Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van de Nationale Woningraad,waarin opgenomen de mededelingen van de Rijksdiensthet Nationale Plan, en tevens gewijd aan devoorWederopbouwOctober 1952 33e Jaargang no. i v'''if-m^^^Vochtverschijnselenwcg werken is duurVocht voorkomenkost slechts weinigLaat ons het U voorrekenen.LANG & Co.Chemisch-Technische BouwstoffenindustrieNieuwe Keizersgracht 41-43, AMSTERDAMTelefoon: 54103SCHILDERSBEDRIJFLP.deZoeteOok Uw schilder voorNieuwbouw en OnderhoudswerkenWerkzaam voorRijks- en Gemeente-instantiesHooftskade 94--94a DEN HAAG Telefoon 33 24 69de beste bouw- en meubelplaatook gefineerd leverbaarimporteurs :Froost Bouwmaterialen Froost en Brandt nvAmsterdam -- telefoon 64H1OVERHEAD DOORSOVER THE TOP DOORS (KANTELDEUREN)en alle andere systemen garagedeurenJ. & G. STROBANDNieuwe Teertuinen 22-23 -- AMSTERDAM C. -- Telefoon 47139TEGELHANDELKantoor en toonkamer:Fijnackerstraat 40A'dam (Z.) - Telef. 26986Wand- en vloertegels, schoorsteenmantels,lilliputstenen, raamdorpels, gresmateriaal,vensterbankstenen, enz.RV, Van den Belt 6 to s Handel Mij?AMSTERDAM - Prinsengracht 852-862 - Tel. 31019-31144Specialiste in:? TRIPLEX? ASBEST- en ASBEST-CEMENT pro---^ ducten'~W' ? BOUWPLATEN (diverse soorten hout-vezelplaten, stro- en rietvezelplaten)? ACOUSTISCHE materialen, o.a. glas-wol, acoustische tegelsAtmotaHoutbetotisteen? LIGHT IN GEWICHT? GROOTISOLATIEVERMOGEN? GEEN BREUE? ONBRANDBAAR? SPIJKERBAAR en SCHROEFBAARWendt U voor levering tot Uw handelaar.Falbrikatite: N.V. ATMOTARIGAKADE 8--12 AMSTERDAM Tel. 44819--44879HOUTCONSERVERINGSMIDDELOLIMITHC.20(chloornaphthaline)? voUedige bescherming? gemakkelijke toepassing? voordelig? geheel Nederlands fabrikaatMonsters op aanvrage gratis beschikbaar bij:CHBiVi. PROD. Ol^IiVi N.V.Looiersgracht 25 - AMSTERDAM - Telefoon 34577EDEL STANDGROENEDEL STANDROODEDEL STANDBRUINEDEL STANDZWARTEDEL STANDGEELEDEL STANDBLAUWEDEL STANDWITjf^A^oS^J*A???N.V* v.h. EVERT KONING & Co.ZAANDAM - Telef.) 3692-4821-4985.Door zeer bijzondere omstandigheden bleek het nietmogelijk te zijn het September-Octobcrnummer van ,,DeWoningbouwvereniging" tijdig te doen verschijnen. Ditdubbel-nummer zal nu in de loop van de volgende weekafzonderlijk aan de abonne's worden toegezonden.De redactie van,,DE WONINGBOUWVERENIGING"Tijdschrift voorYolkshuisvesting enOctober 195233e Jaargang N6, llj.jjMaandblad .AStedebouwOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen, waarin opgenomen de mede-delingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de WederopbouwRedactie: Mr H. W. Bloemers, J. Bommer, Ir H. M. Buskens, ]hr M. J. I. de Jonge van EUemeet, B. Merkelbach,Ir L. S. P. Scheffer, Drs H. van der WeijdeAdres voor Redactie en Abonnementen: Lange Voorhout 19, s Gravenhage, Telefoon 184225Advertenties! Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Telefoon 49128 ('s avonds: Haarlem, Orion-weg 119, Telefoon K 2500 25560)Officiele mededelingenNederlands InstituutTentocpnstellingDe tentoonstelling 50 jaar Woningwet, georganiseerd doorde Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volks-huisvesting samen met het Instituut, werd op 10 Octobergeopend door Z.E. de Minister van Wederopbouw enVolkshuisvesting. Aan de leden zijn per circulaire bizonder-heden over de toegang medegedeeld.GedenkboekHet aan de Woningwet gewijde gedenkboek, getiteld 50jaar "V/oningwet, is thans verschenen.Over de wijze van verkrijging is de leden afzonderlijk bij cir-culaire een mededeling gedaan.Vergadering herdenking WoningwetOp 10 October heeft deze vergadering plaats gehad in denHaag.lin het bijzijn van Z.E. de Minister van Wederopbouwen Volkshuisvesting. Na een inleidend woord van de Voor-zitter hebben de Heren Dr Ir Z. Y. van der Meer, Prof. Mr A.C. Jos'jphus Jitta, H. C. Nijkamp en Ir L. S. P. Scheffer in-leidingen uitgesproken. De Heer Jhr M. J. I. de Jonge vanEllemeet heeft een slotbeschouwing gegeven.De vergadering werd door zeer veel belangstellenden bijge-woond.Rijksdienst voor het Nationale PlanBeslujten van de Minister van Wederopbouw enVolkshuisvestingOp grond van artikel 