December 1954He Jaargang -- No 12De WoningbouwverenigingUitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerschijnt maandelijksAdres voor Redactie en Abonnementen; Wouwermanstraat 27, Amsterdam Z., Tel. 724298 - 721421Adres voor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128Stijgende welvaart - dalend woonpeilIn het vorige nummer van dit maandblad publiceerden wijhet artikel ,,Perikelen rond de woningwetbouw". In dat arti-kel toonden wij aan, dat de bouwprijzen voor de woningwet-woningen allengs door aanwijsbare oorzaken waren gestegen.Daartegenover moesten wij vaststellen, dat de z.g. curveprij-zen, die het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisves-ting ter (noodzakelijke) controle hanteert, niet of althansniet evenredig het feitelijke prijsverloop hebben gevolgd. Ditvoerde tot de conclusie, dat er steeds scherper wordendespanningen aan de dag treden tussen de feitelijke aanneem-sommen enerzijds en de min of meer theoretisch gefundeerde,,curveprijzen" anderzijds. Die spanningen leiden of tot hetachierwege blijven van gunningen of (en vooral) tot bezui-nigingen in de toch reeds van soberheid getuigende bouw-plannen. Bezuinigingen derhalve, die de vraag oproepen ofde soberheid van de woningwetbouw zou kunnen gaan deva-lueren tot armoede.Het behoeft ons niet tot vreugde te stemmen, dat wij op hetartikel van de vorige maand vele blijken van instemmingontvingen. Deze instemming levert immers -- ten overvloede-- een aanwijzing op, dat de vrees waaraan wij uiting gaven,niet ten onrechte wordt gekoesterd. Die instemming alleen zouons niet gebracht hebben tot het opnieuw aan de ordestellen van deze zaak. Het is echter in de afgelopen wekenniet gebleven bij adhaesie-betuigingen. Regelmatig ontvangenwij nu op het bureau van de Nationale Woningraad deplannen voor woningwetbouw, die zijn aanbesteed, maarwaarvoor geen gunning kan worden verleend, omdat de aan-neemsommen ver, soms zeer ver, uitgaan boven de ,,curve-prijzen" van het Ministerie. In die gevallen kan ook de grotewelwillendheid, waarmede de ambtenaren van de Directiesvan de Wederopbouw en de Volkshuisvesting in de provin-cies van advies dienen en bemiddeling verlenen, geen geschik-te oplossing brengen. Overeenkomstig hun opdracht beijverensecretariaat en technisch bureau van de Nationale Woning-raad zich om voor die bijkans hopeloze gevallen toch nogeen passende uitweg te vinden. De gemeenten en de bouw-verenigingen willen woningen bouwen. De architecten wen-sen zo enigszins mogelijk te voorkomen, dat hun plannenschipbreuk lijden. De aannemers geven in het algemeen blijktot volkomen redelijke onderhandelingen over de prijsvormingbereid te zijn. Met z'n alien poogt men dan om door hetaanbrengen van vereenvoudigingen in de plannen, het achter-wege laten van aanvankelijk noodzakelijk geachte voorzie-ningen, het verschuiven van kosten-elementen (in wezen eenkiekeboe-spel!), het overschakelen soms op de premierege-ling (zonder lastige ,,curveprijzen"), toch nog tot een gunningvan het bouwplan te komen.Wij moeten hierbij wel de opmerking maken, dat vele ledenvan de Woningraad met hun architecten na gehouden aanbe-steding bij ons komen in de hoop en de verwachting, dat doorstandaardisatie en door het brengen van uniformiteit in be-paalde constructies reele bezuinigingen mogelijk zullen blijkenHier geldt echter, dat de werkzaamheden van ons technischbureau te dezer zake slechts dan toereikend effect sorterenals men van de aanvang af bij de opzet der projecten op stan-daardisatie en constructie-uniformiteit bedacht is. Bovendiengaat het om een zodanige veelheid van mislukkingen, dat hetuitgesloten is te achten om in de korte tijd, die gewoonlijk terbeschikking staat en naast het werk aan onderhanden zijndeplannen, een ingrijpende wijziging van de projecten tot standte brengen.Wij wensen ons bewust te blijven van het grote gevaar, datde dienstverlening van de Woningraad t.a.v. het verzoenenvan aanneemsommen en ,,curveprijzen" aankleeft. Het gevaarn.l., dat de Woningraad tegen wil en dank zou worden toteen min of meer ervaren ,,bezuiniger". Een bezuiniger, die ernolens volens toe zou kunnen komen op ongepaste wijze teraken aan de kwahteit van de projecten, die hem ter bewer-king worden voorgelegd. De Woningraad heeft te wakentegen het overschrijden van de grens tussen dat wat voor devolkswoningbouw juist nog goed genoeg is en dat wat heusniet meer aanvaardbaar moet heten. De Woningraad heeftzelfs de plicht om te streven naar voortdurende verbeteringvan de kwaliteit en de uitrusting der woningen, zeker nu vanofficiele zijde herhaaldelijk wordt vernomen, dat een deel vande aandacht moet worden verlegd van de quantiteit naar dekwaliteit van de woningbouw. Zeker ook, nu bovendien dealgemene economische ontwikkeling in ons land steun geeftaan het verlangen om de welvaartsstijging mede tot uitdruk-king te brengen in aanzien en comfort van de nieuwe huizen.Onze recente ervaringen hebben ons aanleiding gegeyen tothet instellen van een telefonische ,,bliksem-enquete". Hetkwam ons n.l. gew^enst voor onze indrukken te verifieren aande hand van een doorsnede aan feitelijke gegevens. De opgang zijnde discussie over de kwaliteit van de woningwetbouwgaat immers niet alleen over de vraag of de geldende -- overi-gens vrij elastische -- normen voldoende zijn; er wordt ookover getwist of die normen onder de druk van de huidige span-ningen wel altijd worden gehandhaafd. De Minister met nameverzekert in de Tweede Kamer (men zie het overzicht eldersin dit nummer), dat zijn ambtenaren waken tegen ontoelaat-bare ,,uitkleding" van de woningen en tegen onderbiedingvan de geldende normen. Wij koesteren de vrees, dat hetongetwijfeld aanwezige voornemen om de kwaliteit met denormen in de hand te behoeden niet altijd en overal voldoenderecht wedervaart. Vandaar, dat wij er behoefte aan haddeneen serie practijk-gegevens te verzamelen, die wij hierna zoobjectief en zakelijk als het ons gelukken wil bekend zullenmaken. Vooraf de opmerking, dat vrijwel alle ondervraagdenin onze telefonische enquete er hun voldoening over uitspra-ken, dat aan de steeds sterker aan de dag tredende spannin-gen aandacht wordt besteed. 133AlkmaarRecente aanbesteding voor 83 woningen en 10 winkels. Aan-vankelijk bleek de aanneemsom t.o.v. de curveprijs/ 180.000,-- te hoog. Plan is derhalve herzien. Daarbij is op-merkelijk, dat de zolders begaanbaar zijn gemaakt, waardoormen op een verhoogde curveprijs kan rekenen. Tenslotteis nog wat bezuinigd op hang- en sluitwerk, op tegelbezetting.Het project is gegund.In Alkmaar is geen overschot aan ,,woningwetcontingent".AlmeloMedio 1954 aanbesteding voor 2 maal 119 woningen. Ver-schil met curveprijs ruim 100.000 gulden. Toestemming ver-kregen om voor ,,extra voorzieningen" / 80.000,-- te reke-nen, zodat nog voor / 20.000,-- moest worden bezuinigd.Bezuinigingen konden binnen het raam van de geldendekwaliteitsnormen worden aangebracht.Recente besteding voor 75 woningen. Prijs / 40.000,-- tehoog. Nog geen oplossing bereikt.AmersfoortRecente besteding voor 83 woningen. Prijs f 25.000,-- tehoog. Bezuinigingen aangebracht, waardoor, naar oordeelvan deskundige zegsman, het woongerief wordt aangetast.Apeldoom ;In September 1954 aanbestedingen voor:208 woningen. Aanneemsom / 550.000,-- te hoog. Bezuini-gingen onmogelijk. Plan nict gegund.56 woningen. Aanneemsom circa / 9.000,-- te hoog. Bezui-nigd ten koste van kwaliteit. Plan gegund.42 woningen. Aanneemsom ruim / 66.000,-- te hoog. Bezui-nigingen onmogelijk. Plan niet gegund.68 woningen. Aanneemsom / 17.000,-- te hoog. Bezuinigdten koste van kwaliteit. Plan gegund.33 woningen. Aanneemsom / 95.000,-- te hoog! Bezuinigin-gen uiteraard onmogelijk. Plan niet gegund.AssenIn September 55 woningen aanbesteed. Moest / 27.000,--bezuinigd worden, hetgeen is geschied op afwerking buiten-muren en betontrappen. Plan gegund. Nog bouwcontingentbeschikbaar.BeverwijkIn Augustus 32 woningen aanbesteed. Verschil met curveprijs/ 70.000,--. Bezuinigingen onmogelijk. Plan niet gegund.48 woningen onderhands gegund na ruim / 10.000,-- te heb-ben bezuinigd.In December 1954 54 woningen aanbesteed. Zou nog / 500,--per woning bezuinigd moeten worden, hetgeen volgens