NOVEMBER 195616e Jaargang - No 11DeWonlngbouwverenlging?n\ MAANDBLAD VAN DE NATIONALEWONINGRAADAdres voor Redactre en Abonnementen: Wouwermanstraat 27, Amsterdatn-Z., Tel. 724298-721412Adres voor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Tel. 49128DE NEDERLANDSEVolkshuisvestingHet bouwvolumen op zuilenOp een gegeven ogenblik is Nederland in opschudding ge-bracht door het schokkende bericht, dat burgemeester enwethouders van Zutphen het aan die gemeente toegewezenbouwvolumen voor woningwetwoningen onder de drie terplaatse "werkzame bouwverenigingen verdeelden op basis vande uitslag der gemeenteraadsverkiezingen van 1953. Dit be-richt gaf aanleiding tot vermakelijke misverstanden en daar-door ';ot lachwekkende \ erontwaardiging van een aantal kran-tenreacties en zelfs van een geacht Kamerlid.In een uiteenzetting voor de gemeenteraad heeft de burge-meester van Zutphen de gang van zaken verduidelijkt. Er zijndrie woningbouwverenigingen; een prot.-christelijke, eenrooms-katholieke en een algemene. Alle drie willen zij gaarneaan de bouwerij deelnemen. Het is voor een gemeentebestuurvrij moeilijk om voor de verdeling van de bouwmogelijkhedeneen goede ,,sleutel" te vinden. Terloops zij opgemerkt, dat wijer in die gevallen altijd voor pleiten, dat de besturen van dewoningbouwverenigingen het eerst onder elkaar over de ver-deling eens worden en dat zij daarna een gemeenschappelijkvoorstel bij het gemeentebestuur indienen. Goed, dat is inZutphen dus niet gebeurd en deswege redeneerde het ge-meentebestuur dat het dan maar het beste de uitslag der ver-kiezingen tot richtsnoer voor de verdeling kon nemen. Daarbijging het er uiteraard niet om ieder lOe procent van het totaal-aantal uitgebrachte stemmen te herleiden tot een of meer wo-ningen; de uitslag zou slechts aanduiden in welke verhoudingde bouwverenigingen mogelijkheden tot bouwen zouden krij-gen. Wij willen wel verklappen, dat in vele gemeenten deverdeling in grote trekken wordt geregeld naar de samenstel-ling der bevolking, die tot op zekere hoogte o.m. blijkt uit deresultaten van de verkiezingen. Het is natuurlijk niet mogelijkeen methode te vinden, die volkomen beantwoordt aan dewensen en de precieze samenstelling van de bevolking. Aangezien echter telkenjare een verdeling van het bouwvolumenmoet plaatsvinden, kan men, mede om overwegingen van doel-matigheid, van jaar tot jaar streven naar een zo juist mogelijkgemiddelde.Burgemeester en wethouders van Zutphen hebben bij hunverdeling dus gelet op de drie sectoren waarvoor de bouw-verenigingen representatief geacht kunnen worden. Teneindede algemene sector niet te bevoordelen t.o.v. de confessionelegroeperingen heeft men bij de vaststelling der verhouding decijfers van de V.V.D. buiten beschouwing gelaten, daarbijveronderstellende dat uit die hoek weinig of geen gegadigdenvoor een woningwetwoning zouden komen.Daarover nu is een storm losgebarsten, die na het antwoordvan Minister Witte op vragen van het Kamerlid Ritmeestereen storm in een glas water bleek te zijn. De Telegraaf deedhet in zijn berichtgevino over deze zaak voorkomen alsof dekiezers van de V.V.D. door de toegepaste verdeling geheeluitgesloten zouden zijn van de toewijzing van woonruimte inZutphen. Kennelijk in het kielzog van de Telegraaf heeft deheer Ritmeester aan de Minister o.a, gevraagd: ,,Is het juist,dat de aanhangers van de Volkspartij voor Vrijheid en De-mocratie -- op welke partij bij de verkiezing 12% der stem-men zijn uitgebracht -- zijn uitgesloten van enige toewijzingvan woningen?"Het Kamerlid vraagt verder aan de Minister of deze niet vanoordeel is, dat burgemeester en wethouders van Zutphen inhet onderhavige geval ernstig hebben gefaald en of zij daar-om niet tot de orde gerocpen moeten worden,Het antwoord van Minister Witte is nuchter en duidelijk. Debewindsman vestigt er terecht de aandacht op, dat er verschilbestaat in de toewijzing van bouwvolumen aan bouwvereni-gingen (in feite toekenning van subsidie voor de exploitatievan de woningen) en de toewijzing van woonruimte aan in-gezetenen der