OKTOBER 195616e jaarqang - No 10DeWonlngbouwvereniging?n\ MAANDBLAD VAN DE NATIONALE WONINGRAADAdres voor Redactte en Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdam-Z., Tel. 724298-721412Adres voor Advenenties: Keizersgrachi 188. Amsterdam-C, Tel. 49128OE NEDERLANDSEVolkshuisvestingEen Hollands drama,,Leringen wekken, voorbeelden trekken". Het is de moraalvan deze oude zegswijze, die er oiis toe brengt ons hart teluchten over een recente ervaring met de stokkende, horten-de, ingewikkelde machinerie van het Nederlandse maatschap-pij- en organisatieleven. Het op zichzelf simpele verhaalover een betrekkelijk onbelangrijke zaak kan, zo dunkt ons,duidelijk maken hoe verweven, ja bijkans onontwarbaar deover en door elkaar heen vallende contacten in ons kleinelandje zijn geworden. Op vrijwel ieder terrein.Van 1931 af is de vaststelling van het architectenhonorariumvoor de woningwetbouw bij een door de rijksoverheid gesanc-tionneerde afspraak geregeld door de Bond van NederlandseArchitecten (B.N.A.) en de Nationale Woningraad. In ge-noemd jaar kwamen tot stand de zogeheten ,,Regelen enTabel", die dienst hebben gedaan tot 1949. In laatstgenoemdjaar werden uitgevaardigd de ,,Voorlopige Regelen en Tabel1949" op grond waarvan de architectenhonoraria voor de wo-ningwetbouw van na de oorlog tot op dit moment wordenbepaald.De aanduiding ,,Voorlopige Regelen" wijst er al op, dat hetin het voornemen lag om te komen tot een definitieve regeling,die uiteraard recht zou doen aan gewijzigde vcrhoudingen inlonen en prijzen en ook aan de ongetwijfeld in omvang toe-genomen en naar de aard enigszins gewijzigde ontwerparbeid.Vandaar dan ook, dat op 5 november 1951 de toenmaligevoorzitter van de B.N.A. een commissie installeerde, welkecommissie een voorstel zou doen voor een definitieve honora-riumregeling. De commissie was niet alleen samengesteld uitvertegenwoordigers van de B.N.A. en de Woningraad; ookhet Katholiek Instituut voor Volkshuisvesting had vertegen-woordiging gevraagd en verkregen. Dit niet, omdat er ook,,katholieke honoraria" in het geding zouden zijn, zoals delezer trouwens moet begrijpen, maar omdat het Instituut nueenmaal bezwaarlijk kan ontbreken bij besprekingen, waar-mede het mogelijk lets te maken heeft. Voorts hadden in decommissie zitting twee ,,waarnemers" van het Ministerie vanWederopbouw en Volkshuisvesting, hetgeen uitermate nuttigis, omdat door hca het departement op de hoogte kan zijn vanhet ,,hoe en waarom" der voor te dragen regeling. Nadat decommissie met haar werk was begonnen trok het Verbondvan Protestants Christelijke Woningbouwverenigingen aan debel. Niet bij de B.N.A., de Woningraad of het Katholiek In-stituut, maar bij de Minister. Het wilde 66k in de commissie.Voorzover wij het kunnen zien koesterde het deze hartewensniet omdat de in het geding zijnde belangen in de reeds ge-vormde commissie onvoldoende zouden worden behartigd. Hierwas, als zo vaak, het punt aan de orde: ,,Hij er in, dan ikook er in!". Men moet nu wel beseffen, dat onmogelijk eennieuweling in enige commissie kan indringen zonder een ket-tingreactie te veroorzaken. De man van het Verbond, die dedeur voor zich zag opengaan, verstoorde ook in het onder-havige geval het zorgvuldig bepaalde evenwicht, weshalve totherstel een extra-vertegenwoordiger van de B.N.A. moestworden aangewezen. Zo is ieder streven om uit overwegin-gen van doelmatigheid een Nederlandse commissie klein vanomvang te houden bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Mendenke in dit verband aan de openbaar gemaakte klacht vande voorzitter van de Sociaal Economische Raad. Prof, deVries. Deze verzuchtte onlangs, dat hij moest vrezen voorernstige complicaties in het werk voor de publiekrechtelijkebedrijfsorganisatie door de breidelloze groei van de omvangder P.B.O.