*MVQISSte eoouwOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvestingen Stedebouw en van de Nationale Woningraad, waarin opge-nomen de mededelingen van de Rijksdienst voor het NationalePlan, en tevens gewijd aan de WederopbouwJuni 1956 37e Jaargang no OT. :3gE Jg---*AUes op het gebied van MEETGEREEDSCHAPPEN o.a.Waterpasinstrumenten en Theodolieten (fabrikaat: O. Fennel-Kassel)Jalons, Waterpasbaken, linnen en stalen meetbanden, pentagon prisma's enz.W.vandeKampRegentesselaan 187's-GRAVENHAGETel. 399208 (K 1700)I Schreuder's lakfabriokon - SohoonhovS, Holland'-'^?iillllllllllll lliiimiiniiii luiiiiiif;^TM ^VANN.V. CUS tN VERFINDUSTRI6 V/HOMMEREN.COLHooldkantoor: ARNHEH. LaaghwatanirMl 1WMk.li AIMHEH Pwrndrul S?MMwi MMKiN-WMnRSWUK mSRVentilatieis thans geen probleem meer metde ,,HAWA" Rotor-ventilatoren.Door wind gedreven, dus geenbrandgevaar en geen energie ver-bruik. Geschikt voor alle doeleinden.Vraagt vrijbiyvend onze uitgebreide folder, of persooniykbezoek aan:TECHNISCH BUREAU ,,HAWA"Plaat- en ConstructiewerkenKORENLAAN 19 - WASSENAAR - Telefoon K 1751-2657.Leverancier van Rijk, Gemeenten en IndustrieMakelaarskantoorA.W.VAN VLIETKorte Tiendeweg 10 - GOUDA - Telefoon 3509belast zich gaarne metKOOP, VERKOOP, TAXATIES en BEHEERvan ONROERENDE GOEDERENHypotheekbemlddeling en alle verzekeringenSCHEWIL V.Vheeft bewezen het betere materiaal te zijnvoor isolatie op ieder gebied.De SCHEWIL KANAALPLATEN zijn hetgrootste wonder van deze tijd.. Denk er vooral aan op tijd te bestellen,om teleurstelling te voorkomen.Bouwplatenfabriek Willemse Deift N.V. - Etten N. Br.Tel. K 1608--572 - Prive 578 - 585. Kantoor, fabriek enopslagterrein: Oude Kerkstraat 17.Voor GLASN.V. DORDTSCHE GLASHANDELKuipershaven 28-29-30 DORDRECHT Telefoon 7245Het adres voor SPECIALE BEGLAZINGSMATERIALENMaandbladTijdschrift voorVolkshuisvesting en StedebouwOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigmgen, waann opgenomen de mede-delingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de WederopbouwRedacties Mr. H. W. Bloemers, ]. Bommer, Jhr. M. J. I. de Jonge van Ellemeet, B. Merkelbach, Mej. Mr. H. J. D.Revers, Ir. L. S. P. Scheffer, Dr. Ir. F. Bakker Schut, Drs. H. van der WeijdeAdres voor Rcdactie en Abonncmcnteni Lange Voorhout 19, 's Gravenhage, Telefoon 184225Advertcntiest Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Telefoon 49128 ('s avonds: Haarlem, Orion-weg 119, Telefoon K 2500 25560)jiini 195637e Jaargang ^ No 6Ofl&ciele mededelingenNederlands InstituutExcursieOp 5 juli a.s. wordt voor de leden van het Instituut, met wel-willende medewerking van het gemeentebestuur van den Haag,een excursie door die gemeente gehouden. De Wethouder vanWederopbouw en Volkshuisvesting, de Heer Ir. R. C. A. F. J.van Lissa Nessel, zal de deelnemers verwelkomen. De Hoofd-directeur van de Gemeentehjke Dienst van de Wederopbouwen de Stadsontwikkehng, de Heer Dr. Ir. F. Bakker Schut,de Directeur van de Stadsontwikkehng, de Heer Ir. F. van derSluys, en de Directeur van de Gemeentehjke Woningdienst,de Heer Ir. H. G. C. Cohen Stuart, houden inleidingen. In demiddag vindt een rondrit per autobus plaats.Het programma eindigt met een ontvangst van de deelnemersdoor het gemeentebestuur.Praeadviezenvergadering over nieuwe stedenHet bestuur van het Instituut heeft besloten, zo mogelijk inhet najaar, een praeadviezenvergadering te houden over devolgende vragen:Is het wenselijk de toenemende bevolkingsconcentratie in be-paalde delen van Nederland, met name in het westen, af teleiden, hetzij in het westen zelf, hetzij daarbuiten, door hetstichten van nieuwe steden, al dan niet door bevordering vaneen zeer sterke groei van bestaande kleine kernen?Kunnen algemene aanwijzingen worden gegeven omtrent:a. het karakter van dergelijke nieuwe steden;b. de toekomstige grootte;c. de hgging en de afstand tot andere kernen?Welke wettelijke en bestuurlijke maatregelen zijn nodig cmhet denkbeeld van nieuwe steden tot verwezenlijking te bren-gen:a. in de sfeer van de ruimtelijke ordening;b. in de sfeer van de bestuursorganisatie (nieuwe bestuurs-lichamen?);c. in de financiele sfeer?Het is de bedoeling dat drie praeadviezen worden uitgebrachten wel een van sociologisch standpunt, een van het standpuntvan de ruimtelijke ordening en een van bestuurlijk-financieelstandpunt.Commissie Hoogbouw-LaagbouwHet bestuur van het Instituut is op verzoek van Z.E. de Mi-nister van Wederopbouw en Volkshuisvesting overgegaan totde