des-kundige zegsman onmogelijk is.Nog bouwcontingent beschikbaar.DeventerIn November 1954 tweemaal 138 woningen aanbesteed. Inhet ene geval / 100.000,-- boven curveprijs. In het andere/ 35.000,^--. Geen der beide plannen is gegund. Zegsman gafals zijn mening, dat inschrijvingsbedragen reeel geacht kon-den worden. Zou men de verschillen willen overbruggen, danzou zonder twijfel van ,,uitkleding" sprake zijn en zou dewoonkwaliteit worden aangetast. Wijziging in de verhoudingdringend noodzakelijk.Dordrecht280 woningen en 6 winkels na / 55.000,-- te he'bben bezui-nigd gegund. Uiterst sobere uitrusting met hang- en sluitwerk134 (hoge onderhoudskosten); betontrappen ruw gelaten; vloerente sober afgewerkt; dakisolatie niet naar wens; schilderwerkzou op andere voorwaarden aanbesteed moeten worden ombehoorlijke kwaliteit te garanderen.Enschede40 woningen aanbesteed. Noodzakelijk te bezuinigen / 730,--per woning. Bereikt door o.a. schuurtjes te combineren, het-geen achteruitgang t.o.v. aanvankelijke opzet betekent. Plangegund.84 etagewoningen aanbesteed. / 1.000,-- per woning ,,teduur". Nog geen oplossing.'s-GravenhageRecente besteding voor 32 woningen. Prijs waarschijnlijk/ 60.000,- te hoog.Recente besteding 192 woningen. Prijs circa f 350.000,-- tehoog. Intussen voor circa / 150.000,-- bezuinigd. Voor res-tant-verschil geen oplossing.Hcngelo (O)Ondervindt ook regelmatig moeilijkheden. Moet op plannenbezuinigen om aan de curveprijs van plm. / 35,-- a / 36,--per m3 bouwinhoud te komen. Dat wat de woningen aantrek-kelijk kan maken, moet vaak achterwege blijven. Houtendakbeschot moet men b.v. vervangen door asbestplaten.Enige plannen konden nog niet worden gegund.HilversumOok hier noodzaak tot bezuiniging in de ter uitvoering voor-gedragen plannen. De aangebrachte bezuinigingen tasten nietbepaald de woonkwaliteit aan, al veroorzaken zij een zekereachteruitgang (vermindering aantal kasten, minimale hout-zwaarten enz.).Het gemeentebestuur wenst gerieflijke woningen met vrijgrote variatie in de typen. Mede daardoor kon onder dehuidige omstandigheden het bouwvolumen-1954 niet geheelworden gerealiseerd.HoogeveenMaakt zeer sobere plannen. Uitkomst toch circa / 43,^-- perm3, terwijl curveprijs slechts / 37,-- a f 38,-- toestaat. Omaan curveprijs te komen, zou men de woningen inderdaadgeheel moeten ,,uitkleden". Zegsman deelde mede, dat in ge-heel Drenthe grote moeilijkheden t.a.v. de gunning van wo-ningwetprojecten aan de orde zijn.HoogezandOok hier bezuinigingen om te kunnen gunnen. Tegels in dekeuken weglaten, vloer douche-eel van ruwe beton enz. Stand-punt is: bouwvolumen volmaken. Gemeentebestuur zou gaar-ne lets meer besteden voor goede woningen.KatwijkCirca 3 maanden geleden 36 woningen aanbesteed. Verschilmet curveprijs circa / 16.000,--. Oplossing gevonden doorbezuinigingen.LeidenMet veel moeite voor 99 woningen onlangs curveprijs be-reikt. Voorbeeld van bezuiniging: stuc-plafonds vervangendoor board-plafonds. Aannemers worden onder hoge (somsonredelijk hoge) druk gezet. Besteding voor ca. 200 woningenvoorbereid. Vreest, dat zich grote moeilijkheden zullen voor-doen, omdat op ?-- overigens verantwoorde wijze -- is ge-tracht alleszins goede woningen te ontwerpen.MaastrichtGeen moeilijkheden!NijmegenIn Mei op 62 woningen f 30.000,-- verschil. Later op 42woningen bijna / 100.000,-- verschil. Belangrijke bezuinigin-gen aangebracht (gekoppelde rioleringen, zachtboard-pla-fonds, vurenhouten voordeuren in plaats van hardhout).Bouwverenigingen overwegen systeembouw toe te passen,omdat dit thans de enige mogelijkheid schijnt te zijn om decurveprijs te halen.RhcdenGebruikelijke beeld na aanbesteding: verschillen t.o.v. curve-prijs van / 100,-- tot / 1.000 per woning. Uitrusting woningenallengs zeer sober geworden. Zelfs eenvoudige beton-emaillekan niet meer worden aangebracht. Bouwvolumen-1954 nietgeheel gereahseerd, kan worden overgedragen naar het nieu-we jaar.RhenenKan onmogelijk op normale wijze aan curveprijs komen. Ver-schillen in de orde van grootte van f 800,-- per woning.Bezuinigen totterdood. Bezuinigt op grondwerken, afwate-ring, balklagen, tegels, vloerafwerking, houtzwaarten, riole-ringen enz.RotterdamVerschillen tot f 3000,-- per woning! Er is echter medewer-king van het Ministerie om tot oplossing te komen. Uiteraardbelangrijke bezuinigingen aanbrengen, die in het algemeen totverlaging van de kwaliteit leiden. Verscheidene plannen on-derhanden; vreest voor steeds groter wordende moeilijkheden.Het is dan ook de vraag of contingent geheel kan wordengerealiseerd. Ook t.a.v. de kostbare paalfunderingen zijn ermoeilijkheden met curveprijzen.TilburgOok hier steeds verschillen met curveprijzen. Bezuinigingen,die tot verlaging van de kwaliteit leiden en die verhinderenaan betere woningen te denken.UtrechtPrijsmoeilijkheden schering en inslag. Verschillen van plm./ 1.500,-- per woning. Bezuinigingen nemen gerieflijkheid uitwoningen weg. Men laat b.v. kastplanken weg, tegels weg.Naar oordeel zegsman wordt de controleprijs (die in de bij-dragenregehng niet eens wordt genoemd!) veel te stringentgehanteerd. Het is onder de huidige omstandigheden onmo-gelijk het gemiddelde na-oorlogse peil (vooral wat afwerkingbetreft) te handhaven, laat staan te verbeteren.VelsenHeeft bouwcontingent niet kunnen volmaken. Echter nietalleen door prijsmoeilijkheden. Verschillen zijn gewoonlijkcirca 10% van de curveprijzen. Lichtere fundering toepassen,eenvoudiger voordeuren, dakkapellen weglaten, bezuinigenop verfwerk.ZaandamOp 100 woningen meer dan / 100.000,-- verschil. Alle tegelsuit de woningen, ongeschilderde board-plafonds enz. Moei-lijkheden zijn niet te overwinnen als men t.a.v. de kwaliteitgeen water in de wijn doet.AlgemeenEnkele zegslieden, wier identiteit wij om begrijpelijke redenenniet kunnen aangeven, deelden ons nog mede, dat hier endaar de gemeentebesturen bepaalde kosten voor hun rekeningnamen om zodoende tegenover het Ministerie tot een aan-vaardbare bouwprijs te kunnen komen. Deze methoden, dieuiteraard tot een oplossing van de feitelijke moeilijkhedenniet kunnen bijdragen, zijn van lieverlede in de woningwet-bouw wel bekend.Wij laten het nu aan de lezers over uit deze gegevens tot eenoordeel te komen. Dezerzijds willen wij alleen nog probereneen enkele suggestie tot vermindering van de spanning teplaatsen.Elders in dit nummer kan men lezen, dat de Minister in deTweede Kamer over de prijsmoeilijkheden heeft gesproken.Enerzijds stelt de Minister, dat de inderdaad aan de ordezijnde bezuinigingen niet leiden tot ,,uitkleding" van de wo-ningen; anderzijds betoogt hij, dat de controle op de prijzenniet gemist kan worden wil men (ongemotiveerde?) stijgingvan de bouwkosten voorkomen.Wij willen gaarne aannemen, dat de Directies van de Weder-opbouw en de Volkshuisvesting in de provincies (die in onzeenquete veel lof verwierven voor hun onvermoeid pogenom oplossingen te bereiken) waken tegen al te grote aan-tasting van kwaliteit en gerief der woningen. Wij wetenzeker, dat in het algemeen de opdrachtgevers (gemeenten enbouwverenigingen) de woningen zo goed mogelijk gebouwdwensen te zien. Achter al deze prijzenswaardige intenties Hgtechter de noodzaak om de aannemers de gunning te ver-schaffen. Het is duidelijk, dat die noodzaak sterk genoeg isom deuken te slaan in de vaste voornemens tot de bouw vangoede woningen. Uit de resultaten van onze enquete blijktwel duidelijk, dat de vrijwel overal optredende verschillenworden overbrugd door het aantasten van hetgeen men ingemeen overleg bij het opzetten van de bouwplannen redelijken wenselijk heeft geacht. Los van de vraag of dan al van,,uitkleding" kan worden gesproken (waar ligt in de opzichtde grens?) is er toch in ieder geval reden voor de vrees, datde zich in alle sectoren van de bouwnijverheid openbarendeprijsontwikkeling en de handhaving van onveranderlijke con-troleprijzen voor de woningwetbouw leiden moeten tot vermin-dering van de kwaliteit. Het zou anders zijn als van vandaagop morgen de gehele volkswoningbouw tot stand zou kunnenkomen op basis van nieuwe, efficiente bouwmethoden. Alsover de gehele linie rationele voorbereiding, standaardisatie,uniformering van constructie, continu-productie, toepassingvan moderne