-organen. Een groei, veroorzaakt door de in de topsteeds schadelijker wordende drie-deling van het Nederlandseorganisatieleven.Men dient, tot goed begrip van hetgeen nog volgen zal, teweten welke figuren zoal in de commissie terechtgekomenwaren. Voorzitter was een toenmalig Commissaris van deKoningin, oud-burgemeester, later lid van de Raad van State.Een figuur met brede bestuurservaring dus, een man, alomgeacht om zijn bezonken en objectief oordeel. Als ,,waarne-mers" van het Ministerie waren aangewezen twee op het on-derwerpelijke terrein zeer deskundige hoofdambtenaren. DeWoningraad vaardigde af een wethouder van een grote ge-meente en de adjunct-directeur van de Woningdienst dier ge-meente. Beide figuren mogen geacht worden het belang vande opdrachtgevers bij de samenstelling van een honorarium-tabel goed te kunnen behartigen. Het Katholiek Instituut zondeen jurist, die zoals wij weten, methodisch denken paart aaneen scherp oordeel. Het Verbond vaardigde een vertegen-woordiger af, ervaren in het werk van een woningbouwver-eniging in een grote stad. De B.N.A. tenslotte had er begrijpe-lijk belang bij om een viertal vooraanstaande leden in het over-leg te betrekken. Men zal bezwaarlijk kunnen stellen, dat dezeclub niet capabel of competent zou zijn om een redelijk voor- 153154stel voor een nieuwe regeling ter tafel te brengen. Terloopszij nog opgemerkt, dat zowel de B.N.A. als de Woningraad inhun publiciteitsorganen en hun jaarversiagen melding maak-ten van de instelling der commissie.leder zou nu, na deze aanloop, verwachten, dat de sprongmet succes wordt gedaan. Dat de commissie haar voorstelindient (inderdaad; op 13 September 1955, bijna vier jaar nahaar installatie) dat de constituerende organisaties er haar fiataan geven (hetgeen is geschied) en dat tenslotte de Ministerdank zij ook de medewerking van zijn gemachtigde ,,waarne-mers", aan de regeling zijn hoge bekrachtiging zal schenken.De redelijke verwachting, dat het schip in veilige haven zalzijn geloodst, blijkt niet in vervulling te gaan. Er ontstaat eennieuwe situatie. In het begin van 1956 wendt de Verenigingvan Nederlandse gemeenten zich tot de B.N.A. met het ver-zoek gekend te worden in het beraad over de nieuwe honora-riumregeling. De B.N.A. schrikt. En terecht. In de ontworpenregeling is bepaald, dat zij van 1 juli 1955 af zal gelden. Devigerende voorlopige regeling (met de op de tafel toegepasteprocentueie verhogingcn) bevredigt niet. Het is om velerleireden gewenst, dat de nieuwe definitieve regeling, waar al zolang aan gedokterd is, spoedig in werking treedt. De moge-lijkheid daartoe raakt volkomen uit het gezicht als nu hetoverleg opnieuw moet worden geopend. De B.N.A. wijst, naruggespraak met zijn partners, het verzoek van de Verenigingvan Nederlandse Gemeenten af. Op een zeer hoffelijke manieruiteraard en met volmondige erkenning van het grote gezagder Vereniging. De B.N.A. doet een klemmend beroep op deVereniging om zich nu bij het bereikte resultaat neer te leggen,daarbij de verzekering gevend, dat in het vervolg de Vereni-ging zal meespreken. In de brief aan de Minister, waarmedede regeling ter bekrachtiging wordt aangeboden, maken de bijde zaak betrokken organisaties correct melding van het (late)verzoek der Vereniging en van de weigering er op in te gaan.Die brief is in de eerste hclft van februari 1956 in circulatiegeraakt en heeft begin maart het Ministerie bereikt.Na dit feitelijk relaas nu enig verklarend commentaar onzer-zijds. