Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuls-vesting en Stedebouw en van de Nationale Woningraad,waarin opgenomen de mededelingen van de Rijicsdienstvoor het Nationale Plan, en tevens gewljd aan deWederopbouwIDecember 1952 aSeJaargangno. 12R H I L. I R S E: iX A S R H A 1^ T F A B R I B KKantoor; Buikslotcrdijk 274 -- Fabriek: Kanaaldijk 3 -- Amsterdam ---,, Telefoon 60762-60883 S I M S O N D A K B E D dUkKiaUVENTILATIEis thans geen probleem meer metde .HAWA" Rotor-ventilatoreii.Door wind gedreven, dus g:eenbrandgevaar en geen energie ver-hniik Geschikt voor alle doeleinden.Vraagt vrijblijvend onze uitgebreide folder, of persoonlijkbezoek aan:Technisch Bureau ,,HAWA"Plaat- en ConstructiewerkenKORENLAAN 19 - WASSENAAR - Telefoon K 1751-2657.SCHILDERSBEDRIJFL. P. de ZoeteOok Uw schilder voorNieuwbouw en OnderhoudswerkenWerkzaam voorRijks- en Gemeente-instantiesHooftskade 94--94a DEN HAAG Telefoon 33 24 69LANG 6 Co.N.V. i.o.Chemisch-TechnischeBouwstoffenindustrie,Nwe Keizersgr. 41-43,AMSTERDAM, C.Telefoon 54103V/^1L1MTEGELHANDELKantoor en toonkamer:Pijnackerstraat 40A'dam (Z.) - Telef. 26986Wand- en vloertegels, schoorsteenmantels,lilliputstenen, raamdorpels, gresmateriaal,vensterbankstenen, enz.N.V. Van den Belt & Go's Handel Mij.AMSTERDAM - Prinstngracht 852-862 - Tel. 31019-31144Specialiste in:TRIPLEXASBEST- en ASBEST-CEMENT pro-ductenBOUWPLATEN (diverse soorten hout-vezelplaten, stro- en rietvezelplaten)ACOUSTISCHE materialen, o.a. glas-wol, acoustische tegelsAtmotaHoutt^etonsteeti? LIGHT IN GEWICHT? GROOT ISOLATIEVERMOGEN? GEEN BREUF? ONBRANDBAAR? SPUKERBAAR en SCHROEFBAARWendt U voor levering tot Uw handelaar.FalbriRante: N.V. ATMOXARIGAKADE 8--12 AMSTERDAM Tel. 44819--44879DE MODERNE MUURVERFvoor Binnen- en Buitenwerk.ALPHATEX is: Wasbaar.Regen- en weervast.Onverzeepbaar.Zuurbestendig.Onovertrefbaar.Zeer gunstig beoordeeld door T.N.O. te Delft.Vraagt techn. inlichtingen, Kleurenadvies en folder aan:VERFFABRIEK ,,ALPHA"ALPHEN A./D. RUN -- TELEFOON 2192 - K 1720Vraagtmonsterseninlichtingen!Veiligheidsglas voor de Bouwnijverheid7 X sterker dan gewoon glas.Scherfvrij!N.V. ,,HARDGLAS"Telefoon 17ZOETERMEERTijdschrift voorVolkshuisvestin:December 195233e Jaargang - No. 12Maandbladen StedebouwOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen, waarin opgenomen de mede-delingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de WederopbouwRedactie: Mr H. W. Bloemers. J. Bommer. Ir H. M. Buskens, )hr M. J. I. de Jonge van EUemeet, B. Merkelbach,Ir L. S. P. Scheffer, Drs H. van der WeijdeAdres voor Redactie en Abonnementenj Lange Voorhout 19, 's Gravenhage, Telefoon 184225Advcrtendes! Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Telefoon 49128 ('s avonds: Haarlem, Orion-weg 119. telefoon K 2500 25560)OfHciele mededelingenNederlands InstituutTentcionstelling 50 jaar wonenOp 4 December 1.1. heeft de opening van deze tentoonstellingte Arnhem plaats gevonden, waar zij tot half December tebezichtigen geweest is.JaarvergaderingDe Jc.arvergadering heeft op 18 December te Utrecht plaatsgevor den.De jaarstukken over 1951 zijn op de gebruikelijke wijze vast-gesteld, evenals de begroting voor 1953. Bij de bestuursver-kiezing heeft de vergadering de aftredenden, de Heren Dr IrF. Bakker Schut en Mr G. J. Kolff, herbenoemd.Overigens was de vergadering gewijd aan een beraadslagingover het onderwerp ,,Voorwaarden voor verdere rationalise-ring van de woningbouw", waarover door de Heren Jhr M.J. I. de Jonge van Ellemeet en B. Merkelbach inleidingen zijngehoiden.Dage.ijks bestuurIn eeji op 27 November 1.1. gehouden bestuursvergadering isbcslo^en het dagelijks bestuur van het Instituut met een Hduit te breiden door als zodanig te benoemen de Heer Dr IrF. Baikker Schut.Het woningtekort in het jaarverslag over 1951van de Centrale Directie van de Wederopbouwen d|e Volkshuisvestingdoor A. }. A. RikkertMet belangstelling kan men kennis nemen van het in veleopzichten gedetailleerde jaarverslag van de Centrale Directievan de Wederopbouw en de Volkshuisvesting over 1951. Eenbelangwekkend hoofdstuk daarin behandelt de regionale ver-anderingen in het woningtekort. Het is dit hoofdstuk, dat despeciale aandacht verdient.In dat hoofdstuk worden n.l. vergeleken de cijfers omtrent hetwoningtekort op 31 Mei 1947 (Volkstelling), 1 Januari 1950en 1 Januari 1952. Deze cijfers zouden moeten dienen om eengefundeerde basis te verkrijgen voor de verdeling van het be-schikbare totale jaarlijkse bouwvolume over de provincies. ^)Allereerst wordt gegeven een staat van het woningtekort inprocenten van de woningbehoeftc voor de onderscheiden pro-vincien en voor het gehele Rijk op de bovenqenoemde data.Daarna volgt een staat, houdende de overeenkomstige cijfersbetreffende de gemeenten met meer dan 20.000 inwoners.Uit gesprekken met deskundigen uit verschillende gemeentenin den lande bleek alras, dat omtrent verschillende van degepubliceerde cijfers nogal twijfel aan de juistheid daarvanbestaat. Men betwijfelde of de wijze van de berekening welverantwoord was. Wat is daarvan waar?Het cijfer van het woningtekort op 31 Mei 1947 is bepaaldaan de hand van de tegelijk met de volkstelling gehouden wo-ning- en gezinstelling. Dit geschiedde voor het gehele rijk,voor de provincies en voor de afzonderlijke gemeenten. Tenaanzien van de aanduiding van het woningtekort wordt aller-eerst opgemerkt, dat daarmede wordt bedoeld het aantal wo-ningen, dat moet worden gebouwd, om evenwicht te scheppentussen het aantal woningen en het aantal huishoudingen. Metenige reserve aan woningen, waaraan toch ook ongetwijfeldeen niet te voorkomen behoefte