijheid" aanheffen, bedoelen zeer duidelijk de eigen vrij-heid om ten koste van de volksgemeenschap te profiteren.Het wordt nu hoog tijd voor de Regering om in te grijpen.Elke dag stijgt de rente en brokkelen de koersen van onzebeleggingswaarden af. Het spel van de kat met de muis gaatrcgelmatig door en wat het einde zal zijn en waar het rust-punt van de bevrediging zal komen te liggen is niet te voor-spellen. Inmiddels worden ook elke dag de gevolgen ernsti-ger en stijgt de woningnood schrikbarend, terwijl op groteschaal bouwvakarbeiders tot werkloosheid worden gedoemd.De chaos dreigt aan het einde van deze z.g. natuurlijke prijs-vorming. Tj. KINGMABurgerzinHet is volkomen ondoenlijk om in ons maandblad aandachtte schenken aan de vele '-- dikwijls opmerkelijke -- beschou-wingen, die in vak- en dagbladpers aan de woningbouwworden gewijd. Voor eenmaal willen wij die ondoenlijkheidterzijde stellen. In ,,de Volkskrant" van 25 September j.l.schrijft de redactie een artikel in de rubriek ,,Ten Geleide"onder het opschrift ,,Burgerzin". Wij nemen dit artikel on-verkort over:,,Burgerzin"-woningen doopte met een treffend juist woordde burgemeester van Holten de acht huizen, welke dezekleine gemeente kan gaan bouwen met het resultaat van eenonder de burgerij uitgeschreven geldlening. Berichten overdit soort gemeentelijke lening-politiek terwille van de wo-ningbouw duiken plotseling vrijwel dagelijks op en ministerIn 't Veld heeft het vorige week op een persconferentie toe-gejuicht dat gemeenten, die op de krappe kapitaalmarkt moei-lijk aan bouwgeld kunnen komen, een beroep doen op deburgerzin van de ingezetenen.Op zichzelf is vooral de vlotheid waarmee in enkele geval-len reeds de burgerij aan die leningen deelnam prijzenswaar-dig. Al mag niet worden verheeld, dat waar soms de geld-verstrekkende industrie accordeert, dat het geleende geldbinnen betrekkelijk korte tijd moet zijn terugbetaald -- dekans bestaat. dat de gemeentelijke gemeenschap zich eeny(j zware geldelijke last op de hals haalt. Bovendien, zo komthet ons voor, zullen gemeenten, met overwegend arbeiders-bevolking moeite hebben om een dergelijke lening voltekendte krijgen. Arbeiders --- indien zij al kunnen sparen -- zui-nigen 'n centje uit met de bedoeling straks (en dat is als re-gel: binnen korte tijd) bijvoorbeeld kolen of kleding te ko-pen. Zij kunnen zich niet permitteren hun geld te steken inlanglopende leningen, zelfs al geven die enkele percentenmeer rente dan de spaarbank.Dit verschil in kansen voor de verscheidene gemeenten doetde vraag rijzen of hier niet meer te bereiken valt in lande-lijk verband. Om man en paard te noemen: zou het -- minof meer naar het voorbeeld van Belgie -- niet mogelijk zijn,dat de regering ten gerieve van de woningbouw een natio-nale prcmie-lening uitschrijft. Tegen een aantrekkelijkc renteweliswaar, maar met de aantrekkelijke ,,bijkomstigheid" deruitloting, welke de deelnemers aan de lening kans geeft opeen financiele meevaller. Er mag dan een tikje gok-lustgaan meespreken, er blijft voldoende gelegenheid om op na-tionaal niveau blijk te geven van zijn burgerzin. Dat diemetterdaad leeft is dezer dagen al in menige gemeente geble-ken.Zonder die burgerzin zal het moeilijk genoeg zijn om hetwoningprogramma 1952 te verwezenlijken. Maar als de re-gering zou komen tot een nationale premie-lening, dan isspoed geboden. Hoe meer gemeenten immers -- al of nietmet ,krom liggen" -- hun eigen boontjes trachten te dop-pen, des te minder nationaal kan zo'n premie-lening zijn."Deze beschouwing geeft uiting aan dezelfde bezorgdheid, dieons reeds enige-weken vervult. In het April-Mei-nummer vanons maandblad stelden wij de zaak van een nationale premie-obligatielening ten behoeve van de woningbouw aan de orde(biz. 48^--49). Het is ons bekend, dat sedertdien een breedsamengestelde commissie de mogelijkheden voor en de voor-waarden van zulk een premie-lening onderzoekt. Het komtons voor, dat ook de redactie van ,,de Volkskrant" op dehoogte moet zijn van de voorbereidingen voor een nationaleactie.Wij hebben reden om aan te nemen, dat binnen niet al telange tijd een landelijke woningbouwpremielening zal wor-den uitgeschreven.Gedurende de voorbereidingen daartoe lijkt het onverstan-dig om plaatselijke -- dus afzonderlijke ^- initiatieven indeze zelfde richting te bevorderen. Wij hebben -- kennisdragende van hetgeen straks landelijk aan de orde komt --in voorkomende gevallen aan gemeentelijke initiatiefnemersgeadviseerd hun plannen op te schorten, totdat aan een na-tionale actie zou kunnen worden deelgenomen. Wij baseer-den dit advies op tweeerlei overwegingen. In de eerste plaatsis het duidelijk, dat de kansen voor het welslagen van eenlandelijke actie geringer worden naarmate meer plaatselijkeacties worden ingezet en volvoerd. In de tweede plaats washet bij de voorbereiding van de landelijke actie van de aan-vang af de bedoeling, dat de opbrengst van deze actie zoudienen voor de financiering van een aanvullend bouwpro-gramma. Men verwachtte immers algemeen, dat het officielebouwpro.gramma voor 1952 zou achterblijven bij de aanvan-kelijke verwachtingen. Intussen verwierven wij hieromtrentde nodige zekerheid (15.000 woningwetwoningen in 1952!)Om die beperking geheel of ten dele ongedaan te kunnenmaken zou men dus een beroep doen op de burgerij en omdit beroep zo sterk mogelijk te maken, zou men het lande-lijk en in samenwerking met tal van maatschappelijke orga-nisaties voorbereiden. Dit edele streven wordt nu van dagtot dag meer doorkruist door plaatselijke acties, waarvan deopbrengst niet dient voor aanvuUende woningbouw, maarvoor woningbouw binnen het raam van het programma voor1951!Al hebben wij er begrip voor, dat men gaarne ieder middelaangrijpt om verdergaande stagnatie in de woningbouw tevoorkomen, toch moeten wij er op wijzen, dat nu de aanvul-lende bronnen, die men door een lening-actie hoopte aan tzboren, in de plaats worden gesteld van de drooggelopen nor-male kapitaalbronnen. Van winst kan in dit verband dus be-slist niet meer worden gesproken. De verwachtingen, diemen met enig optimisme ten aanzien van de opbrengst vaneen landelijke premielening mocht kocsteren, verschrompe-len naarmate men in steeds omvangrijker mate de plaatse-lijke mogelijkheden afroomt. De hoop op een mogelijke aan-vulling van het nieuwe minimum-bouwprogramma door me-dewerking van de burgerij verzwakt en verdwijnt.In dit licht bezien moeten de opzichzelf te waarderen plaat-selijke acties veel van haar aantrekkelijkheid verliezen. Menmag en kan de plaatselijke initiatiefnemers dit niet verwijten.Vecleer moet men de schuld zoeken bij het gemis aan cen-trale leiding. Nadat over de landehjke voornemens eenmaalvoorbarige mededelingen waren gedaan, had men tcgen ver-brokkelde activiteit moeten waarschuwen.Waarschijnhjk is bet nu te laat om de stukken aaneen teHjmen en zullen wij moeten berusten in kleinere kansen vooreen landehjke actie en moeten hopen op redehjk succes voorwat men plaatsehjk onderneemt.W. S.Rationalisatie, normalisatie en industrialisatie inde woningbouwToespraak van Prof. Ir }. H. van den Broek, gehou-den op 29 Juni 1951 voor het Congres van de Na-tionale Woningraad te Scheveningen.Voor het verzoek, tot mij gericht, om voor Uw Congres tespreken