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten is er ken-nelijk pas heel laat achtergekomen, dat er een nieuwe rege-ling in voorbereiding was. Zou zij het -- hetgeen mogelijk waregeweest -- betrekkelijk kort na het instellen van de commissiehebben bemerkt, dan zou er natuurlijk desverlangd tegen eenstevige vertegenwoordiging van de Vereniging geen bezwaarzijn geweest (afgezien van het algemene bezwaar tegen eente grote omvang van commissies). Nu echter komt het verzoekop het tijdstip, waarop het moeizame karwei is verricht. Waar-om wordt het verzoek gedaan? Omdat, hetgeen het eerst voorde hand zou moeten liggen, de commissie en de constituerendeorganisaties niet in staat zijn te achten dit werk op verant-woorde wijze te doen? Geen woord daarover! Neen, de Ver-eniging behoort er van nature bij te zijn, omdat er gemeente-lijke belangen aan de orde komen. Weliswaar deed de Vereni-ging nimmer tevoren mee bij het overleg over en de interpre-tatie van de honorariumregelingen, maar het wordt tijd, ookal is het op een uitermate ongelegen moment, dat dit verandert.De eis om mee te praten, mee te overleggen, mee te beslissenwordt op tafel gelegd los van de vraag wat er intussen aanwerk is verricht. Voor de volkomen oprecht gemeende verze-kering van de B.N.A. c.s., dat de Vereniging er heus wel bijhoort en er voortaan ook bij zal zijn, koopt het ,,Parlement derGemeenten" niets. Wat kan er overblijven van het gezag, hetaanzien, de betekenis, de macht ener organisatie als zij nietmeedoet aan alle, haar regarderende commissiewerk? Hetpaleis in de Paleisstraat wankelt op zijn grondvesten als enigezaak, waarbij gemeentelijk belang is te construeren, niet medebinnen zijn muren zou zijn bedisseld. De commissie voor volks-huisvestingszaken van de Vereniging is voor altijd geblameerdals er een honorariumregeling tot stand komt zonder dat zij erhaar licht (uit overigens volkomen gestandaardiseerde gloei-lampen) over heeft laten schijnen.Wij hebben reden om aan te nemen, dat de Vereniging nietheeft berust in de hoffelijke afwijzing van haar verzoek. Wijmenen te weten, dat de Minister, hierom gevraagd zijnde, deontworpen regeling aan de Vereniging om advies heeft ge-zonden. Het is waarschijnlijk, dat de commissie-volkshuis-vesting van de Vereniging zich over de ontwerp-rcgeling heeftberaden. Reeds eerder stelden wij vast, dat de Minister zeergevoelig is voor het klimaat in de Paleisstraat. Mogen wij nuook zeggen, dat het in onze Nederlandse verhoudingen en nahetgeen voorafging eenvoudig ondenkbaar is. dat de Vereni-ging geen bezwaren te berde zou brengen? Als men eerst --naar het eigen gevoel althans -- de neus heeft gestoten envervolgens kans heeft gezien een Minister overstag te latengaan, zou men zich dan eenvoudig kunnen neerlcggen bij het-geen men met zoveel moeite toch in de vingers heeft gekregen?Neen! Freud zou zich in zijn graf omdraaien om het frustrerenvan zijn theorie! De berg zou dan met recht een muis hebbengebaard.Er is derhalve niet veel fantasie voor nodig om tot de conclusiete komen, dat de Vereniging van Nederlandse gemeenten aande Minister bezwaren tegen de ontworpen regeling heeft ken-baar gemaakt. Ook al in verband met de inmiddels weer ver-streken tijd zal de Minister zich hebben gehaast die bezwarenter kennis te brengen van de organisaties, die gemeenschappe-lijk de nieuwe regeling hebben voorgedragen. Zo is dan op15 oktober 1956 het antwoord binnengekomen op de indie-ningsbrief van februari-maart 1956. Het antwoord is voorals-nog afwijzend! Ongetwijfeld zullen de gemeenschappelijk op-tredende organisaties zich beraden over de ontstane situatie.Het past derhalve niet om in deze beschouwing op de geblekenstrijdpunten in te gaan. Voor een uitzondering menen wijechter alle reden te hebben. Niet in de eerste plaats om heteventuele zakelijke verschil van inzicht, maar wel vanwege demotivering van de afwijkende mening.In het voorbijgaan merken wij nog