gemeente. Er is natuurlijk geen sprake van, dataanhangers van welke politieke richting ook bij de toewijzingvan woonruimte uitgesloten zouden worden.Zoals in alle gemeenten geldt ook in Zutphen daarvoor demate van de behoefte aan woonruimte, Dat heeft met eenverdeling van de bouwmogelijkheden onder de bouwvereni-gingen niets te maken. Zo ziet men uit dit verhaal alweer hoegemakkelijk de regelingen op het gebied van de woningbouwtot misverstanden en verkeerde gevolgtrekkingen aanleidinggeven.W. S. 169170Minister Witte antwoordde de Tweede KamerMEER DAN 75.000 WONINGEN IN 1957?De Tweede Kamer heeft met bijzondere belangstelling kennisgenomen van het ..voorlopig streven" van de Minister vanVolkshuisvesting en Bouwnijverheid naar de bouw van 75.000woningen in 1957. In het Voorlopig Verslag van de Kamerop de begroting van de Minister informeerden vele leden ech-ter naar de betekenis van de uitdrukking ..voorlopig" in ditverband. Heeft de Minister daarmede willen zeggen. zo vroe-gen zij, dat het in zijn voornemen ligt te trachten nog bovenevenvermeld aantal uit te komen?In zijn Memorie van Antwoord verklaart de Minister daar-over het volgende: De vele initiatieven tot opvoering van deproduktie, die ook van de zijde van het bedrijfsleven wordenontplooid en de ervaringen, welke tct nu toe in 1956 met hetnieuwe goedkeurings- en subsidiebeleid werden opgedaan,wettigen de verwachting, dat het mogelijk zal zijn in 1957 eenproduktie, overeenkomende met 75.000 woningen te bereikenen wellicht zelfs daar nog een weinig boven uit te gaan.Hierbij dient echter wel te worden overwogen, aldus de Mi-nister, dat er enkele factoren zijn, die de woningproduktiezouden kunnen limiteren tot het voorlopige streefcijfer of zelfs,bij een samenloop van ongunstige omstandigheden, daar be-neden. Te denken valt hierbij met name aan de noodzakelijkekapitaalvoorziening, alsmede o.a. aan de voorraad bouwrijpeterreinen, waarover de gemeenten beschikken en het tempowaarin nieuwe terreinen verworven en ontsloten kunnen wor-den. Voor zover de huidige omstandigheden een prognosetoelaten acht de Minister de kansen op het bereiken van hetniveau overeenkomende met 75.000 waarschijnlijker dan dieop een achterblijven van de produktie bij deze raming.Prioriteit van de woningbouw.Bij vele kamerleden is na kennisneming van het bouwpro-gramma 1957 de vraag gerezen of aan de woningbouw inder-daad de grootste prioriteit wordt toegekend. Zij merkten op,dat in het bouwprogramma 1957 voor gebouwen in het alge-meen 21 % meer is uitgetrokken dan in het bouwprogramma1956. En terwijl voor gebouwen voor handel en verkeer 36%meer is uitgetrokken, dan in 1956 en voor gebouwen voornijverheid 33% meer, de verhoging voor de woningbouwslechts 15% bedraagt.Deze leden achten ook de woningbouw in 1955 in dit opzichtweinig bevredigend, Het voor dat jaar uitgetrokken bouw-volumen voor handel en verkeer werd met 34% overschreden,dat voor nijverheid met 64%. terwijl het voor de woningbouw2% beneden de raming bleef. De cijfers van het eerstekwartaal 1956 duiden nog niet op een verbetering.Zij vroegen de Minister of ook hij niet van oordeel is. dat dewoningbouw ernstig belemmerd wordt door de activiteit inde sector handel en industrie en zo ja. of dan verwacht magworden, dat die activiteit beter in de hand wordt gehouden.Ten aanzien van de vraag naar de prioriteit van de woning-bouw stelde de Minister dat de conclusie, die de betrokkenkamerleden uit de door hen aangevoerde cijfers trokken, hoe-wel voor de hand hggend, toch slechts gedeeltelijk juist is.Ten aanzien van de aangevoerde cijfers over de produktiein het jaar 1955 wijst hij erop, dat het effect der in 1954genomen maatregelen (gedoeld wordt op de afremming vanniet-urgente grote werken. Red.) pas in 1955 merkbaar werd.Voorts is de afremming in enkele sectoren in het jongste ver-leden zo sterk geweest. dat een rechtlijnig voortgaan op dezeweg tot onverantwoorde consequenties zou leiden; te denkenvalt hierbij aan de sectoren handel en verkeer en overigebijzondere gebouwen.In de sector handel en verkeer