Ste-r'\-^j>y;r-^ ^;;'>'.:-y^y:jrs iOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuis-vesting en Stedebouw en van de Nationale Woningraad,waarin opgenomen de mededelingen van de Rijksdienskvoor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan deWederopbouwDecember 1953 34e Jaargang no. 12construeerdendeBisonBak'wagenV 3or de bouwbedrijven.ueze wagen heeft eenplaatstalen bak van 100liter en is gemonteerdop kogellagerwiel 16 X4", voorz. van luchtbandPrijs / 99,50 af fabr. Met yzeren wiel / 65,--W. G. SCHOONDERWALDT -- HONSELERSDIJKDijkstraat 41 -- Telefoon 4551AannemersbedrijfJ. SPANJERSBERGAmbachtsweg 23 -- Wateringen (Z.H.)....,de dakbedekking teverzorgen doorN.V. VERIVONSchansweg 67, RotterdamTelefoon 82740Abraham van Stolk & Zoonen n.v.ROTTERDAMPOSTBUS 1100TELEF. No. 35400HOUTHANDELSTALEISRAMENDEURENFRONTENZANDSTRALEN is een eerste vereisteMETALLISEREN brengt Uw onderhoudskostenreke-ning omlaagCONSTRUCTIEBEDRIJF en MACHINEFABRIEKALIA JN? ? Binckhorstlaan 301 -- DEN HAAG4 nieuweproducten:? Preparaat voor het reinigen vangevels, natuursteen, enz.? Product ter vergroting der plastici-teit van mortels en voorkoming vanontmenging.? Bekistingsvloeistof voor sierbeton,(bindingsrem.).? Isoleerstof tegen verfverzeping,roet- en lekkage-vlekken.I A kir* 9 r Chemisch-Technische Bouwstoffen In-LAMV3 6t V.0. dustrie - Nieuwe Keizersgracht 41-43AMSTERDAM - Telefoon 54103.W.vandeKampDEN HAAGRegentesselaan 187Telef. 399208AUes op het gebied vanMEETOEREEDSCHAPPENo.a. Waterpasinstrumenten, jalons, prisma's enz.Ook voor reparatie.Alphote:x:DE MODEBNE MUURVERFvoor Binnen- en Buitenwerk.ALPHATEX is: Wasbaar.Regen- en weervast.Onverzeepbaar.Zuurbestendig.Onovertrefbaar.Zeer gunstig beoordeeld door T.N.O. te Delft.Vraagt techn. inlichtingen, Kleurenadvies en folder aan:VERFFABRIEK ,,ALPHA"ALPHEN A./D. RUN -- TELEFOON 2192 - K 1720VOOR KLEURIGE EN GENUANCEERDEHandvormsteenin vecht-, rijn- of lilliputformaat:Fa. Wed. Van Leeuwen & BoerSteenfabriek - Koudekerk aan de Rijn - Telefoon K 1714-2061 1/^HTDRUKKENHET ADRESA. DE JONGNE REPRODUCTIE-INRICHTINGESTR. 15 TEL. 22717 - GRONINGENSINDS 1904 '^LieC. .MODERFOLKINGVoor GLASN.v. DORDTSCHE GLASHANDELKuipershaven 28-29-30 DORDRECHT Telefoon 7245Het adres voor SPECIALE BEGLAZINGSMATERIALEN.Tijdschrift voorVolkshuisvesting enDecember 195334e Jaargang - No. 12MaandbladStedebouwOr^aan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen, waarin opgenomen de mede-deiingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de WederopbouwRedactie: Mr H. W. Bloemers, J. Bommer, Ir H. M. Buskens, Jhr M. J. I. de Jonge van EUemeet, B. Merkelbach,Ir L. S. P. Scheffer, Drs H. van der WeijdeAdres voor Redactie en Abonnementen: Lange Voorhout 19, s Gravenhage, Telefoon 184225Advertenties! Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Teltfoon 49128 ('s avonds: Haarlem, Orion-weg 119, Telefoon K 2500 25560)Officiele mededelingenNederlands InstituutLezingen Araerikaanse reisindrukkenDe enige tijd geleden aangekondigde lezingen van de HerenIr F. Ottevangers en Ir H. M. Buskens over hun Amerikaansereisindrukken resp. op -het gebied van de volkshuisvesting ende stedebouw zuDen plaats vinden op Donderdag 28 Januaria.s. in de namiddag.Bizonderheden omtrent aanvangsuur en plaats zullen de ledenper convocatie worden medegedeeld.Rijksdienst voor het Nationale PlanBesluit van de Minister van Wederopbouw enVollkshuisvestingOp grond van artikel 29, derde lid, van de wet van 28 Sep-tember 1950, houdende voorlopige regeling inzake het Na-tionale! Plan en streekplannen, heeft de Minister van Weder-opbouw en Volkshuisvesting het volgende bezwaar gemaakt:d.d. 1^ November 1953, no 75, betreffende de voorgenomenbouw van een bungalow in de gemeente Wassenaar. Hierte-gen is bezwaar gemaakt wegens strijd met het in vergevor-derde staat van voorbereiding verkerende ontwerp-streek-plan ,,Westland" voor een termijn eindigend op 1 Mei 1954.Bij het naderend afscheid van de oude Woningwet'^door Jhr M. J. I. de Jonge van EllemeetBij de herdenking van de Woningwet, daarvoor en daarna,zijn tal van