bestaat, wordt dan nog geenrekening gehouden.Het woningtekort werd dan op 31 Mei 1947 berekend doorhet totaal aantal getelde huishoudingen te verminderen methet aantal alleenwonenden, dat inwoont (de z.g. kamerbewo-ners), de alleenwonenden in andere bewoonde ruimten en dehuishoudingen van hotelhouders in hotels. Deze methodewerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek ook gepu-bhceerd in de mededeling van dat Bureau, gemerkt A.T. no 4van November 1948. Tegen deze methode bestaan uit practi-sche overwegingen wel enkele bezwaren, maar hierop wil ikthans niet ingaan.Voor de latere data, n.l. 1 Januari 1950 en 1 Januari 1952, isook het woningtekort bepaald. Door de opbouw van de gehelebeschouwing in het verslag van de Centrale Directie wordtgesuggereerd, dat voor de beide laatstgenoemde data is ge-handeld als zulks geschiedde voor het bepalen van het wo-ningtekort op 31 Mei 1947. Dit is evenwel niet juist. Het ver-slag vermeldt immers het volgende: ,,De statistiek van deloop der bevolking is namelijk na 31 Mei 1947 dusdanig uit-gebreid, dat aan de hand daarvan de bevolking naar burger-iijke staat aan het einde van ieder jaar exact kan worden bij-gehouden. Uitgaande van de datum van de volkstelling isdaarmede dus de werkelijke toeneming van de woningbehoef-te jaar voor jaar bij te houden. Deze gegevens zijn echteralleen beschikbaar voor de rijksbevolking, zodat het helaasniet mogelijk is om voor de regionale gebiedsdelen een over-1) Dat bij de bepaling van het bouwvolume voor de verschillende delenvan het Rijk en in de achter ons liggende jaren geen vaste lijn was te be- 1 ^ Cspeuren, laten we hier buiten beschouwing. ivJOArtikclev, zicht te verkrijgen van de werkelijke ontwikkeling van de wo-ningbehoefte en daarmede van de exacte veranderingen inhet woningtekort."Volgens de inhoud van dit citaat zijn derhalve slechts aan-wezig de cijfers betreffende het gehele Rijk, derhalve nietbetreffende de gebiedsdelen (provincies en gemeenten). Niet-temin wordt dan in het verslag gezegd: ,,Desondanks leek hetgewenst de volgens bovenbedoelde methode verkregen uit-komsten te publiceren, omdat hiermede een vergelijkingsmaat-staf wordt verkregen van de veranderingen in het woningte-kort der verschillende gebiedsdelen."Hier rijst een groot vraagteken. Enerzijds wordt gezegd, datdeze gegevens alleen beschikbaar zijn voor de rijksbevolking,zodat het niet mogelijk is voor de regionale gebiedsdelen debetreffende berekeningen te maken en andererzijds wordentoch cijfers verstrekt omtrent de provincies en omtrent degemeenten met 20.000 inwoners en meer. (Zie staat II opbladz. 28 e.v. van het verslag.) Dit klopt dus niet!Maar ook iets anders klopt niet.Volgens de beschreven methode van het vaststellen van hetwoningtekort op 31 Mei 1947 tellen enkele groepen van huis-houdingen niet mede, b.v. de alleenwonenden die inwonen ende alleenwonenden in andere bewoonde ruimten en de hotel-houders, die in het hotel wonen. Nu ken ik de uitkomst vande bewerking naar de burgerlijke staat, uitgevoerd door hetCentraal Bureau voor de Statistiek, niet, maar dit staat onom-stotelijk vast, dat bij een vaststelling van de bevolking naarde burgerlijke staat nimmer kan blijken in hoever de boven-bedoelde groepen al dan niet inwonend zijn of wel wonen ineen andere bewoonde ruimte of wel dat het hotelhouders zijn.Het vorenstaande houdt in, dat de methode van 31 Mei 1947niet kon gelden voor latere data. Er is dus een andere metho-de gevolgd. En berekeningen die betrekking hebben op een-zelfde onderwerp, maar waarbij verschillende data gelden,moeten volgens een volmaakt gelijke methode worden uitge-voerd. Dit is niet geschied en daarom rijst ook hier een grootvraagteken.Dan vermeldt het verslag het volgende: ,,De methode houdtvoorts in, dat de gemiddelde woningbezetting, die op 31 Mei1947 wordt verkregen door de woningbehoefte te delen op hetinwonertal, constant wordt gehouden. Dit betekent, dat er infeite geen rekening is gehouden met de voortschrijdende ge-zinsverdunning." Het is duidelijk, dat thans geen gegevensbeschikbaar zijn over de omvang van de gezinsverdunning.Dat deze gezinsverdunning niet gering is geweest blijkt uiteen zin in het verslag, n.l.: ,,Door deze ontwikkeling (o.a. deabnormaal hoge huwelijks-frequentie (R.) is de gezinsver-dunning gedurende de achter ons liggende betrekkelijke kor-te periode abnormaal sterk be'nvloed."De consequentie hiervan is, dat het woningtekort niet onbe-langrijk groter is dan in de staten I en II, voorkomende inhet verslag van de Centrale Directie is vermeld. Bij de vast-stelling van deze cijfers had hier toch zeer zeker rekening meemoeten worden gehouden. Elke afneming van de gemiddeldegezinsgrootte van 0.01 betekent voor het Rijk rend 23.000woningen en voor b.v. Amsterdam rond 2.400 woningen, waar-mede bij de bepaling van het woningtekort, indien de gezins-grootte wordt aangehouden gelijk deze was op 31 Mei 1947,geen rekening wordt gehouden.Voorts vermeldt het verslag, dat uit de bewerking van detotale bevolking naar de burgerlijke staat blijkt (op welke wij-ze?) dat de toeneming van de woningbehoefte in werkelijkheid40.000 groter is geweest dan de becijferde uitkomsten aange-ven. Volgens het verslag van de Centrale Directie is dit vooreen deel te verklaren door een abnormaal hoge huwelijks-frequentie en voor een ander deel, doordat er afwisselend eenvertrek- en een vestigingsoverschot moet worden geconsta-teerd ten aanzien van en naar Indonesie komende en ver-trekkende gezinnen.Een vraagteken moet hierbij worden gezet of men bedoeltwoninghehoeften (dus ,,gezinnen") of wel personen. Het ver-lOO