materialen en methoden haar gunstige invloedop de prijsvorming konden doen gelden. Zo ver zijn wij echternog lang niet. Deze gunstige invloed wordt in het beste gevalgeleidelijk aan merkbaar. Men kan ook niet stellen, dat mendoor het handhaven van een kennelijk onevenredig zwaredruk de invoering van het rationele bouwen in alle geledingenwil versnellen. Zoals de zaken nu hggen moet men komentot de conclusie, dat de kwaliteit van de volkswoningbouwgevaar loopt en dat het zeker uitgesloten is te achten, dat dealgemene welvaartsstijging in het peil van die volkswoning-bouw mede openbaar wordt.Dan is er verder -- om de Minister in zijn betoog te volgen-- de inderdaad uitermate moeilijke vraag of verminderingvan de druk, die de lage controleprijzen uitoefenen, niet lei-den zal tot verdergaande stijging van de bouwkosten. Zoudat het geval zijn, dan brengt een verhoging van de curve-prijzen -- hoe redelijk ook -- ons alleen maar van de regenin de drup. Wij willen zeker niet ontkennen, dat er redenis voor de vrees, waaraan de Minister uiting heeft gegeven.Als het Ministerie de schroef wat losser draait, dan is datogenblikkelijk bij geheel bouwend Nederland bekend. Danis het bepaald niet uitgesloten, dat de wetenschap aangaandede iets groCere ,,speelruimte" leiden zal tot een vrijwel even-redige verhoging van de aanneemsommen. Om dat versletenbeeld nog eens te gebruiken: Wij hebben hier te maken metde vicieuze cirkel. Daarom moet het -- wij geven het grifen van harte toe -- voor de Minister en zijn ambtenarenmoeilijk zijn om tot een verhoging van de curveprijzen tebesluiten. 135Hier openbaart zich de bijzonder grote moeilijkheid, dat erternauwernood strikt objectieve maatstaven zijn te vinden,waarlangs de intrinstiek redelijke bouwprijzen voor woning-wetcomplexen zijn vast te stellen. Ook al zou men de prijsvoor ieder ter gunning voorgedragen object willen contro-leren aan de hand van een naar gelijke normen opgesieldebegroting (een arbeid van zo grote omvang, dat de uitvoer-baarheid reeds een vraag moet heten), dan nog zouden on-derlinge verschillen aan de dag treden, die de objectievevergelijkingen doorkruisen. Nochtans wagen wij het er op,de kennis van techniek en prijsvorming voor de traditionelewoningbouw in Nederland toereikend te achten voor hetdoen van een betrouwbare proef. De goede wil en de goedezorg van het Ministerie en zijn Diensten zijn evident. Zijzijn ongetwijfeld toereikend om het volgende plan in over-weging te doen nemen.Kies in de komende maanden uit verschillende delen van hetland een aantal voor uitvoering gerced zijnde projecten. Laatdie projecten op de normale wijze aanbesteden. Stel het ver-schil tussen aanneemsom en curveprijs vast. Laat vervolgenseen kleine (eventueel regionaal variabele) commissie vandeskundigen op grond van objectieve berekeningen de rede-lijke bouwprijs voor de projecten vaststellen. Men kan danbepalen in welke richting het gelijk ligt: bij de curveprijs ofbij de aanneemsom. De commissie kan haar beoordeling uit-sbrekkcn tot kwaliteit en gericf van de te bouwen woningen,zuiks eventueel op basis van door de Minister te verstrekkenrichtlijnen. Al naar gelang van de bevindingen kan de com-missie de Minister adviseren aangaande een eveniuele herzie-ning van de curveprijzen voor het gehele verdere beleid. Zoudeze proef leiden tot een verhoging of een soepeler toepassingvan de curveprijzen, dan zou een maatregel in dat opzicht ge-koppeld kunnen worden aan toepassing van de ,,kwaliteits-richtlijnen", waarnaar de commissie heeft gewerkt. Dit zou deprijsverhogende tendens van de maatregel kunnen beperkenen dit zou in ieder geval de kwaliteitsdrukkende werking vande huidige spanningen wegnemen. Aangaande de samenstel-ling van de commissie ware te denken aan aanvs^ijzing vanleden door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, deNationale Woningraad (met z'n eigen technisch bureau), hetKatholiek Instituut voor Volkshuisvesting (met z'n technicivan de Vereniging ,,Ons Limburg"). Eventueel zou een verte-genwoordiging van de aannemersorganisaties M^enselijk kun-nen zijn. Natuurlijk zou de grote ervaring van het Ministeriein de commissie moeten meespelen.Wij geven deze simpele gedachte ter overweging en -- zonodig -- ter discussie. Het is onze overtuiging. dat het voort-duren van de huidige spanningen -- tegen de wil en de wensvan ieder, die bij de woningwetbouw is betrokken -- leidenmoet tot een aanhoudende en wellicht sterker wordende drukop de kwaliteit van onze volkswoningen. Het moet de Mi-nister wat waard zijn om zijn beleid te dezer zake te kunnentoetsen aan het redelijke oordeel van deskundige vertegen-woordigers der landelijke organisaties van opdrachtgevers enbeheerders van woningwetwoningen. Voor wat de NationaleWoningraad betreft: gaarne en van harte steunt hij elkepoging van de overheid om een zo redelijk mogelijke prijs-vorming van de woningbouw te bevorderen. Die steun zouechter bezwaarlijk worden als blijken moest, dat een op zich-zelf ongewenste prijsontwikkeling zou worden gecompenseerddoor aantasting van het woonpeil. De landelijke organisatieszijn ongetwijfeld bereid door haar adviezen aan de over-heid mede de verantwoordelijkheid te dragen voor de moei-lijke beslissingen, die -- hoe dan ook -- ten aanzien vande prijsontwikkelingen genomen moeten worden.W. S.De curveprijs in het ParlementNadat wij nu en in het vorige nummer het een en ander heb-ben gezegd over de gevaren, die de woningwetbouw bedrei-gen tengevolge van de controle van het Departement op debouwsommen door het hanteren van de zogenaamde curve-prijs, lijkt het ons nuttig ook een andere stem daarover telaten horen. Wij citeren daartoe een gedeelte uit de rede vanhet Kamerlid F. van Vliet (K.V.P.), gehouden tijdens debegrotingsbehandeling in de Tweede Kamer. De heer VanVliet zeide:,,Vele gemeentebesturen zitten met bouwplannen voor wo-ningwetwoningen, die niet kunnen worden gerealiseerd, om-dat de bouwkosten, die ervoor moeten worden betaald, hogerliggen dan volgens de normen van het Departement toelaat-baar zijn, normen evenwel, die niet op de prijsverhogingenin de bouwwereld zijn afgestemd.In andere gevallen wordt, om toch maar te kunnen bouwen,soms lustig aan de plannen geknoeid. De woningen wordennog een stukje verder uitgekleed of qualitatief verslechterd.Een prachtig staaltje daarvan, aan de praciijk ontleend, kanik mededelen, dank zij een brief, welke ik een dezer dagen vaneen gemeentebestuur ontving. Dat gemeentebestuur klaagdeover het feit, dat het niet tot gunning van woningwetwonin-gen kon komen, omdat de laagste inschrijfprijs hoger lag dande toegestane curveprijs. Ze zouden alleen tegen de toege-stane curveprijs gebouw^d kunnen worden, wanneer de vol-gende bezuinigingen werden aangebracht:1. zeer licht kozijnhout2. geen enkel stoepje meer3. geen enkele scheiding achter de woningen "4. cementvloeren5. vereenvoudiging, zoals t.a.v. het rioleringssysteem (b.v.30 woningen op een leiding)6. lichter vloerhout dan het gebruikelijke7. imitatiematerialen8. aftimmering verminderen9. dennenhout in plaats van vurenhout, etc.10. voor de landelijke bebouwing funeste wijziging van deblokjes in rijenbouw.Daarenboven komt het voor, dat gemeentebesturen wordengedwongen in de douchecellen te laten ontbreken de aan- enafvoer van water. Het is duidelijk, dat, wanneer dergelijksoort van woningen moeten worden gebouwd, dank zij depolitiek van het betrokken Departement, een glad verkeerdepolitiek wordt gevoerd."Deze geestverwant van de Minister heeft dus geen blad voorde mond gehouden!136>^^STAFEL - DOOc/y^Doorhet projecteren van eenLAVET met wasmachineaansluiting worden dezetwee punten verwezenlijktVraagt inlichtingen aan deOCRIETFABRIEK N.V.BAARN.minder ruimie137Verbetering van woningwetwoningen: een actueelprobleemHet is een verheugend verschijnsel, dat vele woningbouwver-enigingen en gemeenten zich bij haar activiteiten op het ter-rein van de volkshuisvesting niet uitsluitend in beslag latennemen door de zorgen voor de nieuwbouw. Herhaaldelijk wor-den wij betrokken bij voornemens en plannen tot (noodzake-lijke) verbetering van oudere woningwetwoningen. Het gaatdaarbij voornamelijk om woningen, die tot stand zijn gekomenin de jaren 