Juni1954He Jaargang -- No. 6De W^oningbouwverenigingUitgave van de Nationale Woningraad, Algemene Bond van WoningbouwverenigingenVerschijnt maandelijksAdres voor Redactie en Abonncmenfen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam Z., Telefoon 724298Adres voor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128Openingsrede voor de Algemene LedenvergaderingDe voorzitter van de Nationale Woningraad, de Heer A.in 't Veld, opende de algemene ledenvergadering, gehou-den op 25 en 26 Juni 1954, met een uitvoerige rede.Aan zijn eigenlijke rede ging vooraf een woord van wel-kom aan afgevaardigden en gasten, waarbij hij gelegen-heid vond om de aftredende Directeur-Generaal van deWederopbouw en de Volkshuisvesting, Dr Ir Z. IJ. v. d.Meer, dank te brengen voor alles wat deze ook voor deWoningraad heeft gedaan.Wij drukken hieronder de rede van de voorzitter af.Positie Nationale Woningraad.Het is goed om bij de opening van onze vergadering een enkelwoord te wijden aan de positie van onze organisatie. Wijmogen ten aanzien van de toestand van onze Woningraaduiting geven aan een gematigde voldoening. Het ledentalvan onze Raad blijft zich in stijgende lijn bewegen. De ,,klas-sieke" taken van de Woningraad werden in het afgelopenjaar naar de mate van de voorhanden mogelijkheden ver-vuld. Er bestaat een nauw en regelmatig contact met veleleden over de problematiek van het werk. Al is er in ditopzicht vooruitgang; het blijft voor ons een uitgemaakte zaak,dat nog te veel woningbouwcorporaties nalaten dat ook voorhen nuttige en noodzakelijke contact te leggen. De zich steedsuitbreidende taak van de Nationale Woningraad ten behoe-ve van zijn leden kan alleen dan in toereikende mate wordenvervuld, als de Woningraad daartoe in materieel opzicht instaat wordt gesteld. De ontwikkeling na de oorlog heeftertoe geleid, dat de positie van de woningbouwcorporatiesin het middelpunt van de belangstelhng is gekomen. Wijwijzen op hetgeen inzake deze positie bij herhaling in deTweede Kamer te berde is gebracht. Op hetgeen in de ver-slagen van de Centrale Directie over de bouwverenigingenwordt vermeld, op wat zelfs de dagbladpers over deze zaakheeft gepubliceerd. Het weekblad van de Ver. van Neder-landse Gemeenten bracht onlangs uitvoerige beschouwingenvan de hand van Mr Kleyn, burgemeester van Meppel, over,de crisis in de positie van de bouwverenigingen". De Minis-ter is voornemens aan de problemen van de woningbouw-corporaties grote aandacht te schenken. Wij zijn dankbaarvoor die belangstelling. Natuurlijk is dit alles aan het bestuurvan de Woningraad niet voorbijgegaan. Evenzeer vanzelf-sprekend weet dat bestuur wel iets van hetgeen er aan detoestand van de bouwverenigingen al of niet mankeert. Wijnemen deze zaak zeer ernstig. Van het begin van dit jaar afis een door ons ingestelde commissie onder voorzitterschapvan de Heer Bommer bezig zich te beraden op de vraag-stukken, die met de plaats van de bouwverenigingen op hetterrein van de volkshuisvesting te maken hebben. Het rap-port van deze commissie zal binnenkort aan het bestuur vande Woningraad worden uitgebracht. Wij kunnen op dedenkbeelden, suggesties en voorstellen, die het rapport wel-licht zal bevatten, niet vooruitlopen. Wij willen er echter weldit van zeggen: Het bestuur van de Woningraad zal allesin het werk stellen om de adviezen, die de commissie ver-strekt, op te volgen. Het staat nu reeds vast, dat dit zal leidentot uitbreiding en tot gewijzigde systematiek van ons werk.Wij zullen zeker nog gelegenheid vinden om over de bij-zonderheden dienaangaande met U van gedachten te wisse-len. Genoeg zij thans met grote nadruk op te merken, datwij gezamenlijk slechts dan de beraamde maatregelen zullenkunnen nemen als wij beschikken over toereikende finan-ciele middelen. Hier hebt U dan al de motivering voor hetvoorstel tot verhoging van de contributie, dat in deze ver-gadering aan de orde zal komen. In de afgelopen jaren heb-ben wij op bevredigende wijze het evenwicht tussen de in-komsten en de uitgaven kunnen handhaven. De financieleverslagen getuigen daarvan. Men bedenke echter, dat deomvang van onze activiteiten wordt bepaald en beperkt doorde omvang van de beschikbare middelen. De onverbiddelijkenoodzaak tot de uitbouw van onze bcmoeiingen in het belangvan de woningbouwcorporaties vereist aanzienlijke verho-ging van de inkomsten.Het is in dit verband bijzonder verheugend, dat de Ministerde mogelijkheid tot het verkrijgen van ruimer middelen heeftwillen bieden. Wij komen bij de behandeling van het voorsteltot verhoging van de contributie nader op deze zaak terug.Nu kunnen wij volstaan met de opmerking, dat de leden vande Nationale Woningraad het zullen waarderen, dat binnenhet raam van de woningexploitatie ten dele de middelen ge-vonden kunnen worden voor het algemene werk ten diensteder corporaties.Technische voorbereiding woningbouw.De nieuwe activiteit van onze organisatie op het terrein vande technische voorbereiding van de woningbouw ontwikkeltzich voorspoedig. Daar is enerzijds de vaststelling van stan-daarddetails voor onderdelen van de woningbouw. Na an-derhalf jaar studie en arbeid is thans een eerste serie stan-daarddetails voor een flinke oplage ter perse. De uitgave,waarvoor ongetwijfeld grote belangstelling zal bestaan, wordtover enige maanden in de vakpers aangekondigd. Wij prij-zen ons gelukkig, dat wij voor het uiterst verantwoordelijkewerk van onze technische afdeling de hulp en voorlichtingmochten ontvangen van verscheidene deskundigen, daartoeaangezocht door de B.N.A., de Stichting Ratiobouw, de or-ganisatie van timmerfabrikanten, de Centrale Directie enenige van onze eigen provinciale afdelingen. Wij hebbenzeer grote waardering voor de toewijding, waarmede dezedeskundigen aan ons werk in dit opzicht willen deelnemen.Naast de activiteiten op het terrein van de vaststelling vanstandaarddetails vindt ons technisch bureau zijn werk bijde voorbereiding van een aantal concrete woningbouwplan-nen. Tot goed begrip van zaken zij nadrukkelijk gezegd, datdit werk geschiedt in volkomen harmonic met zelfstandig 57werkende architecten, die met name de vormgeving in hoofd-zaak en detail van de woningen geheel bepalen. Tot dusverwerden met de bouwplannen, waarbij wij uit dezen hoofdewaren betrokken, uitstekende resultaten bereikt. Het is nogniet de tijd om in den brede te publiceren over de gunstigeinvloed, die naar onze ervaring standaardisatie, rationalisa-tie van constructie en complete bouwtechnische voorbereidingblijken te hebben. Hetgeen wij tot nu toe als resultaten vandit werk hebben mogen zien, heeft bijgedragen tot onze over-tuiging, dat dit werk op technisch vlak moet worden voort-gezet.Toestand bouwnijverheid.Nu wij met een enkel woord melding maakten van onze in-spanningen ten behoeve van een kwalitatieve verbeteringvan de volkswoningbouw en tegelijk daarmede van een re-gulering der bouwkosten, mogen wij niet nalaten stil te staanbij de in bepaalde opzichten wel zeer ongelukkige situatievan de woningbouw in het algemeen. Wij geloven te mogenvaststellen, dat er naar aller mening meer werk op de Ne-derlandse bouwmarkt is gebracht dan de materiele mogelijk-heden toelaten. Dit leidt tot allerlei schadelijke spanningen.Het is vaak niet mogelijk een redelijk tempo in de uitvoeringvan de woningbouw te handhaven, hetgeen de productieschaadt. Organisatie van de werkzaamheden op basis vangezonde bedrijfs-economische inzichten is in veel gevallenuitgesloten. In verscheidene delen van ons land is er reedseen duidelijk tekort aan geschoolde bouwvakarbeiders. Dein de afgelopen jaren opgetreden weifelingen ten aanzienvan de opleiding van arbeiders wreken zich nu. Het euvelvan de zwarte lonen tiert weliger dan ooit. Die zwarte lonenvormen voor ieder der daarbij betrokken partijen een treistverschijnsel. De overheid ziet haar maatregelen