rn f 'wwft sVolStcOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvestingen Stedebouw en van de Nationale Woningraad, waarin opge-nomen de mededelingen van de Rijksdienst voor het NationalePlan, en tevens gewijd aan de WederopbouwMaart 1954 35e Jaargang no jWtjconstrueerdendeBisonBakwagenvoor de bouwbedrijven.Deze wagen heeft eenplaatstalen bak van 100liter en is gemonteerdop kogellagerwiel 16 x4", voorz. van luchtbandPrijs f 99,50 af fabr. Met yzeren wiel / 65,--W. G. SCHOONDERWALDT -- HONSELEBSDIJKDijkstraat 41 -- Telefoon 4551AannemersbedrijfJ. SPANJERSBERGAmbachtsweg 23 -- Wateringen (Z.H.)de dakbedekking teverzorgen doorN.V. VERIVONSchansweg 67, RotterdamTelefoon 82740Abraham van Stolk & Zoonen n.v.ROTTERDAMPOSTBUS 1100TELEF. No. 35400HOUTHANDELALTASTALENR A M E NDEURENFRONTENZANDSTRALEN is een eerste vereisteMETALLISEREN brengt Uwonderhoudskostenrekening omlaagCONSTRUCTIEBEDRIJF en MACHINEFABRIEKALTA N.v. Binckhorstiaan 301 - DEN HAAG4 nieuweproducten:? Preparaat voor het reinigen vangevels, natuursteen, enz.? Product ter vergroting der plastici-teit van mortels en voorkoming vanontmenging.? Bekistingsvloeistof voor sierbeton,(bindingsrem.).? Isoleerstof tegen verfverzeping,roet- en lekkage-vlekken.I A kir* 9 r Chemisch-Technlsche Bouwstoffen In-LAINvl & \_0 dustrie - Nieuwe Keizersgracht 41-43? AMSTERDAM - Telefoon 54103.W.vandeKampDEN HAAGRegentesselaan 187Telef. 399208Alles op het gebied vanMEETGEREEDSCHAPPENo.a. Waterpasinstrumenten, jalons, prisma's enz.Ook voor reparatie.AlphatexDE MODERNE MUURVERFvoor Binnen- en Buitenwerk.ALPHATEX is: Wasbaar.Regen- en weervast.Onverzeepbaar.Zuurbestendig.Onovertrefbaar.Zeer gunstig beoordeeld door T.N.O. te Delft.Vraagt techn. inlichtingen, Kleurenadvies en folder aan:VERFKA BRI EK ,,ALPHA"ALPHEN A./D. RUN -- TELEFOON 2192 - K 1720A A ^ ^ ^P^ l^OOR ALLE HOUTWERKTENCOLiNEUMde heterekleurcarboUneumIN BLIKKEN BUSSEN""?r;N.v. TEERPROOUCTENINDUSTRIETOUWEN & Co. . AMSTERDAMVoorGLASN.v. DORDTSCHE G LAS HANDELKuiperstaaven 28-29-30 DORDRECHT Telefoon 7245Het adres voor SPECIALE BEGLAZINGSMATERIALEN.Aan de abonne's,Het Februari-Maartnummer van de Woningbouw-vereniging zal U over enkele dagen separaat perpost worden toegezonden. I I , -Redactie De WoningbouwverenigingTijdschrift voorVolkshuisvesting en StedebouwOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigmgen, waarin opgenomen de mede-delingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de WederopbouwRedactiej Mr H. W. Bloemers, J. Bommer, Ir H. M. Buskens, ]hr M. J. I. de Jonge van Ellemeet, B. Merkelbach,Mej. Mr H. J. D. Revers, Ir L. S. P. Scheffer, Dr Ir F. Bakker Schut, Drs H. van der WeijdeAdres voor Redactie en Abonnementen; Lange Voorhout 19, 's Gravenhage, Telefoon 184225Advertcnties: Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Telefoon 49128 ('s avonds; Haarlem, Orion-weg 119, Telefoon K 2500 25560)Maart 195435e Jaargang - No 3MaandbladOfficiele mededelingenNederlands InstituutBestuurDe Vereniging van Woningopzichteressen heeffc in plaats vanMej. Mr C. J. van den Hurk als bestuurslid van het Instituutaangewezen Mej. J. Joly.Commissie WoningwaarderingDoor het Instituut is in samenwerking met het Ned. Congresvoor Openbare Gezondheidsregeling een commissie ingesteld,die belast is met het uitwerken van grondslagen voor de wo-ningwaardering. In het vorige nummer is de samenstelling vandeze commissie reeds vermeld en is omtrent de denkbeelden,die bij de instelhng hebben voorgezeten, het een en ander me-degedeeld. Wij verwijzen naar het bericht onder de rubriekBinnenland in dat nummer.PubhcatiesDe studie van de Heer Ir L. H. J. Angenot, waarover wijreeds vroeger berichtten, getiteld ,,Verhandelingen over hetvraagstuk van de dichtheid van bebouwing", is thans ver-schenen als pubhcatie LIX in de serie van het Instituut. Be-stelhngen moeten worden gezonden aan N. Samsom N.V.,Alphen aan de Rijn. De prijs bedraagt voor leden / 4.25, voorniet-leden f 4.95.Als publicatie LX in dezelfde serie verschenen de praeadvie-zen voor de vergadering op 26 Maart. Deze publicatie is ad/ 2.40 verkrijgbaar bij N. Samsom N.V., Alphen aan de Rijn.In de Blauwe Reeks van de Vereniging van Nederlandse Ge-meenten is thans verschenen het rapport inzake de gemeen-telijke woningkartotheken, uitgebracht door een commissieingesteld door de Vereniging van Nederlandse Gemeentenen het Instituut gezamenlijk. Het rapport is verkrijgbaar bijde Vereniging van Nederlandse Gemeenten ad / 6.50.PraeadviezenvergaderingDe leden hebben bericht ontvangen van de op 26 Maart teUtrecht gehouden praeadviezenvergadering over de vraag,,Welke moeilijkheden veroorzaken de maatschappelijk nietaangepaste gezinnen bij de huisvesting en wat is hieraan tedoen?"De praeadviezen van Prof. R. Hornstra, Mevrouw W. Ploegs-ma-Bentum en de Heer Ir Ch. H. Kluiters zijn aan de ledenvan het Instituut toegezonden.Rijksdienst voor het Nationale PlanBesluit van de Minister van Wederopbouw en Volks-huisvestingOp grond van artikel 29, derde lid, van de wet van 28 Septem-ber 1950, houdende voorlopige regeling inzake het NationalePlan en streekplannen, heeft de Minister van Wederopbouwen Volkshuisvesting de volgende bezwaren gemaakt:d.d. 15 Februari 1954, nrs 8, 9, 10 en 11, betreffende een voor-genomen ontginning van enkele percelen heidegrond onder degemeente Neede. Hiertegen is bezwaar gemaakt wegens strijdmet het vigerende uitbreidingsplan-in-hoofdzaak der gemeenteNeede, voorshands voor een termijn, eindigend op 1 Juli 1954.De nieuwe financiele regelingen voor krotopruimingWij hebben elders over de hoofdinhoud van deze regelingenbericht. De totstandkoming daarvan is een gewichtig momentin de huidige zorg voor de volkshuisvesting. Voor het eerstna een lange onderbreking wordt weer financiele steun in hetvooruitzicht gesteld voor nieuwe woningen, die, direct of in-direct, moeten dienen ter vervanging van krotten. Het is deeerste stap van de Rijksoverheid op de veel besproken weg naareen ingrijpende sanering van onze bebouwde kernen en vannnze woningvoorraad.De Redactie heeft over deze eerste regeling het oordeel ge-vraagd van de Heren Ir J. J. M. Mohrman, Hoofdingenieur-Directeur van Publieke Werken en Volkshuisvesting te Nijme-gen, S. P. C. Terpstra, chef van de administratie van de Ge-meentelijke Woningdienst te Amsterdam en A. D. W. Tilanus,Directeur van de Stichting Gelderland voor MaatschappelijkWerk. Hun bijdragen volgen hieronder.Bijdrage van de Heer h J. J. M. MohrmannHet is mij niet mogelijk om in het door U genoemde kortetijdsbestek een wel-overwogen oordeel betreffende de te ver-wachten resultaten van de nieuwe bijdrage-regelingen voorkrotbewoners te geven.De materie is te nieuw en te ingewikkeld om onmiddellijk eenhelder inzicht te hebben in het effect van de nieuwe maat-regelen. In ieder geval juich ik het toe dat er een aanvang isgemaakt met het geven van wettelijke hulpmiddelen. teneinde 37Artikelende moeilijkheden, welke zich voordoen bij het ontruimen enopruimen van krotten, te overwinnen.Of deze hulp voldoende is, zal dc toekomst moeten leren, maarde aanhef van de circulaire van de Minister van 12 Februari1954, no MG. 54-3, aan de gemeentlebesturen, dat het tijdstipvan grootscheepse krotopruimingen nog niet is aangebroken,doch dat er althans een begin moet worden gemaakt met hetopruimen van krotten, doet in de toekomst meerdere maat-regelen verwachten. Genoemde bijdragen zijn geregeld in:a. Wijziging beschikking Woningwetbouw 1950.b. Wijziging van premie en bijdrage-regeling Woningbouw1953.Beide ministeriele besluiten zijn bekend gemaakt in de Neder-landse Staatscourant van 9 Februari 1954.Zoals ik schreef, ontbreekt mij de tijd om mij gegevens te ver-schaffen, maar bij het lezen van deze besluiten komen bij mijde volgende vragen naar voren:ad a.Zijn de maximum huurverlagingen wel voldoende?Voor een complex van 62 woningen, welke dit jaar ten behoevevan de krotopruiming te Nijmegen zullen worden gebouwd, isde berekende huur inclusief water f 8.50 per week voor een7-persoons woning.Met de huurverlaging a f 150,^- per jaar zou dit dan ?5,60per week worden. De meeste krotten doen hier thans een huurvan f 2,50 a f 3,-- per week, zodat de eerste sprong reedscirca f 