29, derde lid van de wet van 28 Sep-tember 1950, houdende voorlopige regeling inzake het Natio-nale Plan en streekplannen heeft de Minister van Wederop-bouw en Volkshuisvesting de volgende bezwaren gemaakt:dd. 12 Augustus 1952, no 62 betreffende de bouw van eenzomerhuis in de gemeente Noordwelle.Hiertegen is bezwaar gemaakt wegens strijd met het in voor-bereiding zijnde ontwerp voor het streekplan voor Schouwenen Duiveland.dd. 13 Augustus 1952, no 61 betreffende de bouw van een wo-ning op de Schietbergseweg in de gemeente Rheden.Hiertegen is bezwaar gemaakt wegens strijd met het in voor-bereiding zijnde ontwerp voor het streekplan Veluwezoom-Zuid.dd. 19 September 1952, no 66 betreffende de verbouwing enuitbreiding van een boerderijtje in de gemeente Ambt Om-men ten behoeve van de vestiging van een zomerrestaurant.Hiertegen is bezwaar gemaakt wegens strijd met het in voor-bereiding zijnde ontwerp voor een nationaal plan.Interimrapport agglomeratie s-GravenhageDe Werkcommissie Westen des Lands van de Rijksdienstvoor het Nationale Plan, die in opdracht van de Minister vanWederopbouw en Volkshuisvesting een onderzoek verrichtnaar de ontwikkeling van dit landsdeel, is onlangs gereed ge-komen met het cerste gedeelte van het interimrapport over deagglomeratie 's-Gravenhage, welk rapport inmiddels na aan-vaarding door de Vaste Commissie van de Rijksdienst voorhet Nationale Plan aan de Regering is aangeboden.Na het in 1951 gereed gekomen rapport betreffende deIJmond, werd -- in afwachting van de algemene studie overde ontwikkeling in het W^esten des Lands ?-- overeenkomstighet desbetreffend verzoek van de Minister van Wederopbouwen Volkshuisvesting ook aan de behandeling van de agglome-ratie 's-Gravenhage voorrang verleend met het oog op daaraan de orde zijnde urgente vraagstukken.Daarbij stond op de eerste plaats het gevaar voor stagnatiein de stadsuitbreiding van het Regeringscentrum Den Haagten gevolge van de moeilijkheden met de tuinbouw en de be-staande situatie op bestuursrechtelijk gebied. Een der voor-naamste onderwerpen, waarmede het rapport zich bezig houdtis dan ook de afbakening van het uitbreidingsgebied van DenHaag ter voorkoming van verdere conflicten tussen de bebou-wing en het nationaal-economisch belangrijke kassengebied inde omgeving van Loosduinen. De voorgestelde oplossingenworden gebaseerd op een afweging van ruimtelijke behoeftenen mogelijkheden, die haar grondslag vindt in een onderzoeknaar de functionele structuur en een prognose van de ontwik-keling van Den Haag tot 1971. Bij deze voorstellen wordt be-halve de stedebouwkundige conceptie ook de phasen-indelingvoor de verwezenlijking daarvan bezien.Op het thans gereed gekomen eerste deel, dat zich bezig houdtmet de voorziening in de behoeften der stadsuitbreiding ge-durende de eerste phase (tot 1961) en gedeeltelijk ook voordie in de tweede phase, zal na verdere studie een tweede deelvolgen, dat de nog opengebleven problemen behandelt. Hier-bij zal o.a. het vraagstuk van eventuele satellietvestiging aan deorde komen.De planologische voorstellen in het rapport zijn los gemaaktvan de gemeentelijke indeling. Het is de bedoeling, dat de be- 133Natiotau'pian stuursrechtelijke vragen afzonderlijk onder het oog zullenArtikeien wordeii gezien, evenals dat voor de omgeving van de IJmondgeschiedt op de basis van het desbetreffende interimrapport.Het rapport is tegen de prijs van f 12,50 (in een zeer beperktaantal) verkrijgbaar bij de Rijksdienst voor het Nationale Plan,Lange Voorhout 19, Den Haag.Dr J. Winsemius tijdelijk als adviseur naar IsraelAan Dr J. Winsemius, Hoofd van het Bureau voor IndustrieleZaken van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, is met in-gang van 1 November 1952 voor de duur van een jaar ver-lof verleend -- buiten bezwaar van 's Lands schatkist -- indienst te treden van de regering van Israel. Hij zal als adviseuroptreden voor het sociaal-economisch onderzoekingswerk voorde ruimtelijke ordening van het grondgebruik, in het bijzonderten aanzien van de verdeling van de bevolking (in nieuwe ste-den en dorpen) en de daaraan