FEBRUARI 195515e Jaargang -- No 2DeWoningbountrverenlgingMAANDBLAD VAN DE NATIONALE WONINGRAADAdres voor Redactie en Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam-Z., Tel. 724298-721412Adres voor Advenenties: Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Tel. 49128DE NEDERLANDSEVolkshulsvestingVerlaging van huurprijzenOnder deze titel heeft de secretaris van de Nationale Wo-ningraad in ons orgaan van Januari 1955 reeds op enkeleconsequenties gewezen in verband met de circulaire van deMinister van Wederopbouw en Volkshuisvesting van 29December 1954.Terecht is daarbij op de moeilijkheden in verband met hetzg. leningenfonds de aandacht gevestigd.Deze moeilijkheden doen zich echter niet alleen voor bij degemeenten, die een dergelijk fonds in het leven hebben geroe-pen. Wat is nl. het geval. Sinds de wijziging van de begro-tings- en rekeningsvoorschriften van 1951 is voor de ge-meenten het verband tussen investeringen en leningen in hetalgemeen los gelaten. Wei is waar kan voor bepaalde kapi-taalsuitgaven dit verband worden gehandhaafd en wordt ditvoor de investeringen in de woningbouw wel gevolgd, maaranderzijds is er op aangedrongen ook voor de investeringenin de woningbouw het z.g. renteomslagpercentage toe te pas-sen.Voor de lezers, die in deze materie weinig thuis zijn, mogeik ter verduidelijking het volgende opmerken.Populair gezegd wordt jaarlijks bij de begroting tegenoverhet totaal der investeringen van een gemeente het totaal dergesloten geldleningen en andere vaste financieringsmiddelengesteld. Daarna wordt nagegaan, welk bedrag hiervoor aanrente moet worden betaald en uit deze cijfers wordt dan eengemiddelde (het rente-omslag) percentage berekend.Als gevolg van de omstandigheid, dat de voor het jaar 1954aangegane langlopende leningen in het algemeen tegen 4%of hoger zijn gesloten, zal dit omslagpercentage hoger dan3i liggen. Is er daarna in deze gevallen wel geld tegen 3J%of een lager percentage aangetrokken, dan betekent dit dusniet dat er huurverlaging kan plaatsvinden en ook voor detoekomstige bouw is dit nog geenszins zeker, tenzij in de be-trokken gemeente het systeem wordt gevolgd, dat voor dewoningbouw het percentage wordt aangehouden, waarvoorgeleend is.De conclusie, die met het vorenstaande kan worden getrokkenis deze, dat in vcle gemeenten de verlaging van de hurenafhankelijk is van de wijze waarop de administratie in die ge-meenten wordt gevoerd.Dit geldt niet alleen voor de woningen, welke door de wo-ningbouwverenigingen zijn gebouwd, maar eveneens voor dewoningbouw, welke door de gemeente zelf tot stand is ge-bracht.Men is geneigd te veronderstellen, dat bij vaststelling van deonderwerpelijke circulaire weinig of geen rekening is gehou-den met de wijziging in de begrotings- en rekenings-voor-schriften van 1951. Willen akhans voor de toekomst de ge-meenten, die het systeem van het gemiddeld rentepercentagevolgen van de mogelijkheid tot huurverlaging profiteren, danzullen zij er toe moeten overgaan, voortaan het verband tusseninvesteringen en geldleningen te herstellen. Op deze wijzewordt door een circulaire van het Ministerie van Wederop-bouw en Volkshuisvesting een wijze van administratie in hetleven geroepen, welke door de wijziging der begrotings- enrekenings-voorschriften van 1951 juist als niet meer passendin deze tijd kan worden vermeden.Voor de woningbouwverenigingen, welke in de afgelopenperiode gelden hebben ontvangen ter consolidatie van hunwoningbouw zal het naar mijn mening overweging verdienenna te gaan op welke wijze de rentevoet dezer leningen totstand is gekomen. Mocht blijken dat hierbij het systeem vanhet gemiddelde percentage is gevolgd, dan verdient het wel-licht aanbeveling te trachten overeenstemming met het ge-meentebestuur te verkrijgen, dat alsnog een bepaalde geld-lening -- en dan zo mogelijk een met een rentevoet van 3i%of lager -- hiervoor wordt aangewezen.Ook de gemecntebesturen zouden alsnog een bepaalde geld-lening voor de door hen tot stand gebrachte woningbouwkunnen aanwijzen. In het belang der volkshuisvesting lijkthet gewenst te trachten daarbij die mogelijkheden tot huur-verlaging zoveel mogelijk te benutten.Tenslotte moge ik nog de aandacht vestigen op de mogelijk-heid tot conversie van geldleningen over te gaan, al zal dezemogelijkheid i.v.m. het boetebcding bij extra-aflossing welzeer beperkt blijven.Arnhem. H. J. GIJSBERS 17Voorlopig Verslag van de Eerste Kamerover de WoningbouwA In de onafgebroken stroom van kamcrstukken, die van dedrukpersen van de Staatsdrukkerij komen, is thans verschenenhet Voorlopig Verslag van de Eerste Kamer over de begrotingvan de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting.Het verslag begint met de mededeling, dat vele leden waar-dering hebben voor de door de Minister ontwikkelde activiteiten dat zij zich in het algemeen met het gevoerde beleid kondenverenigen. Naar hun mening is het woningtekort nog steedseen van de ernstigste problemen, waarmede ons volk worstelt.Terwijl op bijna elk gebied van het economisch leven de oor-logsschade is hersteld, schijnt het wel of de nood op het gebiedvan de volkshuisvesting nog toeneemt. De Minister wordt daar-van geen verwijt gemaakt; wel wordt nog eens beklemtoond,dat alle krachten zullen moeten worden ingespannen om hettekort aan woningen in te lopen. Daartoe zouden meer dan65.000 woningen per jaar moeten worden gebouwd.WoningptroductieVerscheidene leden wilden waarschuwen tegen een te grootpessimisme omtrent het tijdstip, waarop het woningtekort zalzijn ingehaald. Zij wezen er op, dat de cijfers van de gemid-delde woningbezetting een duidelijke vooruitgang demonstre-ren: In 1938 was de gemiddelde woningbezetting 4,19, in 1948en 1949 was dit cijfer opgelopen tot 4,62, nu is het ongeveer4,35. Hoewel hierbij rekening moet worden gehouden met dez.g. gezinsverdunning spreekt daaruit toch wel enige verlich-ting. Omdat het beleid ap zo juist mogelijke gegevens moetberusten wordt het houden van een nieuwe woningtelling tenzeerste toegejuicht. Daarbij zou getracht moeten worden ookenig inzicht te krijgen in het aantal blijvende samenwoningenen in het probleem van de overbezetting van woningen, medemet het oog op de strijd tegen de krotten.Er op wijzend, dat door opvoering van de jaarlijkse woning-productie tot 70.000 het woningtekort