instelling van een commissie ter bestudering van het com-plex van vragen, verband houdende met de keuze van debouwwijze naar het aantal woonlagen.Het leek de Minister wenselijk dat niet slechts enkele, dochalle factoren, die de keuze in dit opzicht bepalen, in onderlingverband nader zullen worden bestudeerd.Het onderwerp kon in zo verre worden beperkt, dat onder deeconomische overwegingen het aspect van de bouwtechnieken de direct daaruit af te leiden vraagstukken niet behoeft teworden bestudeerd, aangezien een commissie van Ratiobouwzich hiermede reeds bezig houdt. Ten aanzien van de vraag-stukken van terreingebruik en bebouwingsdichtheid zal over-leg met de Commissie Inbeslagneming Gronden voor niet-agrarische doeleinden gewenst zijn, zo merkt de Ministerverder op.Het bestuur van het Instituut heeft aan een commissie, waar-van de samenstelling hieronder vermeld is, een opdracht indeze zin gegeven.De installatie van deze commissie heeft op 24 mei 1.1. plaatsgehad. De installatie is geschied door de voorzitter van het In-stituut, waarna Z.E. de Minister van Wederopbouw en Volks-huisvesting, die de vergadering met de Secretaris-Generaalbijwoonde, een rede heeft gehouden ter toelichting van zijnbedoeling. De voorzitter van de commissie heeft beide rede-voeringen beantwoord.De commissie is vervolgens onmiddellijk met haar beraadbegonnen.De leden van het Instituut zijn in de gelegenheid gesteld dezevergadering bij te wonen en denkbeelden, die voor het werkvan de commissie van belang zouden kunnen zijn, onder haaraandacht te brengen. Enkele leden hebben hiervan gebruikgemaakt.Een verslag van de installatie-vergadering is elders in ditnummer opgenomen.De samenstelling van de Commissie is als volgt:Mejuffrouw Mr. E. Ribbius Peletier, Voorzitter, Lid vanGedeputeerde Staten van de provincie NoordhollandMejuffrouw W. J. Bladergroen, Lector in de kinderpsycholo-gie aan de Rijksuniversiteit te GroningenIr. A. Bos, Directeur van de Dienst Volkshuisvesting Rotter-damDrs. W. J. de Bruyne, Socioloog van het bureau van de Pro-vinciale Planologische Dienst in de provincie Noordholland 101OfficieleraededelingenRijksdienstNationale PlanArtikelen102Ir. C. de Cler, Hoofd van de afdsling Stedebouw bij de Cen-trale Directie van de Wederopbouw en de VolkshuisvestingIr. J. Dieperjnk, Directeur van het bureau van de ProvincialePlanologische Dienst in de provincie GroningenIr. S. J. van Embden, StedebouwkundigeMr. J. W. G. Floor, Hoofd van de afdeling Woningbouwbij de Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volks-huisvestingIr. B. Fokkinga, Hoofd van de afdeling Stedebouw bij dedienst van Publieke Werken en Volkshuisvesting te Nijme-genA. J. van Hagen, Bestuurder Algemene Woningbouwvereni-gingDr. Mr. F. M. Havermans, PsychohygienistDr. G. Hendriks, Hoofd van de afdeling Onderzoek en Maat-schappelijk Opbouwwerk van het Ministerie voor Maat-schappelijk WerkMejuffrouw W. A. M. Hillen, Raadadviseur bij het Minis-terie voor Maatschappelijk WerkW. A. H. W. M. Janssen, Directeur Bouw- en Woningdienstte UtrechtDrs. P. de Jong, Directeur van het Sociologisch Instituut vande Nederlands Hervormde KerkIr. Chr. H. Kluiters, Hoofdingenieur-Directeur van de We-deropbouw en de Volkshuisvesting in de provincie LimburgDr. J. H. Lamberts, Arts te RotterdamMevrouw Ir. C. Ch. Lammers-Koeleman, ArchitecteDrs. J. A. Launspach, Sociograaf, ArnhemS. J. Mook, Bouwondernemer, voorzitter van de NederlandseBond van Huis- en GrondeigenarenMejuffrouw Ir. J. H. Mulder, Hoofdarchitect-stedebouwkun-dige bij de Dienst van Publieke Werken te AmsterdamDrs. C. D. Saal, Lector in de sociologie aan de Rijksuniversi-teit te GroningenS. M. Thoen, Pastoor te Rotterdam-ZuidwijkProf. Ir. Jac. P. Thijsse, Algemeen Adviseur van de Rijks-dienst voor het Nationale PlanF. van Vliet, Directeur Instelling ter bevordering van hetEigen-WoningbezitMejuffrouw Mr. A. E. de Vries, Adjunct-Hoofdinspectrice bij,,Centraal Woningbeheer", den HaagDrs. H. van der Weijde, Secretaris-Directeur van het Neder-lands Instituut voor Volkshuisvesting en StedebouwMevrouw Prof. C. W. Willinge Prins-Visser, Hoogleraar inde Landbouwhuishoudkunde aan de Landbouwhogeschoolte WageningenIr. W. Wissing, Architect-stedebouwkundigeD. Zuiderhoek, Architect-stedebouwkundigeD. C. van der Poel, Socioloog bij de afdeling Woningbouwbij de Centrale Directie van de Wederopbouw en de Volks-huisvesting, RapporteurHet bureau van de commissie wordt gevormd door:Mejuffrouw