ten grondslag liggende verde-ling van de bestaansmiddelen.Beschouwingen omtrent een onderzoek naarwoonstiji en woonwensendoor de Centrale Directie van deWederopbouw en de Volkshuisvestingledere nieuwgebouwde woning vindt tegenwoordig gretig af-trtik bij de gegadigden op de woningmarkt. De woning magweliswaar talloze gebreken en euvelen hebben, maar toch zalde toekomstige bewoner er gelukkig mee zijn. Hij zal de ge-breken en euvelen zelfs voor een groot deel niet eens als zo-danig ervaren, omdat hij nu eenmaal niet beter weet. Hij heefteen huis, en dat is vaak meer dan hij had durven hopen.Er zal echter een tijd komen, waarin dit verandert.Wanneerhet woningtekort zal zijn opgeheven, zullen de potentiele huur-ders met allerlei eisen en verlangens voor de dag komen, waar-van wij momenteel hoogstens een flauw vermoeden hebben.Deze eisen en verlangens tekenen zich thans nog niet duidelijkaf, omdat de vreugde over het verkrijgen van een woning alleandere gevoelens voorlopig nog overstemt. Overigens verschaftook een vrije woningmarkt niet steeds een volledig inzicht inde werkelijke woonverlangens. Bovendien behoeven de actuelewoonwensen niet zonder meer maatgevend te zijn voor het so-ciaal wenselijke.De geschetste omstandigheden hebben de Centrale Directievan de Wederopbouw en de Volkshuisvesting doen besluiten,een sociologisch en sociaal-psychologisch onderzoek in te stel-len naar de woonwensen en de woonstiji. Door middel van ditonderzoek wordt beoogd, voor de komende jaren zowel sociaalals economisch verantwoorde richtlijnen te verkrijgen met be-trekking tot grootte, type, soort en situering van de te bouwenwoningen. Wat het sociale aspect betreft zal het onderzoekons moeten leren, door welke wijze van woningbouw het le-vensgeluk van de bewoners het beste kan worden bevorderd.Wat het economisch aspect betreft zal de strekking zijn, tevoorkomen dat wij in de toekomst met een groot aantal onpo-pulaire woningen opgescheept zullen worden, welke onrenda-bele investeringen zouden blijken te zijn.Met het onderzoek is ongeveer anderhalf jaar geleden een aan-vang gemaakt. Bij een moeilijk tastbaar onderwerp als het on-derhavige kunnen in een dergelijk kort tijdvak nog geen spec-taculaire resultaten worden verwacht, maar niettemin leek hetnuttig een eerste mededeling te doen. Het onderzoek wordtgeschraagd door een regelmatige uitwisseling van gedachtenmet enkele onderzoekers van de Dienst van Volkshuisvestingen de Dienst van Stadsontwikkeling en Wederopbouw vande Gemeente Rotterdam, die een studie van hetzelfde onder-werp hebben aangevat. Beide teams hebben daartoe een stu-diegroep gevormd. Het gevoerde overleg heeft aanmerkelijkbijgedragen tot de inhoud van de publicatie, die bij deze het134 licht ziet.Het aangesneden onderwerp is als object van concrete researchtamelijk nieuw. Weliswaar kan men reeds in het verre verledenstudies aantreffen waarin de sociale implicaties van het wo-ningvraagstuk worden aangesneden i), en ook werden er ineen minder ver verleden uitvoerige discussies geleverd overde sociale aspecten van vraagstukken zoals met betrekking tothet alternatief laag- of hoogbouw, maar daarin mist men tochin het algemeen een sociologische onderbouw. Veeleer werdende betogen toentertijd ondersteund met aphorismen en ge-voelsargumenten, in plaats van met gegevens omtrent de so-ciale realiteit.De eerste meer gedetailleerde sociale studies op dit gebied ver-schenen omstreeks of kort na de tweede wereldoorlog 2). Totop zekere hoogte kan men het verschijnen van deze geschrif-ten in verband brengen met na-oorlogse omstandigheden,waardoor men zich rekenschap ging geven van het onderha-vige vraagstuk, maar tevens kan worden geconstateerd, datdit terrein pas voor het onderzoek kon worden opengelegddoor de opkomst van de moderne technieken van opiniepei-ling en marktanalyse. Dientengevolge moest er een lange tijdverstrijken, voordat het streven naar sociale verbetering in-zake de volkshuisvesting gecompleteerd zou kunnen wordendoor het verwerven van een meer gefundeerd inzicht omtrentde wensen en verlangens der betrokkenen.De