Mei 195313e Jaargang No. 5De WoningbouwverenigingUitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerschijnt maandelijksAdres voor Redactie en Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 24298Adres Toor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128De Lond en de stokHet uakblad en de beleidsvragenHet Weekblad ,,Cobouw", centraal orgaan voor de bouw-wereld, rekent zich tot de categorie van vakbladen. In vak-bladen nu treft men gewoonlijk beschouwingen aan, die ge-tuigen van objectiviteit en van zakelijke, vakkundige beoor-deling. Natuurlijk kan en moet in bepaalde gevallen ook eenvakblad een ,,opinie" hebben over verschijnselen op het ter-rein, waarop het blad zich beweegt. Het komt echter wel eenbeetje in strijd met het begrip ,.vakblad" als de redactie vanCobouw regelmatig blijk geeft bepaalde beleidsontwikkelingenop het gebied van volkshuisvesting en woningbouw ernstig tewraken en andere verschijnselen daartegenover hartelijk toete jujichen. Men zou nog vrede kunnen hebben met de duide-lijke stellingname van het blad ^ daarbij voor zichzelf no-terende ,,welk vlees men in de kuip heeft" -- als de oordeel-vellingen zouden worden gestaafd met steekhoudende argu-menten. Wij lichten ditmaal een artikel uit ,,Cobouw" van15 Mei 1953, waaruit o.i. duidelijk blijkt, dat de objectiviteitvrij ernstig in het gedrang is gekomen.Een gekleurd verslagDe iedactie geeft in bovenverraeld nummer een ,,verslag" vanhet demonstratief congres van het N.V.V. en de A.N.B. Eendeellvan het verslag luidde als volgt:,,De woningwetbouw is volgens spreker (oud-minister In 't,,Veld) de oplossing van het woningvraagstuk. De winst van,,de bouwondernemers wordt daarbij omzeild. Wij dachten zo:,,wir|,st maken in deze verlichte eeuw is toch wel een uitermate..grdte misdaad. Er staan dan ook allerlei ,,boetes" op, o.a.,,in de vorm van fiscale heffingen. Minister Witte moest heel,,wat horen over zijn (nimmer als zodanig bedoelde) ,.fifty-,,fifty-regeling", waarbij de woningwetbouw even groot zou,,mogen zijn als de particuliere bouw. ,,Was Witte er maar,,niet en In t Veld nog minister van wederopbouw" verzuchtte,,een vraag- (en opmerkingen)steller, ,,ja, dan ging 't pas,,goed." Waarop In 't Veld moest bekennen, dat hij het ook,,wel erg jammer vond."Hoewel wij met de redactie van ,,Cobouw" blijkbaar van me-ning verschillen over de vraag wat er aanvankelijk preciesmet de ,,fifty-fifty-regeling" is bedoeld, willen wij graag toe-geven, dat de daarmede verbonden problemen, gegeven denadere uiteenzettingen van minister Witte intussen van debaan zijn. De lezers van dit blad moeten echter het ..verslag"eens vergelijken met de letterlijke tekst van de rede van oud-minister In 't Veld, zoals deze elders in dit nummer is gepu-bliceerd. om vast te stellen of de objectiviteit al of niet geweldis aangedaan. Het ,.verslag" gaat dan verder:..Over die ideale woningwetbouw lazen wij ovcrigens dezer..dagen nog een stukje in een krant, met de volgende inhoud:..De exploitatie van de volgende complexen midden-..standswoningen te Haarlem over 1951 heeft nadelige,,saldi opgeleverd. te weten: Woningbouwvereniging Huis,.ter Cleef, 70 woningen / 4658.55; Woningbouwvereni-.,ging Tuinwijk Noord, 65 woningen / 3215,65; Coop...Woningvereniging Onder Dak, 52 woningen / 3482,58;..Haarlemse Stichting voor Woningverbetering, 74 wonin-,.gen f 12720,34. totaal dus / 24.077.12...Tengevolge van deze nadelige saldi zijn in de rekening-..courant van de corporaties bij de centrale kas der ge-..meente grote debet-saldi ontstaan. B. en W. achten het..gewenst. dat deze debet-saldi worden afgelost. Teneinde,.de corporaties daartoe in staat te stellen. stellen B. en W..,de raad voor haar tot wederopzeggens renteloze voor-..schotten uit de gemeentekas te verstrekken tot de be-..dragen der genoemde saldi. Het verstrekken van de..voorschotten tot wederopzegging is naar de mening van,,B. en W. nodig om, indien b.v. te eniger tijd de exploi-,,tatie van de woningen het betalen van rente mogelijk,.zou maken, door opzegging van de voorschotten en het..eventueel opnieuw verlenen daarvan rentebetaling te,,verkrijgen.",,Met renteloze voorschotten uit gemeentekassen is het overi-..gens gemakkelijk exploitatierekeningen sluitend te maken".Tot zover dan het ..verslag". De lezers zullen begrijpen, datwij er behoefte aan hebben op dit journalistieke ..terzijde" (invakkringen eigenlijk als onaanvaardbaar beschouwd) even tereageren. Wij zijn in staat de redactie van het vakblad ,,Co-bouw" enige vakkundige voorlichting te bezorgen. die tot beterbegrip van de ten tonele gevoerde Haarlemse affaire kanleiden. Voor de goede orde hebben wij onze mening over deonderhavige zaak nog even geverifieerd door het vragen vaninformaties ten gemeentehuize van Haarlem. Een methode,die wij de redactie van ..Cobouw" gaarne aanbevelen.In de eerste plaats dan de opmerking, dat ..Cobouw" onver-gelijkbare grootheden naast elkaar plaatst. Blijkbaar was hetde bedoeling de woningwetbouw in een kwaad daglicht teplaatsen. Dat ,,Cobouw" daartoe gebruik maakt van eenvoorbeeld aangaande middenstandswoningbouw (die met deeigenlijke woningwetbouw niets uitstaande heeft) pleit nietvoor de vakkundigheid van de redactie van het vakblad. Hetis alsof men een stok zoekt om een hpnd te slaan en vervol-gens gewapend met een schoteltje melk een poes tegenkomt!In de tweede plaats is het duidelijk. dat de kwestie van deexploitatieverliezen nadere toehchting behoeft om de zaak ingoed verband te kunnen beoordelen. Die toelichting onthoudt,,Cobouw" zijn lezers. Dat is misschien wel in overeenstem-ming met de bedoeling, maar het is nochtans te betreuren. Aanons dan maar de taak die toelichting te geven:In de jaren na de vorige wereldoorlog keek -- zoals ook nu --de door ,,Cobouw" zo geroemde ,.particuliere woningbouw"de kat uit de boom. Onder de ook toen zeer ongunstige om-standigheden was het de ..overheidswoningbouw', die als eerstein de behoefte aan goede woningen moest voorzien. Hogebouwkosten. slechte materialen. lage productiviteit belemmer-den weliswaar die overheidsbouw. maar nochtans werden erwoningen geproduceerd. Niet alleen arbeiderswoningen (opvoet van de Woningwet), maar, overeenkomstig de geblekenbehoefte, ook z.g. middenstandswoningen. De bouw van laatst-genoemde woningen werd in een aantal gevallen mogelijk ge- 49maakt door de medewerking van de gemeentebesturen. Vanbijdragen in eventuele exploitatie-verliezen kon evenwel geensprake zijn. Die bijdragen bleken aanvankelijk ook niet nodigte zijn, omdat de kostprijshuur, gegeven de grote behoefte aande woningen, kon worden opgebracht. Zo in het begin van detwintiger jaren werden de omstandigheden voor de woning-bouw allengs v/at gunstiger, weshalve de ,,particuliere bou-wers" uit hun schuilplaatsen naar voren traden om ,,hun plaatsin de zon" op te eisen. De particuliere bouw-activiteit richttezich in de eerste plaats op het produceren van de midden-standswoningen, waarvan de exploitatie immers het beste ren-dement beloofde. Daar valt weinig tegenin te brengen. Het isevenwel het noodlot van de ongebreidelde particuliere activi-teit, dat zij zich nog geruime tijd voortzet ook nadat geblekenis, dat moet worden afgeremd of dat andere wegen moetenworden ingeslagen. Er ontstond allengs een overschot aan deaanvankelijk veelgevraagde middenstandswoningen. Nochtanswerd lustig doorgebouwd. Voor de nieuwste woningen be-stond immers nog altijd emplooi, ook al werd de bezetting ge-vonden ten koste van de oudere woningtypes. De crisis-jarenbraken aan (had het ..particuliere initiatief" daarmede ook letste maken?) en de in de ongunstige periode gebouwde midden-standswoningen met haar naar verhouding hoge huurprijzenraakten uit de belangstelling. Overal in het land deed zich hetverschijnsel voor. dat de kostprijshuren omlaag werden ge-bracht om zodoende toch maar bewoners te vinden. Het isduidelijk. dat door het verlagen van de huurprijzen exploitatie-verliezen ontstonden. Het is ook duidelijk. dat dit verschijnselmede werd veroorzaakt door de ongemotiveerde particuhere..overproductie" van middenstandswoningen. gepaard gaandemet een scherpe daling van de koopkracht. Naar onze meningheeft het gemeentebestuur van