November 195313e Jaargang - No. 11De WoningbouwverenigingUitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerschijnt tnaandelijksAdres voor Redaotie en Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 724298Adres voor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128De woningbouw in de Tweede KamerOp 18 November heeft de Tweede Kamer de begroting 1954van het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvestingzonder hoofdelijke stemming aangenomen. Nadat op 22 Oc-tober het Voorlopig Verslag en op 7 November de Memorievan Antwoord waren verschenen, heeft de Kamer zich metde mondelinge behandeling van deze begroting een uur ofnegen beziggehouden, waarbij welgeteld elf afgevaardigden hetwoord voerden.Hoewel de Kamer zich in het algemeen met het beleid vanMinister Witte wel bleek te kunnen verenigen, kwam er inde gedachtenwisseling natuurlijk wel verschil van mening totuiting met betrekking tot bepaalde kanten van dit beleid.In dit overzicht zullen wij ons bepalen tot de belangrijkstekwesties, die ter sprake zijn gekomen. Deze kwesties zijneigenlijk -- dat bleek ook nu weer -- bij elke begrotingsbe-handeling dezelfde.Het woningtekort; de verhouding woningwetbouw - particu-liere bouw; de premieregeling voor de particuliere bouw; heteigen woningbezit; de positie van de woningbouwverenigin-gen; het huurpeil. Deze keer kwam daar bij de kwestie van hetaantal in uitvoering zijnde woningen in verband met de be-lastiiig van het bouwapparaat.Het beleid ,,om"?Een pikant punt, dat wij hier niet onvermeld willen laten,werd in het geding gebracht door de Hcer Ten Hagen (P. v.d. A.). Deze Icgde de vinger op een passage in het VoorlopigVerslag, waarin vele (K.V.P.) leden bedektelijk doen uit-komen, dat hun vertrouwen in Minister Witte speciaal be-rust op het feit, dat de Minister het beleid van zijn voorgan-ger, Mr In 't Veld, zou hebben omgebogen. Dit zou dan blij-ken uit de aanpak van het huurprobleem door de tegenwoor-dige bewindsman, de totstandkoming van een bijzondere finan-cieringsregeling voor de bouw van eigen woningen, de stij-ging van de kubieke inhoud der woningwetwoningen en eenbeheerste, geleidelijke opvoering van het in uitvoering zijndeaantal woningen. Volgens de Heer Van Vhet (K.V.P.) hadde Minister nog wel niet op het gehele beleid zijn stempelkunnen drukken, maar -- zo heet het weer in het VoorlopigVerslag -- gedurende jaren gegroeide toestanden en verhou-dingen laten zich niet in korte tijd wijzigen. Eigen ideeen enopvattingen, voor zover deze afwijken van de tot dan toegevolgde koers, moeten, zo heet het, eerst in regelingen envoorschriften uitgewerkt worden, alvorens zij toepassingkunnen vinden.De Ijleer Ten Hagen vreesde voor legendevorming als zouten aanzien van de genoemde punten door Minister Witte eenessentieel ander beleid zijn gevoerd dan door Mr In t' Veld.Hij nam deze punten daarom nader in beschouwing, waarbijhij tot de conclusie kwam, dat de tegenwoordige bewindsmandoelbewust het beleid van zijn voorganger had voortgezet.De Minister kon in zijn antwoordrede aan dit punt uiteraardmoeilijk voorbijgaan. Hij gaf nogmaals uiting aan zijn gevoelvoor diep respect voor het werk van zijn voorganger, maarachttc het vanzelfsprekend, dat een andere persoonlijke ge-aardheid en een verschil in levensopvattingen en politieke in-zichten op zijn eigen beleid hun stempel zullen drukken,zoals zij hun stempel hebben gedrukt op dat van Mr In 't Veld.Hij wees er verder op -- en hieruit spreekt zijn realiteitszinen nuchter oordeel ^-- dat bij de benadering van practischeproblemen in ons land, behalve de levensbeschouwing en depolitieke overtuigingen, ook andere factoren een rol spelen.Ook is de practijk in de gegeven omstandigheden voor eengroot deel beslissend voor hetgeen kan worden gedaan. Hetlaatste woord over deze kwestie sprak de Heer Van Vliet, zeg-gende, dat hij niet bedoeld heeft, dat het beleid op het Depar-tement omgezwaaid is, maar slechts heeft willen constateren,dat de politiek van de Minister afgestemd blijkt te zijn op dewensen en verlangens, die door zijn fractie waren kenbaargemaakt.Het woningtekortVerschillende afgevaardigden bleken zeer sceptisch gestemdten aanzien van de berekeningen van de Minister omtrent hetwoningtekort. Zij trokken in twijfel dat dit tekort omstreeks1960 ingehaald zou kunnen zijn. De Heer Stapelkamp (A.R.)stelde dit punt in zijn betoog centraal. Ook al zou over zevenjaar de woningnood kunnen zijn beeindigd, dan zou toch ge-tracht moeten worden deze periode te bekorten. Daartoe zoueen groter bouwprogramma dan van 65.000 woningen moetenworden uitgevoerd. Spreker acht dit mogelijk als bij de keuzetussen woningbouw, industriele bouw en bouw van openbaregebouwen maar een rangorde wordt bepaald, die stringentwordt aangevoerd.Enkele kamerleden waren zelf aan het rekenen geslagen enkwamen tot veel ongunstiger cijfers omtrent het acute tekortdan de Minister en het C.B.S. Zo kwam de Heer Ritmeester(V.V.D.) maar liefst op een tekort van 610.000; de HeerGortzak (C.P.N.) achtte een jaarlijkse productie van 75.000woningen nodig om in 1960 door het tekort heen te zijn.De Minister, die verzuchtte, dat het een votum van de Mi-nister van Wederopbouw en Volkshuisvesting schijnt te zijn,dat hij voor te optimistisch wordt uitgemaakt, hield zich aande cijfers, die hij in de Memorie van Antwoord had gegeven.Daarin wordt het woningtekort per 1 Januari 1953 gesteld op225.000. Een globale cijferopstelling, ter berekening van detijdsduur, die nodig is, om dit tekort in te halen, geeft hetvolgende beeld. De gemiddelde jaarlijkse toeneming van dewoningbehoefte (bevolkingsaanwas min emigratie plus krot-opruiming) is 33.000. Van de jaren 1953 t/m 1960 is dit264.000. Als in 1953 60.000 woningen gereed komen en inde volgende jaren tot en met 1960 65.000, dan zal de totaleproductie 515.000 bedragen; dit is 251.000 meer dan de toe-neming van de behoefte en voldoende om het tekort van225.000 te dekken. Dit betekent, dat de woningnood in 1960gelenigd zou kunnen zijn. Doordat enkele basisgegevens voordeze cijferopstelling onzekerheden bevatten, is deze berekeningsterk speculatief. In elk geval is het zeer wel mogelijk, dat dewoningnood in verschillende gemeenten ook na 1960 nog zalvoortduren. 137138Bouwprogramma - bouwcapaciteitVrij algemeen was men het met de Minister eens, dat eenaantal van 65.000 nieuwe woningen per jaar, wel het maximumbereikbare is. Met het oog op de spanning op de arbeidsmarktvreesde men zelfs, dat dit aantal niet gehaald zou kunnenworden, tenzij in andere sectoren een afremming zou plaats-vinden. Verschillende leden deden suggesties in dit opzicht;zij vrocgen, zo nodig, beperking van de bouw van overheids-gebouwen etc. De Heer Bommer (P. v. d. A.) stelde dezezaak in breder verband. Hij constateerde -- met de Minister-- dat het bouwprogramma in de loop der jaren van karakteris veranderd en meer het karakter van een prognose heeft ver-kregen, waarbij de Regering nog slechts dat deel van de bouw-activiteit rechtstreeks onder haar invloed heeft, waarbij zijfinancieel is betrokken. Hij heeft daar vrede mee, mits de Re-gering haar taak daarbij aldus ziet, dat zij voortdurend devingers aan de pols houdt. De Regering moet voortdurend na-gaan of de hoeveelheid werk in overeenstemming is met decapaciteit van het bouwbedrijf en of de continuiteit in hetbouwbcdrijf niet in gevaar komt. Deze continuiteit is voorallerlei redenen uiterst belangrijk. Daarom moet de Regeringook de toekomstige ontwikkeling in het oog houden. Over-spanningen en inzinkingen moeten worden voorkomen; eennoodgeval tot plotseling ingrijpen moet worden vermeden.De statistieken deden de Heer Bommer concluderen, dat ereen opeenhoping van werk heeft plaatsgevonden met alle na-delige gevolgen van dien. Hij besprak enkele onderdelen vanhet bouwprogramma en vroeg de Minister a!le