eigeniijke aanleiding tot het besluit om een onderzoek inte stellen naar de woonwensen en de woonstiji, was hoofdza-kelijk gelegen in de vraag: Welke numerieke verhouding tus-sen de aantallen eengezinshuizen en etagewoningen dient alsrichtlijn te worden gesteld voor de toekomstige woningbouw,rekening houdende met regionale verschillen? Weliswaar wa-ren er ook andere vraagpunten, bijvoorbeeld de behoefte aanwoongelegenheden voor bepaalde categorieen zoals ouden van'dagen of alleenwonenden, het vraagstuk van de centrale tech-nische voorzieningen, de ruimtelijke ordening der woningen,enzovoorts, maar toch gaf vooral het eerstgenoemde vraagpuntde stoot tot het onderzoek. Dit oude probleem is thans weeractueel geworden, doordat men genoodzaakt is -- veelal contrecoeur .-- over te gaan tot etagebouw in tal van plaatsen, waartot voor kort uitsluitend laag werd gebouwd. 3)Toen onze gedachten zich begonnen te kristalliseren omtrentde wijze waarop het probleem zou kunnen worden benaderd,zagen wij aanvankelijk tweeerlei aanpak voor ons. Tegen beiderezen echter weldra bezwaren.De ene methode bestond uit een min of meer massaal opge-zette opiniepeiling, culminerende in de vraag: ,,Zoudt u lieverwillen wonen in een eengezinshuis of in een etagewoning?", ofin een vraag van soortgelijke strekking. Bij nadere overdenkingliet het zich echter aanzien, dat de resultaten van een derge-lijke werkwijze weliswaar statistisch exact, maar in feite niets-zeggend zouden zijn. Een der eerste eisen waaraan een be-hoorlijk opinie-onderzoek moet voldoen is, dat de gesteldevragen niet hoger reiken dan het leven van alledag. Er bestaatechter geen goed alledaags synoniem voor de vakterm een-gezinshuis. Dit veelzeggende feit betekent, dat het nadenkenover woningtypen geen alledaagse bezigheid is, en dat het on-derwerp zich dus niet leent voor een opiniepeiling volgens hetsysteem, dat bijvoorbeeld bij verkiezingsprognoses wordt toe-gepast. Wanneer men bij een bewoner van driehoog-achtervragen zou stellen over een ,,eengezinshuis", ,,vrij huisje",,,eigen huisje", of lets dergelijks, loopt men het risico, in diens^) Verslag aan den Koning, over de vereischten en inrigting van arbei-derswoningen, door eene commissie uit het Koninklijk Insti'uut van In-genieurs. (Verhandelingen Koninklijk Instituut van Ingenieurs 1854^--1855).2) Zie bijvoorbeeld: Rapport Volkswoningbouw van de Vrouwenbondvan de Par ij van de Arbeid (De Gemeente, 4, 1950): Enque e: Hoe wiltgij wonen? (Bouw, 6, 1951); G. Jacquemijns: La Maison Heureuse (Bruxel-les 1949): Mass-Observation: An Enquiry into people's Homes, Lon-don 1943); Federal Public Housing Authority: The Livability Problemsof 1000 Families (Washington 1945).3) Zie ook: Verslag van het 51ste Gezondheidscongres (Tijdschrift voorSociale Geneeskunde, 28, 1951); Verslag van de vergadering over hetonderwerp eengezinshuis-meergezinshuis (Tijdschrift voor Volkshuisves-ting en Stedebouw 32, 1951).gedachten lets geheel anders op te roepen dan een ais eenge-zinshuis gebouwde volkswoning.In het dagelijkse leven geven de meeste mensen zich zeldenrekenschap van de hoedanigheden van hun woning als ge-bruiksvoorwerp. Een der oorzaken hiervan is, dat een ver-huizing geen alledaagse gebeurtenis is. Evenmin is een woningeen object dat men tijdelijk op proef kan krijgen. Voorts wordter voor woningen in den regel geen reclame gemaakt. Indiende bouwers ons even uitvoerig zouden voorlichten over de me-rites van hun producten als de fabrikanten van cigaretten, was-middelen, radiotoestellen en auto's zulks doen, zou een opinie-onderzoek aangaande de woning wellicht op minder moeilijk-heden stuiten. De meeste mensen accepteren hun woning ech-ter als een gegeven, dat nu eenmaal is zoals het is, en dathoogstens gerepareerd moet worden als het dak lekt of deverf bladdert. Zij beleven hun woonruimte veelal als een deelvan zicjhzelf en van hun gezin, dus nemen zij er geen distantievan. Dfeze ,,eigenheid" van de woning vormt een inhaerent as-pect van wat het wonen voor de mens inhoudt. In dit licht be-keken zal iedere enquete naar de woonwensen ertoe