Haarlem volkomen terecht deconsequentie van deze ontwikkeling aanvaard. Dit gemeente-bestuur heeft destijds de bouw van de woningen gefinancierd;het springt tijdelijk bij wanneer de exploitatie verliezen ople-vert. Verliezen. die onontkoombaar zijn omdat aan rentever-plichtingen blijvend wordt voldaan en omdat de vooraf be-paalde afschrijving van het stichtingskapitaal (in 50 jaar)voortgang heeft.Die mede nog daarom onontkoombaar zijn. omdat niet, zoalsin de particuliere woningexploitatie. wordt gevlucht in de ver-zaking van de onderhoudsverplichtingen. Jaarlijks wordt aande exploitatie een vast bedrag onttrokken. dat voor het onder-houd van de woningen is bestemd.In de derde plaats veroorzaken de ..verliezen" aan de ge-meenschap. die zich destijds voor de stichting van de wonin-gen heeft ingezet. geen schade. De particuliere woningexploi-tatie levert van dag tot dag het bewijs. dat de woningen noglange tijd na het verstrijken van de theoretische levensduur(50 jaar) bruikbaar zijn en derhalve verhuurd kunnen wor-den. Van de hier besproken middenstandswoningen (en even-zeer van de normale woningwetwoningen) is het stichtingska-pitaal na 50 jaar geamortiseerd. De overheid, die het geld des-tijds "beschikbaar stelde heeft het met rente op rente geheelteruggekregen. In de exploitatierekeningen komen na 50 jaarde posten rente en aflossing niet meer voor. Derhalve gaat deexploitatie dan ..winsten" opleveren. Deze ..winsten" dienenin de eerste plaats te worden gebruikt voor terugbetaling vanvoorschotten. verkregen tot dekking van exploitatie-tekortenen. voor de woningwetwoningen, tot terugbetaling van de vande overheid verkregen bijdragen. Naar men veilig mag aan-nemen ontstaat daarnaast de mogelijkheid tot afdoende sane-ring en modernisering van de woningen. waarmede gezegd is.dat de revenuen van de exploitatie aan de woningen zelve tengoede komen. Durft de redactie van ..Cobouw" ook in dit ver-band een vergelijking tussen de ..particuliere woningbouw" ende ,,overheidsbouw" aan? Kan ,,Cobouw" garanderen, datmen zich in de particuliere exploitatie bekommert om afschrij-ving en onderhoud. zoals men dat principieel in de ..overheids-exploitatie" doet? Wil ..Cobouw" ons diets maken. dat menin de particuliere woningexploitatie het onderhoud naar vasteDV normen behartigt? Waagt ..Cobouw" het om te stellen. datin de particuliere woningexploitatie de uiteindelijke overschot-ten (het stichtingskapitaal teruggekomen zijnde en de rede-lijke winst verdiend zijnde) aan de volkshuisvesting -- socialevoorziening bij uitstek ^ ten goede komen? Kan ,,Cobouw"ontkennen. dat de bruto-opbrengst uit de particuhere woning-exploitatie in veel gevallen geheel wordt besteed voor louterconsumptieve doeleinden. waardoor de investering in de wo-ningvoorraad wordt ..opgesnoept"?Opgeroepen legenstellingenWij hebben er van nature geen behoefte aan om de tegenstel-lingen tussen particuhere woningexploitatie en overheids-wo-ningexploitatie toe te spitsen. Wij zijn met minister Witte vanoordeel. dat er in ons land plaats voor beide behoort te zijn.Wij pogen in alle eenvoud realistisch te redeneren en wij zienderhalve in. dat er onder de bestaande verhoudingen ruimtedient te zijn voor strikt particuliere activiteit op het terreinvan woningbouw en woningexploitatie. Wij aanvaarden ook.dat deze particuliere activiteit alleen kan worden geprikkelden ontwikkeld als er de mogelijkheid tot het behalen van,.winst" wordt gelaten (het is een sprookje met een lang leven.dat belangrijke groeperingen in ons volk de ..winst" verderfe-lijk en zelfs wel strafbaar zouden achten). Eigener bewegingkomen wij er dus moeilijk toe om over de verhouding tussenparticuliere woningexploitatie en woningwetexploitatie in hetstrijdperk te treden. Komt men ons echter te na met volstrektongefundeerde en quasi terloops gedebiteerde sneren in derichting van de woningwetexploitatie. dan staan wij ons man-netje. Dan zullen wij de scheidingslijn duidelijk trekken. Dankost het ons weinig moeite om de stok, waarmede men diearme hond. die in de wandeling woningwetbouw heet. heeftwillen slaan. te veranderen in een boemerang, die zelfs demeest vakkundige redactie van het vakblad met de meeste wo-ningwet-advertenties treffen kan. W. S.,,Rochdale" Amsterdam 50 jaarMen zal het verstaan. dat wij uit de veelheid van jubilea onzerwoningbouwcorporaties er een uitkiezen om in ons blad teworden vermeld. nu dit ene vermeldenswaardige jubileum het50-jarige Amsterdamse ..Rochdale" betreft. Een der eerste..ingevolge de Woningwet toegelaten" woningbouwcorpora-ties. die terugziet op het werk gedurende een halve eeuwverricht.Het was op 12 Mei 1903. dat enige mannen uit de Amster-damse arbeidersstand een daalder hadden bijeengebracht omeen bescheiden zolderzaaltje te kunnen huren. waar men, bijhet licht van een paar walmende vetkaarsen, overleg zouplegen over de oprichting van een woningbouwvereniging.Het was op Zaterdag 16 Mei 1953, dat het bestuur van deCooperatieve Bouwvereniging ..Rochdale" u.a. onder over-weldigende belangstelling van autoriteiten. relaties en vrien-den en omgeven door een schat van bloemen recipieerde inde grote zaal van het gerenommeerde ..Krasnapolsky". Hetwas aan de avond van dezelfde dag. dat aan een intiemdiner, waar het rustig flikkerende kaarslicht weerkaatste inkristal en zilver van het ..Victoria-Hotel", het 50-jarig be-staan van de bouwvereniging werd herdacht.De tegenstelhng tussen het meer dan bescheiden begin enhet lumineuze herdenken; zij schetst een evolutie in ons vader-land. die de pioniers in hun meest stoute dromen niet voormogelijk hadden gehouden. Die ontwikkeling wordt in krach-tiger lijnen getekend in het voortreffelijke jubileumboek. dat..Rochdale" het licht deed zien. De verleiding is groot omhier uit iedere bladzijde van dit boek te citeren. Het tekentzo duidelijk hoe geleidelijk aan -- maar in een historisch ge-zien verbijsterend hoog tempo -- de arbeiders leerden hungemeenschappelijke belangen gezamenlijk te behartigen. Eenverschijnsel, dat in het gehele land de afgelopen halve eeuwheeft getekend. Een verschijnsel, dat voor ons relief ver-krijgt door de simpele ervaringen van de voormannen enerbouwvereniging. Een verschijnsel 66k, dan een zeker heimweeoproept naar het ,,heilige vuur", dat bij velen brandende wasen dat, naar de ter receptie tot ridder geslagen voorzitter vande jubilerende vereniging getuigde, thans bij de meeste jon-geren in het gunstigste geval alleen maar lijkt te smeulen.,.Rochdale" heeft terecht feest gevierd. Het mag terugzienop uiterst vruchtbare arbeid. Het mag zich thans, temiddenvan andere grote en invloedrijke zusterverenigingen, sterkgevoelen. Het mag met vertrouwen de toekomst tegemoetzien. Het mag zich een voorbeeld achten van de in ieder op-zicht geslaagde en voor de gehele samenleving uiterst waar-devolle ,,zelfwerkzaamheid der burgerij"!Met de nuchter-oordelende voorzitter van ,,Rochdale" hopenwij van harte, dat in de komende halve eeuw enthousiaste enoffervaardige jongeren met eerbied en dankbaarheid de fak-kel van de pioniers zullen overnemen. ,,Rochdale", een ge-lukkige toekomst! W. S.Revolutiebouw en onderhoudsmoeilijkhedenDe dagbladen brachten in de afgelopen weken enige nogalalarmerende berichten over ernstige gebreken aan na deoorlog gebouwde woningen. Zo zouden in Ede ruim honderdwoningen zelfs met algehele ondergang worden bedreigd,omdat de fundering ondeugdelijk blijkt te zijn aangelegd. Debouwers zouden verzuimd hebben de z.g. zwarte grond teontgraven. De woningen zijn eenvoudig op deze zwarte grondgefundeerd. Nu zij enige tijd zijn bewoond treden al ernstigeverzakkingen op. Deze verzakkingen veroorzaken scheurenin de muren; zij onthechten de constructie en zij zullen, zoluiden de berichten, zelfs instortingen teweeg brengen, tenzijresoluut wordt ingegrepen. Dit ingrijpen evenwel zal verschei-dene honderdduizenden guldens moeten kosten. Wij gevendeze lezing onder het nodige voorbehoud. Men dient somsvoorzichtig te zijn met krantenberichten. Dat er zeker iets aande hand is, blijkt overigens wel uit de omstandigheid, dat hetKamerlid, de Heer Andriessen, aan de Minister van Weder-opbouw en Volkshuisvesting over deze affaire schriftelijkvragen