op, dat de Minister in zijnbrief nog in zeer positieve zin onderstreept, dat de Verenigingvan Nederlandse Gemeenten bij de uitvoering van de nieuweregeling moet worden betrokken en meer in het bijzonder ooknog bij het beraad over de punten, waarmede de Ministerhet blijkens zijn brief niet eens is. Hier bemerkt de lezer, datmet volledig voorbijgaan aan het toch essentiele belang vaneen spoedig afdoening de Vereniging door een driedubbeleachterdeur wordt binnengeloodst.Euphemistisch moet het heten als de Minister schrijft het ingrote trekken met de voorgestclde regeling eens te zijn, maartoch ook ernstig bezwaar te hebben tegen de tabel, die, zoalsvanzelf spreekt, het hart van de regeling vormt. Een uitweidingis nodig om duidelijk te maken waarom het precies gaat. Thanswordt het honorarium voor een project bepaald naar tweecriteria, t.w. het aantal woningen en de inhoud dier woningen.In de practijk is dit niet bevrcdigend. Als zich in een complexvan 100 woningen slechts een type, een zelfde plattegrondvoordoet, dan wordt het honorarium naar 100 woningen be-rekend. Bevat zo'n plan echter vier of vijf of zelfs nog meerverschillende plattegronden, dan levert dat voor de architectzeer veel meer werk op, hoewel hij nochtans evenzeer voor 100woningen krijgt betaald. Wij laten nu in het midden of dearchitect in het eerste geval te veel en in het tweede gevalte weinig krijgt; duidelijk is, dat door deze honorariumbereke-ning aan het feitelijke verschil in de omvang der werkzaam-heden niet in het minst recht wordt gedaan. Vandaar dan ook,dat in het voorstel voor de nieuwe regeling ook het aantalwoningtypen in een plar invloed op de berekening van hethonorarium uitoefent. De wijze, waarop de invloed van deverschillende criteria tegen elkaar moeten worden afgewogen,is uiteraard object van zeer zorgvuldig onderzoek geweest. Erzijn wiskunstenaars aan te pas gekomen om een bruikbareoplossing aan de hand te doen. De gekozen oplossing is uitge-zet op een groot aantal concrete plannen. Daarbij bleek, datde uitkomsten zowel voor opdrachtgevers als voor architectenaanvaardbaar mochten heten. Afgezien van de gevolgen decalgemene kostenstijgingen zal toepassing van de voorgesteldereveling het totale honorarium voor de woningwetbouw nietbelangrijk hoger doen zijn dan bij toepassing van de bestaanderegeling.De Minister motiveert nu zijn bezwaar tegen de nieuwe be-rekeningsmethode met de stelling, dat zij ,,bij de ontwerpersmoet leiden tot een streven het aantal, plattegrondtypen bin-nen een bouwplan op te voeren, omdat daarmede het honora-rium aanzienhjk wordt verhoogd". Hier past een ogenbhkstilteWij behoeven ons bij dit ernstige ministeriele verwijt aan hetadres van de Nederlandse architecten niet in de eerste plaatspartij te achten. Niettemin geloven wij tenminste uiting temoeten geven aan onze verbazing over het hchtvaardig pone-ren van een stelhng, die ,,de" architecten beticht van het on-verhuld streven naar eigenbelang via hun ontwerparbeid.De stelhng is overigens onhoudbaar. Zij gaat volkomen voor-bij aan de rol en de invloed van de opdrachtgevers, die tochin de eerste plaats geroepen zijn het bouwprogramma te be-palen aan de hand waarvan de architect zijn ontwerp ver-vaardigt. Als de Minister het hier aan de orde zijnde bezwaarinderdaad heeft ontleend aan hetgeen het beraad binnen deVereniging van Nederlandse Gemeenten heeft opgeleverd,dan heeft die Vereniging de invloed van haar leden op degang van zaken wel bijzonder zwaar onderschat!baar is eerst het gemeentelijk uitbreidingsplan, dat met dedaarbij behorende bebouwingsvoorschriften al voor een be-langrijk deel bepaalt hoe de concrete bouwplannen er uit zul-len'zien. Dan is er de gemeente of de woningbouwvereniging,die aan de