wordt thans reeds een ingrij-pende regulering toegepast, welke in het belang van de eco-nomische ontwikkeling des lands niet verder kan worden ge-dreven. De Minister onderschrijft de mening van sommigeleden, dat een zeer sterke beperking van de bouwactiviteit inde andere sectoren slechts gedurende cnige tijd mogelijk is.Tevecl woningen in uitvoering?Van het grote aantal woningen in uitvoering (op I Septem-ber 1956 bijna 90.000) waren vele leden volstrekt niet onderde indruk gekomen. Zij vinden dit aantal te hoog; het leidttot prijsstijgingen en werkt een inefficiente bouw in de hand.Opvoering van de goedkeuringen is naar hun mening alleendan juist, als deze gepaard gaat met een evenredige stijgingvan het aantal gereedgekomen woningen, hetgeen echtergeenszins het geval is. De bouwtijd was in 1955 langer danin 1949. niettegenstaande de aanzienlijke vooruitgang van debouwmethoden. Er is een vertraging in het bouwtcmpo.De Minister is in tegenstelling tot deze leden, van oordeel dathet aantal in uitvoering zijnde woningen, dat inmiddels totrond 91.000 is gestegen. niet te hoog is. De stijging van hetuitvoeringsniveau is veroorzaakt, doordat met meer woningenwordt aangevangen dan er gereedkomen en zal eerst geruimetijd later resulteren in een toeneming van het aantal gereed-komende woningen.Het effect van het sedert begin 1955 geleidelijk opgelopen uit-voeringsniveau op het aantal gereed gekomen woningen heeftzich eerst in de loop van 1956 kunnen realiseren in het gereed-komen van hogere aantallen woningen. Zo zijn in het eerste,tweede en derde kwartaal van 1956 respectievelijk 11.422,16.983 en 17.891 woningen gereed gekomen tegen 8.912,14.859 en 6.350 in de overeenkomstige kwartalen van 1955.Het aantal voltooide woningen ligt in 1956 in iedere maand,met uitzondering van februari. hoger dan in de overeenkom-stige maand van 1955.De indexcijfers van de bouwtijd vertonen in 1955 een zekereverhoging vergeleken met die van de onmiddellijk daarvoorliggende jaren.Deze verhoging is voornamelijk een gevolg van de toenemingvan bouw in grote complexen, al of niet in systeembouw enin mindere mate van de toeneming van de woninggrootte. Deontwikkeling van de woningbouwactiviteit in het laatste jaargeeft de Minister geen aanleiding. vermindering van het aan-tal in uitvoering zijnde woningen te zien als een voorwaardevoor verhoging van de totale woningproduktie.Het goedkeuringsbclcid.Naar het oordeel van vele kamerleden zal ook voor 1957 hetinstituut van de rijksgoedkeuring dienen te worden gehan-teerd. Zij achtten dit noodzakelijk om binnen het kader vanhet te verwezenlijken bouwvolume de juiste rangorde te be-waren en in die rangorde aan de woningbouw de hoogsteprioriteit toe te kennen.De Minister deelt de visie van deze leden uiteraard.In zijn Memorie van Antwoord deelt hij mede, dat op 30 Sep-tember 1956 755 bouww^erken met een bouwsom van/ 100.000,-- en meer, met een totale bouwsom van rond 427miljoen gulden nog op de rijksgoedkeuring wachtten.De resultaten van het nieuwe goedkeuringsbeleid blijken uiteen in de Memorie van Antwoord opgenomen staat. In deperiode van 1 januari 1956 tot en met oktober 1956 zijn, be-halve voor 49.643 woningen, die ten laste komen van de aande gemeente toegewezen normale contingenten, addifioneelvoor 20.949 woningen subsidiebeschikkingen afgegeven.In antwoord op de vraag welk systeem de Minister bij zijncontingenteringsbeleid in de komende jaren zou volgen, datvan het behoeftesysteem of dat van de bouwmogelijkheid metcontinubouw, deelde deze mede. dat hij zijn contingenterings-beleid voor het jaar 1957 nauw wenst aan te sluiten bij de in1956 gevolgde werkwijze. Van een contingentering in de ge-ijkte zin van het woord zal daarbij niet gesproken kunnenworden. Aangezien het cchter wel van belang is, dat de ge-meenten enig houvast hebben met het oog op het door hen tevoeren woningbouwbeleid zal aan de gemeenten worden mede-gedeeld welk aantal woningen in elk gcval voor subsidie inaanmerking komt. Dit aantal zal gebaseerd zijn op het ge-meentelijk woningtekort, zoals dit blijkt