artikelen verschenen, waarvan die voor onzevolksgemeenschap zo belangrijke wet het onderwerp vorm-de. Soms ging het daarbij om de huidige inhoud of strekkingvan de wet of over de wijze, waarop die wet heden ten dagewordt uitgevoerd. Andere geschriften bespraken de geschie-denis van de wet of wat in de loop van een halve eeuw on-der haar werking tot stand is gebracht. Men zou deze laatstegroep kunnen samenvatten onder de rubriek van ,,een blik') Dit artikel beantwoordt in hoofdzaak aan de slotbeschouwing van schr.op de aan de herdenking van de Woningwet gewijde vergadering van hetInstituut van 10 October 1953.terug". Dat is natuurlijk ook essentieel voor een herdenking.Het is mijn grote waardering voor het werk, dat onze voor-gangers van een halve eeuw geleden tot stand brachten, eenwerk, waaraan ik nu ruim 30 jaar lang bewust heb mogenmedearbeiden, die mij brachi tot een poging, om in tegen-overgestelde lijn te zien, dus, beginnende bij 1902, de indruk-ken in beeld te brengen, die de uitvoering van de Woningwet,zoals die heden ten dage plaats vindt, zouden hebben kunnenoproepen bij Goeman Borgesius en de zijnen. Indrukken, diezij dan ongetwijfeld zouden plaatsen tegen de achtergrondvan de doelstelling, waarmede zij de Woningwet in het levenriepen. Ik zal mij daarbij beperken tot enkele grepen uit hetomvangrijke onderwerp en ik ben mij bewust dat niet alleende keus daarvan maar ook de visie daarop onmogelijk vrijvan enige subjectiviteit kan blijven. Maar aan de andere kantheeft deze beschouwing het aantrekkelijke, dat zij het moge-lijk maakt, zelfs vanzelf er toe drijft, de gezichtslijn van 1902niet bij 1952 te laten eindigen, maar die nog iets verder doorte trekken in de formulering van enige desiderata ten aan-zien van de ontwikkeling in de toekomst.Nu moet men zich vooreerst duidelijk indenken dat onzevoorgangers van 1902 uitdrukkelijk niet anders op het ooghebben gehad dan de verbetering van de volkshuisvesting.Dat blijkt al dadelijk uit de considerans van de wet, die ineen latere periode ook wel eens ten onrechte op de voor-grond werd gebracht: bepalingen betreffende de volkshuis-vesting.Dat begint in de wet van 1901 met bouwvoorschriften voorwoningen. Slechts op een enkele plaats oppert die wet demogelijkheid dat een gemeente zelf wel eens bouwvoor-schriften voor andere gebouwen zou kunnen maken en ookdit was allerminst een onvoorzichage sprong buiten het on-derwerp, want in verscheidene gemeenten waren die voor-schriften al in feite aanwezig en dit is dan ook het enige,waardoor de grens van de zuivere volkshuisvesting werdoverschreden. Dan volgen de aangifte omtrent het aantalwoningen, een voorzichtige en toch volkomen mislukte po-ging op het doornige pad der woningstaastiek, het woning-onderzoek, de verbetering, de onbewoonbaarverklaring.Dan komt men aan de onteigening en als men het toenmaligeartikel 26 wat oppervlakkig leest, zou men kunnen vermoe-den dat de wetgever hier een maatregel bedoelde vast testellen, verder strekkende dan de zuivere volkshuisvesting,immers daar wordt gesproken van onteigening ter uitvoe-ring van een uitbreidingsplan. Ten onrechte, want ook datuitbreidingsplan houdt niets anders in dan volkshuivesting.Het is een plan van straten, grachten en pleinen, dus van dieelementen, die nodig zijn om de woning behoorlijk toegan-kelijk te maken en de naaste omgeving dragelijk te doen zijn.Men keert zich tegen de inpandige hofjes en tegen de slop- 161Artikelci162pen en stegen, de twee grote schrikbeelden voor de bestrij-ders der krotten. Van bewuste stedebouw, ook in de meestbeperkte zin van dat woord, is in 1901 nog geen sprake. Endat bouwverbod, dat in de laatste tijd wel eens door sommi-gen als een belangrijke stedebouwkundige maatregel naarvoren wordt geschoven, is niet anders dan de sanctie -- endan ook de enige sanctie -- op dat bewuste plan van stra-ten, grachten en pleinen en dus ook een zuivere volkshuis-vestingmaatregel.Daarop volgen dan in de wet de financiele paragrafen, waar-bij de mannen van 1901 zich vrij wat hadden voorgesteldvan de hulp bij de