Maart 195313e Jaargang No. 3De WoningbouwverenigingUitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerschijnt maandelijksAdres Toor Redaotie eo Abonncmenten: Wouwermanstraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 24298Adres voor Advertenties s Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128Gezagvoerder en RoergangersNu de Eerste Kamer deze maand de begroting van het De-partement van Wederopbouw en Volkshuisvesting heeft be-handeld en bij die gelegenheid hartige woorden sprak overhet (woning-)goedkeuringsbeleid, kunnen wij de verleidingniet weerstaan om over hetgeen daarbij aan de orde kwamook het onze te zeggen. De lezers, die in vorige nummers vanons maandblad onze beschouwingen over dat goedkeurings-beleid ontmoetten, zullen zich nu over onze nabetrachting nietverbazen. Wij hebben in Januari en Februari gemeend ernstigte moeten waarschuwen tegen het ,,van bovenaf opleggen"van een half-om-half verhouding tussen woningwetbouw ende bouw van z.g. prcmiewoningen. Het was ons al dadelijkna ons eerste artikel hierover gebleken, dat er inderdaad inhet land vrij grote en breed verspreide onrust heerste overde ,,fifty-fifty-poHtiek", die de Minister bhjkbaar bij het uit-geven van goedkeuringen voor de woningbouw wilde doentoepassen. Die onrust heeft enige leden van de Eerste Ka-mer aanleiding gegeven om de Minister stevig aan de tand tevoelen. In de volgorde, waarin de sprekers aan het woord zijn,geweest, geven wij samenvatting van en enige commentaarop hetgeen zij over het goedkeuringsbeleid hebben opge-merkt.De Heer Woudenberg maakte melding van een tot de Ka-merleden gerichte brief van de Vereniging van NcderlandscGemeente, in welke brief de aandacht werd gevraagd voorde moeilijkheden, die zich bij de gunning van woningwet-woningen voordeden. Uit de citaten, welke de Heer Wou-denberg ten beste gaf, werd duidelijk, dat de Verenigingvan Nederlandse Gemeenten precies dezelfde verschijnselenop het oog had als wij in onze artikelen reeds hadden ge-noemd. Men moet wel aannemen, dat de feiten, die tot hetschrijven van deze brief aanleiding gaven, rechtstreeks terkennis van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten zijngebracht. De Vereniging en wij waren dus onafhankelijkvan elkaar tot dezelfde conclusies gekomen, hetgeen wel be-wijst, dat er inderdaad nog al wat beroering was ontstaanover de voor de woningwetbouw gerezen moeilijkheden.De Heer Woudenberg citeerde ook uit de artikelen uit devorige nummers van ons maandblad. Deze spreker liet wei-nig twijfel bestaan aangaande zijn mening over de gewraakteverschijnselen. Zoals het een ervaren parlementarier betaamt,wilde hij zijn eind-oordeel wel opschorten tot na het ant-woord van de Minister, maar het was bij de eerste rondereeds volkomen iuidelijk, dat deze spreker met het opleggenvan een half-om-half-verhouding tussen woningwetbouw enpremiebouw niet accoord zou gaan. Uiteraard moest de HeerWoudenberg in zijn logisch opgebouwd betoog ook aandachtschenken aan de rol van de woningbouw-voor-particuliere-exploitatie, zoals deze voor de laatste oorlog was gespeeld.Tegenover de vaak gehoorde verzekering, dat de voor-oor-logse dominerende positie van de particuliere woningbouwnormaal en dus ook thans weer wenselijk zou zijn, voerdedeze spreker aan, dat in de eerste veertig jaar van het be-staan van de Woningwet de bouw^ van woningwetwoningennauwelijks een behoorlijke kans was geboden! Daarbij maak-te hij een dankbaar gebruik van de gegevens, welke