1918--1923. In die tijd waren enerzijds de om-standigheden om te bouwen niet gunstig (over het algemeenmaterialen van slechte kwaliteit) en anderzijds moesten debouwverenigingen en gemeenten bij gebreke aan ,,particulie-re activiteit" een groot deel van de woningproductie voor haarrekening nemen.Terecht redeneert men nu aldus: De woningen, die zo'n goede30 jaar hebben dienst gedaan zijn naar indeling en soms ooknaar kwaliteit niet meer in overeenstemming met eisen en ver-langens, die men tegenwoordig aan behoorlijke woningensteh. Vaak bevinden de w.c.'s zich of buitenshuis of binnen deuitgebouwde ruimte, die voor keuken wordt gebruikt. Dikwijiszijn de zolderverdiepingen op -- naar huidige begrippen --onoordeelkundige wijze ingedeeld. In verscheidene gevallenblijkt het mogelijk te zijn door betrekkelijk simpele verbou-wing de indeling van de beneden-woonverdieping logischer endaardoor aantrekkelijker te maken.Men zou dit alles kunnen vaststellen en nochtans nalaten desanering van de woningen ter hand te nemen, omdat immersnu en in de naastkomende tijd de nieuwbouw nog primair moetworden geacht. In verband met het algemene streven om zo-veel mogelijk arbeiders voor deze nieuwbouw beschikbaar tehouden, zou men kunnen overwegen af te zien van de gewoon-lijk vrij arbeids-intensieve werken, die met woningverbeteringzijn gemoeid. Hoezeer wij ook begrip hebben voor deze rede-nering, toch geloven wij, dat het goed is om reeds nu demeest voor de hand liggende gevallen van woningsanering aante vatten. Er zijn verschillende redenen, die daarvoor pleiten.Nu allengs de huurprijzen van het oude woningbezit wordenopgetrokken naar het huurpeil van de nieuwbouw, kan menhet geringe verschil in huurprijs voor een nieuwe en een oudewoning slechts verantwoorden als in beide gevallen een verge-lijkbaar woongenot wordt verschaft. De aard van de gebre-ken, die aan de slechte oude woningen kleven, maken soms in-cidentele voorzieningen noodzakelijk; voorzieningen, die dangeen uitstel kunnen lijden. Het is efficient om bij de voorbe-reiding van uitvoering dezer voorzieningen tevens te onder-zoeken of men dan niet de verbetering in haar geheel tot standzou brengen. De tijd gaat snel; het zal hier en daar binnenniet eens zo lange tijd blijken, dat de thans nog heersendespanning op de woningmarkt afneemt en dat gegadigden zich-- gegeven ook de intussen bereikte relatieve gelijkheid inhuurpeil -- wenden naar de nieuwe woningen, die meer ge-rief bieden dan de oudere huizen. Als men wacht met het vol-voeren van dringende verbeteringen aan de oude woningvoor-jaad totdat deze verschijnselen zich openbaren, dan zal blijken,dat men te laat komt. Tenslotte nog dit: De op zichzelf alles-zins acceptabele oude woonwijken verliezen aan waarde enaanzien naar de mate waarin het peil van de oude woningenbij de huidige stand achterop raakt. Zeker de woningbouwver-enigingen, die in haar doelstelling vermelden de ,,verbete-ring van de volkshuisvesting" zuHen ernstig moeten pogen dedreigende devaluatie van oudere woonwijken te keren. Wij ge-loven, dat deze slechts summier aangeduide overwegingenkunnen leiden tot de beslissing om -- zij het met mate en_ met oordeel uiteraard -- aan de woningverbetering alle aan-14^ dacht te wijden.Zoals dat vaker het geval is, blijken de noodzakelijke regelin-gen wat achter de practijk aan te komen. Misschien is het be-ter te zeggen, dat de practijk er nu toe leiden moet, dat erspoedig regelingen worden uitgevaardigd, die de verbeteringvan oude woningwetwoningen in daarvoor in aanmerking ko-mende gevallen op aanvaardbare manier mogelijk zullen ma-ken. Er bestaat wat dit betreft op het ogenblik een opmerke-lijk en niet te verantwoorden onderscheid tussen hetgeengeldt voor z.g. particuliere woningen en woningwetwoningen.Voor verbetering van exemplaren uit eerstgenoemde categoriekan de eigenaar een beroep doen op de Premieregeling Wo-ningverbetering, die hem van overheidswege 50% van de kos-ten der verbetering als tegemoetkoming in het vooruitzichtstelt. Het uit hoofde van deze Premieregeling toe te kennenmaximum bedrag is bepaald op f 1.400,-- per verbeterde wo-ning. Dit maximum kan echter nog worden verhoogd totf 1.500,^, als de verbetering van de woning gepaard gaat methet vervangen van een tonnenprivaat door een closet. Naastdeze Premieregeling geldt dan nog een Regeling voorD.U.W.-subsidie, die kort gezegd inhoudt, dat boven dehiervoor besproken premie nog een extra tegemoetkomingkan worden verleend van 1 /6 deel van de totale verbeterings-kosten. Dit deel is naar boven begrensd door het bedrag vanf 700,.-- per te verbeteren woning. Voor het verkrijgen vanhet D.U.W.-subsidie moet men de verbeteringswerkzaamhe-den laten uitvoeren in de periode van 10 October tot 1 April.Uit het voorgaande blijkt, dat de eigenaar van een ,.particulie-re woning" een tegemoetkoming in de verbeteringskosten kankrijgen van ten hoogste f 2.200,-- per woning. Wat de eige-naar uit eigen middelen bijpast, kan op de huurder van dewoning worden verhaald. De verhuurder mag ingevolge deHuurwet gedurende 13 jaar 10% per jaar van de door hembetaalde verbeteringskosten op de huurder verhalen. Tenslottedient nog te worden opgemerkt, dat bij de berekening van hethuurverhogingspercentage bij de laatste huurronde werd aan-genomen, dat de huiseigenaar ,,10 huurpunten" nodig zouhebben voor het instandhouden van zijn bezit.Hoe wonderlijk het ook schijnen moge; geen der hiervoor be-sproken faciliteiten geldt voor de verbetering van de woning-wetwoningen! Natuurlijk zou het niet wonderlijk zijn als erdan voor die woningen naar een andere, in het raam van deop de Woningwet gebaseerde overheidssteun passende, rege-ling zou gelden. Dat is echter niet het geval. Bereidt een wo-ningbouwvereniging of een gemeente woningverbetering voor,dan moet zij als het ware gaan ,,touwtrekken" met de dien-sten van het Ministerie om tot een voor de huurders nog juistacceptabele regeling te kunnen komen. O, zeker, men kan inhet algemeen van rijks- of gemeentewege wel de middelenkrijgen om de verbeteringswerkzaamheden te financieren. Diemiddelen moeten in de regel echter geheel terugkomen uit eeneVenredige opslag op de huur. In een aantal gevallen lukt hetnog wel eens om een deel van de totale te verwerken kostenals ,,kosten voor achterstallig onderhoud" te doen beschou-wen. De laatsten, die deze kosten veroorzaken kunnen dan inhet gunstigste geval bij het vaststellen van de exploitatie-bij-dragen in aanmerking worden genomen. In het algemeen blijktechter, dat de Directies van Wederopbouw en Volkshuisves-ting (van haar standpunt terecht!) niet scheutig zijn met hetafwentelen van verbeteringskosten op het hoofdstuk ,,achter-stallig onderhoud". Zodoende leert de practijk, dat vrijwelsteeds alle kosten, die aan de verbetering worden besteed, dooreen huurverhoging moeten worden opgevangen. Een huurver-hoging, die, als zij berekend is, vaak leidt tot het betreurens-waardige besluit de verbetering dan maar achterwege te laten.Het is ons bekend, dat men bij de Directies van de Wederop-bouw en de Volkshuisvesting in de provincies het verschil inbehandeling t.a.v. verbeteringsplannen voor particuliere wo-ningen en woningwetwoningen betreurt. Het is ons tevensbekend, dat het verschijnsel van de ongelijke behandeling ookin Den Haag de aandacht heeft getrokken. Wij mogen dusverwachten, dat het Ministerie straks een regeling bekend zalmaken, op grond waarvan het ook aan woningbouwverenigin-gen en gemeenten mogehjk wordt gemaakt de oude woningenwaar nodig te verbeteren, zonder dat dit behoeft te leiden toteen afwenteling van de gehele kosten op de huurders der wo-ningen. Afgezien van de vraag of die huurders de extra las-ten terwille van de verbetering wensen op te brengen, moetworden vastgesteld, dat de fikse bedragen, die als gevolg vande verbetering op de bestaande huur gelegd moeten worden,de verhouding tussen de huurprijzen voor oude en nieuwe wo-ningen in een aantal gevallen volkomen scheeftrekt.Wij meenden goed te doen deze beschouwingen van het ,,ver-beterings-vraagstuk" te pubHceren. En om woningbouwver-enigingen en gemeenten, voorzover nog nodig, op dit vraag-stuk attent te maken. En om ^ welhcht ten overvloede ^ hetMinisterie te laten bemerken, dat het hier gaat om een vraag-stuk, waarvoor t.a.v. de verdehng der kosten spoedig eenbevrediqende oplossinq moet worden gevonden.w. s.De woningbouw in de Tweede KamerOp 9 December j.l. werd het wetsontwerp tot vaststelling vande begroting over het dienstjaar 1955 van het Departementvan Wederopbouw en Volkshuisvesting door de TweedeKamer aangenomen, met de aantekening, dat de communisti-sche fractie geacht wenst te worden tegen te hebben gestemd.Voordat de Tweede Kamer de begroting van Minister Wittekon goedkeuren moest zij zich nog uitspreken over een motievan de heer Gortzak (c.p.n.) waarin de Regering werd ver-zocht maatregelen te nemen tot verlaging van de huren van dewoningwetwoningen, die gebouwd worden of zijn met eenRijksbijdrage krachtens de bijdrageregeHng 1950. Deze motiewerd verworpen met 54 tegen 4 (communistische) stemmen.Eindigden de openbare beraadslagingen aldus met een stem-ming over een motie waarvan de uitslag te voorzien was, zijwaren al begonnen met de dreiging van een kameruitspraak,die voor de Minister wel eens minder plezierig had kunnenzijn. De heer Andriessen (k.v.p.) die de rij der sprekers open-de, deelde namelijk mede, dat zijn fractie zou moeten over-wegen de uitspraak van de kamer te vragen inzake verhogingvan de rijksbijdragen in het belang van een hoger woonpeil,d.w.z. om de bouw van betere en minder sobere woningen mo-gelijk te maken.Eerst wilde hij echter van de Minister wel eens weten, opwelke wijze die kans zou ziep het woonpeil op te trekken,zonder verhoging van bijdragen en premies. De Minister heeftdit blijkbaar duidelijk kunnen maken, want de heer Andriessenheeft zijn motie niet ingediend. Dat ook zonder moties welverlangens in vervulling kunnen gaan blijkt uit het resultaat,dat de heer Bommer (p.v.d.a.) mocht boeken met betrek-king tot zijn wens dat de berekening van de huurprijzen inhet vervolg gebaseerd zou worden op de werkelijk betaalderente van het bouwkapitaal en niet, zoals door de Ministervoorgeschreven, op een gefingeerde rente van 4%. In het ver-volg van dit overzicht komen wij daarop terug.De Kamer: hogere subsidiesDe subsidie-politiek van de Regering vormde deze keer welde hoofdschotel van de discussies. In het Voorlopig Verslaghadden vele leden al de hoop uitgesproken, ,,dat nu er eenbelangrijke stijging van de nationale welvaart waarneembaaris en ook de financiele positie van het Rijk gunstig mag wor-den genoemd, de Minister het als zijn taak zal willen zien.beide gunstige verschijnselen in bevredigende mate ook aan devolkshuisvesting ten goede te doen komen". Daarbij wezenzij er op dat de armoe van de na-oorlogse tijd al te zeer en alte lang haar stempel op de woningbouw heeft gedrukt. Naarhun oordeel kan niet langer worden volgehouden dat voor eenbetere verzorging van de nieuwe woningen de nodige finan-ciele steun door de Staat niet in voldoende mate kan wordenopgebracht.De Minister zegt in zijn Memorie van Antwoord de verlan-gens ten aanzien van een betere verzorging van de woning-bouw geheel te delen. De verwezenlijking van deze verlan-gens zal naar zijn mening echter niet bereikt kunnen wordenzonder verhoging van de efficiency van het bouwen of zon-der stijging van de bouwkosten. Stijging van de bouwkostenleidt evenwel tot hogere huren en/of verhoging van de Over-heids-subsidie voor de woningbouw. Verhoging van subsidiesnu gaat geheel in tegen het streven van de Overheid om, doorsuccessieve vermindering van de Overheidsbijdragen, de goe-derenprijzen af te stemmen op de kostprijs, c.q. de marktprijsdezer goederen.De Minister: hogere hurenHet streven van de Regering dient gericht te zijn op het be-reiken van een vrije woning-markt, waarin alleen de huisves-ting van bijzondere groepen van de bevolking wordt gesub-dieerd. Het zou geheel tegen deze algemene beleidslijn indrui-sen, indien de subsidies aan de woningbouw thans zoudenworden verhoogd met het oog op een betere verzorging van hetwoonpeil. De enige reele mogelijkheid tot verhoging van dekwaliteit en de inhoud der woningen ligt, volgens de Minister,afgezien van de daling der bouwkosten, in de verhoging derhuren. Door de toegenomen welvaart en de stijging van veleinkomens ontstaat de ruimte om een belangrijker deel van hetinkomen aan huur te besteden. Daardoor wordt een mindersobere woningbouw mogelijk.De Minister spreekt daarbij als zijn overtuiging uit, dat demogelijkheid van een geleidelijke verbetering van de woning-kwaliteit, door iets hogere huren van de nieuwbouwwoningentoe te laten, niet zal worden gerealiseerd, zolang de huren vande vooroorlogse woningen op een onnatuurlijk laag peil wor-den gehouden. Slechts door de huren van de oudbouw in even-wicht te brengen met de huren van de nieuwbouw zal een ver-dere vooruitgang in de kwaliteit van de volkshuisvesting be-reikbaar zijn. Volgens de Minister schuilt in de huurpolitiekde belangrijkste sleutel tot een betere huisvesting. Naar aan-leiding van de opmerking van vele leden, dat de bestaandefinancieringsregelingen zich kenmerken door een schrielheid,die niet meer past bij de tegenwoordige situatie, verklaart deMinister verder nog, dat het algemeen subsidie voor de wo-ningbouw een aflopend karakter moet dragen opdat na be-eindiging van de woningnood de huur voor de meerderheidvan de valide bevolking selfsupporting wordt.Dit algemene subsidie moet gebaseerd zijn op de bouw vansobere arbeiderswoningen, die vergelijkbaar zijn met de voor-oorlogse goede arbeiderswoning. In de kosten van meer com-fort en grotere royaliteit dient de Overheid in deze gedach-tengang niet te subsidieren, daar deze kosten niet het gevolgzijn van de door de Regering gevoerde loon- en prijspolitiek.Aldus zijn ook in wezen de subsidieregelingen van 1948 en1950 opgezet.Verhoging van het woonpeil boven een redelijk minimum zalderhalve leiden tot verhoging van de niet door subsidie ge-dekte bouwkosten en dus tot verhoging van de huur.Inmiddels moet gewaakt worden, dat het peil van de soberearbeiderswoning niet beneden een toelaatbaar redelijk mini-mum komt. De voortdurende stijging van de bouwprijzen doetdeze vrees niet ongemotiveerd schijnen.De Minister verklaart in dit verband, dat, hoewel hij geenvoorstander is van een automatische koppeling van bouwprijs-index en subsidie, hij wellicht voorgesteld zou hebben de sub-sidies meer aan het huidige prijspeil aan te passen, indien IJ^geen huurverhoging en daarmee samenhangende compensa-ties in zicht zouden zijn.Nu een niet onaanzienlijke huurverhoging in het zicht is, achthij een dergehjke stap niet nodig, omdat tengevolge van decompensaties, die aan de huurverhoging verbonden zullenworden, het verbroken evenwicht tussen huren en inkomensweer hersteld kan worden.Hierdoor behoeft naar zijn mening op de weg, die naar eengeleidehjke afschaffing van subsidies voert, geen pas terugte worden gezet.Gedrukt woonpeilVerschillende kamerleden kwamen op de kwestie woonpeil-subsidieverhoging bij de openbare beraadslagingen terug. Zoachtte de heer Andriessen (k.v.p.), die op het te geringe aan-tal slaapkamers en het ontbreken van een tweede woonver-trek in de nieuwe woningwetwoningen wees, het niet juistde woningwetwoning van v66r de oorlog als maatstaf te ne-men voor de arbeiderswoning. Zijns inziens was voor de oor-log de woningwetwoning niet bepalend voor de arbeiders-woningen, omdat de particuHere bouw overheersend was.Bovendien was het tweede woonvertrek in de vooroorlogsearbeiderswoning algemeen en het aantal en de inhoud derslaapkamers groter.Hier dreigde de heer Andriessen met zijn hierboven reeds ver-melde motie.De heer Van Vliet (k.v.p.) stelde, dat er nu meer aanleidingis dan vroeger om op verruiming van de financieringsregelin-gen aan te dringen. Ten eerste omdat de regelingen niet zijnafgestemd op de bouwkostenverhoging; ten tweede wegensde belangrijke verbetering van 's Lands financien, waardoor deRijkssteun aan de nieuwbouw niet meer tot beneden het nood-zakelijke minimum beperkt behoeft te blijven. De heer VanVliet had daarom op zijn minst verwacht, dat althans de bij-dragen en premien aangepast waren aan de stijgende bouw-kosten. Hij was van oordeel, dat, zolang een rendabele bouwen exploitatie van woningen zonder subsidie