over het aan de orde gestelde onderwerp, heb ikveel waardering. Het is volkomen begrijpelijk, dat ik dezeuitnodiging heb ontvangen -- niet voor zover het mijzelf be-treft als wel wat het onderwerp aangaat. De begrippen nor-malisatie, industrialisatie en rationalisatie komen wij ook inons vak ieder ogenblik tegen. Wij kennen met name hetwoord industrialisatie als een soort toverwoord, ook voorwat de woningbouw betreft. Ik kan het daarom heel goedbegrijpen, dat U behoefte hebt gevoeld om ook in Uw kringover dit onderwerp van gedachten te wisselen.Van de drie begrippen, waarover ik vandaag moet sprekenis het begrip rationalisatie het meest omvattende. Laat ikmogen beginnen met dit begrip in het algemeen aan de ordete stellen. Rationalisatie veronderstelt het aan het werk zet-ten van het denkvermogen; de rede en de intelligentie wor-den dienstbaar gcmaakt aan het werk, dat moet worden uit-gevoerd; zij beheersen de methode van werken en de wijzevan uitvoering. Door rationalisatie kan een nuttiger en voor-deliger (efficienter) organisatie van het arbeidsproces wor-den verkregen.Deze voordeliger organisatie resulteert in de ecrste plaats ineen vermijding van arbeidsverlies en van afval en van mate-riaalverspilling. In de tweede plaats beoogt de rationahsatiehet bereiken van het hoogste rendement in de samenwerkingtussen kapitaal en arbeid. Die samenwerking moet door ra-tionalisatie tot een maximale opbrengst leiden. In de derdeplaats leidt rationalisatie tot het vergroten van de winst-mogelijkheden. Ik heb hier niet de zuiver commerciele belan-gen van de ondernemers op het oog; veeleer denk ik aanwinstmogelijkheden voor de gehele gemeenschap. Indien ra-tionalisatie tot haar recht komt, dan veroorzaakt zij lagerekosten bij gelijkblijvend of groter resultaat. Voor het bou-wen bijvoorbeeld betekent de toepassing van alle technischemaatregelen, waarover wij het straks zullen hebben, verla-ging van de kostprijs. Dat levert winst voor de gemeenschap,wellicht ook in culturele zin. Men kan door rationalisatiemeer krijgen voor minder geld en minder arbeid.Het algemenc strcven naar een nuttiger wijze van produce-ren doet voortdurend zoeken naar middelen, die aan dit stre-ven dienstbaar kunnen zijn. In de afgelopen twee eeuwenhebben wij geleerd dat dit zoeken vooral leidt tot het ver-vangen van de mankracht door de machinale kracht. Het-geen vroeger moeizaam met de hand mocst worden gedaan,wordt nu oneindig veel sneller met de machine verricht. Doorvan de machine gebruik te maken produceren wij meer metminder arbeid, tijd en geld. Men hoede zich echter voor hetmisverstand, dat de machine alles zou kunnen doen. Geluk-kig kan zij dat niet. Altijd zal de mens de machine moetenleiden.Rationalisatie en industrialisatie leiden tot vermindering vanhet aandeel van de arbeid in het productie-proces. Hoe waar-devol de handarbeid ook moge zijn, hij kent de tekortkomingvan onjuistheden en afwijkingen in maatvormen. Dit is nieterg wanneer met de hand een volledig werkstuk wordt ver-vaardigd. Het is evenwel bijzonder erg, wanneer voor eenwerkstuk verschillende op elkaar passende onderdelen moe-ten worden gebruikt. Dan kan de geringste afwijking inmaat funest blijken te zijn.De industrialisatie heeft er toe geleid, dat al naar gelang vande behoefte en van de winstmogelijkheden duizenden artike-len kunnen worden vervaardigd. Daarbij treedt een welhaastoneindige verscheidenheid in vorm en afmeting aan de dag.Het is evenwel een belang van bedrijfstechnische aard, datin dit opzicht beperking wordt toegepast. Wij hebben be-hoefte aan vaste modellen -- standaardmodellen. Binnen degrenzen van de maatschappelijke wenselijkheid moet hetaantal van deze standaardmodellen beperkt zijn. Een nieuwmodel betekent immers een nieuwe machine of ten minsteeen nieuwe matrijs. Standaardisatie is een bedrijfstechnischewerkzaamheid binnen de bedrijven. In de industriele sectorzal men onderling moeten overleggen welke artikelen in wel-ke afmetingen vervaardigd dienen te worden en welke artike-len achterwege moeten blijven. In de practijk zoeken de bedrij-ven als regel zelf uit wat zij zullen vervaardigen. Dit heeftbezwaren. De gebruiker heeft een oneindige keuze uit mo-dellen. Er is een maatschappelijke behoefte tot verwisseling.De doorvoering van de normalisatie is z6 moeilijk, dat zijniet alleen aan de Industrie kan worden overgelaten. In ver-schillende landen heeft men commissies gevormd, die aan destandaardisatie en de normalisatie leiding moeten kunnengeven. Ook in ons land is er een Hoofdcommissie voor denormalisatie, die gesplitst is in tal van commissies voor bij-zondere takken. Deze normalisatie vereist zeer omvangrijkwerk. Men streeft ernaar, voor bepaalde artikelen bepaaldemodellen en maten vast te stellen, waaraan ieder, die zichmet het vervaardigen van deze artikelen bezighoudt, zich zaldienen te houden. Dit streven is van enorme betekenis. Menzal, wanneer standaardmodellen zijn vastgesteld, niet meerzelf naar vormen en maten behoeven te zoeken. Het gaathierbij vooral om maatgelijkheid. Er zijn afwijkende wensenten aanzien van de kwaliteit der artikelen. Aan die wensenkan worden tegemoetgekomen, mits men slechts de maatge-lijkheid handhaaft. De onderlinge verwisselbaarheid derproducten blijft dan mogelijk, waarbij men de speciale wen-sen ten aanzien van de kwaliteit van de producten kan be-vredigen. Die kwaliteit kan worden overgelaten aan het in-zicht en de mogelijkheden van de industrie zelf. Waar hetons om gaat dat is. dat ergens een kraan kan worden afge-draaid en een andere kan worden opgezet, zonder moeilijk-heden van niet passende afmetingen.Samenvattende kan ik de verschillende begrippen op de vol-gende wijze typeren:Rationalisatie: ',Nuttiger en voordeliger (efficienter) organi-satie van het arbeidsproces; vermijding vanarbeidsverlies en afval. Uitnutting van kapi-taal en arbeid. Vergroting van winstmoge-lijkheid (commercieel en cultureel). 91Standaardisatk:Normalisatie:Industrialisatie:Vervanging van de mankracht door de ma-chine. Splitsing, verplaatsing ^n verbetcringvan het arbeidsproces.Bedrijfstechnisch vaststellen van courantemodellen.Georganisecrde beperking van ongemoti-veerde verscheidenheid.Van rationalisatie in het bijzonder zou ik nog willen zeggen,dat zij betekent een aanpak van de productie door intelH-gente beredenering in plaats van op gevoel, intuitie en tra-ditie (gevoelsmatige productie). Op grond hiervan wordtvoor grote voorzieningen besloten tot industriahsatie. Ditbetekent productie van grote aantallen gehjkvormige artike-len. Vormen en afmetingen moeten bedrijfstechnisch wor-den beperkt tot een zo klein mogehjk aantal courante (stan-daard-) modellen. Keuze en onderlinge verwisselbaarheidvan standaardmodellen eisen maatgelijkheid van verschil-lende fabrikaten (normalisatie). In de maatseries is syste-matiek nodig: veelvouden van of opklimming met gelijke in-tervallen (moduul). Men zie hiervoor verder de artikelenvan architect J. W. Janzen ,,Kostprijsverlaging van het bou-wen" (Bouw 1951 p. 58) en ,,Bouwmoduul en normalisatie"(Bouw 1950 p. 178).Als ik nu de betekenis van deze begrippen voor de bouwnij-'verheid ga behandelen dan moet ik (zachtkens) zeggen, dater enige reden is om het bouwbedrijf als een wat achterlijkbedrijf