Mr. E. Ribbius Peletier, VoorzitterDrs. H. van der W^eijdeD. C. van der PoelHet secretariaat berust bij het Nederlands Instituut voorVolkshuisvesting en Stedebouw, Lange Voorhout 19, denHaag.Rijksdienst voor het Nationale PlanStudie betreffende de ontwikkeling van de gebiedenbuiten het westen des landsBij de in gang zijnde studie van de ruimtelijke problemen inhet westen des lands is in de laatste tijd in de Vaste Com-missie van de Rijksdienst voor het Nationale Plan ook devraag aan de orde gekomen, welk aandeel de gebieden buitenhet westen kunnen nemen in het nationale geheel. Beide vraag-stukken bei'nvloeden elkaar over en weer in sterke mate. Be-studering van de mogelijkheden voor een krachtiger ontwik-keling in overig Nederland vormt daarom een noodzakelijkcomplement van het onderzoek betreffende het westen.Met instemming van de Ministerraad hceft de Minister vanWederopbouw en Volkshuisvesting de Vaste Commissie uit-genodigd als eerste benadcring in samenwerking met het Cen-traal Planbureau een beknopte beschouwing te leveren overde ontwikkeling van Nederland buiten het westen. Inmiddelshebben de beide diensten aan deze opdracht voldaan. De ter-zake samengestelde nota zal zeer binnenkort in enigszinsverkorte vorm worden gepubliceerd.Besluit van de Minister van Wederopbouw en Volks-huisvestingOp grond van artikel 29, derde lid, van de Wet van 28 Sep-tember 1950 houdende voorlopige regehng inzake het Natio-nale Plan en streekplannen, heeft de Minister van Wederop-bouw en Volkshuisvesting het volgende bezwaar gemaakt:d.d. 13 juni 1956, no. 23, betreffende een voorgenomen werk,zijnde de verbouw van een bollenschuur tot autoverkoopruimteonder de gemeente Wassenaar.Hiertegen is bezwaar gemaakt wegens strijd met het ont-werp-streekplan Westland.Uitreiking Hudig-medailleDeze uitreiking heeft plaats gehad, zoals in het april-nummeral is bericht, in een ledenvergadering van het Instituut op12 april in den Haag.De waarnemend-Voorzitter van het Instituut, de Heer Mr.H. W. Bloemers, gaf na de verwelkoming van enkele autori-teiten, met name van de Heer Ir. H. M. Buskens, directeur-generaal van de wederopbouw en de volkshuisvesting, als ver-tegenwoordiger van de Minister en van enkele andere geno-digden, dadelijk het woord aan de Heer Mr. M. J. A. Moltzerals Voorzitter van de Mr. D. Hudig-stichting.De Heer Moltzer sprak zijn vreugde uit over de aanwezigheidvan Mevrouw Hudig en haar kinderen en van enige betrek-kingen van de Heer De Jonge van Ellemeet.Op 5 april van het vorige jaar, zo deelde de Heer Moltzervervolgens mede, besloot het bestuur van de stichting een-stemmig de voor de vierde maal uit te reiken Hudig-medailletoe te kennen aan de Heer Jhr. M. J. I. de Jonge van Elle-meet, maar de uitreiking zelf moest worden uitgesteld, doordatde hoofdpersoon tengevolge van een ongeval aanvankelijk nietin de gelegenheid was zich deze te laten welgevallen. Des temeer verheugde het het bestuur dat dit beletsel thans verval-len was.Het bestuur zag zich bij de voorbereiding van zijn besluit totde toekenning van deze medaille voor enkele problemen ge-steld, waarover het de voorlichting heeft ingewonnen van eenonpartijdige en deskundige commissie, bestaande uit de HerenProf. Dr. G. A. van Poelje, Ir. A. Bos en Prof. Ir. Th. K.van Lohuizen.Bij het nagaan van degenen, die voor de toekenning in aan-merking kwamen, viel in het bizonder de aandacht op het ver-dienstelijk werk, dat de Heer De Jonge van Ellemeet geduren-de zovele jaren in uiteenlopende functies heeft verricht. Toe-kenning van de medaille aan hem zou evenwel betekenen datzij ten tweede male te beurt zou vallen aan een bestuurslid vande stichting. De commissie zag hierin geen bezwaar, aange-zien het bestuurslidmaatschap bij de overweging van de ver-diensten van de kandidaat uiteraard geen rol speelde, Eentweede moeilijkheid vormde de bepaling in de statuten, dieals het speciale middel om het doel van de stichting te dienen,aanwijst, het verlenen van een Hudig-medaille, uit te reikenaan degene, die zich in Nederland op het gebied van devolkshuisvesting of de stedebouw in de laatste vijf jaren opbizondere wijze verdienstelijk heeft gemaakt.De vraag was of die termijn van vijf jaar strikt in acht diendeArtikelenDc uitrciking van de Hudig-medaille door de Heer Mr. M. J. A. Moltz^r aan de Heer Jhr. M. J. I. de Jonge van Ellemeette worden genomen, wat het gevaar inhoudt dat werkzaam-heden buiten die termijn verwaarloosd worden. De