facetten vandit bouwprogramma voortdurend in het oog te houden.De Heer Van Vliet, die meende, dat bij een eventuele afrem-ming vooral gedacht raoest worden aan de sector van ge-meentegebouwen, vroeg zich daarbij wel af of beperking inandere sectoren dan de woningbouw wel het gewenste resul-taat zou hebben. Aangezien het tekort aan arbeiders in dewoningbouw in hoofdzaak metselaars en stucadoors betreft endeze beroepen tegenwoordig blijkbaar te weinig arbeiderstrekken, gaf hij in overweging de lonen voor deze beroepente verhogen.Minister Witte zegde toe, dit met de Minister van SocialeZaken te zullen overleggen,De Heer Bommer gaf ten antwoord, dat het op lange termijnonmogelijk is een continue bezetting van een constant bouw-apparaat te garanderen -- wel kan men het optreden vanschokken trachten te voorkomen. De Minister is van oordeel,dat het wenselijk is het bouwapparaat op voile toeren te latendraaien. De tegenwoordige opeenhoping van werk vindt haaroorzaak in de onregelmatige uitgifte van financieringen in1952 en in het weer in de wintermaanden. Met niet te veeltegenslag door het weer zal -- ook volgens de C.B.S. -- hethuidige programma met het aanwezige bouwapparaat kunnenworden gerealiseerd.Zou nu toch tot beperking moeten worden overgegaan, dandenkt de Minister ook in de eerste plaats aan de sector over-heidsbouw; raisschien zouden ook in de sector handel enkeleminder urgente werken kunnen worden afgeremd. De situa-tie, dat tussen woningen en scholen gekozen zou moeten wor-den, zal, naar de Minister gelooft, niet ontstaan. Indien toch,dan zou de scholenbouw moeten worden beperkt. Beperkingvan de woningbouw acht de bewindsman dus noch wenselijk,noch noodzakelijk, tenzij er een blijvend grote spanning zouoptreden. Voorts acht hij een buitensporige opvoering vanhet aantal bouwvakarbeiders niet wenselijk. Wel zal de no-dige propaganda voor de bouwvakken moeten worden ge-maakt. Verder moet de ontwikkeling op lange termijn nauw-keurig worden gevolgd.Woningwetbouw - particuliere bouwHet aantal van 27.500 woningwetwoningen, dat de Ministervoor 1954 geraamd heeft, maakt 42^/^% uit van het totaal van65.000 woningen. In het Voorlopig Verslag geven vele ledenals hun mening te kennen, dat uit de andere 57]/^% zeer wei-nig woningen voor arbeiders zullen komen. Dit laatste werddoor de Minister betwijfeld. In zijn Memorie van Antwoordstelde hij, dat in de afgelopen jaren is gebleken, dat een aan-zienlijk aantal van de premiewoningen voor huisvesting vanarbeiders bestemd is. Het is ook niet juist, volgens de Mi-nister, dat de premiebouw in het geheel geen aandacht zouschenken aan de categorie van huurwoningen.Bij de mondelinge beraadslaging was het de Heer Ten Hagen(P. v. d. A.), die de waarde van de particuliere bouw voorde volkshuisvesting het meest in twijfel trok. Sprekend overde bouw van volkswoningen door bouwondernemingen, dievoor de markt bouwen en de woningen zelf exploiteren, zeihij, dat deze particuliere bouwers door het vragen van gelijkekansen in feite een voorkeursrecht vragen. Hij vindt de leuze:gelijkheid voor de particuliere bouw, d.w.z. voor de particu-liere bouwondernemers, ten opzichte van de woningwetbouwdoodsgevaarlijk. Hij zou alleen een gelijke kans willen gevenindien en in zover deze particliere bouw op de juiste enmeest verantwoorde wijze aan de woningbehoefte voldoet.Maar deze bouw blijkt nu juist niet aan de gehele gedifferen-tieerde behoefte aan woningen te voldoen, Spreker wees er op,dat voor de oorlog doorlopend een verschuiving plaats had,waarbij door de steeds voortgaande nieuwbouw van midden-standswoningen een deel van de verouderde middenstands-woningen tot arbeiderswoningen devalueerde. Maar de ar-beiders horen niet thuis in die verouderde en afgeschrevenwoningen; zij hebben recht op goede, moderne woningen inmoderne woonwijken. De cijfers, die de Raad van BestuurBouwbedrijf in een adres aan de Staten-Generaal had doentoekomen, noemde de Heer Ten Hagen waardeloos. Het gaatn.l. niet om het aandeel, dat de particuliere bouw voor de oor-log had van de totale productie, maar om het aandeel, datzij had mogen hebben. Het gaat erom in hoeverre in de be-hoefte is voorzien en in hoeverre een goede volkshuisvestingdaardoor gediend werd. Spreker pleitte voor een beleid, datde bouw van een voldoende voorraad arbeiderswoningen metredelijke huren zou waarborgen. Met veel argumenten gaf hijte kennen, dit van de particuliere bouwers niet te verwachten.Hij zag in de woningwetbouw allerlei grote sociale en econo-mische voordelen.De Heer Van Vliet meende, dat als de particuliere woning-bouwers en exploitanten zich beroepen op het machtige aan-deel, dat zij voor de oorlog in de nieuwbouw hebben geleverd,de waarheid daarvan niet ontkend kan worden. Het verwijt,dat zij zich nooit hebben gei'nteresseerd voor de arbeiderswo-ningbouw is niet juist. Al hadden zij op dit gebied meer kun-nen doen, verdienen zij nu toch niet geheel te worden uitge-sloten; dit is onrechtvaardig. Arbeiderswoningbouw en -exploi-tatie behoeft niet uitsluitend een privilege te zijn van woning-bouwverenigingen en gemeenten. Het is in beginsel niet meerdan billijk, dat de particuliere activiteit, mits dit op verant-woorde wijze geschiedt, mogelijkheden verkrijgt.Het standpunt van de Minister inzake de verhouding parti-culiere bouw - Avoningwetbouw was, kort weergegeven, hetvolgende: het komt er niet op aan, wie bouwt, als er maarbehoorlijke woningen voor de arbeiders worden gebouwd. Alsde particuliere bouw het niet doet, moet de Overheid subsi-diair direct in zijn plaats treden. De stelling van de Ministeris, dat deze zaak zich maar moet uitbalanceren. Deze stellingis niet alleen gebaseerd op de vrije economische kracht en opeen vrije markt, maar daarin is rekening gehouden met devrije beslissing en de vrije verantwoordelijkheid van de ge-meentebesturen om subsidiair op te treden.Overigens meende de Minister, dat men zich van meer (fi-nanciele) gelijkheid tussen de premie- en woningwetbouw geenal te grote illusies moet maken, wat het effect betreft. In degrote steden zal het effect betrekkelijk gering zijn. Traditio-neel werpt de particuliere bouw zich -- aldus de Minister --niet zozeer op de bouw van arbeiderswoningen, maar op dievan middenstandswoningen.(doorlezen pag. 144)J^^,a\tesvn^Naam en modelinternationaalbeschermd?OCRIETreinigen metVIM?Vraagtvrijblijvenclde NIEVWEcatalogusvan betLAVET aan deFABRIEKEN N.V.BAARNTel. K 2954-3641(4 lijnenj139'^V^S^ ?i l" *' VToewijding en Trouw^De Woningbouwvereniging ,,Huizen", die dezer dagen haarveertigjarig bestaan herdenkt, heeft haar ontstaan te dan-ken aan de funeste gevolgen van een hevige brand. In dezomer van 1913 vernielden ergens in Huizen de vlammeneen complex huurwoningen. Zoals dat vrijwel steeds het ge-val is, moesten de getroffen bewoners een goed heenkomenzoeken bij familie en vrienden. Vervolgens konden zij slechtshopen, dat zij in de naaste toekomst ergens op een behoor-lijke manier ,,onder dak" zouden geraken. De volkshuisves-ting was in die dagen nog een zaak van ,,toevallige omstan-digheden".Men kan zich voorstellen dat deze brand voor de dorpelin-gen nog al eens onderwerp van gesprek uitmaakte. Enige bur-gers van Huizen bespraken de moeilijkheden van de ongeluk-kige bewoners der vernielde huizen, toen zij een zomerse wan-deling door de lommerrijke dreven van het mooie dorp maak-ten. Wat zou er voor de slachtoffers gedaan kunnen worden?Waren er ergens in de gemeente nog woningen vrij? Zoudener kapitaalkrachtige lieden zijn, die binnen afzienbare tijdvoor vervangende woningbouw wilden zorgen? Was 't eigen-lijk niet gek, dat een zo bij uitstek sociale voorziening als be-hoorlijke huisvesting alleen maar door ,,de loop der dingen"kon worden verkregen? Zou hier niet een taak voor de over-heid zijn weggelegd? Let op, lezers, zij, die zo spraken