voor de loon-beheersing doorkruist. De aannemers zijn gebonden aan voor-schriften, die in de practijk niet kunnen worden toegepast.De arbeiders incasseren het loon, waarvoor zij hun prestatieshebben geleverd en moeten daarbij ergens het gevoel hebben,dat het voor een deel tegen de regel in is afgedwongen. Eris sprake van export van arbeiders, die over de grenzenhun arbeid leveren, zo goed als trouwens ook aannemers-bedrijven activiteiten in het buitenland ontwikkelen. Wij ho-pen, dat deze verschijnselen niet zullen leidcn tot vcrbods-bepalingen, die alleen maar tegennatuurlijk kunnen zijn. Wijvertrouwen, dat het voor de Nederlandse bouwbedrijvigheidschadelijke verschijnsel zal leiden tot doeltreffende maatre-gelen, die het klimaat in de bouwnijverheid en voor de aan-nemers en voor de arbeiders gunstiger zullen maken dan hetnu blijkbaar is. In dit verband zij nog gewezen op de om-standigheden, verbonden aan het heen en weer trekken vanarbeiders tussen verschillende gemeenten. Amsterdamsebouwvakarbeiders werken elders; vaklieden van elders wer-ken in de Amsterdamse woningbouw. Dit is, naar de grotelijn gezien, niet verantwoord. Hier speelt wellicht mede eenrol de al te theoretisch vastgestelde en daardoor oneven-wichtige verdeling van het bouwvolumen. Er zijn tekortenaan bepaalde bouwmaterialen. Alle ernstig bedoelde pogin-gen tot verhoging van de productiviteit, alle weloverwogenplannen tot verbetering van de technische voorbereiding enuitvoering zullen in economisch opzicht geen of slechts ge-ring resultaat opleveren zolang de spanningen op de bouw-markt voortduren.Volkswoningbouw in de vevdrukking.Voor ons is belangrijk, dat de moeilijkheden in de bouw-nijverheid zich vooral wreken op de volkswoningbouw.Bouwwerken, die tot stand komen in opdracht van particu-lieren, bouwwerken voor handel en Industrie, gebouwen voor58 de overheid mogen desnoods wat duurder kosten als debouwkosten stijgen; de volkswoningen moeten nog altijd tegeneen in het verleden vastgestelde maximum-prijs worden ge-bouwd. De natuur is echter sterker dan de leer. De span-ningen op de bouwmarkt leiden onherroepelijk tot prijsstij-ging. Die prijsstijging kan in de volkswoningbouw niet wordengehonoreerd. Derhalve moet vaak genoegen worden genomenmet bijzonder sobere bouw en uitvoering. En dat terwijlde ongemotiveerde verschillen in de huurprijzen voor devolkswoningen in aantal en omvang toenemen.Nationaal verlies.Afgezien van de moeilijkheden voor de volkswoningbouwmoet men stellen, dat de ontwikkelingen in de bouwnijver-heid leiden tot een belangrijk nationaal verlies. Enkele voor-beelden kunnen dit duidelijk maken. Onder normale om-standigheden bedraagt de bouwtijd van een woning 10 maan-den. Wij moeten vrezen ,dat dit gemiddelde intussen is opge-lopen tot 14 maanden (in enkele grotere steden met belang-rijke woning-activiteit zelfs nog langer). Deze verlengingvan de bouwduur levert alleen aan renteverlies op de jaar-productie aan woningen een schadepost op van f 5 millioen.Wij hebben goede reden om de stijging van de bouwkostenals gevolg van de abnormale omstandigheden te schatten op8%. Aangenomen, dat dit niet leidt tot een verlaging vankwaliteit in de volkswoningbouw, levert deze prijsstijgingop een jaarproductie van 65.000 woningen een verlies opvan ruim / 59 millioen!Het wil ons voorkomen, dat ingrijpende maatregelen totverbetering van deze situatie niet mogen uitblijven. In hetverleden hebben wij z.g. bouwstoppen gekend. Zoals vanalle maatregelen, genomen om achteraf gebleken onvolko-menheden te herstellen, moet men ook van de bouwstopgetuigen, dat het een impopulaire en in bepaalde opzichtenschadelijke maatregel is. Niettemin geloven wij, dat de Mi-nister niet zal kunnen en mogen nalaten om voor de eerst-komende periode het op de markt brengen van werken teremmen. Intussen heeft het Departement het verlenen vande Rijksgoedkeuring voor werken van meer dan 100.000gulden weer in eigen hand genomen. Wij moeten vrezen,dat deze maatregel slechts weinig effect zal sorteren en dannog pas op de lange duur. Op een totale bouwproductie vanbijna 1400 millioen gulden in 1953 komt slechts ongeveer 350millioen voor deze mogelijkheid van regulering in aanmer-king en dan nog alleen voor zover laatstgenoemd bedrag issamengesteld uit posten van meer dan 100.000 gulden. Na-tuurlijk gaat het ons aan het hart, maar een spoedige sane-ring van de ongezonde toestand kan naar onze mening alleendan worden bereikt, indien de Minister bereid is om hetaantal gunningen voor de eerstkomende tijd met oordeel tebeperken. Voor een zodanige maatregel is niet hij verant-woordelijk, die er nu om vragen moet!Huurprijzen.Hiervoor zeiden wij iets over de ontwikkeling van de huur-prijzen. Wij moeten nog een korte opmerking daaraan toe-voegen. In de afgelopen jaren heeft de Regering naar onzemening niet gevoerd een huurbeleid, afgestemd op de be-langen van de volkshuisvesting, maar een bijdragenbeleid,dat bepaald wordt door de vraag in welke mate het Rijk devolkswoningbouw kan en wil subsidieren. Dit is de verkla-ring voor de onevenredige grote verschillen in huurprijzenvoor soortgelijke woningen in onderscheidene gemeenten;voor de ongemotiveerde verschillen in de huurprijzen vanna-oorlogse woningwetwoningen in een en dezelfde gemeenteen voor de in sociaal opzicht niet te verantwoorden toestand,dat voor vele duizenden bewoners van woningwetwoningenhet verband tussen de door de overheid gevoerde loonpoli-tiek en het bedrag, dat zij voor hun woning moeten betalen.geheel verloren is geraakt. Ik wijd hierover verder niet uit,omdat het hurenvraagstuk op onze vergadering nog naderaan de orde komt. Daarbij zal tevens gelegenheid bestaanom te spreken over de verhoging van de exploitatie-normenvoor de woningwetwoningen en over de regeling, die deMinister heeft willen treffen ten behoeve van de versterkingvan de landelijke organisaties.De eigen woning.Op de algemene ledenvergadering van vorig jaar heeft hetbestuur van de Woningraad het probleem van de eigenwoning aan de orde gesteld. Sedertdien heeft de Ministereen Werkgroep in het leven geroepen, die hem zal moetenadviseren over maatregelen, die de vorming van het eigen-woningbezit zouden kunnen bevorderen. De Werkgroep ismet haar arbeid nog niet gereed; de Minister heeft dus ooknog niet de beschikking over adviezen, waarmede hij voordit deel van zijn beleid rekening kan houden. Er zou dusreden zijn om te wachten, totdat nadere plannen en denk-beelden bekend zijn geworden, ware het niet, dat organen,die zich met de volkshuisvesting bezighouden, rcgelmatig dezaak van de eigen woning aan de orde stelen. Wij staanniet afwijzend tegenover de eigen woning. Integendeel, wijzijn van mening, dat de eigen woning haar belangrijke plaatsheeft in het gehele bestel van de volkshuisvesting. Niette-min geloven wij, dat er plaats is voor enig terughoudend-heid. Hier en daar heeft men de neiging de in de laatstejaren aan de dag getreden voorkeur voor de eigen woningte zien als een blijvend verschijnsel. Daarbij verliest menechter uit het oog, dat verscheidene woningzoekenden deaan de eigen woning verbonden lasten en risico's alleen opzich nemen, omdat de nood hen daartoe brengt. In veel ge-vallen is het onder de huidige omstandigheden immers alleende eigen woning, die een directe of spoedige oplossing van dehuisvcstingsmoeilijkheden kan bieden. Daarvoor neemt menhet risico dikwijls contre coeur. Zou men ten aanzien van dehuisvcstingsmoeilijkheden een volkomen vrije keuze hebbentussen eigen woning en huurwoning -- hetgeen als de nor-male en meest wenselijke toestand moet worden gekenschetst-- dan zou de voorkeur voor de eigen woning in mindersterke mate aan de dag treden dan thans het geval is. Daaromschuilt er een gevaar in het verschijnsel, waarbij men devraag naar een woning verwart met het verlangen naar