3,-- a f 2,50 per week moet zijn. In de practijk zalhet er derhalve op neerkomen dat men zelden een directeverplaatsing naar nieuwe woningen kan bereiken, maar datslechts een verschuiving via anderc goedkopere woningen mo-gelijk zal zijn.Ik merk hierbij op dat het onder bepaalde omstandighedenmogelijk is om een lagere huur vast te stellen ten behoeve vanpersonen, die door het betrekken van een nieuwe woning eenbestaande woning voor voormalige krotbewoners vrijmaken.Is de termijn van 5 jaar, waarin de voormalige krotbewoner eennormale huur moet opbrengen, niet te kort gesteld?Het is toch zo dat het betwijfeld mag worden of de bewonersvan krotten en vooral van de slechtste krotten, waarvan deontruiming toch het meest urgent is, in 5 jaar tijd wel eennormaal werkend gezin zullen vormen.ad b.Is het aantal eigenaars-bewoners van krottien van dien aarddat deze maatregel veel effect zal afwerpen?In Nijmegen zal de eigenaar-krotbewoner, die kapitaalkrachtiggenoeg is om nieuwbouw tot stand te brengen, zeer weinigvoorkomen. Misschien is dit op het platteland gunstiger? Steldat de eigenaar-krotbewoner een nieuw 6-persoons eengezins-huis wenst te bouwen. De normale premie is dan f 3.725,--.Hierbij komt dan ingevolge deze wijziging 30%, dit isf 1.117,50, terwijl de bijdrage voor zelfbewoning 10 jaar langgekapitaliseerd tegen 5% is f 720,--. Totaal f 5.560,--.Het nieuwe huis inclusief de grond, waarbij verondersteldwordt dat er geen extra funderingskosten zijn, kan toch zekergesteld worden op f 12.000,--, zodat een bedrag van circaf 6.500,-- resteert voor rekening van de bouwer.Wanneer men nu rente, afschrijving en vaste lasten rekent,komt men al gauw aan een jaarlijkse opbrengst van f 470,--per jaar, dit is circa f 9,-- per week. Het is duidelijk dat nietveel eigenaars-bewoners van een krot dit kunnen of willenopbrengen. Natuurlijk gecf ik toe dat er omsfiandigheden kun-nen zijn, zoals dure bouwgrond, waarop het krot gebouwd was,en welke goed verkocht kan worden e.d., welke het zelf bouwengunstig kunnen bei'nvloeden.Ik ben mij er volkomen bewust van dat mijn oordeel omtrentde bijdrage-regelingen voor krotbewoners nog onvolledig is,zodat ik alvorens te eindigen U hierover mijn welgemeendeverontschuldigingen mag aanbieden.Bijdrage van de Heer S. P. C. Terpstra38 Het is niet gemakkelijk een korte beschouwing te geven overde nieuwe bijdrageregeling ingevolge de Woningwet voor wo-ningen ter vervanging van krotten. In het bizonder laten desociale factoren, welke met deze materie verweven zijn, zichmoeilijk in enkele woorden samenvatten.Het feit, dat deze regeling verschenen is op een ogenblik,waarop nog maar weinig gemeenten aan het realiseren vanplannen.tiot het opruimen van krotten toe zullen zijn, stemt totverheugenis. Hier wordt voor het eerst sinds het einde van deoorlog hulp geboden aan een categoric van gezinnen, waaraannog geen steun werd gegeven en die deze steun door de slechtewoningtoestanden, waarin zij verkeren en waarin zij zelve --tengevolge van hun meestal geringe financiele draagkracht --uiterst zelden verandering kunnen brengen, toch zo dringendnodig hebben,Voor de grote steden is naar mijn mening alleen de bijdrage-regeling van belang.Er zijn tegen deze regeling verscheidene bezwaren aan tevoeren; de belangrijkste wil ik aileen belichten.In de regeling wordt aangenomen dat de krotbewoner eennormaal arbcidersinkomen zal hebben en bij zijn overplaatsingnaar een normale woning alleen steun nodig heeft om zijnbudget bij de hogere huur aan te passen. Ik zou mij kunnenvoorstellen dat dergelijke gezinnen wel bestaan, maar het pro-totype van de krotbewoner is dit toch zeker niet, althans nietin de grote stad, Daar komt men nog duizenden gezinnen vanongeoefende arbeiders tegen, die op grond van hun lage loonin de goedkoopste woningen -- veelal krotten ?-- wonen. Het isniet te verwachten dat het inkomen van deze gezinnen zalstijgen, wanneer zij naar een betere woning vcrhuizen. Van eengcleidelijke aanpassing van hun budget bij de hogere huur, dieopgebracht moet worden, zal dus niets terecht komen. Geziende huur van de nieuwe woning -- waarover hierna meer --zullen zij reeds direct in moeilijkheden zitten, die ieder jaar,door de trapsgcwijze verhoging, groter zullen worden. Nog-maals, met het prototype van de krotbewoner in de grote stedenis in deze regeling absoluut onvoldoende rekening gehouden,terwijl het uitgangspunt van de regeling, n.I. dat deze gezinnenin een tijd van 5 jaar tot valide arbeidersgezinnen zullen uit-groeien, veel te optimistisch is.Met betrekking tot het bedrag van de bijdrage moet wordenvastgesteld dat deze bijdrage voor alle gemeenten in Neder-land even groot is. Een differentiatie naar gemeenteklassen,zoals bij de Bijdrageregeling Woningwetbouw, is dus niet toe-gepast, hoewel hiervoor naar mijn mening alle reden zou zijngeweest. Indien men de thans toegckende bedragen dan hadtoegekend aan de laagst geclassificeerde gemeenten en volgenshet schema van de normale bijdrage een hogere bijdrage voorde hoger geclassificeerde gemeenten, dan zou mogelijk debijdrage voor de grote steden voldoende zijn geweest. Thansis dit zeker niet het geval; de huur. welke door deze gezinnenzal moeten worden betaald, blijft dientengevolge te hoog. Hetkwantitatief aanpassen van de bijdrage aan de grootte van degezinnen valt ten zeerste toe te juichen. Inderdaad is dit eenvereiste, indien men iets wil doen voor dit soort gezinnen, dieveelal kinderrijk zijn.Niet alleen is het geleidelijk aflopen van de bijdrage in eenperiode van 5 jaar een onoverkomelijk bezwaar voor de gezin-nen, die de woningen toegewezen krijgen, maar bovendienheeft dit het bezwaar dat na 5 jaar deze woningen als z.g.krotopruimingswoningen weer van de woningmarkt verdwenenzijn, terwijl naar mijn mening de gezinnen nog niet zijn aange-past. Het is dus niet mogelijk deze woningen te blijven ge-bruiken als een permanente voorraad woningen, waarin steedsweer bewoners afkomstig uit krotten kunnen worden onderge-bracht. En juist aan zo'n permanente voorraad is de grootstebehoefte, indien men op systematische wijze en op een schaalvan enige betekenis het probleem van de krotopruiming en vande stadssanering wil aanpakken. In de practijk is deze stellingvoor de oorlog in Amsterdam reeds bewezen.De woningen aan het einde der twintiger jaren gebouwd voorde uit krotten verdrevenen bewijzen nog steeds uitm:Untendediensten, indien men bij de plaatsing van de gezinnen er nauw-keurig op toeziet, dat alleen die gezinnen worden geplaatst,welke er op grond van hun sociale omstandigheden in thuishoren.Bij het voorgaande is er van uitgegaan dat het geplaatste gezingedurende de eerste 5 jaren in de woning zal blijven wonen.Mocht dit niet het geval zijn, dan gaat volgens de regeling dewoning reeds eerder voor de gezinnen, waarvoor zij is be-stemd, verloren.Ik moge deze beschouwing besluiten met mijn instemming tebetuigen met de wijze, waarop de mogelijkheid wordt geopendtot het verkrijgen van een bijdrage, indien wordt doorgescho-ven. Het is, naar mijn mening, niet zo, dat doorschuiven hetprobleem van de krotopruiming en sanering oplost, integendeel,een snelle en goede oplossing kan in hoofdzaak slechts doornieuwbouw worden verkregen. Het feit bhjft echter dat: hetdoorschuiven van gezinnen zeker kan bijdragen tot een oplos-sing. Dat de nieuwe regeling hiertoe ^ helaas onder de restric-tie van hulp gedurende 5 jaar ^ de mogelijkheid biedt, isverheugingwekkend.Bijdrage van de Heer A. D. W. TilanusHet heeft zeker velen in den lande voldoening gegeven dat deMinister van Wederopbouw en Volkshuisvesting heeft goedgevonden dat de krotopruiming niet afhankelijk wordt gesteldvan werkloosheid in de bouwvakken en andere dergelijke fac-toren, maar dat reeds thans een aanvang kan worden gemaakt.De nood is hoog!Een onderzoek op het platteland van Gelderland heeft uitge-wezen dat van rond 110.000 woningen er rond 11.500 of welruim 10% voor bewoning ongeschikt zijn. Van deze woningenwaren:2800 (3 %) krot;4300 (4%) slecht, niet te verbeteren;4400 (4 %) slecht, wel te verbeteren.Een verdubbeling van deze getallen geeft voor de gehele pro-vincie in verband met vele oude stadskernen zeer waarschijnlijkeen te lage raming