tenderen,zich af te spelen in een levensvreemde sfeer, dat wil zeggen ineen sfeer waarin ieder opinie-onderzoek zinledig zal zijn. Hier-mede is tevens aangegeven, waarom de vroeger door de Cen-trale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvestingbewerkte enquete onvoldoende resultaten heeft opgeleverd omals een grondslag voor het practische beleid te kunnen die-nen.i)Teneinde aan deze bezwaren te ontkomen werd naast het opi-nie-onderzoek een andere aanpak van het vraagstuk in over-weging genomen. Daarbij werd uitgegaan van de op zichzelflogische gedachte, dat de structuur van het gezinsleven be-palend is voor de woonbehoeften. Het spreekt immers vanzelf,dat een gezin met kinderen in de zuigelingen- of kleuterleef-tijd venial een andere woning nodig heeft dan een gezin metvolwasSen kinderen, en dat een bejaard echtpaar weer iets an-ders b^hoeft. In dit stadium gingen onze gedachten uit naareen concreet en inductief gezinssociologisch onderzoek, het-welk zpu moeten resulteren in een gezinstypologie en een in-ventaripatie van woon- en levensstijlen, waarvoor dan vervol-gens behoefteschemata zouden worden opgesteld. Voor iederaidus gevonden gezinstype zou daarna in gedachte -- duslangs qeductieve weg -- een bijpassend woningtype moetenwordeq ontworpen. Wij zouden daarbij als het ware de ge-zinstypen langs de x-as en de bouwtechnische mogelijkhedenlangs de y-as van een grafiek rangschikken. Tevens zou bij hetonderzoek moeten worden vastgesteld, welke aantallen gezin-nen va:i ieder type in de verschillende agglomeraties en ge-w^esten van ons land worden aangetroffen.Een belangrijk aspect in dit verband betreft de verschillendewijzen van vrijetijdsbesteding. Sommige vormen van ontspan-ning en gezinsleven spelen zich binnenshuis af, andere in detuin, op straat of op het duivenplat, en weer andere buiten denaaste omgeving van de.woning. Op deze basis zou men hui-selijke, tuinierende en uithuizige gezinnen kunnen onderschei-den en eventueel nog kunnen onderverdelen naar de mate vanoverlast, die de omwonenden van een en ander ondervinden,of naar de buurt- en wijkvoorzieningen, die er uit voortvloeien.De ges(phetste werkwijze scheen ons aanvankelijk zeer veelbe-lovend Itoe vanwege haar onmiskenbare innerlijke logica. Zijzou echler ongetwijfeld zeer tijdrovend zijn, omdat het sociolo-gische instrumentarium voor het opstellen van typologieen eninventarisaties aangaande het gezinsleven in ons land nog vrij-wel ontbreekt. Wij zouden voor moeilijkheden komen te staan,wier oplossing op tal van zijpaden zou voeren. Bovendien be-stond het risico, dat wij aan het einde van die lange weg metFaust zouden moeten verzuchten ,,Hat man die Teile in derHand, fehlt leider nur das geistige Band".Om deze redenen werd dan ook in tweede instantie beslotentot het instellen van een verkennende voorstudie met behulpvan een derde methode. Een dergelijke probleemverkenning is Artikdenuiteraard steeds nodig bij ieder sociologisch onderzoek ten be-hoeve van practische doeleinden. Men moet nu eenmaal eerstde situatie en de achtergronden kennen waarin het vraagstukligt ingebed, voordat het eigenlijke probleem kan worden uit-gepeld en als research-object ter hand kan worden genomen.In het onderhavige geval is deze inleidende studie zelfs vandusdanig belang, dat men gevoeglijk mag aannemen, dat hiereen goed begin het halve werk is.De methode welke ten behoeve van deze probleemverkenningwerd ontwikkeld, knoopt in verschillende opzichten aan bij dephaenomenologische analyse, die tegenwoordig -- misschienwel eens met wat veel gerucht^-- opgang maakt in de psycho-logie en in de sociologie. Bij deze wijze van benaderen trachtmen als het ware van binnen uit ineens tot de kern door tedringen; dat wil zeggen men tracht ,,er in te komen" wat dewoning voor de mens eigenlijk betekent en wat het wonen voorhem eigenlijk inhoudt. Het is een ,,inlevende", ,,identificeren-de ' methode. In tegenstelling hiermede vatten het massaleopinie-onderzoek en de gezinstypologische deductie het pro-bleem als het ware van buiten af aan. Zij zijn ,,distancierende"methoden, die zich in beginsel evengoed ?