Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van de Nationaie Woningraad,waarin opgenomen de mededelingen van de Rijksdienstvoor het Nationaie Plan, en tevens gewijd aan deWederopbouwNovember 1952 33e Jaargang no. 11p HIlvIPSEIV ASP H A I^ T F A B R I E: KKantoor; Buiksloterdijk 274 -- Fabriek: Kanaaldijk 3 -- Amsterdam -- Telefoon 60762-60883EN ASPHAI. T \^ L O E R E NVENTILATIEis thans geen probleem meer metde ,,HAWA" Eotor-ventilatoren.Door wind gedreven, dus geenbrandgevaar en geen energie ver-bruik Qeschikt voor alle doeleinden.Vraagt vrijblijvend onze uitgebreide folder, of persoonlijkbezoek aan:Technisch Bureau ,,HAWA"Plaat- en ConstructiewerkenKORENLAAN 19 - WASSENAAR - Telefoon K 1751-2657.SCHILDERSBEDRIJFL. P. de ZoeteOok Uw schilder voorNieuwbouw en OnderhoudswerkenWerkzaam voorRijks- en Gemeente-instantiesHooftskade 94--94a DEN HAAG Telefoon 33 24 69LANG 6 Co.N.V. i.o.Chemisch-TechnischeBouwstoffenindustrie,Nwe Keizersgr. 41-43,AMSTERDAM, C.Telefoon 54103Vi^lLlMTEGELHANDELKantoor en toonkamer:Pijnackerstraat 40A'dam (Z.) - Telef. 26986Wand- en vloertegels, schoorsteenmantels,lilliputstenen, raamdorpels, gresmateriaal,vensterbankstenen, enz.N.V. Van den Belt 6 Go's Handel Mij.AMSTERDAM - Prinsengracht 852-862 - Tel. 31019-31144Specialiste in:? TRIPLEX? ASBEST- en ASBEST-CEMENT pro-^ ducten-~W' ? BOUWPLATEN (diverse soorten hout-vezelplaten, stro- en rietvezelplaten)? ACOUSTISCHE materialen, o.a. glas-wol, acoustische tegelsAtmotaHoutbetonsteeti? LIGHT IN GEWICHT? GROOT ISOLATIEVERMOGEN? GEEN BREUE? ONBRANDBAAR? SPUKERBAAR en SCHROEFBAARWendt U voor levering tot Uw handelaar.Fat>rikante: IV.V. ATMOTARIGAKADE 8--12 AMSTERDAM Tel. 44819--44879A.BOK&ZONENN.V.Bloemgracht 191VerffabrikantenTelefoon 48881AMSTERDAMAlleenverkoop voor Nederland van de brandveilige,,Prentbrander" Veilig, Vlug en Voordelig. NederlandsOctrooi No 69558. Goedgekeurd door B. en W. vanAmsterdam. ,,Esso" propaangasdepot.Verkoopkantoor.van het afbijtmiddel Frappant O.B.Goedgekeurd door B. en W. van Amsterdam.Kwasten, Glas, Gereedschappen, Klimmateriaal.Bezoekt onze toonzaal.Vraagtmonsterseninlichtingen!Veiligheidsglas voor de Bouwnijverheid7 X sterker dan gewoon glas.Scherfvrij!N.V. ,,HARDGLAS"Telefoon 17- ZOETERMEEBTijdschrift voorViolkshuisvesting enNovember 195233e Jaargang ? No. 11MaandbladStedebou^i^Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen, waarin opgenomen de mede-delingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gev^ijd aan de WederopbouwRedacties Mr H. W. Bloemers, J. Bommer, Ir H. M. Buskens, Jhr M. J. I. de Jonge van Ellemeet, B. Merkelbach,Ir L. S. P. Scheffer, Drs H. van der WeijdeAdres voor Redactie en Abonnementen: Lange Voorhout 19, s Gravenhage, Telefoon 184225Advertenties! Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Telefoon 49128 ('s avonds: Haarlem, Orion-weg 119, Telefoon K 2500 25560)Overlijden K. C. van NesOp 20 Augustus 1.1. overleed op 76-jarige leeftijd de land-schapsarchitect en stedebouwkundige K. C. van Nes. Delaatstfe jaren oefende de Heer van Nes geen praktijk meeruit. Vele jongeren zullen daardoor niet meer met hem in aan-raking zijn geweest. Maar in de tijd dat de eerste stedebouw-kundige beginselen zich begonnen baan te breken in Neder-land, heeft de Heer van Nes ijverig deel genomen aan hetpropageren van de nieuwe gedachte. In de kring van de vrij-wel uitsluitend uit de architectuur voortgekomen stedebou-wers was hij, van oorsprong tuinarchitect, een afzonderlijkefiguur. Vooral in landelijke gemeenten heeft Van Nes zijn ar-beid verricht. Zijn uitbreidingsplan van Rhenen, dat in hetoude Gedenkboek De Woningwet 1902-1929 gereproduceerdis, is een vroeg voorbeeld van het pogen om ook in het lan-delijk gebied ordenend op te treden. Het denkbeeld om hetkarakter van het oude landschap in een woonwijk zo veelmogelijk te behouden, door de aanleg van de z.g. rustieke we-gen, is door Van Nes krachtig voorgestaan. Hij was een trouwbezoeker van de vergaderingen van de oude StedebouwkundigeRaad en heeft ook daar het contact tussen landschaparchi-tectuur en stedebouw helpen bevorderen.Wij fierinneren ons dit alles met erkentelijkheid en zullen hetons blijven herinneren.Overlijden Ir P. Bakker SchutOp 2$ October 1.1. overleed in den Haag Ir P. Bakker Schut,sederf vele jaren bestuurslid van het Instituut. De redactieheeft een van zijn oudste medewerksters, Mej. P. H. Hu-bregtse, bereid gevonden in een korte bijdrage deze volks-huisvester te tekenen in het verband, waarin hij zijn werk-zaamheid voor alles heeft ontplooid, dat van de Haagse ge-meentedienst.Daaraan moge het bestuur een kort woord laten voorafgaanter herinnering aan de figuur van Bakker Schut als lid vanhet dagelijks bestuur van 1921 tot 1946, als actief medewer-ker aan het Tijdschrift, als praeadviseur, inleider en debaterop onze ledenvergaderingen.Het Instituut had zijn warme belangstelling van de oprichtingaf. Minder dan een week voor zijn overlijden ontving deRedactie van het Tijdschrift nog twee bijdragen van zijn laand-- een daarvan verschijnt in dit nummer --; een duidelijkblijk van zijn onverzwakte medewerking. In het Instituut heeftBakker Schut gelegenheid gevonden de zaak van de volks-huisvesting en van de stedebouw te dienen in nationaal ver-band. Dezelfde eigenschappen, die hem tot een voortreffelijkhoofdambtenaar van den Haag maakten -- zijn zin voor defeiten als grondslag voor beschouwing en beleid, zijn helderverstand, zijn sociale belangstelling, zijn grote slagvaardigheidin de gedachtenwisseling -- deden hem ook hier op de voor-grond treden. In de lange reeks praeadviezenvergaderingenvan het Instituut zien wij telkens opnieuw Bakker Schut achterde katheder verschijnen, sprekend op een wijze, die soms tottegenstand prikkelde, maar altijd de belangstelling aanwak-kerde en altijd met een constructieve bijdrage tot het beoogdepraktische resultaat.Voor het Gedenkboek 50 Jaar Woningwet schreef BakkerSchut een reeks portretten van voortrekkers bij de toepassingvan de wet. Tot deze pioniers behoorde hij zelf. Het Instituutziet met dankbaarheid terug op de vele jaren, dat het Bak-ker Schut als een van de meest actieve leden in zijn middenheeft gehad.Overlijden Ir W. A. C. Herman de GrootDe naam van Ir Herman de Groot, die op 30 October 1.1. plot-seling is overleden, blijft voor hen, die belang stellen in deNederlandse ruimtelijke ordening, voor alles verbonden aanhet streekplanwerk in Zuid-Holland voor de oorlog. Daarwas, niet het minst onder invloed van de toenmalige Gedepu-teerde van Boeyen, de latere Minister, een actief centrum vanstedebouwkundig werk ontstaan. Er was een commissie vooruitbreidingsplannen en daarnaast was het streekplanwerk terhand genomen, met name voor Ysselmonde en het West-land. Ir Herman de Groot was als Secretaris aan de commis-sies voor deze streekplangebieden toegevoegd. Het omvang-rijke werk aan de voorbereiding van de streekplannen ver-bonden, heeft hij bijna zonder bureau-hulp moeten verrichten.De wijze, waarop hij zich van zijn taak kweet, is niet vol-doende naar buiten doorgedrongen, doordat de rapporten,waarin de uitkomsten zijn vervat, niet algemeen toegankelijkzijn. Maar degenen, die kennis hebben kunnen nemen, metname van het streekplanrapport Ysselmonde, weten dat diteen voorbeeld is van streng methodische arbeid, waarop deoverledene duidelijk zijn stempel heeft gezet. Teleurstellingover het uitblijven van een duidelijk op de verwezenlijkingvan de plannen gericht beleid, is hem niet bespaard geble-ven. Na een korte werkzaamheid als Directeur aan het In-stituut Stad en Landschap van Zuid-Holland, zien wij DeGroot in hoofdzaak in andere richting arbeiden. Wat hij heeftbijgedragen tot de verheffing van onze ruimtelijke ordeningis een blijvende vrucht van zijn arbeid, waarvoor wij dank-baar zijn.149In Memoriam Ir P. Bakker SchutNu het Dagelijks Bestuur van het Instituut mij verzoekt enigewoorden aan de nagedachtenis van Ir P. Bakker Schut tewijden, gaan mijn gedachten terug naar September 1915, toenik in dienst trad van Gemeentewerken te 's Gravenhage enhij mijn chef werd; het begin van een ruim dertigjarige sa-menwerking.De toenmalige 38-jarige ingenieur-afdelingschef van de af-deling