te beschouwen. Het kan soms een voordeel en somseen nadeel zijn, dat het bouwbedrijf met bet'-ekkelijk weinigkapitaal kan worden uitgeoefend. Ongetwijfeld is het vanbelang geweest, dat een knap bouwman met een paar centenondernemer kon worden. Voortaan zullen wij dit verschijn-sel evenwel moeten missen. Het bouwbedrijf heeft het hand-werk lang gehandhaafd. Toch is van lieverlee in de bouw-vakken min of meer sprake van industrialisatie. Men heeftnatuurlijk a1 lang bemerkt dat b.v. deuren en kozijnen beterin de fabriek vervaardigd kunnen worden dan op het werk.Geen enkele bouwer kan er meer aan denken zijn kozijnenop het werk te doen vervaardigen. Dit eerste voorbeeld isgevolqd door andere. Meen maakt nu gehele dakkapellen engoten in de fabriek. Bruynzeel kwam met zijn deuren op demarkt. Tussen haakjes: Deze firma bezweert haar afnemersin haar catalogus om toch vooral niet om afwijkende model-len en maten te vragen. Zij heeft intussen ruim 700 model-len en afmetingen van deuren. Men zou zo zeggen: dat moettoch wel genoeg zijn! De industrialisatie in de bouwnijver-heid gaat steeds verder. Wij kennen nu de kasten, de keu-kens, de z.g. natte cellen. Er zijn zelfs reeds trappen, aan-rechten, enz. Het streven zal er op gericht blijven om zoveelmogelijk onderdelen van de woningen in de fabriek te ver-vaardigen. Altijd was er reeds die natuurlijke drang tot in-dustrialisatie van de mensen, die technisch intelligent wildenwerken in het mogelijk onbewuste verlangen om de dingengoed en in grote aantallen te maken. Het is niet te verwach-ten dat de industriele mens dit streven zal opgeven. Wij zijnal zo ver, dat wij methoden toepassen, waardoor het aaneen-gehechte timmerwerk kant en klaar naar de bouwplaats kanworden gezonden.Wat veroorzaakten deze verschijnselen nu en wat beteke-nen zij voor het bouwbedrijf? Hier komt de rationalisatieweer aan de orde. Ik denk aan de woningvoorziening in hetalgemeen. De woningvoorziening, die wij altijd haar eigengang hebben laten gaan. Maar nu hebben wij, door de noodgedwongen, de woningvoorziening leren zien als een vraag-stuk, dat wij net zo moeten oplossen als een algebraisch pro-bleem, Wij moeten de woningnood te lijf met ,,brains" (her-sens). Wij moeten de woningvoorziening beschouwen als92 een maatschappelijk probleem, Het denkbeeld van de duplex-woning is een van de resultaten van de heel gewone men-selijke wijze, waarop wij de beperkte woonruimte zo ratio-ncel mogelijk proberen te doen gebruiken. Het is ook ratio-neel om het beperkte bouwvolume zo veel mogelijk uit tesmeren door het bouwen van meer kleine woningen, b.v.door de bouw van speciale woningen voor bejaarden.Wij zijn ertoe gekomen in te zien, dat met name de huurwo-ningen beschouwd dienen te worden als een neutraal pro-duct, dat aangepast van de omstandlgheid, dat het meren-deel der mensen geen woning in eigendom kan krijgen, maarzich moet beperken tot het betrekken van een huurwoning.In een vergadering heb ik een debater hartstochtelijk horenbetogen: ,,Wij wensen geen huur, wij wensen eigendom!"Daar zit natuurlijk een grote kern van waarheid in. Het eigenhuis is een ideaal voor ieder mens. De feitelijke toestand isevenwel, dat er grote aantallen woningen in complexen voorde verhuur gebouwd moeten worden. Dit heeft ook de ar-chitecten wat te zeggen. Wij kunnen er niet aan denken omvoor ieder geval een apart ontwerp te maken. Uit deze om-standlgheid zijn b.v. de zogenaamde normaal-woningen ge-boren, waarvoor plannen door het Ministerie tegen lage prijsbeschikbaar worden gesteld. Dat heeft verder geleid tot depublicatie van de z.g. normaalplattegronden; een resume alshet ware van de typen die tot op het ogenblik van de publi-catie als zeer goed bruikbaar werden beschouwd. In theorieis het mogelijk, dat bij een vaststaande productie van 50.000woningen per jaar een industrieel in Nederland zegt: ,,Geefmij een fabriek en ik produceer deze 50.000 woningen aande lopende band!" Het kan een grondbeginsel voor de wo-ningvoorziening zijn dat men fabrieken bouwt om woningenaf te leveren. Wij kennen nu de z.g. systeembouw. In depractijk komt het er veelal op neer, dat de systeemwoningenop de bouwplaats in elkaar worden gezet. De grote moeilijk-heid is vaak de verplaatsing van de elementen of de onder-delen, die in de fabriek worden vervaardigd. Het is niet al-tijd zeker of pre-fabricatie en het daarop volgende vervoervoordeliger kan zijn dan de vervaardiging op de bouwplaats.In de komende jaren zal nog moeten blijken, welke weg menhier zal volgen. Ongetwijfeld levert de systeembouw bewijzenvoor aanvaardbare mogelijkheden tot rationalisatie van hetbouwbedrijf.Ook in de traditionele bouwwijze bestaan mogelijkhedentot rationalisatie. Wanneer concurrentie ontstaat tussensysteembouw en traditionele bouw, dan zal dit leiden totverbetering in het arbeidsproces. Dit is een voordeel; er isniet alleen sprake van liefhebberij, maar het gaat wel dege-lijk om grote maatschappelijke belangen.Er zijn zulke cnorme sommen gemoeid met het nemen vanproeven, dat men hiervoor grote maatschappijen zal moeteninschakelen. Er dient voor te worden gezorgd dat de tradi-tionele bouwsystemen hun waarde behouden. Ook dit wordtdoor ons bestudeerd. Een paar mensen uit de gewone bouw-bedrijven hebben geprobeerd te komen tot een bouwsystcem.Rationalisatie werd op het gewone bedrijf toegepast. Wijzijn er toe gekomen om te zeggen: als we modulen willenvaststellen, zouden we dan niet proberen om een maatroos-ter te maken om strookgewijze een woning aan te geven.Deze modulatie is volkomen noodzakelijk om met de ratio-nalisatie tot concrete resultaten te komen. Sedert jaren ismen bezig om te denken over deze modulen. In Amerika iseen standaardbureau opgericht om deze vraagstukken te be-handelen. In Holland willen wij de baksteen als moduul ge-bruiken. Het is zo'n belangrijke zaak, dat wij op een gege-ven moment hebben gezegd: laten wij allemaal wat doen.Wij gaan dus ontwerpen maken op moduulsysteem. Stan-daardtype omwerken op 10 cm. De plannen voor de Natio-nale Woningraad en voor de gemeenten zijn bekend gemaaktop dit productie-systeem. Voorgesteld is om die modulenprecies te handhaven. Ik geef U de verzekering, dat elke ar-chitect wel zal willen moduleren, als de anderen het ookmaar aanhouden. Wij geloven, dat het voldoende is, dat dedetails zo worden gemaakt, dat zij de wijze aangeven hoe zijworden gemaakt. Vrije details maar gecoordineerd op maat-rooster. Dit is op het ogenblik ons laatste inzicht. Alle in-dustrien maken kasten op zoveel centimeter, dus standaard-matcn. Dit staat ons voor ogen, wanneer wij denken aan hetvraagstuk. hoe rationaliseren wij de traditionele woning-bouw. Door beperking van maten-series komen wij tot k!ei-ne hoeveelheden standaardvormen. Dorpels en kozijnen moe-ten op maat in voorraad worden gehouden en de betreffendematen moeten worden samengevoegd. De voordelen van denormalisatie heb ik in den brede uiteengezet. Het zijn tech-nische voordelen. Moduleren betekent normalisatie; het weg-nemen van ongemotiveerde verscheidenheid. Maatschappe-lijk is dat toelaatbaar. Er is een verscheidenheid nodig insoort en maat in figuur en materiaal. Het zou ongemotiveerdzijn dit weg te nemen in een enkel product. Maatschappelijkis het onmogelijk