te zijn volgens dewoningtelling, vermecrderd met de behoefte, die gedurendeeen jaar ontstaat uit de bevolkingsgroei. Aangezien de bouw-capaciteit op vele plaatsen een aanzienlijk hogere woning-produktie zal mogelijk maken, zal voor het surplus hetzclfdesysteem gelden, dat voor 1956 is toegepast.De activiteit zal worden gebaseerd op de aanwezige of in denaaste toekomst te verwachten bouwcapaciteit. Daarbij wordtuitgegaan van de veronderstelling, dat de zich hier en daarvoordoende kapitaalmoeilijkheden geen ernstigc belemmeringin de weg zullen leggen.Bij de opstelling van het bouwprogramma voor 1957 was hetreeds duidelijk, dat de kapitaalmarkt een minder gunstig pers-pectief bood. Het aangeven van oplossingen of uitwegen vande daarmede samenhangende problemen op het gebied vande woningbouw was nog niet mogelijk.De Regering beraadt zich thans over enige maatregelen, weikehaar in staat zullen stellen de huidige moeilijkheden te over-winnen. In het stadium waarin het beraad van de Regeringover deze aangelegenheid zich thans bevindt, kan de Ministernog geen mededelingen doen over de middelen waarmede ende richting waarin op het stuk van de kapitaalvoorziening tenbehoeve van de woningbouw de oplossing van de moeilijkhe-den zal worden gezocht.Raad voor de Woningbouw.Zeer vele leden hebben de Minister gevraagd zijn mening tegeven over het effect van de arbeid van de Raad voor deWoningbouw. Vele leden achten het niet verwonderlijk, datde door de Raad uitgebrachte adviezen weinig anders inhiel-den dan hetgeen de deskundigen reeds sinds jaar en dag heb-ben aanbevolen. Hoe stelt de Minister zich voor te bevorderen,dat deze adviezen in ruimere mate dan thans door de bouw-nijverheid worden opgevolgd, zo vroegen zij.Over het belang van de Raad voor de Woningbouw zegt deMinister, dat dit lichaam een forum heeft geschapen, waarinalle bij de woningbouw betrokkenen in volkomen openheid enonder zeer stimulerende leiding gezamenlijk overleggen omwegen en middelen te vinden, welke de oplossing der pro-blemen van de woningbouw kunnen bespoedigen. Zowel deuitgebrachte adviezen als de hem verschafte rapporten enmededelingen wettigen de verwachting, dat de in de Raadtezamen gebrachte groepen met elkaar werken in deze rich-ting.Overheidsbouwbedrijf.In het Voorlopig Verslag werd door vele leden opnieuw dedeelneming ^ in de een of andere vorm -- van de Overheidin een of meer bouwbedrijven bepleit, zodat daarin directezeggenschap over de wijze van produktie en de prijsvormingwordt verkregen.Van andere zijde werd hiertegen opgemerkt, dat uitgegaanmoet worden van de stelHng, dat in het algemeen de behoef-tenvoorziening, waaronder ook die in de bouwsector, aan hetparticuliere bedrijfsleven dient te worden overgelaten en deOverheid zich dient te beperken tot een beleid, hetwelk zichcrop richt, het bedrijfsleven de kansen, impulsen en richtlijnente geven om zijn taken z(. effectief mogelijk en mede ten dien-ste van het algemeen welzijn te verrichten.Voor zover de bouwnijverheid mistoestanden en tekortkomin-gen vertoont, worden deze door het stichten van overheids-of semi-overheidsbedrijven niet opgeheven.De Minister, in het Voorlopig Verslag gevraagd om zijn visieop deze controversiele aangelegenheid te geven, verklaardein de Memorie van Antwoord, dat hij niet a priori afwijzendstaat tegenover de suggestie om de Overheid in een of anderevorm te doel deelnemen in een of meer particuliere bouwbe-drijven. De vorm van een nationaal bouwbedrijf acht hij, afge-zien van de wenselijkheid. kwalijk uitvoerbaar, maar hij staatopen voor de gedachte, dat de rijksoverheid, hetzij door hetverstrekken van zekere financiele medewerking, hetzij doorhet verlenen van garanties of op andere wijze ertoc mede-werkt, dat op het gebied van de woningbouw nieuwe moge-lijkheden worden geschapen. Zijn medewerking aan de meer-derjarige contracten voor systeembouw werkt in zekere zin,zo meent hij, reeds in deze richting.De Minister deelt het gevoelen van de vele kamerleden, diein de systeembouw een mogelijkheid zien voor moderniseringen opvoering