Februari 195313e Jaargang No. 2De WoningbouwverenigingUitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerschijnt maandelijksAdres vooi? Redaotie eD Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 24298Adres voor Advertenties I Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128De Nationale Ramp en de leden van de Natio-nale WoningraadHet bestuur van de Nationale Woningraadheeft zich dezer dagen tot alle leden van zijnorganisatie gericht met mededelingen ot^er eenhulp-actie yoor getroffen woningbouwcorpora-ties en gemeenten. De hoofdzaken uit de inhoudvan de desbetre[[ende circulaire volgen hier.Amsterdam, 3 Maart 1953AAN DE LEDENVAN DE NATIONALE WONINGRAADNadat in de eerste weken na de ramp, welke de zuid-weste-lijke provincies van ons land in de nacht van 31 Januari op1 I^ebruari heeft getroffen, ons volk in al zijn geledingen endoor middel ook van zijn talloze organisaties zich op overwel-digende wijze heeft ingespannen om redding te brengen ennood te lenigen, richt de blik zich op de toekomst. Hoe zalde ganse vaderlandse gemeenschap zich in de komende maan-den en jaren kwijten van haar plicht tot voortgezette steunen hulpverlening aan zovele duizenden van onze landgenotenen pp zo velerlei terrein?Het bestuur van de Nationale Woningraad heeft ogenblikke-lijk getracht, naar de mate van het vermogen van zijn orga-nisatie, zijn bescheiden plaats in te nemen in de rij van instel-lingen, die van en voor haar leden haar bijdragen naar hetNationaal Rampenfonds hebben gezonden. Dat was het eerstnodige en het eerst mogelijke. Het bestuur heeft met instem-ming kennis genomen van de berichten, welke melding maak-ten van grotere en kleinere bijdragen van vele van onzewoningbouwcorpbraties.Wat kunnen wij nu verder doen? Welke mogelijkheden zijner met name voor meer bijzondere en gerichte hulpverleningaan personen en instellingen, die gelijk werk verrichten eneen gelijke taak vervullen als al onze woningbouwcorporaties?Hef, bestuur van onze Raad heeft overwogen, dat er straks inde noodgebieden verwoeste woningwetwoningen herbouwdmoeten worden. Gemeenten en woningbouwverenigingen, diewoningbezit verloren zagen gaan, zullen opdracht moetengeven tot het ontwikkelen van nieuwe plannen en zij zullendaarna die plannen moeten doen uitvoeren. Men zal in degetroffen streken vele taken hebben te vervullen. Men zaler \n de aanvang handen tekort komen om al het werk teverrichten, dat er gedaan moet worden. Het bestUur van onzeRaad stelt aan U alien voor de getroffen gemeenten enwoningbouwcorporaties voor zoveel mogelijk althans te ont-lasten van de zorg voor de gehele voorbereiding van de wo-ningwetbouw, die dienen zal ter vervanging van verwoestewoningwetwoningen.Het technisch bureau van onze Raad beschikt over tal vanpasklare gegevens, die in willekeurig welke plannen voor wo-ningwetbouw kunnen worden toegepast. Onze Raad kan dezegegevens ter beschikking stellen aan architecten, die wij zullenopdragen de aesthetische en, voorzover nodig, stedebouwkun-dige verzorging voor hun rekening te nemen. Ons technischbureau kan de plannen verder geheel bestedingsklaar maken,waarna zij gratis ter beschikking van gemeentebestuur ofwoningbouwcorporatie gesteld kunnen worden.Uiteraard zullen de werkzaamheden van ons technisch bureauvoor deze actie op basis van strikte kostprijs gefinancierdmoeten worden. Het spreekt vanzelf, dat de architecten aanwie wij de hierboven vermelde taak zullen opdragen, het daar-voor geldende honorarium moeten ontvangen. Er zullen der-halve -- aangenomen een bepaalde belangstelling voor onsaanbod vanuit het noodgebied '-- vrij grote bedragen met devolvoering van onze actie zijn gemoeid. Die bedragen kunnende leden van de Nationale Woningraad met z'n alien bijeen-brengen!Als op deze wijze in de komende maanden hulp kan wordengeboden, dan zal dat hulp zijn, die haar invloed over tien-tallen van jaren zal doen gelden.In de eerste plaats kan onze actie de technische en organisa-torische voorbereiding van de noodzakelijke wederopbouw inde woningwetsector aanzienlijk vereenvoudigen en bespoedi-geh. In de tweede plaats kan het de ongetwijfeld tot overbe-lasting toe bezette besturen in de noodgebieden werk uithanden nemen. In de derde plaats kan het. bedrag, dat deopdrachtgever normaliter aan de voorbereiding van het bouw-plan moet besteden -- onder goedkeuring van de Minister,welke goedkeuring door ons intussen is gevraagd -- wordengebruikt voor de een of andere bijzondere voorziening aan ofin deze woningen. Op deze wijze kunnen de woningen wel-licht in bepaald opzicht worden uitgeheven boven het ge-middelde peil van de normale woningwetwoningen. In devierde plaats kan de door de nood geboden uitzonderlijkecentralisatie in de voorbereiding van deze woningwetbouw dedoelmatigheid en de efficiency van de plannen ten goede ko-men, waardoor eveneens een direct voordeel wordt behaald.Tenslotte ^- en dat is zeker niet van belang ontbloot .-- zullende ons nauw verwante corporaties in de noodgebieden ervaren,dat haar zuster-verenigingen en -stichtingen zich haar bijzon-dere behoeften aantrekken.Het bestuur van onze Raad stelt een zodanig vertrouwen in 13Uw bereidheid tot medewerking, dat het aan de besturen dercorporaties in de getroffen gebieden en aan de daarbij ge-interesseerde gemeentebesturen reeds mededeling van zijnvoornemen heeft gedaan. Het heeft gevraagd of men, nadatmen zelf in de gelegenheid is om de situatie te overzien, wilopgeven aan welke plannen voor vervangende woningwet-bouw in de naaste toekomst behoefte bestaat. Het bestuur vanonze Raad zal U van de ontwikkeling te dezer zake op dehoogte houden.Voorlopig vragen wij U met klem ons slechts te berichten ofUw corporatie in beginsel bereid is zo nodig aan ons planmedewerking te verlenen. Deze medewerking van woning-bouwverenigingen, -stichtingen en -bedrijven zal het bestenaar verhouding tot de draagkracht verieend kunnen worden.In verband daarmede en bovendien om U het bepalen van Uwstandpunt eenvoudiger te maken delen wij U mede^ dat Uwtoezegging zal zijn beperkt tot ten hoogste een bedrag van/ 0,50 per bij Uw corporatie of bedrijf in exploitatie zijndewoning. De aldus als maximum te berekenen bijdrage zalverder per corporatie kunnen worden gelimiteerd tot een wo-ningbezit van 3.000 woningen, derhalve tot ten hoogste/ 1.500,--. Wij stellen ons voor, dat de bijdragen b.v. in 2termijnen in de loop van 1953/1954 door ons zullen wordenopgevraagd. Verantwoording van ontvangsten en uitgaven kanin organisatorisch Woningraad-verband plaatsvinden. Gere-kend op aller medewerking en op basis van de hierboven ge-stelde hmiet, kan in totaal een bedrag van ruim f 100.000,--bijeengebracht worden. Met dit bedrag kan op de door onsvoorziehe wijze zeker een aantal van 20 a 30 niet al te om-vangrijke woningbouwplannen geheel pasklaar worden ge-maakt.Het bestuur van de Woningraad meent, dat het hiermede eenactie heeft ontworpen, die recht doet aan een bepaalde be-hoefte van gemeenten en woningbouwcorporaties in de nood-gebieden, die verantwoord en uitvoerbaar is, die doelmatigwerken mogelijk maakt en die daadwerkelijke hulp biedt. Hetrckcnt op Uw aller medewerking.) Voor het bestuur van deNationale Woningraad,A. .IN 'T VELD, vooTzitterW. SCHEERENS, secretarisSpanningen in het goedkeuringsbeleid (2)De opmerkzame lezer zal zich uit het vorige nummer vanons maandblad nog herinneren het artikel over de moeilijk-heden, die zich blijken voor te doen door het achterwege blij-ven van de gunning van plannen voor woningwetbouw. Datartikel heeft in den lande veel weerklank gevonden. Uit ver-scheidene gemeenten werd ons, naar aanleiding van ons ar-tikel, bevestigd, dat er op het ogenblik inderdaad van eensoort ,,opschorting" van de volkswoningbouw sprake is. Ookuit ambtelijke kringen vingen wij geluiden op, die getuigdenvan vrij grote zorg over de huidige ontwikkeling. In de op25 Februari j.l. gehouden vergadering van het bestuur vande Nationale Woningraad tenslotte kwam deze aangelegen-heid ook aan de orde in de geest van: ,,daar moet nodig ietsaan gedaan worden".Een en ander geeft ons aanleiding om ook nu enkele opmer-kingen over het goedkeuringsbeleid te maken. Zo rond dejaarwisseling ontvingen tal van