de HeerRikkert in het December-nummer van ons orgaan deed pu-bliceren. ^De wethouder, verantwoordelijk voor de woningbouw in En-schede, de Heer Nijkamp, deed vervolgens op rustige wijzeeen poging om de Minister aangaande het goedkeuringsbe-leid uit zijn tent te lokken. Het was heel duidelijk, dat dezesenator in de practijk van zijn wethouderschap al iets van devoor vele gemeenten onaangename ontwikkeling in het goed-keuringsbeleid had bemerkt. Het trok de aandacht, dat dezespreker wel bij voorbaat de goede bedoelingen van de Mi-nister aanwezig wilde achten en dat hij de Minister advi-seerde die goede bedoehngen toch vooral ter kennis van deprovinciale ambtenaren te brengen. Het is zeker niet onmo-gelijk, dat deze voor Minister Witte hoffelijke wending inhet betoog van de Heer Nijkamp aanleiding werd tot het-geen later volgde.De Heer De Vos van Steenwijk besteedde eveneens aan-dacht aan de verhouding tussen woningwetbouw en ,,parti-culiere woningbouw". In grote trekken en in uiteraard voor-zichtige formuleringen sloot hij zich aan bij hetgeen de HeerWoudenberg reeds had betoogd.De Heer Tjalma, burgemeester van Hoogeveen, riep even-eens de Minister ter verantwoording. Ook deze spreker ge-waagde van de artikelen in ons blad. Hij gaf uitdrukking aanzijn vrees, dat de in deze artikelen geschetste moeilijkhedeninderdaad bestonden en hij adviseerde de Minister zich tehouden aan hetgeen de bewindsman in de Memorie van Ant-woord zelf reeds had verklaard aangaande de feitelijke on-mogelijkheid om een vast verhoudingscijfer voor de verschil-lende soorten van woningbouw aan te geven.De dagbladen, die de ochtend na de vergadering van deEerste Kamer verschenen, maakten vrij uitvoerig meldingvan de op- en aanmerkingen, welke de Kamerleden aan hetadres van de Minister hadden gemaakt. De ene krant meen-de, dat het wel een misverstand zou blijken te zijn en dat deMinister derhalve de?e zaak wel met een ghmlach zou kun-nen afdoen. Een ander ochtendblad daarentegen was van oor-deel, dat het de Minister niet gemakkelijk zou vallen een aan-nemelijke verklaring voor de gesignaleerde moeilijkheden tcgeven.Wij laten nu de Minister aan het woord en vermelden dusdat deel uit de ,,Handelingen der Eerste Kamer", dat be-trekking heeft op de mededelingen van de bewindsman overhet al of niet opleggen van een vaste verhouding tussen wo-ningwetbouw en premiebouw:,,Er is hieromtrent een onaangenaam misverstand gerezen,,,dat ik uit de weg wil helpen. Ik mag mij er wel van ontslagen,,achten om alle opmerkingen van de geachte afgevaardigden,,hier te recapituleren en er stuk voor stuk op in te gaan. Het,,gaat echter om de beroemde fifty-fifty-verhouding, die door,,mij zou zijn opgedrongen. Ik wil wel zeggen, dat dit zeker,,niet het geval is. Mijnheer de Voorzitter, al was het alleen 25,,maar om deze abstracte redenering, dat het mijn hele in-,,stelling is, zoveel mogelijk te decentraliseren, zoveel mogc-,,lijk de persoonlijke vrijheid, de vrijheid van de lagere pu-,,bliekrechtelijke organen en lagere corporaties tot zijn recht,,te doen komen. Deze vrijheid brengt immers verantwoorde-,,lijkheid met zich mcde. Ik geloof, dat wij afmoeten van te,,vcel centrale naamloze verantwoordelijkheid en moeten ko-,,men tot persoonlijke verantwoordelijkheid of verantwoorde-,,lijkheid in kleinere kringen.",,Dus louter op grond van deze abstracte redenering zou ieder,,,die mij kent, hebben kunnen veronderstellen, dat dit op een,,misverstand berustte. Ik ben blij, dat dit punt