heteigen huis. Uiteraard is het van belang, zelfs bij voldoendeaanbod van woonruimte, het verkrijgen van een eigen woningte stimuleren als een van de mogelijkheden tot bezitsvorming.Doordat de eigen woning ook de eigen verantwoordelijkheidversterkt vormt zij ook een belangrijk ethisch vraagstuk inonze tijd. Men moet de voorwaarden voor het verkrijgen vaneen eigen huis aantrekkelijk maken, beter dan zij nu zijn.Wij moeten echter waarschuwen tegen het scheeftrekkenvan de verhouding tussen eigen woning en huurwoning. Wilmen het eigen woningbezit bevorderen, dan zal men daarbijdienen te bedenken, dat dit bezit alleen dan een gelukkigbezit kan zijn, indien de eigenaar geacht kan worden in staatte zijn gedurende een lange reeks van jaren voor die eigenwoning offers te brengen. Het gaat daarbij niet slechts omde vraag of die eigenaar over de middelen zal kunnen be-schikken, maar ook om de vraag of hij bereid zal zijn enblijven om die middelen voor dat doel te gebruiken. Zoudendeze vragen ontkennend beantwoord moeten worden, danis het eigen huis eerder een blok aan het been dan een bezitwaarin men zich verheugt. Daarbij komt nog, dat men eronder de tegenwoordige omstandigheden wel rekening meemoet houden, dat een aanvankelijk gering offer ten behoevevan de eigen woning het recht verschaft op onmiddellijkevoorziening in de behoefte aan woonruimte, waartegenoverde nood van hen, die aangewezen zijn op een huurwoning,schril afsteekt. Met name de arbeidersbevolking in de grotesteden zal zich in haar belangen geschaad kunnen gevoelenals een enigermate belangrijk deel van de woningproductiein de sector van de eigen woningen tot stand komt. De voor-standers van bezitsspreiding, waartoe wij ons rekenen, zienin de eigen woning een uitstekend middel tot het bereikenvan hun doel. Het is echter niet het enige middel en het magderhalve niet als zodanig worden gezien.De ervaringen met name in het buitenland -- wij denkenaan Belgie -- hebben geleerd, dat het verschijnsel van dekrotwoning zich daar voornamelijk voordoet in de sectorvan het eigen-woningbezit.Om na deze enigermate critische beschouwingen het even-wicht wat te herstellen, mogen wij er nog op wijzen, dat bijhet tot stand brengen van het eigen woningbezit de woning-bouwverenigingen in de toekomst ongetwijfeld een aantrek-kelijke rol kunnen spelen. Niet in de laatste plaats aantrek-kelijk, omdat haar activiteit op dit terrein aan de ,,kleineman" de mogelijkheid zal bieden om op aanvaardbare voor-waarden een beschermde eigen woning te verkrijgen. Hetbestuur van de Nationale Woningraad zal de ontwikkelingop dit terrein met grote aandacht volgen.Gebrek aan besluitvaardigheid.Wij zouden naar onze mening in onze taak tekortschietenals wij niet met een enkel woord zouden terugkomen opmaatregelen, die van de zijde van de Minister voor de ex-ploitatie van de woningwetwoningen zijn genomen, respec-tievelijk worden verwacht. Daar is het bericht inzake deverhoging van de exploitatie-normen. Dat bericht heeft heellang op zich laten wachten. Daar is de inlossing van detoezegging van de Minister inzake het redresseren van bij-zonder hoge huurprijzen, ontstaan als gevolg van hoge rente-stand en hoge risico-rekeningen. De toezegging werd gedaanin October 1953; de inlossing volgde enkele weken geleden.Ons voorlopig oordeel over deze inlossing van de belofteluidt, dat zij bijzonder mager aandoet. Verwacht mocht wor-den, dat het ging om verlaging van de huurprijzen waarzulks kennelijk redelijk zou zijn. Het blijkt nu echter, dat ineen aantal gevallen van huurvcrhoging sprake zal zijn (metterugwerkende kracht nog wel), terwijl mogelijke huurver-lagingen eerst nog moeten worden voorgedragen en er t.a.v.die verlagingen over terugwerkende kracht niet wordt ge-rept. Daar is de naar omvang niet z6 belangrijke, maar voorde betrokkenen toch wel gewichtige kwestie van de huur-derving in de rampgebieden. Ten behoeve van onze ledendaar hebben wij vroegtijdig gevraagd of de geevacueerdebewoners van woningwetwoningen over de duur hunner af-wezigheid al of niet huur dienden te betalen. Er is veel cor-respondentie over gevoerd, en met het Ministerie van We-deropbouw en met het Ministerie van Maatschappelijk Werk.Tot op dit ogenblik weet nog niemand hoe deze zaak ge-regeld dient te worden, hoewel de kwestie in de sector vande particuliere woningen reeds lang bij de Wet in orde isgemaakt. Daar is de kwestie van het rentetype, dat in deexploitatie van woningwetwoningen moet worden berekend. ?De vigerende bijdragenregeling is gebaseerd op een rente-voet van 33/2%- Toen de rente opliep tot 4% heeft de Rege-ring de schade in de huur verhaald. Nu iedere gemeenteweer gemakkelijk tegen 33^% kan lenen, handhaaft de Mi-nister de eis, dat de woningexploitatie tegen 4% wordt op-gezet. Het bestuur van de Woningraad heeft op 7 December1953 de Minister schriftelijk gevraagd goed te vinden, datde werkelijk te betalen rente zou worden berekend. Enkeleweken geleden ontvingen wij als antwoord de mededeling,dat op de consequenties van deze maatregel nog wordt ge-studeerd. Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken, datvan de zijde van de Rijksoverheid deze zaken niet de zorgontvangen, die zij om de grote belangen, die ermede gemoeidzijn, ongetwijfeld verdienen. Wij spreken het vertrouwenuit, dat de besluitvaardigheid van het Ministerie t.a.v. hetuitvaardigen van maatregelen, die geld kosten, even groot zal 59zijn als t.a.v. het nemen van maatregelen, die de uitgaven vande overheid kunnen beperken.Huisvesting van bejaarden.Wij dienen er nog op te wijzen, dat zich een verheugendeactiviteit ontwikkelt op het terrein van huisvesting en ver-zorging van bejaarden. Zowel de Rijks- als de gemeentelijkeoverheid verleent aan deze activiteit de nodige steun. Ver-scheidene van onze leden zijn bij deze activiteit op geluk-kige wijze betrokken. De Woningraad onderhoudt contactenmet enkele landelijke corporaties, die zich op dit terrein be-wegen. Op het bureau van onze organisatie worden met namewerkzaamheden verricht voor de Nederlandse Centrale voorHuisvesting van Bejaarden, welke Centrale plannen in ver-schillende gemeenten in uitvoering en voorbereiding heeft.Wij zijn van mening, dat binnen het raam van de gehelevolkshuisvesting het creeren van bijzondere mogelijkhedenvoor de bejaarde leden van onze bevolking bijzondere zorgen aandacht verdient.Jaarverslag 1953 van de Centrale Directie van deWederopbouw en de VolkshuisvestingEen schai van gegevensIk heb er prijs op gesteld in dit openingswoord enkele ont-wikkelingen ter sprake te brengen, die mij voor ons werkvan belang lijken te zijn. De voorzitter dient de vergaderingnu niet langer af te houden van de behandeling der zaken,die de beschrijvingsbrief vermeld. Ik spreek de hoop uit, datwij ook nu weer een goede vergadering mogen hebben, dievan belang zal zijn voor de ontwikkeling van onze NationaleWoningraad en daardoor voor ons werk op het terrein vande volkshuisvesting. Hiermede verklaar ik de eerste zittingvan onze vergadering voor geopend.