van 23.000 krotten en slechte woningen.Gelderland vormt in het algemeen het tiende deel van Neder-land, zodat wij tenminste 230.000 krotten en slechte woningenzullen hebben.Dit aantal komt ongeveer overeen met het woningtekort aanhet eind van de oorlog. Hebben wij voor het inhalen van dezeachterstand 15 jaar (1945-1960^ nodig, dan zullen wij nog eens15 jaar (dus tot 1975) in hetzelfde geforceerde tempo moetendoorbouwen, voordat alle slechte woningen verdwenen zullenzijn. En dan is dit nog optimistisch berekend!Een treurige omstandigheid is bovendien dat de meeste krottenoverbevolkt zijn, Bij het onderzoek bleek ruim 81 % overbe-volkt.Van de totale hoeveelheid krotten en slechte woningen is 67 %overbevolkt. Dit betekent dat 67% van 11.500, ofwel rond7.700 gezinnen op het platteland van Gelderland in een over-bevolkte slechte woning zijn gehuisvest.Volgens boven toegepaste aanvechtbare redenering zouden inGelderland 15.400 gezinnen, in Nederland 154.000 gezinnenmet teveel personen in een slechte woning zitten.De gevolgen hiervan laten zich denken:schadelijke invloeden op de lichamelijke gezondheid;geen speelruimte voor de kinderen, die de straat opgaan;geen rustig hoekje voor de oudere jeugd voor studie en indivi-duele ontwikkeling;geen gescheiden slaapplaatsen voor jong en oud en de ver-schillende sexen;rommelig en ongezellig interieur, tengevolge waarvan de manliever naar het cafe gaat.Erger dan de lichamelijke schade zijn de geestelijke en zedelijkenadelen, die het gezinsleven ontwrichten.Velen van deze gezinnen schijnen a-sociaal te zijn, maar zijnhet in wezen niet. Een betere ruimere woning zal ze terstondtot een ander gezin maken.Natuurlijk moeten zij daarbij geholpen worden. Hier ligt een Atukeutaak voor maatschappelijke werksters en gezinsverzorgsters omde mensen het gebruik van een goede woning te leren. Reedsvoor de overplaatsing naar een betere woning zal de maat-schappelijke werkster de mensen moeten helpen sparen voornieuw huisraad, aangezien het aanwezige meestal erbarmelijkis. Ook zal zij de mensen moeten leren een groter deel van hetinkomen over te hebben voor de goede woning.Voor dit laatste is een overgangsperiode nodig, waartoe dethans in het leven geroepen financiele regelingen voor krot-opruiming een bijdrage leveren. Daarover kunnen wij verheugdzijn.Naast deze financiele steun zijn echter nog andere maatregelennodig ten aanzien van de krotbewoners, die grotendeels op hetterrein van het maatschappelijk werk liggen. Behalve het huismoet ook het gezin worden vernieuwd.Terecht vangt persbericht no 7 van 9 Februari 1954 van hetMinisterie van Wederopbouw en Volkshuisvesting aan met dewoorden: ,,Om althans een begin van krotopruiming mogelijkte maken "Het Regeringscentrumdoor Prof. Ir M. J. Granpre MoliereWanneer het ons gegeven was, om een voornaam s.:adscen-trum te stichten op ongerepte grond, met onbeperkte midde-len, volgens rijpelijk overwogen plannen en in ideale samen-werking, dan zou er zeker iets anders tot stand komen dandit het geval is onder wat wij noemen normale omstandig-heden, d.w.z. onder het abnormale, vaak ondraaglijk gewichtvan elkander doorkruisende en haast neutraliserende voor-waarden. Maar toch! Toch durf ik te zeggen dat het wezen-lijke van het eerste ook in het tweede geval kan en moetworden teruggevonden. Ik durf te zeggen dat het tweede,om redenen, die hier in het midden mogen blijven, bij allewisselvalligheden van de uiteindelijke vorm toch iets diepersen menselijkers zal kunnen verkrijgen dan het eerste. Tenslotte durf ik te zeggen dat, hoe utopisch het eerste ook mogelijken, het toch nodig is dit te stellen -- het ideaal plandus -- om een werkelijk bruikbaar en uitvoerbaar reeel plante kunnen opvatten.Het is door deze overweging dat ik gaarne voldoen wil aanhet verzoek van de Redactie, om de reele opgave, waarvoorhet Rijk en de gemeente Den Haag thans gesteld zijn, vanuiteen algemeen gezichtspunt te beschouwen. Het zou me ookniet afgaan om het op andere wijze te doen; want daartoezou een uitgebreide kennis nodig zijn van de voorafgaandegeschiedenis en van tegenwoordige omstandigheden, diezwaarwichtig zijn, of alleen maar lijken -- en die men danniet minder goed moet kennen -- maar daarvan maak ik menu los, overtuigd dat men toch altijd met de ideale of specu-latieve opzet zal hebben te beginnen.Wie een berg wil beklimmen, zegt Confucius, moet aan devoet beginnen, en wie een stad wil kennen, moet beginnenmet het huis. Wat is bouwen anders dan het stichten vanhuizen? Wanneer er nu vele huizen gebouwd worden, danontstaat er een nieuw element, nl. de straat. De straat is ietsgeheel anders dan het huis-erf: ze verleent toegang; maardat niet alleen: het is een verbindend element tussen de af-zonderlijke woningen. De straten vragen op hun beurt omeen verbindend element: het plein. Beide vervullen dus eenaesthetische functie. Het plein nog meer dan de straat. Enwel om twee redenen. Het plein is nl. minder een verkeers-ruimte; en vervolgens heeft het ook door zijn vorm meerovereenstemming met een woning-erf.Groeit nu de nederzetting nog verder, dan ontstaat de be-hoefte aan een hoofdhuis; een huis, dat over de andere domi-neert; niet alleen door ligging en monumentaliteit, maar ookdoordat hier het bestuur over de bewoners der andere huizen 39Artlkelcn wordt gevestigd. Oorspronkelijk een kasteel, later het raad-huis. Het stadsplein is de aangewezen plaats voor het stad-huis. Daarmee verkrijgt het plein nog meer overeenkomst metde huis-erven, en wordt de nederzetiing nog meer tot eeneenheid.Gaan we verder. OntwikkeHng brengt differentiatie. Zo ont-staan er huizen van andere aard: werkhuizen, pakhuizen, hetGodshuis. Deze vragen elk een eigen huistype krachtens hunbestemming; maar ook een eigen plaats en een eigen accentin het stadsgeheel. Werk- en bergplaatsen enerzijds en hetkasteel andererzijds behoren van nature aan de rand vande bebouwing; de industriegebouwen omdat ze zijn toege-voegd aan de huisvesting; het kasteel daarentegen, omdatde nederzetting toegevoegd wordt aan het kasteel.Waar ligt het kerkgebouw? Het heeft geen aangewezenplaats, omdat het van een andere orde is. Het heeft afgezon-derd te overheersen. Het mag dus in het stadsplan vervagen,maar behoort in de stads-silhouet te domineren. Maar ditis een vraagstuk op zichzelf, waarbij ik hier niet wil stilstaan.Met deze en dergelijke gegevens heeft men eertijds stad nastad gebouwd. Ze hebben door een complex van oorzakenelk een eigen karakter gekregen; maar fundamenteel stemmenze overeen.Uit het voorgaande moge gebleken zijn dat met de groeivan de nederzetting ook het aanzien en zelfs het wezen ervanzich wijzigt, en gewoonlijk sprongsgewijze. Maar dit geldtook van de maatschappij als geheel. Ook hier geschieden dewijzigingcn min of meer sprongsgewijs. Tussen de kasteel-stad en de burger-stad met stadhuis ligt een sprong in deontwikkeling. Wanneer we nu over de opgaven van onzeeigen tijd spreken, dan hebben we er rekening mee te houdendat we ons ook nu weer midden in een revolutionnaire ont-wikkeling bevinden.De stad van de 19e eeuw heeft al een nieuwe gedaante ge-kregen. Het is een industriestad geworden; in die mate zelfsdat Lenin de Kerstdag omdoopte in Industrialisatie-dag, ende Russische stedebouw dienovereenkomstig de industriewijktot het gemeentelijk centrum maakte. Zover zijn wij in hetWesten niet gegaan. Wij hebben toch wel beter begrependat de nieuwe industrie de oude beschaving niet kwam ver-vangen, maar vervolmaken, al mogen we niet te hard juichen.Met de nieuwe industrie kwam ook een nieuwe vorm vanbewegelijkheid; en door het algemeen gevoel dat het eldersbeter moet zijn dan hier, eigen aan een tijd van overgang,gepaard aan een tekort van ordenende leiding -- uit de-zelfde oorzaak te verklaren -- werd deze bewegelijkheid nogbovenmatig geprikkeld. Vandaar dat het stads-centrum om-trent de eeuw-wende een verkeers-centrum is geworden.Terwijl nu de industrie langzamerhand de plaats en de waar-de krijgt, die haar toekomt, d.i. een ondergeschikte plaatsen een aanvullende waarde, zitten we nu nog midden in decultus van de weg. Ook hierin zal, ook zelfs wanneer hetverkecr numeriek zal toenemen, geleidelijk wel verbeteringkomen, zodat