om de tendenz van industriahsatie prijs tegeven. Wij kunnen geen kleren geven zonder confectie. Hetis eenvoudig uitgesloten om aan iedereen een individueelhuis te geven. Dit is voor de bewuste mens ook niet nood-zakelijk. Het kenmerk van standaardisatie is bevriezing invaste vorm. Dit hebben wij ten dele te aanvaarden. Woning-bouw, uitsluitend in vaste bouw- en maatsystemen willenwij echter niet voorstaan. Naast de genormaliseerde woning-bouw zal er een ,,vrije" sector dienen te zijn. Wij moetenons verzetten tegen louter utility-producten. Wij wil'en onzevoorliefde voor individuele plannen wel opgeven en willenvan harte medewerken aan standaardisatie in de woning-bouw. Onze voorwaarde daartoe is echter: 50% van de wo-ningbouw beschikbaar om onze ,,scheppende" gang te kun-nen gaan. Een ,,vrije" sector, waarbinnen ontwikkeling, zo-wel in plan, in architectuur als in bedrijf mogelijk is, valtook binnen het begrip rationalisatie.Een socioloog-econoom heeft eens gezegd: ,,Het is niet devraag of wij zullen normaliseren, maar in hoeverre wij zul-len normaliseren." Hier komen wij aan het punt van onzegeestelijke verantwoordelijkheid. Drie en dertig jaar geledenwerd in Amsterdam een woningcongres gehouden. Daarwerd een inleiding gehouden over normalisatie. Gesprokenwerd over de mogelijkheid om in de woningbouw slechtsacht verschillende typen van woningen toe te laten. Mendacht op die wijze de woningnood gemakkelijker onder deknie te krijgen. Toen stond Berlage op en zei: ,,Ik zou weleens een voordracht hierover willen houden. Onze stratenworden voorbeelden van de commerciele wereld."Er zijn inderdaad tegen te ver doorgevoerde standaardisatiebezwaren van ethisch-culturele aard in te brengen. Er zijnook consequenties voor de architectuur. In bepaalde krin-gen acht men het wel aantrekkelijk de architectuur af teschaffen. Daartegenover zijn er architecten, die menen, datzij uit standaard-elementen wel een basis kunnen scheppenom architectuur te bedrijven. Misschien is dit een mogelijk-heid, zo menen zij, die ons overblijft. Ik zie toch wel bezwa-ren tegen deze ontwikkeling. Daar is bijvoorbeeld de over-gang van handwerk naar industrialisatie. Die overgangschept problemen. Een oplossing ligt mogelijk in de zelf-werkzaamheid in de vrije tijd. Er is een sociale drang omculturele mogelijkheden ook in de architectuur, te behoe-den. Wij moeten deze problemen niet oplossen door onzeintui'tie maar door echte ratio, dat is rede. De rede voerttot rationalisatie (intelhgentie) en verder tot rationaliteit(redelijkheid). Uitgangspunt moet altijd zijn de vraag hoewij de ons geboden mogelijkheden zullen gebruiken ten batevan ons allemaal.WoningdifferentiatieToespraak van Prof, dr ir H. G. van Beusekom,gehouden op 30 Juni 1951 voor het Congres vandc Nationale Woningraad te ScheveningeiuMen kan het probleem van de woningdifferentiatie, waar-over mij verzocht is heden het woord te voeren, van meerdan een zijde bezien.In bet artikel .Differentiatie van de woningrootten", datdoor de Afdeling Stedebouw en Sociaal Economisch Onder-Z'Oek van de Centrale Directie van de Wederopbouw enVolkshuisvesting is samengesteld en in het Aprilnummervan dit jaar van het Tijdschrift voor Volkshuisvesting enStedebouw is opgenomen, is de woningdifferentiatie in deeerste plaats bescnouwd als een mogelijkheid tot verlagingvan de kosten van woningbouw zonder verlaging van hetwoonpeil, dus zonder dat tot vermindering van de afmetin-gen of versobering op de inrichting en de uitrusting van dewoning behoeft te worden overgegaan.De motivering is in het kort deze, dat bij het opstellen vanhet bouwplan 1951 is uitgegaan van een woningbehoefte tot1965 van circa 800.000 woningen. Bij een bouwprogrammavan uiteindelijk 55.000 woningen, dat ons in het najaar van19^0 voor ogen stond, zou het mogelijk zijn juist in de ge-noemde periode van 15 jaar in de behoefte te voorzien.Deze termijn, die wanneer wij er re'kening mee houden, datin 1950 reeds vijf jaren na de bevrijding van Nederland wa-ren verstreken, tamelijk lang moet worden geacht, zou kun-nen worden verkort wanneer middelen zouden kunnen wor-den gevonden om met hetzelfde bouwvolufne aan een groteraantal huishoudingen woningen te verschaffen.Afgezien van een vermindering van de eisen, die wij aan dewoningen stellen, dus een algemene verlaging van het woon-peil -- een oplossing, die ik zo lang mogelijk zou willen ver-werpen -- blijven er nog twee mogelijkheden.De eerste is de bouw van duplexwoningen, dat zijn wonin-gen voor een gezin, die gedurende een aantal jaren doortwee (kleine) gezinnen worden bewoond.Deze mogelijkheid is slechts beperkt, omdat het aantal tebouwen duplexwoningen uiteindehjk bepaald wordt door debehoefte aan grotere woningen. Hierbij moet in het oog wor-den gehouden, dat de personen die over 10 of misschien 20jaar, wanneer het eindelijk mogelijk zal zijn, de duplex-woningen aan een gezin toe te wijzen een grotere woningwensen, hoogstwaarschijnlijk een geheel ander type zullenverlangen dan dat, wat wij thans in gesplitste vorm voortwee gezinnen bestemmen. Te veel duplexwoningen moetenwij daarom zeker niet bouwen. Ik ga hier verder niet op in,omdat dit onderwerp thans niet aan de orde is.Het tweede is de toepassing van woningdifferentiatie, waar-onder wij verstaan een zodanige aanpassing van de groottevan de woningen aan de grootte van de huishoudingen, dataan kleine huishoudingen, die geen aanspraak kunnen ma-ken op een woning van normale grootte, een kleinere wo-ning en aan de grotere huishoudingen een grotere woningwordt toegewezen. Aangezien de samenstelling van de be-volking een zodanige is, dat huishoudingen voorkomen vanzeer verschillende grootte, kunnen de te bouwen woningenook bij gelijke financiele draagkracht en overeenkomstigewoonzeden verschillend van grootte zijn.Wijl voorts blijkens de statistiek bet percentage huishoudin-gen, dat kleiner is dan het gemiddelde, aanmerkelijk groteris dan het aantal grotere huishoudingen, ligt hier een reelemogelijkheid om met hetzelfde bouwvolume aan een groteraantal huishoudingen huisvesting te verschaffen. Men dienter rekening mede te houden, dat een gevolg van differentia-tie zal zijn, dat in de toe'komst verhuizingen in een aantal ge-vallen noodzakelijk zal zijn. Daarom moet men alleen daarwoningdifferentiatie toepassen, waar in de toekomst in de Vobehoeftc aan grotere woningen kan worden voorzien. Uitde eigen woning vertrekt men niet of ongaarne, daarom isdifferentiatie in de sector van de eigen woning van geen ofweinig betekenis.Wij bevinden ons hier echter geheel op bet terrcin van hctmeest economisch gebruik van het beschikbare bouwvolumeen van de maatregelen, die genomen kunnen worden om hettempo, waarin in het nijpende woningtekort kan wordenvoorzien, zoveel mogehjk te versnellen.Men kan intussen het vraalgstuk van de woningdifferentiatieook van een geheel andere zijde bezien, namehjk als de aan-passing van de woningvoorziening aan de demografischeontwikkehng. die tot een geleidehjkc evolutie van het begrip,,huishouding" en daarmede van het begrip ,,woningbehoef-te" leidt.Voorheen werd in grote lijn de woningbehoefte gehjkgesteldaan het aantal gezinnen, waarbij dan veclal terloops gewe-zen werd op het feit, dat enerzijds een deel dcr