twee jaar eerder zal zijningehaald, brengen deze leden de volgende maatregelen onderde aandacht:aantrekken van nieuwe bouwvakarbeiders door het bouwvak zoaantrekkelijk mogelijk te maken en door bevordering van vak-opleiding;bevordering van systeembouw ook buiten de grote steden envan andere arbeidsbesparende methoden;opvoering van de arbeidsproductiviteit o.a. door betere organi-satie en betere voorbereiding van bouwwerken;beperking van niet strikt noodzakelijke bouw.Door verscheidene andere leden werd aanbevolen de systeem-bouw te bevorderen door een gegarandeerde doorlopende pro-ductie, de zomers te benutten om lets langer te werken enminder woningen tegelijkertijd in uitvoering te geven. Dezeleden gaven een overzicht van de gemiddelde bouwtijd perwoning, waaruit blijkt, dat deze gemiddelde bouwtijd in 19385,4, in 1951 7,7 en in 1953 13,8 maand bedroeg.Sommige leden hadden genoeg van allerlei voorspellingen overhet einde van de woningtekort en stelden: bouwen zo veelen zo goed als dit in de tegenwoordige omstandigheden moge-lijk is. Deze leden waren ook van mening, dat het bevorderenvan emigratie van bouwvakarbeiders met subsidie moet wordenstopgezet en vroegen naar de mogelijkheid van het verlenenvan een beperkte overwerkvergunning.WoningpeilDe geringe stijging van de classificatie-inhoud van de in 1954gebouwde woningen is door verscheidene leden met voldoeningopgemerkt. Desalniettemin waren zij van oordeel, dat in hetalgemeen te veel kleine woningen worden gebouwd; wonin-18 gen met een tweede woonvertrek worden practisch nog niet ge-bouwd. Aangezien de gemeentebesturen en woningbouwver-enigingen van Rijkswege in staat zullen moeten worden ge-steld woningen met een tweede woonvertrek te doen bouwenbetreurden deze leden, dat de Minister de suggestie van het lidvan de Tweede Kamer, de heer Andriessen, om de financie-ringspolitiek te verruimen, 'heeft afgewezen.Huurpeil en huurverhogingSommige leden achtten het huurpeil een ernstig beletsel om tenaanzien van het woonpeil veel te doen. Hier wreekt zich hetveel te lang laag houden van de huren. Na de eerste wereld-oorlog zijn de landen, die het snelst de huurprijzen aan dehogere bouwkosten deden aanpassen, het eerst de woning-nood te boven gekomen. Zij gaven de Minister in overwegingde huurverhoging in b.v. twee etappes uit te voeren.Met hoeveel zijn de bouwkosten gestegen sinds de huidigewoningwetbijdragen en premiegelden, aldus vroegen verschei-dene andere leden.De beschouwingen omtrent de huurverhoging in het voorlopigverslag werden geschreven voordat in de dagbladen berichtenverschenen over de plannen van de regering in zake de huur-verhoging. Onkundig van deze plannen begaven de kamerle-den zich o.m. nog in beschouwingen over een eventuele huur-belasting. Verscheidene leden waren van oordeel, dat eenenigszins belangrijke huurverhoging gepaard diende te gaanmet een bestemmingsheffing ten behoeve van een huuregali-satiefonds.Enige andere leden merkten op, onoverkomenlijke bezwarentegen een huurbelasting te hebben. Tussen deze uitersten stel-den zich de leden, die zich hun standpunt in deze nog wenstenvoor te behouden en de definitieve voorstellen van de regeringwilden afwachten.Met uitzondering van enkele leden aanvaardde de Kamer degedachte van een verdere huurverhoging. In dit verband werdde Minister in overweging gegeven, de gemeentebesturen inde gelegenheid te stellen mettertijd voorstellen te doen om eenbetere verhouding te brengen in de huren ook van na-oorlogsewoningen. Opgemerkt werd, dat de huren van gelijkwaardigena-oorlogse woningen sterk verschillen en dat het veelal vanhet toeval afhangt, hoe de huur van een nieuw gebouwde wo-ning is. Voorts werd de vraag opgeworpen of de tijd niet isgekomen,af te zien van een uniform huurverhogingspercen-tage, omdat alle fouten, die in 1940 in de verschillende hurenzaten door de uniforme verhogingspercentages steeds groterworden. Overwogen zou daarom moeten worden huurverho-gingen te differentieren naar de kwaliteit van het object.Woningwet-en particuliere bouwVerscheidene leden, die zich met de verhouding woningwet-bouw-premiebouw konden verenigen, zagen geen aanleidingtot premieverhoging, zo lang er voor premiebouw voldoendeanimo blijkt. Deze verhoging zou, voorzover het bouw^ voorverkoop betreft, toch maar in de zakken van de eigen-bouwersverdwijnen. Wel voelden zij, met de Minister, voor een rege-ling, die bona fide ondernemingen, welke zich mede het belangvan de volkshuisvesting ten doel stellen, voor de financieringop een lijn te stellen met woningbouwverenigingen. Verschei-dene andere leden zouden gaarne de gedachte om voor departiculiere bouw dezelfde faciliteiten te verlenen als de wo-ningwetbouw heeft, ondersteunen, maar zien daarvoor in depraktijk grote moeilijkheden. Zij suggereren evenwel, dat zulkeen regeling mogelijk zou zijn, indien de particuliere bouwer dedoor hem gebouwde woningen verkoopt aan grote institutione-le beleggers, die dan de verplichting op zich zouden moetennemen de woningen zelf te exploiteren en ze niet te verkopen.Gebeurt dit laatste wel, dan zou afstand moeten worden ge-daan van de faciliteiten.Andere leden vragen of door een subsidie-systeem voor departiculiere bouw overeenkomstig dat voor de woningwetbouwgeen aanzienlijke vermeerdering van administratieve werk-zaamheden voor gemeentebesturen en Departement zal ont-staan. Weer andere leden vrezen moeilijkheden bij het gevenvan crediet, doordat, wanneer de bouwer aan enkele voor-waarden niet voldoet, de bijdrage vervalt.In verband met de mogelijkheid om de exploitatie van woning-wetwoningen op te zetten op een kapitaalsrente van minderdan 4%, werd aan de Minister gevraagd of het de gemeentenvrij staat, het daardoor ..vrijkomende" bedrag geheel of ge-deeltelijk aan te wenden voor het aanbrengen van meer woon-gerief, b.v. in de vorm van vaste wastafels. Hierbij werd op-gemerkt, dat in toenemende mate de klacht wordt vernomen,dat geprojecteerde woningen worden ,,uitgekleed" om te be-reiken, dat zij binnen het toegelaten bedrag der curve kunnenworden gegund.De ,curve-pri]sOver die curveprijs wordt in het verslag nog meer gezegd.Verscheidene leden zeiden het te betwijfelen, dat het starvasthouden aan de curveprijzen een remedie is tegen het op-jagen van lonen, prijzen van bouwmaterialen en