^^acciture^GEMEENTE 's-GRAVENHAGE.Bij de Stichting ,,Centraal Woningbeheer" bestaat gelegen-heid tot plaatsing van eenWONINGINSPECTKICE A.Salarisgrenzen / 3570,-- tot / 4680,-- per jaar.Vereist worden het bezit van een diploma van een Schoolvoor Maatschappelijk Werk, alsmede practische ervaring, bijvoorkeur in met bovenstaande functie overeenkomendewerkzaamheden. Leeftijd niet ouder dan 35 jaar.Uitvoerige, eigenhandig geschreven sollicitaties met vermel-ding van volledige voornamen, geboortedatum en -plaats,binnen 14 dagen onder nr 865 te richten tot de Directeurvan het Gemeentelijk Bureau voor Personeelsvoorziening,Kerkplein 3 te 's-Gravenhage.60OVRALIN no. 1BINDMIDDEL VOOR VERFPASTA'So.a. in LOODWIT -- ZINKWIT enz.Zowel voor de moderne als de periodiekemethode.Vraagt advies bij:GELDERSE VERFCENTRALE --Telefoon 5502.APELDOORNHet vraagstuk van de voorziening in het woningtekort, ofruimer gezien de geregelde voortgang van de woningbouw,die op de duur een voldoende woningvoorziening, waaronderbegrepen een regelmatige vernieuwing van de woningvoor-raad, zal moeten waarborgen, tekent zich voor de toekomsttamelijk duidelijk af en vertoont weinig mogelijkheden voorbijzondere ontwikkelingen.Deze verwachtingen ten aanzien van de toekomst wordenuitgesproken in het onlangs verschenen Jaarverslag van deCentrale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuis-vesting.Dit Jaarverslag vormt een flink boekwerk van enige hon-derden pagina's en bevat een schat van interessante en waar-devolle gegevens over de woningbouw in ons land. In deinleidende beschouwing tot het verslag, waaraan wij al hetvolgende ontlenen, wordt het jaar 1953 gekenmerkt als eenjaar van gestadige afwikkeling van het bouwprogramma. Degunstige verwachtingen, die aan het begin van dit jaar tenaanzien van de woningbouw werden gekoesterd, zijn in ver-vulling gegaan.Met een productic van 59.597 woningen overirof 1953 allevoorgaande jaren. Uit dit cijfer blijkt, dat de overstromings-ramp niet van invloed is geweest op het woningbouwpro-gramma.Het woningtekortAandacht schenkend aan de pogingen om tot een juiste be-paling van het woningtekort te komen, stelt het verslag, dathet woningtekort geen exact gegeven is, dat met een tame-lijk grote nauwkeurigheid in een enkel cijfer kan wordenuitgedrukt. Het is in werkelijkheid een begrip, dat slechts kanworden benaderd aan de hand van een aantal veronderstel-lingen. Aan de hand van de meest aannemelijke veronderstel-hngen is het tekort op 1 Januari 1953 gesteld op 225.000. Dittekortcijfer moet gezien worden als de benadering van eenbegrip, waarover nog onvoldoende kennis bestaat. Terwijlde toeneming van de woningbehoefte tengevolge van de be-volkingsgroei in de na-oorlogse jaren zeer hoog is geweesten in 1952 nog 40.000 woningen bedroeg, is er thans gegrondereden voor de veronderstelling, dat deze toeneming in deeerstvolgende jaren niet meer dan 35.000 woningen zal be-dragen. Door emigratie naar het buitenland kan dit cijfer nogworden verminderd. De uitwerking van de vermeerderendefactoren, te weten het zeer hoge huwelijkscijfer van de na-oorlogse periode en de repatriering uit Indonesie, is langza-merhand tot stilstand gekomen; aangenomen mag dus wordendat de jaarlijkse woningbehoefte niet meer boven 35.000woningen zal uitgaan. Bij een aanbouw van 60.000 of zomogclijk 65.000 woningen per jaar betekent dit, dat met ten-minste 25.000 woningen per jaar op het tekort kan wordeningelopen. Krotopruiming op bescheiden schaal zal daarbijmogelijk zijn.Woningtekorf wordt tveggewerktKrotopruimingHet vraagstuk van de krotopruiming en sanering, zal de voileaandacht voor zich opeisen, als het woningtekort zal zijningehaald. Dit vraagstuk zal wellicht van grotere omvangzijn dan het thans heersende woningtekort. Er is op het ogen-blik een ontstellende achterstand in de vervanging van oudewoningen en de opruiming van krotten. Voor de oorlog bleefhet aantal opgeruimde krotten ver achter bij de achteruitgangvan de kwaliteit van de woningvoorraad en sinds 1940 is hetgehele vraagstuk van de krotopruiming noodgedwongen ter-zijde geschoven.Algemeen leeft thans de gedachte, dat naar mate het woning-tekort zal worden ingehaald, geleidelijk zal worden overge-schakeld op een omvangrijke krotopruiming. In verband metde continuiteit in het bouwbedrijf, dat gedurende een reeksvan jaren ingesteld zal zijn op een productie van 65.000 wo-ningen per jaar, zou een plotselinge terugval op de aanbouwvan 45.000 woningen per jaar ongewenst zijn en ligt het voorde hand een krotopruimingsprogramma van 20.000 woningenper jaar voor te bereiden.Het voor de jaren 1954 t/m 1956 geldende cijfer van 4000vervangingswoningen per jaar zal daarom geleidelijk moetenworden opgevoerd.In het jaarverslag wordt de toenemende publiciteit, die aanhet vraagstuk van de krotopruiming wordt gegeven, toege-juicht. De verbetering en de opruiming der krotten zal vanhet Nederlandse volk belangrijke offers vereisen en om daar-toe te kunnen geraken, is begrip nodig van de noden derbewoners van die krotten en een inzicht in de mogelijkheden,welke tot een oplossing van dit vraagstuk zullen kunnenleiden.De oplossing van het krottenvraagstuk vereist een complexvan maatregelen van grote betekenis.Gewezen wordt op de bantering van de Onteigeningswet, denodige financieringen, de stedebouwkundige oplossingen ende bevoegdheden van de gemeentebesturen.De Commissie Krotopruiming en Sanering, die in 1953 werdingesteld, heeft nog gedurende dat jaar twee interimrappor-ten aan de Minister uitgebracht. Deze rapporten hadden be-trekking op de bijzondere steun aan ex-krotbewoners.Zoals bekend heeft de Minister van Wederopbouw en Volks-huisvesting inmiddels enige regelingen in het leven geroepen,op grond waarvan extra financiele steun kan worden ver-leend voor woningen, ter vervanging van krotwoningen.Een exacte opgave van het aantal krotten in Nederland isom verschillende redenen nog niet te geven. Om te beginnenheerst nog verschil van mening over de vraag wat onder ^,,krot" moet worden verstaan, terwijl de kwalitatieve gege-vens van de woningvoorraad onvoldoende zijn om, uitgaan-de van een bepaalde definitie, het aantal krotten te bepalen.Zo is bekend, dat een woning, die in een bepaalde streekals krot wordt aangemerkt, in een andere streek nog als eenredelijke woning zal worden beschouwd. Ongewenste wo-ningtoestanden zijn overigens niet altijd het uitsluitend ge-volg van de slechte toestand van de woning, maar in velegevallen mede ook een gevolg van overbezetting.De vraag of een woningtelling voldoende kwalitatieve gege-vens zou verschaffen voor de aanpak van een verantwoordekrotopruiming en sanering, wordt in het verslag in het alge-meen ontkennend beantwoord. Ook van een uitgebreide tel-ling, waarbij de bouwtechnische kant in de beschouwing be-trokken wordt, verwacht men niet voldoende kwalitatievegegevens. In verband met de noodzaak om bepaalde woning-kwalitatieve normen aan te leggen, acht men een benaderingvan het aantal krotten eerst mogelijk, wanneer door de ge-meenten terzake een nauwkeurig onderzoek wordt ingesteld.In diverse gemeenten en provincien geschiedt reeds een on-derzoek naar de slechte woningen, in vele gevallen zoal nietonder leiding, dan toch dikwijls met voile medewerking vande Directies voor de Wederopbouw en de Volkshuisvestingin de provincien.In dit verband vermeldt het verslag, dat in de drie noorde-lijke provincien voledig overleg tussen de Directies in dezegewesten een gelijkvormig stelsel van beoordeling is opge-steld, waarbij de slechte woningen worden ingedeeld in drieklassen. De eerste klasse omvat de woningen, die terstondonbewoonbaar vcrklaard zullen moeten worden. In de t-weedeen derde klasse worden de woningen ingedeeld, die respectie-velijk binnen drie jaar en binnen zes jaar onbewoonbaarverklaard zullen moeten worden.Krotopruiming op bescheiden schaal 61BouwcapaciteitGeleidelijke vermindering van het woningtekort dus en ge-leidelijke uitbreiding van de krotopruiming, alles door eengeregeldc aanbouw van 65.000 woningen per jaar.In dit verband is het van belang of het mogelijk zal zijn dejaarlijkse woningproductie op een peil van 65.000 woningente handhaven en daarbij spanningen tengevolge van over-belasting van de bouwmarkt te vermijden. Volgens het ver-slag is dit laatste niet gemakkelijk, omdat de Overheid ookbij een zo nauwkeurig mogelijk overwogen bouwprogrammaniet altijd bij machte is ontwrichting van de bouwsector tegente gaan.Het driejarig bouwprogramma en de contingentering van dewoningbouw hebben als vanzelfsprekend tot doel, enerzijdseen zo volledig mogehjk gebruik van de beschikbare bouw-capaciteit te