grondbedrijf, was juist tevens belast geworden met deafdeling Volkshuisvesting, nadat hij een enquete had inge-steld naar de huisvesting van jonggehuwden te Scheveningendie, naar hij zeide, een rilling door de stad deed gaan om detoestanden die er in openbaar werden -- en nadat hij aan hetGemeentebestuur een rapport had uitgebracht over het wo-ningvraagstuk in 's Gravenhage, waarvan de daarin aange-geven richtlijnen door B. en W. werden aanvaard.Dit was het begin van zijn werkzaamheid op het terrein, waar-op hij in ons land een der leidende figuren werd, en ver buitenonze grenzen bekendheid verwierf.Nog in 1915 werd hij Adjunct-Directeur van Gemeentewer-ken, belast met het grondbedrijf en de Woningdienst, en nade afscheiding van Gemeentewerken, Directeur van de Dienstder Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting.Onder zijn ruim 20-jarig directeurschap -- in Februari 1942werd hij op 65-jarige leeftijd gepensionneerd -- groeide denHaag snel. Uitbreidingsplannen werden ontworpen; onteige-ningen ten behoeve van het verkeer -- Vondelstraat, GroteMarktstraat, Jurriaan Kokstraat -- en in het belang van devolkshuisvesting -- Scheveningen, Gedempte Gracht -- voor-bereid en ten uitvoer gelegd; nieuwe wijken verrezen, krottenwerden opgeruimd, duizenden verenigings- en gemeentewo-ningen gebouwd. Den Haag draagt tot in zijn uiterste hoekende bewijzen van zijn initiatief, werkkracht en kunde, en heeftalle reden tot dankbaarheid voor zijn arbeid. En hoe hield hijniet van zijn stad, die hij zo graag het grootste dorp vanEuropa noemde, en waarvan hij bij de uitbreiding het karaktertrachtte te bewaren en het natuurschoon te behouden.Maar hier willen wij meer dan het werk de man herdenken,die dit alles tot stand bracht. Door zijn veelzijdige begaafd-heid en sterke persoonlijkheid zou hij op elk gebied, waarophij werkzaam zou zijn geweest, een vooraanstaande plaatshebben ingenomen. Maar het is zeker geen toeval dat hijzich wijdde aan de volkshuisvesting en stedebouw. De voor-naamste reden hiervoor ligt m.i. in zijn sterk sociaal gevoel enin zijn grote belangstelling voor sociale vraagstukken. Reedsin zijn jeugd werd hij lid van de S.D.A.P. en van hemzelf weetik, hoe hij toen in de idealen van de Partij deelde en met haarstrijd meeleefde. Dezelfde gezindheid leidde er toe, dat hij zichging bezighouden met de Haagse woningtoestanden, daarbijaangemoedigd en gesteund door wethouder Jurriaan Kok. Deliefde en zorg, die hij aan de woonwijken, de arbeiderswonin-gen, de parken en speelplaatsen gaf, die onder zijn leidingontstonden, waarbij hij steeds trachtte om het beste te verkrij-gen wat financieel mogelijk was, kwamen hieruit voort. Hetwas de grondslag van zijn arbeid.Maar vergis U niet. Zeker, hij was links georienteerd; zijnbeginselen inzake b.v. erfpacht, overheidsbouw, onteigening,kwamen overeen met die van de linkse partijen. Maar vanpolitiek, en zeker van partijpolitiek, moest hij in zijn ambtniets hebben. Was een der voornaamste motieven voor hetop zijn initiatief in het leven roepen van de Stichting CentraalWoningbeheer niet juist het beheer der gemeentewoningenaan partij-politieke invloeden te onttrekken? In zijn werk stondhij buiten de politiek, was hij volkomen objectief, en liet hijzich leiden door het algemeen en het gemeentebelang. Ookdaarin was zijn ambtelijke bonding onberispelijk.En zo kom ik tot de ambtenaar, de directeur. Van het beginaf heeft hij zijn Dienst opgebouwd, beheerst, en er zijn stem-pel op gedrukt. Zelf van grote plichtsbetrachting en stipt-150 heid, vroeg hij deze ook van zijn personeel, dat hij binnenhun altijd duidelijk omlijnde opdracht een grote vrijheid vanhandelen liet. Een uitstekend organisator, begreep hij hetbelang van het vlot verlopen van de kleine, telkens terugke-rende, zakelijke werkzaamheden, inhaerent aan elk bedrijf, engeen detail was hem te gering om dit te verkrijgen. Hij wasgemakkelijk toegankelijk, open voor suggesties, en ging per-soonlijk overal kijken. Zijn autoriteit was in de Dienst onbe-twist, wat bij zijn sterke persoonlijkheid wel niet anders kon.De karakterisering van hem als ,,autoritair democraat", diemen in de Dienst wel eens hoorde, was ondanks de tegenstel-ling die er in ligt, zeker niet onjuist.Zijn werkkracht was enorm. Na een dag van onvermoeidwerken, gingen er stapels stukken ter afdoening mee naarhuis, en daar ontstonden de talrijke adviezen, rapporten envoorstellen die in Haagse ambtelijke kringen algemeen bewon-dering wekten. Glashelder, van de praemissen tot de con-clusies het betoog punt voor punt opbouwend, alle kantenbelichtend, puntig, met een juiste en eenvoudige woorden-keus recht op het doel afgaand, vormden deze stukken degrondslagen voor de behandeling van de daarin vervatte on-derwerpen. Dezelfde eigenschappen kenmerkten zijn publica-ties en zijn redevoeringen op vergaderingen en congressen. Hijwas een man vin sterke overtuigingen, die tot het laatste voorzijn mening streed, maar als in afwijking van zijn adviezenbesluiten werden genomen, dan voerde hij deze loyaal uit,noch zich zelf, noch zijn personeel critiek of nabetrachtingveroorlovend. Zoals hij loyaal was tegenover zijn superieu-ren, was hij dit tegenover zijn personeel. Als er moeilijkhedenwaren -- en die waren haast niet te vermijden omdat bij dewerkzaamheden zo vaak de m.ateriele en persoonlijke belan-gen der burgerij in het geding kwamen -- dan nam hij dadelijken openlijk alle verantwoordelijkheid op zich. Vele van zijnambtenaren hebben daaraan de dankbaarste herinneringen; hetgaf hun zo nodig zekerheid bij hun arbeid.Zijn onkreukbaarheid was zowel binnen als buiten de Dienstspreekwoordelijk; ook zijn tegenstanders waren van zijn inte-griteit overtuigd en hij waakte zorgvuldig tegen het insluipenvan misbruiken in zijn Dienst.Een makkelijk mens was hij niet, noch voor zich zelf, nochvoor anderen. Hij kon moeilijk en veeleisend, heftig en scherpzijn. Jaren geleden zei een Engelse bezoeker, die blijkbaargetuige was geweest van een discussie, 'waarbij het heet Avastoegegaan tegen mij: ,,Your director does not suffer foolsgladly. He ought to have more patience, but he is usuallyright", wat mij een ,,Yes, I know" ontlokte.Met het ouder worden werd hij kalmer, milder, verdraagza-mer. Bovendien was hij nooit persoonlijk, het ging bij hemaltijd om de zaak; voeg daarbij, dat hij ,,usually right" was, enhet is begrijpelijk dat deze onweren meestal voorbij trokkenzonder sporen achter te laten. Hij bezat de achting en hetvertrouwen van alien met wie hij werkte.Toen hij in 1942 in de donkere bezettingstijd gepensionneerdwerd, ging hij moeilijke tijden tegemoet. Hij moest met zijngezin den Haag verlaten en maakte zowel de slag om Arnhemals het bombardement van Deventer mee. Maar na de bevrij-ding was hij spoedig weer terug. Het gehavende den Haaghad zijn kennis, ervaring en stuwkracht hard nodig om zijnwonden te helen. Hij werd Directeur van de GemeentelijkeDienst van de Wederopbouw en nam zijn plaats in de diversebesturen en commissies waarvan hij voor de oorlog lid wasgeweest, weer in. Tevens werd hij een der leidende figurenvan het Huisvestingsbureau. Nog zeven jaren van vruchtbarearbeid waren hem gegeven, toen kwam het einde, zoals hijzich dat gewenst had: plotseling, nog deelhebbend aan hetwerk, waaraan hij gedurende zovele jaren al zijn krachten enzijn hart had gegeven, en waardoor hij zovelen aan zich heeftverplicht. Den Haag heeft een van zijn beste dienaren ver-loren.P. H. HubregtseOfficiele mededelingenNederlands InstituutVergadering voorwaarden rationalisering woningbouwOp 18 December a.s. zal een ledenvergadering van het In-stituut plaats vinden, waar behoudens enige huishoudelijkezaken, het onderwerp ,,Voorwaarden voor verdere rationali-sering van de woningbouw" zal worden behandeld.De Heer Jhr M. J. I. de Jonge van Ellemeet zal een inlei-ding houden over ..Unificatie van de bouwverordeningen",de Heer B. Merkelbach over ,,Standaardplattegronden".Tentoonstelling 50 jaar WonenDeze tentoonstelling, die nog een week langer voor het pu-bliek toegankelijk is geweest dan oorspronkelijk de bedoelingwas, is thans beschikbaar voor expositie buiten den Haag.Met Leeuwarden en Arnhem is reeds overeenstemming