onze steden in de naaste toekomst weer plaat-sen zuUen kunnen worden, waar men bij voorkeur verblijften niet bij voorkeur doorheen snelt.Daarmee breekt de tijd aan, om aan op zichzelf belangrijkerdingen te gaan denken.Waarin bestaat nu dat meer belangrijke ding? Het moet ietszijn, wat de totaliteitsgedachte van de industrie en die vanhet verkeer overtreft, omdat het meer van de totaliteit vanmens en gemeenschap in zich heeft. En wat zou dat anderszijn dan het bestuur over stad en land, dat het algemenewelzijn tot doel heeft, en dus in zeker opzicht op totaliteitaanspraak mag maken, en dat dus ook bedrijf en vervoerheeft te doseren en te regelen? Dit is een vooruitgang, al ishet niet zonder risico; want de nieuwe overheid bergt in zicheen zelfde en zelfs een nog groter gevaar voor totalitaire40 overheersing dan we dat aan productie en verkeer hebbenopgemerkt. Maar terwijl we het goede van deze ontwikkelingerkennen, en de gevaren ervan trotseren, moeten we nu ook demogelijkheden, die deze hausse met zich meebrengt, ten voilebenutten. Zoals we dat dan toch ook gedaan hebben metde voorafgaande materiele mutaties. Daarmee nader ik danhet eigenlijke onderwerp.De gesignaleerde hausse in overheids-beleid, die we thansdoormaken, brengt als eerste vrucht op ons terrein het stad-huis-vraagstuk. Al onze steden hebben hun stadhuis-pro-bleem, en dat is geen toeval. Het zou onmogelijk anders kun-nen. Wij aanvaarden het met vreugde; want hier komt weerhet huis, en werkelijk het huis der huizen, in het brandpuntvan de stedelijke ontwikkeling; en daarmee de stads-aanlegin zijn volheid.Misschien komt deze hoge bouw-opgave nog even te vroeg,omdat onze architecten nog niet voldoende in de geheimenvan ruimtelijke ordening zijn doorgedrongen, en zich nog watlaten intimideren door de grote omvang aan kantoor-ruimte,die het nieuwe stadhuis vraagt. Ze worden daarin dan ookniet genoeg gesteund door de overheid zelve, die nog teweinig onderscheid ziet tussen besturen en administreren,tussen ruimte-conceptie en verkeersregeling. Het moet allesnog groeien en opnieuw leven krijgen.Intussen begint bij de architecten iets te roeren; en wat bijhen roert, roert in de gemeenschap; nl. een zeker gevoel voorhet huis in de grote, nieuwe stad. Het individuele huis blijftbij alle ontwikkeling ongeveer even groot, terwijl de stedenzich in omvang vermenigvuldigen. Hoe moet dat probleemworden opgelost en hoe zullen al die gezinnen worden samen-gebonden tot gemeenschappen?Men heeft hier een antwoord op gegeven: voeg de woningenin breedte en hoogte samen tot torenhuizen. Dat geeft schaalaan het huis; het maakt honderden buren tot een groot gezin.En het spaart de grond, die we niet meer missen kunnen.Ten slotte eert het de nieuwe techniek.Het zal al gauw moeten blijken dat dit antwoord vals is;althans in de naive brutaliteit, waarmee het gegeven wordt.Het zal weldra duidelijk worden, hoeveel cardinale architec-tonische en sociale waarden hier met klompen vertredenworden. Maar er zit een kern in. Deze modernistische op-vatting behoeft zich slechts te sublimeren -- en vooruitgaanis wezenlijk sublimeren -- om tot datgene te komen, wat ikhier wilde betogen: het huis der huizen moet geen w^oonka-zerne zijn; maar een bestuurshuis; een raadhuis; en de overigewoningen moeten aan het stadhuis-complex ondergeschikten aangepast zijn.Het antwoord is daarom vals; maar er zit naar ik meen eenkern in, omdat men weer in het huis een teken wil zien. Datis een overwinning op het rationalisme. Het huis heeft be-tekenis, die om uitdrukking vraagt. Maar de samenvoegingvan vele woningen tot een huis geeft geen vermeerdering,maar een vermindering aan betekenis: de organieke veelheidvan het afzonderlijke huis heeft meer zin dan de numeriekeveelheid van het collectieve huis. De uitwendige omvang iseerder een teken van inwendige armoede. Maar dit gevoelvoor het monumentale gaat zich veredelen, en daarmede,naar we toch mogen hopen, het begrip dat het eerste onder dehuizen: het raadhuis schaal, waarde, eenheid en betekenisaan het geheel van huizen heeft te geven. En daarmee, magmen verwachten, worden ook van deze zijde de geesten rijp.Wanneer we nog eens een blik achterwaarts slaan, dankunnen we niet voorbijzien dat, na een eeuw van werken enreizen, deze eeuw is ingezet met een woningwet als sanctietot een nieuwe ontwikkeling van het huis, en dat we gegroeidzijn van een inzicht omtrent de hierarchie in het huis tot datomtrent de hierarchic der huizen onderling, en dat we detweede helft van deze eeuw zijn ingegaan met de notie --om het voorzichtig te zeggen -- dat bij iedere orde de ele-menten gericht moeten zijn op het hoogste wat er in die ordeAfzonderlijke afdeling Woningbouwin het Korrelbetonsysteem(Ned. Octr. Nrs. 67739 en 67908)Van grondwerk tot en met afbouw,Van Wijnen verzorgt het geheel.Uitvoering v. werken door het gehele land.Solide afwerking en snelle opievering.KANTOREN :DORDRECHT, KROMHOUT 65-67, TELEF. 6941 (3 LIJNEN)DEN HAAG, FR. MAELSONSTRAAT 45, TELEFOON 553844"V.acature^GEMEENTE ODOORN.(13000 zielen; oppervlakte 15000 H.A.)Burgemeester en Wethouders roepen sollicitanten op naarde betrekking vanHOOFDOPZICHTER le KLASSEin vaste dienst bij de Dienst van Gemeentewerken.Vereisten: Diploma M.T.S., Afd. Burgerbouw- en Weg- enWaterbouwkunde. Meerjarige ervaring in alle voorkomendewerkzaamheden bij een gemeentelijke technische dienst vanbehoorlijke omvang. Krachtige persoonlijkheid met groteorganisatorische kwaliteiten.Salaris, behoudiens hogere goedkeuring, / 5802.-- tot / 6738.--(6 eenj. verb, van / 156,--). VerplaatsingskostenregeUng vantoepassing.Sollicitaties in te zenden aan de Burgemeester van Odoornte Exloo binnen een week na verschijning van dit blad.Geen persoonlijk bezoek dan na oproeping.GEMEENTE ROTTERDAMr~Bu de Dienst van Stadsontwikkeling en Wederopbouwkan eenstedebouwkundig ontwerperworden geplaatst.Aanstelling geschiedt in todelijke dien.st c.q. in vaste dienstmet een proeftijd van een iaar en, afhaniielijk van oplei-ding en ervaring in stedebouwkundig werk, in de rangvan ass. architect, tecii. ambt. B of A.Vereist: dipl. M.T.S. en daarnaast voor tech. ambt. Agevorderde studie V.B.O.; voor techn. ambt.B het diploma V.B.O. Voor ass. architect strektdaarenboven het dlpl. H.B.O. tot aanbeveling.Salarisgrenzen: tech. ambt. A f. 4.080,- - f. 5.790,-tech. ambt. 8 f. 5.250,- - f. 6.870,-ass. architect f. 6.060,- - f. 7.680,-Aan gehuwden worden In het algemeen de rels- of pension-kosten en verhulskosten vergoed.Sollicitaties te riehten tot Burg, en Weth. en in te zendenaan het Bureau Personeelvoorzienlng, kamer a31, Raad-huis, binnen 14 dagen na deze oproep, onder No. 75.ervice en .efrouwbaarheid2e Looiersdwarsstr.' 18 t/m 34 Te>.GEMEENTE ENSCHEDEBij de dienst van gemeentewerken kan worden geplaatst eenSTEDEBOUWKUNDIG STAFFUNCTIONARISom leiding te geven bij het ontwerpen en uitwerken vanstedebouwkundige plannen (uitbreidingsplan, komplan,survey komverordeningen enz.). Ruime ervaring op ditgebied vereist.Aanstelling in een van de hoofdambtenaars- of ingenieurs-rangen. Jaarwedde afhankelijk van ervaring en capaciteitentussen de minima en maxima van de betreffende salaris-schalen respectievelijk f 6.828,-- en f 9.438,--. Kindertoelageovereenkomstig de voor het rijkspersoneel geldende rege-ling; wettelijk pensioenverhaal. Gehuwden genieten eentegemoetkoming in de verplaatsingskosten.SoUicitatien met uitvoerige inlichtingen aan burgemeesteren wethouders binnen tien dagen na het verschijnen van ditblad. Bezoek alleen na uitnodiging.Raadpleeg onze advertentierubriek als U een aanvraag ofeen bestelling hebt te doen! In de kolommen van dit tijd-schrift vindt U aanbiedingen van talrijke vooraanstaandeleveranciers op het gebied van de bouwvakken.LICHTDRUKKENHET ADRESC. A. DE JONGMODERNE REPRODUCTIE-INRICHTINGFOLKINGESTR. 1 5 - TEL. 22717 GRONINGENSINDS 1904PROVINCIALE PLANOLOGISCHE DIENSTVAN GRONINGENBij het Bureau van de Provinciale Planologische Dienst vanGroningen kan worden geplaatst in de rang van planoloog,eenACADEMISCH GEVORMDE ONDERZOEKERSalarisgrenzen f 430. f 712.