financiering van woningverbeteringen,waarvan in de practijk heel weinig terecht kwam. Woning-productie van grotere omvang met overheidsgeld heeft menniet op het oog gehad. Men zag die woningbouw op kleineschaal toegepast als voorbeeld, in de verwachting dat departiculiere bouw de betere typen van de woningbouw zougaan navolgen. En dan verder nieuwe woningbouw in plaatsvan te ontruimen krotten. Dan wordt het begrijpelijk datPierson de veronderstelling uitsprak dat de investering aanvoorschotten wel niet hoger zou komen dan tot een roulerendkapitaal van ongeveer honderd millioen.Geheel begrijpelijk is toch niet dat men de verstrekking vanoverheidsgeld voor eigenlijke woningproductie bewust ofonbewust uitschakelde, want men wist toch heel goed dater een woningtekort was. De volkstelling van 1899 had mennet achter de rug en die had een sprekend beeld gegeven.Er waren bv. ruim 300.000 eenkamerwoningen, 28% van hettotaal en 24% van de bevolking leefde daarin. Men mag nietaannemen dat die 24% dat alien uit vrije keus deden, dus,al heeft die telling geen directe cijfers voor het woningtekortopgeleverd, dat er een groot tekort was, moet toch voor iederevident zijn geweest. Zou men werkelijk gedacht hebben datdit tekort nu eenmaal aangetoond zijnde, ook door de wer-king van de vrije krachten in de woningmarkt zou verdwij-nen? Vermoedelijk wel, want het valt onmogelijk aan te nemendat men aan die resultaten van tellingen voorbij zou hebbengezien. Te minder mag dat worden verondersteld omdat dewoninghervormers uit die tijd zich juist sterk interesseerdenvoor de overbevolking. Ook daarop had de woningtellingvan 1899 een scherp licht laten vallen. Faber verwerkte en-kele jaren later die uitkomsten in zijn bekende brochure,,Sprekende cijfers". Het resultaat was niet mals: ,,conven-tioneel overbevolkt" zegt Faber (en voor hem is een eenka-merwoning pas conventioneel overbevolkt als er tenminste5 personen in wonen!) is ruim 16% van de woningen in Ne-derland en daarin woont niet minder dan 27% van de bevol-king. Dus een groot woningtekort, maar toch geen grote pro-ductie met overheidsgeld ter opheffing van dat tekort.De bewoningstoestand is voor de wetgever van 1901 een be-langrijk punt geweest; ook op dit terrein werd de gemeentetot optreden verplicht.Opvallend weinig aandacht werd geschonken aan het voorons vandaag zo klemmende vraagstuk van de huur. Blijkbaarging men uit van de veronderstelling dat ook de arbeider vanzijn inkomen dat bedrag zou kunnen afzonderen voor de huur,dat nodig was om de exploitatiekosten van wat men een rede-lijke woning achtte te dekken. Er waren uitzonderingcn. Zob.v. wanneer het ging om de huisvesting van verdreven krot-bewoners en ook in streken met bizonder lage woonstan-daard, maar in zulke gevallen dacht men toch alleen aan af-lopende bijdragen, die overbodig zouden worden naarmate debewuste huurder mede door zijn betere huisvesting op eenhoger sociaal peil zou zijn gekomen. Bijdragen dus met socialeopvoeding als doel.Als de woninghervormer van 1901 nu eens rond kon zien inhet volkshuisvestingwerk van vandaag zou hij ongetwijfelddadelijk verstomd staan van de enorme woningproductie ennog wel overwegend met geld van de overheid. Misschiennog meer door het feit, dat niet meer overal aandrang moetworden uitgeoefend om toch maar wat aan woningbouw tegaan doen, maar dat daarentegen bouwvolume per gemeentewordt gedistribueerd en dat de meeste gemeenten het hun toe-gewezen contingent te klein achten. Afgezien van onvol-maaktheden in deze werkmethode mag zeker erkend wordendat deze straffe ordening van de woningproductie onvermij-delijk is, wanneer men zich tot taak stelt, in een afzienbareperiode te voorzien in een tekort van de tegenwoordige om-vang; men herinnert zich nog wel de ongeordende bouw in de30er jaren met zijn bedenkelijke gevolgen. Mogelijk werd dezeordening door geleidelijke uitbouw van de woningstatistiek,berustend op en gecontroleerd door woningtellingen op ver-schillende tijdstippen.Verrast zou de oude woninghervormer zijn door de verbete-ring van het woningtype. Ten