gezinnen geenzelfstandige woning verlangt, en anderzijds een aantal wo-ningen door huishoudingen, geen gezinnen zijnde, pleegt teworden bewoond. Als eindresultaat werd dan voor de bcpa-ling van de woningvraag ^ecn kleine reductie toegepast voorhet saldo ,,niet-woningvragende*' gezinnen. Eerst bij devolkstelling van 1947 is in ons land gebruik gemaakt van hetbegrip ,,huishouding", dat enerzijds omvat ,,huishou-dens", waaronder wordt verstaan ,,elk gezin of tweeof mecr samenwonende personen, die geen gezin vor-men, doch wel een gemeenschappelijke huishouding voe-rcn", .en anderzijds de , alleenwonende personen", d.i. ieder,die niet met een of meer andere personen in huiselijk verkeersamenwoont. Hiermede was echter dit onderwerp niet uitge-put, aangezien deze telling wel heeft opgeleverd hct aantal,,huishoudingen", dat op het tijdstip van de telling aanwezigwas, maar niet het aantal huishoudingen, dat zich bij eenruim voorziene woningmarkt zou vormen.Wij zien bij alle volken in de beschaafde wereld hetzelfdeverschijnsel: de biologische groei der bevolking neemt af, detoeneming van het aantal ,,gezinnen" geschiedt in een ge-leidelijk langzamer wordend tempo; daarnaast echter vol-trekt zich een economische evolutie, die leidt tot een sterkegroei van het aantal huishoudingen.Tussen het aantal gezinnen en het aantal huishoudingen be-staat niet een verschil van een tamelijk constant percentage,maar de begrippen gezin en huishouding trekken steeds ver-der uiteen. Een langzame groei van het aantal gezinnen kansamengaan met een snelle groei van hct aantal huishoudin-gen; zelfs kan een stationaire bevolking met een afnemendaantal gezinnen een regelmatige toeneming van het aantalhuishoudingen te zien geven, ja zelfs bij vermindering vande bevolkingsgroei kan toeneming van het aantal huishou-dingen plaats vinden. De daling van het geboortecijfer gedu-rende de laatste eeuw, in ons land van 36 tot ruim 20, ge-paard met een daling van het sterftecijfer, heeft geleid toteen geleidelijke afname van de gemiddelde grootte der huis-houdingen. Een kwart eeuw geleden noemde men dit ,,ge-iinsverdunning" en reeds toen heeft men begrepen, dat dewoningbehoefte niet evenredig toeneemt met de bevolking,maar aanmerkelijk sneller.De maatschappelijke ontwikkeling leidt tot de vorming vanhuishoudingen, geheel los van de biologische ontwikkeling.De woningbehoefte is dus in genen delen een louter biolo-gische grootheid.Een statistiek van de woningbehoefte omvat dus lang nietuitsluitend gezinnen, maar ook een groot aantal huishoudens,gevormd door personen, die niet tot een gezin behoren enhuishoudingen van een persoon, die alle een zelfstandigewoning begeren. Feitelijk zou men moeten weten, welk aan-tal van de aanwezige huishoudingen zich in twee of meerzouden oplossen, wanneer geschikte woonruimte beschik-baar was, die binnen de financiele draagkracht valt."4 De zware economische druk, die op de volken van het Wes-ten drukt, en het tekort aan woningen leidt in onze tijd toteen achterstand in de vorming van huishoudingen. De ver-dere groei zal afhangen van de economische verhoudingenen van de woningmarkt. Wanneer deze een vrije ontplooiingvan de krachten, die zich in de bevolking bevinden, mogelijkmakcn, verwachten sommige sociologen een groei van hetaantal huishoudingen als de geschiedenis der volkshuisves-ting nog niet heeft gekend.De drang tot de vorming van nieuwe huishoudingen is eenvan de verschijningsvormen van de behoefte van het indi-vidu aan onafhankelijkheid en zelfhandhaving. Deze be-hoefte blijkt in onze tijd zeer sterk te zijn. Zij openbaart zichzowel bij de oudere als bij de jongere generatie, en houdt inde eerste plaats verband met de stijging van de levensstan-daard en de hogere eisen, die aan het leven worden gesteld.Wij moeten het streven naar het voeren van een zelfstan-dige huishouding zien als een reactie op de verruiming vanhet milieu waarin wij leven en de verbreking van de bin-dingen, die ons voorgeslacht bonden. Hoe ruimer de gele-genheid voor de mens wordt om zich te ontplooien, des tegroter wordt de behoefte aan een eigen domein.Bij de bejaarden zien wij een toenemend verlangen om zolang mogelijk een eigen huishouding te blijven voeren enniet de benen onder andermans tafel te steken, ook al is hetde tafel van de eigen kinderen. En tal van jongeren, die ereen of twee generaties eerder niet over gedacht zouden heb-ben een eigen huishouding op te zetten, voelen dit nu als eendringende behoefte, als een deel van hun mens zijn. Dezeevolutie, die begonnen is bij de beter-gesitueerden, werktgeleidelijk ook tot aile volksklasscn door.Terwijl in de beschaafde landen van het Westen de hand-having van de bevolking als geheel twijfelachtig wordt, ont-staat een krachtig streven tot zelfhandhaving bij de indivi-duen,, dat leidt tot een snelle groei van het aantal huishou-dingen. Wij zien dit in de cijfers van de Volkstelling van1947, welke hebben uitgewezen, dat 9% van alle huishou-dingen uit slechts een persoon bestond, 44% uit 2 of 3 per-sonen, 30% uit 4 of 5 personen en slechts 17% uit 6 of meerpersonen. Hierbij zijn dan nog niet gerekend de potentielehuishoudingen, die zich zouden vormen bij verlichting vande economische druk en verruiming van de woningmarkt.Uit deze cijfers blijkt wel, dat voor de komende jaren gere-kend zal moeten worden op een toenemend aantal bijzonderehuishoudingsvormen, die overwegend klein zullen zijn.Naast de huisvesting voor de gezinnen met kinderen, voorwelke woningen moeten worden gebouwd, waarin deze ge-zinnen moeten kunnen groeien en zich ontplooien, zal er be-hoefte zijn aan allerlei andere woonvormen voor de nieuwehuishoudingen, die zich vormen. Deze woningen zullen an-ders moeten zijn dan de woningen voor de gezinnen. Zij zul-len wellicht kleiner kunnen zijn, doch zij zullen anders moe-ten zijn ingericht en meer accomodatie moeten bieden.Zo leide de gcwijzigde bevolkingsontwikkeling tot differen-tiatie in de woningbouw, in dien zin, dat woningen moetenworden gebouwd die voldoen aan de eisen van de verschei-denheid van huishoudingen, in welker huisvesting wij in dekomende jaren zullen moeten voorzien.Het belang van de volkshuisvesting eist, dat iedere huishou-dingsvorm in zijn woning de ruimte vindt, die het voor zijnlevensuitingen nodig heeft. Het gezin met kinderen moet inzijn woning ruimte vinden voor de ontwikkeling en ontplooi-ing van het gezinsleven. Dit is een eis, die in het waarachtigbelang van een gezond gezinsleven niet sterk en niet vaakgenoeg kan worden gesteld. Het gezin zonder kinderenvraagt in zijn woning niet meer ruimte dan het nodig heeft,maar in ieder geval een bepaalde mate van gemak en gerief.Het bejaarde echtpaar vraagt dit gerief nog in versterktemate.Al deze huishoudingsvormen: het gezin met veel en metweinig kinderen, het kinderloze gezin, het bejaarde echtpaar,de samenwonende werkende vrouwen, de alleenwonenden.zij alien vragen een woonvorm ovcreenkomstig hun be-hoeften.Nu is bet aantal van al deze groepen vrij nauwkeurig vastte stellen. Uit de uitkomsten van de volkstelling weten wijhet aantal gezinnen met verschillende aantallen kinderen,het aantal kinderloze echtparen -zn zelfs het aantal echtparenboven een bepaalde leeftijd. Voorts het aantal alleenwonen-den, huishoudingen