aannemers-winst. Door dit middel bestrijkt men aileen werken, waarin hetRijk financieel bijdraagt. Dit kan tot gevolg hebben, dat dearbeiders worden getrokken naar niet-gesubsidieerde bouw-werken. Om dit te ontgaan, neemt men dan zijn toevlucht tothet zgn. uitkleden van woningen. De Minister wordt gevraagdof de curveprijzen zijn verhoogd in evenredigheid met de stij-ging van de bouwkosten.KrotopruimingIn zake de krotopruiming wordt aan de Minister de vraag ge-steld of het niet tijd wordt, dat hiervoor van regeringswegeenige aanwijzingen worden gegeven en of hij zich al enigegedachten heeft gevormd over de wettelijke regeling, die vooreen goede aanpak van dit probleem nodig is. Het wordt dehoogste tijd zich in dit probleem te verdiepen. Met betrekkingtot dit onderwerp is o.a. de inrichting van een goede woning-kartotheek van belang; de vraag wordt gesteld, hoe de Minis-ter de inrichting door de gemeente van woningkartotheken,naar zoveel mogelijk uniforme maatstaf, denkt te stimuleren.In verband met het sociaie aspect van de krotopruiming wordtgesteld, dat de woningbouwverenigingen, naast de gemeentenen gemeentelijke instellingen, daarin een nieuw denkbaar ar-beidsveld kunnen vinden. Dit vereist van deze organisatiesevenwel een andere orientering. Het element van maatschap-pelijk werk zou in haar beleid veel sterker naar voren moetenkomen. Dit is ook van belang om de woningbouwverenigingenop te heffen uit de verstarring, waaronder zij langzamerhandwel ernstig zijn komen te lijden. Om zich behoorlijk aan deze,voor de meeste woningbouwverenigingen nieuwe taak te kun-nen wijden, zullen zij echter over ruimere middelen moetenkunnen beschikken. Gevraagd werd aan de Minister of hij inbeginsel bereid is, eventueel na overleg met de Minister vanMaatschappelijk werk, hieraan zijn medewerking te verlenen.Omdat de onbewoonbaarverklaring van woningen in de prak-tijk een onvoldoende middel is om te komen tot sanering vanslechte wijken werd de Minister gevraagd of de regering bereidis te bevorderen, dat een samenstel van maatregelen en wettentot stand komt, waardoor het eenvoudiger wordt te komen totopruiming van krotten tot verwerving daarvan tegen billijkeprijs voor het uitvoeren van een saneringsplan.WoningbouwverenigingenAandacht wijdend aan de bevordering van het eigen woning-bezit, zien verscheidene leden ook hierbij een taak voor dewoningbouwverenigingen. Zij wijzen op de moeilijkheid, datiemand er in het algemeen niet zo gemakkelijk toe komt voorzichzelf een woning te bouwen en achten het een praktischeoplossing dat woningbouwverenigingen en bouwspaarkassende door haar gebouwde woningen verkopen aan hen, die eeneigen woning willen verwerven. De Minister zou dan de moge-lijkheid moeten openen, dat die kopers in aanmerking zoudenkomen voor extra toeslag van 10 x 2|-% van de premie.Voor de pogingen van de Minister om in overleg met de fede-raties van bouwverenigingen de corporaties meer zelfstandig-heid te geven en waar nodig tot activiteit te prikkelen, werdwaardering en instemming geuit.Perikelen rond de woningwetbouwHet artikel in ons orgaan van November 1954 geeft mijaanleiding een andere kant van de medaille te belichten.Het advies om de plannen, welke met behulp van de Beschik-king Bijdragen Woningwetbouw 1950 niet rond zijn te krij-gen, te bewerken naar de voorschriften van de Premie- enBijdrageregeling 1953 kan ook tot een geheel andere conclusieleiden, nl. dat men komt tot huurprijzen welke buiten elkeverhouding liggen.Zo is mij een geval bekend uit een gemeente, waar dit systeemis gevolgd. Men kwam daarbij tot het volgende resultaat.Voor een woning met een inhoud van ? 350 m^ moet eenhuur worden gevraagd van ? f 13,50 per week exclusiefwater. Hier tegenover staan woningen in dezelfde gemeentemet een inhoud van 500 m^ met een huurprijs van ? f 9,50.Deze woningen waren gebouwd met behulp van de Finan-cieringsregeling 1948.Misschien Avordt deze totaal scheef liggende verhouding doorde komende huurverhoging(en) wat recht getrokken, maarjuist wordt deze verhouding nimmer meer en van een goedgefundeerde huurpolitiek kan in deze gemeente evenminsprake zijn.Dit voorbeeld staat niet op zichzelf. Al zullen in andere ge-vallen de cijfers niet zo duidelijk spreken, het blijft vrijwelonmogelijk de verhoudingen redelijk te houden ten opzichtevan het bezit, gebouwd in de jaren 1946 t/m 1950.In dit geval zou de conclusie moeten zijn ,,wij bouwen niet".Maar het lijkt mij moeilijk dit standpunt in de Raad te ver-dedigen en wat moet het gemeentebestuur tegen haar woning-zoekenden zeggen, die zich dikwijls niet afvragen of de huurwel verantwoord is?Arnhem.OnderschriftH. J, GIJSBERSWij zijn de Heer Gijsbers dankbaar voor de aanvulling, diehij heeft willen leveren op ons artikel in het nummer vanNovember j.l. Uit de strekking van dat artikel kon overigenswel blijken, dat wij een omzetting van woningwetbouw inpremiebouw bepaald gekunsteld en dus ongeschikt achten,aangenomen, dat die omzetting aileen tot stand komt om demoeilijkheden met de ..curveprijzen" te omzeilen. Geheel an-ders ligt echter de zaak als het gaat om de bouw van midden-standswoningen. Woningen dus, die wat afmetingen der ver-trekken en uitrusting betreft, kennelijk uitgaan boven hetgeenvoor de woningwetbouw regel is. Natuurlijk zal men er in diegevallen tevoren op moeten rekenen, dat dan ook de huur-prijzen voor zulke huizen zich niet onaanzienlijk zullen onder-scheiden van de huurprijzen voor ,,gewone ' woningwetwo-ningen. W. S. 19Woningbouw-keur ?Verdient enerzijds het door W. S. gelanceerde voorstel totzo objectief mogelijke bcoordeling van inschrijvingssommenvoor bouwobjecten en met name voor woningbouw (zie ,,DeWoningbouwvereniging" van Januari 1955) sterk de aan-dacht, anderzijds roept het voorstel vragen op, die, wellichtonbewust, reeds eerder de volkshuisvesters en de woningbou-wers hebben beziggehouden.Het is daarom wellicht een geschikt moment, met de suggestievan W. S. als aanleiding te trachten deze vragen duidelijk testellen en een antwoord daarop voor te bereiden.Bij de voorgestelde prijsbeoordeling is een reeks van grond-slagen in het geding die tot dusverre in de Nederlandse wo-ningbouw met nogal wisselende belangstelling zijn behandeld.Het zijn de wezenlijke qualitatieve eigenschappen van wonin-gen, die -- en niet