is aangeroerd;,,het was mij niet bekend (cursivering door W. S.). Ik heb,,ogenblikkelijk een onderzoek laten instellen. Nu blijkt de,,situatie aldus te zijn. In het woningbouwprogramma zijn op-,,genomen 25.000 premiewoningen en een iets groter aantal,,woningwetwoningen, vervolgens nog woningen in de vrije,,sector en herbouwwoningen. Waar de verhouding tussen,,woningwetwoningen en premiewoningen in het bouwpro-,,gramma fifty-fifty was en hiermede bij de begroting rekening,,was gehouden, hebben sommige uitvoerende ambtenaren ge-,,dacht, dat dit een wet van Meden en Perzen was en dat,,dit ook doorgevoerd moest worden. Men heeft inderdaad,,aan verschillende gemeenten suggesties in deze richting ge-,,daan. Het probleem zelf, of geswitcht_ kan worden tussen,,woningwetwoningen en premiewoningen was nog in dis-,,cussie tussen het Departement van Wederopbouw en Volks-,,huisvesting en het Departement van Financien, waarbij mij-,,nerzijds werd gesteld, dat hier vrijheid moet zijn. Ik geloof,,ook wel, dat het Departement van Financien met deze stel-,,ling accoord zal gaan. De besprekingen tussen mijn Depar-,,tement en het Departement van Financien waren nog aan,,de gang. Sommige uitvoerende organen zijn bevreesd ge-,,worden, dat het schema van het bouwplan weleens niet zou,,kunnen worden uitgevoerd en zij hebben hier en daar aan..gemeenten mededehngen gedaan in de geest als door de ge-,,achte afgevaardigden naar voren gebracht. Ik betreur dit,,ten zeerste. Dit misverstand is uit de weg geruimd, zodat,,ook de vrees, die hier is geuit, weggenomen kan worden,,geacht. Alleen betreur ik, dat de Vereniging van Neder-,,landse Gemeenten, met wie ik overigens het meest plezie-,,rige contact heb, in plaats van direct een telefoontje te ge-,,ven, de indirecte weg heeft gebruikt door verschillende ge-,,achte afgevaardigden van dit probleem op de hoogte stellen,,,zodat ik via verschillende postilions d'amour deze post thuis,,kreeg. Inmiddels is deze zaak gereduceerd. Zou het om mo-,,netaire of budgetaire redenen door het Departement van..Financien noodzakelijk worden geacht, dat aan deze ver-..houding wordt vastgehouden, dan zal dit zeker niet op de..mathematische wijze fifty-fifty gebeuren, maar zal in over-..leg met Gedeputeerde Staten en de gemeentebesturen wor-,,den getracht een oplossing te vinden. Persoonlijk sta ik deze,,dwingende regeling tussen woningwetwoningen en premie-,,woningen niet voor. Dit moet zich uitbalanceren. Verleden,,jaar hebben wij 20.000 premiewoningen kunnen goedkeuren;,,5.000 hebben wij niet kunnen goedkeuren en deze zijn in de,,lade gebleven. Het getal 25.000 is aan de ruime kant. Hoe,,dit werkelijk zal gaan, daarover hoop ik U bij de behande-,,hng van de volgende begroting, indien ik de eer heb die,,begroting te mogen verdedigen, verslag te kunnen uitbren-,,gen."Het is begrijpelijk, dat de Kamerleden na deze mededehngenop elegante wijze hebben gerepliceerd. De Heer Woudenberggaf de Minister de vaderlijke raad om de ambtenaren aanhet verstand te brengen, dat het Hoofd van het Departementverantwoordelijk is. Overigens wilde de Heer Woudenbergtoch nog wel graag weten, hoe de Minister in grote trekkende feitelijke verhouding nu zag. De Heer Nijkamp onder-streepte nog eens, dat zijn practijk-ervaring hem in de afge-lopen maanden had geleerd, dat de bedoehngen van de Mi-26 nister niet in overeenstemming waren met de in werkelijkheidgevolgde goedkeuringsmethoden. Overigens verheugde dezeafgevaardigde zich erover, dat het