slag is hieromtrent volkomen onduidelijk.Verder wordt medegedeeld, dat achteraf gebleken is, dat dewoningbehoefte op 31 Mei 1947 niet minder dan 6.000 hogeris geweest dan aanvankelijk werd aangenomen.Uiteindelijk wordt medegedeeld, dat de berekende tekortcij-fers hierdoor voor het gehele Rijk zullen moeten worden ver-hoogd met 0.2% op 31 Mei 1947, met 1.1% op 1 Januari 1950en met 1.5% op 1 Januari 1952. Dit betekent, dat het wo-ningtekort voor het gehele Rijk op 1 Januari 1952 niet minderdan rond 36.000 woningen groter is dan wordt aangenomen.maar het betekent ook, dat de in het verslag gegeven percen-tages betreffende 1 Januari 1952 niet minder dan 1.5% telaag zijn gesteld. Geldt ditzelfde percentage ook voor de pro-vincies (staat I) en voor de met name genoemde gemeenten(staat II)? Geldt dit ook voor Zeeland en de gemeenten Mid-delburg en Vlissingen, waarvan wordt vermeld, dat geen wo-ningtekort meer bestaat?De vraag dringt zich bovendien op, of met de abnormaal grotehuwelijks-frequentie en met de 40.000 huishoudingen (of per-sonen?) en met het 6.000 grotere woningtekort op 31 Mei1947 bij de berekeningen van de percentages ten behoeve vande staten I en II geen rekening kon worden gehouden. Dedesbetreffende personen hebben immers een bepaalde burger-lijke staat en deze is bewerkt door het Centraal Bureau voorde Statistiek. Ik moet weer een groot vraagteken zetten.Grote vrangtekens hebben dus betrekking op de volgendekwesties:1. er zouden alleen cijfers omtrent het gehele Rijk zijn be-kend, maar niettemin worden cijfers berekend omtrent af-zonderlijke gebiedsdelen;2. hoe men er toe is gekomen, dat het woningtekort naartwee maatstaven is berekend, n.l. een voor 31 Mei 1947en een andere voor 1 Januari 1950 en 1 Januari 1952;3. was het onmogelijk om rekening te houden met de steedsvoortschrijdende gezinsverdunning?4. kon de correctie, nodig in verband met de abnormaalgrote huwelijks-frequentie en de migratie ten aanzien vanIndonesie niet in de berekening worden opgenomen?5. kon de correctie niet worden opgenomen bij de bereke-ning van het percentage van het woningtekort, welke no-dig was, doordat het woningtekort op 31 Mei 1947 6.000te laag werd gesteld?De vragen 3, 4 en 5 wekken bij mij de indruk, dat de samen-steller van de staten I en II de daling van het woningtekortgunstiger heeft willen doen uitkomen dan werkelijk het gevalis geweest.Het toeval wil, dat juist op het moment waarop ik dit artikelschreef, de Memorie van Antwoord op de Rijksbegroting voorhet dienstjaar 1953 van het Departement van Wederopbouwen Volkshuisvesting op mijn tafel verscheen. Daarin is ookopgenomen een overzicht van de afneming van het woning-tekort tussen 31 Mei 1947 en 1 Januari 1952. Het spreektvanzelf, dat ik dit overzicht vergeleek met dat, voorkomendein het verslag van de Centrale Directie. Bij die vergelijkingkwam ik tot de merkwaardige conclusie, dat de gegeven per-centages niet met elkaar in overeenstemming zijn.In het staatje op biz. 167 zijn de percentages naast elkaargezet. waarbij ik ook telkens een kolom heb opgenomen, waar-in de percentages, genoemd als noodzakelijke correctie inverband met de abnormaal grote huwelijksfrequentie en demigratie ten aanzien van Indonesie zijn aangebracht.Uit de onderlinge vergelijking van de drie cijfers op beide tijd-stippen blijkt wel duidelijk, dat er iets niet in de haak is metdie cijfers. Ik heb reeds vele malen. en gedurende lange jarenbepleit, dat er iets meer moet worden gedaan aan de samen-stelling van uniforme overzichten van de woningvoorraad ende woningbehoefte -- dus ook van het woningtekort -- in deonderscheiden gemeenten. Maar ditzelfde blijkt thans ooknodig te zijn bij de hoogste instantie, n.l. bij het Departementvan Wederopbouw en Volkshuisvesting. Ten aanzien van degemeentelijke statistiek worden nu eindelijk pogingen in hetwerk gesteld daarin verbetering te brengen, getuige de in-31 Mei 1947 1 Ianuari 1952"2??c 10 C 0ralectie?ecties"2?ralectierecties60a " ^CentDirem.cora t60 ^Hs ^CentDirem.corGroningen 8.1 8.7 8.3 3.8 4.0 5.3Friesland 5.7 5.8 5.9 2.1 2.3 3.6Drenthe 14.1 14.8 14.3 7.5 8.3 9.0Overijssel 12.6 12.2 12.8 10.6 10.1 12.1Gelderland 13.8 14.1 14.0 10.4 10.5 11.9Utrecht 11.1 11.5 11.3 11.0 11.8 12.5Noordholland 7.6 7.9 7.8 8.1 8.3 9.6Zuid-Holland 10.0 10.0 10.2 9.7 9.4 11.2Zeeland 7.5 7.8 7.7 ^ -- 1.5Noord-Brabant 13.4 13.5 13.6 9.3 9.5 15.1Limburg 17.7 17.9 17.9 11.8 12.0 15.4Nederland 10.6 10.8 10.8 8.8 8.9 10.3stelling van een commissie door de Vereniging van Neder-landse Gemeenten, in samenwerking met het Instituut, die een20 efficient mogelijke inricfiting van een woningkartotheek be-studeert. Aan de arbeid van deze commissie neemt ook deeleen vertegenwoordiger van het genoemde departement. Mensteke de hand daar alzo in de eerste plaats in eigen boezem !Wellicht kan dan worden bereikt, dat in het Verslag der Cen-trale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisvestingen de Memorie van Antwoord tenminste gelijkluidende cijfersworden gepubliceerd.Ik koU thans tot de staat II van het Verslag, waarin de per-centages zijn opgenomen omtrent het woningtekort in de ge-meenten met 20.000 en meer inwoners.Het dagelijks bestuur van het Nederlands Instituut voorVolkshuisvesting en Stedebouw was zo welwillend op mijnverzoek een enquete in te stellen bij een aantal gemeentebe-sturen in verband met het onderhavige probleem. Uit de ont-vangen antwoorden blijkt, dat men het in de meeste gevallenniet eens is met de percentages, welke in staat II van het ge-noemde Verslag zijn genoemd.Allereerst enige citaten uit de ontvangen brieven.meen ik dat deze