van 2 personen, 3 personen, enz. lederevolkstelling levert dus een doorsnede van de bevolking opeen bepaald tijdstip, waaruit de behoefte aan woningen vande verschillende typen kan worden afgeleid. Herhaalt mendeze telling zoals gebruikelijk na 10 jaar, dan vindt men op-nieuw een reeks van percentages voor al deze huishoudings-vormen, percentages, die in de korte tussenruimte tussen tweevolkstellingen slecKts betrekkelijk geringe verschuivingenzullen vertonen.Het schijnt dus mogelijk, op zuiver'statistiscbe gronden eenverdeling op te maken van de woningbehoefte naar de ver-schillende grootten en woonvormen. Sommigen hebben ditgedaan. De literatuur van de laatste 20 jaar heeft een reeksvan woningbouwprogramma's opgeleverd, gebaseerd op debehoefte aan woningen van verschillende aard en grootte.Toch heeft niemand de percentages, zoals de volkstelhng dieleverde, letterlijk durven aanhouden. Men voelde, dat in de-ze statistische berekening een fout zat, doch kon deze nietaanwijzen. Sommigen wezen er op, dat men ook rekeningmoest houden met de aanwezige woningvoorraad, Anderenbetoogden, dat een deel der bevolking in staat is een woninggroter dan het minimum te betalen. Geheel bevrcdigend wa-ren deze redeneringen echter niet. Een in de jaren dertig ge-maakte berekening voor Amsterdam wees uit, dat de bevol-king nodig had:20% woningen met 3 slaapkamers,10% grotere woningen,40% met 2 slaapkamers,30% met 1 slaapkamer,dus 70% kleinere woningen.Toch durfde men in de bebouwingsvoorschriften voor dewijk Bosch en Lommer niet verder te gaan dan:50 % woningen met 3 of meer slaapkamers,37}/^% met 2 slaapkamers,121/2% met 1 slaapkamer,dus 50 % kleinere woningen.Dit wijst op een belangrijke verschuiving naar de groterewoningen. In andere publicaties vinden wij hetzelfde, zoalsb.v. de publicatie ,,Woonmogelijkheden in het kleine Rot-terdam" en de Survey voor het structuurplan voor 's Gra-venhage.Zo ook b.v. in de bekende survey van de Engelse stadMiddlesbrough ,,the social background of a plan" (bij RuthGlass), waarin men de grootte van de woningen stelt op 1vertrek per persoon. De verdeling van de huishoudingen isaldus:1 -- 3 personen 60%4 en 5 personen 30%6 of meer personen 10%Zonder enige toelichting maakt men echter voor de te bou-weiji woningen deze verdeling:1-- 3 vertrekken 46%4 en 5 vertrekken 32%6 of meer vertrekken 22%Dus ook hier weer, en terecht, een verschuiving naar degrotere woningen.Bij opvolgende tellingen vinden wij als gezegd ongeveer de-zelfde percentages voor de huishoudingsgrootten met eengeleidelijke toeneming van het aantal kleinere en een afne-ming van het aantal grotere.Toch kunnen deze percentages niet als basis voor een wo-ningdifferentiatie dienen, omdat de huishoudingen, die over10 jaar een bepaalde grootte hebben, niet dezelfde zijn dieook thans die grootte hebben. Er is een voortdurende ver-schuiving van kleiner naar groter en omgekeerd. Met namegeldt dit voor de biologische huishoudingen, die in de loopvan hun bestaan eerst een periode van groei en later een pe-riode van afname hebben.Zou men nu de woningvoorraad precies passend makenvoor de grootte der huishoudingen, dan zou men voortdu-rend moeten schuiven en passen om het juiste gezin in dejuiste woning te plaatsen. Dit is ongewenst met het oog opde eisen van het gezinsleven. Het is ook onuitvoerbaar om-dat men de gezinnen bezwaarlijk kan dwingen tot verhuizenen omdat de maatschappelijke wclstand vele gezinnen instaat stelt een woning te betrekken of te blijven bewonen,groter dan zij minimaal nodig hebben.Toch zullen wij woningdifferentiatie moeten toepassen. Wijzullen dit echter moeten doen volgens de normatieve metho-de, d.w.z. dat wij aan iedere huishouding naar aard en groot-te, volgens bepaalde normen een woning van een passendegrootte toewijzen. Voor de niet^biologische huishoudingenen voor b.v. oudere echtparen is dit niet moeilijk, omdat de-ze huishoudingen niet meer groeien. Voor de biologischehuishoudingen is dit wel moeilijk, omdat daarvan het groei-tempo en de omvang van de groei niet bekend zijn. Voortsmoeten ook nog andere factoren als welstand, woonzeden,traditie, enz in de beschouwing worden betrokken.In de publicatie van de C.D.W.V. in het Aprilnummer vanhet Tijdschrift voor Volkshuisvesting zijn de volgende gege-vens gebruikt:a. laat men bij de uitkomsten van de volkstelling van 1947de huishoudingen van een persoon buiten beschouwing,dan vormen de huishoudingen van 2 en 3 personen 48%van het totaal;b. van deze 48% zijn 38% biologische gezinnen, d.w.z. ge-zinnen met een echtpaar en 10% nietbiologische, d.w.z.gezinnen zonder echtpaar, huishoudingen, waarbij geengezin betrokken is.Uit deze gegevens, gecombineerd met een aantal, voor eendeel nog niet gepubliceerde gegevens Van het Centraal Bu-reau voor de Statistiek werd afgeleid, dat van de 48% huis-houdingen van 2 of 3 personen slechts 16% nog mogelijkhe-den van verdere groei heeft en ten minste 32% zich nietmeer zal uitbreiden. Dit betekent echter niet, dat 32% derwoningen zou kunnen worden ingericht voor 2 of 3 perso-nen. Immers deze 32% niet meer groeiende huishoudingenzijn voor een deel nietbiologische huishoudingen, waarvankan worden aangenomen, dat de meerderheid geen groterewoning verlangt dan met het aantal personen, waaruit dezehuishoudingen bestaan, overeenkomt, voor een ander deelechter uit oudere biologische gezinnen, waarvan met grotewaarschijnlijkheid een aanmerkelijk deel voorheen uit eengroter aantal personen zal hebben bestaan. De kans is der-halve groot, dat dergelijke gezinnen een grotere woning be-wonen dan zij in verband met hun tegenwoordige samenstel-ling nodig hebben.Kon men nu alle oudere gezinnen, die klein geworden zijn,naar een kleine woning verwijzen, dan kwam een aantalgrotere woningen beschikbaar voor de groeiende jonge ge-zinnen.Het is echter buitengewoon moeilijk oudere gezinnen totverhuizen te bewegen. Het kan een kwestie van behoud-zucht zijn, van traditie, van stand, van buurt, misschien ookvan huur, waarom oudere gezinnen niet willen verhuizen.En men kan ze moeilijk dwingen. De Minister heeft dan ookterecht in zijn Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamergezegd dat het niet in zijn bedoe^ing ligt een verhuisdwangtoe te passen maar dat naar zijn mening langs de weg vanvrijwilhgheid veel bereikt kan worden. Wij moeten ons erechter op voorbereiden, dat een deel van de oude kleine ge- yjzinnen en misschien wel een aanmerkelijk deel van de oude-re, klein geworden gezinnen, rustig in een te grote woningzal blijven zitten en dat daardoor het aantal te bouwen klei-ne woningen kleincr zal moeten zijn.In het reeds genoemde artikel van de C.D.W.V. is aange-nomen, dat de volgende aantalkn kleine woningen zullenworden gebouwd:10% voor niet-biologische huishoudingen;16% voor jonge gezinnen, die nog kunnen uitgroeien;totaal 26%.Hierbij komt dan nog een gedeelte van de oudere gezinnen.Hoe groot dit gedeelte zal kunnen zijn, werd in dit artikelafhankelijk gesteld van het gemeentelijk huisvestingsbe^eid.Ik zou thans willen zeggen, dat het afhangt van hetgeenlangs de weg van vrijwilHgheid, waarop de Minister doeldekan worden bereikt. Stelt men het maximum op 3/4 en hetminimum op 1/4, dan zou het percentage kleine woningenvoor oudere