alleen na de oorlog -- in het gedrang zijngekomen bij de beoordeling van stichtingskosten, huurniveauen exploitatie-opzet.Ik geloof dat de bepalingen der bouwverordeningen en derbebouwingsvoorschriften behorende bij uitbreidingsplannenslechts in bepaalde, quantitatieve opzichten richting hebbengegeven aan de massale woningbouw van de laatste decennia.Hieronder vallen de bepalingen omtrent grootte en plaatsingvan bouwlichamen, woninggrootte, technische samenstellingen maatregelen ter voorkoming van brandgevaar.Deze grondslagen zijn bij de opzet van woningbouwplannenuitgangspunt uiteraard voor de ontwerpers, maar na een-- dikwijls nauwgezette toepassing van de genoemde (over-heids)bepalingen -- volgt een completering van de objectennaar eigen inzicht van ontwerper (dikwijls in overleg met deopdrachtgever) ten aanzien van woningindeling, installaties,afwerking, kast- en bergruimten, enz. kortom van die factorendie de wezenlijke gebruikswaarde van de woning bepalen, wel-licht nog in meerdere mate dan de eerder genoemde, min ofmeer onwrikbare, overheidsbepalingen.De aanwijzingen van het ministerie in de ,,Voorschriften enWenken", de bijdragen en de premie-regelingen geven onge-twijfeld aanwijzingen in de richting van de door mij bedoeldequalitatieve factoren (vooral het deel ,,Wenken") maar deuitwerking van deze gegevens is in practijk van de curve-hantering wel uitermate schraal geweest. Ik meen dat de uit-drukking ,,schraal" nog mild is te noemen en dat de ,,curve"zeer dikwijls als volstrekte tegenstander van de in de wenkengenoemde qualitatieve factoren is te beschouwen.Het komt mij voor dat de factor ,,qualiteit" zowel in positieveals in negatieve zin gebruikt, duidelijk moet meespreken bijde beoordeling van woningpeil, afwerking en gebruikswaarde.Echter moet niet alleen de ontwerper en de gemeentelijke, deprovinciale en landelijke overheid deze kwaliteit in beschou-wing nemen, m.i. moet ook de gebruiker, i.e. de bewoner, bijde keus van een woning weten, welke eigenschappen in wo-ningtechnische zin aanwezig zijn, de uit verschillende onder-delen en afwerkingen samengestelde ,,w^oonwaarde" moet be-kend zijn en beoordeeld kunnen worden. Men kan zich bijde aanschaffing van vele gebruiksartikelen met korter levens-duur dan een woning laten leiden door de veelheid van deaanbiedingen, door de mogelijke vergelijking en door dewaarde die aan een ,,merk" wordt toegekend. M. i. zou menzich bij de beoordeling van een woning sterker nog dan bijandere zaken moeten kunnen laten leiden door een objectievemaatstaf die kan bestaan in een waardeaanduiding omtrentindeling, oppervlak, waarde aan bergruimten, afwerking vanvloeren, wanden en trappen, inrichting van installaties, huis-houdelijke apparatuur, systeem van verwarming, ventilatie,inrichting en behandeling van vensters en deuren, aard vanhang- en sluitwerk, aard en inrichting van balcons, was- endroogruimten, enz. enz.Op welke wijze bereikt men nu de door mij bedoelde ,,waarde-meter". Ik geloof dat de woningbouw hiervoor in de leer kangaan bij de scheepsbouw.20 Zonder hieromtrent details te kunnen vermelden kan alshoofdzaak worden medegcdeeld dat men bij de scheepsbouwzich zowel voor grote als kleine objecten richt naar ,,klassen",waardoor bij de bouw en afwerking voorschriften worden ge-hanteerd, die uitvoerig techniek en afwerking omschrijven.Reder en opdrachtgever, bouwer en toezichthouder weten vande aanvang af, welke samenstelling en afwerking zal gelden.Uiteraard zal de feitelijke uitvoering nog een punt van dis-cussie kunnen zijn, hiervoor echter kan controle en beslissingworden gevraagd van de (belangrijke) bureaux, die de classi-ficatie hebben ontworpen. (Lloyds, Bureau Veritas, RegistroItaliano, American Bureau of Shipping, Germanischer Lloyd,enz.).Het is duidelijk dat voor de woningbouw een nieuwe waarde-meter zal moeten worden gevonden, die hetzij omschrijvend,hetzij bepalend, in elk geval duidelijk zal moeten aangevenwelke eigenschappen in woningen van diverse ,,klassen" mo-gen worden verwacht. Een m.i. noodzakelijke aanvulling opde reeds vele bepalingen welke worden gehanteerd bij het totstand komen van woningen, maar die voor elke belangheb-bende de wezenlijke woonqualiteit duidelijk bepaalt.Ik pleit daarom voor een ontwerp en gebruik van een ,,schaal",waarop de woon. en gebruikswaarde van de woning, uiteraardop verschillend peil, in verschillende ,,klassen" wordt vast-gelegd, ten behoeve van de woningstichter, de ontwerper, debouwer, de beheerder en de bewoner, als een leiddraad bij zijndeels deskundige, deels ondeskundige keuze.Slechts de ingewijde kan kaf van koren onderscheiden enslechts zelden is de oningewijde toekomstige bewoner in staatzich te doen voorlichten, teneinde te weten welke ,,soort"van behuizing men voor heeft.Zal men dus enerzijds de grote schare van woninggebruikersduidelijk kunnen maken welke quahteit een bepaalde woningheeft, anderzijds ontstaat de mogelijkheid door een duidelijke,,classificatie van qualiteit of ,,Woningkeur" " het peil derNederlandse woningbouw in gunstige zin te stimuleren.Amsterdam, Februari 1955 J.D.Woonruimte voor alleenstaandenDe volkshuisvesting heeft bij alle lagen van de bevolking deaandacht. Van de verslagen in dag- en weekbladen overKamerdebatten en gemeenteraadszittingen wordt zeker dat-gene wat op de volkshuisvesting betrekking heeft door eenieder gevolgd en besproken. De woningnood is immers nogaltijd een probleem, dat niet vlug genoeg opgelost kan wor-den. Al wordt men bekogeld met hoge cijfers de nieuwbouwbetreffende; zolang de woningmarkt nog geen gelegenheidbiedt om vrij een woning te kiezen, zal men niet tevredenkunnen zijn.Bij de opzet van de bouwplannen wordt in de eerste plaatsrekening gehouden met de behoefte aan woonruimte van debevolking en meer in het bijzonder voor die categorie, voorwelke de woonbehoefte het meest urgent is, n.l. voor het gezin.Tegen deze practijk kan niets te berde worden gebracht.Aan passende huisvesting voor bejaarden wordt de laatstejaren hard gewerkt. Vele complexen huisjes en verzorgings-tehuizen voor deze groep zijn reeds tot stand gekomen envele plannen staan nog op stapel.Er is echter nog een afzonderlijk te beschouwen deel van debevolking, dat weliswaar de aandacht heeft, maar waarvoortot op heden weinig is gedaan: de alleenstaanden. Het