commissiewas van oordeel dat weliswaar de verdiensten van een lean-,didaat, hetzij door een bizondere handeling, hetzij door eenreeks van handelingen in die periode moeten zijn gebleken,maar dat de statuten geenszins verboden verder dan die vijfjaren te zien. De commissie beeindigde haar beschouwingenmet het betoog dat de betekenis van het werk van de HeerDe Jonge van Ellemeet gedurende de na-oorlogsjaren in Gel-derland hoog moet worden aangeslagen.Hierdoor geleid, heeft het bestuur het besluit genomen deHudig-medaille aan de Heer De Jonge te verlenen. Zoals van-zelf spreekt, is het erin geslaagd de voorbereiding en het be-sluit zelf geheel buiten zijn tegenwoordigheid te doen plaatsvinden.De Voorzitter van de stichting verontschuldigde zich vervol-gens dat hij geroepen was het besluit toe te lichten, ofschoonhij alleen in een veel vroegere periode zich met het vraagstukvan de volkshuisvesting heeft bezig gehouden. Hij had echtergepoogd door lectuur en gesprekken zijn tekort aan te vullenen meende toch wel een juist beeld van de arbeid van deHeer De Jonge te hebben gekregen.Vervolgens gaf spr. een overzicht van deze arbeid, waarbijhij terugging tot het jaar 1920, toen de Heer De Jonge vanEllemeet, na eerst korte tijd als directeur van gemeentewerkenin Vlissingen werkzaam te zijn geweest, optrad als ingenieur-afdelingschef bij de woningdienst in Rotterdam. Vervolgenswerd hij op 1 januari 1925 als opvolger van de Heer Plate,directeur van die dienst, die tegelijkertijd met de bouwpolitiewerd verbonden. De moeilijke taak om een goede coordinatieen integratie van beide diensten tot stand te brengen, niette-genstaande de weinig tegemoetkomende houding, die aanvan-kelijk door oude inspecteurs van de bouwpolitie werd aange-nomen, heeft de Heer De Jonge, dank zij zijn voortreffelijkekwaliteiten, ten voile kunnen vervullen.Toen na enkele jaren de ergste door de eerste wereldoorlogveroorzaakte woningnood was gelenigd, heeft de Heer DeJonge zich met kracht geworpen op de verbetering van hetwoningpeil, op onbewoonbaarverklaring, sanering en vaststel-ling van rooilijnen, maar zijn grootste Rotterdamse triomf wasde conceptie van een nieuwe bouwverordening, die in 1939 tenslotte is tot stand gekomen, waarin het verbod van alkovenis opgenomen. Men kan slechts vermoeden hoeveel arbeid,hoeveel besprekingen met bouwondernemers en anderen, hoe-veel geduld en moeizaam overleg nodig zijn geweest om dittot stand te brengen.In dezelfde geest is de Heer De Jonge van Ellemeet in 1939zijn arbeid als hoofd van het toen in de provincie Gelderlandopgerichte planbureau begonnen. De Commissaris van deKoningin in die provincie, de Heer Quarles van Ufford, heeftin het februari-nummer van 1954 van het Tijdschrift in le-vendige kleuren en warme termen geschilderd hoe de HeerDe Jonge deze taak heeft verricht. Men bedenke dat deprovincie Gelderland thans bijna geheel overdekt is met eennet van verantwoorde uitbreidingsplannen. Hoeveel moeizamebesprekingen zijn er ook nu weer nodig geweest, voordat ditbereikt kon worden, niet het minst met burgemeesters enwethouders van gemeenten, die geheel vreemd tegenover ditonderwerp stonden en die de eis van een uitbreidingsplan alseen aantasting van hun vrijheid en als een lastige usurpatievan macht door de provinciale overheid beschouwden. Ookhier vereiste het door de Heer De Jonge beklede ambt, waarinmet zoveel divergerende belangen rekening moest wordengehouden, een grote mate van bekwaamheid, gezag, wijsheid 103Artikelenen tact en aan dit vereiste heeft hij ten voile kunnen voldoen.In het bizonder noemde de Heer Moltzer nog hetgeen bereiktis tot behoud van Gelderland en vooral van de Veluwe alsrecreatieoord, waartoe veel overleg met militaire instantiesnodig is geweest.Slechts kort wilde de Heer Moltzer de werkzaamheden van deHeer De Jonge buiten zijn ambtelijke arbeid memoreren. Van1931 tot 1951, dus twintig jaar, is hij voorzitter geweest vanhet Instituut en daarbij heeft hij aan een opeenvolging vanmoeilijkheden het hoofd moeten bieden: de jaren van crisisen bezuiniging, waardoor subsidies werden ingetrokken of ver-minderd en het ledental achteruitging, het heengaan van Hu-dig, de stichter van het Instituut, daarna de oorlogsjaren methun toenemende belemmering van het werk en de dreigendeinmenging van de bezetter, ten slotte de eerste zes na-oorlogs-jaren met hun bizondere problemen. Ook de bijdragen van deHeer De Jonge aan het Tijdschrift, zijn medewerking