van de produktie. Zowel wat het tempo van debouw als wat de bouwkosten betreft is er echter nog weinigverschil met de bouw volgens traditionele methode. De me-ning, dat de ontwikkeling van de systeembouw te traag voort-gang vindt, deelt de Minister niet. Zijn oordeel over het thansbereikte luidt gunstig, hoewel een verdere ontwikkeling ge-wenst is.Tegen de bouw van semi-permanente huizen en noodwoningenblijft de Minister bezwaren kocsteren.Woningwetbouw-particulicre bouw.Terwijl vele kamerleden zich zeer wel konden verenigcn metde verdeling van de woningproduktie over woningwetwonin-gen en particuliere woningen voor 1957, spraken vele anderenhun bezorgdheid uit over de verhouding tussen de aantallenwoningwetwoningen en premiewoningen welke werden op-geleverd en waarvoor financiering werd vcrleend. De lagereproduktie in 1955 (bijna 8.000 woningen) ging geheel tenkoste van de woningwetbouw, welke niet meer dan 10.000haalde. De luxe bouw in de vrijc sector steeg daarentegenvan 1549 op 2316 woningen. Ook in het eerste kwartaal van1956 bleek het aantal woningen waarvoor de woningwetbij-drage werd toegekend ten opzichte van 1955 gedaald, hetaantal toegezegde premies daarentegen gestegen te zijn.Naar het oordeel van de hier aan het woord zijnde ledenzoekt de Minister de uitbreiding van de contingenten teveelin de sector van de halve premiercgeling.Voor de bezorgdheid van deze leden bestaat volgens de Mi-nister niet genoegzaam grond. De teruggang van de woning-wetbouw in 1955 kan niet vcroorzaakt zijn door de halvepremiebouw, die immers pas in 1955 werd ingevoerd, terwijlde oorzaken van de teruggang van de woningwetbouw in 1955gezocht moeten worden in een periode, die minstens een jaardaaraan vooraf gaat.De ontwikkeling van het eerste kwartaal 1956, waarop ge-wezen werd, heeft zich in de loop van 1956 niet voortgezet.Tot einde oktober 1956 bedroeg het aantal woningen waar-voor een woningwetbijdrage, c.q. een premie werd toegezegd,respectievelijk 35.372 en 32.049 tegenover respectievelijk26.162 en 26.775 in dezelfde maanden van 1955.Op de vraag welke mogelijkheden de Minister ziet om tekomen tot een gelijkluidende subsidieregeling voor woning-wetbouw en particuliere bouw antwoordde de bewindsman, dathij daarvoor geen reeele mogelijkheid ziet.Met de opmerking van vele leden, dat de verschillende wer-king van de beide thans bestaande subsidiesystemen het ge-vaar in zich draagt, dat een deel van de middengroepen tussenwal en schip dreigt te vallen, stemt de Minister in. Hij heeftdan ook aan het begin van dit jaar aan de Voorlopige Raadvoor de Volkshuisvesting advies gevraagd over maatregelendie genomen zouden kunnen worden om zulks te voorkomen.Verenigingsbouw.De Minister is met vele leden van mening, dat de woningwet-bouw door woningbouwcorporaties over het algemeen de 171voorkeur verdient boven bouw door gemeenten. Hij zou ditechter niet zo willen interpreteren, dat bouw door gemeentenslechts toelaatbaar zou zijn wanneer vooraf bewezen is, datbouw door ecn corporatie onmogelijk is. Naar zijn meningbiedt de Woningwet ook geen steun voor een zodanige opvat-ting. De praktijk is thans deze, dat primair aan het oordeelvan de gemeentebesturen wordt overgelaten, of de bouw zalplaats vinden door de gemeente of door een corporatie.In die gevallen echter, waarin goed bestuurde en levenskrach-tige corporaties aanwezig zijn, die blijk geven te willen en tekunnen bouwen, terwijl het gemeentebestuur weigert daartoemedewerking te verlenen, ziet de Minister aanleiding tot hetnemen van stappen zijnerzijds.De nicuwc naam.Over de naamsverandering van het Departement zegt de Mi-nister, dat het wenselijk is geacht, niet met ,,Volkshuisves-ting" te volstaan, nu de bemoeiingen van het Departementzich in het huidige tijdsbestek over een ruimer terrein uit-strekken en met name ook de totstandkoming van velerleiandere bouwwerken dan woningen betreffen.Ten einde de prioriteit van de woningbouw te accentueren isechter ook in de naam van het Departement de Volkshuis-vesting voorop gesteld.Dat kan een huisvrouw, tevens