bevorderen, anderzijds overbelasting van debouwmarkt, zowel naar plaats als naar tijd te voorkomen.Om deze reden is ook in 1953 getracht door een nauwgezetteregeling van het aantal maandelijks af te geven financieringen,een gelijkmatige bezetting van het bouwapparaat zowel re-gionaal als gedurende de loop van het jaar zoveel mogelijkte verzekeren.Dit is niet steeds mogen gelukken. De oorzaak hiervan is,dat de overheid wel de financieringen regelmatig over hetgehele jaar kan spreiden, doch dat zij de opdrachtgevers nietkan beletten het tijdstip van de aanvang van de bouw op hetvoor hen gunstigste ogenbhk te stellen.Getracht is de financieringen tot een vast aantal per maandaf te geven, teneinde een zo regelmatig mogelijke uitvoeringte verkrijgen, doch ook ditmaal heeft de ervaring weer ge-leerd, dat de regelmaat door invloeden van buiten gemak-kelijk wordt verstoord.Het aantal woningen in uitvoering, dat op 1 Januari van hetverslagjaar 51.260 bedroeg, tegen circa 37.000 op 1 Januari1952, hep op tot meer dan 67.000 op 31 Augustus. Dit cijferheeft aanleiding gegeven tot menigerlei critiek, omdat terechtde vrees bestond, dat een zo groot aantal woningen in uit-voering leiden zou tot de zo gevreesde overlading van demarkt en de daaraan verbonden gevolgen van prijsstijging endaling van het tempo van voltooiing.Terugbrengen van dit cijfer was op dat ogenblik niet moge-lijk, omdat eventueel te treffen maatregelen in de vorm vanverlaging van het aantal maandelijks uitgegeven financierin-gen of zelfs tijdelijke stopzetting eerst op lange termijn zou-den gaan werken. Een vermindering was ook zonder bijzon-dere maatregelen wel waarschijnlijk, omdat te verwachten is,dat bij een voorzichtig financieringsbeleid het aantal wonin-gen in uitvoering geleidelijk zal dalen, naarmate meer wo-ningen gereed komen. In September trad reeds een daling in.doch sindsdien hebben stijgingen en dahngen elkander af-gewisseld, totdat aan het einde van het verslagjaar het aantalwoningen in uitvoering op 68.472 was gekomen.Zonder twijfel is het echter toch een juist beleid geweest, datin de tweede helft van het jaar niet tot vermindering of stop-zetting van de maandelijkse toezeggingen is overgegaan. Im-mers zou hiermede niet anders bereikt zijn, dan dat in hetvoorjaar van 1954 een noodlottige terugval in de woning-productie zou zijn teweeggebracht.Bovendien is de woningvoorziening onder de huidige om-standigheden van zo groot belang, dat ten aanzien van debelasting van de bouwmarkt wel enig risico mag worden ge-nomen, terwijl, indien een beperking van het bouwprogram-ma noodzakelijk is, de woningbouw de laatste sector is, waar-op mag worden afgeremd.De ervaring heeft intussen wel geleerd, dat het uitermatemoeilijk is, de bouwnijverheid van overheidswege zodanig teregelen, dat een gelijkmatige bezetting van het apparaat hetgehele jaar door verzekerd is. Naar een zodanige gelijkmatigebezetting kan slechts worden gestreefd. Het hangt van eensamenstel van andere factoren af, in hoeverre dit strevenzal slagen.Intussen heeft het oplopen van het aantal woningen in uit-voering in het algemeen niet tot de gevreesde storingen ge-leid. Wel was het in verschillende gemeenten wel eens moei-lijk, geschoolde vaklieden te verkrijgen, maar de voltooiingvan de woningen is zonder al te grote schokken verlopen,zodat met name gedurende de laatste maanden van het jaareen zeer behoorlijke productie is verkregen.Tekort aan arbeiders en materiaal62Het aanta voltooide woningen was sedert 1945 als volgt:JaarWoningbouw-corporaties Gemeenten Particulieren TotaalMet inbegrip van dedeelwoningen induplexbouw1945 27 37 325 389 3891946 162 207 1 224 1 593 1 5931947 2 210 3 592 3 441 9 243 9 2431948 11 824 17 599 6 968 36 391 37 0371949 14 120 17110 11 561 42 791 44 0401950 12 280 17 508 17512 47 300 52 0291951 16 039 24 310 18317 58 666 63 0581952 14 638 18 728 21 235 54 601 56 5691953 18413 20 810 20 374 59 597 61 627Totaal .... 89 713 119 901 100 957 310 571 325 585In procenten . . 28,9% 38,6% 32,5% 100%Alleen voor 1953 30,9% 34,9% 34,2% 100%Jg^,a\\esvn^Naam en modelintemationaalbeschermd?OCRIETreinigen metVIM*Vraagtvrijblijvendde NIEUWEcatalogusvan hetLAVET aan dePABRIEKEN N.V.BAARNTel. K 2954-5641(4 lijnenj63Voorsprong op programmaSedert de bevrijding zijn in Nederland rond 310.000 woningengebouwd, de duplexwoningen als een woning gerekend.Het bouwprogramma.zoals dit door de vorige Minister op 20December 1949 in de Tweede Kamer is ontwikkeld, ging uitvan een aanbouw van 30.000 woningen in 1948, welk aan-tal per jaar met 5000 zou toenemen, totdat in 1953 en vol-gende jaren een productie van 55.000 woningen zou wordenbereikt.Volgens dit programma zouden in de laatste 6 jaren 255.000woningen gebouwd moeten zijn. In werkelijkheid zijn sedert1 Januari 1948 gebouwd rond 300.000 nieuwe woningen, of,indien men de deelwoningen in duplexbouw mederekent, rond315.000 woningen. Indien derhalve de behoefee aan wonin-gen zou zijn toegenomen overeenkomstig de prognose, waar-op dit bouwprogramma was gebaseerd, dan zou thans eenbelangrijke voorsprong aanwezig zijn op het bouwprogram-ma, zoals dit in 1949 aan de Regering voor ogen stond. Doorde aanzienlijke stijging van de woningbehoefte ten gevolgevan de natuurlijke bevolkingsgroei is deze voorsprong uitein-delijk minder groot. Het stemt echter tot hoop voor de toe-komst, dat het ondanks vele moeilijkheden mogelijk geblekenis, de woningbouw aanmerkelijk op te voeren boven hetgeennog slechts enkele jaren geleden mogelijk werd geacht.De kwantiteit van de tegenwoordige woningbouw geeft dusgeen bijzondere reden tot bezorgdheid, al zal bij de telkenswisselende aspecten voortdurende waakzaamheid gebodenzijn. Het laatste geldt, wellicht in nog sterker mate, van dekwaliteit.64Productie heeft voorsprong op bouwprogrammaWoonpcilZolang het probleem van het evenwicht tussen huur, bij-drage en exploitatiekosten blij?t bestaan -- en dit zal hetgeval zijn tot de dag, waarop de woningbouw, behoudens dievoor enkele bijzondere bevolkingsgroepen, weer selfsuppor-ting zal zijn geworden -- zal van overheidswege druk moe-ten worden uitgeoefend op de stichtingskosten der met Rijks-steun te bouwen woningen. Dit kan betekenen druk op hetwoonpeil; het betekent in ieder geval, dat een gezonde ont-wikkeling van het woonpeil wordt geremd.Deze omstandigheid heeft ertoe geleid, dat het woonpeil lang-zamerhand meer in de publieke belangstelling is gekomen.Met name het feit, dat zich op het ogenblik een uitbreidingvan de woningvoorraad voltrekt, die in een luttel aantal jarenenige honderdduizenden woningen aan deze voorraad zal toe-voegen, doet de vraag gewettigd zijn, of deze woningen wer-kelijk aan de eisen voldoen, die bij de tegenwoordige maat-Rijkssubsidie drukt woonpeilschappelijke en culturele ontwikkeling en de huidige standvan de techniek mogen worden gesteld.Hieraan verbindt zich onmiddellijk nog een tweede vraag, na-melijk of met enige grond mag worden verwacht, dat de thansgebouwde woningen ook over 30 jaar nog zullen voldoen aande eisen van de generatie, die op die van heden zal volgen.Met andere woorden: hebben de woningen, die thans wordengebouwd, voldoende toekomstwaarde?Hierop moet enerzijds worden geantwoord, dat het tegen-woordige woonpeil vergeleken bij dat van een vorige gene-ratie zeker verantwoord mag worden geacht en dat het onderde huidige economische omsltandigheden uitermate moeilijkzou zijn, op korte termijn tot een verhoging van dit peil tekomen. Anderzijds echter, dat de wooneisen in een snelleontwikkeling zijn en dat met name het woonpeil in andereWest Europese landen voor ons een vingerwijzing .moetzijn, dat dagelijks naar verbetering moet worden gestreefden dat de voorsprong, die Nederland op woninggebiedheeft gehad, kwalitatief zeker niet meer aanwezig is.Het onderzoek naar woonstijl en woonwensen, waarvande