architect kenbaar maakt wat men wenst. Deze op-drachtgevers zijn door de woningbouwpractijk van de laatstejaren heus wel getemd in hun verlangen naar gedifferentieerdeontwerpen! Vervolgens zijn er altijd de gemeentelijke techni-sche diensten, die van het begin tot het einde hun invloed ophet ontwerp uitoefenen. De directies van de Wederopbouwen de Volkshuisvesting in de provincie zouden desverlangdmeer en beter aandacht kunnen schenken aan de economie vande haar voorgelegde plannen dan aan de besteksparagrafen.Zelfs als men zou menen, dat met de architecten cok de op-drachtgevers het wel zouden geloven, dan is daar altijd nogde burcht van het departement met zijn voorposten.Er zou ongetwijfeld nog veel meer tegen de brief van deMinister zifn aan te voeren. Wij zien daar van af, omdat ditin onderling overleg wellicht ter aangehaalder plaatse zal ge-beuren. Wij hebben het evenwel van belang geacht de hoofd-zaken van de voorbereiding der nieuwe honorariumregelingopenbaar te maken.De geschiedenis lijkt ons een schoolvoorbeeld van de wijze,waarop in dit tijdsgewricht in ons land talloze zaken worden,,behartiqd". Zo nu en dan moet -- ook al raakt men daarbijaan heilige huisjes -- onomwonden worden gesteld, dat hoe-veelheden tijd, energie en geld worden verspild. In het onder-havige geval is er reden om zonder enige reserve van verspil-ling te spreken, omdat enig denkbaar resultaat van de moei-zame uitvinding van het principiele bezwaar eerst en van hetopnieuw te openen overleg later niet te verwachten valt.Voor het geval men geneigd zou zijn deze wat wrange penne-vrucht toe te schrijven aan een zekere ,geraaktheid" van deauteur, bedenke men, dat het is gepubliceerd onder het motto:,,Leringen wekken, voorbeelden trekken".W. S.Voorlopige uitkomsten voor het Rijk en de provin-cies van de Algemene Woningtelling 1956Mededeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek --augustus 1956.1. Algemene toelichtingTeneinde na afloop van de aan de Algemene Woningtelling1956 verbonden eigenlijke telwerkzaamheden op korte termijnover een aantal totaalcijfers te kunnen beschikken, is aan degemeentebesturen verzocht om zo snel mogelijk na 30 juni, dedatum naar de toestand waarvan de telling heeft plaatsgevon-den, aan het Centraal Bureau voor de Statistiek een recapitu-latie toe te zenden van de telregisters, waarop de tellers ge-durende de telling de door hen aangelegde vragenlijsten heb-ben verantwoord.Uiteraard dragen de op deze wijze verkregen totaalcijfersslechts een voorlopig karakter. Enerzijds, omdat in de ge-meenten op het tijdstip van inzending een laatste controle opde volledigheid van het telmateriaal, aan de hand van hetwoningregister bij het bevolkingsregister, nog niet had plaats-gehad en anderzijds, omdat bij het Centraal Bureau voor deStatistiek de controle op de invuUing der vragenlijsten nogniet heeft plaatsgevonden. Voorts zijn bij de vaststelling vandeze voorlopige cijfers de woningen in of op het terrein vangestichten en instellingen en de daarin wonende huishoudensen andere personen nog buiten beschouwen gebleven.Ten behoeve van een juiste interpretatie der cijfers zij noghet volgende opgemerkt.In deze voorlopige uitkomsten hebben de cijfers over de totalewoningvoorraad betrekking op de woningen in bouwtechnischezin (zowel de bewoondc als de onbewoonde en inclusief debijzondere wooneenheden) en voorts op de noodwoningen ennoodboerderijen. Onder de woningen in bouwtechnische zinzijn mede begrepen, die waarin zgn. woningen zonder eigentoegangsdeur zijn aangetroffen. Deze woningen zonder eigentoegangsdeur (d.w.z. de delen van bouwtechnische woningen,welke niet in onderhuur van de hoofdbewoner worden be-woond doch rechtstreeks van de eigenaar zijn gehuurd) zijn,hoewel