niet mogelijk is,zodanige subsidies door de Overheid moeten worden gege-ven, dat het peil van de nieuwbouwwoningen niet gedruktbehoeft te worden beneden een behoorhjk niveau. De huidigebijdragen en premies voldoen daaraan niet. we.shalve zij her-ziening in gunstige zin behoeven.De heer Bommer (p.v.d.a.) kon de gedachtenpang van deMinister met betrekking tot het vraagstuk van de noodzake-lijke verhoging van het peil van de nieuwbouw en dat van dete hoge huren wel aanvaarden.Hij onderschreef dat die oplossing uiteindelijk is gelegen ineen stijging van het volksinkomen met een evenrediq optrek-ken van het algemeen huurpeil in ons land. Maar, aldus dezeafgevaardigde, het is op het ogenblik niet de vraag, waar opden duur de oplossing van deze moeilijkheden te vinden is,maar vooral de vraag, wat er gebeuren moet zolanq deze op-lossing niet is bereikt. Als de Minister zegt, dat hij de hui-dige subsidie ook te laag vindt maar dat hij niet met eensubsidie-verhoging kan komen omdat dat rechtstreeks tegende draad van de ontwikkeling zou ingaan, dan is dat een on-bevredigende conclusie.Na 1950 zijn de bijdragen vrij regelmatig relatief gedaalddoor de voortdurende stijging van de bouwkosten. Het gevolghiervan is geweest. dat als men thans een gelijke woning zoubouwen als in 1950, toen de huurprijs volgens het toen gel-dende subsidie 130 pet. ten opzichte van 1940 was, het huur-niveau zou komen boven 180 pet. ten opzichte van 1940. Ditbetekent in de practijk of te hoge huurprijzen of een aanzien-lijke bezuiniging op het woningtype.Maar men kan op woningen niet, zoals op kleding en voe-ding, tijdelijk bezuinigen, zonder dat dit blijvende gevolgen1 T:U heeft.Een weg tot huurverlagingDe heer Bommer vestigde de aandacht op twee maatregelen,waardoor een verbetering tot stand zou kunnen komen, zon-der dat men stuit op de bezwaren, die de Minister koestert.De eerste betreft de huurverlaging voor woningen met een? uitzonderlijk hoge huurprijs, die na het uitbreken van het con-flict in Korea tot stand zijn gekomen.De regeling, die de Minister hieromtrent in het leven heeftgeroepen heeft wegens de trage administratieve afwikkelingpractisch nog niet tot huurverlaging geleid. Men wil namelijkslechts met definitief vastgestelde huurprijzen werken. Daar-entegen wordt ingeval van huurverhogingen voor deze wonin-gen gewerkt met voorlopige vaststellingen van huren.De heer Bommer verzocht de Minister het proces van huur-verlaging van de in aanmerking komende woningen te ver-snellen door het doen vaststellen van voorlopige lagere huur-prijzen. Daarbij verzocht hij om aan deze huurverlaging, even-als bij huurverhoging geschiedt, terugwerkende kracht tegeven.De tweede maatregel, die de heer Bommer voorstelde hadbetrekking op de in het begin van dit overzicht vermeldekwestie van het rentetype. Hij wees erop, dat het Departementaan de gemeenten voorschrijft, dat de voor te leggen huur-prijsberekeningen voor de thans gebouwde woningen geba-seerd moeten zijn op een rentetype voor een bouwkapitaalvan 4%. In de practijk wordt er voor leningen, ter financie-ring van de woningbouw, evenwel geen 4% betaald, maarsedert enige tijd 3}/^% en soms zelfs nog minder. Door hand-having van het 4%-voorschrift zijn de huurprijzen aanzienlijkhoger dan noodzakelijk is. De gemeenten worden gedwongenrentewinsten te maken, die aan hun algemene middelen mo-gen worden toegevoegd en voor allerlei doeleinden mogenworden aangewend. Zij mogen evenwel niet ten goede komenaan de woningen, waarvoor het bouwkapitaal is verleend ofaan de huurprijzen, waarvoor de woningen moeten wordenverhuurd.De heer Bommer vond dit alles onbegrijpelijk. Met voorbeel-den toonde hij aan, dat, door bij de huurprijsberekening uitte gaan van de rente, die in werkelijkheid betaald wordt, inplaats van een fictieve rente van 4%, de huurprijs met ge-middeld f 1,^-- per week verminderd zou kunnen worden, of-wel dat tegen een zelfde huurprijs de woning van een extra-slaapkamer zou kunnen worden voorzien, zonder dat dit kos-ten meebrengt voor het Rijk.De Minister gaf aan de aandrang van de heer Bommer ge-hoor en verklaarde zich bereid de eis van een huurbereke-ning op basis van 4% rente te laten vallen. Hij wilde zichevenwel niet binden aan een rentepercentage, dat overeen-komt met hetgene, waarvoor in het concrete geval feitelijkgeJd geleend is, maar stelde zich voor het rentepercentagealgemeen op 31/2% te stellen. Dit zal niet alleen gelden voornog te bouwen woningen, maar ook voor reeds gebouwdewoningen. Zo mogelijk zou nog dit jaar een circulaire overdeze zaak naar de gemeentebesturen uitgaan.De curveprijsNader ingaand op de opmerkingen over het woonpeil en definancieringsregelingen onderscheidde de Minister twee din-gen, n.l. de grootte van de woningen en de afwerking en voor-zieningen. De normen van de ,,Voorschriften en wenken",waaraan de gesubsidieerde woningen moeten voldoen zijnnaar zijn oordeel op een redelijk woonpeil afgestemd. De kwa-liteit van onze na-oorlogse woningen is in doorsnee redelijkgoed en hier en daar zelfs uitstekend.De Minister gaf toe, dat in een tijd van spanning en stijgingvan bouwkosten op onderdelen soms vergaand wordt bezui-nigd. Ook hem is bekend dat soms op'ontoelaatbare wijze be-zuinigd wordt. Zijn ambtenaren hebben evenwel de instructiete waken tegen ,,uitkleding" van de woningen. Als in dit ver-band wordt gesteld, dat de curveprijs te laag is om bepaaldewoningbouwplannen in hun oorspronkelijke vorm te doendoorgaan, moet men bedenken, dat deze curveprijs nodig is omeen zekere druk op de prijzen te handhaven. Dat kan slechtsdoor het hanteren van vrij globale normen; getracht wordt dienormen altijd zo te stellen, dat met de reele prijsstijgingenrekening wordt gehouden. Het gaat er primair om, dat er indeze tijd van spanning op de bouwmarkt tegen wordt gewaakt,dat er in de prijzen geen mogelijkheden zitten voor te hogezwartc lonen. De druk op de prijzen heeft er in het totaal vanhet landelijk bouwprogramma niet toe geleid, dat het totalevolumen aan woningwetwoningen niet gehaald werd. Datprogramma kan ruimschoots bijgehouden worden.Tweede woonvertrekIn verband met de wenselijkheid van een tweede woonvertreken meer slaapkamers wees de Minister erop, dat de moge-hjkheid om deze te bouwen reeds lang bestaat. Van deze mo-gelijkheid wordt zelfs vrij veelvuldig gebruik gemaakt. Desubsidieregehngen kennen namehjk een differentiatie naar dehuisvestingscapaciteit van de woningen. In de tabellen komensubsidies voor, die gaan tot woningen met 13 bedden toe. Ge-tracht is de tabellen zo op te zetten, dat de subsidie evenredigis aan de verhoogde bouwkosten, die het gevolg zijn van hetgroter maken van de woning. Het principe van de subsidie-regehngen is, dat bij het groter worden van de capaciteit vande woningen een evenredig deel van de stijging der bouw-kosten wordt gesubsidieerd. Ook een tweede woonvertrekkan worden gesubsidieerd. Het wordt gesubsidieerd als slaap-kamer.Er zou nog over gedacht kunnen worden, aldus de Minister,om met handhaving van het huidige systeem, bij het groterworden van de woningen een onevenredig grotere subsidie teverstrekken. zodat niet meer het zelfde gedeelte van de onren-dabele kosten wordt gedekt, maar een groter gedeelte. Overde uitbreiding van deze gedachte zou echter eerst uitgebreidoverleg moeten worden gepleegd.De Minister wees er op, dat een verhoging van de thans gel-dende subsidiebedragen met 20% de jaarlijkse uitgaven aanbijdragen met 2 millioen gulden zou vermeerderen en dat ditbedrag gedurende 50 jaren zal accumuleren. Voor de premie-bouw zou het 20 millioen per jaar zijn.Door 20% subsidieverhoging zouden de huren misschien met12% kunnen worden verlaagd, maar aangezien ook de kleinewoningen van de verlaging zouden profiteren zou de span-ning tussen de huren van grote en kleine woningen blijvenbestaan.CompensatiesZiet de Minister dus geen aanleiding tot subsidie-verhogingmet het oog op de kwaliteit of de grootte van de woningen,hij acht die aanleiding wel aanwezig in verband met de span-ning tussen de lonen en de huurprijzen.Om deze spanning te verminderen en ook de te grote span-ning tussen de huren van de oudbouw en die van de nieuw-bouw ziet de Minister subsidieverhoging