terzakebereikt. De opening te Leeuwarden heeft op 21 Novemberplaats gevonden.Rijksdienst voor het Nationale PlanBesluit van de Minister van Wederopbouw en Volks-huisvestingOp grond van artikel 29, derde lid van de wet van 28 Sep-tember 1950, houdende voorlopige regeling inzake het Na-tional^ Plan en streekplannen heeft de Minister van 'Weder-opbouw en Volkshuisvesting het volgende bezwaar gemaakt:dd. 20 October 1952, No 69 betreffende een voorgenomenontginning van een perceel grond onder de gemeente Mierlo.Hiertegen is bezwaar gemaakt wegens strijd met het in voor-bereiding zijnde ontwerp voor een nationaal plan.OfficielemededelingenRijksdienstNationale PlanArtikelcnKrotopruimingdoor Ir P. Bakker Schut fIn een' radio-rede enkele maanden geleden gehouden door detoenmalige Minister van Wederopbouw, Mr J. in 't Veld,werd door hem betoogd, dat het mogelijk zou zijn de wo-ningnood omstreeks 1960 tot het verleden te doen behoren.Daartoe zou nodig zijn het jaarlijks te bouwen kwantum wo-ningen, voorlopig 55.000, in de jaren 1955-1960 op te voerentot 65.000. Maar dat zou aan het eind van die periode eenplotselinge terugslag geven op de bouwnijverheid en een mas-sa-we4kloosheid veroorzaken, indien niet op dat ogenblikonmiddellijk met krotopruiming een aanvang zou worden ge-maakt.Spoedig daarna heeft hij het onderwerp opnieuw aangesnedenin een rede voor de Nederlandse Aannemers- en Patroons-bond en erop gewezen, dat men over het algemeen te weinigoog heeft voor de noodzakelijkheid een politiek op lange ter-mijn te voeren, terwijl zulks toch noodzakelijk is om catastro-phes te voorkomen. Ook het inmiddels opgetreden ministerieblijkt het vraagstuk van de krotopruiming ter hand te willennemen. In de troonrede komt de volgende zinsnede voor:,,Om de krotopruiming dienstbaar te maken aan bestrijding,,van werkloosheid, wanneer in komende jaren de bouwbe-,,drijvigheid zou teruglopen, zal de voorbereiding van sane-,,ringsplannen worden ter hand genomen."Het lijkt mij een zeer gelukkige omstandigheid, dat dit vraag-stuk reeds thans met nadruk aan de orde is gesteld. Want alis tengevolge van de woningnood in de meeste gemeentenopruiming van krotten op grote schaal voorlopig natuurlijkuitgesloten, sanering is een zaak, die blijkens de ervaring zeerveel tijd eist, zowel wat de voorbereiding als wat de uitvoe-ring betreft. Als voorbeeld moge dienen de sanering van oud-Scheveningen: tussen de datum van het eerste Raadsbesluit enhet ogenblik, waarop de vrijgekomen terreinen grotendeelsmet nieuwe woningen waren bebouwd, ligt een tijdsruimtevan 24 jaar! Nu weet ik wel, dat bij de huidige mentaliteitop het gebied der volkshuisvesting een heel wat vlugger tempomogelijk en waarschijnlijk is. Maar ik zou er toch de nadrukop willen leggen, dat ook thans en ook in een ,,progressief"land met het vooronderzoek, het opstellen der plannen, deonbewoonbaarverklaring, de onteigening, de afbraak, de aan-leg der nieuwe straten en de bouw der nieuwe woningen tochonvermijdelijk jaren zijn gemoeid. Het kan daarom nuttig zijnenkele algemene opmerkingen over het onderwerp te makenop een ogenblik, dat wij ons nog niet de luxe kunnen veroor-loven minderwaardige woningen af te breken anders dan ingevallen van absolute onvermijdelijkheid.In zijn rede voor de Aannemersbond heeft Mr in 't Velderop gewezen, dat een derde gedeelte van onze woningvoor-raad ouder is dan 75 jaar.Dit zou betekenen, dat ongeveer 700.000 woningen daterenvan voor 1877. Ik beschik niet over de gegevens, waarop despreker zich kon baseren en ik zal mij er dan ook wel voorwachten dit cijfer te betwisten. Maar voor de niet ingewijdeen dus oppervlakkige beoordelaar lijkt het cijfer erg hoog.Het komt mij trouwens voor, dat de ouderdom niet de enigeen misschien zelfs niet de voornaamste factor is bij de beant-woording van de vraag, welke panden al dan niet bruikbaarzijn. Belangrijker is de vraag hoe er werd gebouwd in de tijd,dat de woningen tot stand kwamen. En dan is de soliditeit vande bouwsels uit de tweede helft van de 19e eeuw zeker min-der dan van de panden uit de 17e en 18e eeuw.De bevolkingstoeneming in de eerste helft van de 19e eeuwwas zeer gering en eerst in de jaren tussen 1850 en 1870 dedende eerste voortekenen van de industriele revolutie zich in onsland gevoelen. De trek naar de steden, de snelle bevolkings-vermeerdering, de verbetering van de verkeersmiddelen, deontwikkeling van het moderne kapitalisme, dateren hoofd-zakelijk uit de jaren na 1870. Daarmede ging gepaard eenspeculatiebouw in de meest ongunstige zin van het woord, dieons heeft opgescheept met aan de lopende band gebouwdewoningen, welke reeds in de tijd, waarin zij gebouwd werden,aan de meest bescheiden eisen niet beantwoordden. Het wasde gulden tijd voor de grondspeculant, de revolutiebouwer ende huisjesmelker; het trio, dat en de volkshuisvesting en destedebouw beheerste. Al zijn er vele woningen en zelfs gansewijken die uit de 17e eeuw dateren (de Jordaan is het klas-sieke voorbeeld), het is toch voor alles de erfenis van de19e eeuw, waarvan de liquidatie het huidige geslacht zorgengeeft.Het is de periode van het diepste verval, niet alleen uit stede-bouwkundig oogpunt en aesthetisch-bouwkundig, maar ookzuiver bouwtechnisch bezien. Bouwverordeningen waren .--voor zover zij iiberhaupt bestonden -- volstrekt onvoldoende.Het ambacht was in verval, de vakopleiding was gebrekkig.Toezicht op het bouwen ontbrak of werd uitgeoefend dooreen enkele opzichter, die het wel geloofde. Met bouwvergun-ningen werd raar omgesprongen. Ofschoon de regeerders uitde 2e helft der 19e eeuw geacht kunnen worden bekend tezijn met de elementaire eisen, welke uit hygienisch oogpuntaan een woning behoren te worden gesteld, onthielden zij zichbewust ervan deze in de praktijk toe te passen. Nog in 1860sprak de Gemeenteraad van 's-Gravenhage zich met 28 tegen6 stemmen uit voor het toelaten van rug-aan-rug woningen,terwijl een privaat voor zes woningen toelaatbaar werd ge-oordeeld!De Woningwet heeft de mogelijkheid geschapen om misstan-den op dit gebied te voorkomen, maar ook niet veel meer dande mogelijkheid. Het heeft jaren geduurd alvorens de gemeen-ten in voldoende mate de wapens wisten te hanteren, welkede wetgever hun in handen had gegeven. In Amsterdam be- 15 1AttlkeUn schikte men reeds in de eerste jaren van deze eeuw over eenbehoorlijk georganiseerd bouw- en woningtoezicht, maar hoelang heeft het niet geduurd voor in andere steden -- om vanhet platteland nog te zwijgen -- dit voorbeeld was gevolgd!Het woningtype heeft ook in de aanvang van onze eeuw veeltc wensen overgelaten. In Den Haag zijn nog tot 1918 de z.g.uitbouw-woningen gebouwd, die aanleiding geven tot talrijkegerechtvaardigde klachten. Rotterdam heeft nog veel langer-- ikmeen zelfs tot 1935 -- alcoof-woningen gebouwd.Eerst zeer geleidelijk is dan ook het bouwen van minderwaar-dige woningen tot staan gekomen. Ik meen, dat men, globaalgenomen, het tijdperk Waarin bij de bouw van nieuwe wonin-gen onvoldoende is rekening gehouden met de eisen uit tech-nisch en sociaal oogpunt te stellen aan behoorlijke huisves-ting, kan stellen op 1850^1910.Kan het verwondering wekken, dat de woningen welke uitdie tijd dateren en die op het moment, waarop zij tot standkwamen reeds veel te wensen overlieten, thans de meeste zor-gen baren?Ik denk hierbij in de eerste plaats aan die gebreken, welkeof niet of slechts met relatief zeer grote kosten te verbeterenzijn: onvoldoende toetreding van licht en lucht door liggingaan sloppen of stegen of op inpandige terreinen, rug-aan-rugwoningen, te lage ligging ten opzichte van het straatpeilen/of ten opzichte van de grondwaterstand, onvoldoenderiolering, onvoldoende trasraam, te dunne muren of murenopgetrokken van slechte steen, onbeschoten zolders, enz. Nietminder bedenkelijk zijn de fouten, welke kleven aan het wo-ningtype. Ik noem slechts de voor- en achterwoningen vierhoog in Amsterdam, de hofjeswoningen (een-kamer-woningenmet meestal onbeschoten zolder) in Den Haag, de talloze wo-ningen met alcoven en(of) bedsteden in alle grote en velekleine steden, maar zeker niet minder op het platteland, dedijkwoningen langs de grote rivieren, de absoluut onvoldoen-de woningen in