is al-gemeen bekend, dat alleenstaanden, die op kamer wonen eenvaak nodeloze hoge huurprijs betalen. Het gevolg van hetverstoorde evenwicht tussen vraag en aanbod wordt hier inonvoldoende mate getemperd door prijscontrole en in hetgeheel niet door ,,distributie-maatregelen" van de overheid.Voor alleenstaanden is er veelal slechts een dure kamer, waar-Doorhet projecteren van eenLAVET met wasmachineaansluiting worden dezetwee punten verwezenlijktVraagt inlichtingen aan deOCRIETFABRIEK N.V.BAARN.minder ruimie21in geslapen, gewassen en gekookt moet worden. Indien ereen ruimere woongelegenheid voor deze groep van de be-volking zou komen, brengt dit tevens met zich mede, dat de-genen die toch willen blijven inwonen, omdat zij en-pensionzijn en een goede verzorging genieten, een lagere huurprijskunnen bedingen.Dat deze categorie de belangstelling heeft, blijkt wel uit hetfeit, dat in enkele grote gemeenten onder de alleenstaandevrouwen boven de 25 jaar (de vrouw heeft meet behoefteaan vrije woonruimte dan de man) een enquete is gehouden,teneinde een inzicht te verkrijgen in haar woonwensen en inhetgeen zij in financieel opzicht voor haar woning over heeft.De enquete bevatte vele en velerlei vragen, te veel om hierop papier te zetten..Van de uitslag der enquete is ons nog niets bekend. Wel isons ter ore gekomen, dat men over het algemeen de flatwo-ning, bestemd voor gemengde bevolking prefereert boven deflatwoning alleen voor vrouwen. Deze mening zou men kun-nen toeschrijven aan onbekendheid met een dergehjk flatge-bouw; onbekend maakt immers onbemind. Van bevoegde zijdeis ons medegedeeld, dat de bewoonsters van het ,,Oranjehof"te Amsterdam (flat voor alleenstaande vrouwen) zeer en-thousiast zijn over deze wijze van wonen. Vele alleenstaandenzijn echter de mening toegedaan, dat men in een tehuis vooreen bepaald deel der bevolking moeilijk een ,,thuis" kan vin-den. Een dergelijk flatgebouw, dat wordt betiteld als ,,tehuis"geeft de indruk van een inrichting, hetgeen velen tegenstaat.Daarom zullen zij zich eerder ,,thuis" voelen in een flatge-bouw, waar ook gezinnen met kinderen gehuisvest zijn. Zijzullen het rumoer daarvan graag trotseren tegenover de le-venslustigheid, die de jeugd vaak eigen is.Veelal geeft men aan de flatwoning de voorkeur, omdat ergelegenheid wordt geboden om gebruik te maken van velevoorzieningen, zoals centrale verwarming, telefoon, aannemenvan boodschappen enz. Voor het grootste deel van de alleen-staanden zal echter het bewonen van een dergelijke flatwo-ning te kostbaar zijn.De vrije woning, opgenomen in bouwblokken tussen gezins-woningen, blijkt ook voor zeer velen aantrekkelijk. Voor hen,die niet meer dan een 7e deel van het salaris kunnen uittrek-ken voor de huur, zal een dergelijke woning nog de besteoplossing zijn. In een vrije woning, waar men zelf voor ver-warming moet zorgen, kunnen de extra voorzieningen naareigen budget worden geregeld.Tijdens het laatstgehouden congres van de Nationale Wo-ningraad te Rotterdam hebben wij mogen genieten van enigemooie kleurenfoto's, die door architect Zuiderhoek werdengeprojecteerd. Hierbij zagen wij o.a. een complex woningenwaar in de bovenste verdieping woonruimte was bestemdvoor alleenstaanden. Jammer, dat de Heer Zuiderhoek er bijmoest vertellen, dat die woninkjes toen door jonge gezinnenwerden bewoond. Laten wij hopen, dat hierin inmiddels ver-andering is gekomen. Misschien mogen wij van de Heer Zui-derhoek nog eens een beschrijving met afbeeldingen van diewoningcomplexen tegemoet zien.De Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting heeft hetmogelijk gemaakt, dat premien kunnen worden verkregen voorde bouw van woningen voor alleenstaanden. Alhoewel dezepremieregeling niet bevredigend kan worden genoemd, hopenwij toch, dat deze regeling het bouwen van woningen voorde door ons beoogde groep der bevolking zal stimuleren. Ver-scheidene malen is het al voorgekomen, dat woningbouwver-enigingen woningen tot stand hebben gebracht op voet vande Premieregeling, zulks omdat de practijk heeft geleerd," datwoningbouw ingevolge de Bijdragenregeling moeilijker te ver-wezenlijken is, dan de bouw volgens de Premieregeling. Dit22 in verband met de controleprijzen van het Ministerie. ^Venstmen op voet van de Bijdragenregeling te bouwen, dan zal menvoor de financiering van woonruimte voor alleenstaanden de-zelfde regeling moeten treffen als voor het bouwen vanwinkels.Graag willen wij dit stukje besluiten met de suggestie aande woningbouwverenigingen om ter plaatse eens te onder-zoeken hoe het met de alleenstaanden is gesteld. Wij zijn er-van overtuigd, dat in iedere gemeente, groot of klein, eenpoging om te komen tot de bouw van woonruimte voor dezecategorie van harte zal worden toegejuicht.Kom, besturen van woningbouwverenigingen, bespreekt U ditonderwerp eens in Uw ledenvergadering. Zegt U nu niet, dateerst de woningnood moet zijn gelenigd alvorens U aan dezegroep van de bevolking kunt gaan denken, want dan wordthet een uitstel van jaren. Er zijn vele mogelijkheden om in eencomplex woningen de ruimte zo te verdelen, dat een gedeeltedaarvan wordt bestemd voor een of meerdere alleenstaanden.Voor een persoon zou deze ruimte kunnen bestaan uit: zit/slaapkamer, keuken, w.c. en douchecelletje. Wij zijn er onsvan bewust, dat deze woonruimte niet overdadig is, doch ge-zien het feit, dat de woonruimte schaars is en de alleenstaan-den over het algemeen een klein bedrag voor huur kunnen uit-trekken, menen wij door deze suggestie aan de wensen vanvelen te voldoen.Indien woningbouwverenigingen of gemeenten reeds pogingenin het werk hebben gesteld om de door ons voorgestane cate-gorie aan woonruimte te helpen, dan hopen wij, dat zij onsvan hun plannen of daden in kennis zullen stellen. Wij zullendeze gegevens dan gaarne aan onze lezers overbrengen.Mej. H. MANUS VAN DER JAGT,,Stijgende welvaart - dalend woonpeil"Onder deze titel verscheen in het December 1954-nummer vanons orgaan het belangrijke hoofdartikel van W. S. op depagina's 133 t/m 136.De voornaamste punten van de door ons gehouden telefonischeenquete welke wij uit de verschillende gemeenten in ons landuit de antwoorden op onze vragen concludeerden, werden inalphabetische volgorde van die gemeenten in dat artikel opge-nomen.Wij kregen nadien enkele verzoeken om