niet geheel juist zijn."doch de indruk bestaat, dat deze cijfers wat aan de lagekant zijn.,,Naar mijn mening vertonen de door U gevonden percen-tages per 1 Januari 1950 en 1 Januari 1952 een te gunstigbeeld. Een dergelijke vermindering van het woningtekort isniet merkbaar.",,Met| de door U opgegeven percentages inzake het woning-tekort t.o.v. de woningbehoefte, kan ik mij wat de datum(31 Mei 1947) betreft wel verenigen, echter niet met de per-centages op 1 Januari 1950 en 1 Januari 1952".dat de percentages van de woningbehoefte ver-meld |in het jaarverslag van de Centrale Directie van de We-deropbouw en de Volkshuisvesting over 1951, allerminstovereenstemmen met de cijfers, die hiervoor door mijn dienstworden berekend.",,Deze percentages wijken belangrijk af van die, welke U op-geeft (dit waren de cijfers voorkomende in het Verslag derCentrale Directie, R.), maar moeten beschouwd worden alsde juiste en officiele.",,De door genoemde directie gepubliceerde percentages komenons te laag voor Uit een gemiddelde bevolkingsaanwas inonze gemeente van ruim 700 personen per jaar volgt reeds,dat met een woningcontingent van 101 woningen per jaar,de woningnood nog steeds toeneemt.",,Naar mijn mening wordt het woningtekort wel ingelopen,maar jammer genoeg niet in die snelle mate, als de percenta- ArtikeUnges suggereren.",,Die gegevens wettigen evenwel een andere conclusie tenaanzien van het woningtekort in deze gemeente, dan die, waar-toe in het door U genoemde jaarverslag van de Centrale Di-rectie van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting vermeldepercentages aanleiding geven."De twijfel bij verschillende gemeentebesturen, waarover ik inde aanvang van deze beschouwing sprak, blijkt dus geenszinsongegrond te zijn geweest. Dit blijkt ook nog uit enige per-centages omtrent het woningtekort op 1 Januari 1952, welkein de ontvangen antwoorden op de enquete zijn vermeld. Ikgeef deze hieronder waarbij dan eerst de percentages, be-rekend door de Centrale Directie zijn opgenomen.Woningtekort op 1 Januari 1952 in percenten volgens:Centrale GemeentelijkeDirectie opgavenAlmelo 8.7 13.3Amsterdam 8.6 12.0Bergen op Zoom 7.5 10.4Gouda 5.9 7.5's-Gravenhage 10.6 18.1Den Helder 9.0 19.8Leeuwarden 5.9 11.3Maastricht 20.0 25.0Nijmegen 10.5 22.4Sittard 1.6 16.2Velsen 3.4 7.2Venlo 9.5 20.4Er is derhalve nogal enig verschil te constateren.In dit verband wil ik nog even terug komen op de cijfers vanhet woningtekort in de provincie Zeeland.Hieromtrent blijkt uit Staat I, dat daar op 1 Januari 1952 geenwoningtekort meer zou bestaan. Evenwel: de ervaring leertons, dat nog verschillende bunkers, uit de donkere dagen van1940-1945, bewoond worden door gezinnen. Die bunkers tel-len dus blijkbaar mee bij de vaststelling van de woningvoor-raad.En dan Westkapelle ! Dit bestaat toch zeker voor ongeveer dehelft uit noodwoningen van twijfelachtige constructie en nogvele gezinnen uit de Zeeuwse kuststrook ,,wonen" immersnog in wat in de Woningstatistiek genoemd wordt ,,anderebewoonde ruimten". Niettemin vermeldt het verslag der Cen-trale Directie dat in Zeeland de woningnood is opgeheven !Ten slotte wil ik nog melding maken van twee uitlatingen uitontvangen brieven van de gemeentebesturen.De eerste luidt: ,,Deze vertekening, welke overigens een ge-vaar is bij elke statistische weergave is bij het zo gevoeligeonderwerp van de woningnood des te scherper in het oog tehouden om te voorkomen, dat conclusies worden getrokken,welke rekenkundig misschien wel juist, maar toch in strijd zijnmet de levende werkelijkheid."De tweede luidt: ,,De praktijk heeft uitgewezen, dat deze opzichzelf waardevolle gegevens voor gemeenten met een sterkdynamisch karakter, zoals niet zonder meer bruikbaarwaren om een inzicht te krijgen in het werkelijke woningtekorten de te volgen woningpolitiek."Deze beide uitlatingen zijn juist. Het is evenwel verklaarbaar,dat de centrale overheid op een bepaald moment inzicht wilhebben, hoe de situatie in de onderscheiden gemeenten in Ne-derland ligt. Maar daarbij mogen geen verschillen in de cijfersaan de dag komen, zoals hierboven is weergegeven.Een en ander zou zijn te voorkomen, indien op zeer korte ter-mijn een hernieuwde telling wordt gehouden van de werkelijkaanwezige woningvoorraad en van de woningbehoefte, beidenaar verschillende kenmerken. Onmiddellijk aansluitend daar- -i rnaan zullen de gemeentebesturen moeten overgaan tot het aan- 10/Artikelenleggen van een woningkartotheek en tevens zullen zij op uni-formc wijze -- voor zover daarbij geen plaatselijke of regio-nale omstandighcden van invloed zijn --- de behoefte aan af-zonderlijke woningcn regelmatig moeten bijhouden.Ruimtelijke vraagstukken van meer dan gemeen-telijk belang in Noordhollanddoor Ir P. K. van MeursHet is gewenst eerst in te gaan op de ruimtelijke vraagstukkenin het algemeen: de vraagstukken, die men met behulp vanruimtelijke ordening tracht op te lossen.Het doel van die ruimtelijke ordening is het bevorderen vaneen zo ^oed mogelijk gebmik van de mimte. die beschikbaar isof kan komen. Aan de in deze begripsbepaling onderstreeptewoorden wordt nader aandacht gewijd.Ruimte omvat grond en water, en wat daarop en daarin is.Die grond en dat water vormen, behalve bepaalde stralingendie er niet van uitgaan, maar wel veelal erdoor opgevangenworden (licht, warmte, enz.), de enige materiele basis voorhet bestaan der bevolking.Gebruik is te lezen als gebruik in beginsel. Niet alle onder-geschikte gebruikswijzen behoeven beinvloed te worden voornet beoogde doel, slechts de meer elementaire vormen van ge-bruik: werken, wonen, ontspanning, verzorging en verkeer