gemeentebesturen vanwegede Directies van de Wederopbouw en de Volkshuisvesting in de provincie de altijd weer heugelijke mededeling, dat zijbepaalde plannen voor woningwetbouw konden doen aanbe-steden. Het is in de loop van de tijd ongeveer gewoonte-rechtgeworden, dat na met goed gevolg gehouden aanbestedingvervolgens de machtiging tot gunning wordt verleend. Datis ook logisch, want indien de gunning niet in het vooruit-zicht gesteld kan worden, dan heeft het houden van een aan-besteding ook niet de geringste zin. De gemeentebesturen vrij-wel overal in den lande hebben zich niet tweemaal laten zeg-gen, dat zij tot aanbesteding mochten overgaan. In een aantalgevallen werden onderhandelingen geopend; in andere geval-len werden op de gebruikelijke wijze de advertenties ge-plaatst. De Directies in de provincie ontvingen de processen-verbaal der gehouden bestedingen en zouden nu, overeen-komstig de gekoesterde verwachtingen, machtiging tot gun-ning gaan verlenen.Wij stellen ons zo voor, dat er op een kwade morgen tussende processen-verbaal een ,,oekase uit Den Haag" moet zijn op-gedoken, die een heel dikke strcep door tal van verwachtin-14 gen heeft getrokken. Een oekase, waarin bindend werd voor-geschreven, dat van de maandelijks te gunnen aantallen wo-ningen perse niet meer dan de helft uit woningwetwoningenmag bestaan. Ware de normale toestand nu zo, dat de ver-houding tussen de ter goedkeuring ingediende plannen voorwoningwetbouw en die voor particuliere bouw steeds onge-veer ,,half-om-half" was, dan zou er geen spanning ontstaan.Zoals wij ook de vorige maal reeds betoogden is, naar wij metzekerheid weten, de feitelijke verhouding in verscheidene pro-vincies allesbehalve ,,half-om-half". In deze provincies blij-ven vrij grote delen van de maandelijkse gunning-contin-genten ongebruikt, omdat er voor de helft, die voor de par-ticuhere woningbouw bestemd is, weinig of geen belangstel-ling blijkt te bestaan. Tal van gemeenten, gewend aan de ge-bruikelijke volgorde van: eerst machtiging tot aanbestedingen daarna bij goede uitslag vanzelfsprekend ook machtigingtot gunning, constateren met enige verbijstering, dat dezegebruikelijke volgorde op het onverhoedst geweld wordt aan-gedaan. Is het voor de gemeente-besturen al een volkomenonverwachte en onaangename verrassing; voor de Directies inde provincie moet het al evenzeer een vrijwel ondenkbarekoerswijziging betekcnen.Wij horen nu van plannen, die met goed gevolg zijn aanbe-steed, maar waarvoor de gunning op grond van de huidigeregeling en naar de huidige stand van zaken niet eerder dan*in September/October 1953 te yerwachten zou zijn! En dat,terwijl vaststaat, dat delen van de maandelijkse contingentenongebruikt blijven! Enige Hoofdingenieur-Directeuren ver-keren '-- buiten hun schuld -- tegenover de besturen dezer,,getroffen" gemeenten in een wel zeer onprettige positie.Zij kunnen hun belofte, die feitelijk in hun machtiging totaanbesteding was besloten, nu niet gestand doen. Men be-grijpt deze gang van zaken niet goed; men meende met goedereden te mogen verwachten, dat de woningbouwactiviteitenige uitbreiding zou ondergaan. Er was immers officieelaangekondigd, dat het mogelijk zou zijn dit jaar een 65.000woningen te gunnen? De ervaringen in de eerste maandenvan dit jaar zijn dan wel volstrekt tegengesteld aan de ver-wachtingen, welke men heeft gewekt.Wij houden staande, dat in de huidige woningbouw-practijkeen verdeling van woningwetbouw en particuliere bouw opbasis van ,,half-om-half" onwerkelijk is.. Wij begrijpen, datmisschien niet ledereen een overwegcnde positie van de wo-ningwetbouw wenselijk acht. Hoewel wij het ons moeilijkkunnen voorstellen, is ook nog dcnkbaar, dat men ten be-hoeve van de particuliere woningbouw zodanige maatregelenneemt, dat deze sector inderdaad 50% van het totale bouw-programma voor zijn rekening kan nemen, Zoals de kaartennu liggen is er echter geen sprake van, dat 32.500 woningenper jaar op grond van premie- of herbouwregeling tot standkomen. Voorzover zich particuliere woningbouw voltrekt,richt deze zich op de ,,verkoop". Particuhere bouw voor de,,verhuur" behoort tot de zeer schaarse uitzonderingen. Degeruchten inzake een verbeterde premieregehng doen nietverwachten, dat een omvangrijke bouw van volkswoningendoor particuhere ondernemers in het naaste verschiet hgt. Debouw van de ,,eigen" woning -- waarvoor bepaalde beperktefacihteiten boven de normale premie gegeven zullen wor-den -- kan men belangrijk achten, zonder te verwachten, datal spoedig vele duizenden van deze ,,eigen woningen" totstand zullen komen. Wij menen te mogen stellen -- mede opgrond van het al-oude gebruik van de particuliere woning-bouw ^ dat de behoeftebevrediging wel uiterst onevenredigzou worden behartigd, indien ongeveer de helft van het to-tale bouwprogramma zich zou voltrekken buiten de sectorvan de verhuurbare volkswoningen, d.w.z. buiten de sectorvan de woningwetbouw. In dit verband verdient het aanbe-veling het artikel van de Heer Rikkert in het December-nummer van ons maandblad te herlezen.Het zij ons vergeven, maar wij kunnen niet nalaten uiting tegeven aan onze vrees, dat de Minister met zijn nieuwe envooral plotseling gewijzigde goedkeuringspolitiek een gevaar-lijke koers.is gaan varen. Er zijn gemeenten, die in vorigejaren door de bekende financieringsmoeilijkheden met de wo-ningbouw zijn achtergebleven. Moet de belofte aan deze ge-meenten inzake het inhalen van de achterstand worden waar-gemaakt uit de nu zo beperkte mogelijkheden voor de wo-ningwetbouw? Zo ja, moeten dan ook de andere gemeenten,die haar woningbouwbeleid voor 1953 uiteraard hebben ge-baseerd op wat tot dusver mogelijk, wenselijk en noodzake-lijk bleek, dit beleid volvoeren uit de door centraal gegevenaanwijzingen ten enenmale ontoereikende mogelijkheden? Hoemoet het gaan met de zo nodige continuiteit in de woning-bouw indien, zoals nu blijkt, de omvang van gunningen wordtbeperkt? Wat komt er terecht van een overeenstemmendeactiviteit in alle sectoren van de gemeentelijke uitbreidingen,indien de omvang van de woningwetbouw, in strijd met de be-hoefte, aanzienlijk wordt verkleind? Wat moeten de gemeen-tebesturen aan met een passende woningvoorziening voor dewachtende burgerij, als de particuliere woningbouw bovende concrete mogelijkheden kansen moet worden geboden?Hoe denkt men zich de voortgaande bevordering van degunstige tendens in de prijsvorming van de volkswoning-bouw, nu deze volkswoningbouw wordt teruggedrongen?Welke gevoelens moeten gemeentebesturen bekruipen als zijvan de Directie van de Wederopbouw en de Volkshuisves-ting in haar provincie horen, dat op basis van de thans ge-trqffen regeling de totale mogelijkheid voor woningwetbouwreec/s voor het gehele jaar 1953 door ingediende plannen isgeblokkeerd?Hit lijkt ons dringend noodzakelijk, dat de Minister, die dezorgen van de gemeentebesturen uit eigen rijke ervaring ter-dege kent, ernstig overweegt of hij althans voorlopig niet opde oude koers zal terugdraaien. Wind, getij en bestemmingwijzen naar goed bestek die oude koers vooralsnog als debeste. Voortvarende op de nieuwe koers komen wij daar,waar wij niet moeten zijn. Hoewel ook hier geldt, dat menbeter ten halve kan keren dan ten hele dwalen, geven wij devoorkeur aan de koersherneming thans. In ons vorig artikelbetoogden wij reeds, dat het (o.i. onvermijdelijke) terugvallenop de woningwetbouw in het laatste deel van dit jaar talvan onaangename gevolgen zal hebben.De Minister moge ook overwegen, dat de natuur vaak ster-ker is dan de leer. Reeds nu komen ons voorbeelden ter ken-nis, die getuigen van de gewrongen oplossingcn, welke ge-meentebesturen vinden voor de aan de dag tredende moei-lijkheden. In een bepaalde gemeente hadden particuliere bou-wers plannen ontwikkeld voor een vrij groot aantal wonin-gen. In afwachting van de kopers voor deze particuliere wo-ningen hadden de betrokken ondernemers de premie reedsaangevraagd. Zoals dat in meer van soortgelijke gevallenblijkt te gebeuren, lieten ook hier de kopers verstek gaan. Hetgemeentebestuur -- van de nood een deugd makende --treedt thans als koper van de nog te bouwen particulierewoningen op. Dit doet het gemeentebestuur alleen om de gun-ning