envroegen waren niet de bewoners van de door de brand getrof-fen huizen; het waren enkele willekeurige burgers, die von-den, dat men de zaken niet op haar beloop mocht laten, maardat er iets gedaan behoorde te worden. Een van hen herin-nerde zich wel eens gehoord te hebben van een R.K. Bouw-vereniging in het nabijgelegen Bussum. Prompt werd beslotenzich daar nader op de hoogte te stellen. De voorzitter van ,,St.Jozef" in Bussum verleende gaarne alle medewerking en mededaardoor kon in December 1913 de Woningbouwvereniging,,Huizen" worden opgericht.Het is een verkwikkende gedachte, dat evenals in Huizenoveral in den lande, mannen zich aangordden om verbeteringte brengen in vaak erbarmelijke woningtoestanden voor de ar-beiders. Het waren in de regel mannen, die in het verenigings-leven van die tijd reeds een rol speelden; van nature blekenzij belangstelling te hebben voor sociaal werk van allerleiaard. Evenzeer in de regel mochten zij niet gerekend wordentot de ,,deskundigen" op het gebied van woningbouw en volks-huisvesting. Wij maken ons sterk, dat bepaalde leden vande Tweede Kamer, die nog weer pas geleden uiting hebbengegeven aan hun twijfel ,,of de besturen der woningbouwcor-poraties wel zijn opgewassen tegen hun moeilijke taak", zichover het resultaat van het werk der mannen in Huizen en talvan andere gemeenten geen illusies zouden hebben gemaakt!Wij zijn er evenzeer van overtuigd, dat bepaalde burgemees-ters en wethouders, die van oordeel blijken, dat de zo-hoog-nodige deskundigheid alleen en bij uitsluiting is te vindenbij gemeentebestuur en gemeentelijk apparaat, geringschattendAfb. 1: Eerste complex (44 woningen)Bouwtijd 1914--1915De huizen staan er nog stevig bij.Afb. 2: Tweede complex (28 woningen, w.o. enige ,,boerderijtjes"Bouwtijd 1918Zorgenkindjes van de bouwvereniging.Afb. 3; Derde complex (20 woningen)Bouwtijd 1926-1927Woningen ter vervanging van krotten.medicijn voor pessimistenhun schouders zouden hebben opgehaald over de dillettantcn,die zich ecns even de volkshuisvesting zouden gaan aantrek-ken! Het mag hier vermeld worden, dat de geschiedenis vande Woningbouwvereniging ,,Huizen" en de gang van zakenbij tal van haar zusterverenigingen alien, die trouw, liefde enambitie ondergeschikt achten aan ,,koude deskundigheid",schromelijk in het ongelijk stellen! Evenzeer mag hier wordengetuigd, dat ,,Huizen" het proto-type is van de zeer vele ge-vallen, waarin het initiatief tot doelbewuste verbetering vande volkshuisvesting uitging van de ,,eenvoudige" burgerij ineen periode, waarin over het algemeen de gemeentelijke over-heden heil zagen in een ,,afwachtende houding".De amateurs in Huizen zijn in 1914 aan de slag gegaan. Zijvonden voor hun plannen bij het gemeentebestuur gehoor. Zijverwierven geschikt bouwterrein. Zij namen een plaatselijk ar-chitect (deHeer St. Vos) in de arm; zij vergaderden, zijvoerden besprekingen en onderhandelingen met autoriteiten;zij werden geconfronteerd met problemen, die zij tot dusverniet kenden; zij boden die problemen met succes het hoofd. Hetuitbreken van de oorlog kon hun werklust niet doven. Zijgingen bouwen! Vrijwel precies een jaar na de oprichting dervereniging werd de bouw van 44 woningen aanbesteed. InJuli 1915 kon de eerste woning door de gelukkige bewonersworden betrokken. Afbeelding 1 laat ons dit eerste complexzien, dat, dank zij een zorgvuldig en verstandig onderhouds-beleid, er nog uitstekend bijstaat en dat, dank zij de in Hui-zen spreekwoordelijke netheid, ook ,,van binnen" er nog voor-treffelijk aan toe is. Het lijkt ons interessant om aan de be-tekenis van dit ,,oude" woningbezit dat gedurende tientallenvan jaren met toewijding is beheerd, een enkel woord tewijden.Ten vorige jare schreef Mr J. Wilkens in ,,Economische bta-tistische Berichten" een verweer tegen de stelling, dat deexploitatie van woningwetwoningen voordeliger zou zijn dande particuliere huizenexploitatie. Daarbij merkte hij o.m. op:,,Het is erg eenvoudig om jaarlijks tekorten te dekken doorii^t nalaten van afschrijvingen of wel de tekorten te plaatsenop de debetzijde van de balansen". Destijds zijn wij er niettoe gekomen om deze bewering te weerspreken. Mogen wijdat nu doen aan de hand van de gegevens der jubilerendeWoningbouwvereniging ,,Huizen". De Heer Wilkens moesteigenlijk weten, dat aan de afschrijving van woningwetwonin-gen niet getornd mag worden en dat juist de afschrijvings-politiek een van de zwakke kanten van de particuliere woning-exploitatie vormt. Het moge waar zijn, dat in een aantal ge-vallen de woningwetcomplexen uit 1919-1921 (een tijd, waar-ii de ..particuliere bouw" het helemaal liet afweten) verliezenopleveren maar dit was tevoren bekend en kan niet wordengeweten aan woningbouwverenigingen en gemeenten. Dat de-ze verliezen op de balansen geactiveerd worden is een gevolgvan de omstandigheid, dat de overheid heeft nagelaten te dezerzake passende bijdragenregelingen te creeren. Te eniger tijdAfb 4- Vierde complex (43 woningen met winkelpand)Bouwtijd 1926-1927I Typisch voorbeeld van vooroorlogse woningwetbouw.Afb. 5: Blokjes z.g. middenstandswoningenBouwtijd 1922j Een zware belasting voor de onderhoudsmiddelen.Afb. 6.; Complex 6 {34 woningen)Bouwtijd 1926Waardevol bezit van de bouwvereniging.'^ "'^'.j^-mi^-.; '-^^-Ti^ku&bmiJi^.142zal deze incidentele erfenis worden opgeruimd. De door onsbedoelde verliezen zeggen trouwens niets aangaande de eigen-lijke exploitatiekosten.Laten wij de Heer Wilkens nu eens door een simpel voor-beeld, ontleend aan de geschiedenis van de Woningbouwver-eniging ,,Huizen", leren hoe de situatie in feite is. De wo-ningen van het eerste complex dezer vereniging staan op debalans per 31 December 1952 voor een bedrag van f 900,--per woning (inclusief grond)! Op het voor-oorlogse woning-bezit, waarmede een bedrag van / 1.085.000,-- aan totalestichtingskosten was gemoeid, is tot 31 December 1952 eenbedrag van / 340.000,-- afgeschreven. Daarbij bedenke men,dat de grond, waarvan de prijs in de stichtingskosten is be-grepen, zijn waarde behoudt. Voorts moet worden opgemerkt,dat het grootste deel van dit woningbezit eerst in de dertigerjaren tot stand is gekomen. Dit voorbeeld is aan vele hon-derden andere gelijk.Ter geruststelling van de Heer Wilkens en andere verontrus-ten zij medegedeeld, dat op de creditzijde van de eerderge-noemde balans de batige saldi tot een bedrag van bijna/ 9.000.-- zijn vermeld, waartegenover op de debetzijde deverliezen ad / 1.500,-- voorkomen. Aan onderhoudsreservesbezit de vereniging nog bijna / 35.000,-- , exclusief een ex-ploitatie-reserve van / 14.500,--. Extra rioleringen, eenschuur, een magazijn en de inventaris zijn op de balans ge-waardeerd op totaal / 4.