aan velestudie-commissies en aan de International Federation for Hou-sing and Town Planning werden door de Heer Moltzer ver-meld.Wanneer wij ons een totaalbeeld van het werk van de HeerDe Jonge op het gebied van de volkshuisvesting en de stede-bouw trachten te vormen, dan kan hiervoor, aldus de HeerMoltzer, de volgende door de adviescommissie gebezigde ka-rakteristiek worden aangehaald: ,,De Jonge van Ellemeet heeftgedurende een reeks van jaren in tal van functies de belan-gen van volkshuisvesting en stedebouw met onverdroten toe-wijding gediend. Grote hoogtepunten zijn in zijn loopbaan nietaan te wijzen, maar inzinkingen evenmin. Zijn invloed wasechter steeds onmiskenbaar en mede te danken aan de eenvoudvan zijn optreden en de grote oprechtheid, die men in zijnovertuiging voelde. De betekenis van zijn werk in de na-oorlogse jaren moet hoog worden aangeslagen."De Heer Scheffer heeft bij het afscheid van de Heer De Jongevan Ellemeet als voorzitter van het Instituut gewezen op tweevoor hem kenmerkende eigenschappen, zijn trouw aan zijnidealen, aan beginselen en personen en zijn hulpvaardigheid.De Heer Moltzer wil nog op twee andere eigenschappen vande Heer De Jonge wijzen, zijn bescheidenheid en zijn humani-teit. Diepe teleurstelhngen zijn hem niet bespaard gebleven,maar hem is geschonken zijn leven en werk tot een gave een-heid te verweven, wat slechts ten deel valt aan hen, bij wierwerk het dienen van de medemens op de voorgrond staat endie de innerlijke vrijheid bezitten, doordat hun werk nimmerdoor onbescheidenheid wordt ontsierd.De humaniteit van de Heer De Jonge spreekt duidelijke taalin de sociale gevoelens, die hem bij zijn werk gedreven hebbenen in zijn omgang met zijn medewerkers. Hij was de onbe-twiste leider, met groot gezag, nog versterkt door de bewust-heid van eigen grenzen, met belangstelling voor elk onderdeelvan het aan hem toevertrouwde arbeidsveld, maar die bovenalmens tussen medemensen, werker onder medewerkers was.De Heer Moltzer heeft enkele van hen, zowel in Rotterdamals in Arnhem, mogen spreken, bij wie een glans over het ge-laat streek, toen zij in hun herinnering terugriepen de tijd datzij onder en met de Heer De Jonge als in een team haddenmogen samenwerken. Dat de zakelijke resultaten van zijn ar-beid, waarvoor hem thans de Hudig-medaille wordt toege-kend, niet verkregen zijn ten koste van zijn medewerkers, maarmet verhoging van hun levensgeluk, maakt die toekenning nietslechts tot een vreugde voor het bestuur, maar voor alien, diemet dankbare herinnering terugdenken aan de tijd dat de HeerDe Jonge van Ellemeet hun chef was.Vervolgens overhandigde de Heer Moltzer onder applaus vande vergadering de medaille aan de Heer De Jonge van Elle-meet, waarbij hij er nog op wees ervan overtuigd te zijn dat deman, tot wiens nagedachtenis deze medaille is ingesteld, erzeer mee zou zijn ingenomen dat zij ditmaal aan de Heer De104 Jonge van Ellemeet werd toegekend.In zijn antwoord bracht de Heer De Jonge allereerst dank aande Heer Moltzer voor zijn waarderende woorden. De toeken-ning van de Hudig-medaille was voor hem geheel onver-wacht gekomen en stemde hem dankbaar en verheugd, in deeerste plaats omdat deze onderscheiding een herinnering aanHudig was, vervolgens omdat zij hem door vakgenoten wastoegekend en ten slotte omdat de uitreiking plaats vond in eenvergadering van het Nederlands Instituut voor Volkshuisves-ting en Stedebouw, een milieu, zoals dat door Hudig is ge-schapen.Spr. herinnerde aan de tijd, toen hij voor het eerst met dehem toen nog vreemde vraagstukken van volkshuisvestingwerd geconfronteerd, in 1919 in Vlissingen, waar hij uit demilitaire dienst komende, tot directeur van gemeentewerkenwas benoemd. De toenmalige inspecteur van de volkshuisves-ting, de Heer De Graeff, gaf hem toen de raad lid te wordenvan het pas opgerichte Instituut voor Volkshuisvesting, waar-door hij omtrent die vraagstukken meer te weten zou kunnenkomen. Spr. kon toen niet vermoeden dat dit het begin zouworden van een contact, dat voor zijn persoonlijk leven even-veel zou betekenen als zijn ambtelijke loopbaan. De sfeer vanhet Instituut in die tijd was er een van veel strijd, dikwijls voorzaken, die thans niet meer bestreden worden. Een onderwerp,dat in de eerste tijd van het Instituut sterk aan de orde was,de toekomstige aanleg van de Zuiderzeepolders, is echter ooknu nog bij uitstek actueel.Dat de medaille door de Heer Moltzer is uitgereikt, was voorde Heer