uit de voor de ,,particuliere" woningbouw bestemde helftvan het beschikbare contingent mogelijk te maken. Intussenis het duidelijk, dat het in wezen gaat om gemeentelijke wo-ningbouw. Als het gemeentebestuur in een vrije positie zouhebben verkeerd, zou het aan andersoortige woningen devoorkeur hebben gegeven. Deze woningen zijn immers bestemdvoor precies dezelfde categorie van de bevolking, waarvoornormaliter woningwetwoningen worden gebouwd. Hier wordtniet de woningwetbijdrage toegekend, maar de premie, zodatstraks uit de statistiek blijkt, dat de ,.particuliere woning-bouw" in die gemeente naar omvang vrij belangrijk is voor-uitgegaan. Wij behoeven werkelijk niet uiteen te zetten waar-om wij deze oplossing onwaarachtig en schadelijk vinden, alhebben wij begrip voor de ,,handigheid" van het desbetreffen-de gemeentebestuur. Een ander geval: Het Departement be-vestigde reeds geruime tijd geleden, dat een groot tehuis voorbejaarden op voet van de woningwet-bijdrage-regeling ge-bouwd en geexploiteerd zou kunnen worden. Nu de wind zoplotseling is gedraaid, laat de Directie van Wederopbouwen Volkshuisvesting in de provincie laconiek weten, dat ach-teraf de toepassing van de premieregeling toch beter en voorde opdrachtgever bovendien gunstiger is! Ook hier weer eenvertwijfelde, begrijpelijke maar niettemin tegennatuurlijke po-ging om het ,,woningwet-contingent" te sparen. Deze zeerrecente gevallen staan natuurlijk niet op zichzelf. Zij wordenreeds nagevolgi en zij zullen ^-- in talrijke varianten navol-gers vinden. De verhoudingen komen op haar kop- te staan.Deze nieuwe ontwikkelingem kosten de gemeenschap extrageld; zij veroorzaken nodeloze moeiten; zij geven aanleidingtot vertraging; zij verstoren de geleidelijkheid in de woning-bouw; zij dwingen de gemeentebesturen in een richting, diedeze besturen wellicht niet wensen te gaan en doen deswegehet beginsel van de decentralisatie geweld aan; zij stellen degemeentebesturen voor grote problemen; zij zijn in strijd metde feitelijke behoeften en noodzakelijkheden; zij passen zichniet aan bij een natuurlijk gegroeide toestand; zij zijn nietgeschikt om de feitelijke toestand geleidelijk en harmonischte veranderen; zij hebben integendeel een tegennatuurlijkeforcerende werking. Daarom, nogmaals, op korte termijn watruimer baan voor de zo hoogst noodzakelijke woningwet-bouw! W. S.15Huisvestiqg van BejaardenDe geachte sccretaris van de Nationale Woningraad heeftblijkbaar in het begin van mijn vorig artikel'de mededelingover het hoofd gezien, dat ik aan mijn conclusie t.o.v. de taakder woningbouwverenigingen bij de bejaardenhuisvesting mijnervaringen in Denemarken wilde laten voorafgaan.In mijn eerste artikel wilde ik een klein beeld geven van detypen bejaardentehuizen, die wij bezochten.Zoals ook hier de gedachte veld wint, dat bij de bejaarden-zorg vele vraagstukken om een oplossing vragen, zo is het ookin Denemarken.Bij de oplossing van dit vraagstuk, moeten wij m.i. uitgaan vandrie fases van ouderdom, welke, ik wil daarop de nadruk leg-gen, in het geheel niet parallel behoeven te lopen met de leef-tijd van het individu.Wanneer men van deze stelling uitgaat, zal men ook de bejaar-dentehuizen moeten verdelen in drie groepen, t.w.:A. voor hen, die niet meer voor zich zelf kunnen zorgen engeheel of bijna-jjeheel op de hulp van anderen zijn aangewe-zen, waarbij het verzorgings- en medisch element dus domi-neert.B. voor hen, die nog niet de gehele verzorging van node heb-ben, maar die grote gemakken en ontheffing van huishoude-lijke plichten wel zeer op prijs stellen,C. voor hen, die de zelfstandigheid nog zeer op prijs stellenen kunnen bewaren en dus het eigen huishoudinkje nog graagzelf doen.GROEP A.Voor de groep onder A genoemd heeft men in Denemarkende gehele verzorgingstehuizen gebouwd. Vooral de GamlesBy is daarvan het voorbeeld. Zoals reeds gemeld, ligt de ge-middelde leeftijd hier zeer hoog (78 jaar). Vanzelfsprekendkomt hier ook sterker de medische verzorging naar voren,zodat een grote ziekenafdeling aanwezig is. Het is dus eentehuis waar men de laatste dagen van het leven doorbrengt.Men wordt omringd door alle hulp en bijstand en de eigenactiviteit van de mens beperkt zich tot wat lezen en wat brei-werk. In deze tehuizen wordt wel veel gedaan aan ontspan-ning, het geven van toneel-, concert- en bioscoopavonden.Deze tehuizen vragen een sterke personeelsbezetting, zowelop huishoudelijk- als op medisch gebied. De exploitatie isdaarom vrij duur, waarom het gehele beheer in handen van degemeente ligt. De verhouding in Denemarken maakt dit na-tuurlijk vrij gemakkelijk. In ons land komt men al spoedig totde bouw van tehuizen voor tenminste drie ve*schillende rich-tingen. Dit is vooral voor het platteland haast onmogelijk enzou men het dus meer in de vorm van streektehuizen moetenzoeken.Zo groot opgezette inrichtingen, met een eigen medischedienst, kent men in ons land niet. Voor de stad zou dit wel-licht niet eens mogelijk zijn, gezien het verlangen van elkeconfessionele richting om zijn eigen tehuis te bouwen en teexploiteren.Hieruit volgt reeds, dat dit terrein zeker niet tot dat der bouw-verenigingen behoort.GROEP B.Voor de in groep B genoemde bejaarden heeft men de bouwmet middencorridor, lift, gemeenschappelijke eetzalen, bad-gelegenheid, enz. Geen eigen keuken, dus geen eigen huishou-den meer. De werkzaamheden worden dus tot een minimumbeperkt. Het verzorgingselement is hier aanwezig, doch nietgeheel dwingend voorgeschreven. Men mag op eigen kamereten. Zelfs is er een klein gebruikskeukentje op elke gang,waarvan geen druk gebruik wordt gemaakt. De woningenzijn in Denemarken ongetwijfeld prachtig ingericht.Een bezwaar is m.i. dat men ook een eigen ledikant mag mede-10 brengen. Het gevolg is, dat vaak teveel ruimte in beslag wordtgenomen voorde slaapplaatsen, terwijl het altijd wecr eenrommelige indruk geeft. In enkele tehuizen was dit reeds beteropgelost, doordat een tuimelbed tot de inventaris van het te-huis behoorde. Een oplossing die men ook in ons land in enkeletehuizen heeft genomen. Eerste hulp voor zieken is hier welaanwezig, doch zeer beperkt. In Denemarken was dit soorttehuizen op het platteland voortreffelijk tot een oplossing ge-bracht, door bij dit werk* de wijkzusters in te schakelen. Ditzou ook in ons land kunnen worden gevonden door de in-schakeling van de kruisverenigingen e.d. Het in bepaalde ge-vallen noodzakelijke verzorgingselement krijgt daardoor eenveel meer persoonlijk karakter.In enkele plaatsen van ons land zijn dit soort tehuizen, metgedeeltelijke verzorging, reeds verrezen. Naar mijn opvattinggeven deze tehuizen echter ook nog teveel de indruk van eengesticht. Weliswaar heeft het weinig meer gemeen met de,,oudeliedentehuizen" van vroeger. Van gemeenschappelijkeslaapkamers is b.v. bij de nieuwbouw geen sprake meer.Toch is het zo, dat in deze tehuizen alles naar vaste regels enop tijd moet verlopen. Men is gebonden aan een huisreglement,aan vaste etenstijden, enz. Ik stel mij voor dat deze tehuizendus uitsluitend zullen worden bevolkt door hen, die of dooromstandigheden daartoe zijn gedwongen of het hotel-levenwel prettig vinden.Deze tehuizen vragen ongetwijfeld een grote staf van perso-neel en de exploitatie hiervan zal niet goedkoop zijn. Het ge-volg is, dat men al spoedig komt tot een indeling in klassen.Diverse voorbeelden in ons land wijzen daarop.Wanneer men in deze richting wenst te gaan, meen ik dat ookdeze tehuizen niet tot het terrein der woningbouwverenigingenbehoren, tenzij de vereniging zo groot in omvang is gewordendat en exploitatie en bezetting geen bezwaren opleveren.Ik sta echter zeker niet op het standpunt dat de woningbouw-verenigingen dit risico uit hoofde van die verzorging niet zou-den kunnen aanvaarden. Dit zal zeker voor de grote stad an-ders liggen dan voor de provinciestad en het platteland.GROEP C.Deze groep is ongetwijfeld het grootst. In Denemarken is debouw opgelost deels met trappenopgang, deels met lift. Hierdomineert het eigen huishoudinkje. Eigen keukentje, eigen wc,zit- en slaapkamer. Kortom het eigen woninkje, opgenomenin een gemeenschappelijk gebouw of kleine huisjes. Toch isook hier een gedeelte ingericht voor eventueel noodzakelijkehulp. Dit