dele onder de werking van debouwverordening, die het onvoldoende afweerde, althans datbehoorde te doen. Veel belangrijker was in dat opzicht datarchitecten belangstelling voor de woningbouw gingen beto-nen. Van der Pek, Berlage en De Bazel voorop. De drangnaar verbetering verflauwt later wel, in de 20er jaren, maareen jongere architectengeneratie werpt zich voor en in detweede wereldoorlog op de studie van het woningvraagstuken met succes. Kan men dat ook nu nog zeggen? Dreigen wijniet weer in een periode van stilstand te komen als na de eer-ste oorlog? Is er nog een ontwikkeling in het woningtype an-ders dan technisch-economisch in het belang van de gang derproductie? Is er niet een verschuiving in de belangstelling vanhet type naar het aantal?De verwachting van de oude woninghervormers dat het typevan de particuliere bouw zich naar dat van de gemeenten enbouwverenigingen zou gaan voegen, is in het algemeen welbevestigd. Ook het omgekeerde kwam wel eens voor, maartoch als uitzondering. De stimulering werkte ook niet altijdeven snel. De mannen van 1901, die zoveel waarde hechttenaan het direct contact van het vertrek met de buitenlucht, heb-ben zeker nooit gedacht dat er te Rotterdam nog in de 30erjaren duizenden alcoofwoningen zouden worden gebouwd.Maar ook dat is verleden.De bouwverordeningen zijn tot stand gekomen, zij het metheel wat meer moeite dan men zich indertijd voorstelde enhet heeft niet voldoende mogen gelukken ze aangepast tehouden aan de evoluerende behoeften van de tijd. Dat de ge-meentebesturen die voorschriften goed zouden kunnen uit-voeren, nam men zonder meer aan, maar hierin is men welzeer teleurgesteld. Nog vandaag heeft men niet overal voordie uitvoering een behoorlijk apparaat, ofschoon er zeer veelis verbeterd.De woningverbetering en de onbewoonbaarverklaring, mis-schien wel de terreinen waarop Goeman Borgesius e.a. degrootste activiteit wensten en verwachtten, hebben zeker nietdie resultaten opgeleverd, die men zich had voorgesteld. Metname in de grotere steden is hieraan nog vrij veel ,,kleinwerk", als ik het zo noemen mag, gedaan. Grote saneringenbleven echter uitzonderingen; de meest volledige is wel dievan Scheveningen geweest, maar daarover heeft men dan ook25 jaar gedaan. De prachtige kansen, die men kreeg bij hetlage bouwkostenpeil van de 30er jaren, bleven practisch onge-bruikt.De woninghuur bracht heel wat meer problemen mede danmen in 1901 kon verwachten. Elk der beide wereldoorlogennoodzaakte tot een huurstop en de laatste stop is nog maareen bescheiden eindje los gedraaid. De stijging eerst van derentevoet, daarna van de bouwkosten noopte al in de eersteoorlog tot de verlening van bijdragen in het exploitatietekort,ook voor volkomen normale woningwetbouw, wat Pierson zichzeker nooit heeft voorgesteld. Zodra de bouwkosten gingendalen, probeerde men de marge tussen huur en exploitatiekos-ten geleidelijk te verkleinen, wat ten slotte ook wel gelukte.Maar het verband tussen deze beide elementen was dan ooknooit geheel uit het oog verloren. Bovendien wijzigde zichlangzamerhand, met name in de grote gemeenten, de verhou-ding tussen huur en inkomen, zodat een huur van 20% vanhet gezinsinkomen daar vrij algemeen werd aanvaard: menIcon vaststellen dat de grotestadshuisvesting aanzienlijk wasverbeterd en dat de bevolking bereid bleek de hogere huurdaarvoor te betalen.Na de bevrijding liep de zaak heel anders. Ditmaal onder-vond de huur niet de directe invloed van de stijging van debouwkosten, want het huurpeil werd van stonde aan eenhoofdelement in de geleide loon- en prijspolitiek. Overwegin-gen van volkshuisvesting speelden eigenlijk verder weinig rol,maar de volkshuisvesting ondervindt daarvan wel de gevol-gen. Het deel van het inkomen dat voor huur wordt besteed,is aanzienlijk kleiner geworden en jaren lang is nu onze bevol-king daaraan gewend. Een soortgelijke oorzaak viel voor deoorlog al aan te wijzen voor de achterstand van de platte-landshuisvesting vergeleken met die in de steden; nu dreigtdeze kwaal voor ons hele woningbezit chronisch te worden.Nog een