De Jonge een reden tot vreugde, omdat hij in hemvoor alles zag de vriend van Hudig.Hierna hebben de aanwezigen gelegenheid gekregen tot hetaanbieden van hun gelukwensen aan de Heer De Jonge vanEllemeet.Het sociaal-wetenschappelijk onderzoek en de ruim-telijke planning')door Dr. Willem Steigenga1. De toenemende betekenis van de ruimtelijke planning inonze samenleving maakt een bezinning op de vraag naarde grondslagen van de planning noodzakelijk.Niet alleen in de landen behorende tot de westerse cul-tuurkring, welke zich reeds meer dan twee eeuwen ineen proces van vrijwel gedurige verandering bevinden,doch ook buiten deze cultuurkring wordt de betekenisvan een juiste ruimtelijke planning in de samenlevingsteeds meer erkend. Dit is zowel het geval in landen,welker sociale structuur in slechts weinige decennia ineen geforceerd tempo is veranderd, als in landen, welkethans aan de vooravond staan van een hergroeperingvan hun economische en sociale krachten, van een door-braak dus hunner traditioneel verankerde maatschap-pelijke verhoudingen.Steeds minder wordt de ruimtelijke planning beschouwdals een te verwaarlozen bijzaak, steeds meer erkend alseen essentiele grondslag voor de maatschappelijke op-bouw, voor de ontplooiing der samenleving.Het doel van deze beschouwing is enkele essentielegrondslagen van de ruimtelijke planning aan een kritischonderzoek te onderwerpen, met name de functie van hetsociaal-wetenschappelijk onderzoek in het kader van dezeplanning. In het bizonder zal worden ingegaan op devraagstukken rond de analyse en de wetenschapstoepas-sing op de terreinen van prognose en planning.1) Dank zij de welwillende medewerking van het Institut fur Raumfor-schung te Bonn, kunnen wij hier de Nederlandse tekst geven van eenartikel van Dr. W. Steigenga, verschenen in de Informationen d.d. 10februari 1956, uitgave van bovengenoemd Instituut, onder de titel ,,DerStandort der Sozialforschung in der Raumplanung".Getracht zal worden een antwoord te gevcn op de vraagwelke taak het sociaal-wetenschappelijk onderzoek -- be-ter gezegd wellicht de sociaal-wetenschappelijke onder-zoeker -- vervult in de ruimtelijke planning en in hoe-verre hierbij van een analytische dan wel van een crea-tieve taak sprake is.Eindigt de taak van de sociaal-wetenschappelijke onder-zoeker bij de analyse of desnoods nog bij de prognose,of gaat hij verder en dient hij verder te gaan? Ook kanmen zich afvragen wat de samenleving verwacht van hetsociaal-wetenschappelijk onderzoek binnen het kader vande ruimtelijke planning, te zien als een politiek-maat-schappelijke activiteit.2. De ruimtelijke planning is gericht op het tot elkaar bren-gen van twee componenten:de ruimte -- te zien als een geografisch en his-torisch gegevenende samenleving -- te zien als de totaliteit van mense-lijke betrekkingen, activiteiten enprodukten.Methodologisch is het aanvaardbaar ruimte en samenle-ving als zelfstandige elementen in het spel van krachtenop te vatten. De samenleving vindt in de haar gegevenruimte haar ontplooiingsmogelijkheid en haar begren-zing. Zij herschept echter door haar dynamiek op iederogenblik van haar ontwikkelingsproces die ruimte, omsteeds weer te ervaren dat te zelfder tijd haar enerzijdsbeperkingen worden opgelegd, doch andererzijds moge-lijkheden worden geopend door de ruimtelijke structuur,waardoor zij is omvat.Alvorens nader in te gaan op enkele facetten van deruimtelijke planning, eerst een enkele opmerking over hethier gebezigde begrip samenleving.Er is in de ruimtelijke planning dikwijls de neiging te bc-speuren het begrip samenleving te beperken tot wat menzou kunnen noemen de macro-samenleving. De micro-samenleving, de kleine groep dus, blijkt meestentijds teworden verwaarloosd. De vorm van het gecreeerdemilieu oefent echter wel degelijk een sterke invloed uitop de sociale verhoudingen en het levenspatroon vande microgroep.Wel is deze invloed tot op zekere hoogte sociaal-histo-risch erkend --- men denke slechts aan de strijd tegen deslechte woningtoestanden in de vorige en het begin vandeze eeuw --, doch ook hier werden de betrokken vraag-stukken macro-sociaal opgevat; de verhoudingen binnende micro-groepen waren niet het doel van deze strijd.Het ging hier veelal om het opheffen van bepaalde tegen-stellingen binnen de macro-samenleving.In dit verband zij opgemerkt dat ook binnen het kadervan het sociaal-wetenschappelijk onderzoek de micro-groep en de micro-verhoudingen eerst betrekkelijk