architecte, nooithebben bedoeld!In het juli/augustus 1956-nummer van ons orgaan staat inhet midden der rechterkolom op pagina 106 vermeld, dat me-vrouw Ir. A. Kuiper-Struyk op gestelde vragen geantwoordzou hebben, dat ,,het plaatsen van kolenhokken in douchecelof kast niet zo bezwaarlijk te achten; men dient dan zondermorsen te scheppen".Het is duidelijk, dat het bovenstaande op een misverstand be-rust en dat mevrouw Kuiper juist ernstige bezwaren tegen zulkeen wijze van kolenberging heeft, ook al zou men dan zondermorsen met deze brandstof omgaan.Hoe voorzichtig men ook tewerk gaat; handelingen met stook-kolen geven altijd stof en gruis, zelfs indien deze brandstofin papieren zakken is verpakt. Dat weet iedereen uit de prak-tijk en dat is zeker de spreekster bekend.Wij verzoeken onze lezers dan ook het hierboven weergege-vene z6 te lezen als in de tweede ahnea van deze regels staatvermeld. Red.^M^'?^ed e r la n d172Ditmaal: Groningen - een mijlpaal!In het april 1954-nummer van ons orgaan werd onder de titel,,Groningen: een voorbeeld" een geillustreerd artikel van dehand van de heer Scheerens opgenomen, hetwelk ons in ge-dachten kwam toen wij ons donderdag 22 november naar Gro-ningen begaven om bij de ingebruikneming van de SOO.OOOste,na de oorlog gebouwde, woning aanwezig te zijn.Na interessante inleidingen voor de lunch over ,,Voorzienin-gen in de arbeiderswoning" werd de vergadering van het In-stituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw voortgezet meteen rede van de Minister van Volkshuisvesting en Bouwnij-verheid.De tekst van het gesprokene zult U in het Tijdschrift voorVolkshuisvesting en Stedebouw kunnen vinden; de rede vande Minister is in de dag-, week- en vakbladen opgenomen.De rit naar de SOO.OOOste woning, gebouwd in een complexvoor de woningbouwvereniging ,,Gruno", toonde op dezekoudc en winderige dag het leven en de bedrijvigheid vanGroningen. In de middagzon woeien feestelijk de vlaggen vanland en stad.In een eenvoudige plechtigheid en met enkele gevoelvollewoorden werd door Zijne Excellentie een gedenkplaat in devoorgevel van de betreffende woning onthuld en werd doorZijne Excellentie aan de toekomstige bewoners, een jongondertrouwd stel, de huissleutel overhandigd. Terecht weesde Minister in zijn toespraak op de schrijnende woningnood,die bij de talrijke deskundigen zeker ook door het hoofd zalhebben gespeeld.Het gehele complex is de moeite van het zien en bestuderenmeer dan waard. leder blok woningen heeft in het souterraineen gemeenschappelijke wasruimte, waarin de meest modernewasmachines, centrifuges, droogtrommels en strijkmachinesstaan opgesteld. Centraal in deze wasruimte is een speelhoekvoor kleuters, met glaswanden afgesloten en van speelgoedvoorzien, aangebracht, zodat de kleuters in het oog kunnenworden gehouden als moeder de was gaat doen. De wasruim-ten zijn vanuit het woningblok binnendoor bereikbaar.Een centraal ketelhuis voor het gehele complex zorgt voor eengedeeltelijke centrale verwarming der woningen, te weten dewoonkamer en keuken. Ook het ketelhuis was, hoewel nogniet volledig ingericht, in werking te bezichtigen. Inclusief deextra-voorzieningen en centrale verwarming zuUen de hurenrespectievelijk voor woningen aan de straat en aan de tuinf 17,^- en f 13,50 per week gaan bedragen.Na de korte plechtigheid werden de genodigden in de gele-genheid gesteld een rondrit per bus door de verschillendenieuwe en oude wijken van Groningen te maken. Een gespro-ken toelichting door een deskundige van de gemeente ver-hoogde in belangrijke mate het nut en het effect.Tot slot was er een geanimeerde ontvangst door het Gemeen-tebestuur in het Stadhuis en onder het genot van een aange-kleed aperitief werden gedachten en indrukken gewisseld endaarmee was deze gedenkwaardige dag en interessante bij-eenkomst ten einde. Hn.GEMEENTE S-GRAVENHAGEBij de Stichting ,,Centraal Woningbeheer"kan worden geplaatst eenmaatschappelijk werksterin de rang van Woninginspectrice A, voorhet beheer, in het bijzonder het socialabeheer, van een woonwijk.Salarisgrenzen f 4344.