de veenkolonien, enz. enz.Maar, zal men wellicht zeggen, van dat alles is toch ondervigueur van de Woningwet veel opgeruimd in de laatste 50jaar. Ongetwijfeld is er in die tijd heel wat verdwenen; enlangs de natuurlijke weg door algeheel verval, gewijzigd ge-bruik, city-vorming, enz. en tengevolge van pverheidsmaat-regelen (onbewoonbaarverklaring en (of) onteigening).Maar veel meer dan er opgeruimd is, is nog blijven staan.Want men verheze niet uit het oog, dat de halve eeuw ge-durende welke de Woningwet haar zegenrijke werking zouhebben kunnen doen gevoelen, uiterst ongunstig is geweestuit een oogpunt van liquidatie dier minderwaardige woningen.In de eerste jaren na 1902 hield men zich voornamelijk bezigmet het maken van bouwverordeningen, organisatie van hetbouwtoezicht en enquetes, dus inventarisatie van de bestaan-de woningvoorraad. Het was een periode van voorbereiding.Onbewoonbaarverklaring geschiedde (behalve in Amster-dam) op zeer bescheiden schaal. Toen kwam de eerste we-reldoorlog met als gevolg woningnood en derhalve stopzet-ting van alle maatregelen, die zouden hebben kunnen leidentot vermindering van het aantal woningen. Gedurende de ja-ren 1914-1925 hebben nagenoeg geen onbewoonbaarverkla-ringen plaats gehad; zelfs in Amsterdam waar men op dit punthet meest stelselmatig te werk is gegaan, trad een volkomenstilstand in. Omstreeks 1925 was de woningnood in de meestegemeenten overwonnen, zodat men meer armslag verkreeg.Maar spoedig daarna, in 1930, volgde een economische crisisvan ongekende hevigheid. De bezuiniging, de zorg voor degave gulden had (behalve werkloosheid) ten gevolge, dater bij de overheid weinig geneigdheid bestond tot onbewoon-baarverklaring, krotopruiming en uitvoering van niet absoluutonvermijdelijke openbare werken. Wei was er een regelingwelke -- op papier -- beoogde krotopruiming te bevorderen.maar in de praktijk waren de moeilijkheden, welke de gemeen-tebesturen bij de uitvoering ondervonden zo groot, dat menzich meestal beperkte tot enkele goed bedoelde, maar be-scheiden pogingen, of dat de gedachte sanering noodge-.152 dwongen geheel achterwege bleef. In deze periode is dan ookde tevoren ontstane achterstand allerminst ingehaald.Daarop volgde de tweede wereldoorlog. Weer woningnooden wel in veel ernstiger mate dan de vorige. Weer stopzet-ting van alle sanering en krotopruiming. En dit tijdperk vangeheelonthouding duurt nu al twaalf jaar!Ik vestig er in dit verband nog de aandacht op, dat gedurendede beide woningnood-perioden, welke tezamen reeds eenkwarteeuw in beslag hebben genomen, niet alleen geen posi-tieve maatregelen tot opruiming zijn getroffen, maar dat deoverheid begrijpelijkerwijze heeft moeten verhinderen, datwoningen werden onttrokken aan hun bestemming, tenzij deonvermijdelijkheid daarvan overtuigend werd aangetoond.Dientengevolge is het gebruik van vervallen woningen alspakhuis, het verbouwen van woningen tot kantoor, winkel,bergplaats, werkplaats, enz. tot een minimum gereduceerd.Ook de uitvoering van die publieke werken, welke de amotievan woningen zou impliceren, is gedurende de woningnood-perioden stopgezet.Men onderschat veelal het aantal woningen, dat onder meernormale omstandigheden op deze wijze ingevolge een natuur-lijk zuiveringsproces, dus zonder ingrijpen door onbewoon-baarverklaring e.d., opgeruimd pleegt te worden. Een enkelcijfer moge dit verduidelijken.Gedurende de periode van 1924-1939 zijn in ons land onge-veer 100.000 woningen afgebroken, waarvan 20.000 door di-recte overheidsmaatregelen als sanering en ontruiming na on-bewoonbaarverklaring en 80.000 tengevolge van city-vor-ming, uitbreiding van bedrijven, openbare werken, enz. i)Men kan dan ook mijns inziens gerust aannemen, dat, zelfsindien het onderhoud niet te wensen had overgelaten, in dejaren 1940-1952 een achterstand ontstaan zou zijn van tenminste 100.000 woningen, welker afbraak wenselijk ware ge-weest. Maar ook dat onderhoud is ten enenmale onvoldoendegeweest: gedurende twee oorlogsperioden tengevolge van ma-teriaalschaarste en prijsverhoging, in de jaren dertig tenge-volge van economische omstandigheden. En dat de overbe-zetting der woningen buitendien nog in hoge mate ongunstigop de staat van onderhoud heeft gewerkt, is zonder meer dui-delijk.Buitendien zijn vele eigenaren tengevolge van het bevriezender huren gedurende en na de oorlog niet in staat geweestde sterk gestegen onderhoudskosten te financieren uit de op-brengst van hun huizenbezit. Hierover is reeds in alle toon-aarden gesproken en geschreven. Ik wijs er hier echter op omte doen uitkomen, dat de toestand van het oude woningbezitsnel achteruitgegaan is door een cumulatie van ongunstigefactoren.En dat alles is te bedenkelijker, omdat onvoldoende onderhoudnatuurlijk op een slecht gebouwde woning een veel ongun-stiger effect heeft dan op een ,,hecht en weldoortimmerdhuis". En zoals ik hiervoren reeds opmerkte gaat het in deeerste plaats over woningen op welke de vloek rust van detijd, waarin zij geboren zijn.lie ben dan ook overtuigd, dat er onder de ruim twee milhoenwoningen in ons land verscheidene honderdduizenden zijn,welke wij gaarne zouden missen indien er geen woning-nood ware.Wel is vanwege de Regering getracht woningverbetering testimuleren door een premie-regeling. Eerst in 1938 (circu-laire van 23 Juni 1938), daarna door die van 1948 (circulairevan 13 Maart 1948). De eerste heeft tengevolge van de spoe-dig daarna ingetreden oorlogsomstandigheden weinig kunnenuitwerken. De tweede heeft meer effect gehad: ruim 11.000woningen (d.i. ? i% van de totale woningvoorraad) zijnmet deze steun van rijk en gemeente onderhanden genomen.Hoezeer van belang, is de hiermede bereikte verbetering re-latief toch tamelijk gering. Het is dan ook te betreuren, datde regeling inmiddels weer werd ingetrokken. Tengevolgevan beschikbaarstelling van fondsen door particulieren, z.g.1) Volgens Van Beusekom -- De Volkshuisvesting -- Utrecht z. j. jr. 30.Terlingenfonds, heeft de regeling nog een verlengstuk gekre-gen. (Voor werken, die gedurende de wintermaanden wordenuitgevoerd, wordt ingevolge de circulaire van 23 September1952 nog een aanvuUende subsidie gegeven uit 's Rijks kas.)Ik wil hiermede echter allerminst beweren, dat het wenselijk20U zijn om ongelimiteerd premies voor woningverbetering be-schikbaar te stellen en deze te verlenen ongeacht aard, liggingen toestand van de woning. Integendeel, ik zou uitdrukkelijkwillen waarschuwen tegen het verbeteren van woningen, wel-ke daarvoor niet in aanmerking komen, omdat zij ook na ver-betering geen volwaardig bezit zullen vormen of omdat zij zijngelegen in een verkrotte en daarom als geheel te sanerenbuurt. Indien men b.v. enige duizenden guldens per stuk be-steedt aan verbetering van rug-aan-rug-woningen op een in-pandig terrein, dan is het nog de vraag, of dat uiteindelijkgeen strop wordt, en voor de volkshuisvesting en voor debetrokken eigenaar.Een scherpe scheidingslijn tussen verbetering en uitgesteldonderhoud is dikwijls moeilijk te trekken. Onder verbeteringzijn in elk geval te rekenen die werkzaamheden, welke leidentot een meer rationele indeling van de woning, zoals ver-groting der vertrekken door verwijdering van alcoven en bed-steden, vergroting van de bergruimte, aanbrengen van dew.c. op een juistere plaats, enz. en voorts het aanbrengenvan die installaties, welke sedert de bouw niet aanwezig zijngeweest (in bepaalde gevallen aansluiting aan de riolering,w.c. met waterspoeling, electrische installatie, gasleiding,enz.). Andererzijds zijn er werkzaamheden, waarvan vaststaat,dat zij zijn te beschouwen als uitgesteld onderhoud, dochwaarvan de uitvoering vrij grote bedragen vereist: vernieu-wing van pannendak of mastiekdak, vernieuwing van schoor-stenen, vernieuwing van vloeren, balklagen, kozijnen, enz. Enten slotte zijn er werkzaamheden, welke strikt genomen totgewoon onderhoud behoren, doch onvermijdelijk voortvloeienuit of samenhangen met de verbetering.Het ligt voor de hand, dat deze scheiding in concrete ge-vallen nog al eens verschil van mening oplevert. Terecht dientvan overheidswege te worden aangedrongen op een reelesplitsing. Voor vele eigenaren zal het echter een onoverko-melijke moeilijkheid