inhun voornaamste vormen.Goecf is te begrijpen als: in het belang der bevolking: ten be-hoeve van haar welzijn. Welvaart vormt een, belangrijk, deelvan dit welzijn, maar naast welvaart zijn andere dingen nodig,om welzijn te verkrijgen. (Er mag hier niet aan worden voor-bij gezien, dat als doel van ruimtelijke ordening en stedebouwandere, meer transcendentale doeleinden kunnen worden ge-zien. In Noordholland zal men over de hier gestelde formulewel tot overeenstemming kunnen komen; in het begrip ,,wel-zijn" kan men trouwens vele ideele dingen opgenomen ach-ten.)Onder bevolking. hierboven tweemaal genoemd, zal men hiermoeten verstaan de bevolking der provincie. Men kan die bei-de niet zien als afgesloten eenheden: provincie en bevolkingmaken deel uit van Nederland en het Nederlandse volk, endeze weer van grotere eenheden. Het welzijn daarvan zal nietdoor grondgebruik binnen de provincie mogen worden ge-schaad, integendeel mede moeten worden bevorderd.Het voornaamste middel der ruimtelijke ordening is de rechts-geldige bestemming voor een bepaald gebruik, waarbij andernieuw gebruik vetboden wordt. Aldus reserveert men een ter-rein voor het gebruik, dat daar het meest doelmatige is. Voorhet realiseren van de bestemming beschikt men, naast aan-koop, over het middel van onteigening.Het zal duidelijk zijn, dat een werkzaamheid, die tegenoverde afzonderlijke leden der bevolking voornamelijk berust op, verboden, en die onteigeningen tot gevolg heeft, niet populairis. Wordt de gehele bevolking er door gebaat, enkelingen on-dervinden er meer direct de bezwaren van. Door het wekkenvan meer begrip bij de bevolking voor de heilzame werkingder ruimtelijke ordening zal men moeten bereiken, dat zij doorde gehele bevolking gedragen wordt,De bestemmingen worden bereikt door vaststelling van plan-nen, d.w.z. zij worden stelselmatig, planmatig bepaald.Reeds wanneer een boer of een fabrikant een bedrijfsgebouwwil oprichten, zal hij dit niet zonder weloverwogen plan doen.Ook wanneer men een woning inricht, zal men meubelen zo-danig plaatsen, dat het huis doelmatig kan worden bewoond,dat men van verlichting, verwarming en ventilatie het bestegebruik kan maken, dat onnodig heen en weer lopen wordtvermeden, maar voldoende ruimte voor beweging beschikbaar^ ,Q blijft, dat het onderhoud zo gemakkelijk mogelijk kan plaatsloo hebben. Men zal, ook daardoor, een zekere huiselijkheid medewillen bereiken, men zal zelfs een bepaalde sfeer, een bepaaldkarakter willen bereiken. Soms zal men sfeer en karakter zelfsongewild, min of meer vanzelfsprekend, bereiken.In al deze gevallen zal men dus handelen volgens een bepaaldplan. Dat plan alleen zal kunnen bevorderen, dat men eenruimtelijke indeling verkrijgt, waarin het mogelijk is, doelma-tig, bevredigend, goed, te werken en te leven. Dit beoogt deruimtelijke ordening voor platteland, dorp en stad, op provin-ciaal niveau voor gewest en provincie.De noodzaak, om bij de ontwikkeling van deze eenheden vol-gens zorgvuldig overwogen plannen te werk te gaan, is in deeerste plaats gevolg van het feit, dat men bij die ontwikkelinggrote kapitalen in de grond vast legt. Het overgrote deel vande reeds genoemde materiele bestaansbasis, het maatschap-pelijk kapitaal, is in vaste goederen geinvesteerd: gebouwen,verkeersruimten, cultuurgronden, technische kunstwerken. Eneen goed gebruik van de overgrote meerderheid der roerendegoederen is afhankelijk van de plaats, waar zij worden onder-gebracht of ingezet: van voorraden waar zij worden opgesla-gen en hoe zij kunnen worden vervoerd, van vervoersmidde-len langs welke verkeerselementen zij zich kunnen bewegen,van machines van de fabrieksgebouwen, in welke zij zijn op-gesteld.De bedragen, die in vaste goederen worden gestoken, liggendaarin foor lange tijd vast. Een bos is eerst na tientallen ja-ren kaprijp, cultuurgronden kunnen onbeperkte tijd wordengebruikt, gebouwen veelal een eeuw en zelfs langer, verkeers-elementen en technische kunstwerken voor eenzelfde tijd. Eenfout, die men bij de ontwikkeling van een landstreek, een stad,maakt, is practisch haast onherstelbaar: ook al zijn gebouwenwellicht nog eens op te ruimen, veel moeilijker is het b.v., eengebrekkige stadswijk met zijn straten, leidingen, wateren,bruggen enz. enz. achteraf grondig te verbeteren. De ervaringwijst uit, dat men dit kan voorkomen door planmatig hande-len. Zeker, ook daarbij worden fouten gemaakt: men kan toe-komstige eisen en mogelijkheden nooit volledig overzien. Maardie fouten vallen in het niet vergeleken bij die, welke bij stel-selloos handelen worden gemaakt. Dan ontstaat anarchie:verspilling van grond en geld, ,,morsen met huizen".De betekenis van het planmatig handelen is dan ook zo groot,dat die plannen bindende kracht is verleend, dat zij dus rechts-geldigheid verkrijgen en men niet in strijd met die plannenmag handelen. Zij kunnen worden herzien, niet ter zijde ge-steld.Het maken van de benodigde plannen is moeilijk. Men heeft,blijkens het voorgaande, te rekenen met te verwachten behoef-ten voor vele jaren, en moet met zeer vele uiteenlopende be-hoeften en belangen rekening houden. Het maken van deplannen kost veel tijd en veel geld. Maar in verhouding tot deermede gemoeide belangen zijn die opofferingen zeer gering.Wanneer een stedebouwkundig bureau een geheel jaar aaneen plan voor een stadswijk werkt, en daarmede in dat planeen technisch kunstwerk, b.v. een vaste brug of een viaduct,weet uit te sparen, dan wordt daardoor een bezuiniging be-reikt, die tegen de met dat plan gemoeide uitgave ruimschootsopweegt. Hoeveel te meer zullen die tijd en kosten verantwoordzijn, wanneer