bij de telling afzonderlijk geteld, thans nog niet alsafzonderlijke eenheden in de woningvoorraad opgenomen. Tenbehoeve van de definitieve uitkomsten, welke in de komendetwaalf maanden geleidelijk per gemeente beschikbaar zullenkomen, zal, mede in overleg met de gemeentebesturen, wor-den nagegaan, welke woningen zonder eigen toegangsdeuralsnog als afzonderlijke eenheden tot de woningvoorraad kun-nen worden gerekend.Bij het bepalen van de woningbehoefte is voorlopig aange-sloten op een van de ook in het kader van de Woning- engezinstelling van 31 mei 1947 gehanteerde veronderstellingennl., dat als woningbehoevend zijn aangemerkt alle huishou-dens van 2 of meer personen en voorts de alleenstaanden, diealleen of als hoofdbewoner een woning bewonen.Aangezien bij de thans gehouden woningtelling, met name tenaanzien van de aangetroffen samenwoningen, meer gedetail-leerde gegevens zijn verzameld dan in 1947 zal, na de bewer-king daarvan, een beter inzicht in de aard der samenwoningenkunnen worden verkregen en een meer nauwkeurlge bepalingvan de werkelijke woningbehoefte mogelijk zijn.Na het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat de definitievecijfers over de woningvoorraad en de woningbehoefte straksafwijkingen '-- en in bepaalde gevallen wellicht niet onbelang-rijke afwijkingen -- zullen vertonen van de voorlopige uitkom-sten. Dit betekent, dat ook de thans op grond van de telhngbeschikbare cijfers over de grootte van het woningtekort (--)resp. van het woningoverschot ({) nog als ,,ongecorrlgeerd"moeten worden beschouwd.Ter toelichting van de overlge in de tabel gebrulkte begrlp-pen diene het volgende. 155156Als ivoning is beschouwd elk perceel of perceelsgedeelte, datvolgens bouw of verbouw blijvend is bestemd voor bewoningdoor een huishouden. Als maatstaf geldt de aanwezigheid vaneen eigen toegangsdeur, welke, hetzij van de openbare wegaf (al of niet via tuin, erf, e.d.), hetzij van een gemeenschap-pelijke ruimte uit (trappenhuis, portaal, galerij, e.d.) toeganggeeft tot de woning.Voor bijzondere wooneenheden geldt dezelfde omschrijving.Zi] onderscheiden zich echter van de woningen in bovenbe-doelde zin door hun beperkte opzet (minder vertrekken daneen normale woning) en doordat zij speciaal zijn gebouwdvoor de huisvesting van bijzondere categodeen der bevolking(werkende vrouwen, ouden van dagen, e.d.).Ondanks de genoemde beperkte opzet moet toch de mogelijk-heid aanwezig zijn voor hct voeren van een afzonderlijke huis-houding.Tot de bewoonde andere ruimten zijn allereerst de door degemeentelijke of Rijksoverheid gefinancierde noodwoningenen ncodboerderijen gerekend. Voorts de woonverblijven,welke wel voor permanente woning zijn bestemd, doch nietals afzonderlijke woningen in de zin van bovengenoemde defi-nitie kunnen worden beschouwd (woonruimten in hotels, e.d.),woonverblijven, welke bij de bouw slechts voor tijdelijke be-woning zijn bestemd (zomerhuizen, e.d.) en woonverblijven,welke niet resp. niet meer voor bewoning zijn bestemd (be-woonde keet, schuur, e.d. resp. bewoonde onherroepelijk onbe-woonbaar verklaarde woningen), alsmede woonschepen enwoonwagens met vaste standplaats.Als huishoudens zijn beschouwd alle eigenlijke gezinnen (echt-paar met of zonder niet-gehuwde kinderen, vader of moedermet niet-gehuwde kinderen) en voorts alle groepen van tweeof meer personen (weduwnaar met huishoudster, twee zusters,enz.), die geen eigenlijk gezin vormen doch wel een gemeen-schappelijke huishouding voeren.Als alleenstaand zijn aangemerkt alle personen, die niet meteen of meer anderen in huiselijk verkeer samenwonen envoorts ook alle in het huishouden van anderen opgenomengehuwde personen (bijv. een bij de ouders wonende gehuwdezoon of dochter, een in