- - f 5700.-.Vereisten: het bezit van een volwaardigdiploma van een School voor MaatschappelijkWork, alsmede enige jaren ervaring op bo-vengenoemd terrein.Leeftijd: niet jonger dan 27 jaar.Indien aan deze eisen niet geheel wordtvoldaan, kan aanstelling in een iagere rangworden overwogen.Uitvoerige, eigenhandig geschreven sollicitaties, metvermelding van volledige voornamen, geboortedatumen -plaats, binnen 14 dagen onder nr. B 201 te zendenaan de Directeur van het Gemeentelijk Bureau voorPersoneelsvoorziening, Kerkplein 3, 's-Gravenhage.Wat de opievertNogmaals: ,,Waardeloze overeenkomsten"Van de hand van de Secretaris van de Nationale Woningraadverscheen in de aflevering van april 1952 van ons maandblad,,De Woningbouwvereniging" een interessant artikel onderde titel ,,waardeloze overeenkomsten". De schrijver hekeldein dit artikel een verschijnsel, dat in het huidig tijdsbestek inmeerdere mate optreedt en opgetreden is, dan in het alge-meen bekend moet worden qeacht. Dit verschijnsel komt hier-op neer, dat een particulier bedrijf een zeker bedrag bijbetaaltin de stichtingskosten van een aantal door de gemeente ofdoor een woningbouwvereniging te bouwen woningen om al-dus die bouw mogelijk te maken en daarvoor bedingt, dat eenbepaald percentage van die woningfer ter beschikking komtte staan voor dat bedrijf ten behoeve van employe's van hetbedrijf. De teneur en strekkinq van dit artikel was, dat der-gelijke contracten geen geldigheid bezitten. Met instemminghaalde de schrijver ter staving van zijn standpunt aan eenvonnis in Kort Ceding van de President dcr Arrond.-Recht-bank te Almelo, waarbij gezegd wordt: ,,dat eiseres (dat is hetbedrijf, dat op grond van een overeenkomst als hierboven aan-gegeven met het gemeentebestuur meende over een bepaaldewoning ten behoeve van een barer employe's te kunnen be-schikken) heeft moeten begrijpen, dat Burgemeester en Wet-houders zich nooit konden verbinden de keuze van de bewo-ners der woningen geheel eenzijdig aan het vrije inzicht vaneiseres over te laten, doch Burgemeester en Wethouders nietverder konden gaan dan goed te vinden, dat de woningenbewoond zouden worden door die mensen in dienst vaneiseres, die losgedacht van de overeenkomst toch al naar dein de gemeente B. geldende maatstaven voor ter beschikking-stelling van woonruimte in aanmerking kwamen."Ongetwijfeld moet in het genoemde vonnis een bevestiginggezien worden van het door de schrijver op zo'n duidelijke enoverzichtelijke wijze ontwikkelde standpunt betreffende dewaardeloosheid van de gewraakte contracten en evenzeer be-grijpelijk is het, dat de schrijver de overwegingen van hetvonnis met instemming als basis van zijn betoog aanhaalt.De aandachtige lezer zal echter uit het vonnis moeten opma-ken, dat de Rechter in zijn aangehaalde rechtsoverweging ietsminder positief is, dan de schrijver van het genoemde artikel.Immers uit de door de Rechter gebruikte bewoordingen valtop te maken, dat mogelijk een andere beslissinq was qevallen,wanneer de employe van het zich beklagende bedrijf, hetwelkhet kort geding aanhangig had gemaakt, in de positie hadverkeerd, dat hij toch al naar de in de gemeente B. geldendemaatstaven voor ter beschikking van woonruimte in aanmer-king ware gekomen.Deze te trekken conclusie springt nog meer in het oog, wan-neer men let in de aangehaalde rechtsoverweging op de woor-den: ,,geheel eenzijdig" die deel uitmaken van de zinsnede:,,eiseres heeft moeten begrijpen, dat B. en W. zich nooit kon-den verbinden de keuze van de bewoners geheel eenzijdig aanhet vrije inzicht van eiseres over te laten". De woorden ,,ge-heel eenzijdig" verzwakken niet alleen de gedachte, die in zijnalgemene strekking van de rechtsoverweging ten grondslagligt, doch maken ook een breuk in de geslotenheid van degedachte, dat soortgelijke contracten zonder meer nietig envan onwaarde zijn.Dit jaar is echter een rechterlijk vonnis gcwezen, dat volko-men principieel de door de schrijver van het aangehaalde ar-tikel ontwikkelde stelling bevestigt en de ,,waardeloosheid"van de gewraakte contracten