misverstand nu uit de wegwas geruimd.De verklaring, die de Minister in tweede instantie aflegde,willen wij ook gaarne woordelijk doen afdrukken:,,Ik ben dankbaar voor de wijze raad, die een oud-Parlemen-,,tarier aan een nieuwe Minister heeft gegeven, en die eigen-,,lijk hierop neerkomt, dat hij dient te bevorderen, dat hij,,zijn ambtenaren in de hand heeft. Ook door de geachte af-,,gevaardigden de heren De Vos van Steenwijk en Tjalma is,,dat nog eens herhaald. Ik ben zeer dankbaar voor deze raad,,,hoewel ik zelf ook al voldoende van de ernst van dit feit,,overtuigd was. Om misverstand te voorkomen wil ik echter,,nog het volgende opmerken. De geachte afgevaardigde de,,heer De Vos van Steenwijk heeft gezegd, dat de Minister,,zijn circulaire heeft achterhaald. Er is per se geen circulaire,,van de Minister, noch van de Directeur-Generaal geweest.,,Er is slechts een circulaire geweest van sommige provinciale,,ambtenaren. Het is per se niet zo, dat dit een gespletenheid,,in eigen boezem was, maar dit was een vrijheid, die een be-,,paalde verantwoordelijke ambtenaar zich permitteerde. De-,,ze zaak moest ik dus even in een ander daglicht stellen.",,In de tweede plaats heeft de geachte afgevaardigde de heer,,Tjalma gemeend uit mijn antwoord te moeten opmaken, dat,,deze fifty-fifty-verhouding tot stand gekomen was op aan-,,drang van de Minister van Financien. Ook deze opvatting,,zou aanleiding kunnen geven tot legendevorming, zodat ik,,gaarne de juiste gang van zaken nog eens uiteenzet. Het,,bedrag van 60 millioen, dat het vorige jaar op de begroting,,was uitgetrokken voor de premiebouw, was voldoende voor,,de bouw van 15.000 premiewoningen. In het begin van het,,jaar bleek, dat dit bedrag onvoldoende zou zijn en toen is,,reeds door mijn ambtsvoorganger een verhoging van dit,,bedrag aangevraagd tot 80 millioen, waarvoor 20.000 pre-,,miewoningen zouden kunnen worden gebouwd. Door de,,behandehng van verschillende wetsontwerpen in de Staten-,,Generaal is dit aanvullend crediet pas onlangs verleend en,,kunnen nu dus in totaal 20.000 premiewoningen worden,,gehonoreerd. Er lagen toen nog ongeveer 5.000 aanvragen,,voor de bouw van premiewoningen. Dus bij het opmaken,,van de begroting kon worden verwacht, dat de aandrang,,om premiewoningen te bouwen zodanig zou zijn, dat wij,.ongeveer voor 25.000 premiewoningen op de begroting moes-,,ten zetten. Nu is het zo, dat sommige uitvoerende ambtena-,,ren hieruit de conclusie hebben getrokken, dat zij er nu ook,,voor moesten zorgen, dat die 25.000 inderdaad werden ge-..realiseerd. Zij hebben hiervoor op eigen gezag enige maat-,,regelen genomen. Onafhankelijk hiervan staat de opmerking,,,,die ik in eerste instantie maakte, dat met het Departement,,van Financien, dat in een grootmoedige bui 100 millioen,,voor premiebouw heeft toegestaan, nog moet worden afge-,,sproken of het er geen bezwaar tegen heeft, dat niet het ge-,,hele bedrag van 100 milUoen wordt opgesoupeerd, maar dat,,het aantal woningen, dat aan premiebouw te kort komt, als,,woningwetbouw tot stand gebracht kan worden. Het is in,,het geheel niet zo, dat het Departement van Financien deze,,fifty-fifty-verhouding door zou willen trekken; dit is een,,overleg, dat over de uitvoering van de begroting gaande is.",,Ik wil voorkomen, dat de geachte afgevaardigde de heer,,Nijkamp uit het gesprek, dat wij nu hebben gevoerd, foute,,conclusies zou gaan trekken. Ik ken n.l. de bezwaren, die de,,geachte afgevaardigde de heer Nijkamp al enige tijd