een huishouden opgenomen gehuwdekostganger).2. Korte toelichting op de cijfersDe tabel op bladzijde 157 geeft een overzicht van de voorlopigeuitkomsten voor het Rijk en de afzonderlijke provincies.Uitgaande van de eerder gegeven begripsomschrijvingen be-droeg de woningvoorraad van Nederland op 30 juni 19562 533 000 en de woningbehoefte 2 791 000. Het verschil van258 000 geeft een beeld van de grootte van het woningtekort.Bij dit laatste cijfer dient men rekening te houden met het feit,dat de voorlopige uitkomsten voor 42 gemeenten geen woning-tekort, doch een woningoverschot aanwijzen. Aangezien deoverschotten in deze gemeenten in principe niet kunnen dienenter opheffing van tekorten in andere gemeenten, dient bij be-paling van het totale nog op te vangen tekort voor het Rijkc.q. de provincies te worden uitgegaan van de gemeenten waaralsnog van een tekort sprake is. Op 30 juni jl. bedroeg hetgezamenlijk overschot in de eerder bedoelde 42 gemeentenslechts 477, hetgeen in het op duizendtal afgeronde woning-tekortcijfer van 258 000 voor het Rijk als geheel dus geenverandering brengt. In dit cijfer is geen rekening gehoudenmet een onder normale omstandigheden algemeen noodzakelijkgeachte woningreserve.Reeds is er met nadruk de aandacht op gevestigd, dat hiersprake is van ongecorrigeerde voorlopige cijfers. In die overde woningvoorraad is nl. nog geen rekening gehouden met derond 30 000 getelde zgn. woningen zonder eigen toegangs-deur. Eerst bij de verdere bewerking zal blijken hoeveel vandeze woningen als een aanvaardbare behuizing zullen kunnenworden beschouwd, welk aantal dan een even zo grote ver-laging van bovenvermeld woningtekortcijfer zal betekenen.Een in dezelfde richting gaande correctie zal kunnen plaats-vinden, zodra bij de verdere bewerking bijv. is gebleken voorhoeveel inwonende gezinnen de inwoning geen verband houdtmet de op dit ogenblik bestaande woningnood.In de jaarverslagen van de Centrale Directie van de Weder-opbouw en de Volkshuisvesting is tot dusverre voor deze tweetactoren een cijfer van resp. 31 000 en 50 000 aangehouden.Van deze cijfers uitgaande zou het bovengenoemde ongecor-rigeerde woningtekortcijfer van 258 000 dan verminderen tot177 000. Uiteraard wordt hiermee vooruitgelopen op de defi-nitieve cijfers. Vandaar, dat in het navolgende nog de ,.onge-corrigeerde" cijfers als uitgangspunt zijn genomen. Nog zijvermeld, dat onder de 18 000 onbewoonde woningen medezijn begrepen de op 30 juni gereedzijnde doch nog niet betrok-ken nieuwe woningen, alsmede de in verband met bescha-diging tijdelijk niet bewoonde woningen.Ten opzichte van de totale woningvoorraad bedraagt het on-gecorrigeerde woningtekort thans rond 10%. Voor zes pro-vincies ligt dit cijfer hoger, te weten voor Limburg (15%),voor Gelderland, Utrecht en Zuid-Holland (elk 12%) envoor Overijssel en Noord-Brabant (elk 11%). In de overigevijf provincies blijft het beneden het Rijksgemiddelde en welin Drenthe en Noord-Holland (elk met 9%), in Groningen(6%) en in Friesland en Zeeland (elk met 4%).Ook voor deze regionale cijfers gelden de ten aanzien van hetRijkscijfer gemaaKte voorbehouden. Voorts dient er rekeningmee te worden gehouden, dat in deze cijfers regionale ver-schillen voor wat betreft de kwaliteit der woningen niet totuitdrukking komen. Ook dit aspect zal bij de verdere bewer-king van het telmateriaal nog de bijzondere aandacht hebben.Understaand overzicht geeu tevens een vergehjls.ing van dethans beschikbare voorlopige uitkomsten met de op overeen-komstige wijze samengestelde eindcijters van de aan de Volks-telling van 31 mei 194/ verbonden woningtelling.Ten aanzien van de woningvoorraad kan worden opgemerkt,dat sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog in totaalbijna 