--! Dit beeld getuigt van een uitste-kend beheer en van een sociaal gerichte exploitatie. De in dewoningwetbouw gestoken gelden komen in de loop van circa50 jaar geheel terug; er wordt gedurende die jaren een alles-zins redelijke rente over betaald; na het verstrijken van de ter-mijn blijven geheel vrije complexen over, die voor de volks-huisvesting nog van grote betekenis zijn en waarvan de rede-lijke opbrengst dan kan dienen voor verbetering en saneringder woningen ofwel voor aanwending ten behoeve van al-gemene volkshuisvestingsbelangen.Het is opmerkelijk, dat de pleitbezorgers voor particuliere wo-ningexploitatie, zoals de Raad van Bestuur Bouwbedrijf ensommige met liefderijke zorg voor de woningbouwverenigin-gen vervulde Kamerleden, aan deze essentiele voordelen vande woningwet-exploitatie volkomen voorbijgaan. Kennen zijde zaak, waarover zij een oordeel wensen te geven, zo weinig,of past het niet in hun ,,objectieve" beschouwingen om juistaan de resultaten van de exploitatie van woningwetwoningenaandacht te schenken? Wij zijn desverlangd bereid en in staatom honderden balansen en verlies- en winstrekeningen vanwoningbouwcorporaties te analyseren op de simpele wijze,waarop wij zulks hierboven met de jaarstukken van de Wo-Afb. 7: Complex 5 (85 woningen)Bouwtijd 1923ningbouwvereniging ,,Huizen" hebben gedaan. Deze analysezal dan een beeld ppleveren, dat zeer gunstig afsteekt tegenvergelijkbare resultaten van particuliere woningexploitatie(voorzover die resultaten publiekelijk kunnen en mogen wor-den bekend gemaakt).Men dient vervolgens achter de cijfers te ontwarcn de trouwen de toewijding, die gedurende tientallen van jaren wordenopgebracht door eenvoudige mannen en vrouwen, die aan hetwerk voor de bouwverenigingen hun hart hebben verpand.Wie kan schatten hoeveel vrije tijd in de loop van de jarenbelangeloos door bestuurders van woningbouwcorporaties aande zaak van de volkshuisvesting is besteed? Wie zal het wa-gen de waarde te ontkennen, die deze zelfwerkzaamheid vande burgerij juist in onze dagen van desinteresse en massifica-tie voor de volksgemeenschap heeft? Dat honderdtallen bur-gers bij een minimum aan bewegingsvrijheid en zelfbeschik-kingsrecht de volharding blijken te bezitten om van ogenbliktot ogenblik aan alle (lang niet altijd even prettige) romp-slomp het hoofd te bieden, is een plus voor het instituut derbouwverenigingen, die maar al te gemakkelijk uit het oogwordt verloren.Het is ook in het licht van de bespiegelingen, waartoe wij onslieten verleiden, nuttig om de geschiedenis van de Woning-bouwvereniging ,,Huizen" verder te bezien. Het was dezewoningbouwvereniging, die in de gemeente als eerste in enigs-zins betekenende omvang gebruik ging maken van de pas in1914 mogelijk geworden gasvoorziening. Dadelijk na de bouwvan het eerste complex werden nieuwe plannen ontwikkeld.Het bleek echter bijzonder moeilijk om geschikt bouwterrein teverkrijgen. Pas in 1917 gelukte dit, zodat in 1918 met debouw van 28 woningen een aanvang kon worden gemaakt.Hoezeer de in de gemeente gepeilde behoefte richtsnoer wasvoor het opzetten van het bouwplan, blijkt wel uit de omstan-digheid, dat er bij deze 28 woningen enkele z.g. boerderijtjesbehoorden. Het is onder de bouwverenigingen algemeen be-kend, dat de omstandigheden voor de woningbouw in 1918-1920 uiterst ongunstig waren. Vandaar, dat ook het tweedecomplex in Huizen tot vandaag-de-dag aan het bestuur vande bouwvereniging grote zorgen verschaft. Het is een com-pliment voor de onderhoudsdienst van de vereniging, dat dewoningen er, ondanks de kwalitatieve gebreken, nog zo goedaan toe zijn.Het voorbeeld van de nieuwe bouwvereniging werkte aanste-kelijk. Op 31 Januari 1920 werd in Huizen een tweede bouw-vereniging opgericht, t.w. ,,De Haardstede". De kleine mid-denstand, die blijkbaar zijn belangen door de particulierebouwnijverheid ook niet afdoende zag behartigd, bleef nietachter en besloot -- eveneens in 1920 -- tot de stichting vande Bouwvereniging ,,Goed Wonen". Voortaan zou er inHuizen dus sprake zijn van een ,,gesplitste" activiteit. Hetgemeentebestuur mocht t.a.v. zijn medewerking uiteraardgeen discriminatie toepassen. De Haardstede bouwde in 1921-1923 in totaal 85 woningen en Goed Wonen deed 12 wonin-gen verrijzen. De oudste zuster van het drietal liet het er nietbij zitten en zorgde in 1926-1927 voor de bouw van 63 wo-ningen. Vermelding verdient, dat laatstbedoeld plan ,,in eigenbeheer" werd uitgevoerd. Tot op de huidige dag heeft hetbestuur van de bouwvereniging daarvan geen spijt behoevente hebben. Van genoemde 63 woningen waren er 20 bestemdvoor de vervanging van krotten. De bouwvereniging ,,DeHaardstede" bouwde in deze zelfde tijd nog 34 arbeiders-woningen.Zoals vrijwel overal elders trad ook in Huizen in de dertigerjaren een stilstand in voor wat de activiteit van de bouwver-enigingen betreft. Dat lag zeker niet aan een gebrek aanvoortvarendheid van de besturen der verenigingen. Zeer velepogingen zijn aangcwend om het gcmeentebcstuur. waarvanmen tot dusverre een zo verheugende medewerking had onder-vonden, tot voortgezette medewerking te bewegen. Wij wetenniet precies of het bestuur van de gemeente Huizen in diedagen ook was bevangen door de (naar later is gebleken:ongerechtvaardigde) vrees voor de crisis. Mogehjk zou hetgemeentebestuur wel bereid zijn geweest de woningwetbouwook verder te bevorderen. Van Rijkswege evenwel is gedu-rende vrij lange tijd de mogelijkheid tot het verlenen van voor-schotten voor die woningwetbouw buiten werking gesteld. Ditverklaart in het algemeen het geringe aandeel van de woning-wetbouw in de toenmahge woningproductie. Dit verklaartdus ook, waarom wij de getallen, die worden gebezigd om de.normale positie van de particuliere woningbouw" aan te to-neJi, ongeschikt achten om tot voorbeeld te dienen voor dehuidige toestand. De weigering van de toenmalige overheidom in de dertiger jaren toepassing te geven aan de hnancielemogelijkheden van de Woningwet heeft een abnormale toe-stand geschapen, die derhalve niet als maatstaf kan dienenvoor hetgeen thans moet worden ondernomen.De bouwvereniging ,,Huizen" ontwikkelde in 1933 een planvoor zegge en schrijve 14 woningen. Pas na 5 jaar kon met deuitvoering van dit plan een aanvang worden gemaakt. Ditwerd nog slechts mogelijk, doordat het bestuur der verenigingeeifi plaatselijke woningenquete instelde, waarvan de uitkom-sten z6 verbijsterend waren, dat het gemeentebestuur wel totmedewerking moest besluiten. Een bewijs te meer voor dealgemene maatschappelijke betekenis van een goed geleidewoningbouwvereniging!Wij naderen nu een interessant hoofdstuk uit de geschiedenisvan onze bouwvereniging. Zoals gerelevcerd werkten in degemeente Huizen drie corporaties. De toenmalige burgemeesterVlug oordeelde, dat dit niet gezond kon zijn. Een soortgelijkoordeel ontmoeten wij thans nog in verscheidene gemeenten.In het algemeen zijn wij geneigd dit oordeel te onderschrijven.Nu is het van bijzonder belang, waartoe dit oordeel voert.Wij kennen burgemeesters, die zich, geplaatst tegenover eennaar hun smaak te grote veelheid van corporaties, geroepengevoelen om geleidelijk aan de gemeentelijke invloed op degang van zaken te vergroten, totdat tenslotte in feite van uit-sluitende gemeentelijke activiteit moet worden gesproken. Uithetgeen wij hiervoor vermeldden, is wel duidelijk geworden,dat wij deze methode als ,,afbraak" van zeer waardevolleelementen beschouwen. Een ,,afbraak", welke een gemeente-bestuur zeker niet siert. De Huizense burgemeester zag eenwellicht moeilijker te bewandelen, maar ongetwijfeld betereweg. Hi) wist de besturen der drie verenigingen te overtuigenvan het belang, ja zelfs van de noodzaak tot samensmelting.Zeker niet in de laatste plaats door het werkelijke gezag vandeze burgemeester besloten de besturen der verenigingen in1940 tot fusie. De ledenvergaderingen bleken bereid de be-sturen te volgen en zo werd zonder een stem tegen de oor-spronkelijke toestand hersteld, waarbij er in de gemeente eenbouwvereniging werkzaam was, t.w. de Woningbouwvereni-ging ..Huizen". Wij geloven te mogen stellen, dat de verderegang van zaken de juistheid van de gevallen beslissing heeftbewezen.Natuurlijk verhinderde de oorlog 1940-1945 grote activiteitnaar buiten. Toch ging het werk van de bouwvereniging door.Men besloot tot de uitvoering van het onderhoudswerk ineigen beheer. Men hield zich bczig met voorbereidende werk-zaamheden voor de na-oorlogse woningbouw; men zocht ge-schikte bouwterreinen. Ook hier deed men de ervaring op, datde gedurende de oorlogsjaren gereedgemaakte plannen nietverwezenlijkt konden worden. Dit doet echter niets af van dewaarde van het werk. dat onder moeilijke omstandigheden isAfb. 