daardoor het welzijn der bevolking, in de vormvan efficient werken, bevredigend wonen, gunstige gelegen-heid voor ontspannen, goede verzorging en vlot verkeer merk-baar wordt gediend?De behoefte aan planmatig handelen is in Nederland en meernog in Noordholland, bizonder groot als gevolg van de grotebevolkingsdichtheid, de snelle bevolkingstoeneming ook doortoevloeien van bevolking van elders, de kostbaarheid van debeschikbare grond, die voor een groot deel uit water is gewon-nen, de beperkte mate, waarin nieuwe grond beschikbaar kankomen en de daarmede ook weer gemoeide hoge kosten.De waatde van handelen overeenkomstig rechtsgeldige plan-nen hgt voorts in het feit, dat daardoor rechtszekerheid wordtgeboden aan die groepen der bevolking, die directe belangen,in de vorm van eigendom en gebruiksrechten, op die bodemhebben. Een zorgvuldige rechtsgang, waarbij zij hun stemkunnen laten horen, is voor hen in het bizonder een waarborgtegen willekeur.De draagwijdte van de plannen wordt, naarmate de bevol-kingsdichtheid groter wordt en het besef van het nut vanplannen toeneemt, groter. Eerst regelden zij bebouwing, ver-volgens straataanleg, thans beinvloeden zij uitvoering vanvele andere werken (b.v. cultuurtechnische werken, bodemver-laging, opslag e.d.) en meer en meer alle bouwen, alle gebruikvan grond. Men zal ter zake in Nederland verder moeten gaandan in minder dicht bevolkte landen, in Noordholland verderdan in sommige andere provincien. Maar niet verder dan no-dig of zeer nuttig bhjkt.Ook de omvang van de plannen is geleidelijk groter gewor-den. Ging het aanvankelijk om plannen voor een stadsdeel,een nederzetting, soms een gehele gemeente, het onderlingverband -- een o.a. door het verkeer steeds nauwer wordendverband '-- tussen de gemeenten en tussen de delen der pro-vincie noopte er toe, die plannen eerst te coordineren, thansplanmatig te overkoepelen door plannen voor gehele streken,en voor nog groter gebieden. De geringe grootte der gemeen-ten, haar vaak gebrekkige begrenzingen, maar vooral de toe-nemende maatschappelijke onderlinge afhankelijkheid makendit onontkoombaar. De gemeenten zijn deel van grotere ge-helen, het geheel is meer dan de som der delen; behalve op ge-meentelijke belangen heeft men te letten op bovengemeente-lijke belangen: die van een streek, de provincie, en grotereeenheden.Het is zeer moeilijk, te bepalen waar een gemeentelijk belangophoudt, een streekbelang, een provinciaal of een nationaalbelang begint. In het ene geval ligt dit anders dan in het an-dere, omvang en inwonertal der gemeenten hebben hierop in-vloed, ook op grond van practische overwegingen: aan de klei-nere eenheid dient overgelaten te worden, wat deze kan rege-len. Bij twijfel omtrent de bovengemeentelijke betekenis vaneen belang onthoude de provincie zich. Maar bij het onder-kennen van een bovengemeentelijk belang van ruimtelijke aardheeft zij een, zij het nog jonge, taak.Ter zake van gemeentelijke ruimtelijke belangen heeft de pro-vincie in beginsel alleen een toeziende, stimulerende, soms eendwingende, en alleen waar zij moet optreden namens de ge-meente een scheppende taak. Ter zake van bovengemeente-lijke, fuimtelijke belangen heeft zij een scheppende taak: dievan de vaststelling van streekplannen.De plannen worden gemaakt ten behoeve van de bevolking,ter voldoening aan vele van haar behoeften. Zij hebben duseen dienend karakter. Voor zover de bevolking zich duidelijkuitspreekt over wat zij haar behoefte en belang acht, dient ditin de plannen tot uitdrukking te komen. Voor zover de bevol-king zich over wat zij de beste voorziening in haar behoeftenacht nog niet duidelijk weet uit te spreken '-- en zulks is alsgevolg van de moeilijkheid dezer materie veelvuldig het ge-val ^, dient zij ter zake met behulp van ontwerp-plannen teworden voorgelicht. Die plannen behoren dus te zijn voor-lichtende beelden van een mogelijke toekomstige ontwikkeling,lichtende voorbeelden van wat ter zake bereikbaar mag wor-den geacht. Voor zover ook met behulp dier plannen de be-volking zich nog niet duidelijk weet uit te spreken, hebben debestuurscolleges, voorgelicht door hun diensten, een leidendetaak, die te beschouwen is als vervulling van een wettelijkeplicht. Bij de voorbereiding van plannen van enig formaat ishet nodig, dat de mening der bevolking, bij monde van ver-tegenwoordigers van groepen en organen tot uitdrukking ko-mende, zo goed mogelijk kan worden beluisterd, deels ookgevormd.Hoe de voorlichtende taak ter zake dient te worden vervuld,stelt voor moeilijke vragen. De ervaringen met voorlichtings-diensten zijn daarvoor niet bemoedigend. Organen, voortge-komen uit het maatschappelijk leven, publicaties en overlegzullen hierin het beste kunnen voorzien.Om te bepalen, welke toekomstige ontwikkeling mogelijk is,dient men zeer veel te weten en te kennen. Daarvoor is uitge-breid onderzoek nodig. Men dient verleden en heden te keu' Artikeiennen, en daarin te onderkennen de wetmatigheden der ontwik-keling, die ook voor de toekomst zullen gelden; voorts de ten-denties der ontwikkeling, de mogelijkheden van afwijking vanhet verloop uit het verleden, en de mogelijkheden van ingrij-pen in die ontwikkeling. Het is nodig, hier op te merken, dathet geen natuutlijke ontwikkeling is, waarin men kan ingrij-pen. Er is en wordt steeds ingegrepen. In een provincie alsNoordholland, die grotendeels alleen door de mens is ge-maakt tot wat zij thans is, behoeft dit wel niet nader te wor-den aangetoond. Het ingrijpen in de ontwikkeling, het leidinggeven daaraan, heeft plaats door middel van het ombuigenvan bestaande tendenties van