heeft gesteld.Kort nadat de moeilijkheden in Ede wereldkundig warengemaakt, verschenen in de dagbladpers berichten over bij-zonder ernstige gebreken, die aan de z.g. Limburg-woningenzouden zijn geconstateerd. Deze woningen zijn, voornamelijkin de mijnstreken, gebouwd van vrij grote bouwblokken(Bouvrite-steen), welke blokken na de oorlog zijn ,,uitgevon-den". Dit nieuwe materiaal is uiteraard degelijk onderzocht.Het zou officieel voor het gebruik in de woningbouw zijngoedgekeurd. Nu treden evenwel zeer onaangename ver-schijnselen op. De nieuwe steen zou zich in de practijk nietz6 goed houden als destijds in theorie was aangenomen.Vocht, schimmel en verrotting zouden in deze ,,Limburg-wo-ningen" grote schade aanrichten. Afdoende voorzieningenzouden, indien zij al mogelijk zijn, grote sommen gelds ver-eisen. Alweer: wij kunnen nog niet beoordelen of deze be-richten tot op de laatste letter juist zijn; het is echter wel aan-nemelijk, dat er met de ,,Limburg-woningen" wat aan hethandje is.De beide hierboven genoemde gevallen staan zeker niet opzich zelf. Herhaaldelijk leest men over gebreken van meer ofminder ernstige aard, die aan na-oorlogse woningbouw zou-den zijn vastgesteld. Nu is er, naar onze bescheiden mening,zeker geen reden om aan te nemen of te veronderstellen, dathet dus met ,,de" na-oorlogse woningbouw in kwalitatief op-zicht bijzonder slecht gesteld zou zijn. Naar wat wij er vanweten, geloven wij te mogen stellen, dat het grote merendeelvan de paar honderdduizend nieuwe huizen aan redelijke eisenvoldoet en een alleszins toereikende gebruikswaarde voor de,,theoretische" levensduur bezit. Wij hebben de stellige indruk,dat de zeer ongelukkige ervaringen, die men hier of daar nuopdoet, uitzonderingen zullen blijven. Daarbij zien wij na-tuurlijk heel goed in, dat deze uitzonderingen voor de betrok-ken woning-exploitanten desastreus kunnen zijn!Wij zouden overigens niet tot de vermelding van de ,,onge-lukken" in Ede en in de Mijnstreek zijn gekomen, als wijniet een bepaalde reden hadden om aan deze enkele schrik-barende moment-opnamen een meer algemene conclusie teverbinden.Het moge dan waar zijn, zoals wij hierboven stelden, dat hetovergrote deel van de na de oorlog gebouwde woningen aanredelijke kwaliteits-eisen voldoet, het is nochtans duidelijk,dat de omstandigheden, waaronder de woningen gebouwdmoesten worden, tot detailgebreken aanleiding hebben ge-geven. Herhaaldelijk komen ons voorbeelden daarvan terkennis. Voor vele van onze lezers wellicht ten overvloedelaten wij een beknopte opsomming volgen van kwalen enkwaaltjes, die speciaal de na-oorlogse woningen kunnen ver-tonen.In de eerste plaats moet in dit verband het schilderwerk wor-den genoemd. Men krijgt de indruk, dat bij de bouw van denieuwe woningen dit schilderwerk heel dikwijls als een bij-komstigheid of als een noodzakelijk kwaad is beschouwd. Ver-scheidene malen hoorden en zagen wij, dat er binnen eenjaar na het gereedkomen van de woningen van een behoor-lijke ,,verf-film" op het houtwerk al geen sprake meer was.Wij hoorden voor dat verschijnsel ook vele verklaringen:De kwaliteit van het hout zou van zodanige aard zijn, dat erin de eerste jaren geen behoorlijk schilderwerk op kan wor-den uitgevoerd. Of: in de eerste jaren van de hernieuwdcwoningproductie liet de kwaliteit van de verfmaterialen nogzeer veel te wensen over. Of: het Ministerie stelt voor hetverfwerk per woning z6 lage normen vast, dat er voor debedragen, die besteed mogen worden, geen behoorlijk schil-derwerk kan worden verlangd. Er is misschien van alles weliets waar. Hoe dat ook zij: het is onloochenbaar, dat inder-daad in zeer vele gevallen de kwaliteit en de toestand vanhet schilderwerk een heleboel te wensen overlaten. Om mis-verstand te voorkomen: dat is zeker niet alleen erg, omdathet aanzien van de woningen wordt geschaad; het is veeleernog te betreuren, omdat de bederf-werende invloed van eengoede verflaag moet worden ontbeerd.In de tweede plaats horen wij veel over de slechte toestandvan het houtwerk in de nieuwe woningen. De houtmatenvan kozijnen en raamomlijstingen zouden in veel gevallen --aanvankelijk misschien noodgedwongen -- te krap zijn ge-nomen, waardoor allerlei gebreken ontstaan. De kwaliteit vanhet verkrijgbare hout zou veel te wensen overlaten, waardoorhet, al trekkende, kieren en scheuren veroorzaakt. Balklagenen houten vloerdelen leggen in het gebruik ook,getuigenis vande dikwijls inferieure kwahteit af; voorzieningen zijn vaak alzeer spoedig noodzakelijk. Het is zelfs voorgekomen, dathouten kapspanten zodanige werking vertoonden, dat de helekapconstructie, inclusief het pannen-beleg, herzien moestworden.In de derde plaats zijn er hier en daar moeilijkheden ont-staan, doordat met vervangende materialen ge-experimen-teerd moest worden. Muurplaten, dakbeschot, vloerconstruc-ties of vloerafdekkingen, afwerking van flauw-hellende ofvlakke daken, zij bleken niet altijd aan de gestelde verwach-tingen te voldoen. Dit had dan tot gevolg, dat provisorischeof definitieve (maar altijd kostbare) voorzieningen moestenworden getroffen.In de vierde plaats moet de systeem-bouw worden genoemd.Wij behoren niet tot diegenen, die bij voorbaat de gehelemontage-bouw in het ,,boekje van de kwade roep" willenschrijven. Niettemin moeten ook wij erkennen, dat de systeem- 51bouw aan kinderziekten heeft geleden, waarvan de gevolgende woning-exploitanten nog altijd grote zorgen geven.Waarom hebben wij er behoefte aan om dit vrij sombererelaas te leveren? Zeker niet omdat wij een alarm-stemmingzouden willen wekken. Evenmin omdat wij aan iets of iemandverwijten willen doen. Wij menen de aandacht voor de on-derhoudsmoeilijkheden aan nieuwe woningen te moeten vra-gen, omdat sommigen van oordeel blijken te zijn, dat men zichom het onderhoud van nieuwe woningen minder zou behoe-ven te bekommeren dan om het onderhoud van de voor-oorlogse woningvoorraad. Wij verklappen geen geheim alswij opmerken, dat er aan een verhoging van de onderhouds-norm voor woningwetwoningen wordt gedacht, zulks uiter-aard in verband met de aanstaande algemene huurverhoging.Deze huurverhoging wordt in het algemeen gemotiveerd metde verwijzing naar de noodzaak tot het verkrijgen van meermiddelen ten behoeve van het onderhoud. Het is derhalveduidelijk, dat de hogere opbrengst aan woningwet-huren vooreen (flink) deel gebruikt moet worden ter verhoging van deonderhoudsnorm. Niemand bestrijdt dit. Nochtans is ook aandeze eenvoudige zaak een probleem verbonden. De aan-staande huurverhoging zal vrijwel uitsluitend betrekking heb-ben op de voor-oorlogse woningvoorraad. De huren van dena de oorlog gebouwde woningen zullen niet of voor een deelervan slechts weinig worden verhoogd. Nu hebben wij ge-luiden opgevangen, die aannemelijk trachten te maken, dat,,dus" ook alleen de onderhoudsnorm voor de voor-oorlogsewoningwetwoningen voor verhoging in aanmerking zou ko-men. Zij die deze geluiden voortbrengen willen hun standpuntdan nog wel eens versterken met de opmerking, dat men inde eerste vijf of tien jaar aan het onderhoud van nieuwe wo-ningen toch niet zo veel ten koste behoeft te leggen. Onsrelaas bedoelde dit argument te ontzenuwen. Het lijdt geentwijfel, dat de huidige onderhoudsnorm ten enenmale ontoe-reikend is om alle noodzakelijke onderhoudswerken -- 66ken met name aan nieuwe woningen ^ te bekostigen! Het zoudaarom uiterst betreurenswaardig zijn, indien men straks welde norm voor de oude woningen en niet de norm voor denieuwe woningen zou verhogen. Nogmaals: wij kweken geenalarm; wij hebben geen behoefte aan schandaaltjes, maar wijwensen alleen met de neus op de feiten duidelijk te maken,dat er 66k voor het onderhoud van de nieuwe woningen meergeld beschikbaar moet komen dan nu het geval is. Daaromalleen vestigden wij in dit artikeltje even de aandacht op deonderhoudsmoeilijkheden, die woningbouwcorporaties en ge-meenten juist bij de na-oorlogse woningen tegenkomen.W. S.De krotopruiming zal worden aangepaktOp 29 April 1953 installeerde de Minister van Wederopbouwen Volkshuisvesting, Ir H. B. J. Witte, de Commissie Krot-opruiming en Sanering met een toespraak welks inhoud ookohze lezers ongetwijfeld zal interesseren. De Minister zeidehet