onder-,,vindt bij het goedkeuren van woningbouwplannen in een,,bepaalde gemeente in het Oosten des lands. Uit zijn opmer-,,kingen blijkt nu, dat hij stelt: Nu de Minister die fifty-fifty-,,verhouding heeft weggevaagd, komt er waarschijnlijk wel,,ruimte om de reeds lang gereedliggende woningwetplannen,,door te laten gaan. Ik moet echter dit stellen, dat, indien in,,een bepaalde provincie de premiebouw binnen het kader van,,de toegewezen contingenten natuurlijkerwijze tendeert naar,,de verhouding fifty-fifty of naar de verhouding thirty-se-,,venty of hoe dan ook, er dan mijnerzijds niet de minste aan-,,leiding voor bestaat dit af te kappen. Indien er dus vanzelf,,premiebouw ontstaat, doordat er voldoende particulieren,,zijn, die willen bouwen, en gemeentebesturen, die dit binnen,,het contingent willen toelaten, worden dus van de totale,,hoeveelheid plannen, die in een bepaalde maand kan wor-,,den goedgekeurd, natuurlijk geen 100 pet. woningwetwonin-,,gen gerealiseerd. Ik kom hierop nog eens terug, omdat de,,geachte afgevaardigde de heer Nijkamp in eerste instantie,,heeft gevraagd, of niet een zekere soepelheid kon worden,,betracht met deze maandelijkse contingenten. Dit is echter,,tot mijn spijt practisch onmogelijk. Wij hebben -- U zult,,het zich herinneren, Mijnheer de Voorzitter -- al verschil-,,lende malen bouwstoppen gehad. Daarover is de verant-,,woordeli]ke bewindsman herhaalde malen lastig gevallen.,,Men zeide: Blijf nu met die bouwstop weg en tracht toch,,enige continuiteit te verkrijgen, Deze continuiteit wordt ook,,gepropageerd van de zijde van het Departement van Sociale,,Zaken in het belang van de betrokken arbeiders. Ook bij,,het Departement van Economische Zaken stelt men een,,continu belasting van het bouw-appai'aat op prijs. Deze komt,,alleen tot stand, indien continu de belasting wordt opge-,,voerd en niet discontinu. Indien men zegt: Keur in het be-,,gin veel plannen goed, laat het dan eens een tijdje free-,,wheelen en keur dan maar eens verder, dan krijgt men altijd,,grote schokken. Deze continuiteit kan niet anders worden,,gehandhaafd dan door maandelijks een bepaald percentage,,van het woningbouwprogramma te realiseren, althans goed-..keuiring daaraan te verlenen."Ook na alle uiteenzettingen van de Minister is het nog devraag of in de practijk wel die soepelheid en dat zelfbeslis-singsrecht, die de bewindsman zo voorstaat, tot gelding zullenkomen. Eerlijk gezegd, wij zijn er niet helemaal gerust op.Het staat ook nu niet vast, dat het maar provisorisch ge-raamde aandeel voor de woningwetbouw zal worden ver-hoogd indien de premiebouw de 50% niet haalt. In veelgemeenten is dit eerste k'wartaal van 1953 reeds gebleken,dat de premiebouw het hem toegewezen deel niet kanof wil opnemen. In sommige streken en gemeenten zelfs bijlange na niet! Hoe denkt men de daaruit voortvloeiendediscrppantie op te heffen, hoe het gevaar voor discontinuiteitte b^zweren als de Minister stelt, dat wij de ,,natuurlijkegroei" van de verhouding maar even moeten aanzien?Het is nu duidelijk geworden, dat er sprake is geweest vaneen misverstand tussen de gezagvoerder -- de Minister --en de roergangers -- de provinciale ambtenaren ^. Laat onshopen. dat het aan de dag treden van dit misverstand in iedergeval tot gevolg zal hebben, dat er klaarheid komt over deverder te volgen koers. Een koers, waarvan in beginsel wei-nig verschil van mening kan bestaan. Een koers namelijk, dieop de meest efficiente wijze en zonder omwegen leidt naareen