kan huishoudelijke hulp zijn voor kleine perioden ofvooi; langere tijd. Dit kan ook zijn het ten verkoop hebben vanwarme maaltijden. Een centrale keuken mag hier dus zekerniet ontbreken. Dit is vooral nodig voor hen, die zolang moge-lijk hun zelfstandigheid willen bewaren. Alleenstaanden ko-men er zo vlug toe nu maar eens niet te koken. Doch ook voorechtparen, b.v. bij lichte ongesteldheid, kan de centrale keukenuitkomst bieden.Vooral op dit terrein ligt m.i. een aanknopingspunt voor onzewoningbouwverenigingen. Wij kennen nu eenmaal in ons landde splitsing naar confessie. Dit hebben wij als een feit te aan-vaarden. Het heeft zich ook op sociaal terrein gemanifesteerd.Laten we daarvan, nu het er is, een dankbaar gebruik maken.Want willen wij de bejaardenzorg individueel richten, danzullen wij bij dit werk juist de sociale verenigingen moeten in-schakelen. Ik denk hierbij aan de kruisverenigingen, gezins-zorg, gezinshulp, enz.In samenwerking met deze groepen zullen ook in de provincie-stad en op het platteland (streeksgewijze) door de woning-bouwverenigingen bejaardentehuizen met gedeeltelijke verzor-ging kunnen worden gebouwd. In het beheer van het exploi-tatie-element kunnen dan de besturen van de samenwerkendeorganisaties worden betrokken.Nu nog iets over de grootte van de te bouwen tehuizen.In Kopenhagen vindt men 12 tehuiscomplexen, verdeeld overde gehele stad. Hieronder is De Gamles By niet begrepen.Het gemiddeld aantal bewoners bedraagt 436, Het hoogste enhet laagste aantal bedraagt resp. 873 en 208. Dit aantal is m.i.veel tc hoog. Ik meen dat het onjuist is om een zo groot aantalbejaarden bijeen te brentjen. Het gevolg hiervan is, dat menteveel in de sfeer van het oud-zijn geraakt. Men voelt zich te-veel opgeborgen in het hoekje der oudjes. Beter is het zo langmogelijk in het gcmeenschapsleven te blijven verkeren. Eenbejaardentehuis zal dus in de woonwijken moeten wordenopgenomen, waar het normale stadsbeeld heerst. Het aantalbejaarden dat men bijeenbrengt moet, rekening houdende meteen economische exploitatie, niet boven de 150 a 200 uitgaan.Naar mijn opvattingen heeft ook ons land reeds te grote in-richtingen gebouwd.Wat mij in Denemarken ook is opgevallen is, dat in geen dertehuizen logeerkamers werden gevonden. Ik vind dit beslistnodig. Het moet mogelijk worden gemaakt dat, wanneer mendoor ouderdom gedwongen wordt naar een kleinere woningof tehuis over te gaan, men toch nog eens familie of vriendenkan ontvangen. Men moge niet vergeten dat op de oude dagde gezelligheid, het weer eens samen zijn onder ,,oude be-kenden" een grote rol gaat spelen. Bovendien zal men ge-makkelijker de grote woning verlaten, wanneer men weet vol-doende ruimte in het nieuwe huis te zullen vinden. Ook al isdat, een logeerkamer die men voor enkele dagen kan huren.Eveneens is mij opgevallen dat in Denemarken zeer weinigwordt gedaan aan tijdsbesteding. Ik vind het beslist nodig datelk complex de beschikking krijgt over ruimte waar men nogeens wat arbeid kan verrichten. Het stuk gereedschap, waar-rtlede men zijn gehele leven zo vertrouwd is geweest, hanteertmen nog zo graag eens. Al is het maar voor het maken van eenstuk speelgoed voor een kleinkind. Bovendien heeft het bezigzijn,, het nog een taak hebben, grote waarde voor de oude dag.Nu nog iets over wat de heer S. noemt de natuurlijke taak derw^oningbou^werenigingen.Reeds veel eerder is de vraag aan de orde gesteld lof de wo-ningbouwverenigingen zich met wat men noemde ,,maatschap-pelijk werk" mochten bezighouden. Het kwam reeds in 1929toen enkele woningbouwverenigingen radiodistributie gingenaanleggen. Tegen de bezwaren van de Minister van Arbeidkwam toen de N.W.R. in het geweer en wist de mening t.o.v.deze zaken om te buigen. Later was het vrij normaal wanneereen woningbouwvereniging een badhuis ging bouwen, geysersging verhuren, een wasserij in exploitatie nam. Nog weer laterzagen we openbare boekerijen, vergaderlokalen, enz. door dewoningbouwvereniging gesticht. Zelfs kinderbewaarplaatsenen kleuterscholen kwamen tot stand. Waarom zouden de wo-ningbouwverenigingen zich nu van de bejaardentehuizen, alof niet met verzorgings-element, moeten verre houden? M.i.ligt hier zeker een taak voor de besturen der woningbouwver-enigingen met hun jarenlange ervaringen op het terrein dervolkshuisvesting.Want ook de bejaardentehuizen moeten we zien als een stukvolkshuisvesting. Bovendien moet men niet vergeten, dat hetstichten van bejaardentehuizen er toe kan bijdragen, dat dewoningdifferentiatie in de woningbouwverenigingen groterwordt. Men komt dan gemakkelijk tot woningmutaties. Dit zalvooral tot uitdrukking komen wanneer men een bejaarden-tehuis in de onmiddellijke omgeving van de gezinscomplexenkan bouwen.Mijn conclusie is dus wel een geheel andere dan die van deheer S. De woningbouwverenigingen hebben een taak bij deoplossing van het vraagstuk van de bejaardenzorg. Zij zullendeze taak echter voorlopig moeten beperken tot de bouw vankleine woninkjes en bejaardentehuizen met gehele of gedeel-telijke verzorging. Zij zullen de bouw van woningen en tehui-zen zelf ter hand nemen, doch zich bij de exploitatie en organi-satie moeten laten bijstaan door de verenigingen op sociaalterrein werkzaam.Niet een overheveling, doch een bundeling van krachten kantot goede resultaten leiden.Delft. Barel.Onderschrift:De discussie wordt, naar onze smaak, wat verward. In het ar-tikel over huisvesting van bejaarden, dat wij plaatsten in hetnummer van December 1952 van ons maandblad, betoogdenwij, dat de woningbouwcorporaties onder de huidige omstan-digheden beter konden nalaten de grote en bijzondere risico'suit hoofde van de verzorging van ouden van dagen te aan-vaarden. De principiele vraag of de woningbouwverenigingenvan nature tot taak hebben in huisvesting en verzorging vanbejaarden te voorzien, lieten wij daarbij bewust onbesproken.Uit ons artikel bleek overduidelijk, dat wij louter uit overwe-gingen van doelmatigheid thans de woningbouwcorporatiesmoeten afraden zich als zodanig in een vrij onzeker avontuurte begeven.De heer Barel begon zijn vorige publicatie met de mededelirig,dat hij ons standpunt niet kon delen. In die publicatie zochtenwij vergeefs naar argumenten. Het blijkt nu, dat de heer Barelvoornemens was die argumenten in een volgend artikel te le-veren.Wij geloven, dat het goed is om eerst vast te stellen in welkeopzichten de heer Barel en wij het eens zijn. Het wil ons n.l.voorkomen, dat een nadere analyse van de standpunten nietveel ruimte laat voor verschil van inzicht.Onze opposant stelt in zijn artikel, dat de verzorging van dehulp-behoevende ouden van dagen zeker niet op het terreinvan de woningbouwverenigingen ligt. Wij zijn het daar vol-mondig mee eens, getuige o.a. de zinsnede uit ons vorig artikel,,Het zijn nu juist de consequenties van die noodzakelijke aan-vullende verzorging, die de besturen der woningbouwcorpora-ties terecht benauwen als zij zich gaan bezighouden met plan-nen in die richting".De heer Barel bespreekt vervolgens de ,,gemengde" oplossin-gen, welke voor de groep van ouden van dagen, die hij met deletter ,,B" merkt, toegepast zouden moeten worden. Zo veelmogelijk met behoud van de eigen zelfstandigheid voor deoudjes, zal toch gezorgd moeten worden voor aanvullendeverzorging. De schrijver komt na zijn uiteenzettingen hierom-trent tot de voorzichtige conclusie, dat ook hier de woning-bouwverenigingen niet haar eigenlijke taak vinden. Alweerovereenstemming met ons standpunt, zij het dan ook, dat deheer Barel niet zo bevreesd lijkt voor de exploitatie-risico's alswij.Voor de groep ,,C" bepleit de heer Barel een nagenoeg zelf-standige huisvesting in uiteraard daarvoor speciaal geschiktevormen. Hier komt de bouwvereniging aan het bod, niet alleennaar het inzicht van de heer Barel, maar ook naar onze mening,die wij ter opfrissing van het geheugen weer staven met eencitaat uit ons vorig artikel: ,,Voorzover het (uitsluitend) gaatom de bouw en de exploitatie van kleine woningen voor oudenvan dagen -- dikwijls in combinatie met normale woningbouw^ levert de activiteit van de corporaties geen of alleen de ge-bruikelijke moeilijkheden op".Als men nu verder bedenkt, dat in vrijwel alle