resultaten voor de gemeenten Rotterdam en 's-Graven-hage in het verslagjaar zijn gepubliceerd, heeft wel uiltge-wezen, dat er ook bij de bewoners van de nieuwe woningennog vele onvervulde wensen bestaan. De vraag naar an-dere verwarmde ruimten buiten het woonvertrek, de vraagnaar meer bergruimte en meer werkgelegenheid zowel voorde huishoudelijke was als voor liefhebberijen van de man,zijn nog maar enkele symptomen van wat bij de tegen-woordige generatie leeft en wat bij de volgende generatiezonder twijfel veel sterker tot uiting zal komen.In ieder geval is gebleken, dat naar een hoger woonpeil krach-tiger dan tot nu toe zal moeten worden gestreefd en dat ge-tracht moet worden, ook in onze volkswoningen althans eengedeelte te verwezenlijken van hetgeen in enkele andere lan-den reeds gemeengoed is geworden.Het huurpeil vormt natuurlijk voor dit streven een ernstigbeletsel. Het percentage van het inkomen, dat in ons landaan huur wordt betaald, is altijd lager geweest dan in de zojuist bedoelde landen. Door het in ons land sedert de bevrij-ding gevoerde huurbeleid is dit verSchil nog groter gewor-den en is het Nederlandse volk eraan gewend geraakt, eente gering bedrag voor zijn woning te betalen.Goed wonen kost een financieel offer. En het is altijd degrondslag van iedere verbetering van de volkshuisvesting ge-weest, dat een volk moet leren, iets voor zijn woning over tehebben.Niet alleen is een herstel van de vooroorlogse verhoudingtussen huur en inkomen noodzakelijk, maar het belang vaneen hoger woonpeil eist uiteindelijk een nog verder gaandeverhoging. Want alleen wanneer het Nederlandse volk leerteen groter offer voor zijn huisvesting te brengen dan hetaltijd gewoon is geweest, zal het mogelijk zijn het wonen1In elk gebouw'- in ieders hiiisgebruike men lak en verf van,,Het Schildershuis"N.W. BINNENSINGEL 30-33 DEN HAAG(n.ibij de Loosduinse brng) Tel. 33.49.18^^HlvoorarchitectuurenstedebouwMAQUETTESW. G. C. HOORN'S MAQUETTE-STUDIOHoogstraat 22 -- EINDHOVEN -- Telefoon 9872in ons land op dat peil te brengen, dat de hedendaagse weten-schap en techniek mogelijk maken en dat zonder twijfel doorde komende generaties zal worden gevraagd.Er zijn natuurlijk woonwcnsenSociologisch onderzoek naar woonstijl en woonwensenHet door de Centrale Directie ondernomen onderzoek naarwoonstijl en woonwensen werd in het jaar 1953 voortgezet.In aansluiting aan de onderzoeken te Rotterdam en 's-Graven-hage was het onderzoek in 1953 in de eerste plaats gericht opde waardering van de etagewoning door de bewoners in ge-meenten, waar dit woningtype nieuw is.In deze gemeenten bestaat de mogelijkheid tot vergelijkingvan het eengezinshuis met de etagewoning door de bewoners.Een overzicht van dit onderzoek en van de resultaten daar-van is als bijlage bij het jaarverslag opgenomen.Het onderzoek heeft betrekking op de waardering van etage-woningen te Arnhem, Breda, Gouda en Zuilen; gemeentendus waar de etagewoning eerst na de oorlog betekenis heeftgekregen.Het ligt in de bedoeling om ook over dit onderzoek een apartepublicatie uit te geven.Een andere bijlage bij dit verslag geeft een interessante be-schouwing over het woonpeil. Wij moeten volstaan met devermelding daarvan; een enigszins verantwoorde weergavevan de inhoud zou te veel plaatsruimte vragen.Evenals in vorige jaren is nu ook weer een overzicht opge-nomen van het aantal slaapkamers in woningwetwoningen,verdeeld naar de provincies en de drie grote steden.Vergelijking van cijfers over het jaar 1952 met die van 1950leert, dat het aantal woningen met een slaapkamer is vermeer-derd van 3% tot 6,6%, het aantal woningen met twee slaap-kamers van 18,2% tot 25,6%. Daartegenover is van 1950op 1952 het aantal woningen met 3 slaapkamers teruggelopenvan 70% tot 58,6%. Ook het percentage woningen met eentweede woonvertrek blijkt aanzienlijk te zijn teruggelopen. In1950 was dit percentage 23,3%, in 1952 10,7%.De gemiddelde oppervlakte van woonkamer plus slaapkamerplus keuken, blijkt van 1950 op 1952 teruggelopen te zijn enwel voor eengezinshuizen van 55,6 m2 tot 54 m2 en voorwoningen in meergezinshuizen van 46,2 m2 tot 43,7 m^. Hetgemiddeld aantal vertrekken liep terug van 5,07 tot 4,81.Op een en ander is uiteraard de toeneming van het percen-tage woningen in meergezinshuizen van invloed geweest.Dit percentage nam van 1950 tot 1952 toe met 17,5%, t.w.van 33,2% tot 50,7%. Het percentage eengezinshuizen hepterug van 66,8% tot 49,3%.De gemeentelijkc woningtekortenIn het jaarverslag wordt verklaard, dat het landelijke tekort-cijfer van ongeveer 225.000 niet meer is dan een benaderingvan een begrip, waaromtrent nog onvoldoende kennis aanwe-zig is. Dit gebrek aan kennis belemmert ook een juiste bereke-ning van de gemeentelijke woningtekorten. Met name het ont-breken van gemeentelijke gegevens betreffende de leeftijdsop-bouw van de bevolking bleek een ernstige handicap voor eenjuiste berekeningsmethode. Thans verstrekken vrijwel allegrotere gemeenten echter gegevens aan het C.B.S. omtrentde wijzigingen in de leeftijdsopbouw der bevolking. Daardoorzal het mogelijk zijn de gemeentelijk woningtekortberekenin-gen, waarvan in vorige jaarverslagen procentuele cijfers voorde gemeenten met meer dan 20.000 inwoners zijn gepubli-ceerd, te herzien. De nieuwe berekeningen zijn evenwel nogniet uitgevoerd, zodat in dit jaarverslag daarover nog nietsis gepubliceerd. Wel bevat het verslag een staatje over hetwoningtekort in procenten van de woningbehoefte op 1 Ja-nuari 1953, voor enkele groepen van gemeenten naar degrootte van het inwonertal. Wij drukken dit staatje, waaruitkan worden geconstateerd, dat de relatieve woningtekortengrcyter zijn naarmate het aantal inwoners der gemeenten toe-neemt, hieronder af.GemeentegroepenWoningtekort percentages1 Januari 1953Gemeente 0-10.000 inw.Gemeente 10-20.000 inw.Gemeente 20-50.000 inw.Gemeente boven 50.000 inw.5,86,87,810,9Nederland (excl. N.O.P.l 8,5Schildersbedrijf,Het ZuidenVOORAL UWSCHILDERWERKtfHillevliet 129 - ROTTERDAM - Telefoon 77286-7622165WoningbouwcorporatiesOok in 1953 is de verenigingsbouw achtergebleven bij degemeentelijke bouw. In dat jaar werden van gemcentewege20.810 woningen gebouwd en door de woningbouwvereni-gingen 18.413. Slechts in de provincies Groningen, Overijssel,Gelderland, Noord-Holland en Limburg, hebben de vereni-gingen in het afgelopen jaar meer woningen gebouwd, dande gemeenten. Het aandeel van de verenigingsbouw is rela-tief het grootst in de grote gemeenten. In gemeenten met meerdan 100.000 inwoners komt de verenigingsbouw tot 62%van het totaal aantal gebouwde woningwetwoningen. Het lan-delijk percentage is 47.De ongunstige verhouding tussen gemeentebouw en vereni-gingsbouw is onderdeel van een vraagstuk met een gecom-pliceerd karakter, waarvan de oplossing niet eenvoudig zaizijn.AIs een der factoren, die de tegenwoordige situatie in voor-name mate bei'nvloed, noemt het verslag het gemis aan be-langstelling voor het werk van woningbouwcorporaties bijbrede lagen der bevolking. Een gevolg daarvan is, dat hetaantal krachten, waarover het instituut woningbouwcorpora-ties in zijn geheel kan beschikken, te gering is in verhoudingtot de omvangrijke taak, waarvoor dit instituut na de oorlogis komen te staan. Deze factor doet zich in de grote gemeentenen de gemeenten, die van ouds een stedelijk karakter dragen,het minst gelden. Van ernstiger betekenis is zij voor de ont-wikkeling der coporaties in gemeenten op het platteland.Uit een ambtelijk rapport blijkt b.v., dat in de plattelandsge-meenten in de provincie Drenthe de woningstichtingen be-wezen hebben niet levensvatbaar te zijn; daardoor leiden zijveelal een kunstmatig leven. De oorzaken daarvan moeten,volgens dit rapport, mede worden gezocht in de zeer versprei-de ligging van de woningen en het ontbreken van geschikteparticuliere krachten, die zich actief met