snelle verwezenlijking van het bouwprogramma-1953 opeen zodanige wijze, dat de reele behoefte het best wordt be-vredigd. W. S.Weigering door huurders tot het tekenen vaneen huurcontractMag een huurder weigeren om mede te werken tot het vast-leggen van zijn huurverhouding met de verhuurder in eenhuurcontract en toch er op vertrouwen, dat de Woonruimte-wet hem beschermt tegen de maatregelen, die uit eerstge-noemde hoofde de verhuurder tegen hem gaat ondernemen?Deze vraag, die ook voor onze woningbouwverenigingenvan belang is, omdat de besturen van woningbouwcorpora-ties in de afgelopen tijd soms voor deze kwestie zijn komente staan, heeft een bijzonder interessante en gefundeerde be-slissing gekregen in het Besluit van Gedeputeerde Staten vanLimburg van 6 October 1952. De aangelegenheid, die tengrondslag ligt aan de bovenvermeldc beslissing van Gede-puteerde Staten, was de volgende:Mevrouw X had aan mijnheer IJ een woning verhuurd; nietbij schriftelijk contract, doch mondeling. Mevrouw X meendeom haar moverende redenen, dat het verkieselijker was detussen partijen bestaande verhouding van mondelinge huuren verhuur niet langer te continueren, doch de huur te doenomzetten in een huur vastgelegd bij huurcontract.De heer IJ weigerde echter daaraan mede te werken, waaropmevrouw X aan 1} de huur opzegde.De huurder meende, toen hij de huuropzegging thuis kreeg,niet beter te kunnen doen, dan zich te wenden tot de woon-ruimtecommissie van zijn woonplaats, in de hoop, dat dezehem wel zou beschermen bij zijn negatieve houding tegenoverde verhuurster.Hoewel de verhuurster nog harerzijds uitdrukkelijk beloofdhad, dat zij bereid was de woning weder aan de huurderte verhuren, mits hij slechts bereid was het huurcontract tetekenen, kwam de commissie desondanks tot de conclusie datde huurder geholpen moest worden door voor hem de wo-ning te vorderen.Burgemeester en Wethouders van Venlo -- want het was indeze plaats, dat het onderhavige geval zich afspeelde -- volg-den het advies van de commissie en deden een lastgevingtegen de verhuurster uitgaan, waarbij de woning ten behoevevan IJ gevorderd werd.Bij de verhuurster X bleek echter volledig aanwezig de in-stelling om verder te gaan in de strijd om het recht; zij tracht-te derhalve vernietiging te krijgen van de tegen haar uitge-brachte lastgeving tot vordering. Waar de commissie nieteenstemmig geadviseerd had tot vordering, had verhuursterderhalve in beroep te gaan bij het College van GedeputeerdeStaten, hetgeen dan ook haar volgende rechts-stap was.In hun daarop gegeven beslissing vernietigden Gedeputeer-de Staten het vorderingsbesluit van Burgemeester en "Wet-houders. Om deze beslissing op haar merite te kunnen beoor-delen moeten wij te voren zien, welke argumenten Burgemees-ter en Wethouders van Venlo ter adstruering van hun stand-punt nog naar voren hadden gebracht.Burgemeester en Wethouders hadden o.m. gesteld:dat, nu aan de bewoners de huur is opgezegd, B. en W.het alleszins verantwoord achten hem een nieuwe titelte verschaffen door gebruik te maken van de in deWoonruimtewet gegeven vorderingsbevoegdheid, al-hoewel zij gaarne erkennen, dat ogenschijnlijk wellichteerder de Huurwet voor toepassing in aanmerking zoukomen.Vermoedelijk zijn B. en W. door het College van Gedeputeer-de Staten uitgenodigd nader te verklaren, wat voor overwe-gingen dan wel aan hun beslissing ten grondslag lagen, diehen er toe gebracht hadden om de Huurwet, die naar huneigen woorden toch ,.ogenschijnlijk wellicht