opleveren de gelden nodig voor uitgesteldonderhoud op tafel te brengen. Het lijkt mij in zulke gevallenredelijk, dat -- tenzij de gemeente overgaat tot aankoop ^--voorschotten op de voet van art. 51 Woningwet worden ver-strekt, een mogelijkheid waarvan, voor zover mij bekend, wei-nig gebruik is gemaakt.Voorop moet echter staan, dat niet tot ingrijpende verbeteringwordt overgegaan van die woningen, welke niet waard zijnop de duur behouden te worden. M.a.w. men dient een schei-ding te maken tussen die woningen, welke nog gedurende eenlange periode dienst zullen kunnen en moeten doen en die,welke, al komen zij niet, althans niet direct, in aanmerkingvoor onbewoonbaarverklaring, nog niet gemist kunnen wor-den zolang de woningnood niet geheel is overwonnen. Ik zoudeze periode voorzichtigheidshalve op 10 a 15 jaar willenstellen.Over de vraag of een woning zonder meer als ,,krot" moetworden gekwalificeerd dan wel voorlopig nog voor bewo-ning geschikt kan worden gemaakt is meningsverschil aller-minst uitgesloten. Niet alleen is de beoordeling bij uitstek af-hankelijk van de subjectieve opvatting van de beoordelaar,maar het is onvermijdelijk, dat het antwoord op bedoeldevraag mede afhankelijk wordt gemaakt van factoren, die metde technische beoordeling geen verband houden (economischemogelijkheid tot verwezenlijking van een ruim opgezet plan,toestand op de woningmarkt, eventuele moeilijkheden bij hetonderbrengen van de gezinnen uit te amoveren woningen,enz.).Maar ook indien volkomen zekerheid bestaat omtrent dekwaliteit der woningen schuilt er een gevaar in, indien tehooi en te gras, zonder systeem slechte woningen onbewoon-baar verklaard en geamoveerd worden. Men riskeert dan, datop willekeurige plaatsen in een vervallen buurt nieuwe ge-bouwen worden gesticht, waardoor een sanering van de wijkals geheel praktisch onmogelijk wordt.De bouwvergunning kan niet worden geweigerd en de op-richting van kostbare gebouwen kan de sanering van de buurtals geheel praktisch onmogelijk maken. Ten einde dit te voor-komen zou het wenselijk zijn, dat in zulke gevallen de bouw-vergunning kon worden geweigerd, indien een voorberei-dingsbesluit ter zake van het vaststellen van een sanerings-plan (naar analogie met art. 36, 4e lid) is genomen. Een par-ticle herziening der Woningwet zou daartoe nodig zijn.Ten einde het volgen van een rationele werkwijze mogelijkte maken is daarom voor alles nodig, dat na opneming vanhet woningbezit wordt geraakt tot een classificatie van de to-tale woningvoorraad, b.v. volgens onderstaand schema:I. Situatie, bouw en indeling voldoende.a) goed onderhouden;b) onvoldoende onderhouden; achterstallig onderhoud uitte voeren.II. Situatie voldoende; in aanmerking komend voor verbete-ring.a) goed onderhouden; te verbeteren;b) onvoldoende onderhouden; te verbeteren en achterstal-lig onderhoud uit te voeren.III. niet in aanmerking komend voor verbetering tengevolgevan principiele gebreken:a) provisorisch in bewoonbare staat te brengen voor deduur van de woningnood-periode;b) onbewoonbaar te verklaren en geleidelijk op te ruimennaar mate de woningnood het toelaat.Hoe groot is nu het aantal woningen, dat jaarlijks opgeruimdmoet worden om binnen afzienbare tijd een redelijke toestandte bereiken?In de jaarverslagen van de toenmalige Hoofdinspecteur overde jaren 1943 en 1944 vindt men dienaangaande beschouwin-gen. Daarin wordt geconstateerd, dat in de jaren na 1924gemiddeld 6500 woningen werdcn onttrokken aan de woning-voorraad (? 2.200.000) of 1/3%, hetgeen zou corresponde-ren met een levensduur van 300 jaar. Dit is natuurlijk veel telang. De economische levensduur mag niet hoger worden ge-steld dan ? 50 jaar: ,,reeds binnen die periode kan een wo-,,ning verouderd zijn, zodat zij grondige restauratie behoeft,,om op de markt te verschijnen". (Jaarverslag 1943.)De technische levensduur is veel langer en wordt op gemid-deld 125 jaar aangehouden.Bij de berekening (jaarverslag 1944) wordt dan uitgegaanvan een woningvoorraad in 1919 van 1.400.000, welke dusdestijds 25 jaar of ouder was. Uitgaande van de technischelevensduur van 125 jaar, zou dit aantal in 100 jaar moetenzijn vervangen, dus 1% per jaar, d.i. 14.000 woningen.Onaanvechtbaar is deze berekening zeker niet. In de eersteplaats al, omdat de woningvoorraad per 1919, waarvan wordtuitgegaan, een groot kwantum omvat, dat reeds toen veelouder was dan 100 jaar.Maar buitendien kan terecht de vraag worden gesteld, ofniet veeleer de sociale levensduur als uitgangspunt dient teworden genomen. Want in zeer vele gevallen is de situeringen de bouwwijze zodanig, dat ook al is de woning technischniet volkomen versleten, deze sociaal toch ontoelaatbaar is.Mede op grond van de hiervoren gegeven beschouwingenover de bouwzeden ten tijde van de totstandkoming der mees-te woningen waarover het hier gaat en de wijze waarop zijzijn onderhouden, komt het mij voor, dat het in de ministerieleradio-rede genoemde cijfer van 20.000 zeker niet te hooggegrepen is en eerder als een minimum moet worden be-schouwd.Resumerende kom ik tot de volgende conclusies:1. Voorkomen moet worden, dat belangrijke bedragenworden besteed aan panden, waarvan aangenomen magworden, dat zij niet voor geruime tijd als volwaardige enmenswaardige woning dienst kunnen doen.Artlkelen153Artlkelen1542. Voorkomen moet worden, dat nieuwe panden wordcn ge-bouwd of bestaande ingrijpend worden verbeterd in eenbuurt, waar vcel minderwaardige woningen staan en diedaarom beter als een geheel gesaneerd kan worden.3. Van overheidswege dient te worden bevorderd, dat pan-den die waard zijn behouden te worden, doch verouderdof verwaarloosd zijn, voor zoveel nodig worden verbeterden in behoorlijke staat van onderhoud worden gebracht,respectievelijk door toekenning van premie en zo nodigdoor toepassing van art. 51 Woningwet.4. Woningen, die hoewel verouderd en in slechte staat ver-kerend, onder de huidige omstandigheden niet gemist kun-nen worden, moeten zodanig provisorisch worden opge-knapt, dat zij voor de duur van de woningnood-periodeeen menswaardig verblijf bieden.5. Woningen, welke noch onder de sub 3, noch onder desub 4 bedoelde rubriek kunnen worden gerangschikt, moe-ten geleidelijk onbewoonbaar verklaard en ontruimd wor-den, naar gelang de toestand op huisvestingsgebied zulkstoelaat.6. Na een zorgvuldige opneming dient een classificatie teworden gemaakt van de woningen in daarvoor in aan-merking komende wijken, rekening houdende met de mo-gelijkheid tot verbetering en de staat van onderhoud.In het vorenstaande heb ik deze aangelegenheid bezien uit-sluitend uit een oogpunt van huisvesting.Natuurlijk is er nog een andere kant: de stedebouwkundige,die wellicht nog belangrijker is. De wijken, waar de wonin-gen van de hier bedoelde soort staan, zijn als geheel naar-geestig. Zij missen groen en bloemen, de straten zijn niet be-rekend op het tegenwoordige verkeer, speelterreinen ontbre-ken, enz. Een wijs beleid eist dus dat een plan voor krot-opruiming en woningverbetering niet wordt ontworpen zon-der direct verband met een verbeteringsplan voor de bebouw-de kom. Er bestaat tussen beide een onverbrekelijk verband.Mijn doel was echter slechts de huisvestingskant te belichten,de nadruk te leggen op de noodzakelijkheid om in de jaren,waarin wij nog gebukt gaan onder de woningnood, alles watmet de krotopruiming samenhangt systematisch voor te be-reiden en daarmede spoedig een aanvang te maken.De mogelijkheid yoor een yrijere ontwikkelingen uitvoering van uitbreidingsplannendoor G. F. E. KiersHet huidige uitbreidingsplan, als bestemmingsplan, met dedaarbij behorende bebouwingsvoorschriften, waarvan de nood-zakelijkheid algemeen wordt onderschreven, regelt minutieusbinnen zijn grenzen de toekomstige bebouwing. Plan metvoorschriften, inclusief de aanvullende bepalingen van debouwverordening, geven een duidelijk beeld hoe de stedebouw-kundige ontwerper zich de toekomstige bebouwing heeft ge-dacht.Er zijn verschillende redenen aan te voeren, waarom een der-gelijk minutieus en gedetailleerd geheel niet kan worden ge-mist, om enige waarborg te bezitten voor het verkrijgen vaneen gaaf en harmonisch dorps- en stadsbeeld.Tegen deze methode, hoewel noodzakelijk, zijn