punt. De vroegere woninghervormers hebben zicliernstig verdiept in de bewoningstoestanden. Elke gemeentemoest daarover voorschriften vaststellen, maar die zijn in hetalgemeen dode letters gebleven. Wel stelden veel gemeentenen grote bouwverenigingen in hun woningbezit een eigen be-woningstoezicht in, waarmede grote resultaten zijn bereikt,vooral naarmate men zich van het overigens zo lofwaardigevoorbeeld van Octavia Hill naar andere methoden ging om-schakelen. Ook dit werk gaat ongetwijfeld voort, maar menhoort er nu zo weinig van. Is dat een veeg teken?Ook de strijd tegen de overbevolking, die een halve eeuwgeleden op de voorgrond stond, is in het zand gelopen. Waar-lijk niet omdat er geen overbevolking bestond, maar doordatmen destijds blijkbaar niet duidelijk heeft ingezien dat diestrijd alleen bij een overigens normale woningmarkt tot resul-taten kan leiden. Helaas moet worden erkend dat toen zichin de 30er jaren die omstandigheid voordeed, men hier telande niet het voorbeeld van Enqeland heeft gevolgd, waarmen toen op grote schaal dit euvel heeft bestreden en werke-lijk niet zonder succes.Verrassend zou het voor de mannen van 1901 ongetwijfeldzijn, waar te nemen hoezeer de Woningwet in 50 jaar buitenhaar oorspronkelijk kader is uitqegroeid en -- ik mag weldaaraan toevoegen -- vermoedelijk in strijd met hun bedoelin-gen. Op zichzelf behoeft het laatste natuurlijk niet vcrwer-pelijk te worden genoemd; veeleer strekt het aan die vroegeregeneratie tot eer, een regeling tot stand te hebben gebracht,die een zodanige aanpassing aan volkomen gewijzigde be-hoeftdn nog vrij redelijk kon verdragen, al is de grens daar-van nu wel bereikt, ja, overschreden.Waarop ik doel, is dat de Woningwet als maatregel ter ver-betering van de volkshuisvesting is opgezet en de kern daar-van nog aan dit doel beantwoordt, maar dat zich sedert langeen ontwikkeling in twee richtinqen heeft ingezet, waarbijniet meer de woningzorg de grondslag vormt.Dit geldt in de eerste plaats van de bouwvoorschriften. On-der wat er gebouwd en verbouwd wordt, vormen de wonin-qen de talrijkste objecten, maar er zijn er nog veel andere.Voor al die bouwobjecten zijn voorschriften nodig, die vooreen groot deel dezelfde kunnen zijn. onverschillig of het gaatom woningen of om andere zaken. Daarnaast stellen de wo-ningen noq bizondere eisen voor bouw en gebruik. Men kanhet zo uitdrukken dat de woning een facet is van het meeralqemene begrip gebouw. Het is dan wel logisch dat er voor-schriften zijn, die voor alle gebouwen moeten worden nage-leefd, woning of niet, en dat dan de Woningwet daaraan al-leen toevoegt, wat uit haar gezichtshoek, uit volkshuisvesting-oogpunt, geacht wordt aan de regeling te ontbreken. Deze ge-dachte is in de voorstellen van de Staatscommissie-Frederiksen -van den Bergh niet tot uiting gekomen. Het denkbeeld,dat neerkomt op een afzonderlijke bouwwet en door Ir Val-derpoort naar voren werd gebracht, verdient mijns inziensmeer aandacht dan daaraan tot nu toe werd geschonken.Nadat de bouwverordeningen -- met grote moeite -- tot standwaren gekomen, is er geleidelijk aan verbetering daarvan ge-werkt, verfijning zou men dat kunnen noemen, waarbij deAmsterdamse verordening van Tellegen bovenaan kwam te Artikei??staan. Dat lag geheel in de geest van 1901. Maar later kwamdaarop een reactie. De bouwverordening was, zo vond men,te veel een bouwhandboek geworden, dat aan de ene kant deontwikkeling van de techniek niet kon bijhouden en aan deandere kant de stroohalm werd voor de ondeskundige bou-wer. In de nieuwe verordeningen van onze grote steden uitde 30er jaren ontdekt men dan ook een poging tot vagere om-schrijving, waarbij wel de eis, maar niet de opiossing gege-ven wordt. Deze nieuwe tendentie werkt intussen nog langniet algemeen door.In hoever normalisatie van die voorschriften mogelijk en wen-selijk is, vormt nu een punt van meningsverschil. Voor dewoningwetgever zou die normalisatie volslagen verwerpelijkzijn geweest, ook niet helemaal terecht.Een veel sterker sprekend uitbouwsel aan onze volkshuis-vestingwet wordt gevormd