de bouw en het be-heer van woningwetwoningen kunnen bemoeien.Volgens het jaarverslag leidt het gebrek aan deskundige per-sonen, die bereid of in staat zijn voldoende tijd te wijdenaan de belangen der corporatie, er in vele gevallen toe, dateen bepaald gedeelte van de aan de bouw en exploitatie ver-bonden werkzaamheden door of vanwege de plaatselijke over-heid wordt verzorgd. Dit kan in bepaalde omstandighedenals een vruchtbare vorm van samenwerking worden aange-merkt.In vele gevallen echter bestaat het gevaar, dat het aanvan-kelijke karakter van het particuher initiatief, zoals dat in dewoningbouwcorporaties is belichaamd, wordt verdrongen ofgeheel op de achtergrond raakt door toenemende bemoeiingvan de plaatselijke overheid.In dit verband wijst het verslag er op, dat men bij het han-teren van de cijfers omtrent de aantallen gereedgekomen66 Gemccntc houdt corporatie kunsfmatiy in tevcnGemeenfe en corporaties leven in onminwoningen, ter nauwkeurige bepaling van de waardering vande activiteit der woningbouwcorporaties, enige voorzichtig-heid moet betrachten. Het herinnert aan een opmerking vande Minister van Wederopbouw, dat het moeilijk is, zich uitde cijfers een oordeel te vormen over het werkelijk aandeel,dat de woningbouwcorporaties in de bouw op voet van dewoningwet hebben, omdat zij niet alien met dezelfde inten-siteit aan de voorbereiding en uitvoering der bouwplannendeelnemen. Het komt veelvuldig voor, dat de bouw in zeernauwe samenwerking met de gemeenten plaats heeft en datde verenigingen eerst bij de exploitatie der gereedgekomencomplexen in actie komen.Ook bij de exploitatie leunen vele verenigingen tegen de ge-meenten aan.De middelen tot oplossing van het vraagstuk van de positieder woningbouwcorporaties liggen niet alle in de werkings-sfeer van vigerende wettelijke bepalingen, die op het op-treden van de corporaties betrekking hebben. Op de ver-schillende factoren, die hierbij een rol spelen, kan geen di-recte invloed door de rijksoverheid worden uitgeoefend. Alszodanige factoren worden genoemd; de ideeele belangstellingvan de bevolking voor de werkzaamheid der woningbouw-corporaties, de band tussen leden en bestuur, de gesigna-leerde veroudering van het bestuurderscorps der corporaties,c.q. toetreding van jonge leidinggevende krachten, de op-voering van deskundigheid.Dit gedeelte van het verslag wordt na een uitvoerige be-schouwing over de mogelijkheid van vermeerdering van eigenfinanciele middelen der corporaties, die van zeer veel belangwordt geacht, aldus besloten:Gelet op de omstandigheden, waaronder de ontwikkeling derwoningbouwcorporaties zich in de loop van vele jaren heeftvoltrokken, moet het waarschijnlijk worden geacht, dat eenvolledig herstel van het instituut woningbouwcorporaties inal zijn geledingen slechts langs geleidelijke weg tot stand ge-bracht zal kunnen worden. Waar echter geconstateerd magworden dat zowel door de overheid, als door de woning-bouwverenigingen zelve met ernst wordt gestreefd naar ver-betering van de huidige situatie, mag de hoop worden uitge-sproken, dat pogingen om de woningbouwcorporaties haarbelangrijke plaats in de gehele volkshuisvesting te doen her-nemen, zullen slagen.Nieuwe corporaties .In 1953 zijn 15 corporaties ingevolge de Woningwet toege-laten. Acht daarvan zijn verenigingen, die behalve de ge-meente van vestiging ook andere (omliggende) gemeentenin haar arbeidsterrein betrekken. In sommige gevallen is deomstandigheid, dat de corporatie regionaal werkzaam zouzijn, doorslaggevend geweest voor de beslissing op het ver-zoek om toelating. In deze gevallen betrof het corporaties vaneen uitgesproken levensbeschouwelijke richting, waarvan hetoptreden in een gemeente niet mogelijk was, in verband metde grootte van de bevolkingsgroep, waaruit zij is voortgeko-men en waarvoor zij in het bijzonder werkzaam wenst te zijn.De gebleken wens zich naar levensovertuiging te organise-ren, was te realiseren door regionale werkzaamheid, waar-door voldoende mogelijkheid tot ontplooiing werd geschapen.Als een opmerkelijk feit wordt geconstateerd, dat na 1945het zwaartepunt in het initiatief tot oprichting van nieuwecorporaties sterk is verschoven. Zeer vele voor 1940 opge-richte corporaties belichaamden uitsluitend plaatselijke initia-tieven, die zonder invloed van derden tot ontwikkeling kwa-men.Van het grootste aantal na 1945 totstandgekomen verenigin-gen lag het initiatief tot oprichting bij de georganiseerdevakbeweging. Dit betekent, dat de belangstelhng voor devolkshuisvesting in vele kleine gemeenten eerst is ontwaaktdoor stimulering van buitenaf. W. D.Harmonie tussen Gemeente en Woningb.corporafiesVolkshuisvesting en grondgebruikEr valt in de laatste jaren in ons land nogal eens ongerust-heid waar te nemen over de grote oppervlakten grond, diedoor de woningbouw in beslag worden genomen. Vooral inde kringen van de landbouw en de tuinbouw maakt menzich daarover zorgen. Wie de enorme stadsuitbreidingen vande laatste jaren gadeslaat, zal zich daarover niet verwon-deren. Met name in de buurt van de grote steden schijnt devolkshuisvesting wel een grote slokop van gronden te zijn.Men moet evenwel niet de font begaan de omvang van ditverschijnsel daaraan af te meten. Een juiste indruk kan menslechts verkrijgen aan de hand van op verantwoorde wijzeverkregen cijfers. Deze cijfers zijn er thans. Zij zijn het re-sultaat van een studie, verricht door een commissie, bestaan-de uit vertegenwoordigers van het Ministerie van Landbouw,de Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volkshuis-vesting en de Rijksdienst voor het Nationale Plan. Deze com-missie heeft zich intensief bezig gehouden met het probleemvan de overgang van grond naar niet agrarische doeleinden.Haar bevindingen zijn neergelegd in een rapport, dat als uit-gave van de Rijksdienst voor het Nationale Plan is versche-nen i). Wij ontlenen aan dit rapport het volgende:Naar schatting zal in de periode 1950-1965 jaarlijks maximaal3500 hectaren en minimaal 2800 hectaren grond nodig zijnvoor de uitbreiding van de bebouwing, voor de aanleg vanverkeerswegen, voor defensiewerken, enz.Daartoe zal een beroep op de aanwezige cultuurgrond enwoeste gronden moeten worden gedaan. Van het jaarlijkstotaal zal het Westen (exclusief Zeeland) 43% moeten le-veren; het Zuiden plm. 271/^%, de drie Noordelijke provin-cien 9% en het Oosten ongeveer 19%.Het overgrote deel van de behoefte komt voor rekening vanhet ,,wonen". Daaronder wordt verstaan de bebouwing metalle verdere voorzieningen, zoals sportvelden, groenstroken,winkels, kerken, enz. De commissie schat, dat daarvoor jaar-lijks 1700 tot 2200 ha nodig zal zijn.Voor industrieen en defensie raamt de commissie de behoefteop 370 ha en voor verkeer op 750 tot 950 ha per jaar.De raming voor het wonen is gebaseerd op de verwachtingdat in de periode 1950-1965 naar schatting ongeveer 810.000woningen moeten worden gebouwd. Verondersteld wordt, datcirca 60.000 woningen als speciaal contingent voor bijzon-dere ontwikkeling zullen worden toegewezen, zodat van deze60.000 woningen niet bekend is, waar deze zullen wordengebouwd. Van de overige 750.000 woningen zal plm. 45%in de drie westelijke provincien, plm. 25% in Noord Brabanten Limburg en plm. 10% in de noordelijke provincien terechtkomen. Voorts wordt verwacht, dat plm. 65% van de tebouwen woningen in de min of meer stedelijke gemeenten(met meer dan 20.000 inwoners) zullen worden gesticht,waarvan plm. 18% in de steden boven 200.000 inwoners.Op grond van de verkregen cijfers acht de commissie deovergang van grond naar nict-agrarische bestemmingen nietzo verontrustend als dikwijls wordt verondersteld.Rekent men de totale hoeveelheid cultuurgrond (inclusief bos)in 1950 op plm. 2740.000 ha, dan zou het verhes aan cultuur-grond per jaar iets meer dan 0,1% bedragen en in de periodevan 1950 tot 1965 een