gezinnen liggen tussen 161/2% en 53/^%. Metinbegrip van de genoemde 26% zou het percentage kleinewoningen kunnen liggen tussen 32 en 43%. Deze cijfers zijngemiddelden voor het gehele land. Voor het geven van richt-lijnen voor de practische toepassing van woningdifferentia-tie zijn zij dus niet zonder meer bruikbaar. Daarvoor zijnplaatselijke gegevens nodig. Deze zijn fee meer noodzakelijk,omdat maa'r al te vaak het verwijt wordt vernomen, dat doorde Centrale Overheid wordt gewerkt met landelijke gege-vens, terwijl de plaatselijke geheel anders hggen. Wordt vanoverheidswege aandrang geoefend tot toepassing van wo-ningdifferentiatie, dan volgt onherroepelijk het verweer, datjuist in die gemeente de gezinnen veel groter zijn en de ver-houdingen over het algemeen anders liggen.De plaatselijke gegevens zijn echter niet zonder meer be-schikbaar. Wij hebben getracht voor een paar gemeentenbruikbare gegevens te ontlenen aan de statistiek van de hu-welijksvruchtbaarheid. Deze gegevens moeten echter vooriedere gemeente afzonderlijk door het C.B.S. worden ,,uit-gedraaid" en hieraan zijn kosten verbonden. Behalve overde landelijke gegevens beschik ik op het ogenblik over dievan Amsterdam, die in vele opzichten afwijkend zijn, enLeeuwarden en Eindhoven, een stad in het Noorden en eenin het Zuiden.Met betrekking tot de reeds genoemde percentages moet nogworden opgemerkt, dat van de jonge gezinnen een deel nooittot 2 kinderen uitgroeit, terwijl een ander deel wel 2 of meerkinderen krijgt. Dit laatste percentage valt echter uiteen ineen gedeelte, dat 3 jaar na de voltrekking van het huwelijknog geen kinderen heeft en een gedeelte, dat dit wel heeft.Plaatst men alle jonge gezinnen in een woning, die geschikt isvoor een echtpaar met 1 kind, dan zal in ronde cijfers vande 100' jonge gezinnen:Neder- Amster- Leeu- Eind-land dam warden hovena. nooit uit eenwoning groeien 25% 38% 22% 19%b. wel uit de woninggroeien. doch nietbinnen 3 jaar 33% 31% 41% 42%c. binnen 3 jaar uitde woning groeien 42% 31% 37% 39%Uit deze cijfers volgt, dat van de 100 jonge gezinnen ge-middeld voor het gehele land 42 na 3 jaar 2 kinderen heb-ben. Dit percentage is voor Amsterdam aanmerkelijk lager,namelijk 31. Zowel voor Leeuwarden als voor Eindhovenligt het beneden het landsgemiddelde. Hieruit volgt, dat wijde percentages boven het landsgemiddelde vooral op hetplatteland moeten zoeken, hetgeen een gunstig verschijn&elis, omdat daar de woningdifferentiatie niet van belang is.Over deze cijfers moet intussen nog iets worden opgemerktQ^ i" verband met wat wij verstaan onder een kleine woning.yO De alleAleinste woning is de woning, die slechts uit een ka-mer, een woon-slaapkamer bestaat, met een keukentje en eenbad- of doucheruimte. Dit is het woningtype voor de alleen-wonende, dat hier niet verder behoeft te worden besproken.Op deze woning volgt de woning met een woonkamer eneen slaapkamer en verdere ruimten. Deze woning acht ikslechts geschikt voor een beperkte groep van kleine huis-houdingen, met name oudere echtparen, en eventueel be-jaarden. In vele gevallen kan het echter ook voor deze laat-ste groep gewenst zijn .een klein slaapkamertje extra te ge-ven ten behoeve van een inwonende huishoudelijke hulp.De normale kleine woning voor het jonge kleine gezin be-hoort naar mijn oordeel twee slaapkamers te hebben, name-lijk een tweepersoons en een eenpersoons. Een dergelijke wo-ning biedt dus plaats voor drie volwassen personen. Voorjonge gezinnen met een kind bieden deze woningen dus al-leszins voldoende ruimte.Bij de leeds vermelde percentages is aangenomen, dat eengezin met twee kinderen reeds te groot is voor de kleinewoning. Dit is zeer aan de veilige kant, omdat ook bij eentweede kind het gezin zonder bezwaar nog wel enige tijd inde woning kan blijven. De moeilijkheden komen eerst bijhet derde kind. Gaat men uit van een huwelijksduur van 5jaar, wanneer het oudste kind dus circa 4 jaar is, dan blijktvoor het gehele land 27% van de gezinnen meer dan 2 kinde-ren te hebben. Voor Amsterdam is dit 14%, voor Leeuwarden24%, voor Eindhoven 30%. Van deze 27% bereikt 7%deze toestand reeds in het derde jaar, 10% in het vierde en10% in het vijfde.Hieruit volgt, dat het percentage jonge gezinnen, dat der-mate uit de woning groeit, dat schade voor het gezinslevendreigt betrekkelijk klein is en zich gemiddeld in de buurtvan de 25% beweegt. Voor Amsterdam is het aanmerkelijkminder, voor Eindhoven iets meer. Voor het platteland zalhet vermoedelijk aanzienlijk meer zijn, doch daar bouwen wijgeen kleine woningen. Globaal een vierde van de gezin-nen groeit dus binnen 5 jaar uit de kleine woning.Men weet echter te voren niet, welke gezinnen dit zullenzijn. Wanneer men dus .aan alle jonge gezinnen een derge-lijke kleine woning toewijst, dan weet men met zekerheid,dat een aantal, doch slechts een beperkt aantal van dezegezinnen in enkele jaren voor de kleine woning te groot zalzijn geworden.Hier schuilen natuurlijk gevaren. Een te kleine woning kande uitgroei van deze gezinnen belemmeren en daardoor aande volkskracht onherstelbare schade doen. Het gaat hierbijniet in de eerste plaats om het feit, dat de bevolkingsgroeivan ons land zou worden afgeremd, maar om de geestelijkeschade, die ontstaan kan, wanneer een gezin door een tekleine woonruimte in zijn ontplooiing wordt belemmerd.In het verleden heeft het gezin allerlei economische en so-ciale functies gehad. Met de ontwikkeling van de maat-schappij heeft het deze functies langzamerhand verloren.Doch naarmate het aantal functies van het gezin kleinerwerd, heeft het zich meer geconcentreerd op de ene functie,die het behouden heeft. Het gezin is de plaats, waar het kindzijn eerste vorming tot mens ontvangt, waar het gevormdwordt tot een wezen, dat geschikt is om een plaats in hetsociale en culturele leven in te nemen.De Groningse Socioloog Prof. Bouman, heeft erop gewezen,dat het juist deze functie is welke het hedendaagse gezinheeft behouden. Hij acht het zelfs mogelijk, dat het verliesvan allerlei andere functies juist deze functie van het gezinin betekenis heeft doen toenemen. Of zoals de AmerikaanseSocioloog Mc Iver heeft opgemerkt: ,,as the family lost func-tion after function, it finally found its own", naar mate hetgezin de ene functie na de andere verloren heeft, heeft hettenslotte zijn eigenlijke gevonden. Daarom moeten wij zor-gen, dat niet door het ontbreken van voldoende woonruimteaan deze functie van het gezin schade wordt berokkend. Datwij met onze volkshuisvesting niet in het stadium komen, datde Amerikaanse Socioloog Lewis Mumford aldus heeft gety-peerd, dat het gezin liever een hond heeft dan nog een kind.omdat deze minder ruimte vraagt en bovendien minder aanverzorging kost. Dit gevaar zou ik op grond van mijn le-vensovertuiging niet voor mijn verantwoording kunnen ne-men. Ik ben echter overtuigd, dat dit gevaar bij toepassingvan een verantwoorde woningdifferentiatie niet aanwezig is.Immers zoals reeds gezegd biedt de kleine woning met eentweepersoons en een eenpersoons slaapkamer als in hetvoorafgaande voorgesteld, plaats voor een jong gezin mettwee kleine kinderen.Zoals boven globaal werd becijferd, zal van de jonge gezin-nen, die in deze woningen worden geplaatst, gemiddeld 25%er na 5 jaar uitgegroeid