door de stedebouwkundige rege-lingen. De Woningwet van 1901 kende het uitbreidingsplanals een plan van straten, grachten en pleinen, dus van die ele-menten, die nodig zijn om de woning behoorlijk toegankelijkte maken en de naaste omgeving dragelijk te doen zijn. Maartoen in 1921 het uitbreidingsplan een plan werd van bestem-mingen in eindeloze variatie, toen werd ook in dit opzicht devolkshuisvesting een facet, een hoogst belangrijk facet welis-waar, dat zijn eigen eisen bleef stellen, maar toch een facetnaast vele andere, die voor andere behoeften om voorzieningvroegen.Laat ik het aldus samenvatten: de stedebouw (ik blijf nogsteeds gaarne vasthouden aan dat woord) is gegroeid tot eenordening van de bestemming en het gebruik van de bodem,waarbij het aankomt op de coordinatie van alle daarbij be-trokken belangen, zeker ook dat van de volkshuisvesting, toteen harmonisch geheel, waarbij aan geen enkele van die be-langen a priori enige voorkeur toekomt.Vervolgens ging die stedebouw in zijn visie de grenzen dergemeenten overschrijden. Voor deze ontwikkeling was zelfsde elasticiteit van de Woningwet onvoldoende. De Staats-commissie-Van den Bergh heeft terecht ingezien -- en dat integenstelling tot haar voorgangster -- dat deze materie nietbinnen het kader van de Woningwet kan worden gehand-haafd. En zij heeft daarvan de voile consequentie getrokken:de gehele stedebouw moet uit de Woningwet worden gelicht.Want ook zelfs het oorspronkelijke plan van straten, grach-ten en pleinen, dat men in en na 1901 als een zuivere volks-huisvestingmaatregel zag, wordt, naar men terecht voelde, nietalleen door het woningbelang, maar ook door allerlei andereinteressen beheerst. De straat is er niet alleen om de woningtoegankelijk te maken en het woonslop te weren; de straatheeft nog vele andere functies.Ik heb nu getracht voor U te schetsen, en dat naar mijn be-scheiden voorstelling, hoe zij, die de Woningwet tot standbrachten, getroffen zouden worden door de wijze, waarop diewet na 50 jaren wordt uitgevoerd. Men zal van mij nietverwachten dat ik ook een beeld zal kunnen geven van watmen na verdere 50 jaren mogelijk zou kunnen aanschouwen.Toch meen ik, zoals ik reeds zei, dat juist de terugblik ons letsmeer houvast kan verlenen bij het formuleren van enige wen-sen voor de ontwikkeling in de eerstvolgende tijd. Laat ikmij daarbij eerst mogen begeven op het terrein van die beideonderdelen van de Woningwet, die niet de volkshuisvestingin engere zin bestrijken, het bouwen en de stedebouw.Wat de regelingen voor het bouwen aangaat, ben ik vanmening dat het denkbeeld van een afzonderlijke bouwwet,die voor alle bouwobjecten zal gelden met daarnaast een re-geling in de Woningwet alleen van datgene, wat speciaal devolkshuisvesting behoeft, ernstige overweging verdient. Ikvoeg daaraan toe dat ik dit niet van gelijke urgentie acht alseen afzonderlijke wetgeving voor de stedebouw.Belangrijker acht ik het dat men zich steeds meer bewustzal worden van het feit, dat bouwvoorschriften eigenlijk niet 163Artikelen164moesten bestaan. In die zin, dat zij niet nodig moestcn zijn,omdat de uitoefening van het bouwvak zodanig behoorde tezijn dat niet anders dan goed wordt geproduceerd. Bij allevoorschriften voor de totstandbrenging van een gebouw ont-breken eisen, die aan de bouwmeester zouden moeten wordengesteld. Terwijl in onze woning alleen erkende gasfitters enerkende electriciens mogen werken, wordt die woning veelalgebouwd door iemand, die niet de gaven, de kennis en de er-varing bezit, nodig om voor dit werk de voile verantwoor-delijkheid te kunnen dragen. In dat sociale tekort moeten debouwvoorschriften voorzien en daardoor maken juist dievoorschriften het voortbestaan van deze ongezonde toestandmogelijk. In hoever het Ontwerp-Architectcnwet, dat tot dus-ver nog niet van alle zijden even gunstig werd ontvangen,hierin zal kunnen voorzien, blijft hier onbesproken.Ten aanzien van de stedebouw mag ik de wens uitsprekendat wij zo spoedig mogelijk een Ruimtewet zullen verkrijgen.En dan vooral dit, dat het begrip voor de noodzakelijkheidvan