evenwel ech-ter een tweetal bezwaren in te brengcn.Wanneer wij deze aangelegenheid bezien van de zijde van dearchitecten, die echter niet steeds worden ingeschakeld, dan isde noodzakelijke grond voor deze vergaande bemoeii'ngen omde middelmatige en minder bekwame architecten of bouwkun-digen bij hun bouwplan te dwingen tot aanvaardbaar werk,nog niet altijd waarborg voor een goed resultaat. De bevoeg-de, meer bekwame architecten zullen zich bij hun scheppendwerk in een uitbreidingsplan moeten bewegen in een keurslijfvan bepalingen, welke wel eens verantwoorde, betere oplos-singen in de weg kunnen staan.Dit keurslijf zai gezond initiatief en scheppingskracht onnodigremmen en onvoldoende prikkel bieden aan het kunstenaars-schap van de architect. Te grote gebondenheid aan de gedach-tenwereld van een ander zou er weleens toe kunnen leiden,dat men, tegen de bedoeling in, niet het beoogde of verwachteresultaat krijgt, waardoor de uitbreidingsplannen in de uit-voering onvoldoende uitgaan bove-n het beeld van de stadsuit-breiding van 1900, dat de Woningwet van 1901 mede heeftwillen bestrijden.Het tweede bezwaar betreft het mogelijk te vroegtijdig vast-stellen van een volledig uitgewerkt plan, hetgeen mede daarinde omvang van het uitbreidingsplan in onderdelen betrekt.Tot nu toe was het regel, dat een uitbreidingsplan in onder-delen de bebouwingsmogelijkheden inhield voor de eerstvol-gende 10--25 jaren.De vraag is of dit de juiste weg is en of dit niet tot verstar-ring zal leiden. Het plan mist de nodige soepelheid. Voor delatere jaren kan het niet meer corresponderen met de inmid-dels gewijzigde stedebouwkundige inzichten en opvattingen,bezien uit technisch, sociologisch en aesthetisch oogpunt. Inde huidige tijd, met zijn sterke wisselingen, spreekt dit welbizonder sterk.De levende maatschappij vraagt een levend plan. Wel issteeds wijziging van het plan mogelijk, maar tegen de daar-aan verbonden administratieve werkzaamheden en de met dewijzigingsprocedure gemoeide tijd wordt opgezien, zowel doorarchitecten als door de opdrachtgevers. De hierna aanbevolenmethode, door een deel uit te werken als de uitvoering nodigzal zijn, vraagt ook wel telkenmale uitwerking met dezelfdewerkzaamheden. Maar het is iets geheel anders of iedere keeruitwerking van een deel van het plan nodig is, dan dat eenreeds uitgewerkt deel moet worden omgewerkt. Men heeft danreeds iets, waarmede kan worden gewerkt, zodat alleen zeerklemmende redenen tot de omwerking zullen leiden. Vooralbestuursorganen, welke gaarne op hun lauweren rusten, zul-len de omwerking zo lang mogelijk uitstellen. De praktijk heeftgeleerd, dat men zich meestentijds schikt naar een plan enslechts in zeer bizondere gevallen, bijv. bij de stichting vaneen kerk of raadhuis, de lange en moeizame weg van de wij-ziging van een uitbreidingsplan onderneemt. Ook komt hetwel voor, dat een gemeentebestuur zich vrijheden bij de uit-voering veroorlooft, welke niet altijd even verantwoord zijn.In verband met het vorenstaande dringt zich nu de vraag opof het niet mogelijk is, om, met behoud van het stedebouw-kundige plan en van de rechtszekerheid, de bouwende archi-tect de nodige vrijheid te laten, zodat aan de eisen van hetogenblik geheel kan worden voldaan bij het vervullen van deopdracht.De wederopbouwplannen gingen in die richting, omdat menzich door verschillende omstandigheden en bepaalde waarbor-gen meerdere vrijheid kon veroorloven, zonder dat de meer-dere ongebondenheid nadelen zou kunnen opleveren.Reeds meerdere malen is de vraag naar voren gekomen, ofbij de uitvoering van het uitbreidingsplan niet dezelfde sou-plesse kan worden verkregen, hoewel de omstandigheden,waaronder bij de uitvoering wordt gewerkt, belangrijke ver-schillen zullen kunnen vertonen met die bij een wederopbouw-plan. Onder souplesse moet dan worden verstaan een wijzi-ging van een uitbreidingsplan in onderdelen of het uitwerkenvan het deel, in hoofdzaken vastgesteld, met behulp van eenkortere procedure dan art. 37 van de Woningwet eist.Bij het overwegen van de vraag, of de redactie van de Wo-ningwet zulks toelaat, zal moeten worden bedacht, dat de wet-gever bij de wijzigingen van paragraaf 7 van de Woningwetzich die gedachte nog niet voor ogen had gesteld, althans nietin de mate en het tempo als wij nu wensen.De toelichting van het wijzigingsvoorstel 1930 (in 1931 wetgeworden) vermeldt over art. 36 o.m. het volgende:,,Het plan van uitbreiding zal aangeven de bestemming voorde naaste toekomst van de, daarin begrepen, gronden. Hetzal dus zijn een bestemmingsplan, dat wel kan, maar nietsteeds behoeft te geven detaillering van wegen en afmetingenOpenbare samengesteldeideeenprijsvraag voor Volkswoningbouw op Curasao.Het Bestuurscollege van het Eilandgebied Curagao schrijfteeri openbare samengestelde ideeenprijsvraag uit, welke tendoQl heeft een of meer ontwerpen subs, ideeen te verlcrijgenvoor de Volkswoningbouw.De deelneming aan de prijsvraag staat open voor een ieder.Het programma is gratis verkrijgbaar ten kantore van deAlgemene Vertegenwoordiger van de Nederlandse Antillenin Nederland, Lange Voorhout 50, 's-Gravenhage en wordtop verzoek tot op 14 dagen voor de inzendtermijn gratisaan geinteresseerden toegezonden.De termijn van inlevering sluit op 1 Maart 1953.Curagao, November 1952.Het Bestuurscollege voornoemd,De Secretaris,J. VAN TOORN.De GezaghebberM. P. GORSIRAWat is de voor-naamste zorgvan een woning-houwvereniging fHaar bezit zo lang mogelijk tebeschermen tegen zo laag mogelijke kosteniDat is mogelijk met de moderne vervenvan Vettewinkel in 2 lagen:2GEMEENTE EMMEN.Op de afdeling Stedebouw bij de dienst van gemeentewer-ken kan worden geplaatstopEEN ASSISTENT-ONTWERPERarbeidscontract.Vereist: opleiding en/of ervaring als stedebouwkundig ont-werper.Salarisgrenzen: f 5050.80 -- f 5932.80, inclusief de bekendeverhogingen.Sollicitaties op zegel, te richten aan Burgemeester en Wet-liouders, in te zenden aan de Directeur van gemeentewer-ken, Raadhuisstraat 4 Emmen, worden ingewacht uiterlijk15 December 1952.Emmen, 24 November 1952.AMAROL (grondlakverf) enCREMONA (aflakverf) (alleen creme)voor wit en kleuren:AMAROL (grondlakverf)CHINOLITH supersterk (aflakverf)LAGEN^e^ W^ e/feu/Zn^de/Deskundigen staan ter beschikking om U het beste advieste geven.Het enige Bureaumet5 JARIGEervaringBureau voor opstelling van RisicoregelingenVAN VLIETSurinamestraat 39DEN HAAGTelefoon 116832na 5 uur 722707Sterk!b-fiiir^^aBHet Arlith combinatiebad wordtdoor Bredero Beton Zuilen uiteen stuk vervaardigd en met tond-staal gewapend. Het Arlith com-binatiebad vormt daardoor eensterk geheel, is gemakkelijk teplaatsen en volkomen berekendop lang gebruik.ARLITH ) ^^'^'' ^" besiendigerBETON ZUILENBREDEROOe (abriek van de B>2 blokken. Tel. K 3408 ? 541-542N. V. Astali- enWegenbouwbedrijfNova Zemblastraat 65..NEUCHATEL"AMSTERDAM - Telefoon 48047VIoeren in ,,Maycrete" Woningenzijn door ons uitgevoerd !Door de navolgende eigenschappen bij uitstek geschiktvoor woningbouw:Vochtvrij - Hygienisch - Koudewerend. - Stofvrij (integenstelling tot beton). - Eenvoudig in onderhoud. -Maken bij het leggen van zeil of andere vloerbedek-king het gebruik van viltpapier overbodig.Alle voorkomende wegconstructiesen het maken van gietasfaltvloerenSTEENGAASReeds 30 jaarervaring inHANDEL EN CONSTRUCTIESBUSSCHBACH's STEENGAASHANDEL, Amsterdam Z.2e J. v.d. Heijdenstraat 26 -- Telefoon 713312-57578HOUTCONSERVERINGSMIDDELOLIMITHC.20(chloornaphthaline)O volledige bescherming? gemakkelijke toepassingO voordelig? geheel Nederlands fabrikaatMonsters op aanvrage gratis beschikbaar bij:CHEin. PROD. Ol^IiVl N.V.Looiersgracht 25 - AMSTERDAM - Telefoon 34577Het Sikkens' Periode- 1schema is een zo een- COvoudig - maar tegelijker- r \tijd zo goed mogelijkonderhoudsschema voorbuitenwerk van woning-\Permanenlebescherming\ vancomplexen, scholen, fa-brieken, enz.