volgende:Het probleem van krotwoningen, van huurkazernes, van men-senpakhuizen, kortom van onmenswaardige huisvesting is nieteen last die vele volkeren en culturen in alle tijden getorsthebben. De geschiedenis is veelal de historie van de staat, vande machtigen in den lande, van de cultuur der bovendrijvendelagen der bevolking, ook van de wooncultuur der leidende stan-den; zij verhaalt weinig van de woonzeden en woonmogelijk-heden der grote massa.Wij mogen wel aannemen, dat vooral in tijden, waarin de ge-wone man tot massa werd gedegradeerd, de huisvesting vande minstbedeelden in de maatschappij steeds groter proble-men met zich heeft gebracht. Instructief is in deze de studievan wijlen Ir P. Bakker Schut over de woontoestanden in hetoude Rome, die onlangs in het tijdschrift voor Volkshuisves-ting en Stedebouw werd gepubliceerd. Hieruit blijkt, dat zelfsde vrijwel onbeperkte macht der Romeinse keizers, niettegen-staande verschillende drastische pogingen, niet in staat is ge-weest om het euvel der krotwoningen in de eeuwige stad toteen oplossing te brengen.Op zichzelve is dit niet zo verwonderlijk, daar het sociale kli-maat in het oude Rome waarschijnlijk niet van dien aard was,dat een gunstige atmospheer voor opruiming van deze mis-toestanden heerste. En zonder een gealarmeerd volksgewetenis zelfs de machtigste regering machteloos.Indien wij de stelling aanvaarden, dat een regering slechts inzoverre kan regeren als de volksconscientie haar toestaat enomgekeerd, dat een door de gehele bevolking gedragen stre-ven van grote invloed is op de regeringsdaden, dan is het inzekere zin beschamend voor onze cultuur, dat in het Nederlandvan 1953 nog woontoestanden bestaan, die met elk begrip vanbehoorlijke menselijke huisvesting spotten.52 Nu verheel ik mij niet, dat iedere tijd zijn eigen maatschappe-lijk klimaat heeft en dat het moeilijk is de staf te breken overmensen, volken en regeringen, die in een complex van geheelandere omstandigheden en begrippen leven en leefden dan wij.Het is echter bekend, dat alle sociale hervormers, dat ook dePausen in velerlei encyclieken en toespraken gewezen hebbenop de onmeetbare waarde, die een goede huisvesting voor hetmateriele en geestelijke welzijn der bevolking heeft. De wek-roep voor een goede volkshuisvesting is te oud en te frequentgeweest dan dat wij ons achter onwetendheid of onkunde kun-nen verschuilen om ons gebrek aan activiteit op dit punt goedte praten.Er schuilt, zoals ik reeds eerder mocht opmerken, een diepetragiek in de omstandigheid, dat het probleem der krotwonin-gen eerst tot hoofd en hart van alle Nederlanders is doorge-drongen op een tijdstip waarin tengevolge van de oorlog eenniet gekende woningnood ons land teistert.Thans concurreren woningtekort en vervanging van slechtewoningen om prioriteit. De eerstkomende jaren zal de ver-vanging van slechte woningen in een aanzienlijk langzamertempo mogelijk zijn, dan door de overgrote meerderheid vanhet Nederlandse volk urgent en gewenst wordt geacht.Uw commissie kan zich er verzekerd van houden, dat zowel deregering als het Nederlandse volk met grote belangstellinghaar werk volgt en het resultaat daarvan tegemoet ziet. Degeesten waren ook voor de oorlog al rijp gemaakt voor verder-gaande saneringsmaatregelen op het stuk van de volkshuis-vesting.Ik wijs op de voorgangster van deze commissie in de vormvan de in 1927 geinstalleerde commissie, ingesteld door hetNederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw ende Nationale Woningraad. Deze commissie bracht in Januari1932 haar rapport uit. Voorts moge ik wijzen op de landelijkebijeenkomst, gewijd aan de krotopruiming, waar de herenSmeenk, Andriessen, Drees en Bommer het woord voerden.Daar de heer Bommer ook in de eerstgenoemde commissie zit-ting had, mag wel geconstateerd worden, dat Uw voorzitterUw commissie op gelukkige wijze verbindt met vooroorlogsepogingen om het euvel der onvolwaardige woningen te be-strijden.De namen de heren Smeenk, Andriessen en Drees, die ik Uals inleiders van de landelijke bijeenkomst in 1939 noemde,garanderen, naast de ontwikkeling der publieke opinie waar-van ik zojuist gewag maaktc, dat ook bij leden van de regeringen van de volksvertegenwoordiging een reeds oude en warmebelangstelling bestaat voor het probleem dat U zal bezig-houden.Ik verheel mij niet, dat het vraagstuk van de krotopruimingvele facetten heeft, die diepgaande bestudering eisen.Het technisch facet zou wellicht het meest eenvoudige zijn,ware het niet dat techniek en economic zo nauw met elkaarverbonden zijn en dat de technische omschrijving van wat nueigenhjk een krot is zeer moeilijk is te geven.Ik wijs op de verschillende technische normen die in de staden op het platteland moeten worden aangelegd, op de invloedvan de situatie en van de omgeving op de criteria die voorhet begrip ,,krot" van invloed zijn.De maatschappelijke, sociale en hygienische zijden van hetvraagstuk zijn naar hun wezen nog moeilijker te benaderendan de technische. Hier immers komt de menselijke factor inhet geding en spelen derhalve vele imponderabele waarden eenrol. Ik noem slechts de relatie tussen woning en sociale habitus,tussen inkomen en huur, de maatschappelijke en economischesanering van de noodgebieden en de vraag of krotten in struc-turele werkloosheidsgebieden behalve gesloopt ook vervangenmoeten worden.Een bijzonderc zijde van het vraagstuk, die vooral door mijnambtsvoorganger naar voren is gebracht, wil ik ook met grotenadruk noemen. Ik doel hier op de mogelijkheid om de krot-opruiming en vervanging mede te laten dienen als middel omgedurende een reeks van jaren een zo qroot mogelijke stabili-teit in de bouwnijverheid te bereiken. Terecht wordt gevreesd,dat na de inhaal van het qualitatieve woningtekort, een groteterugqang in de woningbouwnijverheid zal plaats vinden; deinhaal van het qualitatieve tekort kan het ontstaan van grotewerkloosheid wellicht verhinderen.Ga4rne wijs ik U erop, dat de gevreesde teruggang van dewoningbouwnijverheid niet een zaak is, die pas over vele jarenzal spelen. Het tekort van 250.000 woningen bij een jaarlijksenieijwe vraag naar ruim 35.000 woningen zal landelijk geziende woningbouwnijverheid nog vele jaren vol belasten, dochregionaal liggen de stukken anders. In sommige provincien isal aanzienlijk op het woningtekort ingelopen en het lijkt on-aanvaardbaar, dat het daar aanwezige bouwapparaat voorenige jaren practisch wordt stilgelegd om eerst nadat lande-lijk het woningtekort is inqehaald voor de krotvervanging wcerte vforden ingeschakeld. De vraag rijst, of er dan nog wel eenbehoorlijk bouwapparaat in die provincien over zou zijn.In dit licht gezien zal het wellicht nodig zijn het aantal te ver-vangen krotwoningen, dat in 1951-1953 op 2000 per jaar wasgesteld, aanmerkelijk te verhogen.Een enkel woord nog over het financiele aspect.Er heerst gerechte twijfel of de bestaande krotopruimingsbij-drage wel voldoende is, of liever deze twijfel bestaat in het ge-heel niet meer; de bijdrage is te laag. Omtrent de wenselijkehoogte van de bijdrage zult Gij U ongetwijfeld beraden, als-mede over de vorm waarin het Rijk zijn stimulerende en ac-tiverende financiele medewerking zou dienen te verlenen.Daarnaast zal overwogen moeten worden of de bijdrage alleentot de te vervangen woning moet worden beperkt of dat in degeest van de wederopbouwplannen ook aan de sanering vanbuurt en wijk, met inbegrip van openbare voorzieningen, finan-ciele medewerking van het Rijk op zijn plaats zou zijn.In enkele streken van Nederland zijn de onvolwaardige wo-ningen eigendom van de bewoner. Ik zou het op hoge prijsstellen, indien Uw commissie zodanige regelingen zou ont-werpen c.q. in overweging zou nemen, dat het cigenhuisbezitook na de sanering in stand kan blijven. Dit bijzondere socialeaspect zal overigens bij de gehele bestudering van het pro-bleem vanzelf aan de orde komen.De taak van Uw commissie strckt zich uit over het gehele ter-rein van de krotopruiming en wijksanering in al zijn aspecten.Nadrukkelijk is de studie van de stedebouwkundige reconstruc-tie van onze binnensteden niet in de opdracht aan Uw commis-sie ingesloten. Op dit terrein is een commissie van het Insti-tuut voor Volkshuisvesting en