8: Het eerste na-oorlogse complex (40 woningen)Bouwtijd 1947-1948.verricht. Hoe hachelijk het voor een bouwvereniging kan zijnwerk te doen verrichten, dat niet in direct verband staat metuitgevoerde plannen, kan blijken uit de omstandigheid, datvoor de kosten van de in de oorlog ter hand genomen voor-bereidingen tot op dit ogenblik nog geen afdoende ,,dekkingis gevonden!De Woningbouwvereniging ,,Huizen" belcefde intussen na deoorlog een stormachtige ontwikkeling. Reeds in 1947 werd metde bouw van een complex begonnen. In steeds sneller tempovolgden daarop nieuwe aanbestedingen en gunningen. Nu, bijde herdenking van het veertig-jarig bestaan der vereniging,kan het bestuur getuigen, dat er sinds 1947 maar liefst 397woningen zijn gereedgekomen, terwijl er al weer nieuwe plan-nen op stapel staan. Het bestuur heeft met succes kans gezienom de veel omvangrijker werkzaamheden op te vangen. Daar-bij getuigt het bestuur met erkentelijkheid van de bijzonderwelwillende medewerking van het gemeentebestuur en vande gelukkige keuze van de ,,leider van de algemene dienst .Direct na de oorlog ging men over tot het aanstellen van eentimmerman-huurincasseerder. Deze employe heeft het in deafgelopen jaren gepresteerd zijn eigen ontwikkeling gelijketred te doen houden met de uitbreiding der werkzaamheden,zowel naar omvang als naar aard. Het is toch wel de moeitewaard te vermelden, dat deze werkkracht kans heeft gezienachtereenvolgens het middenstandsdiploma, het diploma voorbouwkundig opzichter P.B.N.A. en het practijk-diploma voorboekhouden en handelskennis te verwerven. En dat, terwijlhij van dag tot dag betrokken was bij het vele werk, datvoor de bouwvereniging moest worden verricht.In het algemeen mogen wij zeggen, dat het bestuur van deWoningbouwvereniging heeft begrepen, dat met de uitbrei-ding van het woningbezit bepaalde zaken anders moestenworden geregeld. Men heeft de dagelijkse gang van zaken ge-concentreerd op het nieuwe (stijlvol ingerichte) kantoor datnaast de woning van de administrateur-opzichter is gelegen(zie afb. 12). Het bestuur komt heel vaak bijeen om de alge-mene leiding te behartigen.Wat is nu de betekenis van deze bouwvereniging voor degehele gemeente Huizen? Men zou daarover een afzonderlijkartikel kunnen schrijven. Volstaan wij met de opmerking, dathet gemeentebestuur zich oprecht erkentelijk toont voor hetuitstekende werk, dat de bouwvereniging met name ook nade oorlog heeft verricht. Dit gemeentebestuur prijst zich ge-lukkig, dat het met een gerust hart kan bouwen op het initia-tief en de voortvarendheid van het bestuur der vereniging.Het erkent het voordeel voor de gemeente, dat machtig veelwerk door bestuur en apparaat der vereniging wordt ver-richt, hetwelk in vele andere gevallen ten gemeentehuize ver-zorgd moet worden, Daartegenover toont het bestuur dervereniging zijn dankbaarheid voor de onbekrompen wijze,waarop het gemeentebestuur zijn vertrouwen in de goedegang van zaken toont. Hier is met recht sprake van gezondewisselwerking, waarvoor wij reeds bij herhaling hebben ge-pleit: Een gemeentebestuur, dat het verstaat en dat de durfopbrengt om vertrouwen te stellen in een capabele groep bur-gers; een bestuur van een bouwvereniging, dat door het ver-worven vertrouwen in een zekere vrijheid zijn werk kandoen en derhalve terecht het gevoel kan hebben door eigendaadkracht en in eigen souvereiniteit ten behoeve van de ge-meenschap waardevol werk te verrichten.De ganse bevolking van Huizen is trots op haar bouwvereni-ging. Vrijwel alle woningbehoevenden zijn als hd tot debouwvereniging toegetreden, hetgeen tot gevolg heeft, datde kwestie van de woningtoewijzing nagenoeg geen moeihjk-heden oplevert. Ter gelegenheid van het jubileum moet hetbestuur de te houden feestvergadering een aantal avondenrepeteren om alle belangstellenden gelegenheid te geven eraan deel te nemen.Het bestuur van Woningbouwvereniging ,.Huizen" moge hetals een blijk van onze oprechte waardering beschouwen, datwij dit artikel met veel plezier hebben geschreven. Het doetons deugd door middel van het ongezochte voorbeeld, onsdoor deze jubilerende bouwvereniging geboden, te kunnenaantonen, dat het met de bouwverenigingen heus niet ,,dedood in de pot" behoeft te zijn, zoals men tegenwoordig nogaleens belieft te beweren. Wij wensen tenslotte bestuur en le-den van de Bouwvereniging hartelijk geluk met het jubileumen wij verbinden aan deze felicitatie gaarne onze beste wen-sen voor een voortgezette alleszins gunstige ontwikkehngvan het werk der vereniging. W. S.(vervolg van pag. 138)De positie van de woningbouwverenigingenNiet alleen de woningwetbouw, ook de woningbouwverenigin-gen waren onderwerp van discussie. Veel nieuws kwam hierbijniet naar voren; grotendeels werden dezelfde klachten ge-hoord als bij vorige begrotingsdebatten. Het opmerkelijkst wa-ren de opmerkingen van de Heer Lemaire, die stelde, dat hetbelangrijke probleem van het ogenblik is, dat de activiteitenvan de woningbouwverenigingen zo goed als niet gedragen engecontroleerd worden door de leden. Hierdoor is er teveelmachtsconcentratie bij de besturen, die practisch alleen-zeg-genschap hebben over het beleid. Controle, preventief en re-pressief is nodig. Spreker suggereerde tot het instellen vantrustees van de leden, die de controle -- ook op financieel ter-rein -- effcctueren.De Heer Stapelkamp wilde de herziening van de woningwetdienstbaar zien gemaakt aan versterking van de positie vande woningbouwverenigingen, in die zin, dat deze tot nieuwleven worden gebracht. Deze afgevaardigde vroeg ook of hetAfb. 9: Ook duplex-woningen deden in Huizen haar intree (16 wo-ningen)Bouwtijd 1949--1950.Afb. 10: Complex 12 (24 woningen, waarvan 10 duplex)Bouwtijd 1950Ook hier weer keurige verzorging van straat, terreinafscheidingen tiiinen.Afb. 11: Complex 13 (18 woningen, waarvan 2 duplex)Bouwtijd 1951Zelfs een vlaggemast is niet vergeten!Afb. 12: Complex 16 (130 woningen)Bouwtijd 1953Het inspringende gebouwtje is het kantoor van de bouwvereni-ging. Het huis op de voorgrond wordt bewoond door de opzich-ter-administrateur der vereniging. Een voorbeeld van een ge-durfde en onbekrompen oplossing.wel wenselijk is, dat de bouwvercnigingen, met name in degrote steden, uitdijen tot instituten, die duizenden woningenbeheren. De zelfwerkzaamheid der leden zou meer worden ge-prikkeld bij verenigingen van wat bescheiden omvang.De Heer Van Vliet achtte de vraag of het in woningbouwver-enigingen georganiseerde particuliere initiatief nog van grotewaarde geacht kan worden zo belangrijk, dat hij een afwach-tende houding van de Regering betreffende een verdereontwikkeling in dit opzicht niet wenselijk vond.De Minister had in de Memorie van Antwoord al toegezegdterzake diligent te zullen blijven, hetgeen hij overigens ookverwacht van de woningbouwverenigingen zelf. Wellicht ishet afnemen van de zelfwerkzaamheid en zelfstandigheid vande verenigingen voor een deel het gevolg van de bijzonderena-oorlogse toestanden en verhoudingen, aldus de bewinds-man, die overigens verklaarde niet ten voile overtuigd te zijn,dat een terugkeer van meer normale toestanden tot een vol-ledig herstel van de positie der woningbouwverenigingen zaileiden. Dit herstel is immers in de eerste plaats afhankelijk vanhet aantal deskundigen en sociaal belangstellenden, dat gere-cruteerd kan worden uit de bevolkingsgroepen, die bij hetvolkshuisvestingsvraagstuk nauw zijn betrokken.De Minister decide in de Kamer mede, dat al enig contact op-genomen is met de federaties van woningbouwverenigingen endat het probleem in gezamenlijk overleg wordt bestudeerd. Eengreet deel van de toekomst van de woningvoorziening voorminder draagkrachtigen is, volgens de Minister, afhankelijkvan de activiteit en de levenskracht van de woningbouwver-enigingen. Hij hoopt in overleg met de bestaande federatieseen weg te zullen vinden om deze instituten niet te doen zijnadministratiekantoren van de gemeenten, maar reele positiefwerkende organen in het belang van de volkshuisvesting.WoninggrootteNaar aanleiding van de aandacht, die de Heren Van Vliet enTen Hagen hadden geschonken aan de woningdifferentiatie,merkte