rectificatie, waaraanwij uiteraard gaarne voldoen. Hetgeen geschreven werd moetdus voor de navolgende gemeenten als volgt worden gelezen:RhedenGebruikelijke beeld na aanbesteding; verschillen t.o.v. curve-prijs van / 1.000,-- tot f 1.400,^ per woning. Uitrustingwoningen allengs zeer sober geworden; balcons aan achter-zijde van de woningen vervallen, afrasteringen eenvoudiger,geglazuurde vensterbanktegels door goedkoperc vervangen,plafonds van board i.p.v. stucwerk, kozijnhout van lichtereafmetingen; voorts enige bezuiniging op loodgieters- en verf-werk. Zelfs eenvoudige betonemaille kan niet meer wordenaangebracht. Niettegenstaande deze moeilijkheden kon hetbouwvolume voor 1954 geheel worden gerealiseerd.VelsenHeeft bouwcontingent niet kunnen volmaken, zulks echter al-leen door prijsmoeilijkheden. Verschillen zijn gewoonlijk circa10% van de curveprijzen. Lichtere fundering toepassen, een-voudiger voordeuren, dakkapellen weglaten, bezuinigen opVerfwerk.Aan de strekking van het artikel, noch aan de urgentie om toteen oplossing van het betreffende probleem te komen, wordtdoor het bovenstaande iets af of toe gedaan. Slechts terwillevan de juistheid der vermelde gegevens hebben wij het bo-venstaande in dit maandblad opgenomen. Hn.Duplexwoningen - een nieuw gezichtspunt ?(vervoilg)Het blijkt dat in de jaren 1948, 1949 en 1950 het percentageduplexwoningen van het totaal aantal in die jaren gebouwdewoningen in ons land resp. 1,8, 2,9 en 10 bedroeg, terwijldaarna een keerpunt werd geconstateerd, t.w. voor 1951, 1952en het eerste halfjaar 1953 waarbij de betreffende percentages7.5, 3,6 en 3,9 luidden. ok de percentages voor de gemeenteTilburg, welke voor 1949 tot en met het eerste halfjaar 19536,5, 18,9, 16,6, 1,4 en 1,7 bedroegen, toonden hetzelfde beeld.Wij vervolgen dan weer hetgeen deze publicatie omtrent debouw van duplexwoningen schrijft:,,Men zou aanvankelijk geneigd zijn deze ontwikkeling te..betreuren en te zien als een gemiste kans ter spoedige oplos-,,sing van het woonruimtevraagstuk. Dit zou echter blijk geven,,van een onvolkomen inzicht in de betekenis van de duplex-,,woning voor de woningbouw. Het bouwen van duplexwonin-,,gen komt immers hierop neer, dat een aantal nieuwgebouw-,,de woningen door tijdelijke splitsing in twee gedeelten,,bewoond kan worden, zodat een gedeelte van de uitbreiding,,,die de woningvoorraad momenteel ondergaat, gedurende,,enige jaren intensiever wordt benut. In dit beperkte en tijde-,,lijke karakter vindt de duplexbouw tegelijk de grenzen, welke,,aan zijn omvang zijn gesteld.,,Daarom moet uitdrukkelijk worden gewaarschuwd tegen het,,bouwen van duplexwoningen op grote schaal, enkel en alleen,,op dit moment ter leniging van de directie woningnood de,,beschikking te krijgen over zoveel mogelijk kleine woningen.,,Alvorens tot de bouw wordt besloten dienen de volgende,,punten ernstig in overweging te worden genomen:,,1. het gebruik van de duplexwoning zal langer duren danop grond van een aanvankelijk aangenomen woningnood-periode verwacht mocht worden; vermoedelijk zal eerstover een 15-tal jaren gedacht kunnen worden aan dehereniging van de duplex tot ,,simplex"-woningen;,,2. deze verwachting wordt nog versterkt door het feit dat,indien het grote aantallen betreft, met de aanbouw vannieuwe woningen na de samenvoeging der deelwoningenvele jaren gemoeid zullen zijn; dit geldt zowel voor hetgeval, dat het groeiende gezin de gehele (ontsplitste)woning betrekt en voor het kleine gezin een nieuwewoning moet worden gebouwd, als wanneer het tweekleine gezinnen betreft. die nu beiden een afzonderlijke,, woning gaan betrekken;,,3. een langdurige duplexperiode houdt het gevaar in van devorming van een grote bevolkingslaag, welke door jaren-lange onvoldoende huisvesting is afgestompt en waarvanvele gezinnen alleen door dwang van de overheid naareen betere woning zullen kunnen worden overgebracht(men denke aan de opgedane ervaringen bij de saneringvan stadswijken in het recente verleden);,,4. de verplaatsing van gezinnen uit abnormaal kleine wo-ningen naar grote woningen betekent voor deze gezinnen:huurverhoging, verhuiskosten en aanzienlijke onkostenvoor het inrichten van de nieuwe woning;,,5. het verbouwen en het ,,opknappen" van de wel zeerintensief bewoonde duplexwoningen brengt voor de huis-eigenaar grote kosten mee;,.6. bovendien bestaat het risico, dat na de duplexperiodede samengevoegde woningen niet in trek blijken te zijn,ofwel omdat grote gezinnen ter plaatse niet in voldoendemate voorkomen, ofwel naar deze woningen geen vraagbestaat als gevolg van de gewrongen vormgeving en ook-- in geval van duplexbouw in grote complexen -- vanhet door overbevolking en laag woonpeil op de duplex-woning gedrukte stempel van minderwaardigheid;,,7. aan de bouw van duplexwoningen in grotere complexen isbovendien het bezwaar verbonden, dat eerst het bijeenwonen van een groot aantal kleine gezinnen en na deontsplitsing het bij elkaar wonen van een groot aantalgrote gezinnen moeilijkheden in een bepaalde wijk ofparochie (o.m. in verband met de bezetting van scho-len) kan opleveren.",,A1 deze overwegingen leiden tot de conclusie, dat de duplex-,,woning slechts aanvaardbaar is, mits uitdrukkelijk vaststaat,,,dat de bouw ervan binnen tevoren weloverwogen grenzen,,blijft. Maar 66k dan dient men de duplexbouw te blijven,,zien als een tijdelijke oplossing, als een compromis met de,,nood-van-het-ogenblik, welke noodzaakte tot het doen van,,concessies."De bovengenoemde punten nader beschouwend, zien wij aller-eerst in punt 1 dat men in Tilburg verwacht eerst na 15 jarentot het terugbrengen van de duplexwoningen tot ,,simplex"-woningen over te kunnen gaan, terwijl in punt 2 zelfs nogaan dit aantal jaren wordt getwijfeld en de vraag zich voor-doet of dit tijdstip niet nog verder in de toekomst zal moetenworden verschoven.De argumenten in punt 3 zijn zeker het overdenken waard,doch jarenlange onvoldoende huisvesting van een grote be-volkingslaag treffen wij helaas maar al te vaak eveneens invooroorlogse huizenblokken in de vorm van een opeengepaktsamenwonen in de categorien hoofdbewoners en onderbewo-ners aan. Hetgeen onder punt 4 wordt genoemd, heeft op,,samenwonenden" evengoed betrekking en is dus niet alleeneen euvel inhaerent aan duplexbewoning.De punten 5, 6 en 7 hebben betrekking op de