-- per maand, waarbij inbe-grepen alle thans geldende verhogingen en toelagen, metuitzondering van de eventuele kindertoelage. Aanstellingboven het minimum is niet uitgesloten. -- Sollicitaties metuitvoerige inlichtingen omtrent leeftijd, opleiding, practijken referenties te zenden aan de Directeur van het Bureauvan de Provinciale Planologische Dienst, Martinikerkhof 14te Groningen, binnen 14 dagen na het verschijnen van ditblad.is, en dat dus het zwaartepunt van het bouwen vallen moetop het huis van de stad: het raadhuis. De feiien wijzen hetreeds uit.Nu kora ik dan eindelijk aan een nog voornamer huis, ofhuizen-complex, nl. het regerings-centrum. Wat het stadhuisis voor de stad, is het regeringsgebouw voor het land. Inhierarchische ordening heeft het regerings-centrum een be-tekenis, ^-- dus vereist het een monumentaHteit -- die veruitgaat boven die van het gemeentehjke centrum. Dit kangeen probleem zijn. Maar vormt het een even wezenhjk deelvan de stad? Dit is wel een vraag; en daarop moet ook eenantwoord gegeven worden.Het is duidehjk dat een stad niet vraagt om een regerings-centrum, evenmin als om een universiteit. Niet de stad ver-eist het, maar wel het land: wat een volksgemeenschap toteen staat maakt, is het bestuur; en het bestuur vraagt, omwille van het vereiste gezag zelf, een representatieve zetel,die aan dat gezag uitdrukking verleent; op de manier, waarophet stadsbestuur en het stadhuis de nederzetting eerst tot eenstad maken. Maar de stand van een stad vraagt om zekere,niet noodzakelijke toevoegingen, die haar waardigheid beves-tigen en verhogen en er luister aan geven: zoals een museum,een vredes-paleis of een provincie-huis. Het kan ook de re-sidentie van de regerende vorst zijn of de zetel van een re-gering. Er is nauwelijks iets denkbaar in de profane orde,wat meer luister aan een stad zou kunnen geven. Den Haaghad, laat ik dit in het voorbijgaan mogen opmerken, tot voorkort al deze parels in haar kroon; en men mag zich met enigebezorgdheid afvragen, of het niet hofstad zou gebleven zijn,wanneer de stad deze hoge onderscheiding maar in haar ge-daante en haar gestes had weten te weerspiegelen. Dit heeftnoch deze stad noch ons volk -- want het was een plicht vanhet gehele volk -- vermogen te vervullen. Daarvoor is deNederlandse beschaving ronduit gezegd nog altijd te provin-ciaal. Maar, dat is de andere kant van de zaak, en dat mogeook gezegd worden, in de vertroebeling der achter ons hg-gende jaren heeft het Nederlandse volk van de zin van eenvorstenhuis toch altijd nog meer begrepen dan de meesteandere naties. Het was alleen niet genoeg.Ik raak een gevoelig punt aan. Maar ik doe dit alleen, omin een helder licht te stellen dat de stad als zodanig geenregerings-zetel behoeft of verdient, maar dat, eenmaal daar-toe uitverkoren, dit voor een stad niet alleen van onbere-kenbare waarde is, omdat de luister van dit opperste huisover de hele stad uitstraalt, maar ook dat het voor zulk eenstad de plicht meebrengt zich verdienstelijk te maken; enwel door daaraan met een voornaam stadskarakter te be-antwoorden. En aangezien dit haar kracht altijd wel zal teboven gaan, mag de stad verwachten, om daarin van het helevolk, dus van de lands-regering, die steun en medewerkingte ontvangen, die redelijk is.Deze eis is in hoge mate redelijk, want de regerings-staden vooral het regerings-centrum moeten een zeker iets be-zitten, waardoor iedere burger, en wel voortdurend, wordtopgeheven tot de hoogte van zijn volk. Ik hoop dat menbegrijpen zal wat hiermee bedoeld is. Ook degenen, die totde regering geroepen worden, zullen door de omgeving, waar-in ze worden opgenomen, herinnerd moeten worden aan dehun opgelegde taak, die de hoogste onzelfzuchtige toewijdingen de meest brede blik van hen verlangt.Na deze enkele woorden over de waarde en waarde-verhou-ding van de regerings-zetel moet er nu ook iets gezegd wor-den over de plaats in het organisme van de stad. Het stads-bestuur is uit de stadsbevolking genomen en in het middenvan die bevolking is zijn plaats. Daarom ligt het voor dehand dat het raadhuis in het midden van de stad terechtkomt. Dit behoeft niet het geometrisch middelpunt te zijn;als het maar daar ligt, waar het hart van het burgerlevenklopt. Maar de leden van de regering zijn van hier en eldersen hun blik reikt verder dan de grenzen van de stad; haarzetel behoort niet in het vitale midden van de gemeente.Integendeel, het stedelijk leven zou door een dergelijke si-tuatie eerder schade lijden, evenals bij een burcht, waar hetleven zich omheen zou bewegen zonder er in door te dringen;en ook de vrije ontwikkeling van het regerings-centrum zelfzou daarbij te zeer worden geremd.In het organisme vallen de plaatsen van het hart en het hoofdniet samen. In een dergelijke verhouding stel ik mij de zetelsvan stad en rijk ook voor. De regerings-gebouwen liggenthans wel over het midden van de stad verdeeld; maar alsmen naar belangrijke uitbreiding en nieuwe situering zoekt,dan gaan de gedachten toch uit naar de plaats van het hoofd;naar een ligging dus wel aan, maar niet in de stad; en welzo, dat het deze stad door ligging, omvang en architecto-nische waardigheid bekroont. Om me tot het algemeen tebeperken, wil ik nu ook zwijgen over de mogelijkhedcn, diedaartoe in Den Haag aanwezig zijn.Wel behoort een enkel woord over de gestalte van zulk eenwijk te worden gezegd. De vraag of de ruimten voor de zit-tingen van de Kamers en de grote plechtigheden zullen blij-ven daar en zoals ze nu zijn, moet hier weer in het middenblijven. Het is alleen nodig er op te wijzen dat de aanleg vanenkel departementale gebouwen, al of niet aangevuld met res-taurants, ambtelijke woningen, enz., noodzakelijk iets incom-pleets zal moeten houden, omdat daarbij datgene waartoe dezeadministratie-gebouwen feitelijk verordend zijn, nl. het lands-bestuur, verborgen blijft. De dingen worden voltooid door huncomplement. Men mag niet over het hoofd zien dat een re-gerings-wijk, die niet veel verschilt van een reeks modernekantoren, dreigt vervelend te worden. Het ware dus wel tewensen dat in zulk een gebied vroeg of laat een monumentaalgebouw voor bestuur en (of) representatie zou kunnen ver-rijzen, omdat eerst daardoor een echt architectonisch geheelzou kunnen ontstaan. En ik waag te zeggen dat het de moeitelonen zou daarmee rekening te houden, desnoods tegen allehoop in. 1)Het tweede complement voor de gebouwen is de aansluitenderuimte. W^at zal ik ervan zeggen? Hier valt me de zinsnedein, waarmee Aristoteles zijn studie over de stedebouw besloot:,,over deze dingen zou nog veel te zeggen zijn; maar in feiteworden ze (mede-)bepaald door tijd en toeval." Laat ik eralleen dit van zeggen: naarmate de gebouwen zelf minder in-teressant worden, zal groter zorg moeten worden besteed aanvorm en aankleding van de ruimte.Met tijd en toeval wordt nu niet bedoeld dat men zulkedingen moet laten groeien zoals ze groeien willen; maar weldat het resultaat niet alleen afhangt van natuurwetten, die menformuleren kan, maar vooral van de persoonlijke wijze, waar-op men met de gegevenheden handelt. Het is een goede ge-dachte om dit artikel mee te besluiten. Wat gaan de leidendepersonen in staat en stad doen met de gegevens, die in hunhanden gelegd zijn? Zullen die handen elkaar vinden om doorvereniging van inzichten en krachten ieder van hen te doenuitstijgen boven hetgeen ze inzien of vermogen? Er is kansop dat het regerings-centrum weer zo'n echt saaie modernewijk gaat worden, zoals we ze zo vele in binnen- en buitenlandkennen, of wel dat de departementale gebouwen verstrooidgaan worden over terreinen, die toevallig beschikbaar komen,zoals we dat ook al eerder hebben gezien. Alles is mogelijk.Maar hier hebben nu staat en stad de kans van hun ge-schiedenis; de kans om aan volk en wereld te tonen, wat erin hen zit. Want architectuur en aanleg van de grote centrazijn de waardemeters voor zulke dingen. Hier is winst tebehalen of verlies te lijden aan prestige bij volk en wereld.W^inst of verlies aan gezag. Winst of verlies aan vertrouwenen hoop. Winst of verlies aan orde en beschaving.ArtiKeUn1) Het zou kunnen schijnen dat schrijver dezes het bestaande regerings-centrum van Den Haag niet zou waarderen. Het tegendeel is waar;hi] heeft er de grootste bewondering voor; maar thans stelt de uitgestrekt-heid andere eisen. 