\ kostbaar\ bezil \Bij dit nieuwe schema \ \wordt bij een minimum maan kosten een maximum , Altijd1resultaat verkregen. y gaa( en1W schilder-^B werk \I\ Kosten- \\ spreiding \\ over \\ groot \\ aantal5'\ jaren\SI KH bNperiodeschemaeen abonnement op het schilderwerkSIKKENS 'LAKFABRIEKEM N.V.SASSENHEIMLoodgietersbedrijfA. de GraafDomselaerstraat 8AMSTERDAM OTel. 55012Aanleg vanGAS- en WATERLEIDINGENLeveringSANITAIROnderhoudCENTRALE VERWARMINGenz. Zo zal een bestemming van woonwijk, industriewijk ge-geven kunnen worden. In beginsel zal evenwel, voor zoverhet plan betreft uitbreiding voor de eerstvolgende jaren, debestemming in onderdelen aangegeven moeten worden_ tenzijde raad deugdelijke redenen heeft om ook binnen die grenzennog niet te detailleren, maar zich te bepalen tot de bestemmingin hoofdzaak. De opeenhoping van werk van kaarten, plan-nen, toetsen van belangen en onderzoeken van schade op eentijdstip, wordt dan ontgaan; de werkzaamheden worden danten dele uitgesteld, tot daaraan behoefte bestaat".Hoewel dit enigszins in die richting wijst, was toch in lan-gere termijnen gedacht. De bestemming in hoofdzaak was uit-zondering -- daarvoor moesten deugdelijke redenen zijn --en niet een systeem, waarbij deze de grond was voor eenverdere detaillering op eenvoudige wijze. Voorondersteld bleefsteeds, dat ook nog de procedure van art. 37 moest wordengevolgd.Het is dan ook de grote vraag, of de Woningwet toelaat eendetaillering van een plan in hoofdzaak met afwijking van even-bedoelde procedure. Het is moeilijk daarvoor een constructiete vinden en de nodige waarborgen voor een juiste uitvoeringte verzekeren, zonder tevens de nodige strijdvragen op tewerpen.Van belang is daarom het K.B. van 7 December 1951, Stbl.no 548, waarbij is goedgekeurd het besluit van GedeputeerdeStaten van Zuid Holland van 28 November 1950, B no 42574(Iste Afdeling), G.S. no. 461/1, houdende vaststelling vaneen partieel uitbreidingsplan in onderdelen ,,Morgenstond"voor gronden, gelegen ter weerszijde van de Leyweg in degemeente 's Gravenhage (toepassing art. 40, tweede lid, vande Woningwet).Bij het plan behoort een bebouwingsverordening, welke inhoofdstuk F aan Burgemeester en Wethouders afwijkingsbe-voegdheden toekent in een tweetal artikelen. Art. 26 bevatdie van ondergeschikt of weinig belang, zoals veelal gebrui-kelijk, zij het hier voor onderscheidene gevallen. Belangrijkeris art. 27, hetwelk luidt:,,1. Burgemeester en Wethouder zijn, onverminderd hunhierboven omschreven afwijkingsbevoegdheden, bevoegd voorterreinen, welke in eigendom aan de gemeente 's-Gravenhagetoebehoren, na voorafgaande toestemming van GedeputeerdeStaten van Zuid-Holland:hetzij ten behoeve van de toepassing van een andere verka-velingswijze, welke wenselijk is met het oog op het te bouwenwoningtype, hetzij in het belang van een aesthetisch of tech-nisch beter verantwoorde plaatsing van woningblokken of bij-zondere of openbare gebouwen,hetzij ter tegemoetkoming aan bij de uitwerking en uitvoeringvan het plan nader blijkende behoeften aan openbare of bij-zondere gebouwen, winkels, werkplaatsen, garages of anderebuurtvoorzieningen,af te wijken of afwijking toe te staan van bestemmingen enrooilijnen.2. De toestemming van het College van Gedeputeerde Sta-ten wordt niet gevraagd, dan nadat belanghebbenden in de ge-legenheid zijn gesteld schriftelijk hun bezwaren tegen de over-eenkomstig het eerste Hd van dit artikel voorgenomen afwij-kingen aan Burgemeester en Wethouders kenbaar te maken.Ingekomen bezwaarschriften worden door Burgemeester enWethouders aan het College van Gedeputeerde Staten over-gelegd".De vraag, welke bij dit K.B. in het bizonder naar vorenkwam, was, of in art. 27 de grenzen van de afwijkingsbe-voegdheid niet zodanig ruim zijn gesteld, dat het artikel nietin overeenstemming is te achten met art. 36, lid 3, van de Wo-ningwet.Het artikel beperkt in de aanhef van lid 1 de afwijkingsbe-voegdheden tot terreinen, welke in eigendom aan de gemeen-te 's Gravenhage toebehoren.Het geeft verder in lid 1 drie mogelijkheden, welke tot afwij-king kunnen leiden, elk aanvangende met ,,hetzij". Deze mo-gelijkheden zijn nodig, indien men een spoedige aanpassingvan een gedetailleerd plan -- onder de huidige omstandig- ArtikeUoheden en opvattingen -- wil kunnen bewerkstelligen.Behalve de beperking tot deze mogelijkheden is er nog hettoezicht van Gedeputeerde Staten, wiens voorafgaande goed-keuring is vereist met inachtneming van de procedure van hettweede lid van het artikel.De beantwoording van vorenstaande vraag hangt nu alleenaf, of men, niettegenstaande de gestelde begrenzingen en debescherming van belangen door de voorafgaande toestemmingvan Gedeputeerde Staten, de bewoordingen van de begren-zingen al dan niet te ruim ziet. Men kan deze ook zodanigvaag achten, dat zij ten enenmale niet als een voldoende af-perking zouden zijn te beschouwen.In zijn advies aan de Kroon heeft de Minister van Wederop-bouw en Volkshuisvesting de vraag ontkennend beantwoordop de volgende wijze.,,Ik blijf van oordeel, dat de in eerderbedoeld artikel vervatteomschrijving van de gevallen, waarin de onderwerpelijke be-voegdheid tot afwijking toepassing kan vinden, is aan te mer-ken als een -- in artikel 36, derde lid, der Woningwet be-doelde objectieve begrenzing daarvan. Voor het plan ,,Mor-genstond" beschouw ik de hier bedoelde begrenzing als eenvoldoende beperking, zulks gelet onder meer op het feit, datalle grond in dat plan eigendom is van de gemeente 's-Gra-venhage.Voorts moge ik er op wijzen, dat volgens het voorschrift elketoepassing van de bevoegdheid de goedkeuring behoeft vanGedeputeerde Staten van Zuid-Holland, welk College, naarmag worden vertrouwd, zorgvuldig tegen minder verantwoor-de toepassing zal waken en zo nodig een met waarborgen om-geven herziening zal gelasten."In stedebouwkundige kringen zal men zich ongetwijfeld alleenverheugen over deze jurisprudentie en dit als een belangrijkeaanwinst beschouwen voor het stedebouwkundige werk in dekomende jaren tot de totstandkoming van een nieuwe wet,welke in haar redactie deze oplossing een onaanvechtbare enonbetwijfelbare basis kan geven.Bescherming van grondwaterwinplaatsen doorplanologische maatregelenI. Aspecten van de zijde der drinkwatervoorzieningdoor Prof. W. F. J. M. KrulNu bij Koninklijk Besluit van 5 Juni 1952, no 28 goedkeuringis verleend aan het eerste facet-streekplan voor de bescher-ming van waterwingebieden, nl. dat voor Zuid-Limburg, iser aanleiding even stil te staan bij het belang van deze be-scherming en bij de ontwikkelingsgang, die tot de keuze vanplanologische maatregelen voor dit doel heeft geleid.De verbijsterende ontwikkeling der techniek kan men in wel-haast asymptotisch verlopende lijnen afbeelden, die zowel destijgende behoeften als het stijgende verbruik aan grondstof-fen aangeven.Een dier grondstoffen is water, dat weliswaar telkens weer inde natuurlijke kringloop terugkeert, maar meestal zodanig ver-ontreinigd of in zodanig wisselende hoeveelheden, dat steedskostbaarder maatregelen voor zuivering of accumulatie entransport nodig zijn.Voor verlammend pessimisme is er noch ten aanzien van dezegrondstof, noch ten aanzien van andere, voldoende redenwant wetenschap en techniek toonden zich steeds in staatom nieuwe grondstoffen te produceren en nieuwe energie-bronnen te ontsluiten.Maatregelen van organisatie en bestuur zijn daarbij onont-beerlijk om bij elke actuele stand der techniek een doeltref-fende productie en distributie te verzekeren. Die maatregelenmoeten zich veiligheidshalve op de met zekerheid verwbrvenmogelijkheden baseren, maar wijsheidshalve dicnen zij aan loi)Artikclcneen mogelijk geacht toekomstige ontwikkeling de nodige vrij-heid te laten.In het licht van deze beginselen krijgt het probleem der water-voorziening van mcns, dier en plant in het dicht bevolkte Ne-derland de volgende aspecteni).In het gebied met de grootste behoefte, het Westen, is het be-schikbare oppervlaktewater zout (de zee), brak (kanalen enpolderwateren) of staat het -- voor zover het zoet is (b.v. deNieuwe Maas bij Rotterdam) -- aan toenemende verziltingbloot.Het grondwater in westelijk Nederland is in het algemeen brak,behoudens in stroken langs enkele rivieren en in de duinen,maar de capaciteit van deze winplaatsen is onvoldoende.Men moet dus voor de toenemende behoeften van het Westengrondwater of oppervlaktewater in Oostelijke richting zoeken.Nu is het beschikbare grondwater in het ,,diluviale" deel vanNederland nauwelijks voor de plaatselijke behoefte voldoende,terwiji voor