gevallen, dieop het terrein van de huisvesting van bejaarden in ons landaan de orde komen, ook het element ,,verzorging" een meer ofminder belangrijke rol speelt, dan ligt en voor de heer Barel envoor ons de conclusie voor de hand, dat de woningbouwver-enigingen grote voorzichtigheid in acht dienen te nemen.Nu vloeit, blijkens het slot van het artikel van de heer Barel,uit het hierboven geanalyseerde gelijke inzicht toch nog geengelijke houding t.o.v. de practijk voort. Naar onze bescheidenmening is de laatste alinea van het artikel van de heer Bareleen weinig in tegenspraak met hetgeen hij eerder betoogde.Wellicht is dit te verklaren door het enthousiasme voor dit 17nieuwe werk, dat de heer Barel bezielt en door de wens ditenthousiasme te verbinden met zijn oude en geenszins gestor-ven liefde voor de woningbouwverenigingen. Wijst dan hetslot van ons eerste artikel aan de heer Barel niet een begaan-bare weg? Wij hebben daar zeker niet bedoeld te pleiten vooreen overheveling van krachten; wij hebben een lans gebrokenvoor samenwerking. Met de heer Barel zijn wij van oordeel,dat men bij het werk voor de huisvesting en de verzorging vanbejaarden het medische aspect van de zaak terdege in achtmoet nemen. Daar vloeit uit voort, dat men artsen, verpleeg-sters, wijk- en kruisverenigingen bij het werk moet betrek-ken. Met de heer Barel menen wij, dat huishoudelijke zakenaan de orde komen, waarvoor verenigingen van huisvrouwenen sociale instellingen zich van nature interesseren. Wij zou-den het een belangrijke winst achten, indien de ervaringen,welke in het werk der woningbouwverenigingen zijn opge-daan, mede ten voile aan de oplossing van het bejaarden-pro-bleem dienstbaar gemaakt zouden worden. Vandaar, dat ookwij deze bouwverenigingen in de onderhavige zaak een be-langrijke taak toedichten. Wij blijven er echter bij: Niet debouwverenigingen alleen en uitsluitend verantwoordelijk voorde moeilijke en in bepaalde opzichten nog onzekere exploitatieverantwoordelijk laten. Niet volstaan met het aantrekken voorlouter adviserende bijstand op die terreinen, die men zelf nietvoldoende beheerst. Inderdaad: bundeling van alle krachten,welke op dit terrein een rol spelen, maar dan ook een bunde-ling, die tevens tot een collectieve verantwoordelijkheid leidt.Als men zich iets meer verdiept in wat b.v. de NederlandseCentrale voor Huisvesting van Bejaarden doet en beoogt, danzal men ervaren, dat dit in overeenstemming is met de hier-boven geschetste uitgangspunten, waartoe, eerlijk gezegd,toch ook de beschouwingen van de heer Barel moeten leiden.W. S.De vrouw en haar huisHet is niet voor het eerst, dat ik een artikel van de heer Kingmain ,,De Woningbouwvereniging" met grote instemming lees.De heer Kingma moge het mij vergeven, dat ik desondanks inde pen klim en hij moge bedenken, dat mijn aanvulling niet wilzeggen, dat zijn stuk ,,De goede woning en het goede bewonen"niet volledig genoeg zou zijn. Het is alleen zo, dat bovenge-noemd stuk een gevoelige snaar bij mij aanraakte, en dat dezesnaar niet rust, voor ze iets naar buiten heeft laten horen.Wanneer men vergaderingen of excursies meemaakt met be-stuursleden van woningbouwverenigingen, treft het steeds,dat hier een geest heerst van: ,,Dit hebben wij bereikt en daarzijn wij trots op". Men zou dit kunnen noemen ,,een gepastgevoel van eigenwaarde".Als men zich nu afvraagt, waaruit dit gevoel voortkomt, danmeen ik, dat het niet voortspruit uit het feit, dat het onderhoudideaal is, dat de financiele zaken zo vlot verlopen, dat er nooitmoeilijkheden zijn -- een insider beluistert daar iets anders,iets van meer omvattende betekenis.Men beseft in die kringen zeer wel, dat een woningbouwver-eniging geen ,,zaakje" is, dat een woning niet uitsluitend ge-bruiksvoorwerp of middel van beschutting is, men weet hier,dat men meebouwt aan een stuk cultuur.Een woning die niet alleen goed gebouwd is, maar ook goedbewoond wordt, biedt zowel aan het gezin in zijn geheel alsaan ieder gezinslid afzonderlijk de mogelijkheid tot harmoni-sche groei. Daarom zijn wij in Holland terecht trots op de be-tekenis van de woningbouwvereniging.De woning moet beantwoorden aan de bchocften van iedergezinslid, maar toch is er in het algemeen een gezinslid datzorgt, dat deze woning in al zijn onderdelen tot zijn rechtkomt en dat iedere bewoner aarden kan in zijn eigen huis. Eris een Engels rijmpje '-- de maker of wellicht de maakster ismij onbekend ^- dat luidt:The men on earth build houses, halls and domes,but the women -- God knows ^- the women build the homes.Hierin komt tot uitdrukking, dat weliswaar de mannen huizenen kerken bouwen, maar dat het de vrouwen zijn, die een huistot een thuis maken. En nu is dit het punt, dat altijd weer op-valt. Hoe belangrijk de invloed van de vrouw op de woning i?,-- men zou het niet zeggen, als men de rijen vertegenwoordi-gers tezamen ziet; want welke vrouw waagt het in deze krin-gen te verkeren?Ik weet het -- het huurcontract is bij gehuwden ondertekenddoor de man en hij is aansprakelijk. En aangezien de alleen-staanden geen woning meer bemachtigen ondanks het feit,dat zij door hun of haar levenswijze vaak meer arbeid aan deJ O gemeenschap geven, dan voor iemand die een gezin heeft mo-gelijk is, ook ondanks het feit, dat de financiele bijdrage aandie gemeenschap (in de vorm van belastingbetaling) percents-gewijs veel hoger ligt -- is deze alleenstaande volkomen on-vindbaar bij de leidende figuren van de woningbouwvereni-ging.Zou het echter niet de moeite waard zijn een middel te vindenom de vrouw -- de bewoonster! --- wel zitting te laten nemenin het bestuur der woningbouwvereniging? Ongetwijfeld is diteen statutenwijziging waard!Want ^ en nu kom ik op het pleidooi voor de aanstelling vaneen opgeleide woninginspectrice van de heer Kingma.Is de afkeer tegen de woninginspectrices die leeft bij de wo-ningbouwvereniging van belanghebbenden niet voor een deelgelegen in het feit, dat dit werk door een vrouw gedaan wordt?Stelt U zich eens voor: Een vrouw die beraadslaagt met eenmannenbestuur -- niet, dat ze zich daartegen zou verzetten,maar die toch de dingen vanuit een andere gezichtshoek zoulaten zien!Het verwondert mij altijd weer, dat in de kringen waarin deemancipatie van de arbeider 20'n machtige indruk heeft ge-maakt, men aan de emancipatie van de vrouw zo gemakkelijkvoorbijgaat. Wanneer zal de tijd toch eens komen, dat mende vrouw in de woningbouwvereniging accepteert, niet als deechtgenote, die met haar man wil meeleven, evenmin als devrouw die net als de man wil zijn, maar als de vrouw die detijd gekomen acht voor vrouwelijke invloed, naast die van deman, tot verruiming en verdieping van beider opinie.Het komt mij zeer waarschijnlijk voor, dat hier misschien nietde, maar toch wel een kern ligt van de reden, dat de woning-inspectrice haar entree bij de woningbouwverenigingen maarmoeizaam maakt!Ongetwijfeld zult U antwoorden, dat de vrouw zelf in belang-stelling voor het woningvraagstuk tekort schiet. Dit is in velegevallen ook zo, en het is zeer begrijpelijk. Is de historie vanhaar bewustwording niet heel wat jonger dan die van de man?Het zij mij in dit verband geoorloofd het overtuigend betoogvan de heer Kingma betreffende het nuttige werk, dat de wo-ninginspectrice in de woningbouwvereniging kan verrichten,aan te vullen met de vraag: Wie kan naar Uw mening de be-woonster opwekken tot beter gebruik van eigen woning in deallereerste plaats, maar daarnaast tot meeleven met de ver-schillende aspecten van de volkshuisvesting?Ongetwijfeld wordt de bewoonster alleen overtuigd door eenvrouw, die door haar mede-vrouw-zijn aanvoelt haar schroomom op de voorgrond te treden, om buiten het vertrouwde be-slotene te gaan; maar die ook zal weten te wijzen op de gro-tere rijkdom die het gezinsleven krijgt als men zijn blik ver-ruimt en buiten het gezin leert kijken, en die bovenal de na-druk zal leggen op onze vrouwenplicht tegenover de maat-schappij.;allesin...Het principe ,,alles in ten" stelt meeren andere technische eisen dan het e'en-zijdig principe, dat aan het ontstaanvan gewoon sanitair ten grondslag lag.VANDAAR:Een gepuntlaste bewapeningDe zuiver ronde vorm van de komDe stoomverharding in drie phasenEen drukvastheid