de Minister op, dat hij hoopte, dat dit onderwerp nietzou uitgroeien tot een cause celebre. Hij beschouwt als eerst-verantwoordelijken voor een behoorlijke differentiatie de par-ticulieren, de woningbouwverenigingen en de gemeenten. Daar-naast heeft de gemeente niet als bouwer, maar als hoedstervan het algemeen belang, de taak richtlijnen te geven voor eenbehoorlijke differentiatie. Wel heeft de Minister een zekereverantwoordelijkheid, zij het niet in eerste instantie, en dieverantwoordelijkheid drukt de bewindsman zwaar. Het aan-tal woningen, dat in de grote steden wordt gebouwd, is ent-stellend groot.Toen met de introductie van het begrip woningdifferentiatiezozeer de nadruk is gelegd op de behoefte, ook aan kleinewoningen, heeft een zeer gevaarlijk element in de volkshuis-vesting zijn intrede gedaan. De fictie, dat de meeste gezinnentenslotte wel zullen komen in passende woningen is een ge-Jieel onjuiste basis, aldus de Minister. De enige redelijke basisvoor differentiatie is de subjectieve behoefte, die men uit cij-feropstellingen tracht te construeren.Als maatregelen om een goede differentiatie te bereiken, noem-de de Minister het uitdrukken van het woningcontingent, zoalsreeds gebeurt, in aantal woningen en niet in m3 en verderehuurverhoging. Ook zou een bepaalde schaal der subsidiebe-Afb. 13; De ,,leider van het team", de Heer K. Westland bezig met eenkennelijk symbolische handeling.dragen gunstig kunnen werken. Voor toezicht op de gemeen-ten, dat zou kunnen worden geeffectueerd door het geven vaneen algemene richtlijn betreffende het maximum-aantal kleinewoningen, dat gebouwd zou mogen worden en het minimumaantal grote woningen, dat zou moeten worden gebouwd, voel-de de Minister niet veel.Tenslotte gaf hij als zijn oordeel, dat door de bouw van letste grote woningen steeds minder ongelukken zijn te vrezen dandoor de bouw van lets te kleine woningen.Financiele steunTwee punten van financiele aard kwamen in het bijzonder aande orde. Der gewoonte getrouw werd van vele kanten ver-145klaard, dat de premie voor de particuliere woningbouw nietvoldoende is om deze bouw aantrckkelijk te maken. De Minis-ter verklaarde in de Memorie van Antwoord aan dit vraag-stuk zijn bijzondere aandacht te zullen schenken, maar hooptedaarbij op suggesties uit de volksvertegenwoordigers. De HeerVan Vliet was de enige afgevaardigde, die daarop meer con-creet inging en gaf in overweging een subsidiestelsel in hetleven te roepen, waarbij een premie wordt toegekend van zo-danige grootte, dat het onrendabele deel der stichtingskostenwordt afgedekt. Bij de berekening van dit onrendabele deelzou dan moeten worden uitgegaan van een theoretische huurvan ongeveer 200% van het huurpeil van 1940 voor een soort-gelijke woning. Boven deze premie zou dan een jaarlijkse bij-drage moeten worden toegekend ter grootte van het verschiltussen die theoretische huren en de huur, die werkelijk in re-kening mag worden gebracht, zijnde die van een soortgelijkenieuwe woningwetwoning. De jaarlijkse bijdrage zou bij huur-verhoging moeten worden verlaagd, op gelijke wijze als ditvoor de woningwetwoningen geschiedt. Een dergelijke rege-ling zou alleen toegepast moeten worden bij de bouw vanvolkswoningen. Deze suggestie leek de Minister aanvankelijkwel aantrekkelijk, maar de uitvoering er van zal zeer veelwerk met zich brengen. Niettemin beloofde hij de suggestie inoverweging te nemen.Een ander punt -- thans door de Heer Van Vliet aangesne-den maar door de Heer Bommer bij de behandeling van deHuurwet al opgeworpen '--, betrof de buitensporige hoge hu-ren van bepaalde categorien van na-oorlogse woningen. Dezehuren liggen op een hoger peil dan 145% van de voor-oorlog-se huren. De Minister achtte het moeilijk hieraan lets te doen.In de eerste plaats is het cijfer 145 maar fictief, omdat veelaleen vergelijking met gelijksoortige voor-oorlogse woningen nietmogelijk is. Tot een algemene verhoging van de bijdragenvoor deze woningen zag de Minister geen aanleiding. Wijzi-ging achteraf van de huren, die door gemeente en Rijk zijnvastgesteld, achtte hij practisch onmogelijk; daardoor zou dehele zaak op losse schroeven worden gezet. Bij de volgendehuurverhoging zal moeten worden gezocht naar een weg omanomalien in de huren voor gelijksoortige objecten zo spoedigmogelijk te liquideren.W. D.Haagse achtergrondenA De Tweede Kamer heeft zich in de afgelopen maandennogal druk moeten bezighouden met vraagstukken van weder-opbouw en volkshuisvesting. Daar was half October de be-handeling van het wetsontwerp op de watersnoodschade, eindOctober de behandeling van de Huurwet en tenslotte, halfNovember de begroting van het Departement van Wederop-bouw en Volkshuisvesting. Een overzicht van de begrotings-behandeling is elders in dit nummer opgenomen.Uit de behandeling van de Huurwet willen wij hier enkelepunten aanstippen. Om te beginnen een principiele uitspraakvan Minister Witte n.l. dat de huurverhoging in essentie nieteen door de Staat opgelegde verhoging is; zij is eigenlijk eenwegneming van een huurbeperking, die met het oog op hetalgemeen belang is ingevoerd. De Minister kon constateren,dat over de noodzaak om te komen tot evenwicht tussen dehuren van oude en nieuwe woningen, nagenoeg overeenstem-ming bestaat. Hij moest er evenwel aan toevoegen, dat er nogheel wat moeilijkheden zullen moeten worden opgelost, voor-dat deze evenwichtstoestand zal zijn bereikt. Deze moeilijk-heden zijn: voortdurend woningtekort, buitensporig hogebouwkosten en de beperkte mogelijkheden tot het verlenenvan compensaties.Een ander punt is dat van een huurbelasting; in het geding146 gebracht door de Heer Bommer. De Minister kan er niet aanontkomen ook een bepaalde visie hierover te geven. Hij be-toogde, dat deze kwestie in feite geen zaak was van woning-politiek, maar een zaak van verdelingspolitiek. Hij wilde ditvraagstuk niet als een principiele kwestie zien en hoopte, datmen er in zal slagen dit probleem bij een verdere huurverho-ging tot een goede oplossing te brengen.De Huurwet is nog verrijkt met een bepaling, die een goedonderhoud moet waarborgen. Deze bepaling schept de moge-lijkheid, dat de huurder of verhuurder zich in een geschil om-trent onderhoud en reparaties tot de kantonrechter wendt.Daarbij kan de kantonrechter verzocht worden een dag te be-palen, waarop de zaak ter terechtzitting zal worden behan-deld. De gerechtelijke procedure is hierbij dezelfde als die bijzaken, betrekking hebbend op een arbeidsovereenkomst.Ten aanzien van de gevallen, waarbij voor arbeiderswonin-gen tengevolge van het samentreffen van een aantal zeer on-gunstige factoren een buitensporig hoge huur verschuldigd is,zegde Minister Witte incidentele herziening van de hurentoe. Het ligt in de bedoeling om deze zeer hoge huren te com-penseren door een bijdrage in die gevallen, waarin in feiteeen hoger percentage voor het geleende kapitaal moet wordenbetaald dan waarmede bij de exploitatie-opzet kan wordengerekend. Als b.v. de rente 4% is, terwijl bij de exploitatie-opzet was uitgegaan van 33/2%' "^^^ ^^^ ^^^ compensatie ge-geven worden van %%; d.i. bij een bouwsom van b.v. 10.000gulden f 75,-- per jaar of / 1,50 per week.Voor woningwetwoningen voor bejaarden zal een extra-bij-drageregeling in het leven worden geroepen. Deze regelingbeoogt een huurtoeslag van f 2,-- per week voor gezinnenvan bejaarden, wier inkomen niet uitgaat boven de normenvan de Noodwet-Drees. Daardoor zullen deze gezinnen aan-zienlijk minder huur behoeven te betalen. De financiele lastenzullen voor de helft ten laste van de gemeente komen; hetRijk draagt de andere helft. Het is niet de bedoeling aan dezeregeling terugwerkende kracht te verlenen.Ook een subsidieregeling ten behoeve van voormalige bewo-ners van krotten zal over niet te lange tijd in werking treden.Een desbetreffende wijziging van het Woningbesluit