coordinatie van alle belangen niet door de vertegen-woordigers van die belangen afzonderlijk op hun eigen ge-bied, maar door hen gezamenHjk in het stedebouwkundigeplan meer en meer aan alle zijden mag gaan leven.Ook dit -- en dat is van niet minder belang -- dat de uit-komst van die coordinatie iets anders moet zijn dan een leg-kaart. Er is wel eens betoogd dat de uitkomsten van de so-ciaal-geografische analyse vanzelf het plan zouden doen ont-staan, maar het tegendeel is waar. De studie levert grondsla-gen, waarmede het plan in elk van zijn ontwikkelingsstadiadient te worden geconfronteerd, maar het is de taak van destedebouwer om met gebruikmaking van die analyse een har-monisch geheel, een compositie, op te bouwen, wat iets heelanders is dan een nevenschikking van een aanta! elementen.Vandaar ook mijn hardnekkige voorkeur voor het woord,,stedebouw". Stedebouw is niet alleen een wetenschap maarvooreerst een kunst.Op het gebied van de volkshuisvesting moeten wij wel vast-stellen dat vooral in de laatste jaren het zwaartepunt voort-durend meer van het sociale naar het technisch-economischewordt verlegd. Onbegrijpelijk is dat niet. Wanneer men ineen woningnood van ongekende omvang binnen een redelijkeperiode wil trachten te voorzien, komt de productie als zo-danig vanzelf wel heel sterk op de voorgrond. Maar met hetgevaar, dat men het doel van die productie, de huisvestingvan mensen, wat uit het oog verliest.Tekenend was ook dat toen voor de eerste maal de oprui-ming van krotten aan de orde werd gesteld, dit betoog vooralwerd gemotiveerd met een dreigende inzinking in het bouw-bedrijf na I960. Dat zal wel niet precies zo bedoeld zijn ensindsdien is gelukkig het sociale element in deze beschou-wingen meer op de voorgrond getreden.Het is evenzeer het sociale motief, dat met grote ernst doetaandringen op een oplossing van het huurprobleem. Onzevoorgangers van 50 jaar geleden hebben misschien voor datprobleem weinig belangstelling gehad, maar van hun kantgezien, terecht. Voor hen stond vast dat de woning goedmoest zijn en dat dan ^-- uitzonderingen daargelaten ^-- dedaarvoor nodige huur moest worden betaald. Dat betekentdat, naarmate de huur hoger kon zijn, ook de woning beterkon worden en de ervaring voor 1940 heeft hun in het gelijkgesteld. Voor het ogenblik is natuurlijk een sluitende exploi-tatierekening een onmogelijkheid, maar de huur is een aan-zienlijk lager deel van het inkomen, dan het, naar wij uit erva-ring weten, kan zijn. Deze bedreiging van ons woningpeilmoet zo spoedig mogelijk worden geliquideerd.Hoe staat het met de belangstelling in het woninnvraagstuk?Toen wijlen Mr J. Kruseman op 23 October 1930 in onsInstituut ook de Woningwet historisch aan onze geest lietvoorbijgaan, merkte hij op dat in de eerste decennia van dezeeeuw een grote verandering was ingetreden ten aanzien vande soort en de hoeveelheid personen, die zich met het wo-ningvraagstuk bezig hielden. Omstreeks 1900 waren dat en-kele bouwverenigingen van belangstellenden (zoals men zenoemde) en verder een aantal sociaal voelende personen,,,thans zei Mr Kruseman in 1930 " een heirleger van,,rijks- en gemeente-ambtenaren, talrijke toegelaten bouwver-,,enigingen, die er dikwijls bezoldigde ambtenaren of bestuur-,,ders op na moeten houden." ,,Om een beeld aan de sport-..wereld ontleend, te gebruiken," sprak hij verder, ,,het aantal,,beroepsspelers is aanzienlijk vermeerderd, het aantal ama-,,teurs zonder ambtelijke functie is verminderd".Mr Kruseman heeft de ontwikkeling van de huisvestingzorgna de laatste wereldoorlog nog aanschouwd en hij zal heb-ben kunnen vaststellen dat die tendentie zich heeft voortge-zet. Naast de zeer ve!e duizenden in nood, die belangstellinghebben voor hun eigen woningvraagstuk, wordt de groep, diezich met het algemene vraagstuk bezig houdt nu bijna alleendoor beroepsspelers gevormd; de amateur is bijna een witteraaf geworden. En van die amateurs werd zelfs in de 30erjaren een grote groep officieel gediskwalificeerd: de Gezond-heidscommissies, van wie Kruseman enkele jaren te vorennog mocht