kleine 2%. In de genoemde periodevan 15 jaar zal van de totale oppervlakte cultuurgrond (in-clusief bos) en woeste grond tezamen ongeveer 1 a 13/2%in beslag worden genomen.Hoewel dit dus nogal meevalt, betekent dat niet, dat er inons land voldoende ruimte zou zijn voor de snel groeiendebevolking. De landbouw en de recreatiegebieden zullen danook slechts ongaarne grond afstaan voor stadsuitbreidinge. d.Het laat zich aanzien, aldus de commissie, dat in de sectorvan de woningbouw nog de meeste besparing aan grond mo-gelijk is. De commissie heeft enkele voorlopige richtlijnenvoor de bebouwingsdichtheid in verschillende soorten ge-meenten opgesteld. In een massale toepassing van hoogbouwziet de commissie weinig winst. Zij verwacht meer van hetsparen van die gronden, die de meeste waarde hebben voorde tegenwoordige gebruiksvorm. Het komt dus niet zo zeeraan op de hoeveelheid grond, hoe belangrijk dit ook kan zijn,maar vooral op de soort grond.In dit verband dringt de commissie dan ook sterk aan opbodemkundig onderzoek bij het ontwerpen van plannen. Zijwijst erop, dat de Minister van Wederopbouw en Volkshuis-vesting in de kosten van bodemkartering tegemoet komt doormiddel van subsidie.Het rapport wordt door de commissie in de vorm van eenontwerp ter discussie aangeboden en wil punt van uitgangvormen voor een vruchtbare gedachtenwisseling over ditbelangrijke vraagstuk. W. D.') ,,Overgang van yrond naar niet-agrarische doeleinden". Publicatienr 7 van de Rijksdienst voor het Nationale Plan. 67L T T grondverft,aU de aefcil van een vrueht"II bl^ft deae verf ,,ademen'"-d. m. s.t TOKION LTT-grondverf loot welvo^htuUhet hout on(te{fIten^, maar fieemt g'een voeht op.1 laag Tokion LTT-Grond-verf kan minstens 1 jaar oflanger blijven overstaanzonder deklaag.TO..'"'"%\ \jlll?ltMllUll|l*il>WW?l }- J50- WADDINXVEEN - HOLLANVOCHT is funest voor allebouwwerken.Tijdige bestrijding met,,SILICON" betekent ver-laging onderhoudskosten.Vraagt vrijblijvend adviesen prijsopgave.Schriftelijke ffarantie voor de houdbaarheid van door onsuitgevoerde herstelwerkzaamheden.Chem. Fabriek JOH. G. SIEMER (sinds 1915)PURMEREND, Tel. K 2990/625 -- AMSTERDAM Tel. 31185N.V. TUINBOUWINR. HARTLIEBAFD. TUINARCHITECTUURMeent 118 ROTTERDAM Telef. 1156651^ Begroteni^ Ontwerpenik Aanleggen"H" ere Onderhoudvan68GEMEENSCHAPPELIJKE-YILLA-FABRIEKS- E.A.lUINENPersberichten Ministerie van Wederopbouw enVolkshuisvestingPersbericht nr 21, dd. 26 Mei 1954TELLING WONINGEN VOOR ALLEENSTAANDENDe Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting heeftbepaald, dat woningen voor alleenstaanden niet voor eengehele woning ten laste van het gemeentelijk woningcontin-gent zullen komen.Bij de telling van het woningcofltingent zal nl. voor iederetwee bedden, waaraan de woningen voor alleenstaandenplaats bieden, een woning van het contingent worden afge-schreven.PREMIfiN EN BIJDRAGEN VOOR BEJAARDEN-TEHUIZEN EN -WONINGENPersbericht nr 32, 16 Juni 1954De bouw van bejaardentehuizen werd tot dusverre door hetRijk alleen financieel gesteund ingevolge de Woningwet. Ditwil zeggen, dat alleen voor bejaardenitehuizen, gebouwd doorgemeenten en woningbouwcorporaties Rijksbijdragen werdenverleend. Thans zullen ook particulieren voor de bouw vanbejaardentehuizen geldelijke steun van het Rijk kunnen krij-gen. Door wijziging van het Premie- en bijdragebesluit wo-ningbouw zullen namelijk -- evenals dat voor woningenreeds het geval was -- voor bejaardentehuizen zgn. premienvan Rijkswege kunnen worden toegekend (Koninklijk Besl.d.d. 5 Juni 1954, Stbl. 1954, 242).Ingevolge een beschikking van de Minister van Wederop-bouw en Volkshuisvesting, die dezer dagen in de NederlandseStaatscourant zal worden gepubliceerd, zal de premie wordenverleend voor bejaardentehuizen, waarvan de inhoud nietgroter is dan 125 m3 per te huisvesten bewoner en die overi-gens voldoen aan het bepaalde voor bejaardentehuizen in de,,Voorschriften en wenken voor het ontwerpen van woningen(1951)". De premie zal, al naar gelang het tehuis een, twee,drie of meer bouwlagen bevat, f 1.150,--, f 1.325,-- off 1.400,.-- per te huisvesten bewoner bedragen. Boven de pre-mie wordt een toeslag voor grondkosten gegeven, die afhan-kelijk is van de groep, waarin de gemeente van vestiging isingedeeld. Deze toeslag bedraagt / 325,--, / 170,-- of/ 120,^--. Voorts wordt nog een funderingstoeslag verleendingeval de fundering zwaarder is dan normaal.Toegekende premien worden uitgekeerd als het tehuis voorbewoning gereed is. Op verzoek kan de helft worden uitbe-taald als het gebouw glas- en waterdicht is.Jaarlijkse bijdragenVoor de tehuizen, die eigendom zijn van rechtspersonen endie door dezen zonder winstoogmerk worden verhuurd, kun-nen, behalve de premie, jaarlijkse bijdragen van Rijkswegeworden verkregen. De verlening van deze bijdragen heeft tendoel een lagere huurprijs mogelijk te maken. Ook voor zelf-standige woningen voor bejaarden, waarvoor als zodanigpremien zijn verstrekt en die door rechtspersonen wordenverhuurd, kan de jaarlijkse bijdrage worden toegekend.De jaarlijkse bijdrage bedraagt / 50,^-- per woonvertrek ineen tehuis of per zelfstandige woning en wordt voor deduur van vijftig jaar verleend.Voor toekenning van de jaarlijkse bijdragen gelden o.m. devolgende voorwaarden:de gemeente dient eenzelfde bedrag als het Rijk bij te dragen;de huurprijs moet per hoofdwoonvertrek in een tehuis ofper zelfstandige woning / 100,-- per jaar lager worden ge-steld dan de door de Minister vastgestelde normale huur-prijs; het inkomen van de bewoners mag voor in gezinsver-band samenwonenden niet hoger zijn dan / 2.000,^-- perjaar en voor alleenwonenden niet meer dan f 1.300,.-- perjaar; de bewoners moeten minstens 60 jaar oud zijn. (Als tenPHOENIX-DEURENvoor woningbouwUit Persbericht nr 16 van hetMinisterie van Wederopbouwen Volkshuisv-esting:Natuurlijk behorenhiertoe ook dePHOENIX-DEUREN,DE PHOENIX" N.V. - BARNEVELDFabrikante van Hard-Board en fineer-celdeurenTelefoon 314VanVliet's StoomapparaatVOOR HET VERWIJDEREN VAN OUD BEHANGfO MAN iT^T^K.Neemt spelenderwijs de dik-ste lagen.*75% . 80%besparing arbeidsloonDikke lagen oud behang zijnbroeinesten voor ziektekie-men en ongedierte. U kuntnu Uw huurders laten we-ten, dat U iemand wilt stu-ren om het oude behangvan de muren te laten halenwanneer zij opnieuw latenbehangen. Indian U hiervaneen statistiek aanlegt zult Uzien, dat na verloop vanenige jaren alle muren inUw woningen eeomaal zijnschoongemaakt.AUeenverkoop voor Nederland:GOUDSMIT-HOFFBEHANGSELPAPIERINDUSTRIE N.V.Bij alle 18 filialen staan demonstratie-apparaten tot UwbeschikkingPIETER SCHOEN & ZOOM N. V. ZAANDAM 69zusovn tie ffilipers!,,Onbcschermd gewapend beton :nlilti)d door roestvorming op de wnpt--nini) worden vernietigd, wannccr ditvoor regenwater bereikbaar is. lic-'c'lKrming is daarom noodzakcli|k.Op si-hilders en verfFabrikantcn rustton grote taak."ZUSO..Beron, die hersteld is en nog betertil" nog onbeschadigde beton dientti-i)>'ii.iantastingte worden beschcnnd.wtlkc bescherming bijkans gehccl tothft werkgebied van de schildor bc-Imo'tAltifd succes met,,Het is de lezer bekend, dat olievcrf. op verse beton en -cementmorti-lverzeept. Dit maakt het lastig om pnsherstelde betonconstructies te vervcn, {met olieverf of oliehoudende verven.Er komen echter ook verven in de ',handel voor, die niet verzepen."' ZUSOMUUEGEOHDVERFisQ.NVEUZEEPBAAJI I70'^ ,,Deze verven als grondlaag aange-I wend, kunnen vervolgens worden \I overgeverfd met een goede moderiie "tverf."ZUSOMUURDEKVERF. IJe wapening moet afdoende bo-si hermd zijn en dit is niet het geval,oindat de beton altijd poreus is.''^USO?lnU aft,,Ook hier is het noodzakelijk goedeverfFabrikanten om raad en garanties '= .te vragen." ' _Schrijft in vol vertrouwen naarN.V. LAK- EN VERFFABRIEKENKIEWIETDEJONGE.GRONINGENCitaten ontleeod aan ,,SchiIdersbIad"'
Reacties