ontwikkeling en het zoeken vannieuwe, niet voor de hand liggende mogelijkheden daarin.Onderzoekingen geven inzicht in de loop van het verleden,openen dootzicht in de stand van het heden, en leiden tot uit-zicht op de toekomst.Een plan moet de best bereikbare toekomstige ontwikkelingbelichamen. Het komt tot stand als een keuze uit de verschil-lende mogelijkheden. Die keuze wordt gedaan op grond vangemeenschappelijke waardedng.De waardering van een ieder, die aan de ruimtelijke ordeningmedewerkt, zal uiteenlopen op grond van zijn aard, instelling,levensbeschouwing, ambt of functie, op grond van datgene,waar hij belang in stelt en belang bij heeft. Zowel onder henals onder de bevolking zal bereikt moeten worden een coor-dinatie, een afweging van belangen, zal benaderd moeten wor-den de resultante van al die krachten, die zeer verschillendzijn in richting en grootte. Niet een compromis, maar eensynthese van die belangen: de belichaming van het algemeenbelang, dat aan goed gebruik van de ruimte verbonden is.Dit komt vaak neer op het beslechten van belangentegenstel-lingen. Want er is belangenstrijd, strijd om de ruimte. Menervaart dit welhaast dagelijks, en welhaast voor iedere vier-kante meter in de provincie. Men kan die strijd niet telkensgeval voor geval, dag voor dag incidenteel beslechten. Daar-voor zijn algemene regels en richtlijnen, neergelegd in veel-omvattende plannen, nodig.Het is duidelijk, dat een dergelijk plan, dat niet alleen eenontwikkeling regelt, maar ook haar richting bepaalt, een daadis van ingrijpend bestuursbeleid, zo goed als b.v. een wel-vaartsplan. Het hangt ook met die welvaartsplannen ten nauw-ste samen: het is meer omvattend dan deze omdat het op wel-zijn is gericht, minder omvattend omdat het zich tot gebruikvan de bodem beperkt. Het is als het ware de horizontale pro-jectie van het welzijnsstreven op het platte vlak van de be-schikbare aardoppervlakte.Men benadert de ruimtelijke vraagstukken het beste bij stel-selmatig objectief onderzoek.Bij dit onderzoek valt de aandacht enerzijds op de eigenschap-pen van het milieu, andererzijds op die der bevolking. Dezefactoren zijn ook weer wel te onderscheiden, niet te scheiden.Het milieu is goeddeels door de bevolking gemaakt, de bevol-king is door het milieu goeddeels gevormd tot wat zij thans is.Beide zijn ontwikkeld in onderlinge wisselwerking.Bij de bestudering van de provincie en de streken, ten behoevevan de ruimtelijke ordening, hebben physisch milieu en bevol-king de aandacht. Hierbij blijkt, op hoeveel punten zij elkaarbeinvloeden.Bij het physisch milieu zijn te onderscheiden bodem en kti'maat.De bodem is bepaald door de geologische gesteldheid. Dezeis deels door de mens beinvloed. Hij herbergt bodemschat-ten; door de mens wordt daarin krachtig ingegrepen. Eendaarvan is de vruchtbaarheid van de bodem. Zij wordt doorde mens bevorderd en onderhouden. Voornamelijk met be-hulp van de jonge wetenschap der bodemkartering wordt dezeagrogeologische waarde gedocumenteerd. De waterhuishou-ding in de bovenlagen, de beheersing van de waterstand envan de kwaliteit van het water hebben hierop grote invloed. -^ ^r^De mens heeft ook hierin krachtig ingegrepen. Met andere fac- \.\jyArtlkelcB170toren is de bodemgeschiktheid voor land- en tuinbouwdoelein-den maatgevend voor de agrarischc bevolkingsdichtheid, deomvang en de onderlinge afstanden van de kernen, haar be-hoeften en haar samenlevingsvormen. Onder die andere fac-toren is de bruikbaarheid der agrarische indeling, de wijzevan ontsluiting en verkaveling, van grote invloed: deze lenenzich voor wijziging door uitvoering van cultuurtechnische wer-ken en ruilverkaveling.De hoogteligging der terreinen is van aanmerkelijke invloedop de mogelijkheden van ontwikkeling, en meer dan deze nogde er veelal mede samenhangende draagkracht van de bodem.Ook deze dienen dus te worden nagegaan, evenals het be-langrijke terreinelement der begroeiing en het daarmede sa-mengaande dierenleven. Deze natuurhistorische waardenworden dus gedocumenteerd. De vorm van het territoir enzijn natuurlijke indeling beheersen ten slotte voor een grootdeel de ontwikkelingsmogelijkheden, zoals de eilandvorm vanTexel en Marken en de schiereilandvorm van NoordhollandsNoorderkwartier.Van de natuurlijke elementen zijn ten slotte de grote, bevaar-bare wateren van veel betekenis voor de ruimtelijke ontwik-keling. De ligging aan zee en nabij de delta van grote rivie-ren heeft Noordholland voor een groot deel gemaakt tot wathet is. De mens heeft ook hier op de krachtigste wijze inge-grepen.Het klimaat is van veel belang. De mens beinvloedt, doorgrote en kleine werken, ongewild of gewild, het locale en hetmicro-klimaat.Van de bevolking trekt in de eerste plaats de verdeling deaandacht, de zeer verschillende bevolkingsdichtheid van stre-ken en delen van streken, de opeenhoping in kleine en grotekernen. De samenstelling der bevolking naar geslacht enleeftijd is van belang, de natuurlijke loop der bevolking doorgeboorte en sterfte is hiervan gevolg en oorzaak tevens, demigratie door vestiging en vertrek is eveneens deels oorzaak,deels gevolg daarvan. Kwantitatief zijn de bevolkingsverschijn-selen zeer goed meetbaar, kwalitatief is dit moeilijker: energieen ondernemingslust zijn moeilijk te benaderen. Toch moetenaard en karakter der bevolking grote aandacht hebben. Inde-ling der bevolking naar gezindte en gezindheid, naar welstand-- inkomen en vermogen -- en maatschappelijke positie zijnvan belang. Zij worden beinvloed, de eerste minder, de laatstemeer, door de bestaansmiddelen. en hebben daarop omgekeerdweer invloed.Het voornaamste