Stedebouw werkzaam, waar-mede Gij naar ik hoop vruchtbaar contact zult hebben, indiende aard van de door beide commissies te bestuderen onder-werpen daartoe aanleiding geeft.Mocht de regering het t.z.t. nodig achten om ook harerzijdsde reconstructie van binnensteden in studie te nemen, danzullen deskundigen, op gebieden die niet in Uw midden ver-tegenwoordigd zijn, in dit onderzoek moeten worden betrok-ken.Uit het voorgaande zal het U duidelijk zijn, dat sommige fa-cetten van het krotopruimingsvraagstuk reeds thans zeer nij-pend zijn en dat snclle maatregelen op sommige gebieden nietkunnen uitblijven. Ik denk aan de wijziging van de krotoprui-mingsbijdrage en aan de versnclde aanpak van krotopruimingin sommige gebieden van ons land, waar het woningtekortrelatief gering en de hoeveelheid krotten zeer groot is. Indiendit mogelijk zou zijn, ware het gewenst op kortc termijn voor-lopige maatregelen op deze gebieden te nemen.Waar de bestudering van het krottenvraagstuk in zijn geheleomvanq waarschijnlijk gcruime tijd zal vergen, zou ik het opprijs stellen om, voordat Uw commissie een eindrapport kanuitbrengen, reeds voorstellen en suggesties op de bedoeldepunten van U te mogcn ontvangcn.Het is mij tenslotte een behoefte U, vertegenwoordigers vanverschillende maatschappelijke organisaties, van gemeenten,provincies en van de verschillende Ministeries, mijn oprechtedank te betuigen voor Uw bereidwilligheid om aan het werkvan deze commissie deel te nemen. Ik hoop, dat Uw arbeideen zeer constructicve bijdrage zal vormen tot het vcrhcffenvan het woninqpeil in Nederland en tot het geluk van vele gc-zinnen. Met deze wens verklaar ik Uw commissie gcinstal-leerd.De voorzitter van de Commissie, de Heer J. Bommer, bcant-woordde de installatie-rede met de volgende korte verklaring:Excellentie,Mede namens mijn medeleden voel ik er behoefte aan U dankte zeggen voor het vertrouwen, dat U blijkens onze benoemingin ons stelt. U hebt thans bovendien de belangrijkheid van onzetaak zo duidelijk getekend, dat wij het wel als een bijzondervoorrecht voelen daarbij behulpzaam te kunnen zijn.Inderdaad, krotten zijn er altijd geweest, in groten getale. Zijzijn echter pas een sociaal probleem gaan vormen toen menzich bewust werd van de ondermijnende invloed, die slechtewoningtoestanden op de volkskracht uitoefenen. Dat is nu zoongeveer een eeuw geleden. Als wij terug zien op wat ersindsdien gebeurd is, dan moeten wij constateren, dat het peilvan de volkshuisvesting weliswaar aanzienlijk omhoog gegaanis, maar dat deze verbetering niet in de eerste plaats werd ver-kregen langs de weg van krotopruiming. Voor het overgrotedeel heeft onze activiteit zich geconcentreerd op de nieuw-bouw, waardoor het aantal krotten relatief geringer werd.Daarnaast is er een zekere activiteit geweest ten aanzien vande woningverbetering. Het tempo van de onbewoonbaar-ver-klaring is vrij matig geweest en met de sanering van slechtewoonwijken is nauwelijks een begin gemaakt. Het door U aan-gehaalde rapport van 1932 wees er weliswaar op, dat de krot-vorming in ons land sneller ging dan de krotopruiming maarook dit heeft helaas de activiteit niet kunnen vergroten.Een schrale troost is, dat het in vele andere landen niet beteris gegaan, dikwijls zelfs belangrijk slechter. Voor een grootdeel moet dit worden toegeschreven aan de ingewikkeldheidvan het vraagstuk, aan de offers, die de gemeenschap (al- OOthans ogenschijniijk) voor de oplossing er van zou moetenbrengen en aan de grote hoeveelheid cnergie, die zulk eenoplossing zou vergcn.Ook van onze commissie zal het een en ander worden ge-vraagd. Zij zal bij haar taak bovendien nog weleens in twee-strijd komen te verkeren. Aan de ene kant lokt dfe veelzijdig-heid en ingewikkeldheid van het ondcrwerp tot breedvoerigeen diepgaande studie. Aan de andere kant is er de dringend-heid om binnen een redelijkc termijn met voorstellen te komen,die voor onmiddellijke uitvoering geeigend zijn. Tussen dezebeide polen zal de commissie haar koers moeten bepalen. Ikheb vertrouwen, dat dit zal gelukken.Ik heb bovendien het vertrouwen, dat (als ik een woord vanU mag citeren) de voorstellen der commissie straks het maat-schappelijk klimaat zullen vinden, dat voorwaarde is voor haarverwezenlijking. Het rapport van 1932 kwam tot stand opinitiatief van twee particuliere verenigingen. Ditmaal heeft deregering zelf het initiatief genomen. Dat sterkt onze verwach-ting, dat als straks het rapport van onze commissie zal zijn uit-gebracht, de krotopruiming met groter kracht dan in het ver-leden zal worden aangepakt, tot heil van onze volksgemeen-sehap.Ik dank U, Excellentie, hartelijk dat U de commissie hebtwillen installeren en voor de woorden, die U daarbij hebt ge-sproken. Wij zullen nu aan het werk gaan.Tot zover dan de toespraken.Er is, ons bedunkens, geen reden om schamper vast te stellen,dat er dus weer een commissie is gevormd, die nu waarschijn-lijk weer tot de vorming van nog meer commissies zal advise-ren. De minister heeft heel duidelijk uiteengezet, dat de rege-ring zeker op bepaalde punten snel het oordeel van de com-missie wenst te kennen. Het is aannemelijk, dat de regeringdit wenst omdat zij de noodzaak van vlug handelen inziet.Ware het nog nodig de voortvarendheid van de voorzitter dercommissie te leren kennen, dan zou het kernachtige woord,dat hij bij deze gelegenheid sprak daartoe een goede bijdragevormen. Zijn ,,Wij zullen nu aan het werk gaan" spreekt vanhet voornemen om spoedig degelijke voorstellen ter tafel tebrengen. Wij hebben goede verwachtingen van het werk dercommissie en wij vertrouwen, dat de minister met de uitkom-sten van het commisoriale onderzoek ernst zal maken.W. S.Een belangrijk congres over volkshuisvestings-problemenOp Zaterdag 9 Mei 1953 belegden het Nederlands Vakver-bond en de Algemene Nederlandse Bouwbedrijfsbond een de-monstratief congres. Op dit te Amsterdam gehouden congreskwamen drie belangwekkende onderwerpen aan de orde, t.w.,,Krotopruiming", ,,Sanering" en ,,Het Huurvraagstuk". Hetlijkt ons voor de oordeelvorming inzake deze problemen vanbelang kennis te nemen van de kern der gehouden toespraken.Als eerste sprak oud-minister Mr J. In 't Veld over de krot-opruiming, in het bijzonder in verband met de werkgelegen-heid in het bouwbedrijf. Spreker acht een werkgelegenheids-politiek op langc termijn, speciaal voor het bouwbedrijf, nood-zakelijk. Na een oorlog breidt het productie-apparaat zich zeersnel uit. Belangrijke achterstand op velerlei gcbied moet zosnel mogelijk worden ingehaald. De productie richt zich dusop de bevrediging van de inhaal-vraag. Als echter op een ge-lukkig moment de oorlogsverwoestingen zijn hersteld en deachterstand is ingehaald, dan valt een belangrijke vraag wegen dan ontstaat een ernstige inzinking in de werkgelegenheid,tenzij het ontstaan van aanvullende behoefte en dus vraagwordt bevorderd.Deze kwestie is vooral van belang voor de gang van zaken inhet bouwbedrijf. De ervaringen na de oorlog 1914-1918 hebbenons in dat opzicht het een en ander geleerd. Omstreeks 1930was het woningtekort practisch ingehaald. Er waren toen alte veel middenstandswoningen; daarentegen was er nog eentekort aan goede arbeiderswoningen voor redelijke huren.Niettemin ging men nog lustig een jaar of vijf met de opge-schroefde productie van middenstandswoningen voort; hetvrije particuliere initiatief had zo geen weet van productie inevenredigheid met de behoefte. In 1934 werd een record ge-boekt: ruim 52.000 woningen kwamen gereed. Nu barstte danook de bom. De markt bleek oververzadigd te zijn; de produc-tie daalde tot ongeveer 30.000 woningen per jaar. Ook in an-dere sectoren van het bouwbedrijf trad deze inzinking op. Hetwerkloosheidscijfer in de bouwvakken liep op tot boven de40%! Rond 75.000 bouwvakarbeiders hepen zonder werk. Re-kening houdend met soortgelijke verschijnselen in de bij hetbouwbedrijf betrokken branches kan men stellen, dat de el-lende van de dertiger jaren voor ongeveer een derde deel op54 rekening van de bouwbedrijvigheid moet worden geschreven.Als het kalf verdronken is, gaat men er over denken de putte dempen. Spreker vermeldt het krotopruimingscongres vande Nationale Woningraad, dat in 1939 werd gehouden