eerder in aanmer-king zou komen", desondanks te doorkruisen. .Bij een door B. en W. nader aan Gedeputeerde Staten inge-zonden schrijven, wordt n.l. alsnog gesteld:dat de wetgever blijkens het bepaalde in art. 18 van deHuurwet slechts in enkele gevallen, die ieder voor zichredelijk zijn, aan de verhuurder de mogelijkheid geeft omontruiming van een pand door de huurder of gewezenhuurder te vorderen;dat, wanneer zulk een geval zich voordoet naar hunmening niemand er naar zal kunnen streven om dooraanwending van andere rechtsmiddelen -- welke danook -- de verhuurder zijn wettelijk recht te ontnemen,doch dit anders wordt, wanneer zulk een geval zich nietvoordoet.B. en W. gaven derhalve met zoveel woorden te kennen,dat een actie uit de Huurwet niet doorkruist behoort te wor-den door een woonruimtevordering, als -- en daar kwam het ?, Inaar htin opvatting op neer ^ de verhuurder, die dat doet,zulks op juiste gronden doet.Hiermede gingen B. en W. echter ziten op de stoel van derechter; B. en W. hadden niet te beoordelen of de gronden,die verhuurder zouden nopen een berocp te doen op deKantonrechter, juist of niet juist waren. Dat was een aangele-genheid, die de Kantonrechter te beoordelen had. Eenmaaltoegegeven dat een rechtsmiddel uit de Huurwet niet getrachtmag worden te niet te doen door een woonruimtevordering,hadden B. en W. er zich angstvallig van moeten onthoudenom zelf te gaan beoordelen of dat rechtsmiddel op juistegronden was gebaseerd, daar de beoordeling van de juistheiddier gronden uiteraard overgelaten diende te worden aan dieinstantie, zijnde de Kantonrechter, bij wie dat rechtsmiddelvia de processuele gang aanhangig gemaakt zou worden.B. en W. hadden voorts nog enige argumentatie gegeven,die gezien de grondslagfout van hun beslissing wcinig krachtvermocht op te leveren, doch die volledigheidshalve hierbijwordt vermeld:dat, indien een daad van een verhuurder met zich brengt,dat een doelmatige verdeling van de woongelegenheidin gevaar wordt gebracht, het voor de hand ligt, datde wetgever het geoorloofd acht, dat het orgaan, datvoor de bevordering van deze doelmatige verdehng moetzorgen, de hem ten dienste staande middelen aanwendt,temeer waar in de wet ipsis verbis de werkingssfeer nietbeperkt is tot hen, die geen of onvoldoende woonruimtehebben;dat de Woonruimtewet 1947 en de Huurwet beide het-zelfde doel hebben, te weten de bestrijding van de heer-sende woningnood; dat door het ingrijpen van bedoeldorgaan voor partijen de kosten van een geding bespaardworden.Gedeputeerde Staten van Limburg hebben, zoals te ver-wachten was, de aan de beslissing van B. en W. ten grond-slag liggende beschouwingen, niet kunnen aanvaarden. Deoverwegingen, die aan hun besluit ten grondslag liggen zijno.m. als volgt:dat de mening van B. en W. als zou de huurder -- nuhem de huur van het pand etc. is opgezegd -- zondertitel in evenbedoelde woning verblijven, naar het dezer-zijds oordeel niet juist is, aangezien ingevolge het be-paalde in art. 18 sub 1 der Huurwet na het einde van dehuur en verhuur de gewezen huurder van rechtswege be-voegd is krachtens huurbescherming in het genot vanhet onroerend goed te blijven;dat tot de gevallen, waarin volgens evengcnoemde wetde verhuurder ontruiming door de huurder of gewezenhuurder bij de Kantonrechter kan vorderen o.m. behoorthet geval, dat de gewezen huurder niet toestemt in eenredelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huur-overeenkomst met betrekking tot hetzelfde onroerendegoed;dat