zal bin-nenkort tot stand komen.Bij de behandeling van zijn begroting heeft de Minister vanWederopbouw en Volkshuisvesting cijfers genoemd over degrootte van de nieuwe woningen in de drie grote steden. Dezecijfers hebben betrekking op woningwetwoningen, waarvoor in1952 de Rijksbijdrage werd toegezegd of waarvoor in dat jaarmachtiging tot gunning werd verleend. Wij drukken ze hieraf:Aantal slaapkamers1 4 meer dan 4AmsterdamRotterdam12.6% 37 39.2% 9.1% 2.1 %c6.9% 67.4% 20 % 5.7% --43.4% 20.6%o 1.6% --Den Haag 34.4%Het beeld van Den Haag blijkt -- met 77.8% een- en twee-slaapkamerwoningen -- wel zeer ongunstig te zijn.Deze cijfers zijn gelukkig niet representatief voor het geheleland; voor de drie-slaapkamerwoningen ligt het landelijk ge-middelde zelfs nogal gunstig.Het blijkt in ons op alle terreinen des levens zo veelvuldigverdeelde landje erg moeilijk altijd weer met alle levensbe-schouwelijk georganiseerde groepen en groepjes rekening tehouden. Nu heeft Minister Witte bij het samenstellen van deWerkgroep, die het probleem van de beoordeling van heteigen-woningbezit moet bestuderen weer vergeten om daarinook een vertegenwoordiger van de Bond van ChristelijkeWoningbouwverenigingen te benoemen. Het was de Heer Sta-pelkamp, die de Minister hierop in de Tweede Kamer atten-deerde. Er zit in heel de commissie geen enkele man van Pro-testants-Christelijke huize, zo klaagde de Heer Stapelkamp;wel van de Nationale Woningraad en van het Katholiek In-stituut. De Minister antwoordde, dat deze omissie onbewustwas begaan, maar onbewust ook al is hersteld, doordat eenlater toegevoegd vertegenwoordiger van het bedrijfsleven toe-vallig een Protestants-Christelijk man blijkt te zijn (!).Mededelingen van de Nationale WoningraadBestuursvergaderingHet bestuur van de Nationale Woningraad vergaderde op1 December 1953. Uiteraard maakten de maatregelen in ver-band met de komende huurverhoging een punt van besprekinguit. De vertegenwoordiger van de Woningraad in de Voor-lopige Raad voor de Volkshuisvesting alsmede de voorzittcren de secretaris van de Woningraad verstrekten mededelin-gen over het ten aanzien van bepaalde vragen ingenomenstandpunt. De Centrale Directie van de Wederopbouw en deVolkshuisvesting heeft gunstig beschikt op een verzoek omde huurverhoging te mogen berekenen met ingang van deeerste voile huurweek in 1954, hetgeen een administratievevereenvoudiging betekent.^)e overbelasting van het secretariaats-bureau maakt hetnoodzakelijk over te gaan tot uitbreiding van het personeel.Het bestuur besloot tot aanstelhng per 1 Januari 1954 vande Heer }. de Jong. Deze nieuwe ,,rechterhand" van de se-cretaris is geen onbekende op het werkterrein van de woning-bouwcorporaties.Hij is reeds ruim 15 jaar een gewaardeerd medewerker op hetkantoor der Algemene Woningbouwvereniging te Amster-dam en vervulde voorts een aantal jaren het secretariaat vande Bouwmaatschappij ter Verkrijging van Eigen Woningenen van de Stichting ,,Onze Woning". Gegeven de noodzake-lijke veelvuldige afwezigheid van de secretaris moet de komstvan de Heer De Jong vooral van betekenis worden geacht inverband met een vlotte gang van zaken op het secretariaats-bureau.Het blijkt, dat de exploitatie-opzet voor nieuwe woningwet-woningen ter berekening van de huurprijs op last van deCentrale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuis-vesting gebaseerd moet zijn op een rentevoet van 4%, ookwanneer de gemeentebesturen ter financiering van de bouwkunnen lenen tegen lagere rente. Dit uit het recente verledengehandhaafde voorschrift leidt uiteraard tot hogere huurprij-zen dan feitelijk noodzakelijk is. Vaststelling van de annui-teiten op basis van de werkelijk te betalen rente moet alles-zins gerechtvaardigd worden geacht, zulks temeer omdat deBijdragenregeling 1948 nog altijd op een rentetype van 3)/^%is gebaseerd. Vrijwel algemeen acht men de huurprijzen voorde nieuwste woningen verhoudingsgewijs aan de hoge kant.Een zo voor de hand liggende mogelijkheid tot beperking vande hoogte der huurprijzen als de berekening van de werkelij-ke rente is, mag naar de mening van het bestuur van de Wo-ningraad niet worden verzuimd. Het bestuur besloot derhalvedeze overwegingen ter kennis van de Minister van Weder-opbouw en Volkshuisvesting te brengen.In de vergadering werd verslag uitgebracht over de voort-gang der werkzaamheden voor de standaardisatie in de wo-ningbouw. Deze werkzaamheden ontwikkelen zich op bevre-digende wijze. Het technisch bureau, waarvan de omvangbinnen beperkte grenzen gehouden dient te worden, is voort-durend overbelast, hetgeen tot spanningen aanleiding geeft.Niettemin is tot dusver het beginsel gehandhaafd, dat deplannen, waarbij de Woningraad is betrokken, op het ogen-blik van aanbesteding volledig zijn uitgewerkt. De vrijwelzonder uitzondering verhoudingsgewijs zeer gunstige aanbe-stedingsuitslagen van de plannen, aan welker voorbereidinghet technisch bureau van de Woningraad heeft medegewerkt,beginnen het doorslaggevende bewijs te leveren voor de stel-ling, dat alleen al door een minutieuze voorbereiding derplannen winst kan worden behaald. Winst voor wat zowelde kwaliteit als de kosten betreft. De ontwikkeling van stan-daarddetails -- los van de directe medewerking aan hetvoorbereiden van bouwplannen -- vindt gestaag voortgang.Er is een werkgroep gevormd, die de door de technischedienst van de Woningraad ontwikkelde standaarddetails cri-tisch zal beoordelen. In deze werkgroep hebben zitting ver-tegenwoordigers van de B.N.A., de Stichting ,,Ratiobouw"en de Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volks-huisvesting, alsmede enkele technici uit de kring der wo-ningbouwcorporaties, aangewezen door de provinciale afde-lingen van de Woningraad.Het bestuur hield zich geruime tijd bezig met een bespre-king van de positie der woningbouwcorporaties en van demaatregelen, welke ter versterking van die positie genomenzouden kunnen worden. Het bestuur acht het, mede in ver-band met de opnieuw hierover in de Tweede Kamer ge-maakte opmerkingen, van grote betekenis dat de Woning-raad zich ernstig beraadt op de problemen, welke met deplaats van de corporaties op het terrein van de volkshuis-vesting samenhangen. Daartoe is besloten tot de vorming vaneen commissie, die het bestuur verslag zal hebben uit te bren-gen van haar bevindingen. Voorzitter van de commissie zalzijn de Heer J. Bommer, terwijl ook het lid van het dagelijksbestuur, de Heer W. F. van Niekerk, er deel van zal uit-maken. Een verzoek om als lid van de commissie op te tredenis verzonden aan de Heren Kupers (voorz. Alg. Woning-bouwver. te Amsterdam), Pellicaan (voorz. WoningstichtingPatrimonium te Amsterdam). C. Bare! (secretaris ,,Volks-huisvesting" te Delft), Nooter (secretaris ,,Beter Wonen" teZwolle), Van der Wacht (voorzitter Woningvereniging Nij-megen), Keesen (administrateur van ,,Rochdale" te Alk-maar) en Reddingius (burgemeester van Hoogkerk). Als se-cretaris van de commissie zal optreden de secretaris van deWoningraad. De commissie zal in het bijzonder aandachtwijden aan de mogelijkheden tot het vormen van ,,kader"voor de woningbouwcorporaties en tot het stimuleren van debelangstelling van de burgerij voor het werk der corporaties.Verder kwam nog een aantal huishoudelijke zaken ter sprake,waarover wellicht in een wat later stadium publiciteit kanvolgen. W. o.HuurverhogingDoordat dit nummer van ons maandblad te laat ver-schijnt, hebben wij gelegenheid nog juist de voor-schriften inzake de verhoging van de huurprijzen derwoningwetwoningen te publiceren (een geluk bij eenongeluk derhalve). Vooraf geven wij de tekst vande circulaire van de Nationale Woningraad, daarnavolgt de inhoud van het rondschrijven van de Minis-ter aan de gemeentebesturen.Circulaire van de Nationale Woningraad dd. 8 December1953 aan zijn leden:Hierbij zenden wij U afschriften