levering van oppervlaktewater alleen de Rijn inaanmerking komt, die buitenlands aan toenemende vervuilingonderhevig is.Dit tracht men in internationale samenwerking te bestrijden,maar het succes is onzeker. De bezwaren van de verontreini-ging, die periodiek -- in verband met de rivierafvoer -- in he-vigheid wisselen, kan men door accumulatie van water in gun-stige perioden opheffen. Gelukkig beschikken wij over tweeaccumulatiemogelijkheden: het IJsselmeer en de duinen. Heteerste is reeds van groot belang gebleken voor zoetwateraan-voer in droge perioden ten behoeve van de landbouw in Noord-holland, Friesland en Groningen en kan van belang wordenvoor de drinkwatervoorziening.De duinen, waarin reeds grote kapitalen voor waterwinningzijn gefnvesteerd en die op korte afstand van de grote ver-bruikscentra liggen, worden thans als infiltratieterrein voorrivierwater ingericht, waartoe zware en lange transportleidin-gen worden gelegd van de Lek naar Scheveningen, Vogelen-zang en Wijk-aan-Zee. Niet alleen verkrijgt men hierdoor eenvoldoende hoeveelheid grondwater van eerste-klas-kwaliteit,maar ook om strategische redenen is deze oplossing aangewe-zen.Uit dit alles blijkt het grote belang van de grondwaterwinningvoor de toekomstige watervoorziening van Nederland, zowelvoor het Westen (de duinen) als voor het overige deel en zulksniettegenstaande de aanvoer van Rijnwater van steeds groterbetekenis wordt.Grondwater heeft in het algemeen als grondstof voor de een-trale drinkwatervoorziening grote voordelen boven oppervlak-tewater, voornamelijk vanwege de constante temperatuur ende betrouwbaarheid uit hygienisch oogpunt, waardoor biolo-gische zuivcring en desinfectie achterwege kunnen blijven. Ditgeldt natuurlijk alleen wanneer de winningsmiddelen voldoen-de tegen verontreiniging beveiligd zijn.Uit het bovenstaande volgt, dat de bescherming van de grond-waterwinplaatsen een noodzakelijk onderdeel moet zijn in hetcomplex van technische, organisatorische en bestuurlijke maat-regelen, dat men met de naam waterhuishouding pleegt aan teduiden.Voor de winning van grondwater is de gesteldheid van onsland in zoverre gunstig, dat in dit geo-synclinale zakkingsge-bied een van Oost en Zuid naar West en Noord in dikte toe-nemend pakket pleistocene zanden is afgezet, dat grote hoe-veelheden grondwater voert; het Veluwegebied b.v. met zijn totmeer dan 200 m diepte reikende grove tot matig grove zandenis een hydrologische zeldzaamheid. Tegenover deze gunstigefactor staan twee ongunstige: de nabijheid der zee, waardoor1561) Voor docuraentatie zij verwezen naar een door schr. voor het Kon. In-stituut van Ingenieurs gehouden voordracht over ,,De drinkwatervoor-ziening van Nederland in het verband der algemene waterhuishouding"(,,DeIngenieur", 1952 nos 17-18).een deel van het grondwater brak is en de ligging van hetgrondwater (het z.g. phreatisch vlak) in uitgestrekte gebiedenop geringe diepte, waardoor landbouw en bosbouw kunnenworden geschaad door verlaging van het phreatisch vlak ten-gevolge van grondwateronttrekking.De mogelijkheid van grondwaterwinning op grote schaal wordthierdoor belangrijk beperkt en ten aanzien van de overblijven-de mogelijkheden is dus zorgvuldigheid te meer geboden.De hier besproken beginselen vormen de met zekerheid ver-worven basis voor te nemen maatregelen, waarvan in de aan-hef sprake was. Tot de mogelijkheden van de toekomst be-hoort de ontzilting van brak en zout water, die -- wanneer zijvoor grote waterhoeveelheden economisch te verwezenlijkenware -- aan de waterhuishouding, althans voor Westelijk Ne-derland, een geheel ander aanzien zou kunnen geven. Aan destudie van dit probleem wordt hard gewerkt, in Nederland endaarbuiten, en de daaraan te besteden kosten zijn zeker demoeite waard. Maar vooralsnog levert dit aspect geen bruik-bare werkbasis op.Wat omvat nu de bescherming van grondwaterwinplaatsen?Vooreerst dient de capaciteit te worden verzekerd, d.w.z. datde voor als primair erkende doeleinden ^ b.v. de openbaredrinkwatervoorziening -- nodige onttrekking niet wordt be-nadeeld door waterwinning ten behoeve van anderen, b.v. groteindustrieen, die zich in de nabijheid zouden vestigen.Deze bescherming kan alleen worden verzekerd door een goedbeheer van de ondergrondse watervoorraad als onderdeel vande algemene waterhuishouding. Zover zijn wij in Nederlandnog lang niet.Vervolgens dient de kwaliteit van het te winnen grondwaterte worden beschermd en hierop heeft het hierna volgende inhet bizonder betrekking.Twee factoren zijn bij de betrouwbaarheid van waterwinplaat-sen in het spel: de aard der verontreiniging en de reinigendewerking van de bodem.De verontreiniging kan van anorganische en van organischeaard zijn. In tegenstelling met het oppervlaktewater is -- al-thans in ons land -- het grondwater slechts zelden aan ver-ontreiniging op grote schaal met anorganische stoffen, b.v.chloriden, chroomverbindingen, arsenicum e.d. blootgesteld. Zijkunnen alleen van belangrijke industrieen voortkomen en veel-al lozen die op open water.Het belangrijkst zijn de organische verontreinigingen, in hetbizonder van bacteriele aard, die door de afvalproducten dersamenleving (vuilstorting, lozing van afvalwater), door be-graven van lijken en cadavers en door natuurlijke meststoffenworden veroorzaakt.Gevaarlijk kunnen derhalve zijn: rioleringen (die nimmer vol-komen waterdicht zijn), vloeivelden, stortplaatsen van vuil,begraafplaatsen, parkeerplaatsen en garages, mestvaalten enmesthopen, dichte bebouwing, kampeerplaatsen, sportveldenen andere inrichtingen, die een massale toeloop van bezoekersveroorzaken.De grootte van het gevaar hangt af van de hydro-geologischegesteldheid, met name van de diepte, waarop het water wordtonttrokken, het filtrerend vermogen der watervoerende lagen(korrelgrootte en homogeniteit) en de aanwezigheid van be-schermende lagen (klei, leem, e.d.), die grote weerstand aande waterbeweging bieden. In dit verband kunnen ook ontgron-dingen schadelijk zijn, voor zover zij beschermende lagen ver-wijderen.De wetenschap is ontoereikend om een exact antwoord te ge-ven op de vraag, hoever de beschermde zone om een win-plaatsmoet reiken en hoe groot het gevaar van een bepaalde veront-reiniging is.Vooreerst zijn de beschikbare methoden, met name het biolo-gisch en bacteriologisch onderzoek, niet volkomen betrouw-baar, terwiji zij ook slechts een deel der mogelijke gevaren be-strijken. Maar bovendien moet bij elk onderzoek, ook dat in-zake korrelgrootte en doorlatendheid van de aardlagen, datsteeds slechts op betrekkelijk weinigc punten betrekking kanhebben, over grote afstanden worden geextrapoleerd en daarbijvormt de steeds onbekende mate van heterogeniteit van de bo-dem een onberekenbare factor.De vereiste beschermingsmaatregelen zullen dus weliswaar opwetenschappelijk inzicht moeten worden opgebouwd, maardaarbij zal grote voorzichtigheid moeten worden betracht,waarbij ook aesthetische factoren, van zoveel belang in de hy-giene, in acht moeten worden genomen. Daarbij moet wordenbedacht, dat eenmaal toegelaten situaties, b.v. bebouwing, laterpractisch niet meer kunnen worden gewijzigd.De overheid heeft in deze een grote verantwoordelijkheid, om-dat de centrale drinkwatervoorziening veel grotere gevaren bijoptredende infectie van water oplevert dan een individueelmiddel van watervoorziening.In theorie kan elk waterleidingbedrijf zich tegen verontreini-ging beveiligen door aankoop van voldoende terrein, desnoodslangs de weg van onteigening. Practisch leidt dit echter in velegevallen tot een ontoelaatbare kapitaalsverspilling voor de ge-meenschap en tot een overbodige, en dus eveneens ontoelaat-bare belemmering van andere belangen, want het achterwegelaten van handelingen, die verontreiniging kunnen veroorza-ken behoeft lang niet altijd tot eigendomsovergang te leiden,terwijl tal van gebruiksvormen in de beschermingszone kun-nen worden toegelaten.In vele gevallen zal slechts een beperkt terrein in eigendomvan het waterleidingbedrijf behoeven te zijn, terwijl in eendaaraan grenzende beschermingszone met het opleggen van be-paalde gebruiksbeperkingen kan worden volstaan.Het hiertoe nodige overheidsbeleid zal de uit die beperk
Reacties