41ArtikcleilGrenswijziging Utrechtdoor Dr G. G. PekelharingDe wet van 8 October 1953, S. 471, heeft de gemeenteUtrecht, met ingang van 1 Januari 1954, haar lang verbeideen lang voorbereide gebiedsvergroting gegeven. Daarmede isde ring van de uitlopers en toevoegsels, die in de loop van detijd waren gegroeid, met inachtneming van een zekere spelingvoor verder voortschrijdende uitbreiding, gesloten. Het ad-ministratieve inwonertal van Nederlands meest centraal ge-legen stad is dientengevolge gestegen van rond 200.000 totover de 240.000.De eerste poging van de gemeente om uit de, van 1539 stam-mende, sinds lang keurslijf geworden, begrenzing ^ destijdsmet inbegrip van de zgn. ,,Stads vrijheyd" ^-- te worden ver-lost, dateert van 1911. Het heeft dus meer dan een halvetachtigjarige oorlog moeten duren voordat het pleit werdbeslecht.In wezen heeft de langdurige strijd, die gevoerd is moetenworden, geen ander karakter gedragen dan vroegere belang-rijke grenswijzigingen van centrumgemeenten ten koste vanhaar buren heeft gekenmerkt. Evenals daar, waren ook hierde belangen van de van binnen uit uitstulpende en van bui-tenaf aangeplakte stad in botsing gekomen met de aan hunzelfbehoud hangende landelijke randgemeenten. En ook hieris het resultaat geweest, dat uiteindelijk minder is verkregendan aanvankelijk nodig werd geoordeeld.Het heeft weinig zin de bizonderheden uit te pluizen van decontroversen, die zich in het Utrechtse geval hebben voorge-daan. Dit behoeft ons echter niet te beletten om, nu deteerling geworpen is, een terugblik te werpen op de grotelijnen in de gang van zaken, tegen de achtergrond van decvolutie, die de omstandigheden, de denkbeelden en de wet-geving gedurende de inmiddels verstreken bijna halve eeuwhebben doorgemaakt.Wei merkwaardig is het, hoe zeer de urgentie van het pro-bleem, hangende de voorbereiding, steeds is toegenomen. In1911 waren de toestanden voor Utrecht nog lang niet zoklemmend als zij later zijn geworden.Weliswaar naderde de bebouwing van de stad toentertijd degrens der gemeente op verschillende plaatsen. Evenwel moes-ten de grote overschrijdingen nog pas beginnen: t.^v, voor1920 die onder Zuilen (Nieuw~Zuilen); in de dertiger jarenhet stadsdeel op Maartensdijks grondgebied (Tuindorp); enten slotte de vestiging op terreinen behorend tot Jutphaas(Hoograven), Afgezien van deze aanwassen deed zich hetverschijnsel voor, dat Utrecht, in afwachting van de gebieds-uitbreiding, een aantal landgoederen en landerijen in de om-geving aankocht, w.o. zeer belangrijke aan de zuid-oostkant,die voor recreatie- en sportdoeleinden werden bestemd enaangelegd of onderhouden.Het karakter van de vermelde overschrijdingen was verschil-lend.Nieuw-Zuilen begon te ontstaan als gevolg van de vestigingvan een paar grote industrieen onder Zuilen (kort na 1911).In de eerste tijd werkte de stad, die zelf geen gronden be-schikbaar had voor huisvesting van het aangetrokken perso-neel, mee door woningbouw op de voet van de Woningwet,terwijl Zuilen zich onthield. Er ontstond -- eveneens in hetvooruitzicht van grenswijziging -- een wijk, hoofdzakelijk vanarbeiderswoningen. In de latere jaren nam Zuilen de verdereuitbreiding zelf ter hand. Deze groeide voort tot dicht bij hetoude dorp.In tegenstelling hiermede was Tuindorp een stedelijke neder-zetting van middenstandshuizen die -- geenszins naar de zinvan Utrecht -- geheel van Maartensdijk uit werd gedirigeerd,op aanzienlijke afstand van de kern dier landelijke gemeente.Evenzo is de op Hoograven ontstane wijk een woningcomplexonmiddellijk tegen de stad, ver van de bebouwde kom van42 Jutphaas, waartoe dit gebied administratief behoorde.De drie aanwassen zijn in het aan de ,,Randbebouwing" ge-wijde nummer van dit Tijdschrift (Januari 1939) gesigna-leerd als voorbeelden van ,,parasitaire bebouwing". i)De ernstige moeilijkheid waarvoor Utrecht, in steeds stijgendemate, stond, was dat het, behalve naar het noorden (Zuilen-Maartensdijk) en het zuiden (Jutphaas), ook naar het westenen het oosten niet verder kon.Wei behelsde de westkant van oudsher een uitgestrekt, agra-risch, gebied (de Lagewei). Echter is de trek van de bebou-wing daarop nimraer gericht geweest. Voorts dammen het(inmiddels verbrede) Merwedekanaal en het -- in 1911 ooknog niet te voorziene '-- samenstel van doorgaande verkeers-wegen en daarmede samenhangende verkeerspleinen, hier deaanleg van nieuwe stadsdelen geheel af.Het meest dramatisch element is evenwel gevormd door debrede gordel van ,,v e r b o d e n k r i n g e n" rondom devestingwerken, die in het oosten verdere uitleg van de kortna 1911 volkomen volgebouwde wijken aan die zijde van destad uitsloten, terwijl daaraan juist bizondere behoefte werdgevoeld, omdat de dringend nodige toevoeging van royaleraangelegde kwartieren speciaal aan die kant moest wordengezocht.De, als een ondoordringbare aan Utrechts oostzijde hangen-de, wolk van deze verboden kringen is lang het grote struikel-blok geweest. Toen de, na de eerste wereldoorlog, aanvan-kelijk gekoesterde hoop op opheffing van de belemmerendegordel in rook was vervlogen, sloeg Utrecht voor de tot-standkoming van ruimer opgezette delen op de zandgrondenhet oog op de gebieden a c h t e r de verboden kringen (deBilt, Bilthoven, een deel van Zeist, Bunnik). Aangezien eengroot deel van de terreinen aldaar reeds was bebouwd, moestde greep zeer ver gaan, om nog open terreinen te vinden.Hiermede is een zwaar te verteren brok in het eten geworpen,dat weinig in de smaak is gevallen.Ook de Gedeputeerde Staten van Utrecht konden dit nietslikken. Van hun zijde verschenen voor de tweede wereld-oorlog enige malen plannen tot grensverlegging. Enkele daar-van boden een oplossing van het vraagstuk in zijn geheel.Daarin was het oosten echter niet begrepen, of op aanmerke-lijk bescheidener schaal dan Utrecht zich voorstelde. Deandere droegen een p a r t i e e 1 karakter, en bleven inhoofdzaak beperkt tot het meest dringende onderdeel, t.w. deovergang van (Nieuw) Zuilen c.a. naar Utrecht.Van haar kant stuitte afdoening van het probleem -- hetzijpartieel, hetzij in zijn geheel -- zonder vergroting naar hetoosten, bij de gemeente Utrecht telkenmale op overwegendbezwaar, omdat zij daarbij de mogelijkheden van een harmo-nische bevolkingsopbouw te zeer in gevaar zag gebracht. Metvolharding nam zij het standpunt in, dat de bijvoeging vande minder kapitaalkrachtige bevolkingsgroepen in Zuilen c.a.diende te worden gecompenseerd door uitbreidingsmogelijk-heden voor de vestiging van meer gegoeden, welke nu een-maal in het oosten moesten worden gezocht, doch .-- tengevolgevan de verboden kringen en de aanwezige bebouwingen --pas een eind verderop te vinden waren.Deze zienswijze werd in voile overtuiging gedeeld zowel doorde gemeenteraad als door de elkaar opvolgende, destijds nogtot het oordelen over grenswijzigingsplannen geroepen, eneerst in 1946 -- misschien helaas 2) -- afgeschafte ,,com-missies uit de ingezetenen".Met dit al was -- 20 jaar na 1911 -- het jaar 1931 gepas-seerd, dat door zijn belangrijke wetsvernieuwingen te boek1) De stedebouwkundige, economische en sociale oorzaken en gevolgenvan parasitaire randbebouwing, door Ir P. K. van Meurs, in samenwer-king met Ir Th. K. van Lohuizen.