van de ministeriele circu-laire nopens de maatregelen in verband met de aanstaandealgemene huurverhoging en van de bij die circulaire beho-rende formulier-modellen. Dank zij de vriendelijke medewer-king van de Centrale Directie van de Wederopbouw en deVolkshuisvesting zijn wij in staat U deze gegevens te ver-schaffen op vrijwel hetzelfde moment als waarop de gemeen-tebesturen de circulaire van het Departement ontvangen.Uiteraard kunnen wij op de inhoud van de circuliare nog 147geen commentaar leveren. Een enkel woord van nadere aan-wijzing is echter wellicht op zijn plaats.De circulaire zelf geeft alleen in grote trekken inlichtingenover de verhoging van de huurprijzen voor onderscheidenecategorieen van woningen. De wijze van berekening van deverhoging meet men voornamelijk leren uit de bewerking vande formulieren H.A. en H.B. Als men een complex woningenop het daarvoor bestemde formulier ,,uitzet", dan zal men be-merken, dat men ,,als vanzelf" de nieuwe huurprijzen voorde woningen van het complex heeft berekend. Een naderetoehchting op de wijze van berekening lijkt ons derhalveoverbodig.Zoals te verwachten viel, levert de berekening van de huur-verhoging voor de ,,voor-oorlogse" woningen geen moeihjk-heden op in die zin, dat bezwaarhjk te aanvaarden resultatenworden bereikt. De bewoners van deze huizen weten reedslang, dat zij verphcht zijn de per gemeente-klasse vastgesteldeverhoging van de huurprijs te aanvaarden. Nagenoeg allehuurders ontvangen daarvoor trouwens een toereikendecompensatie.Welhcht zullen de resultaten van de berekening der huur-verhoging voor de desbetreffende categorie van na-oorlogsewoningen hier en daar wel tot problemen aanleiding geven.Het gaat hier om de woningen, waarop de Bijdragenregehng1948 van toepassing is. Genoemde regehng is per I Augus-tus 1950 vervangen door de Bijdragenregehng 1950. Voor detoepassing van de regeling-1948 gold als uiterste termijn,waarop met de bouw van de woningen een aanvang moestzijn gemaakt, de Iste September 1950. Zeer grof gemetenzou men dus kunnen stellen, dat de woningwetwoningen, ge-reedgekomen tot midden 1951, gebouwd kunnen zijn op basisvan de Bijdragenregehng 1948 en dus voor huurverhoging inaanmerking zouden kunnen komen.De ministeriele circulaire maakt duidelijk, dat de woningenwaarvoor steun wordt verleend op voet van de Beschikkin-gen Verminderde Bijdragen (de z.g. goedkope'woningbouw;in werking getreden op resp. 1 Februari 1950 en 1 Augustus1950) of op grond van de Beschikking Bijdragen Woning-wetbouw 1950 (van kracht geworden op 1 Augustus 1950)niet aan de huurverhoging zullen zijn onderworpen. Voorcomplexen, waarop een der in deze ahnea genoemde rege-hngen van toepassing is, behoeven dus geen berekeningente worden gemaakt en ^een formulieren te worden ingevuld.Men zal, om zekerheid aangaande de nodige maatregelen tehebben, geval voor geval moeten vaststellen welke bijdragen-regehng op de complexen van toepassing is.Het is denkbaar, dat er voor na-oorlogse woningen door ver-hoging met de in de circulaire genoemde percentages huur-prijzen uit de bus komen, die verhoudingsgewijs niet redelijkzijn te achten. In zodanige gevallen kan het gemeentebestuurde Minister vragen een lager verhogingspercentage vast testellen voor de onderwerpelijke woningen. De Minister be-slist op een dergelijk verzoek eventueel bij afzonderlijke be-schikking. Blijkens de inhoud van de circulaire houdt men erten Departemente rekening mee, dat misschien niet al dezeverzoeken tijdig voor 1 Januari 1954 kunnen worden afge-handeld. Heeft men een dergelijk verzoek ingediend endaarop niet tijdig een beshssing ontvangen, dan dient menaan de huurders de voile verhoging in rekening te brengen.Volgt achteraf een beschikking, waarbij een geringer verho-ging wordt bepaald, dan kan eventueel de te veel betaaldehuur worden gerestitueerd. (Over restitutie rept de circulaireniet, maar wij nemen aan, dat die in gevallen als hierbovenbedoeld, verleend zal kunnen worden).Wellicht ten overvloede zij opgemerkt, dat de ingevulde for-muheren H.A. en H.B. door de gemeentebesturen moetenworden ingediend. In de regel zal ook eventuele correspon-dentie met het Departement over de huurverhoging door hetgemeentebestuur worden gevoerd. Het ligt overigens voorde hand, dat besturen van woningbouwcorporaties en ge-IT'O meentebesturen over een en ander overleg zullen plegen.In de beperkte tijd, die ons ter beschikking stond, warenwij niet bij machte, om de model-formulieren op een (groot)vel af te drukken. Wij hebben ons derhalve beholpen doorbeide helften van ieder formulier af te drukken op twee nor-male kwarto-vellen. Het is voor U uiteraard zeer eenvoudigom van de helften met een plak-strookje een formulier temaken.Het verheugt ons nog te mogen opmerken, dat de CentraleDirectie gunstig heeft beschikt op een door ons ingediendverzoek om de huurverhoging te mogen berekenen met in-gang van de eerste voile huurweek in 1954. Dit voorkomtveel administratieve beslommeringen.Gaarne zijn wij, voor zoveel mogelijk, bereid om U ook ver-der van advies te dienen.NATIONALE WONINGRAADCirculaire van het Ministerie van de Wederopbouw enVolkshuisvesting dd. 5 December 1953 aan de gemeente-besturen;InleidingZoals U bekend zal zijn, is bij de Staten-Generaal een wets-ontwerp aanhangig, strekkende tot het invoeren van eenalgemene huurverhoging per 1 Januari 1954. Hoewel de par-lementaire behandeling van het desbetreffende ontwerp totwijziging van de Huurwet nog niet is beeindigd, acht ik hetwenselijk, dat thans reeds wordt begonnen met de voorbe-reidende werkzaamheden voor de huurverhoging van de hier-na te noemen woningen, die met steun uit 's Rijks kas zijntot stand gekomen:a. de Woninpwetwoningen, voor zover een financiele bandmet het Rijk bestaat;b. de noodwoningen, waarvoor steun is verleend op voet vande Woningnoodwet van 1918 en van het K.B. van 28Juni 1947, nr 24;c. de woningen, waarvoor financiele faciliteiten zijn verleendop qrond of naar analogie van de Hypotheekregelingen1940 en 1941.Aangezien een verhoging van de huurprijzen een wijzigingvan de bijdragen uit 's Rijks kas met zich zal brengen, moetenenige administratieve maatregelen worden getroffen. Hier-mede is uiteraard tijd gemoeid, zodat het niet verantwoord ismet de voorbereiding nog langer te wachten.Ik stel U in het hierna volgende in kennis met de richtlijnen,die voor de huurverhoging van de onderscheidene categorieenwoningen zullen gelden.Bij het opstellen van deze richtlijnen ben ik er van uitgegaan,dat de huurverhoging per 1 Januari a.s. zal worden ingevoerd,en heb ik mj gebaseerd op de tekst van het aanhangige tvets-ontwerp, zoals deze thans luidt.De huurverhoging, zoals de Regering zich deze voorstelt, zalniet voor elke gemeente gelijk zijn. In het nieuwe artikel 3avan de Huurwet worden verschillende percentages genoemd,die zullen gelden voor de in bepaalde klassen in te delenaemeenten of gedeelten van gemeenten.De gemeenteklassen-indelinq, die uit dezen hoofde tot standmoet komen, zal door mij bij een in de Nederlandse Staats-courant bekend te maken beschikking worden vastgesteld. Hetligt in mijn voornemen deze gemeenteklassen-indeling gelijkte doen zijn aan die, vastgesteld voor de toepassing van deNoodwet Ouderdomsvoorziening.De huurprijzen van een gedeelte van de aanwezige voorraadWoningwetwoningen -- te weten: die van voor Mei 1945 --zullen behoudens enige nader te noemen uitzonderingen vanondergeschikt belang aan de hand van de gemeenteklassen-indeling automatisch kunnen worden verhoogd. Ten aanzienvan de na Mei 1945 gebouwde woningen zijn echter meergedetailleerde maatregelen nodig, daar bij deze woningenanaDubbelhardgebakken uloertegelsDe Tegelvloer voor elk doel!Woningen, Hats, scholen, openbare gebouwen,stations, ziekenliuizen, levensmiddelenmdustrieen,lNCt?i-\RVH^>.0^^^'_^V>M*'sx^?o a6
Reacties