nu blijkens het beroepschrift van apellante i.e. zo-danig geval aanwezig is, B. en W. zich van elk optredenhadden dienen te onthouden;dat in verband hiermede ook het beroep van het ge-meentebestuur op het in gevaar brengen door de ver-huurder van de doelmatige verdeling van de woonge-legenheid niet opgaat;dat al moge de Woonruimtewet en de Huurwet deelseenzelfde doel nastreven, dit aan het gemeentebestuurnog niet het recht geeft om middels toepassing van eerst-bedoelde wet het aan de verhuurder gegeven recht il-lusoir te maken;dat daarom ook het door B. en W. aangevoerde argu-ment inzake besparing van kosten door partijen hierbuiten beschouwing dient te blijven;dat nog afgezien van het vorenstaande en van de be-antwoording der vraag of, na een eventuele beslissingvan de Kantonrechter ten gunste van de verhuurster,Zo vordering van het onderhavige pand ten behoeve vanhet thans daarin wonende gczin, de plaats gehad heb-bende vordering reeds daarom onwettig is, wijl voorals-nog van een huisvestingsmoeilijkheid en dus ook vande noodzaak tot het doen van een vordering tot oplos-sing daarvan i.e. niet kan worden gesproken;Het daarop volgende besluit van Gedeputeerde Staten luid-de dan ook, dat het verzet van mevrouw X (verhuurster)gegrond werd verklaard en dat de lastgeving van B. en W.werd vernietigd.Met een saluut aan de in deze rechtsstrijd triompherende da-me, komen wij dan aan de moraal van bovenstaande beschou-wing, voor zover die voor onze woningbouwverenigingenvan nut kan zijn.Zoals in de aanhef reeds is weergegeven, komt het voor,dat een bewoner van een woning van een woningbouwcor-poratie het vertikt om een huurcontract te tekenen, ofschoonvoor hem daar niets onredelijk bezwarends in staat, terwijlde woningbouwcorporatie daarentegen er alle belang bij heeft,dat haar huurders zonder uitzondering het door haar aan-gehouden contract tekenen. Bij vele huurders leeft n.l. degedachte, dat onder de strekking van de huidige Woon-ruimtewet in zo'n geval hun toch niets te maken is. Eigen-dunkelijke onredelijkheid is een bij alle facetten van hetmaatschappelijk leven veel voorkomend en zeker niet afne-mend verschijnsel.Mochten bestuurderen van een woningbouwcorporatie teeniger tijd voor een geval als bovenomschreven ten aanzienvan een weigerachtige huurder komen te staan, dan is hetgewenst, dat zij zich het besluit van Gedeputeerde Statenvan Limburg dd. 6 October 1952 herinneren. Al is nimmerte voren te zeggen, dat de tot beoordehng geroepen instan-tie dezelfde beslissing zal geven als de hierbij aangehaalde,toch is dit wel te verwachten gezien de logische objectieve ende het rechtsgevoelen bevredigende motivering van de ver-melde uitspraak. Mr F. J. J. M. BOELENSMededelingen van de Nationale WoningraadDE ACTIE VOOR GETROFFEN WONINGBOUW-VERENIGINGEN EN GEMEENTEN.Op de circulaire van 3 Maart 1953 inzake het vormen vaneen fonds voor het doen vervaardigen van bouwplannen voorgetroffen woningbouwverenigingen en gemeenten is een grootaantal reacties van verschillende aard ontvangen. Om te be-ginnen vele bereidverklaringen tot deelname aan deze fonds-vorming, zij het dan ook niet z6 veel, dat wij bovenmate en-thousiast kunnen zijn. Niet overal blijkt men de bedoehngvan het bestuur van de Woningraad geheel te hebben be-grepen. Ergens dacht men, dat wij ,,confectie-woningen naareenheids-recept" in de getroffen gebieden wilden introduce-ren. Wij hebben (ten overvloede) duidelijk gemaakt, dat wijintegendeel voor ieder geval
Reacties