enwaar de leus werd aangeheven: Minstens 5000 krotten perjaar opruimen en vervangen (Wij maken hierbij de kantte-kening, dat het Nederlands Instituut voor Volkshuisvestingen Stedebouw en de Nationale Woningraad al in 1932 eenrapport over dit vraagstuk het licht lieten zien).Mr. In 't Veld blijkt van oordeel te zijn, dat het gevaar voorde werkgelegenheid in het bouwvak ditmaal nog heel watgroter is dan in de dertiger jaren. Het probleem is hetzelfdc;het dient zich nu echter aan op veel groter schaal dan toen.Het woningtekort ligt nu nog in de buurt van 250.000 wonin-gen. Als wij 55.000 woningen per jaar bouwen, dan lopen wijper jaar 20.000 woningen op het tekort in. Om zonder duplex-woningen in 1960 de achterstand te hebben ingehaald moetenwij zelfs 65.000 woningen per jaar produceren. Een zodanigeproductie acht spreker technisch alleszins mogelijk. Een ruimaandeel in de productie moet aan de woningwetbouw wordenovergelaten. Letterlijk zei spreker: ,,Wij staan op het stand-punt, dat, willen wij niet opnieuw komen voor een teveel aanmiddenstands-, bij een tekort aan arbeiderswoningen, de wo-ningwetbouw gerust een ruimer aandeel in het totaal maghebben dan 50%. Van een op grote schaal aanpakken vanarbeiderswoningbouw door het particuliere bouwbedrijf heb-ben wij, gezien de ervaringen van het verleden, nu cenmaalniet zo hoge verwachtingen. En met 35.000 woningwetwonin-gen op een totaal van 65.000 worden de verhoudingen danook zeker niet scheef getrokken. (Kanttekening: vergelijk het-geen het vakblad ,,Cobouw" in het elders in dit nummer ge-citeerde verslag hiervan maakte. Mr In 't Veld heeft met geenwoord over de verderfelijkheid van ,,winst" gerept!).Spreker pleit voor de opvoering van de productie tot 65.000woningen per jaar. Men hebbe daarbij dan echter een openoog voor het gevaar voor de werkgelegenheid in het bouw-bedrijf op het ogenblik, waarop het woningtekort zal zijn in-gehaald. (Kanttekening: Mogelijk zelfs nog eerder, want methet afnemen van het theoretische tekort daalt ook de produc-tie-spanning!).Mr in 't Veld acht de vervanging na 1960 van 20.000 slechteen verouderde woningen per jaar een minimum, wil de werk-gelegenheid in het bouwbedrijf enigermate op peil wordengehouden. Men denke over de vervulling van deze eis nietlicht. Met sprokkelwerk (onbewoonbaar-verklaring, inciden-tele sanering, woningverbetering) komt men er beslist niet.Ook het opzetten en uitvoeren van sanerlngsplannen van watbreder allure is in dit verband slechts prutswerk, AIs oude ker-nen van steden en dorpen onder het mes moeten komen, danzullen wij zeker daar de problemen van wonen, werken, ver-keer en recreatie in een groot verband tot een oplossing moe-ten zien te brengen. In deze kernen voldoen de woningen nietaan de eisen, die wij thans stellen. Er zijn ernstige gebreken ,van stedebouwkundige aard, smalle straten, stegen en sloppen,volgebouwde binnenterreinen, dooreenmenging van Wonin-gen, bedrijven, werkplaatsen en pakhuizen. Groen, recreatie-en speelgelegenheden ontbreken. Er zijn de hand over handtoenemende verkeersmoeilijkheden; er is het bijkans onoplos-bare parkeerprobleem. Wij worden geconfronteerd met het be-denkelijke verwordingsverschijnsel, dat zich in vrijwel alleoude stadskernen begint te opcnbaren. AI deze moeilijkhedenmoeten worden opgelost door het probleem als een ondeel-baar geheel te zien en te behandelen.Grondslagen voor een structuurplan voor de gemeente in haargeheel moeten na veel en tijdrovcnde studie worden gevon-den. Voor ons geestesoog moeten wij oproepen het beeld vande steden en de dorpen, zoals die er in het jaar 2000 behorenuit te zien. De gemeentebesturen zullen deze zaak groot moe-ten 4ien- Het is onzinnig veel geld te steken in verbeteringvan panden, die over enige jaren toch moeten verdwijnen; hetis nog onzinniger nieuwe huizen te bouwen op plaatsen, waarzij later in de weg blijken te staan. Het grootse werk moet nuworden aangepakt willen wij in 1960 de voorbereidingen ge-noegzaam hebben voltooid.Wie zal dit alles moeten betalen? Men moet rekenen op eentekort van f 5.000,-- a f 6.000,-- per op te ruimen woning.Volvoert men het programma van 20.000 krotten vervangen,dan kost dit dus zeker f 150 a f 170 millioen. Met bijkomendekosten mag men wel rekenen op f 200 millioen per jaar. Die200 millioen kunnen wij opbrengen. Doen wij het niet, danonthouden wij ruim 40.000 arbeiders werk. Die arbeiders zul-len dan, naar de huidige maatstaven ongeveer f 125 millioenaan werklozenuitkering moeten ontvangen. Zo gesteld kan dekeus niet moeilijk zijn.Tot zover in uittreksel de rede van Mr In 't Veld. Het congresheeft geboeid naar de woordenschets van het toekomstbeeldgeluisterd. De oud-minister bleef zichzelf trouw. Hij riep optot het tonen van initiatief, tot het aanpakken van een enormstuk werk. Ook al is men het op onderdelen met deze spre-ker niet geheel eens-^-- met name voor wat betreft de doorhem geschatte financiele consequenties -- men moet zich ge-woniien geven aan zijn kijk op het probleem.De tweede spreker was Dr Ir F. Bakker Schut uit Den Haag,die de technische kanten van de sanering behandelde. Naarde mening van deze spreker is de eigenlijke sanering slechtseen deel van het probleem. Het gaat in feite om de algehelevernjieuwing en verandering van de kernen van onze stedenen dorpen. Welk een enorme betekenis hebben de grote stads-uitbreidingen van de laatste tientallen jaren. Vanuit de oudekerrjen naar de nieuwe wijken gaande, komt men van smallestraten op brede wegen. Het zou juist andersom moeten zijn.Vroeger deed het er niet zoveel toe dat de kernbebouwing ver-ouderde; men kon vernieuwingen tot stand brengen op het be-staande stramien; het verkeer behield immers ongeveer het-zelfde karakter. Nu is dat fundamenteel anders. Voor de ver-nieuwing van oude stadskernen is een volkomen nieuwe verka-veling nodig; een totaal nieuw stratenplan moet worden vast-gesteld en uitgevoerd. Een sanering op deze basis is uiter-mate kostbaar. Aanleg van bestrating, riolering en alles watdaarbij hoort kosten vrijwel precies zoveel als deze voorzie-ningen in volkomen nieuwe wijken. Daarbij komen dan nogde hoge kosten voor aankoop of onteigening van de af tebrcken panden. Daar waar ook bedrijfjes zich in de oude kernhebben genesteld, overtreft de te vergoeden bedrijfsschadesoms vele malen de uit te keren waarde van de opstallen. Somszijn er tussen de oude panden nieuwe woningen gebouwd. Ookdie moeten verdwijnen; ook dat kost extra schadevergoeding.In de oude afgeleefde stadswijken concentreren zich de a-so-cialen of sociaal-zwakken. Ten behoeve van deze weinig-eisende bevolking lapt men de oude woningen op; men brengtenige verbeteringen aan. Juist deze op zichzelf vrij waardelozeverbeteringen belemmeren vaak een doeltreffende opruiming.De bewoners van de oude woningen verliezen het verlangennaar betere huisvesting. Het berusten in slechte woonom-standigheden vormt sociaal en cultureel een zeer groot ge-vaar. De kloof tussen hen, die de nieuwe wijken bevolken enhen, die gedoemd zijn te leven in de steeds meer vervallendekrottenbuurten wordt steeds groter. Daarom is het een eis vangezonde solidariteit; vernieuwing van de oude kernen vansteden en dorpen.Bij de vervulling van die eis zijn vele moeilijkheden te over-winnen. Gedwongen ontruiming is slechts op zeer beperkteschaal mogelijk. Onbewoonbaarverklaring komt vrijwel nietaan de orde. (Den Haag maakte een bescheiden begin). Overi-gens is deze onbewoonverklaring ook geen oplossing. De rotteplekken in de stadsbebouwing worden steeds ernstiger. InAmsterdam liggen de voorbeelden, die doen denken aan eenmond met uitgebroken tanden, voor het grijpen. Er zijn maat-regelen van meer positief karakter noodzakelijk. Een structuur-plan voor de qehele stad of het gehele dorp. Saneringsplannenvoor wijken. Het aankopen of onteigenen van gronden en op-stallen. Het aanleggen van straten, rioleringen enz. Het op-bouwen van de wijken in de nieuwe structuur.Incidentele verbeteringen blijken soms na korte tijd onvol-doende of hinderlijk. Maatregelen op grote schaal moetenworden voorbereid. Dat dit mogelijk is leerdcn ons tal vanwederopbouwplannen. Wat in het kader van de wederop-bouw niet bijzonder moeilijk