^) Art. 131 (oud) gemeentewet. Het geluid van de commissie uit deingezetenen was wel eens anders.dan dat van de Raad, soms ook krach-tiger en frisser. Aan de gedachte, de burgerij nog meer rechtstreeks dandoor haar normale vertegenwoordiging te laten meespreken over een zaak,die het bestaan van haar gemeenschap in zo sterke mate raakt, kan eenkern van gezondheid niet worden ontzegd.staat als mijlpaal in het bestaan en leven van de gemeenten.De procedure voor de grenswijziging en de mogelijkheid tothet treffen van gemeenschappelijke regelingen (samenwer-king) kregen een bredere uitwerking in de Gemeente-w e t. Tevens werd het streekplan in de W o n i n g w e topgenomen. i) Een en ander vond uiteraard zijn weerslag inde verdere ontwikkeling van zaken bij het Utrechtse vraag-stuk. Gebruik makend van het in 1931 toegekende recht, heeftde gemeenteraad van Utrecht aanstonds in 1933 aan de Krooneen verzoek gedaan, tot indiening bij de Staten-Generaal vaneen voorstel overeenkomstig het grote plan van de gemeente.Onmiddellijk gevolg heeft deze stap niet opgeleverd. De Re-gering achtte het tijdstip voor een definitieve beshssing nogniet aangebroken; eerst zou een oplossing in een bepaalderichting zich duidelijker moeten hebben afgetekend, en ge-bleken moeten zijn dat deze met minder tegenstand van debetrokkcn partijen zou kunnen worden verwezenlijkt.Inmiddels waren ook de begrippen omtrent stedebouw enplanologie ^ waarvan men in 1911 nog weinig voorstellinghad -- tot wasdom gekomen.Na de terugwijzing van 1934 trad dan ook het tijdperk invan het sociologisch en het planologisch onderzoek.In opdracht van de -- hiertoe samenwerkende -- belang-hebbende gemeenten, bracht de hoogleraar in de sociale aard-rijkskunde van de Rijks Universiteit te Utrecht, Prof. L. vanVuuren, in 1938 een breedvoerig verslag uit van een onderzijn leiding verrichte studie naar de sociaal-economischestructuur van het Utrechtse gebied.Hiero'p volgde een s^ree/:p/an-onderzoek, dat in 1939 doorhet provinciaai bestuur werd opgedragen aan een commissievan deskundigen, met vertegenwoordigers van de betrokkengemeenten. Deze commissie bracht, na ernstige vertragingdoor de tweede wereldoorlog, in 1948 haar eindverslag uit.Haar slotsom was, dat Utrecht binnen de eigen grenzen be-halve over alle in de randgemeenten ontstane, geheel op destad georienteerde bebouwing, over ruime gelegenheid tot uit-breiding moest kunnen beschikken, alsmede over voldoendeterreinen voor recreatiedoeleinden zoals sport en volkstuinen envoor industrievestiging. Zich richtend naar het bevind vanzaken zoals zij die bij ampele bestudering had aangetroffenen de verwachtingen, welke zij voor de (naaste) toekomstzag openstaan (bevolkingsprognose, sociale structuur in hetstreekverband, agrarische belangen, bebouwing, groenvoor-zienlng, wegverkeer), kwam de commissie tot een beloop vande nieuwe grens, dat, met uitzondering van de westkant(Vleuten), aan alle zijden een ruime gebiedsvergroting voorde stad inhield, m.d.v. dat in oostelijke richting niet verderwerd gegaan dan de uiterste rand van de verboden kringen.De gemeente Utrecht verenigde zich met het advies van destreekplan-studiecommissie. Zij aanvaardde de opvatting vande commissie, dat verdere uitbreiding van de agglomeraties inhet oosten, ten koste van de vrije natuur, moest worden ver-meden, met gevolg dat de gedachte, aldaar bouwterreinen tevinden, diende te worden prijsgegeven. Bovendien was er in-middels een zeker uitzicht ontstaan op bebouwingsmogelijk-heden binnen de verboden kringen. ^)Andererzijds distancieerde de vertegenwoordiger van de rand-gemeenten in de commissie zich van de voorgestelde grenzen,door het hoofdstuk, waarin het nieuwe beloop kort werd sa-mengevat, niet te onderschrijven.Toen het oordeel van de gemeenten werd gevraagd over eendoor Gedeputeerde Staten, in hoofdzaak met inachtnemingvan de conclusies van de streekplan-studiecommissie opgesteld^) De dynamiek van de tijd heeft gewild dat deze regelingen, alle drie,nog voor dat de Utrechtse grenswijziging zijn beslag heeft gekregen, alweer zijn vernieuwd. (Grenswijziging: wet van 13 December 1946, S. G355 (artt. 157466 gem.wet); samenwerking: wet 1 April 1950, S. K 120;streekplan: wet van 28 September 1950, S. K 415.)2) Bij Kon. besluit van 18 October 1951, S. 455, zijn de verboden kringenopgeheven.ontwerp van grenswijziging, verzetten de randgemeenten zich Anikeie.daartegen met klem. Zij lieten zich daarbij leiden door eenaan hen, door Prof. Dr A. M. Donner en Mr Dr C. Ch.A. van Haren, met medewerking van de raadgevend inge-nieur Jhr A. H. Op ten Noort, uitgebracht advies. Naarhun opvatting zou verandering van de gemeentegrenzen nietnodig zijn. De moeilijkheden zouden op de voet van samen-werking kunnen worden opgelost. Voor het overige diendeUtrecht zich een toestand te getroosten, waarbij het zichomkranst zou zien door een aantal gemeenten met overwe-gend stedelijk karakter van 20.000 en meer inwoners; waartegenover de binnenstad nog voldoende objecten zou bieden,en blijven bieden, om de energie van de gemeentelijke groei-kracht ook verder te voeden (m.n. aanpassing en vernieuwing,naarmate stad en omgeving meer aantrekkingskracht uitoefe-nen en welvaart aantrekken).Met deze, en andere, vertogen (o.a. een beroep op de sa-menwerking in de grote Engelse en Belgische agglomeraties)zijn andermaal zware kluiven te verteren gegeven. Het pro-vinciaai bestuur noch de Regering hebben er zich door latenovertuigen, dat de knoop van Utrecht en de randgemeentenanders kon worden ontward dan door het middel van grens-wijziging.De Memorie van Toelichting op het ontwerp van wet totwijziging van de grenzen van de gemeente Utrecht en rand-gemeenten, dat de Regering op 25 April 1951 bij de Staten-Generaal aanhangig maakte, behelsde een brede motivering,waarom het nodig was aan de stad de volledige bestuursbe-voegdheid toe te kennen over het gebied, dat organisch bijhaar behoort of bestemd is in de naaste toekomst te gaanbehoren. Daarbij is de gedachte dat de problemen, welke voor-ziening behoeven, langs de weg van gemeenschappelijke rege-ling kunnen worden opgelost, (andermaal) zowel in stede-bouwkundig als in sociaal-cultureel opzicht, op verschillendegronden afgewezen. Daarvoor vertoont de gemeentelijke zorgeen te grote veelzijdigheid. Een uitputtende regeling doormiddel van intercommunale samenwerking op ruime schaal isin de praktijk niet uitvoerbaar. De ongelijkheid van geaard-heid, belangeninstelling en toerusting bij de onderscheidenparticipanten leidt onvermijdelijk tot verbrokkeling van denoodzakelijke eenheid. De centrale gemeente zou wordenoverbelast met een bontheid van onderling veelal van elkaarafwijkende voorzieningen, ongetwijfeld ten nadele van devereiste regeerkracht. De inmiddels tot stand gekomen wetvan 1 April 1950, S.K 120, is trouwens enkel op incidentele,en niet op integrale, samenwerking afgestemd.Het Voorlopig Verslag van het afdelingsonderzoek in deTweede Kamer ademde weinig gezindheid om de voorstellenvan de Regering te volgen. Utrecht zou, met 250.000 a 300.000inwoners, en de daaruit voortvloeiende urbanisatie en massi-ficatie, een te grote, moeilijk te regcren gemeente worden,en bovendien een waterhoofd op de provincie, met 45% vande bevolking in de hoofdstad. Het in het verleden gevoerdebeleid van de bouw, hoofdzakelijk van eengezinshuizen --(waarop men voor de woningnood na de tweede wereld-oorlog in Nederland prat placht te gaan) ^ werd haar euvelgeduid. Evenzo de aankoop van gronden in de omliggendegemeenten. Voor het overige behoefde de hgging van recrea-tie- en sportterreinen op anderer territoir (zonder lasten, maarmet het voordeel van de vermakelijkheidsbelasting voor dieanderen) geen ernstig bezwaar te betekenen. Met gemeen-schappelijke regelingen zou vrijwel alles kunnen worden be-reikt. Aangedrongen werd op onderzoek naar wijziging inde gemeentelijke bestuursvorm in dien zin, dat hetzij verschilworde ingevoerd tussen grote stads- en andere gemeenten,hetzij de instelling van subgemeenteraden voor bepaalde wij-ken mogelijk worde gemaakt.In haar, met buitengewone kunde geschreven, antwoord ophet Voorlopig Verslag en in het daarop gevolgd verder over- 43AitiktlcMleg, heeft de Regering het harerzijds voorgedragen plan vangrenswijziging, tegen alle druk, met glocd van overtuigingverdedigd. Tot enkele belangrijke concessies is zij bereidgebleken. In hoofdzaak heeft zij echter haar voorstellen tenslotte -- na een zeer diepgaande behandeling van twee en eenhalf jaar, met een flinke meerderheid in de Tweede, en nage-noeg alle stemmen in de Eerste Kamer, aangenomen gezien.De namen van de Ministers Mr J. H. van Ma a r s e -V e e n, als indiener van het wetsontwerp, en Prof. MrL. J. M. B e e 1, als de verdediger, zijn hiermede onverbre-kelijk aan deze historische grensherziening verbonden.Als voornaamste onderwerpen, die in discussie zijn geweest,en waarover derhalve door de aanneming van de wet min ofmeer principiele beslissingen zijn gevallen, verdienen de on-derstaande punten vermelding.1. De communis opinio is bevestigd dat grenswijziging slechtseen ultimum remedium mag zijn, alsmede dat elk geval opzich zelf