500 000 nieuwe woningen zijn tot stand gekomen, terwijl,rekening houdend met vermindering van het aantal woningendoor atbraak, onbewoonbaarverklaring enz., de woningvoor-raad in de periode van negen jaar tussen 31 mei 1947 en 30juni 1956 per saldo met 448 000 woningen is vermeerderd,d.i. rond 21% van de woningvoorraad op 31 mei 1947. Detoeneming bedroeg dus gemiddeld 50 000 per jaar, een nietonbeiangrijk cijfer, lettend op het gemiddelde van rond 32 000per jaar in de vooroorlogse periode 1931 -- 1940. Na 31 mei1947 steeg het aantal woningbehoevende eenheden echter metniet minder dan 408 000, waarbij de hoge, en in al deze jarenboven het vooroorlogs niveau gebleven, huwelijksfrequentie enanderzijds de gunstige ontwikkeling der sterftecijfers een be-langrijke rol hebben gespeeld.Deze in nog sneller tempo dan ons grote totale bevolkings-accres verlopen vermeerdering van het aantal woningbehoe-vende eenheden heeft ertoe geleid, dat voor het Rijk als geheelbezien, van de omvangrijke vermeerdering van de woningvoor-raad sinds 1947 met 448 000 ruim 90% heeft moeten dienenter opvanging van de toeneming der woningbehoefte enslechts 40 000, of nog geen 10%, hebben kunnen bijdragen totvermindering van het op 31 mei 1947 bestaande woningtekort.Volgens de voorlopige cijfers daalde dit tekort van 298 000tot 258 000, d.w.z. van 14% tot 10% van de totale woning-voorraad op beide tijdstippen. Gedurende de laatste jaren ishet tempo van deze daling sneller geweest dan uit boven-staande percentages naar voren komt. Het woningtekort isimmers na mei 1947 nog verder toegenomen. Het lag in dejaren 1948--1950 volgens gemaakte berekeningen 35 000 tot40 000 hoger dan op 31 mei 1947 en bedroeg toen ongeveer16% van de totale woningvoorraad. De geleidelijke afnemingvan het tekort is eerst na 1950 begonnen en sindsdien heeft devermindering dus ongeveer 80 000 bedragen.Uit de cijfers voor de afzonderlijke provincies blijkt, dat in deperiode 1947--1956 voor elk daarvan een, soms niet onbelang-rijke, toeneming van de woningyoorraac/ en ook van de wo-ningfce/joe/te heeft plaats gehad. Het woningtekort, in absolutezin, is in alle provincies afgenomen, behalve in Noord- enZuid-Holland, waar het gelijk is gebleven. Relatief gezien,t.o.v. de woningvoorraad, is de druk van het woningtekort ech-ter ook voor Noord- en Zuid-Holland verminderd, hoewel derelatieve teruggang voor deze provincies en ook voor de pro-vincie Utrecht is achtergebleven bij de daling van het Rijks-geraiddelde.Woningvoorraad, woningbehoefte en woningtekort op 30 j uni 1956 en 31 mei 194730 juni 1956 (voorlopig) 31 mei 1947Woning-voorraad30-6-1956Woning- Woning-WoningtekortWoning- Woning-Woningtekort Woning-Provincie in % in %van dewoning-voorraad30-6-1956voorraad behoefte , , , van deabsoluut j ^^,,.^g,voorraadvoorraad behoefte absoluut31-5-1947 is 100X 1000 1 X 1000 iGroninaen .... 124 131 7 6 109 121 12 11 114 108Fricsland . 121 126 5 4 111 119 8 7 109 106Drcnthe 69 75 6 9 54 64 10 19 128 117Overijssel . 162 180 18 11 131 151 20 15 124 119Gelderland 259 289 30 12 204 241 37 18 127 120Utrecht 144 161 17 12 119 137 18 15 121 118NoordhoUand 511 556 45 9 443 488 45 10 115 114Zuid-Holland 632 706 74 12 529 603 74 14 119 117y.ppland 77 80 3 4 64 71 7 11 120 113Noord-Brabant 270 299 29 11 208 244 36 17 130 123Limburg . 159 183 24 15 113 144 31 27 141 127Nederland (incl. N.C).P.) 2533 2791 258 f 10 2085 2383 298 14 121 117Algemene v/oningtelling 1956. -- Voorlopige uitkomsten (exd. gestichten en instellingen)Woonverblijven BezettingOngecorrigeerdewoning-woningvoorraadkol.2t/m5Ongecorrigeerdewoning-behoeftekol.7t/m10'coWonir gencII.IsBewoondeandere ruimtenHuishoudens van2 of meer personenAUeenstaandenProvinciesc8coo&CoC 1IIIP O
Reacties