van 600 kg cm'Het dubbel-gepolijste oppervlak.Alleen het originele LA VET isbestand tegen een duizendvoudige wis-seling van temperatuur (warm en koudwater!) en biedt bovendien weerstandtegen de voortdurende inwerkingvan lichtelijk agresneve stojfenOCRIET reinigen met VIMOcMetOCRIETFABRIEK N.V, BAARNTEL 2380 (K 2954)Voor deze taak is de woninginspectrice wel uitermate geschikt,krachtens haar vrouw-zijn en krachtens haar opleiding.Moge het vele mannen-bestuurders van woningbouwvereni.aWqen qeqeven zijn op deze wijze mede te werken aan eeigingen gegeven zijn opstukje emancipatie.De woningbouwvereniging zal er wel bij varen!eenInWilhelmina C. Blomberg.Memoriam J. SpekOp 19 Februari 1953 overleed te Amsterdam in de ouderdomvan 76 jaar de in de kringen van woningbouwcorporaties zobekende Heer Jakob Spek. Opnieuw een verlies uit de rijenvan de mede door het werk voor de woningbouwverenigingengevormde deskundigen.Nu wij, helaas ter gelegenheid van zijn verscheiden, over deHeer Spek moeten schrijven, strijden drie gevoelens om devoorrang. Daar is zijn rustige, vriendelijke en welwillendeverschijning, die de omgang met hem tot een genoegen maak-te. Daar is zijn door kennis en ervaring en werk verkregenautoriteit, die ons altijd weer bleek, daar waar zijn adviezenwerden gevraagd en gegeven. Daar is zijn, vrijwel tot hetlaatst, ongebroken werkkracht, die vooral bleek uit hetgeenhij deed en niet in de eerste plaats uit wat hij scheen te zijn.Wij hebben de Heer Spek in tal van besprekingen meege-maakt. Hij verstond het luisteren; hij wilde graag het oordeelvan anderen horen, alvorens hij zijn mening gaf. Hoewel hijweten kon en mocht, dat hij het onderhoudsvraagstuk zoweltechnisch als organisatorisch op bijkans wetenschappelijkewijze volkomen beheerste, drong hij nimmer zijn mening opdoor zijn positie als adviseur. Hij gaf steeds zijn oordeel alseen mogelijkheid, die door zijn toelichtingen en zijn verwijzin-gen aan de anderen allengs als de enig juiste mogelijkheidduidelijk werd. Niemand echter, die van de Heer Spek advie-zen ontving, voelde zich in zijn vrijheid van oordeel ook maarenigszins beperkt. Op het terrein, waarop hij zich voor debouwverenigingen bewoog, heeft hij zich in de loop van dejaren een vrijwel onbestreden gezag verworven. Is het nietopmerkelijk, dat men b.v. in Amsterdam spreekt van ,,dekleuren van Spek", wanneer men het uitstekend verzorgdeschilderwerk van de mooie complexen van de Algemene Wo-ningbouwvereniging opmerkt? Overkwam het ons niet, datwij, sprekende over de levensduur van bepaald schilderwerk,moesten horen: ,,Dat mag U niet tot maatstaf nemen; dat werkis op voorschrift en onder leiding van Spek uitgevoerd!"Onze vriend Spek heeft de hem geschonken krachten in zijnlange leven besteed aan het algemeen belang. Wij kondendaarvan slechts in de laatste jaren getuige zijn. Derhalve we-ten wij slechts van horen-zeggen, hoe hij eerst in de vakbewe-ging, later als adjunct-directeur van het Amsterdams arbeids-bureau, voortreffelijk sociaal werk heeft gedaan, dat altijdgedragen werd door de bezonkenheid van oordeel, die aanSpek eigen was.Het is zoals het bestuurslid van de Nationale Woningraad, deHeer Couwenhoven, het in de aula van het crematorium inWesterveld heeft gczegd: Overal in den lande vindt men be-stuurders van woningbouwcorporaties, die dankbaar zullengedenken wat de Heer Spek in het belang van een goed enverantwoord woningbeheer heeft gedaan. De herinnering aanTakob Spek zal in onze kringen nog lange tijd voortleven.W. S. 19De ideale WoningbouwcorporatieIs ecn belangirijke vergroting van financiele deelname der le-den-bewoners en leden-belangstellenden in de vereniging mo-gelijk?Deze vraag bepaalt de aandacht bij de financiele middelen,waarover een corporatie, overeenkomstig de Woningwet toe-gelaten, bij haar tot standkoming beschikt, of waarover zij debeschikking hoopt te verkrijgen, wanneer haar werkzaamheideen aanvang zal hebben genomen. Met financiele middelenhebben we laier in de eerste plaats op het oog het stamkapi-taal, waarvan artikel 6 van het Woningbesluit bepaalt datdaarover een billijke vergoeding -- ter beoordeling van de be-voegde Minister -- kan worden uitgekeerd. Een vraag, die indit verband rijst is of voornoemde bepaling van artikel 6 Wo-ningbesluit slechts voorziet in de mogelijkheid van aanwezig-heid van enig kapitaal of dat zij voor de corporatie een zekereverplichting inhoudt bij haar tot standkoming een stamkapi-taal te vormen. De desbetreffende bepaling letterlijk volgendzijn wij geneigd het laatste te onderstellen. Het voorschrift --dat in de statuten van alle corporaties naast vele andere voor-schriften moet worden opgenomen -- luidt namelijk dat gel-delijk voordeel voor leden, aandeelhouders, enz. geheel isbuitengesloten met uitzondering o.a. van een billijke rente --ter beoordeling van de Minister -- over het bijeengebrachtestamkapitaal en de eventueel door lening van hen verkregenfondsen.De plaats van het woord eventueel zou erop kunnen wijzen datde wetgever de aanwezigheid van stamkapitaal als vaststaandaannam. Deze mening vindt steun in de beantwoording vande vraag, voorkomende in ,,De Gemeentestem" van 27 Dec.1902, welke als volgt luidde: ,,Het hebben van eenig kapitaalis voor eene vereeniging immers niet noodig, daar alles haarkan worden voorgeschoten?". Het antwoord van de zijde derredactie luidde: ,,Ingevolge art. 10, sub b van het K.B. van28 Juli 1902 (Stbl. no. 160) moet de vereeniging, om over-eenkomstig art. 30 woningwet toegelaten te kunnen worden,een zeker ,,stamkapitaal" bezitten".Uit een en ander concluderen wij, dat de wetgever het bezitvan enig stamkapitaal niet facultatief heeft gesteld. Dit is temeer aannemelijk wanneer men bedenkt dat de voor en tijdenshet ontstaan der wet werkzame corporaties een voor die dagenaanzienlijk vermogen bezaten. Sommige genoten steun vanwelgestelde particulieren, anderen stonden onder rechtstreek-se leiding van kapitaalkrachten.Evenmin als er voor de wetgever aanleiding bestond te den-ken aan de mogelijkheid dat kleine, zwakke lichamen toelatingingevolge de Woningwet zouden vragen, hetgeen later een,,voortwoekering v&n zwakke verenigingen" zou gaan be-tekenen i) evenmin zal bij het ontwerpen der wet de praktijkaanleiding hebben gegeven onder de voorwaarden, waarondertoelating overeenkomstig de Woningwet kon worden verkre-gen, een voorwaarde omtrent de aanwezigheid van stamkapi-taal op te nemen, omdat men deze als vanzelfsprekend aannam.Op een bepaald tijdstip reeds vrij kort na het inwerking tredender wet, moet het Rijk genoegen hebben genomen met corpo-raties, die hoegenaamd geen eigen middelen bij haar optre-den meebrachten, corporaties, wier stamkapitaal op een luttelbedrag was vastgesteld (veelal stichtingen) of corporaties, dieop papier financieel krachtig schenen (statutaire vaststellingvan een ogenschijnlijk voldoende kapitaal) doch die in feiteslechts enkele aandelen volgestort kregen, en later nog de cor-poraties, uitsluitend met 'een contributiestelsel. De toelatingvan de' bezitloze corporaties zou kunnen worden toegeschrevenaan de verwachtingen die men koesterde van het uit de bevol-king opgekomen initiatief, en aan geleidelijke kapitaalvormingtijdens de exploitatie.1) Eerst vele jaren later, in 1921, geschiedde zulks alsnog enwel door opneming van de thans in art. 5, lid 1 sub Q W.b. be-^U doelde bepaling.In een in 1904 verschenen boekje ,,Woningbouw en Woning-wet" stelde Mr v. Gijn dat het niet mogelijk was te zeggen hoegroot het aandelenkapitaal over het algemeen zou dienen tezijn, doch dat het bedrag afhankelijk was van de grootte vande plannen, en van de daarvoor benodigde voorschotten vande gemeente.,,Voor het overige hangt alles af van de gemeente, die het ver-lies moet dragen, voor zover dit het eigen kapitaal der vereni-ging te boven gaat; het gemeentebestuur zal in elk geval tebeslissen hebben of het kapitaal der vereniging de risico's z.i.voldoende dekt", aldus de schrijver van voornoemd boekje, datals eerste of een der eerste handleidingen, ten dienste van deverenigingen, verscheen. Met het oog op hetgeen in naburigelanden nodig werd geacht tot dekking van het risico van deoverheidskas, nam Mr v. Gijn aan dat ,,buitengewone risico'sdaargelaten, een waarborgsom of aandelenkapitaal van eentiende van hetgeen men in voorschot vraagt somtijds wel vol-doende zou zijn".De praktijk heeft bewezen, dat de gemeentebesturen stelligniet hebben nagelaten zich ervan te vergewissen of het eigenbezit der vereniging voldoende waarborg opleverde voor hetdoor hen te dragen risico, en bij de beslissing omtrent de steun-verlening zich ervan bewust waren dat, zoals wij in een oudrapport lazen ,,geadministreerd zou worden uitsluitend metandermans geld en wel met dat van gemeente of Rijk, zonderdat het bestaan van een eenigszins belangrijk stamkapitaal alswaarborg strekte, dat de risico's der ondernemingen niet uit-sluitend op het opgenomen kapitaal drukte".Is het enerzijds begrijpelijk, dat de afwezigheid van eigen ka-pitaal de risico-dragende lichamen ertoe noopte naar anderemiddelen uit te zien om een zekere waarborg te verkrijgen,anderzijds valt zulks te betreuren, aangezien die middelenveelal werden gevonden in het stellen van voorwaarden, diemogelijk een beperking van risico betekenden, doch daarnaasteen directe inmenging in de zaken der vereniging. Als voor-beeld noemen we het vastleggen van het recht tot aanwijzingvan gemeentelijke gedelegeerden in het bestuur der vereni-ging, en als ander voorbeeld een besluit van een gemeenteraad(in het jaar 1919) waarbij als voorwaarde voor de voorschot-verlening bij tweede en verdere bouw werd geeist dat het aan-delenkapitaal ten minste f 50.-- per lid zou bedragen, inuiterlijk vijf jaren vol te storten.De door gemeenten, reeds voor de aanvang van de eigenlijkewerkzaamheden, aan de verenigingen gestelde voorwaardenzijn uiteraard zeer uiteenlopend. Dientengevolge kan niet inhet algemeen worden aangegeven in welke mate de woning-bouwcorporaties op dat tijdstip reeds een zekere bevoogdingvan de zijde der risico-dragende lichamen hadden te aan-vaarden. Doch stellig is het zo dat het gemis aan eigen mid-delen een ongunstige invloed heeft gehad op het doen en latenvan de corporaties, min of meer remmend werkte op de ge-zonde ontwikkeling van de corporaties en voor haar een be-perking van vrijheid betekende.Hadden wij in het vorenstaande met eigen financiele middelenin de eerste plaats op het oog het stamkapitaal en concludeer-den we dat de wetgever, toen hij het particulier initiatief eenbelangrijke plaats toedacht, in gedachten moet hebben gehadkapitaalkrachtige verenigingen van sociaal-belangstellenden,alsmede dat later de noodzaak zal hebben bestaan of mogelijkde behoefte zijn gevoeld ook het initiatief uit de belangheb-bende, niet-kapitaal krachtige, bevolkingsgroepen voortgeko-men in de verbetering van de volkshuisvesting te betrekken,ten slotte werd geconstateerd dat het ontbreken van een rede-lijke financiele waarborg voor de risico-dragende gemeenteaanleiding was min of meer ingrijpende voorwaarden aan desteunverlening te verbinden.Was het voor verenigingen van belangstellenden niet te ver-wezenlijken, voor verenigingen van belanghebbenden moet hetonmogelijk \vorden geacht de gemeenten een redelijke waar-borg te verschaffen voor de door hen te dragen risico's bij deexploitatie van een millioenen-bezit. Bij het stellen van de inde aanhef dezes genoemde vraag gaan onze gedachten dan ookAtDubbelhardgebakken vloertegelsDe TE6ELVL0ER die in elk huis pastDoor de talloze kleurnuances die tegelvloeren vandubbelhardgebakken tegels mogelijk maken. istoepassing erv^n ook bij de woningbouvv altijdte prelereren.De grote hygiene, de onbeperkte levensduur. heleenvoudige onderhoud. de vlakheid. hat zijn alleonbetwiste voordelen van dubbelhardgebakken te-gelvloeren.Publkatie van de Ned. Fahmken van dubbelhardgebakken vloertegels:Alfred Regout & Co's Vloertegelfahriek N.V., Maastricht, Fr. Roma-nusweg 2, tel. 5846.N. V. Porseliin- en Tegelfabriek .,Mosa", Meerssenerweg 358, Maastricht,tel. 4644.Tegelfabriek Schiedam N.V.. Noordvestsingel 141, Schiedam,tel. 6842} en 66144.niet naar een heffing van de leden van bcdragen ineens (of intermijnen), welke in totaal een voldoende dekking van het ri-sico der gemeente zouden moeten opleveren. Een redelijkewaarborg kan -- uit sociaal oogpunt bezien -- evenzeer zijngelegen in de wetenschap dat de leden, ieder voor zich ietsover hebben voor de instandhouding der vereniging en voorde versterking van haar financiele basis. Dan toch weet degemeente te maken te hebben met een vereniging, waarvan dehuurders der woningen werkelijk leden zijn, tot zelf doen enzelfwerkzaamheid in staat en bereid. Hoe is de praktijk? Aan-delen, ad j 10.--, vol te storten in twee jaar, contributies vantien cts per week, 25 cts per maand. Dit zijn geen uitzonderin-gen op een (betere) regel. Gevreesd wordt, dat in deze deregel nog te weinig uitzonderingen telt.Aan de voorwaarde die destijds een gemeente stelde aan devoorschotverlening -- in ander verband hierboven aange-haald ^ werd jarenlang streng de hand gehouden, doch later(mogelijk in de dertiger jaren) bleek dat de verplichting tot hetnemen van een aandeel ad f 50.^ af te lessen in vijf jaren,remmend werkte op de verhuurbaarheid der woningen! Voor-waar geen voorbeeld om moed uit te putten voor de toekomst.Het in het leven geroepen risico-reservefonds, als onderdeelvan] de Bijdragen-regeling Woningwetbouw 1948 lijkt eenstap te zijn op de weg naar bevordering van de zelfstandigheid.Verschillende omstandigheden ontnemen de meest waarde-volle gedachten aan dit reservefonds. (Vordering verenigings-woningen door gemeenten t.b.v. niet-leden; organisatievormder corporatie; stichtingen en verenigingen van belangstellen-den zonder lidmaatschap van de huurders). In een artikel vande heer Festen: ,,De betekenis der reservevorming" (,,Volks-huisvesting", Maart 1950) bepleit deze dat de gemeenten, inde aanvang althans, de storting van 7 pet der jaarhuur geheelvoor eigen rekening nemen, omdat ingeval van vordering vaneen gedeelte daarvan op de verenigingen, deze veelal genood-zaakt zijn dit op haar leden te verhalen, hetgeen een uittredingtengevolge zou kunnen hebben, waarmede een te betreurenverzwakking barer positie zou gepaard gaan.Onder de huidige omstandigheden lijkt dit gevaar niet zo groot(voor schaarse artikelen heeft men over het algemeen wel watover) doch wanneer in gewijzigde omstandigheden de wo-ningbehoevenden niet meer zijn aangewezen op de vereniging?Het probleem van een vrije, zelfstandige en minder bevoogdecorporatie bepaalt zich niet uitsluitend, en n.o.m. zelfs nietvoor het overwegende deel, tot de regeling van de exploitatievan de bezittingen, een grotere rol spelen hierin de sociale be-langstelling, de offerbereidheid, de werkkracht e.a. Naarmatedeze factoren afwezig zijn of gaan verdwijnen, wordt het nood-zakelijk, de positie van de woningbouwcorporaties nader onderde ogen te zien en te trachten, dit instituut aan de gewijzigdeomstandigheden aan te passen. Alleen dan zal het mogelijkzijn, aan de woningbouwverenigingen haar aanvankelijkeplaats op het terrein der volkshuisvesting te hergeven.W. Dijkhuizen. 