was is dat echter wel voor sa-neringen. Wettelijke mogelijkheden (Woningwet van 1901!)laten voorlopig nog slechts ruimte voor lapmiddelen. In vrij-wel alle gemeenten weet men slechts weinig of in het geheelniets van de kwaliteit van de woningvoorraad. ledere ge-meente moet daarom een woning-karthoteek aanleggen. Demoeilijkheden op financieel terrein zijn van bijzonder ernstigeaard. Het huurverschil tussen krotten en nieuwe woningenbelemmert de sanering. Op basis van vrijwilligheid verkrijgtmen niet de ,,opschuiving" op de gewenste en noodzakelijksteschaal. De kosten voor de eigenlijke sanering zijn buiten-sporig hoog. In het voorgaande is daarop reeds gewezen. Dewijken rondom de oude zakenkern zijn van nature aange-wezen voor het maken van een brede ringweg. Aansluitendeuitvalswegen zijn noodzakelijk. Een onevenredig deel van dete saneren oppervlakte gaat derhalve aan verkeersruimte,,verloren". Het rijk draagt naar voor-oorlogse maatstavenslechts bij in de saneringskosten, voorzover deze uit een oog-punt van volkshuisvesting noodzakelijk zijn. Wat men voorde oorlog ten behoeve van particle saneringen uitgaf is, ookverhoudinqsgewijs, zeer belangrijk minder dan wat nu nodigzal zijn. Zeer globale berekeningen leren dat, althans in degrote steden, gerekend moet worden met een kostenniveauvan een millioen gulden per ha. te saneren oppervlakte. (Kant-tekening: Onderlinge tegenspraak tussen In 't Veld en BakkerSchut? Als men de bebouwingsdichtheid per ha. stelt op 50woningen, dan betekent een millioen per ha. twintigduizendgulden per woning. Zo erg zal het wellicht niet zijn, maarhoe erg dan wel?). De Heer Bakker Schut komt dan tot deconclusie, dat, ongerekend de kosten voor de nieuwbouw,de saneringen in de gewenste omvang ongeveer 200 millioengulden zullen kosten (Nu weer overeenstemming met de cij-fers van Mr In 't Veld. Maken wij een rekenfout?).Een saneringsgebied moet, wil nuttig effect worden bereikt, _een minimum-oppervlakte hebben. Het hier en daar plantenvan een rijtje nieuwe woningen kan zelfs schadelijk zijn. Tochmoet men de te saneren oppervlakte ook weer niet te grootvaststellen. Uitgangspunt dient te zijn een financieringsplanvoor de sanering, onderverdeeld in wijken en delen van wij-ken, zodanig, dat systematisch het ene wijkgedeelte aanslui-tend aan het andere wijkgedeelte achtereenvolgens op zo 55kort mogelijke termijn kan worden behandeld. Het sparenvan de bestaande bebouwing dient daarbij beperkt te wordentot die gevallen, waarin deze geen belemmering vormt vooreen doelmatig stedebouwkundig plan en deze bovendien inzodanige staat verkeert, dat zij nog cen vijftig jaren meekan.Het komt voor, dat in de te saneren krottenbuurten in deloop van de jaren kostbare nieuwbouw of verbouwingen heb-ben plaats gevonden. Gronduitgifte in erfpacht is hierbij vrij-wel onbekcnd. Men kan derhalve de opruimingstermijn nietlaten samenvallen met het einde van de erfpachtstermijn, het-geen straks wel in de nieuwe buurten het geval kan zijn, mitsde gemeenten zo verstandig zijn het erfpachtstelsel toe tepassen.De Staatscommissie Van den Bergh heeft in haar rapportandere middelen aangegeven om niet in het saneringsplanpassende nieuwbouw, vernieuwing of verbouwing tegen tegaan (de ,,instandhoudingsbeperking" b.v.), maar deze voor-stellen zijn nog niet tot wet verheven. In beperkte mate kun-nen ook onder de huidige wetgeving reeds maatregelen wor-den genomen om te voorkomen, dat later onnodige kostenvoor aankoop of onteigening moeten worden gemaakt. In ditverband zij gewezen op de noodzaak van een uiterst voor-zichtige toepassing van de z.g. premieregeling voor woning-" verbetcring. Onoordeelkundige woningverbetering kan eengrote belemmering vormen voor latere saneringen. In be-paalde gevallen beperke men zich dan ook tot repareren vanbestaande gebreken aan oude woningen, maar men late daar-bij verbeteringen, die straks een afdoende oplossing van hetgehele ,,wijkprobleem" in de weg kunnen staan, achterwege.De Heer Bakker Schut bepleitte de aankoop door de ge-meenten van ten verkoop aangeboden krotten. Deze methodebespaart straks kosten en moeiten. Deze spreke:r vatte zijnbetoog samen door de opsomming van een aantal maatregelenop rijksniveau en op gemeentelijk niveau. De door het Rijkte nemen maatregelen zijn:a) het uittrekken op het rijksbouwprogramma van een be-langrijk bedrag voor saneringskosten, na 1960 te stellenop ca. 200 millioen gulden per jaar;b) het maken van goede financieringsregelingen voor krot-opruiming en sanering, waarbij voor het laatste van dealgehele reconstructiekosten dient te worden uitgegaan(inclusief dus de kosten voor de verkeerswegen);c) een herziening van de Woningwet en van de Onteige-ningswet, opdat een goede stedebouwkundige rcgelingvoor de bebouwde kom mogelijk wordt en opdat de le-vensduur van de bebouwing in de te saneren buurten bijvernieuwing, verandering en verbetering kan worden ge-regeld in overeenstemming met het voorgenomen tijdstipvan de sanering.De door de gemeenten te nemen maatregelen zijn:a) het instellen van een woningkarthoteek;b) het voeren van een actief beleid tot aankoop van oudewoningen en het afstemmen van de aan te brengen ver-beteringen op het tijdstip, waarop men denkt te gaansaneren;c) het tijdig vaststellen van de nodige stedebouwkundigemaatregelen voorzover dit onder de vigerende wetgevingmogelijk is;d) het geven van voorrang door het Huisvestingsbureau aan-- na onbewoonbaarverklaring -- te huisvesten krotbe-woners en het daarbij toepassen van opschuiving, voor-zover de bewoners niet aanstonds in nieuwe wijken kun- nen worden ondergebracht;e) het bouwen van woningen voor krotvervanging op groteschaal, zodra zulks mogelijk is, evenwel met dien ver-stande, dat het woningpeil daarbij niet wordt gedrukt.De derde spreker op dit demonstratief congres was de Heer_ , D. Roemers, ec. drs., die het huurvraagstuk behandelde. HierOD volgt een vrije bewerking van de rede van de Heer Roemers:Uitgangspunt is het advies van de Sociaal Economische Raad,dat over het huurvraagstuk vorig jaar aan de Regering isuitgebracht. Aan het vraagstuk ziet spreker twee kanten. Inde eerste plaats de vraag of de huurverhoging noodzakelijkis. In de tweede plaats de vraag wat deze huurverhogingvoor het levenspeil van de sociaal zwakkere groepen zal be-tekenen. Op deze laatste vraag wordt overigens niet uitvoe-rig ingegaan. Het hele vraagstuk van de compensatie van deeventuele huurverhoging is nog in behandeling. Als stand-punt van het N.V.V. geldt: compensatie is noodzakelijk ende compensatie moet aanvangen op het moment, waarop dehuurverhoging wordt in gevoerd.Nu de eerste vraag: Waarom is de huurverhoging noodzake-lijk? De woninghuur is een van de weinige prijzen, die inNederland nog aan ,,beheersing" onderworpen zijn. Waaromzijn prijzen van vele andere goederen en diensten vrijgelatenen de huur van woningen niet? Daarvoor bestaan klemmenderedenen. Er bestaat schaarste aan woningen. Woningen kanmen niet aan de lopende band produceren, zoals b.v. schoenenof voedingsmiddelen. De achterstand in de productie aanwoningen wordt veel minder snel ingehaald dan de achter-stand op ander terrein. Bij de gegeven wanverhouding tus-sen vraag en aanbod op de woningmarkt kan men de hurenniet vrijlaten. Dat zou tot een sociale ontwrichting leiden.Men is het er vrij algemeen over eens, dat de beheersing vande woninghuur noodzakelijk is.Wel bestaan er ernstige meningsverschillen met betrekkingtot de eigenlijke prijsvoorschriften. Tegen de werking vandeze prijsvoorschriften worden grote bezwaren aangevoerd.Dat is geen wonder. De huurprijzen van de voor-oorlogse wo-ningen liggen op een niveau van 115% van de huren van1940. De prijzen van andere goederen en diensten liggen ge-middeld op een niveau van 250 a 300% van 1940. Een eigen-aardige tegenstelling: Schaarste aan woningen; huurprijzenechter aanzienlijk minder gestegen dan andere prijzen. Daar-door ontstaan spanningen. Met prijsvoorschriften kan menniet volstaan. Er moeten ook distributiemaatregelen zijn(woonruimteverdeling). Toch: de spanningen blijven.Die spanningen treden ook op bij de huurprijsbepaling voorde nieuwe woningen. De productiekosten van woningen zijnna 1940 aanzienlijk