bestaansmiddel is dat van het bedrijfsleven,te onderscheiden in oerproductie en verdere productie, stu-wend en, voor groter of kleiner rayon, verzorgend bedrijf. Totde eerste behoren visserij en landhouw als de voornaamste.De landbouw is, als het meest gebonden aan de bodem, inhet voorgaande reeds enige malen vermeld. Schier overalheerst de agrarische landhonger en veelal agrarische bevol-kingsdruk. Naast de beperkte mogelijkheden van kwantita-tieve en kwalitatieve landaanwinning en intensivering is over-gang naar ander bedrijfsleven het enige antwoord daarop.Het industriele hedrijfsleven is van dat overige bedrijfslevenweer het voornaamste. Van belang is de studie van de vesti'gingseisen, die dit bedrijfsleven stelt: verkeersligging, arbeids-markt, afzetmarkt, draagkracht van de bodem, openbare dien-sten en meer incidentele factoren, o.a. van onderlinge samen-hang van bedrijven, van goede gelegenheid voor wonen enontspannen. Bij de bestudering van het bedrijfsleven in hetbizonder .-- maar hier niet alleen -- valt op, tot welke uit-eenlopende waarderingen men kan komen uit de verschillendeoogpunten van private en sociale economic.Ruimtelijk van minder direct ingrijpende invloed is het overigebedrijfsleven: ambachtsbedrijf, verkeersbedrijf, bank- en ver-zekeringswezen en vele andere bedrijfsvormen. Op omvangen aard der bevolking hebben zij echter aanmerkelijke invloed,evenals vrije beroepen, ambtelijke, verzorgende en huiselijkediensten.Groot is de invloed van het hierboven besproken werken ophet wonen, maar niet te verwaarlozen de reeds vermelde om-gekeerde invloed van de plaats van het wonen op die van hetwerken. Door migratie of door arbeidstrek worden verschillenoverbrugd. In hoeverre deze trek gewenst of toelaatbaar is, ismoeilijk te beantwoorden. Evenzeer dus, in hoeverre het ge-wenst is, de plaats van een bedrijf te kiezen bij de plaats vanhet wonen. In het algemeen lijkt migratie van bevolking vande plaats van herkomst naar de meest gewenste plaats vanhet bedrijf, die in Noordholland steeds in sterke mate heeftplaats gehad, het beste. Met de toeneming van het bedrijfs-leven hangen de vraagstukken van verstedelijking samen, vankarakter en hierarchic van stedelijke nederzettingen. Een ze-kere concentratie van bedrijfsleven in bepaalde kernen lijktals regel geboden, een te grote samenballing dient echter teworden vermeden. Eenzelfde noodzaak tot concentratie leidttot het streven naar kernvormige woonbebouwing, dat strijdttegen lintbebouwing en wilde bebouwing. De woonwijze, inverband met de woonzede, de aard en dichtheid van de woon-bebouwing, die weer verband houden met welstand en be-schikbaarheid van goede grond, bepalen mede de omvang derwoongebieden. Economic en zuinigheid in grondgebruik, inhet bizonder van potentieel hoogwaardige agrarischc gron-den, hebben hierop invloed. In het bizonder de eisen, die inde toekomst tcr zake van het wonen zullcn worden gesteld,zijn moeilijk tc ramen. Zullcn welstand en vcrkcersmogclijk-heden het buiten wonen in aantrekkelijke gebieden in de handwerken? Het volkomcn bevrcdigend wonen in de stad kan ditbeperken.En daarmede blijkt het wonen ook in hoge mate afhankelijkvan natuur- en cultuurbehoud en van de gelegenheid tot ont~spanning.Cultuurbehoud is een plicht van erkentclijkheid, natuurbehoudvan cerbicd. Beide schcppcn reeds gelegenheid tot ontspan-ning. Gegevens inzake natuurwaarden, cultuurwaarden enlandschappelijke waarden dienen verzameld en in acht geno-men te worden. De cultuurwaarden, in het bizonder de his-torische en de vrij weinige praehistorische, zijn nog zeer on-overzichtelijk gedocumenteerd.Voor ontspanning zijn nodig ruimten nabij de woonplaats enruimten op grotere afstand daar vandaan. Soms volgt het ont-spannen het wonen, soms het wonen de mogelijkheid van ont-spanning. De mogelijkheden, die natuurlijke ontspannings-ruimten bieden, dienen te worden nagegaan. Dit geldt zowelvoor de eendaagse als voor de vacantie-ontspanning. Ook debehoeften ter zake moeten worden gepeild. De vacantierecrea-tie in zijn nieuwe vormen trekt daarbij in het bizonder deaandacht.Ter zake van de ontspanning nabij de woonplaats staat deraming der toekomstige behoeften in het centrum der belang-stelling. Zuinigheid met cultuurgrond leidt tot de eis van in-tensief gebruik, kosten van aanleg verzetten zich daar tegen.Het verschijnsel van de kijksport is deels een bewijs voor deontoereikendheid der gebruikelijke voorzieningen.Verkeer en vervoer vervullen ten opzichte van de meestevoorgenoemde een afgeleide functie, maar hoezeer zijn zijplaatselijk van stuwende, levengevende betekenis! Zij zijn danook mede bestaansbron. Als toerisme is verkeer soms echterwelhaast doel op zichzelf. De plannen op verkeersgebied, zo-wel te water, op de weg, per spoor als in de lucht, vormenbelangrijke elementen in bovengemeentelijke plannen in hetbizonder, omdat dit verkeer immers niet bij de grenzen dergemeenten ophoudt, maar ze tot grotere gehelen bindt. Ver-keerselementen vormen veelal het geraamte voor een voUedigplan. Gegevens en onderzoekingen op verkeersgebied vormenonmisbare bijdragen voor de ruimtelijke ordening.Op het gebied van verzorging, van andere voorzieningen vanalgemeen nut vragen nog vele zaken de aandacht. Het zoute ver voeren daarop in te gaan, er moge worden volstaan meter enige te noemen. Vragen van waterwinning en -transport,energievoorziening en -overbrenging, defensie en zgn. burger-lijke verdediging tegen aanvallen uit de lucht, begraving, ver-wijdering -- soms benutting -- van afvalstoffen, zandwin-LINOLEUM KROMMENIEDE ECONOMISCHE VLOERBEDEKKING^*ly?c
Reacties