-- of even slecht --laten toepassen op onze wonende medemensen als op wezensvan een vreemcre planeet. Hiermede is overigens nog geens-zins gezegd, dat de identificerende methoden a priori juisterzouden zijn dan de distancierende. Welke wijze van aanpakvoor practische doeleinden als de beste moet worden be-schouwd, laat zich niet in een academisch debat uitmaken,maar zal de practijk op den duur moeten leren.Wat het woord ,,wonen" eigenlijk inhoudt, laat zich niet ge-makkelijk definieren en nog moeilijker analyseren. Toch wetenwij alien wel bij benadering, wat wij ermee bedoelen. In dezeinperking ,,bij benadering" ligt nu eigenlijk de quintessenceverscholen van de moeilijkheid, waarvoor wij in deze materiekomen te staan. Indien wij precies wisten wat ,.wonen" is,zou de vraag naar de juiste woning in wezen zijn opgelost.Dit laat zich gemakkelijk met een analogie illustreren: wanneerwij bijvoorbeeld spreken van ,,cen dagje naar zee gaan", wetenwij zeer precies wat dit inhoudt. De sfeer van de emmertjesen de schepjes, de zonnebrandzalf en de limonade, de voiletrams of treinen en het zonverbrande thuiskomen, dit alles ennog veel meer is inhaerent gegeven bij het een dagje naar zeegaan. De sfeer van het wonen daarentegen laat zich slechtsbij benadering en vaag aanduiden, en dientengevolge zijn deattributen van het wonen min of meer zwevend en onbepaald.Essentieel is slechts de aanwezigheid van een stevige voor-deur, die van een slot is voorzien. Dit is dan ook zo ongeveerhet enige element van de w^oning, waarvan de aanwezigheidzo vanzelfsprekend is, dat zij in alle discussies omtrent deideale woning onaangeroerd pleegt te blijven. Tevens was devoordeur het criterium, dat werd aangelegd bij de Woning-telling 1947. Op de keper beschouwd was deze telling eigen-lijk een voordeurentelling.Onze taak is dus, door te dringen in deze onbepaalde sfeervan wat het wonen eigenlijk inhoudt en van wat er voor eenwoning nog meer nodig is dan een afgesloten ruimte met eenvoordeur. Met dit doel voor ogen, kozen wij als grondslagvoor onze verkennende voorstudie een enquetemethode, die ge-baseerd is op de techniek van het vrije en toch gerichte ge-sprek. 1)Deze methode bestaat hieruit, dat de enqueteur bij zijn on-dervragingen behoedzaam peilt en aftast, wat er in de bevol-king eigenlijk leeft en omgaat met betrekking tot het wonenen de woning. De gesprekken worden op een zodanige wijzegevoerd, dat de ondervraagden zich zoveel mogelijk vrij kun-nen uitspreken en dat de ,,idees precongues" van de onder-vrager niet mede worden verwerkt. Daartoe dient de enque-teur iedere beinvloeding van de loop van het gesprek zorgvul-Bouw, 6, 1951.^) Zie ook: C. R. Rogers: Counseling and Psychotherapy (Boston, etc.,1942); /. H. van den Berg: Het gesprek en de bijzondere aard van het 1 QCpastorale gesprek (Tijdschrift Theologie en Practijk, 10, 1950). I OOArtikelen dig te vermijden, zowel wat betreft de inhoud en strekking alswat betreft de onderwerpen die worden besproken. Hij magdaarom alleen maar overgaan tot het stellen van een vraag,indien de geenqueteerde in de loop van het gesprek hem devraag als het ware in de mend legt. Voorts mag hij onder geenbeding in discussie treden. Kortom, de taak van de gespreks-leider bij het vrije en toch gerichte gesprek bestaat uitsluitendhieruit, de geinterviewde persoon in de woonsfeer te brengenen daarna af te wachten, wat er naar boven zal borrelen. Zo-dra de geinterviewde buiten de woonsfeer afdwaalt dient degespreksleider hem daarheen terug te leiden, maar voor hetoverige heeft de laatstgenoemde een zuiver passieve en regis-trerende bonding aan te nemen. Hoogstens mag hij het gesprekweer op gang brengen als dit stokt, daarbij liefst aanknopen-de bij de laatste opmerking van de geinterviewde, of mag hijde behulpzame hand bieden om de gedachten en gevoelensvan de geinterviewde onder woorden te brengen. Dit behoortde interviewer dan op een zodanige wijze te doen, dat de ge-interviewde in zijn innerlijke instelling tijdens het gesprek alshet ware bij het wonen en in de woning verkeert, in