moet worden beoordeeld.2. Langs de weg van intercommunale samenwevking en doormiddel van het streekplan -- dat meer negatief dan positiefis en de uitvoering niet beheerst -- kan geen (integralej op-lossing worden verkregen voor een goed in de hand gehoudenbestuur van datgene wat -- zonder ontziening van de admi-nistratieve grenzen -- tot een organisch geheel is gegroeid.3. Een levenskrachtige gemeente kan zich niet de beperkingvan een efncZ-plan voor haar verdere ontwikkeling opleggen.4. Een gemeente die een zekere taak heeft te vervullen, be-hoort op eigen territoir huisvesting te kunnen bieden voor aldatgene waarin zij organisch heeft te voorzien; zo veel moge-lijk met inachtneming van een ,,groene strook" voor haar ver-dere natuurlijke uitbreiding.De vraag naar de bestuurbaarheid van de grote stad is los-gemaakt van het wetsontwerp betreffende Utrecht en rand-gemeenten.De beantwoording daarvan, in het algemeen, isgaan behoren tot de taak van de bij Kon. besluit van 1 No-vember 1952, nr 32, ingestelde Staatscommissie-de Quay, dievan advies heeft te dienen ,,omtrent de meest gewenstebestuursvorm voor de grote gemeenten, mede in verband methet vraagstuk van de samenvoeging van gemeenten". Dedringende behoefte van de gemeente Utrecht om uit haarknellende banden te worden verlost, heeft de Regering ervan weerhouden de afdocning van het Utrechtse vraagstukte laten wachten op de uitkomst van het onderzoek der Staats-commissie. De meerderheid van de Volksvertegenwoordigingis haar hierin gevolgd.Desniettemin heeft de Regering, bij nota van wijzigingen (29Januari 1953), op een van de moeilijkste punten van haarontwerp een (nader) voorstel ingediend, waarbij incidenteelen bij wijze van experiment, een stap wordt gedaan, die reedsenigermate op het werk van de Staatscommissie vooruit-loopt. Dit betreft de toevoeging van de artt. 50-56 aan de^ grenswijzigingswet, strekkend tot de instelling van een Ge-meenschapsraad voor het van Zuilen naar Utrecht over-gaande gebied.Deze raad zal aan het gemeentebestuur van Utrecht, desge-vraagd of eigener beweging, hebben te adviseren ter zake vanaangelegenheden, waarbij de belangen van het bedoelde ge-bied in het bizonder zijn gemoeid. Tevens kan het gemeente-bestuur van Utrecht echter de uitvoering van zijn besluiten,naar te stellen regelen, aan de gemeenschapsraad toevertrou-wen. Een door de gemeenschapsraad aan te wijzen lid uitzijn midden kan de behandeling van onderwerpen, bij welkede belangen van het overgegane gebied in het bizonder be-trokken zijn, met raadgevende stem, bijwonen.Met de instelling van deze -- thans in de wet van 8 October1953 opgenomen -- nieuwe figuur in het gemeentelijk be-stuurswezen, is kennelijk en duidelijk een poging gedaan omaan de bevolkingsgroep in (Nieuw) Zuilen, die door over-gang naar Utrecht haar zelfstandigheid verloor, de gelegen-44 heid te bieden alsnog voor haar bizondere belangen op tekomen. Hoe dit ,,experiment" zal werken ligt in de schootvan de toekomst. Te hopen is het dat de, door de opheffinghunner gemeente teleurgestelde oud-Zuilenaren, en het be-stuur van de vergrote gemeente Utrecht elkaar, mede door deschakel van de gemeenschapsraad, zuilen weten te vinden.Doch ook afgezien van dit locale effect, mag zeer zeker uitalgemeen oogpunt met grote belangstelling worden afge-wacht, tot welke resultaten het optreden van deze gemeen-schapsraad zal leiden.Behalve de opheffing van Zuilen, heeft de vergroting vanUtrecht de verdwijning van nog een paar van de randgemeen-ten en de verkleining van enkele andere tot gevolg gehad,gepaard gaande met enige hergroepering; een en ander deelsin afwachting van in meer of minder gevorderd stadium vanvoorbereiding verkerende verdere plannen tot herziening vande gemeentelijke indeling in de desbetreffende streken.Door de getroffen regelingen is aan Utrecht aan nagenoegalle zijden een ,,groenstrook" verzekerd, die voldoende schijntom de nog te verwachten groei van de stad voor lengte vanjaren op te vangen. Hiermede zijn in niet onbelangrijke mategronden aan de stad toegevoegd uit de agrarische sector.Tegenover de bezorgdheid van sommigen dat het stedelijkbeheer minder waarborg biedt voor de behartiging van debelangen van land- en tuinbouw, kan de vraag worden ge-steld of het agrarisch karakter dan zo veel veiliger is bij lan-delijke gemeenten, die de vrijheid vinden bouwplannen voorstadskwartieren e.d. te begunstigen.Nochtans is het oorspronkelijk voorstel van de Regering nietongeschonden door de, aan breedheid en grondigheid niet tewensen over latende parlementaire behandeling heengekomen.Ter tegemoetkoming aan de geuite bezwaren zijn bij nota vanwijziging enkele hoeken uit het plan gelicht. i), t.w.:1. het dorp-Zuilen met omgeving en aangrenzend polder-gebied, tezamen overgegaan naar Maarssen i.p.v. Utrecht;2. de buurtschap Steinenburg aan de Biltsestraatweg metaansluitende gronden ten N.O. van de Oostbroekse laan,met dien verstande dat Steinenburg c.a. bij de gemeente DeBilt is gevoegd, resp. gebleven;3. de buurtschap Vechten (echter achterhaald door de hiernate noemen wijziging aan de zuid-oost kant);4. de polder-Laa^rayen en de punt van het ,,kanalen-ei7an(i"tussen het Merwedekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal 2),beide zich uitstrekkend aan de zuidzijde van de rijksweg nr12 2) (naar Arnhem), welke delen bij Jutphaas zijn gelaten.Van buitengewone betekenis zijn deze afkappingen niet teachten, behalve dat de ontwikkeling van de bebouwing ende industrievestiging op de zuidelijke punt van het ,,kanalen-eiland", onder de rook van de stad, thans buiten de zeggen-schap blijft van de gemeente, onder welker beheer het overige-- aanzienlijk groter -- deel van het ,,eiland" (met gelijk-soortige bestemmingen) valt.Ingrijpender dan deze vier concessies is het offer, dat deMinister -- met bloedend hart -- tijdens de behandeling inde Tweede Kamer ten slotte bracht, door prijsgeving, aande zuid-oost-zijde, van de landgoederen Rhijnauwen en detwee Amelisweerden (Oud en Nieuw), ten bate van de ge-meente Bunnik. Ondanks het vuur, waarmede de Bewindsmanhet nut bepleitte om de verzorging en instandhouding van dehier gelegen fraaie bos- en natuurcomplexen, in het belangvan de recreatie en de sport, toe te vertrouwen aan de stad-- die een groot deel van de terreinen in eigendom bezit --,heeft hij dit onderdeel van het voorstel moeten laten varen.Het resultaat is dat Utrecht nu niet de mogelijkheid blijft be-1) Op de bij dit artikel afgedrukte kaart zijn de verschillen tussen hetoorspronkelijk voorstel en de wet, zoals zij is aangenomen, zichtbaar. (oadegrens: g e s 1 o t e n lijn; nieuwe grens: s t i p p e 1 lijn; vervallen gedeeltenvan het oorspronkelijk voorstel: gearceerd).2) Ook pas daterend van meer dan 20 a 30 jaar na 1911.WIJN & DERKER'sBOUWBEDRIJF N.V.MassawoningbouwUtiliteitsbouwBetonbouwKANTOOR: GRONINGENDr. C. Hofst. de Grootkade 47 -- Telefoon 25972LoodgietersbedrijfR. KUILMANViolenstraat 11-15GRONINGENTel. 28616Zieken 159-159a's-GRAVENHAGETel. 180593Maakt vrijblijvend offerte voor allsLOODGIETERSWERKENWij exposeren op de Jaarbeurs van 30 Maart t/m 8 April CROESELAAN BERNHARDHAL stand 5103 t/m 5113? NEMARCO)) verzorgt voor U:^ HYPOTHEKEN (tot elk bedrag)* BOUWCREDIETEN^ FINANCIERINGEN* ASSURANTIeN* BOUWBUREAUi^ ADVIEZEN (speciaal voor: bouw-objecten, assurantien en belasting-zaken)Inlichtingen worden geheel vrijblijvend verstrekt.AMSTERDAMSE STRAATWEG 442 B. - UTRECHT.Kantoor:Bulksloterdijk 274Tel. 60762-60883Fabriek:Kanaaldijk 3-19Philipsen AsphaltfabriekAMSTERDAM-N.ALLE SOORTEN DAKBEDEKKINGENSimsonvllt, Asphaltpapier, Asphaltvloeren, Dakleer, Mastiek.Voor Nederland: de EVERLAST naadloze plasticvloer.^^Fater TEOLIN S Y! '"^'^^''"^ kwasilakken en grondmateHalen\ . TC^PI ACT '"""''^^''f op slyreenbasis (absorberend,^ ?Q QB I iCV^rLMO1^ L volkomen afwasbaar), ^^OD QD iODDDD ^?eze producten garanderen U nu: doelmatig schilderwerk en voor de toekomst: hoogst efficiente onderhoudsmogelijkheden.%A#A^FAA MU^tr^X^ %>%^v?. ? /^^bi /?^B^ Brochures worden op aanvraag verstrekt.WAGENAKERS BREDAVeiligheidsglas voor de Bouwnijverheid7 X sterker dan gewoon glas.Vraagt Scherfvrij!monsters ^_^_ ,,HARDGLAS"inlichtingen! Te
Reacties