bovengenoemdeverbouwing tot ,,simplexwoning" en zijn inderdaad belangrijkebezwaren.Bij ons komt daarom de gedachte op of niet zou kunnenworden overwogen om het idee ..duplexwoning", zoals wij dattegenwoordig kennen in een ander daglicht te zien en dezenoodoplossing voor de duur der jaren dat daar behoefte aanis te aanvaarden, waarna deze woningen na de krotopruiming,die men immers op grote schaal na beeindiging der woning-nood denkt aan te pakken, als sluitstuk van de voorzieningvan een behoorlijke volkshuisvesting zouden dienen te wordengesaneerd.Stel dat inderdaad eerst na 9 jaren ^ volgens de laatsteveronderstellingen -- de ergste woningnood zal zijn opgeheven.De krotopruiming eist dan, weliswaar tijdelijke, opvangruimtetotdat de krotwijken zijn gesaneerd en door woningen zijnvervangen, die aan de eisen des tijds voldoen. Ook dit tijde-lijke zal toch op zijn minst enige jaren vergen. Dan zijn erouden van dagen (nog lichamelijk krachtig genoeg om eeneigen huishouden in een kleine woning te voeren, doch finan-cieel niet bij machte zich van een plaats in een bejaardencen-trum -- gesteld dat er dan voldoende van deze centra voorhet aanzienlijk groeiende getal bejaarden in de komende de-cennia zullen zijn ^ te verzekeren. En tenslotte zijn er ookde alleenstaanden, die in het voeren van een eigen huishoudenop een paar kamers in een voormalige duplexwoning. hungeluk zullen willen zoeken en wie het samenbrengen vansoortgenoten in daarvoor bestemde flatgebouwen tegen deborst stuit. Indien men dan na berekening, gebaseerd op dethans beschikbare gegevens en gebruikmakend van het cijfer-materiaal, hetwelk de komende volks- en woningtelling ons zalverschaffen, tot een zekere gebruiksduur komt (waarbij onseen periode van enige tientallen jaren voor ogen zweeft), danzou men niet tot ,,ontduplexing", doch tot sanering van dezewoningen kunnen overgaan, indien men de bouw en financieleopzet van zodanige aard zou kunnen doen zijn, dat daarmededoelbewust rekening zou, worden gehouden.Het zou ook wel eens zo kunnen zijn, dat bovengenoemdeperiode bij tegenslag in de bouw in ons land (en daarbij den-ken wij ook aan de bouw van grote projecten en industrie-bouw) nog te kort zou blijken te zijn, doch als dat niet hetgeval is, dan moeten deze kleine woningen met een beperktelevensduur anders van indeling en opzet dan duplexwoningenzijn. Door het bouwen in niet te grote complexen van dezewoningen zouden de bezwaren van een te grote overgang voorbewoners van krotwoningen naar moderne woningen uit finan- 23Wat de f E b^. opievertExploitatie woningwetwoningenIn art. 29 van het Woningbesluit zijn enige bepalingen opge-nomen omtrent de aanwending van batige saldi, verkregenmet de exploitatie van complexen woningwetwoningen. Inde meeste gevallen zijn deze bepalingen niet bijzonder actueel.Deze bepalingen zullen als regel namelijk pas van belang zijnwanneer de desbetreffende complexen ,,schuldvrij" worden ende ,,terugbetalingsregeling" een rol gaat spelen. De batigesaldi worden namelijk in de eerste plaats tot terugbetalingvan de genoten exploitatiebijdragen aangewend.Voor een aantal vooroorlogse complexen, die binnen een vrijgering aantal jaren ,,schuldvrij" worden, is het nuttig eenvolledig overzicht te hebben van alle bijdragen over de geheleexploitatieperiode. Ook voor de latere en met name ook voorde naoorlogse bouwcomplexen is het van belang reeds thanseen overzicht aan te houden van de jaarlijkse bijdragen in detekorten op de exploitatie.Voor dit doel is bij de uitgeverij N. Samsom N.V. te Alphena/d Rijn onder bestelnummer 27075 een kaart verkrijgbaar,welke de bijzondere aandacht verdient. Bij de samenstellingvan deze kaart is er mee gerekend, dat het van belang is datook de mutaties betreffende de risicoreserve, bedoeld in art.24c van het woningbesluit en het gemeenschappelijk fonds,bedoeld in artikel 29, sub d, van het woningbesluit, daaropkunnen worden verwerkt.Aldus vormt deze kaart mede een goed fundament voor deadministratie van de woningcomplexen.Om U enige indruk te geven van de rubricering van dezekaart, zij medegedeeld, dat o.m. het navolgende daarop kanworden aangetekend:1. De ministeriele beschikkingen, waarbij de rijksbijdrage istoegekend c.q. gewijzigd.2. Gedurende 50 jaar de jaarlijkse exploitatiebijdragen, ge-splitst in normale bijdragen, bijzondere bijdragen, (b.v.krotopruiming- of bejaardenbijdrage) en geheel ten lastevan de gemeente komende bijdragen.3. De jaarlijkse mutaties in de risicoreserve, bedoeld inartikel 24c van het woningbesluit, waardoor het saldo vandeze reserve aan het eind van het jaar steeds zonder meerzichtbaar is.4. De weekhuur per woning, de onderhoudsnorm per wo-ning en de norm voor algemene onkosten per woning, metde daarin optredende mutaties.5. De aanwending van de batige saldi op basis van art. 29van het woningbesluit.6. De aanwending van de geldmiddelen van het gemeen-schappelijk fonds, bedoeld in art. 29, sub d, van het wo-ningbesluit (aan de hand van deze gegevens zal het ver-slag omtrent het gemeenschappelijk fonds bedoeld in art.29a, lid 3, van het woningbesluit gemakkelijk kunnenworden samengesteld).Een proefexemplaar van het kaartmodel, dat zowel bruikbaaris bij gemeentebouw als bij verenigingsbouw, wordt U opaanvraag gaarne toegezonden.(Vervolg van pag. 23)cieel oogpunt en uit het oogpunt van het leren ,,wonen" doordeze tussenfase kunnen worden ondervangen. Het grote psy-chologische nadeel voor bejaarden en alleenstaanden, in grotegetale in speciaal voor hen ingerichte behuizing te wordenondergebracht zou -- indien gewenst -- zijn opgeheven en lastbut not least het einde der woningnood zou enige jaren eerderdan thans het geval is, in zicht kunnen worden gebracht.24 Hn.Commentaar op een commentaarMet instemming las ik in het Novembernummer van 1954het commentaar van L. van Thoor op het artikel ,,Moeilijk-heden zijn er om overwonnen te worden".Ik ben het geheel met zijn conclusie eens dat de woningbouw-vereniging de reserve ex art. 24c van het Woningbesluit be-heert en niet B. & W.Ik betwijfel echter of het juist is om, zoals in bedoeld com-mentaar gebeurt, te spreken van een ,,eigen" fonds en van..eigen middelen" van de woningbouwvereniging.Volgens het Woningbesluit wordt aan het verstrekken vanbijdragen uit 's Rijkskas de voorwaarde verbonden dat