evenwel niet als deoplossing. Er moet een andere weg gekozen worden, name-lijk verhoging van de oudbouwhuren met daarbij behorendecompensaties. Een praktisch bezwaar tegen subsidieverhogingis bovendien, dat die zou gaan gelden voor woningen, die nogmoeten worden gefinancierd en pas in 1956 gereed zijn. In-middels zal een huurverhoging hebben plaats gevonden, dietoepassing van bijdrageverhoging onmogelijk maakt.Hoe groot de komende huurverhoging zal zijn is nog niet be-kend, maar als die een bepaald percentage te boven gaat is ervolgens de Minister alle aanleiding het subsidiebedrag te ver-minderen. Aangezien evenwel de huurverhoging maar be-perkt is in verhouding tot de huurverhoging, die tot een ren-dabele huurprijs zou leiden, is er geen directe aanleiding omte veronderstellen, dat de subsidiebedragen bij de komendehuurverhoging verminderd zullen worden.Huurbelasting 'Over de huurverhoging zelf en de daarmede samenhangendemogelijkheid van een huurbelasting liet de Minister zich nietuit zijn tent lokken. Van verschillende zijden werd de bewinds-man aangekondigd, dat men voor een huurbelasting niet veelvoelde of er zelfs afkerig van was. De heer Van Vliet (k.v.p.)wijdde nog de meeste aandacht aan dit onderwerp en betoogdedat er voor de Minister van Wederopbouw en Volkshuisves-ting geen reden is een huurbelasting te wensen of te verde-digen. Eerder is er zijns inziens voor deze Minister redenom zich tegen invoering ervan te verzetten als het nieuwehuurpeil geen surplus zal opleveren boven lastendekking, af-schrijving en matige kapitaalrente. Deze afgevaardigde vondeen huuregalisatiefonds niet nodig en onwenselijk.De enige afgevaardigde, die zich voor een huurbelasting uit-sprak, was de heer Bommer, die verklaarde dat voor ziin frac-tie een verdergaande huurverhoging slechts aanvaardbaar is,indien zij wordt geflankeerd door een behoorlijke compensatie-regeling voor de huurders en door een bestemmingsheffing, zo-als in de Troonrede aanoekondigd.Zoals gezegd, liet de Minister zich door deze voorposten-gevechten niet uit zijn tent lokken. Hij nam geen deel aan deeerste schermutselingen over deze zaak en verklaarde slechtslaconiek, dat de gedachtenwisseling in de Kamer voor de Re-gering en voor hemzelf in het bijzonder, een waardevolle bij-drage was voor de meningvorming op het punt van de hurenen de daarmede samenhangende andere problemen.Over de vraag hoe de zaak uiteindelijk op tafel wordt gebrachtkon hij niets zeggen en als hij het wel kon, zou hij het nogniet mogen. ^rParticuliere bouwEvenals vorige jaren werd van verscheiden kanten opnieuwgeklaagd over de verhouding van de subsidieregeling voor dewoningwetwoningen en die voor de particuliere bouw. DeMinister verklaarde over dit punt maar weinig te kunnen zeg-gen; een oplossing hiervoor is zeer moeilijk te vinden. Nadathij in de Memorie van Antwoord had aangekondigd, dat ein-delijk een oplossing in zicht was, moest hij nu meedelen, dateen met veel moeite voorbereid plan, niettegenstaande gunsti-qe adviezen, geen doorgang had kunnen vinden.Dit plan was er op gebaseerd, dat de woningwetbouw op prin-cipieel dezelfde wijze zou worden gesubsidieerd als thans depremiebouw wordt gesubsidieerd. Daarbij werd dus getrachtbeide subsidie-systemen op eenzelfde basis te stellen. Omdatdit poqen is mislukt denkt de Minister er nu over om het sys-teem van de subsidiering van de particuliere bouw in over-eenstemming te brengen met het systeem van de subsidieringvan de woningwetbouw, dus ook met een jaarlijkse bijdrage.De bewindsman denkt daarbij aan een mogelijkheid, die in hetrapport van de Staatscommissie Van den Bergh is voorge-steld, om bijdragen te verlenen voor woningen van particu-liere exploitatie-maatschappijen. Deze maatschappijen zoudendan zijn onderworpen aan dezelfde controle en hetzelfde toe-zicht als de woningbouwverenigingen. De particuliere bouwvoor de verkoop zal voor een dergelijke bijdrageregeling nietin aanmerking komen. De heer Bommer zei van dit plan, dathij het veel beter vond dan het oorspronkelijke denkbeeld vande Minister, omdat het meer vooruitzichten biedt voor eennoede oplossing van deze aangelegenheid.De kamerleden, die betoogden, dat de ,,inschakeling van departiculiere bouw" tot een grotere productie zou leiden, kre-gen van de Minister het volgende ten antwoord:,,Ik moge er nogmaals op wijzen, dat er steeds door particuliere,,aannemers wordt gebouwd en dat de Overheid als zodanig 141,,niet bouwt. Ook de woningbouwverenigingen zijn opdracht-,,geefsters en bouwen niet zelf. De geachte afgevaardigden..zullen hier dus ook niet de bouwers-aannemers bedoeld heb-,,ben, maar de bouwers voor de markt, de zogenaamde eigen-,,bouwers, die op eigen risico bouwen en de woningen, hetzij,,in de put, hetzij gereed, verkopen. Ik kan niet inzien, dat,,door deze bouwers sneller zou kunnen worden gebouwd dan,,door de aannemers, die werk in opdracht uitvoeren. Ik kan,,ook niet inzien, dat de eersten betere aannemers zouden zijn.,,Hierin vind ik dan ook geen argument gelegen".WoningtekortUiteraard is ook uitvoerig gesproken over de omvang en deduur van het woningtekort.De Minister deelde daaromtrent mede, dat de toeneming vande jaarlijkse woningbehoefte in de komende jaren groter zalzijn dan werd verondersteld. Nieuwe cijfers over de loop vanonze bevolking hebben aangetoond, dat de huwelijkskansenvan de vrouwen zijn gestegen en dat de levenskansen groterzijn geworden. De toeneming van de woningbehoefte onder-vindt daarvan de invloed.Op grond van nieuwe berekeningen kwam de Minister tot deconclusie dat er in 1963 nog 22000 woningen tekort zullen zijnvolgens een hoge raming en 17000 volgens een gemiddeldcraming. Het einde van de woningnood zou dus vallen in 1964.Dan zal er evenwel nog een woningreserve moeten wordenopgebouwd. Met het vooruitzicht van een huwelijkspiek in1964 en later, tengevolge van de na-oorlogse geboortepiek, ge-loofde de Minister, dat, zoals door enkele kamerleden was ge-suggereerd, inderdaad getracht moet worden het woning-bouwprogramma te vergroten.De Minister had evenwel niet de illusie, dat als daarbij alsvoorlopige doelstelling 70.000 woningen wordt aangehouden,in 1955 of 1956 inderdaad al een dergelijk aantal zal kunnenworden gebouwd.WoningbouwverenigingenDe positie van de woningbouwvereniging kwam in de schrif-telijke gedachtenwisseling weer aan de orde. De Kamer ende Minister zijn bezorgd over de positie, de activiteit en detoekomst van de corporaties. Uit het feit, dat in 1954 meerwoningen van verenigingen dan van gemeenten waren ge-gund, mag volgens de Minister niet worden geconcludeerd,dat de gewenste keer in de verhouding al tot stand is gekomen.Als oorzaken van de te geringe werk- en daadkracht van dewoningbouwcorporaties ziet de Minister niet alleen de inper-king van hun actiesfeer door uitbreiding van de overheids-bemoeiing, maar ook de algemene slapte in het verenigings-wezen, en een zeker functie- en gehalteverlies als gevolg vanvan de verbetering van het algemene woonpeil.Hij is van oordeel, dat bovenal wegen moeten worden gezochtom de financiele zelfstandigheid van de woningbouwcorpora-ties te vergroten. Bij de verdere besprekingen met de federa-ties zal hieraan in het bijzonder aandacht worden geschonken.W. D.Haagse achtergrondenWoningbouwprogrammaA Het spreekt welhaast vanzelf, dat ook dit jaar de Troon-rede een passage bevatte over het woningvraagstuk. De wo-ningnood wordt daarin opnieuw gekenschetst als het nij-pendste probleem, waarvoor wij binnenslands nog gesteld zijn.Door premies en bijdragen zal de Regering de woningvoorzie-ning ook in het komende jaar zo krachtig mogelijk bevorderen;zij streeft daarbij naar de verwezenlijking van een programmavan 65.000 woningen.Men zal zich herinneren, dat een dergelijk omvangrijk pro-gramma voor het eerst voor het jaar 1954 werd aangekondigdNu een groot deel van dit jaar is verstreken, is het verleide-lijk de kansen op de verwezenlijking daarvan te berekenen.Op het ogenblik, dat dit wordt geschreven, is het aantal wo-ningen, dat in 1954 gereed gekomen is, tot en met Octoberbekend. Dit aantal bedraagt rond 53.600. Om de 65.000 wo-ningen te halen zouden van 1 November t/m 31 Decemberdus nog 11.400 woningen gereed