constateren dat zij de verwachtingen van de Wo-ningwetgever niet hadden beschaamd, werden opgeheven.Nu heb ik al geconstateerd dat ik een verschuiving zie vanhet sociale aspect naar het technisch-economische. Stellenwij daarnaast een verminderde belangstelling bij hen, die nietdoor ambt of beroep bij de uitvoering van de Woningwetzijn betrokken, dan bestaat er ongetwijfeld tussen die beidegezichtspunten verband, in het midden latende, wat oorzaakis en wat gevolg.Dat is een droevig feit. De Woningwet is tenslotte tot standgebracht door beroepsspelers, om de terminologie van MrKruseman te volgen, maar men zou er nooit aan zijn begon-nen, wanneer men daartoe niet was gedrongen door het over-tuigende werk van de amateurs. En zo zal het ook steeds blij-ven bij de uitvoering van de wet. Wanneer eens het ogenblikaanbreekt dat het niet alleen meer om woningproductie zalgaan, maar om alzijdige verbetering van de huisvesting vanons volk, dan valt alleen succes daarvan te verwachten, wan-neer dat streven niet alleen gedragen wordt door ambtenarenen bestuurders van bouwverenigingen, maar wanneer daar-achter een groep staat als die van 50 jaar geleden. En het ismijn overtuiging dat een dergelijke beweging niet kan wor-telen in het technisch-economische, maar alleen in het socialeaspect.Mag ik nog iets aanhalen uit Mr Kruseman's herdenkings-rede?Hij zeide in 1930: ,,Zullen wij in de loop van het tweede vijf-,,en-twintig-jarig tijdperk der Woningwet op gelijke wijze,,tegenover het woningvraagstuk blijven staan als in het eer-,,ste? Er is reden tot twijfel, omdat er een veelbeheerschende,,factor in de berekeningen moet worden opgenomen, welke,,in 1901 niet bestond. Ik bedoel den gewijzigden loop der,,bevolkingscijfers. Tot dusverre is het verschil tusschen de,,geboorte- en de sterftecijfers nog blijven bestaan en is er,,dus een accres der bevolking gebleven, waardoor, langs den,,tusschenschakel van het aantal nieuw gesloten huwelijken,,en de gezinsvorming, de woningbehoefte, goeddeels wordt,,bepaald, doch de sterftecijfers kunnen bezwaarlijk veel ver-,,der blijven dalen, terwijl de geboortecijfers zich in langzaam,,dalende lijn blijven bewegen Men mag dat verschijnsel,,nu betreuren of niet, geen woninghervormer, die een blik in,,de toekomst tracht te slaan, mag hiervoor de ogen gesloten,,houden. Indien deze beweging aanhoudt, de concentratie der,,bevolking in de groote steden ten gevolge der verbeterde ver-,,keersmiddelen eveneens tot staan mocht komen en de Zui-,,derzeepolders een gedeelte der Nederlandsche bevolking tot,,zich trekken, dan zal allicht degeen, die een overzicht zal,,geven van de vijftigjarige werking der Woningwet een ge-,,heel ander perspectief kunnen openen: een veel eenvoudiger,,berekening van de woningbehoefte en een veel grooter gemak-,_Ji^--1met vaste hand kruit deze manopdat jong Neerland wonen kanHij is e'en van de mannen die totopheffing van de woningnood in dena-oorlogse jaren een enorme bijdragehebben geleverd in dienst van deN.V. Verenigde Aannemers-Bedrijvenwih Zwolsman?s GRAVENHAGE/^ leciricHeitswerkenI H. C. HINFELAARI 's GRAVENHAGE, J. P. Coenslraat 5,I Teleloon 771748Fa. GEBRS. BRONKHORSTDEN HAAG - Lyonnetstraat 97/101 - Tel. 772190* (K. 1700)Loodgieters- enSanitair InstallatiewerkVraagt offerte! Nieuwbouw - OnderhoudUitvoering van werken door geheel Nederland.Firma T. MEERKERKHOUTBOUWGIESSENDAM C 53Tel. 196 Neder-HardinxveldDirectieketen - Noodwoningen - Schaftlokalen enz.Vraagtmonsterseninlichtingcn! Telefoon 17Veiligheidsglas voor de Bouwnijverheid7 X sterker dan gewoon glas.Scherfvrij!N.V. ,,HARDGLAS" - ZOETERMEER^^later TEOLIM S V! "'^'^^''"^ kwastiakken en grondmaterialen^ TC^^DI ACT """"'^^''^ ^P siyreenbasis (absorberend,^ ??? I I C^/r LA\w \k k volkomen afwasbaar). ^^llBBPl?BBa?BBP?HBWlM"??BBBW??W??MlUO nnlffffffllnn QQ= Qnn[=:ii:::JBna)eze producten garanderen U nu: doelmatig schilderwerk en voor de toekomst: hoogst efficiente onderhoudsmogelijkheden^-?A ^B ^? A J M A^S^^P ^B&^B^ K ^^r^ /^^*K^ Brochures worden op aanvraag verstrekt.WAAFMAICrllX BREDA ^
Reacties