plaats vanbij zichzelf of bij de interviewer te verkeren. Men kan het inde taal der phaenomenologen ook aldus formuleren: het ge-sprek moet niet gevoerd worden als een uitwisseling van ge-dachten van de een naar de ander, maar moex bestaan uit eenzich getweeen in de woning begeven.De taak van de gespreksleider zoals die hierboven werd om-schreven, doet in verschillende opzichten denken aan die vande goede gastvrouw in het tafelgesprek of van de psycho-analyticus in de therapeutische zitting. Het nut van deze werk-wijze voor ons doel is hierin gelegen, dat men juist datgenepeilt wat in de bevolking leeft, niet meer, maar ook niet min-der. Al wat er aan wensen en verlangens, noden en behoeften,denken en doen actief levend of half sluimerend aanwezig is,zal in genuanceerde vorm te voorschijn worden gebracht, maarwat er niet in zit wordt er ook niet uitgehaald. De methodevormt dus juist het tegendeel van de gebruikelijke wijze vanopinie-onderzoek met gesloten vraagstelling, waar men ener-zijds nooit meer kan uithalen dan er in het enquete-formulierbij voorbaat in is gelegd, maar waarbij aan de andere kant deenqueteur vaak meer vraagt dan het gekozen sample van 1000wijzen ook maar bij benadering kan beantwoorden. Bij moei-lijke onderwerpen leidt de gesloten vraagstelling dientenge-volge tot een hoog percentage zeg-maar-wat-antwoorden enzinledige antwoorden.Hiertegenover bezit het vrije gesprek weliswaar het nadeel,dat de resultaten zich in den regel niet lenen voor een sta-tistische rangschikking, maar daartegenover staat weer hetvoordeel, dat de gevoelsachtergronden van de verkregen uit-spraken met al hun schakeringen in het stenogram wordenneergelegd en achteraf kunnen worden gewogen. Dientenge-volge kan men met behulp van de vrije gespreksmethode veelbeter doorzien wat er zich achter de uitingen verschuilt, danbij de gesloten enquete mogelijk is. Voor het doel van ons on-derzoek biedt dit het eminente voordeel, dat men niet alleeneen inzicht krijgt omtrent de aard van de gekoesterde wensen,verlangens en bezwaren aangaande de woning, maar tevensook omtrent de diepere oorsprong daarvan. Men is dan beterin staat, verantwoorde richtlijnen voor de toekomstige woning-bouw op te stellen, dan wanneer men de geuite woonwensenmaar moet nemen zoals ze zijn. i)De techniek van het vrije en toch gerichte gesprek is hier zouitvoerig uiteengezet, omdat zij sterk afwijkt van de meer ge-bruikelijke methoden, die ons inziens voor het gestelde doelontoereikend zijn. Het spreekt overigens wel vanzelf, dat debeschreven gesprekstechniek in de practijk niet gemakkelijk toete passen is en dat het ook niet steeds gelukt haar consequentvol te houden. Van de gespreksleider wordt bij deze werkwijzeveel concentratie gevergd. Er is ook enige training voor nodig.Wij begonnen daarom met het houden van interviews met wo-ninginspectrices, bestuurders van woningbouwverenigingen enandere tcrzake georienteerde personen. Het besprokene werdintussen door een derde zoveel mogelijk onverkort genoteerd.Op deze wijze verkregen wij de nodige oefening in de beschre-ven gesprekstechniek. De bedoeling was daarbij, de geinter-viewde als een soort van microfoon te hanteren waarmede devox populi kon worden beluisterd. Hij of zij fungeerde dus alseen tussenpersoon, waardoor een groter aantal personen ge-lijktijdig kon worden gehoord, voorzover het althans mogelijkwas de tussenpersoon weg te cijferen. Ons streven was er ookditmaal weer op gericht het gesprek zodanig te voeren, datde gehoorde woninginspectrice en de reporter als het ware sa-men bij de bewoners en in de woningen verbleven, in plaatsvan in het vertrek waar zij zich in den lijve bevonden.Aanvankelijk hielden wij bij het voeren van deze gesprekkeneen vragenlijst bij de hand, teneinde daarop over te stappenwanneer het vrije gesprek ten einde liep. De bedoeling hiervanwas tevens, dat er geen onderwerpen van belang in het gesprekzouden worden vergeten. Nadat wij echter voldoende oefeninghadden verkregen in de vrije gesprekstechniek, bleek het beterte zijn om de vragenlijst verder maar thuis te laten. Wij