21Mededelingen van de Nationale WoningraadBestuursvergadedngenOp 2 Februari 1953 kwam het dagelijks bestuur van de Na-tionale Woningraad in vergadering bijeen. De financiele toe-stand van de organisatie werd besproken. Het zal in verbandmet deze financiele situatic wellicht mogelijk worden om inde reeds lang gevoelde behoefte aan enige uitbreiding vanhet bureau-apparaat te voorzien.De ontwikkeling van de standaardisatie in de woningbouw ende rol, welke de Woningraad daarin speelt, maakten onder-werp van een omstandige bespreking uit. Moeilijkheden,welke zich in het begin van de Woningraad-activiteit op ditterrein voordeden, schijnen allengs overwonnen te worden.Het dagelijks bestuur stelde vast, dat uit de eigen middelenvan de Woningraad een vrij aanzienlijk bedrag aan de be-vordering van de standaardisatie was besteed en het achttedit, mede op grond van de verdere vooruitzichten, verant-woord. Met enige voldoening werd geconstateerd, dat deeerste concrete en bemoedigende resultaten met een begin-nende standaardisatie werden bereikt. Aan de secretaris kannu toestemming worden verleend om op een bedachtzamewijze over deze resultaten te pubhceren. (Men zie hierovermededelingen in het vervolg van deze rubriek).Besloten werd om samen met het Katholieke Instituut voorVolkshuisvesting de aandacht van de Minister te vragen vooronderwerpen, die het bestuur van actuele betekenis voor wo-ningwetbouw en -exploitatie acht.Het dagelijks bestuur zal gaarne gebruik maken van het aan-bod van in Zwolle gevestigde woningbouwcorporaties om dealgemene ledenvergadering-1953 in die stad te doen houden,Gedacht wordt aan Vrijdag 26 en Zaterdag 27 Juni 1953.In verband met het 40-jarig bestaan van de Nationale Wo-ningraad zal in de algemene ledenvergadering aan de ge-schiedenis van de organisatie aandacht worden besteed. Vanuitvoerige feestelijkheden of herdenkingen wordt afgezien.Het algemeen bestuur van de Woningraad vergaderde op 25Februari. De financiele jaarstukken, gedekt door het inmid-dels verschenen accountantsrapport, werden vastgesteld. Hetbestuur verenigde zich met voorstellen aangaande een voor-zichtige uitbreiding van het bureau, gedaan door het dage-lijks bestuur.De voorzitter bracht verslag uit van de bespreking, welkeintussen samen met vertegenwoordigers van het Katholiek In-stituut voor Volkshuisvesting met Minister Witte zijn ge-voerd. In deze bespreking kwamen aan de orde een moge-lijke uitbreiding van de werkzaamheden der centrale organi-saties en de daarmede verband houdende financiele conse-quenties; de ter gelegenheid van een eventuele huurverhogingvast te stellen normen voor onderhoud en algemeen beheer;de inschakeling van de woningbouwcorporaties bij de bouwen de exploitatie van woningwetwoningen, 66k in die geval-len, waarin gemeentebesturen op grond van kennelijk on-juiste argumenten die inschakeling verhinderen. De voorzitterreleveerde de zeer positieve en welwillende wijze, waarop deMinister zich met de vertegenwoordigers der centrale or-ganisaties had willen onderhouden.Het bestuur verklaarde zich accoord met een voorstel vanhet dagelijks bestuur om op een bepaalde wijze hulp te biedenaan woningbouwcorporaties en gemeenten in de rampgebie-den. Voor bijzonderheden over deze actie zij verwezen naarde desbetrefende publicatie in dit blad. Het bestuur verenigdezich van harte met het reeds door het dagelijks bestuur ge-nomen en uitgevoerde besluit tot het verlenen van een bij-drage aan het Rampenfonds.De secretaris bracht verslag uit over hetgeen tot dusver isondernomen in verband met een definitieve regeling van dearbeidsvoorwaarden van het personeel van woningbouwcor-poraties. De problemen, welke hierbij aan de orde komen zijnliZ vrij ingewikkeld. Het bestuur is van oordeel, dat zo spoedigmogelijk een voor de woningbouwverenigingen duidelijke enaanvaardbare opiossing voor dit probleem moet worden ge-vonden. De gegevens, welke uit de inmiddels ingestelde en-quete zullen worden verkregen, kunnen straks het dagelijksbestuur in staat stellen om een doeltreffende actie te voeren.Uiteraard zijn in de afgelopen maanden te dezer zake reedsde nodige stappen ondernomen. Speciaal in verband met deterecht gewraakte indeling van de woningbouwcorporaties in-zake de uitvoering van de Wachtgeld- en Werkloosheidswetzal een beslissing v66r 30 Juni 1953.noodzakelijk zijn.W. S.Standaardisatie in de woningbouwDe aanvankelijk gekoesterde verwachtingen ten aanzien vanhet verloop van de actie voor de standaardisatie in de wo-ningbouw zijn niet in alle opzichten vervuld. Liet het zich aan-vankelijk aanzien, dat er in verscheidene gemeenten veel be-langstelling voor de actie van de Woningraad aanwezig was;allengs is het duidelijk geworden, dat deze belangstelling nietin alle gevallen tot concrete resultaten leidde. Daarbij dientte worden opgemerkt, dat er uiteraard enige tijd mede ge-moeid was voordat het technisch bureau van de Woningraadover zodanige gegevens in een bepaalde omvang beschikte,dat daarmede in concrete woningbouwplannen met succeskon worden gewerkt. Het is begrijpelijk, dat de belangstellingin een aantal gevallen alleen belangstelling moest blijven, om-dat de beoogde plannen in een zeer snel tempo klaar moes-ten komen.De door ons technisch bureau, in breed overleg met tal vandeskundigen vervaardigde tekeningen van constructies, de-tails, plattegronden e.d. zijn in vrij grote getale uitgezet; er isongetwijfeld hier en daar een dankbaar gebruik van gemaakt,maar in veel gevallen onttrok de toepassing van onze gege-vens zich aan onze verdere controle. In het verdere verloopvan de actie wordt uiteraard voorkomen, dat deze ,,ongrijp-bare" toepassing al te omvangrijke vormen aanneemt. Het isimmers ter bereiking van de door standaardisatie te verkrij-gen voordelen, zowel naar kwaliteit als naar prijs, noodzake-lijk, dat ,,de draden ergens bijeenkomen".Van de aanvang af is het de bedoeling geweest, dat de ont-wikkeling van de standaardisatie, voorzover de Woningraaddaarbij betrokken zou zijn, niet zou plaatsvinden buiten demedewerking van de vrije architecten. Het bestuur van deWoningraad staat ook thans, na de ervaring van ongeveereen jaar, n6g op dat standpunt. De eerlijkheid gebiedt ech-ter op te merken, dat de architecten het ons niet gemakkelijkhebben gemaakt dit standpunt ongewijzigd te handhaven.Zonder in bijzonderheden te treden, moet worden getuigd,dat in een aantal gevallen in strijd met de aanvankelijk ge-geven verzekeringen, de medewerking van de mede door onzebemiddeling ingeschakelde architecten zich heeft beperkt tothet in ontvangst nemen van onze tekeningen. Er is bij dearchitecten een zekere, uiteraard niet geheel onbegrijpelijkeachterdocht. Van die argwaan blijft bij diepgaand overlegniet veel over. Aanvankelijke misverstanden bij het bestuurvan de B.N.A. zijn na een breedvoerige bespreking ook uit deweg geruimd. Wij menen, dat de geschiedenis van de Wo-ningraad enige waarborg biedt voor de waarde van onzeverzekering, dat wij de architecten 66k bij de toepassing vanstandaardisatie-mogelijkheden onmisbaar achten. Nochtansleerde de ervaring, dat er van een zekere terughouding spra-ke is. Wij vertrouwen, dat deze terughouding na verloop vantijd, als de resultaten aan het licht treden en als de werkwijzeduidelijker wordt, zal afnemen en verdwijnen. De sympto-men van deze ontwikkeling bemerken wij reeds. Het zou,dunkt ons, voor de Nederlandse woningbouw uitermate scha-delijk zijn, indien de niet te weerhouden industrialisatie enstandaardisatie zich zouden voltrekken buiten de medewer-king der architecten. Het is duidelijk, dat de architecten zelfdaar veel aan af of toe kunnen doen.Intussen zijn nu min of meer gestandaardiseerde plannen voorin totaal een 800 woningen gereed, aanbesteed en reeds tendele gegund. Volgende plannen voor ongeveer 1.200 wonin-gen zijn in bewerking. Daarnaast worden in plannen voorenige duizenden woningen pogingen tot gedeeltelijke stan-daardisatie gedaan.Wij betreuren het eigenlijk, dat wij om overigens begrijpe-lijke redenen niet in bijzonderheden kunnen treden over deuitslagen der gehouden aanbestedingen. Wellicht willen delezers van ons de verzekering aanvaarden, dat voor wat deuitkomst betreft deze bestedingen zonder uitzondering bovenverwachting zijn geslaagd. Dat dit voor ons een stevige aan-moediging betekent, zal duidelijk zijn. Sceptici zullen op onzeraededelingen in dit opzicht wellicht reageren met enig wan-trouwen terzake van de kwaliteit van de standaardwoningen.De ervaring in de woningbouw van de afgelopen jaren leerdeimmers, dat goedkope woningen niet altijd ook goede wonin-gen bleken te zijn. Zelf hebben wij in verband met bepaaldeontwikkelingen in woord en geschrift wel betoogd, dat menpas dan over behaalde bezuinigingen in de woningbouw zoumogen juichen, indien deze bezuinigingen en technisch ensociaal volledig te verklaren, te analyseren en te verantwoor-den zouden zijn. Meer dan ooit staan wij op hetzelfdc stand-punt. Wij zijn er dan ook volkomen gerust op, dat straks detot stand gekomen woningen overeenkomstig onze plannen detoets van een scherpe critiek glansrijk zullen kunnen door-staan.Het wil ons voorkomen, dat wij in de laatste maanden tenaanzien van de standaardisatie op een bescheiden wijze zijngetreden uit de phase van het ,,praten" in de phase van het,,tonen". Over enkele maanden hopen wij belangstellendende eerste resultaten van het werk vo
Reacties