be-doelde reserve wordt gevormd. De bijdragen worden norma-liter aan de gemeenten verstrekt in welk geval volgens deBeschikking Bijdragen Woningwetbouw 1948 de gemeentenverplicht zijn zorg te dragen voor het vormen van de reserve.Bij het ,,doorgeven" van de bijdragen kan de gemeente dewoningbouwvereniging de verplichting opleggen in de vormingvan de reserve deel te nemen.Nergens is echter bepaald dat de door de gemeente voor devorming van de reserve te verrichten stortingen eigendom vande woningbouwvereniging worden, al is deze met het beheervan de reserve belast. In feite is over deze kwestie niets ge-regeld en men vraagt zich af o'f de redacteur van bedoeldebeschikking een duidelijke voorstelling heeft gehad van deaard van de ..reserve" en haar juridische consequenties.De vraag of de reserve tot de eigen middelen van de vereni-ging behoort is niet alleen van theoretisch belang. Zo heeftmen met deze vraag al dadelijk te maken wanneer de statutenvan de vereniging bepalingen bevatten over de wijze van hetbeheer en het beschikken over de eigen middelen van de ver-eniging.P. J. M. v.d. GIESSENFinanciele afwikkeling woningwetbouwIn het vorige nummer van ons blad werd door W. S. onderbovenstaande titel een artikel geschreven, hetwelk U op depagina's 6 en 7 afgedrukt vindt.Hierin wordt medegedeeld, dat in afwachting van de defini-tieve vaststelling van de rijksbijdrage een voorschot vanf 300.^-- per woning per jaar kan worden verleend. De beta-lingen der annuiteiten op de ontvangen credieten voor grond-en bouw-kosten kunnen echter lang niet door bovengenoemdvoorschot worden gedekt. Indien de gemeente bereid is het --door het uitblijven van de definitieve afwikkeling -- voorlopigetekort door gelden in rekening-courant te dekken, dient ookdaarvoor weer rente te worden betaald. Daardoor wordt hetdoor de woningbouwvereniging van de gemeente geleendebedrag steeds groter.Naar aanleiding hiervan merkt een onzer leden in Amsterdamop dat zij, in afwachting van de definitieve afwikkeling, toe-stemming heeft verkregen van de te betalen annuiteiten slechtshet renfe-aandeel te voldoen. Komt de uiteindelijke financieleafwikkeling af en is zodoende de rijksbijdrage '-- met terug-werkende kracht '- vastgesteld, dan worden uit de dan ver-kregen middelen de a//ossfn^s-bestanddelen der annuiteiten,welke nog verschuldigd waren, voldaan.Wij zijn voor deze mededeling zeer erkentelijk en menen ditgezichtspunt nadrukkelijk onder ogen van onze lezers te moe-ten brengen. Mogelijk dat dit voor woningbouwverenigingenperspectieven opent om op boven omschreven wijze een op-lossing voor dit vraagstuk te vinden. Hn.^^M^??^ederIan dLeerdam - Zestig jaar Cliristelijke Sociale ActieVeertig jaar VolkshuisvestingIn verband met het 60-jarig bestaan van de Afdeling Leer-dam van het Ned. Werkliedenverbond ,,Patrimonium" en het40-jarig bestaan van de Patrimoniumstichting tot Verbeteringvan de Volkshuisvesting is een gedenkboekje uitgegeven. Hier-uit blijkt dat ,,Patrimonium" vooral in de beginjaren heeftdeelgenomen aan tal van loonacties; zich heeft verzet tegenZondags- en nachtarbeid. Krachtig is medegewerkt aan deopbouw van de Chr. Vakorganisatie. De laatste jaren heeft deafdehng vooral het werk onder de rijpere jeugd verzorgd. Talvan jaren worden reeds z.g. zaagclubs gevormd, die zich ineen drukke belangstelling mogen verheugen.In 1912 is de stoot gegeven tot het oprichten van een woning-stichting, welke in 1915 de eerste woningen heeft gebouwd.Het is Patrimonium geweest dat in Leerdam heeft doen ziende grote betekenis van de toepassing van de woningwet 1901.Vooral voor de eerste wereldoorlog was de huisvesting derarbeiders zeer droevig. Grote moeilijkheden moesten dan ookoverwonnen worden om tot bouwen te komen. Bij het uitbre-ken van de 2e wereldoorlog bestond het bezit van de Patrimo-niumstichting uit 321 woningen. Na de oorlog zijn er nog 236bijgebouwd, zodat er thans 557 Patrimoniumwoningen zijn, ter-wijl ook het Bejaardencentrum ,,Koningin Emmahuis" met bij-behorende 23 w0ningen door de Patrimoniumstichting isgebouwd. Tal van plannen zijn nog in voorbereiding o.a. debouw van 38 woningwetwoningen, waarbij een 30 tal metmeer slaapkamers en daarnaast een aantal middenstandswo-ningen.Verder is er een plan om het Wijkgebouw der Stichting totcentrum der bewoners te maken voor het vieren van hunfamiliefeesten, jubilea, e.d.Door tal van plaatselijke predikanten is in de loop der jarenmedegewerkt aan de opbouw van ,,Patrimonium". Verderwaren het de Gemeentegedelegeerden uit de eerste bestaans-jaren der Stichting die veel voor de woningbouw hebben ge-daan.Herhaalde malen is Patrimonium, vooral in de beginjaren be-trokken geweest bij de politieke actie's, zonder dit echter zelfte willen. De Patrimoniumstichting heeft altijd haar woningenverhuurd aan een ieder, die er behoefte aan had, zonder onder-scheid van opvattingen of inzichten. Hierdoor komt des temeer de belangrijkheid van dit werk tot uiting.Ten aanzien van de Afdeling moet worden opgemerkt dat vandegenen, die vanaf de eerste jaren van het bestaan lid zijngeweest, nog in leven is de heer J. Visser, Owensstraat, alhier.,,Patrimonium" heeft naast het practische werk, zich ook steedsbezig gehouden met beginselstudie. Elke winter worden ver-schillende vergaderingen gehouden waar diverse onderwerpenaan de orde komen. Llet is van veel belang dat nog meerderenmede helpen dit werk te dragen. Uit het gedenkboekje blijktdat in 1898 ,,Patrimonium" reeds openbaar getuigenis gafvan haar opvattingen door openbare vergaderingen te organi-seren, met debat, waarin als spreker optrad de oprichter vanhet verbond de heer Klaas Kater. Uit de notulen van de afde-ling Leerdam kan men de sociale geschiedenis van de laatste60 jaar aflezen en zien het aandeel dat Patrimonium heeftgehad in de Qvergang van de arbeiders uit bijna volkomenrechteloosheid tot een behoorlijke rechtszekerheid.Het verheugt ens van het bestuur van de jubilerende woning-bouwvereniging het bovenstaand korte verslag van haar ge-schiedenis te ontvangen en wij geven gaarne plaatsruimte aansoortgelijke verslagen van onze leden.Red.OVRALIN no. 1BINDMIDDEL VOOR VERFPASTA'So.a. in LOODWIT -- ZINKWIT enz.Zowel voor de moderns als de periodiekemethode.Vraagt advies bij:GELDERSE VERFCENTRALE -- APELDOORNTelefoon 5502.^\TTaa
Reacties