dedennamelijk de ervaring op, dat de antwoorden op de lijst minderdiepgang en achtergrond bezaten dan datgene wat in het vrijegesprek uit het hart opwelde.Dit verschijnsel hangt onder meer hiermede samen, dat de ge-interviewde door de aanwezigheid van een vragenlijst als hetware van de woning wordt afgetrokken en tegenover de inter-viewer wordt gesteld. Terwijl de beide personen in het tech-nisch goed uitgevoerde vrije gesprek zich in hun gedachten sa-men in de woning begeven en samen hierin opgaan, dus toteen psychologische eenheid zijn verenigd, komen zij daaren-tegen door het ter tafel brengen van de vragenlijst tegenoverelkaar te staan. Dit verstoort de sfeer onherroepelijk. Er treedtdan lets in het gesprek op, dat verwant is aan examenvrees.Een verschijnsel van soortgelijke aard voerde tot een eigenaardige com-plicatie. Degenen van onze studiegroep die enkele der gehoorde woning-inspectrices persoonlijk kenden, viel het op, dat men de stem van deinspectrice menigmaal kon horen doorklinken in het verslag van het ge-sprek met haar. Het valt nu eenmaal niet te vermijden, dat de geinter-viewde niet alleen de vox populi doorgeeft, doch het beeld tevens methaar persoonlijkheid kleurt. Teneinde hiertegenover een tegenwicht teverschaffen, werd de suggestie geopperd, een persoonsbeschrijving vande geinterviewde aan de verslagen toe te voegen. Dit bleek echter in depractijk niet goed uitvoerbaar, omdat men tijdens het voeren van hetgesprek met zijn gedachten meer bij de woningen dan bij de geinterviewdeverkeert.Ofschoon het onderzoek nog geenszins is beeindigd, is hettoch nuttig reeds iets mede te delen over de tot nu toe be-reikte voorlopige inzichten. Deze werden in hoofdzaak ver-kregen op grond van gesprekken, welke wij voerden met wo-ninginspectrices, bestuurders van woningbouwverenigingenen andere op dit gebied werkzame personen i). Hun uit-spraken hebben uiteraard alleen betrekking op volkswonin-gen. In het algemeen werden bij voorkeur personen gehoord,die ervaring hebben met het beheer wan uiteenlopende typenvan woningen, met name ook na-oorlogse woningen.Met het oog op het beoordelen van de uitkomsten der gesprek-ken moge nogmaals in herinnering worden gebracht, dat ertijdens de interviews steeds naar werd gestreefd, de noden enverlangens van de bevolking voorzover mogelijk onvervormdvia de geinterviewde als tussenpersoon aan het daglicht tebrengen. Het merkwaardige feit doet zich nu voor, dat het,,technische" woongerief telkenmale de boventoon blijkt tevoeren in de gesprekken, met name in de grootsteedse ag-glomeraties. Douche of lavet, een tweede wastafel of fon-teintje, bergruimte, de fietsenbergplaats, gehorigheid, schoon-136^) In het Engelse rapport ,,An Enquiry into People's Homes" heeft mengebruik gemaakt van een gecombineerde me hode, waarbij de ques ionnaireveelal het uitgangspunt voor vrije gesprekken vormde. Zie ook: /. G.Perraby: Planning a Mass-Observation Investigation. (The AmericanJournal of Sociology, 51, 1945).^) De uitkomsten van deze vraaggesprekken zijn verwerkt in een rap-port getiteld ,,Eerste resultaten van een onderzoek naar woonstijl enwoonwensen", welk rapport als bijlage van het Jaarverslag van de Cen-trale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting over 1951is gepubliceerd. Overdrukken hiervan zijn verkrijgbaar bij de CentraleDirectie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting.GRANITOHoofdweg 66AMSTERDAMTelefoon 82745H. J. POSTMASpecialiteit in gepolijst kunstgranietenaanrechtbladen, g-ootstenen enz. engranito vloeren.Leyerancier o.a. van de SpoorwegenVeiligheidsglas voor de Bouwnijverheid7 X sterker dan gewoon glas.Vraagt Scherfvrij!monsters ^^^ ,,HARDGLAS" - ZOETEKMEERinlichtingen! Telefoon 17Abraham van Stolk & Zoonen n.v.ROTTERDAMPOSTBUS 1100TELEF. No. 35400528HOUTHANDELMUlJS & DE WINTER'Bouw- & AannemingsbedrijI N.V.ROTTERDAMVLISSINGENHEERLENEMMEN''^''^^^^^jM^^^'^^^'^'W'*sGiravenhageG rondwerkenZ u i g- & PerswerkenWaierbouwkundige w e r k e nBeionwerkenAANNEMERSBEDRIJFVH J. P. BROEKHOVEN NvARNHEMn.v. iittertotlstm.', ? '? t tTop het geiiiL
Reacties