beaamt.Het betreft een vonnis van de Kantonrechter te Winschotenvan de 31e januari 1956. Het door genoemde rechter te be-oordelen geval lag als volgt.Een gemeente had met een cooperatief bedrijf een overeen-komst gesloten, waarbij de gemeente een woning aan de coo-peratie ter beschikking had gesteld om die woning door eenlid van haar personeel, dat zij daarvoor het meest in aanmer-king achtte te komen, te doen bewonen. Mogelijkerwijze be-trof het hier een overeenkomst over meerdere woningen, dochdit moet volledig in het midden gelaten worden, daar hetvonnis hier niet over spreekt. Op een gegeven moment ver-andert de employe van de cooperatie, die de betreffende wo-ning bewoonde, van betrekking. De cooperatie, die de woningklaarblijkelijk vrij voor een nieuwe werknemer wcnst te zien,vraagt bij de Kantonrechter ontruiming van de woning. Zijstelt, dat de woning een dienstwoning is, zodat haar vroegerewerknemer nu zijn dienstbetrekking beeindigd is, het pcrceelheeft te verlaten.In zijn vonnis, dat de Kantonrechter op deze eis qeeft, ver-werpt hij ds stelling. dat de woning een dienstwoning is. Deoverwegingen, die de Kantonrechter daaromtrent geeft, zijngefundeerd en juridisch interessant, doch in het raam van deonderhavige beschouwing is van meer belang de rechtsover-weging te vermelden, die gegeven wordt terzake van het feit,dat de gemeente de onderhavige woning bij voorbaat ter be-schikking had gesteld om daarin een employe van de coope-ratie te doen wonen. Deze overweging luidt: ,,dat het ontoe-laatbaar is, dat B. en W. als dragers van openbaar qezag eendeel der hun als zodanig toekomende bevoegdheden over-dragen aan een privaatrechtelijke inrichting door, zoals bijvoornoemd besluit (besluit van B. en W. om de woning terbeschikking van de cooperatie te stellen) onder zekere voor-waarden is geschied, aan eiseres de bevoegdheid tot toewij-zing van de litigieuze woning over te laten aan een daarvoorgegadigde in eiseresses dienst";,,dat bijgevolg het voormeld besluit van B. en W. onbevoeg-lijk is genomen en rechtsgeldigheid mist, zodat aan eiseressesstelling, dat krachtens dat besluit de litigieuze woning als eendienstwoning moet worden aangemerkt de grondslag komt tevervallen."Moeilijk kan op scherpere wijze de stok worden gebrokenover overeenkomsten als de onderhavige. Met de ongeldig-heid en onwettigheid van het besluit van B. en W. is tegelijkook de ongeldigheid van de daaruit voortspruitende overeen-komst met het bedrijf uitgesproken.Zullen soortgelijke overeenkomsten daarmede tot het verledengaan behoren en niet meer aangegaan worden? In dit opzichtzal de dwangpositie, waarin gemeentebesturen verkeren, diewillen bouwen en moeten bouwen, maar hun woningplannenniet onder dak kunnen brengen, toch nog wel eens die bestu-ren op minder juiste wegen voeren. Het mede contracterendparticulier lichaam moet dan echter, gezien het bovenstaande,bedacht zijn, dat zijn bij contract vastgelegd recht in feite nietmeer is dan een illusie.Mr. F. Boelens. 173Eengezlnshuizen van ,,De Volkswoning" te Purmerend.De volkswoning te PurmerendDe Woningbouwvereniging ,,De Volkswoning" te Purmerendhecft haar woningbezit onlangs kunnen uitbreiden met 24 een-gezinshuizen en enige winkels. Het bestuur van de bouw-vereniging is terecht trots op het bereikte resultant. Het zijnnaar ontwerp van de architecten Pot en Pot-Keegstra fraaieen ruime woningwetwoningen geworden, waarvan men inPurmerend zegt, dat zij ,,het vlaggeschip" van de bouwver-eniging zijn. De Woningraad deelt in de vreugde en de trotsvan het bestuur der bouwvereniging, ook al omdat het tech-nisch bureau van de Woningraad bij het tot stand komen vandit project nauw betrokken is geweest. Om bij de beeldspraakvan de bouwvereniging te blijven; wij hopen, dat er voor de..Volkswoning" spoedig weer een nieuw en zo mogelijk nogfraaier schip van stapel mag lopen.W. S.Aan de kop van het bouwblok van ,,De Volkswoning" ruime winkelmet magazijn.1/T: Woningraad-standaarddetails in de praktijk (,,De Volkswoning" - Purmerend).,*i*Ji'.,,'"!> V 'v'.t'S .?
Reacties