laatde aandacht hebben getrokken. En ook binnen het kadervan het sociaal-wetenschappelijk onderzoek ten behoevevan de ruimtelijke planning is tot voor kort vrijwel geenpoging gedaan om bijv. systematisch de verhouding mi-cro-groep tot de ruimtelijke vorm, waarbinnen zich hetleven van de micro-groep afspeelt, te doordenken.Ik meen echter dat de vraagstukken van de micro-samen-leving van groot belang zijn voor de ruimtelijke plan-ning. Daarom zal in deze beschouwing onder samenlevingook de micro-samenleving worden begrepen. Deze op-vatting is in overeenstemming met de ontwikkeling in demoderne sociologie in Frankrijk en de Verenigde Staten.3. Juist uit het oogpunt van ruimtelijke planning is de vraagvan belang in hoeverre de structuur van de ruimte actiefvan invloed is op de structuur en de processen der sa-menleving.De ruimtelijke planning is erop gericht ten behoeve van Artikdeoeen gegeven samenleving een zodanige ruimtelijke struc-tuur te creeren, dat deze samenleving een optimaal nutkan trekken van de aanwezige ruimte.Zo gesteld, dient men zich evenwel te hoeden voor eensimplificering van het probleem der ruimtelijke planning.Men zal in ieder geval, teneinde het gestelde doel -- hetoptimaal ruimtelijk nut -- te bereiken, nauwkeurig debehoeften of eisen der samenleving en de eigenschap-pen van de gegeven ruimte tegen elkaar moeten afwegen.Een dergelijke kwantitatieve vergelijking van behoeftenen mogelijkheden is echter te eenzijdig. Men doet deruimtelijke planning tekort wanneer men meent dat hethier uitsluitend gaat om de bepaling der benodigde op-pervlakten en de verdeling van ruimten over de ver-schillende ruimte eisende elementen der samenleving.Hoe belangrijk het kwantitatief aspect ook moge zijn,reeds een eenvoudige sociaal-geografische analyse vaneen gemeenschap leert dat naast de kwantitatieve ver-houdingen het juist de kwalitatieve elementen zijn, in ditgeval dus de ruimtelijke structuur en in het bizonder devorm, welke essentieel zijn voor het karakter der samen-leving.De ruimtelijke vorm beinvloedt in vele opzichten delevenshabitus van de gemeenschap.De ruimtelijke planning betrekt zich op drie belangrijkeelementen der ruimte.-- situatie of plaats-- de omvang of oppervlakte-- de vorm.In zijn algemeenheid mag worden gesteld dat zowel hetsociaal-wetenschappelijk onderzoek, als de planning zelfmeer aandacht hebben gehad voor de facetten situatieen oppervlakte, dan voor de vorm.Van de wetenschappen bestudeert de geografie de theo-retische aspecten van de ruimtelijke vorm, zij het dat ookhier meer aandacht is geschonken aan de macro- danaan de micro-verschijnselen. De vorm is binnen de plan-ning zelf in feite overgelaten aan de architecten en aes-thetici. Ten onrechte hebben de sociale wetenschappende vorm veelal verwaarloosd, daar juist de vorm van bi-zonder belang is voor de ontplooiing van het leven inde micro- en in de macro-samenleving.De drie hier genoemde facetten der ruimte kunnen na-tuurlijk niet los van elkaar worden gezien; de verwaar-lozing van de vorm als object van het sociaal-weten-schappelijk onderzoek ten behoeve van de ruimtelijkeplanning wordt er evenwel des te opmerkelijker door.In aansluiting hierop mag worden geconstateerd dathet accent van het onderzoek tot voor kort voornamelijkgevallen is op de sociaal-geografische en economischemomenten en dat bovendien vooral de macro-samenlevingonderwerp van de analyse was.De sociologische en sociaal-psychologische elementenvan betekenis vooral voor de micro-samenleving --zijn in het algemeen verwaarloosd. Eerst thans isduidelijk de tendenz waarneembaar dat ook deze weten-schappen hun bijdrage gaan leveren aan de ruimtelijkeplanning.Hoewel de vorm tot dusverre vrijwel uitsluitend het ob-ject is geweest van de architect en de aestheticus, meenik deze vorm binnen het kader van de ruimtelijke plan-ning in de eerste plaats als een maatschappelijk probleemte moeten zien, dat de bizondere aandacht vraagt vanhet sociaal-wetenschappelijk onderzoek.4. De ruimtelijke planning tracht richting te geven aan deruimtelijke structuur, waarbinnen de maatschappelijkeontwikkeling zich afspeelt; zij tracht aan het levenspa- 105Artikelcn106troon van de gemeenschap de vereiste ontplooiingsmo-gelijkheden te bieden.Ruimtelijke planning als maatschappelijk-politieke acti-viteit is een geheel van beslissingen, welke crop gerichtzijn een bepaalde ontwikkeling in de samenleving ruim-telijk mogelijk te maken, te