zijn. Welnu, deze 25% moet danmaar na 5 jaar verhuizen. Dit acht ik geen bezwaar.Bovendien moet niet worden voorbijgezien, dat het woning-tekort in vele gemeenten nog ontstellend groot is en dat hetnog jaren zal duren voordat dit zal zijn ingelopen. In de gro-tere gemeenten is het dan ook regel, dat gezinnen met min-der dan twee kinderen eenvoudig niet voor toewijzing vaneen woning in aanmerking komen, doch aangewezen zijn opinwoning. Hierbij is het gevaar van belemmering van degezinsgroei nog in veel sterker mate aanwezig. Wij staanhier voor een gevaar, dat wanneer het niet spoedig wordtbezworen, tot de geestelijke en zedelijke ondergang van onsvolk zal leiden.Het is dus een zaak van het allergrootste belang, dat de wo-ningvoorraad wordt uitgebreid en hiervoor is nodig, dat dewoningen niet groter worden gemaakt dan noodzakelijk is,opdat met hetzelfde bouwvolume en met dezelfde investe-ring een zo groot mogelijk aantal gezinnen van het euvelvan het samenwonen zal worden verlost.Toepassing van woningdifferentiatie is noodzakelijk, omdatde samenstelling der huishoudingen zodanig is geworden enzich in een zodanige richting ontwikkelt, dat een grote ver-scheidenheid van woonvormen noodzakelijk is om in de on-derscheidene behoeften te voorzien en de maatschappelijkeconstellatie globale oplossingen niet meer toelaat. In dit op-zicht zullen wij een geleide productie moeten hebben. De tijdis voorbij, dat wij voor ons gehele volk gemiddelde wonin-gen konden bouwen, omdat een dergelijke woning voor hetene gezin te klein is en de ontplooiing van het gezinslevenbelemmert en voor het andere gezin te groot en daardoor opdat gezin lasten legt, die dan een gelukkig gezinsleven in dt-weg staan.ledere huishouding een passende woning zij het devies, endan passend niet alleen in de zin van passende grootte, maarook passende inrichting en uitrusting van de woning over-eenkomstig de behoeeften van hen, die deze woning moetenbewonen.Inleiding Dr Ir F. Bakker Schut voor congresNationale Woningraad op 30 Juni '51 te Den HaagHet is mij een voorrecht in aansluiting aan de woorden, dieu van officiele zijde eerder zijn toegesproken, u, mede na-mens de directeur van de Gemeentelijke Woningdienst inonze stad van harte welkom te heten en u ter inleiding vande hedenmiddag te maken excursie naar de Haagse wijken,waar vele woningwetwoningen gereed komen en in aan-bouw genomen zijn, enkele nadere inlichtingen over hetwoningbeleid in deze stad te mogen geven.Het zal u niet zijn ontgaan, dat den Haag later dan tal vanandere grote steden in Nederland -- met name dan Rotter-dam -- met de woningbouw op stoot is gekomen. Wat hier-van ook de oorzaak zij -- en daarbij moet in de eerste plaatsworden gedacht aan het enorme aantal woningen met lichteen zware oorlogsschade. die eerst moesten worden hersteld-- ik vlei mij met de hoop, dat de bouwactiviteit, zoals dezezich in de laatste jaren in onze stad heeft ontwikkeld, uwbelangstelling zal hebben.Reeds sinds enkele jaren is deze woningbouw ten voile af-gestemd op de maximale bouwcapaciteit van het aantalbouwvakarbeiders ter plaatse.Het eerste dat ik zou willen vermelden, is de voortreffelijkesamenwerking tussen de gemeente en de bouwverenigingenhier ter stede. Zoals u zal blijken uit de cijfers, die ik u naderzal noemen, is het percentage van de woningwetwoningen.die door bouwverenigingen worden gebouwd, tegenover datvan de gemeente zeer hoog, aanmerkelijk hoger dan in deandere grote steden. Dat wij dit percentage zo hoog hebbenkunnen opvoeren was alleen mogelijk, doordat er van de zij-de van de bouwverenigingen een ruim begrip bestond voorde moeilijkheden, waarmede de gemeente bij het uitstippelenvan haar woningbeleid heeft te kampen en voor de nood-zakelijkheid de taak der gemeente te verlichten door met be-houd van de volledige zelfstandigheid mede te werken inhet door de gemeente getrokken kader.Een zestal punten, waarbij de verenigingen zich aan het wo-ningbeleid van de gemeente hebben moeten aanpassen, wilik u noemen, met de uitdrukkelijke verzekering, dat de ge-meente zich bij haar coordinerend werk geenszins heeft la-ten leiden door een lust tot ringeloren, doch slechts door debittere noodzaak zo spoedig mogelijk zoveel en zo goed mo-gelijke woningen te doen bouwen.In de eerste plaats stond de gemeente voor de opgave hetdoor het rijk geschonken bouwvolumen geheel te verwezen-lijken, waardoor het nodig was de voorbereidingstijd voorde plannen zoveel mogelijk te bekorten en dus aan de wen-sen van architecten tot het experimenteren met nieuwe ty-pen, niet steeds ten voile tegemoet kon worden gekomen.In de tweede plaats moet, zoals elders, het uiterste wordengedaan om de bouwkosten binnen het enge keurslijf van derijksregelingen te dwingen, waardoor- een steeds sterkerestandaardisatie der typen moet worden toegepast, waardoorhelaas de vrijheid der architecten nogmaals aan bandenmoest worden gelegd. Het feit dat in den Haag vierhonderd,,stunt"-woningen zijn gebouwd, zonder dat ook maar in enigopzicht de gebruikelijke woningtype is verlaten, daarbij metvolledig behoud van de constructieve eisen, moge getuigenvan het slagen van dit streven.In de derde plaats moest worden gestreefd naar een maxi-male bouwsnelheid en naar een maximale productie bij hetgegeven aantal bouwvakarbeiders. Als gevolg van deze om-standigheid moest en moet nog in de woningwetsector eenhoog percentage systeembouw worden toegepast aangeziende particuliere bouwer nu eenmaal niet geneigd is systeem-woningen te bouwen.In de vierde plaats eist een volledige benutting van het toe-gewezen bouwvolumen, dat over de gehele linie een sterkewoningdifferentiatie werd toegepast. Het aantal kleine wo-ningen, dat in onze gemeente wordt gebouwd, is dan ook,naar u uit de nader te noemen cijfers zal blijken, hoger danin de meeste andere gemeenten. Enerzijds is dit een gevolgvan de typische bevolkingsstructuur in den Haag. ander-zijds is bij de verdeling der toewijzingen tussen de bouwver-enigingen rekening gehouden met de omstandigheid, dat deconfessionele verenigingen in het algemeen grotere gezinnenmoeten herbergen dan de niet confessionele. y IIn de vijfde plaats kon bij de indeling der woningcomplexenniet steeds voldaan worden aan de op zichzelf redelijke wensdat alle woningen om een gemeenschappelijke tuin gclegen,aan ccn zclfde bouwvereniging worden toegewezen. Uit dedoor de bouwvereniging ,,Patrimonium" gestelde vraag isu dit gebleken. De gemeente moet immers ook rekening hou-den met het aspect van de stad en in uitzonderingsgevallenkan dit tengevolge hebben, dat het streven naar een ver-zorgd straatbeeld, in die zin, dat de woningen ter weerszij-den van een straat aan eenzelfde architect worden toegewe-zen, moet prevaleren boven de wens van een volledig om-sloten binnentuin.In de zesde plaats, en hierin staat de gemeente den Haagallerminst alleen, is het een eis, dat de woningen wordenbewoond door diegenen, die 'een huis het meest van nodehebben. Hoewel daarbij in het algemecn wordt gestreefdnaar voorrang voor de leden der bouwverenigingen. even-tueel ook door opschuiving uit oudere bouwverenigingswo-ningen, kan niet steeds worden voorkomen, dat in noodge-vallen ook anderen moeten worden geplaatst. Het overlegtussen het Gemeenteh
Reacties