moeten komen. Dit is ge-middeld 5.700 per maand. Een groot aantal, maar niet onbe-reikbaar, zoals blijkt uit de cijfers over het laatste kwartaalvan 1953, toen 19.315 -- dus gemiddeld 6.438 woningen permaand -- gereed zijn gekomen.Enig optimisme is stellig geoorloofd: in Juli kwamen 6.172woningen gereed, in Augustus (een week bouwvak-vacantie!)5.741, in September 6.620, in October 6.446. Een gunstigeontwikkeling is. dat sinds Juli elke maand meer woningen ge-reed kwamen dan in uitvoering werden genomen. Het aantalin uitvoering zijnde woningen daalde dan ook van ruim 72.000op 65.000. Deze daling is stellig mede bereikt door het feit,dat door het Ministerie van Wederopbouw en Volkshuisves-ting gedurende het eerste halfjaar van 1954 ongeveer 6.000woningen minder werden gefinancierd dan in het eerste half-jaar 1953. In hoeverre deze daling mede is beinvloed door deomstandigheid, dat een aantal woningwetplannen niet tot uit-voering konden worden gebracht omdat zij niet voor de toe-gestane prijs konden worden aanbesteed, is hierbij een interes-sante vraag.Overspanning van de bouwmarktDeze vraag brengt ons vanzelf op het onderwerp, dat in debouwwereld ,,the topic of the day" is, de overspanning vande bouwmarkt. Ook in de begrotingsstukken wordt dit on-derwerp uitvoerig besproken. En in de Troonrede heet hetna de aankondiging van het woningbouwprogramma: ,,Be-perking van de totstandkoming van andere bouwwerken zalvoor de vlotte uitvoering van dit programma nodig blijken".De betekenis van deze zinsnede zal voor niemand meer raad-selachtig zijn. Sinds enkele maanden is er al een zekere be-perking in enkele sectoren van gebouwen. Deze beperking be-staat uit een vertraging van de uitgifte van Rijksgoedkeu-ringen voor werken in streken, waar een tekort aan geschooldebouwvakarbeiders bestaat. Deze vertraging wordt niet toege-past op de woningbouw en de bouw voor industriele doelein-den. Aangezien deze beide sectoren tezamen ongeveer twee-derde deel uitmaken van het totale bouwprogramma voor ge-bouwen is de afremming een vrij moeilijke zaak; het effectervan zal bovendien pas over geruime tijd merkbaar zijn.142Geen bouwstopVan een bouwstop wil de Minister niet weten. Volgens zijntoelichting op het Bouwprogramma 1955 acht hij een dergelijkabrupt middel ongeschikt ter bestrijding van spanningen op dearbeidsmarkt. De continuiteit in de bouwbedrijvigheid op hetjuiste niveau kan naar zijn mening beter met het door hemtoegepaste middel worden bereikt. De Minister wil voorko-men, aldus lezen wij in de Memorie van Antwoord, dat deVOOR INLICHTINGEN OF BROCHURE: N.V."NEFUMY'TETERINGSEDI)K 6 - BREDA - TELEFOON K I600-599C daken^ f ^ ^ E E ^ '''" ^ijdis leverbaar^ f ^J ^ 1^ E ^ te verwerken door iedere aannemer-^ f ^J ^ E E ^ toepassen betekent:degelijk, snel en voordelig bouwen!Momenteel zijn o.m. 118 woningen van het plan ,,Zilverschoon" teBergen op Zoom in uitvoering. Ontwerp van: Ingen.- en Arch.bur.de Jongh, Taen en Nix te Utrecht en Arch. J. M. A. Weyts teBergen op Zoom.Gedeelte van een complex woningen te Heteren.Arch, J. F. Span te Elst. Zendt ons Uw tekening en wij wijzigen deze GRATIS en VRIJBLIJVENDbouwnijverheid van beperkende maatregelen meer hinder on-dervindt dan strikt nodig is.Hij ziet het als zijn taak te trachten het daarheen te leiden,in elke sector van het bouwprogramma niet meer, doch -- nude aandrang cm te bouwen nog zo groot is -- ook niet minderte doen verwerken dan het voor die sector toegestane volume.Het wordt niet nodig geacht elk bouwwerk aan een Rijksgoed-keuring te binden, zoals in de eerste jaren na de oorlog ge-beurde. Sedert half 1952 gold dan ook, dat men een Rijks-goedkeuring nodig heeft voor werken boven f 100.000,^--, be-halven voor scholen, waar die grens op f 10.000,^-- was ge-legd.Behalve voor ziekenhuizen is geen verandering gebracht indeze voorschriften.Tengevolge van de zeer grote bouwactiviteit en de spannin-gen op de arbeidsmarkt, die daarvan het gevolg zijn, kan ech-ter thans niet alles meer direct gefiatteerd worden, zoals, nahet verdwijnen van de monetaire moeilijkheden, usance wasgeworden.Om de spanningen op de bouwmarkt te verminderen is, be-halve de controle op het totaal te verwerken volume, een eer-ste vereiste, dat het v/erk zo gelijkmatig mogelijk op de marktkomt. Dit kan worden bevorderd door het voor de aan Rijks-goedkeuring gebonden werken beschikbare volume gelijkmatigverdeeld over het jaar uit te geven. Uit practische overwe-gingen geschiedt dit per sector en wel in de regel door eenvoor die sector deskundige commissie, die adviseert omtrentde afgifte voor de goedkeuring. Deze commissies zullen zichdaarbij rekenschap moeten geven van de op het ogenblik vanuitvoering waarschijnlijke toestand op de arbeidsmarkt in destreek, waarin het werk zal worden ondernomen, van de ur-gentie, ten opzichte van andere aangevraagde werken, vanreeds doorgebrachte wachttijd en van andere factoren van uit-eenlopend gewicht.Hoe onaangenaam de afremming ook moge zijn, het is zoalsMinister Drees het stelde in de Tweede Kamer bij de alge-mene politieke beraadslagingen over de Rijksbegroting: ,,Menmoet kiezen of delen. Als men niet stelselmatig kiest, wat hetmeest doelmatig is, loopt men eenvoudig vast, omdat mentoch niet meer kan bouwen dan er arbeiders beschikbaar zijn".Mindet woningwetwoningenOm op de 65.000 woningen van het volgend jaar terug te ko-men: in het bouwplan voor 1955 zijn deze als volgt over dediverse sectoren verdeeld: 29.500 woningwetwoningen; 25.000premiewoningen; 8.000 herbouwwoningen; 2.500 ,,vrije sec-tor" woningen.Het geraamde aantal woningwetwoningen is aanzienlijk la-ger dan het in 1953 gereed gekomen aantal van 36.700 en dande ca. 40.000 die, naar verwachting, in 1954 gebouwd zullenworden.Voor het betalen van de bijdragen voor deze 40.000 woning-wetwoningen is het lieve sommetje van f 10.200.000,-- uitge-trokken. Voor de 25.000 premiewoningen wordt een bedragvan f 105 millioen aan premies geraamd bij een gemiddeldepremie van f 4.200,'--. Daarbij komt dan in 7000 gevallen nogeen bijdrage ter bevordering van het eigen-woningbezit. Kos- 143ten: f 700.000,--. In 1000 gevallen kan een toeslag boven depremie worden gegeven aan eigenaar-krotbewoners, die hunkrotwoning door een nieuw huis vervangen. Kosten:f 600.000,--.Deze opsomming van getallen en bedragen zou nog uitge-breid kunnen worden met die, betreffende steun aan bejaar-denhuisvesting, huurtoeslag voor krotbewoners, steun bij sa-neringsplannen, subsidie voor woningverbetering en -splitsing.Maar ook zo is het al voldoende om een indruk te geven vande enorme last, die de volkshuisvesting legt op de schatkist.Subsidieverhoging gewenstNiettemin is -- ook alweer bij de algemene politieke beraad-slagingen -- aangedrongen op een veruiming van de subsidievoor de woningbouw, vooral om daardoor de door het ,,Ko-rea-effect" veroorzaakte versobering ongedaan te maken. Mi-nister Drees merkte naar aanleiding hiervan op, dat het moei-lijk is de subsidieregelingen te gaan verruimen, juist nu eenoptrekken van de huren van de oude woningen in overwegingis. Hij voegde daaraan toe, dat de Regering te zijner tijd dezekwestie nog nader zou bekijken. Dit klonk in elk geval nietafwijzend. Voor de zienswijze van de Minister van Weder-opbouw en Volkshuisvesting over deze kwestie zij verwezennaar het in dit nummer opgenomen kameroverzicht.Huurverhoging - HuurbelastingDat de Regering een verdere huurverhoging voor de oudewoningen overweegt, is allerwegen met instemming begroet.Dit kan steliig niet gezegd worden van de gedachte aan eenhuurbelasting. De voorzichtige aankondiging daarvan in deTroonrede heeft al heel wat stof doen opwaaien. In de persvarieert de scala der meningen hierover van ..aanqename ver-rassing" tot ,,onaanvaardbare onrechtvaardigheid". De reac-ties in de Tweede Kamer wijzen erop, dat eventuele regerings-voorstellen onderwerp van een felle strijd zullen worden.Minister Witte, die dezer dagen zijn begroting in de TweedeKamer heeft verdedigd, heeft zich ten aanzien van dit onder-werp, zoals te verwachten was, nog maar op de vlakte ge-houden.Na de eerste onderlinge schermutselingen zullen voor- en te-genstanders van het principe van een huurbelasting er goe
Reacties