gestegen. Ook de rendabele huurprijs(die dus alle kosten goedmaakt) zou in evenredigheid ge-stegen moeten zijn. In het advies van de S.E.R. is berekend,dat een rendabele huurprijs op basis van de prijsverhoudingen1952 ongeveer 150% hoger zou moeteft zijn dan een vcrge-lijkbare huurprijs per Mei 1940. Een dergelijk verschil is een-voudig onaanvaardbaar. Het spreekt derhalve vanzelf, datde overheid de na-oorlogse woningbouw moet subsidieren.Aanvankelijk werd bepaald, dat de huren een zeker percen-tage van die van Mei 1940 mochten bedragen. Dit percen-tage werd vastgesteld op 130% en later op 145%. Het ver-schil tussen de rendabele huurprijs en dit vastgestelde per-centage werd gesubsidieerd. Een bezwaar van dit systeemw^as, dat er niet voldoende stimulans was tot verlaging vande bouwkosten. Daarom is men later tot een ander systeemovergegaan. Men heeft toen gezegd: wij geven een vastebijdrage en gij moogt alleen bouwen, indien gij met die vastebijdrage tot een huur van 145% van 1940 kunt komen. Menkent de gevolgen. De bouwkosten stegen, (de rentevoet werdhoger en de rijksbijdragen werden verlaagd). De gemeentenkonden op basis huurprijzen 145% niet meer bouwen. Tochmoesten zij bouwen. Zij namen derhalve hun toevlucht tothogere huren. Er zijn nu zeer vele nieuwe woningen, die ver-huurd worden tegen prijzen van 160, 170 ja zelfs nog hogerepercentages van 1940. De wijziging in de subsidiepolitiek-- oorzaak van dit verschijnsel '-- moet ernstig worden be-treurd. Het verschil tussen de huur van oude en nieuwe wo-ningen is onaanvaardbaar. Sociaal zwakke groepen kunnende huur voor de nieuwe woningen niet opbrengen. Er vindtgeen ,.opschuiving" in de bewoning plaats.Ook in verband met de loonpolitiek moet het ongemotiveerdeverschil in de huurprijzen verdwijnen. Deze loonpolitiek isEEN NIEUW BEGRIPOCRATERENGEDEPONEERD MERKtI\0RATERMARQUE DEPOSEETO OCRATETRADE MARKOCRATIERENGESETZLICH GESCHUTZTDeze namen danken hun ontstaan aaneen vinding van de Ocrietfabriek.Op deze vinding, die van groot belang isvoorde ontwikkeling van Cementproducten,zijn in 28 landen patenten verleend.PUBLICATIE VAN DE OCRIETFABRIEK N.V. ? BAARN - TEL. 3641 (4 lijnen)57voor een belangrijk deel gebaseerd op de index kosten levens-onderhoud. In die index is de woninghuur gewaardeerd op115% van 1940. In werkelijkheid moeten duizenden huurdersvan nieuwe woningen hogere en veel hogere prijzen betalen.Die groep wordt elk jaar groter. Het verschil in de huurprijzenwordt elk jaar onaannemelijker. Wanneer nu de prijzen voorde oude woningen worden verhoogd en de prijzen voor denieuwe woningen niet, dan zal in ieder geval een gedeelte-lijke oplossing worden bereikt. De huurders van de nieuwewoningen zullen dan profiteren van de compensatiemaatrege-len, waartegenover zij niet een hogere huur behoeven te be-talen. Ziehier het eerste argument voor huurverhoging.De huurprijzen, die zijn uitgcschoten boven het theoretischepeil van 145% moeten tot dat peil worden teruggebracht. Datis eenvoudig het (laat) herstellen van een onbillijkheid. Hieren daar zegt men, dat de nieuwe woningen, ondanks de hogehuurprijzen toch wel verhuurd worden, maar dat zegt natuur-lijk niets t.a.v. de onrechtvaardigheid.Het tweede argument voor een algemene huurverhoging. Zo-als gezegd moet de na-oorlogse woningbouw van overheids-wege worden gesubsidieerd. Naar de huidige situatie zijn desubsidies zelfs onvoldoende. Overigens komen die subsidiesniet uit de lucht vallen. Zij moeten door middel van belastin-gen worden verkregen. Per jaar wordt reeds meer dan 100milioen gulden aan subsidies uitgegeven. Daar komen -- bijvoortgezette woningbouw -- ieder jaar millioenen bij. Datkan zo niet doorgaan. Deze situatie houdt wezenlijke gevarenvoor een gezonde volkshuisvesting in. Er zal aan de kwaliteitvan de volkswoningen- worden geknabbeld. ledere arbeidermoet de kostprijshuur voor zijn woning kunnen betalen. Datkan niet in een stap worden bereikt. Tot dusver moest deoverheid in vrij stcrke mate subsidieren. Het hele land heeftvan de noodzakelijke ,,huurprijsbeheersing" geprofiteerd. Dearbeiders hebben er geen direct voordeel van gehad; hunloon was immers mede op lage huren gebaseerd. Die lonenmoesten binnen bepaalde grenzen worden gehouden, terwillevan de exportpositie van ons land. Deze exportpositie -- deafgelopene hebben het ten duidelijkste aangetoond -- wasvoor de na-oorlogse economische ontwikkeling en daarmedevoor het welvaartspeil van het gehele volk van eminente be-tekenis. Omwille van een gezonde volkshuisvesting zullen wijevenwel moeten streven naar de ,,kostprijshuur".Een derde argument voor de huurverhoging is: betere verzor-ging van het onderhoud der woningen. Het is overigens nietzeker, dat verwaarlozing van het onderhoud alleen maar kanworden verklaard uit de lage huren. De schaarste aan wonin-gen heeft die verwaarlozing zeker ook in de hand gewerkt.De huurder is momenteel in een zeer zwakke positie. De ver-huurder behoeft geen huurders ,,aan te trekken' 'door middelvan goed en behoorlijk onderhoud. De huiseigenaren stellen,dat de kwaliteit van het woningbezit door verwaarlozing vanhet onderhoud wordt aangetast. Dat is ook zo, maar wie ga-randeert, dat bij huurverhoging die verwaarlozing tot het ver-leden zal behoren? Er zijn veel domme mensen op de werelden de huiseigenaren vormen op die regel geen uitzondering.Na de vorige algemene huurverhoging met 15% is er ook vande geringste uitbreiding van de onderhoudszorg door de ver-huurders geen sprake geweest. Intussen moet worden erkend,dat de huiseigenaren over middelen voor het onderhoud die-nen te beschikken. De tegenwoordige huren verschaffen diemiddelen niet in voldoende mate. Ook de woningbouwver-enigingen klagen daarover. De toestand op de woningmarktin Frankrijk is in dit verband een teken aan de wand.Voor wat de omvang van de huurverhoging betreft, de So-ciaal Economische Raad adviseert een verhoging van 145%van de huren van Mei 1940. Het N.V.V. is het daarmedeeens, aangenomen uiteraard, dat er voor volledige compensa-tie wordt gezorgd. Het N.V.V. steunt deze vrij sterke huur-verhoging onder het uitdrukkelijke voorbehoud, dat een deelvan de hogere huuropbrengst terecht komt in een huuregalisa-tiefonds.OO Differentiatie in de huurverhoging is noodzakelijk. Een ver-hoging met eenzelfde, in alle gemeenten geldend percentagezou moeilijkheden t.a.v. de compensatiemaatregelen veroor-zaken en het zou de bestaande huurverschillen in de onder-scheidene klassen van gemeenten in absolute zin vergroten.Men streeft naar een geleidelijke afschaffing van de ge-meente-classificatie. Een overal procentueel gelijke huurver-hoging zou deze afschaffing bemoeilijken.Moet ook de eigenaren van oude reeds lang afgeschrevenwoningen een huurverhoging in de schoot worden gewor-pen? In beginsel is spreker geneigd, die vraag ontkenncnd tebeantwoorden. Het is echter niet eenvoudig dit beginsel in depractijk toe te passen. Men zou b.v. iedere woning op haarkwaliteit kunnen beoordelen en op grond daarvan de huur-verhoging vaststellen. Prof. Van Beusekom poneert, dat detoepassing van deze, op het eerste gezicht ingewikkelde me-thode, in Frankrijk erg is meegevallen en tot goede resultatenheeft geleid. Spreker meent, dat deze methode niet kan wor-den toegepast bij de komende phase van de totale huurver-hoging. Misschien later wel.Aan wie moet de opbrengst van de huurverhoging ten goedekomen? Dat deel, dat nodig is voor de uitvoering van het on-derhoudswerk, levert geen principiele problemen op. Alweer:de practische toepassing kan wel verschil van mening veroor-zaken, Kunnen er garanties worden geboden, dat de huiseige-naren het daarvoor bestemde deel van de huuropbrengst in-derdaad aan onderhoud besteden? De tegenwoordige wet-telijke regelingen scheppen slechts mogelijkheden bij kenne-lijke verwaarlozing. Deze kwestie verdient ernstige aandacht.Er was in de Sociaal Economische Raad verschil van meningop twee puntcn. Het eerste punt betreft de z.g. onderhouds-zeden. Aan onderhoud binnenshuis b.v. komt de huiseigenaarniet meer toe. Met die wijziging in het onderhoudsgebruikmoet rekening worden gehouden. Eenzelfde omstandigheiddoet zich voor bij het risico voor leegstand. Voor de oorlogst
Reacties