bevorderen of uit te sluiten.Planning is dan mogelijk, wanneer een proces of eenstructuur in de een of andere richting kan worden be-invloed. Verondersteld wordt hierbij een werkelijk in-zicht in de samenhang van degenen, die de planningbedrijven.Wanneer een ontwikkelingsgang of een structuur bein-vloedbaar is, dan volgt hieruit dat het niet doen van eenbewusie keuze de verantwoordelijke beleidsorganen nietontheft van hun verantwoordelijkheid; in dit geval wordtimmers de ontwikkeling aan tal van arbitraire krachtenovergelaten, voor welker uitkomst men in feite de ver-antwoordelijkfieid draagt. Dit geldt natuurlijk alleen dan,wanneer het ,,technisch" mogelijk is zodanig in te grijpenin de samenleving, dat de ontwikkeling in een bepaalderichting kan worden omgebogen.Het kiezen van de ruimtelijke structuur, in het bizonderhet kiezen van de ruimtelijke vorm, is geen passieve ver-taling van hetgeen in de samenleving wordt waargeno-men of verwacht. Ruimtelijke planning betekent niet datde planner als het ware een ruimtelijk spiegelbeeld maaktvan de samenleving. De ruimtelijke structuur en de ruim-telijke vorm kunnen een zodanig karakter hebben, datzij tot zelfstandige in de samenleving werkende krach-ten worden, welke in hoge mate deze samenleving bein-vloeden. Een maatschappelijke behoefte kan bijvoorbeeldop verschillende wijzen worden bevredigd wat de vormbetreft. De gekozen vorm kan, gelijk iedere ingreep inde samenleving, belangrijke neveneffecten oproepen inde processen, welke de structuur der samenleving be-palen.Deze neveneffecten kunnen bijvoorbeeld beslissend zijnvoor de wijze, waarop de sociale betrekkingen tussen demensen zich zullen afwikkelen. Het geven van een be-paalde ruimtelijke vorm aan de samenleving is een daadmet vergaande consequenties. Ruimtelijke planning be-rust op het doen van een keuze en het nemen van ver-antwoordelijkheid hiervoor en vereist dus een grondigekennis van het probleem.De verkaveling van een woonwijk bijv. is doorslaggevendvoor de wijze van bewoning en dus voor de samenlevings-vormen, welke hier inhaerent aan zijn. Theoretisch zoudegene, die bepaalt aan welke vorm van woonwijk hij devoorkeur geeft, volledig op de hoogte moeten zijn van desamenlevingsvormen, welke door een bepaalde verkave-ling worden mogelijk gemaakt of afgesneden. Dit isveelal niet het geval. Gelijk reeds eer opgemerkt, isde kennis betreffende de micro-verhoudingen beperkt enonvoldoende. Er wordt in een dergelijk geval veelal ge-kozen, zonder dat de consequenties, welke voortvloeienuit deze keuze, bekend zijn.Het is wellicht noodzakelijk op te merken dat de be-tekenis van de ruimtelijke structuur voor de samenlevingniet overal en te alien tijde gelijk ligt. In bepaalde ge-vallen is het denkbaar dat de samenleving of een bareraspecten als het ware de ruimtelijke structuur en daar-mede dus het geheel van situatie, omvang en vorm deter-mineert en geen vrijheid overlaat om van deze structuuraf te wijken. In andere gevallen blijkt de samenlevinggevoelig te zijn voor afwijkingen en veranderingen in deruimtelijke structuur, zodat bijv. een ingreep in de ruim-telijke structuur gevolgen heeft voor de samenleving.Ook is het denkbaar dat in enkele gevallen de ruimte-lijke structuur voor de samenleving indifferent is. Hoehet ook zij, het ruimtelijke beeld kan binnen het kadervan de ruimtelijke planning slechts worden gezien in zijnmaatschappelijke functie. Als zodanig zullen de ruimte-lijke structuur en de ruimtelijke planning in dit artikeldan ook worden beschouwd.5. De ontwikkehng van de ruimtelijke planning in West-Europa en van haar huidige problematiek dient men medete zien in verband met de ontwikkeling van het sociaal-wetenschappelijk denken, zoals dit zich in de loop vande 19e eeuw en daarna in de westerse wereld heeft ont-plooid. Deze ontwikkeling van het sociaal-wetenschap-pelijk denken kan hier worden gezien als een bewusteof onbewuste poging van de menselijke gemeenschapzich rekenschap te geven van de problemen der samen-leving.De vraag naar het waarom wordt eerst dan geformu-leerd, wanneer de sociale problematiek van de eigen tijdtwijfel oproept en tot nadere bezinning noopt.Het is dan ook niet verwonderlijk dat het directe contacttussen de sociale wetenschap en de sociale politiek alseen rode draad door de werken en beschouwingen looptvan hen, die in de 18e, 19e en 20e eeuw de grondslagenvan deze wetenschappen hebben gelegd. Er is steeds eentendenz waar te nemen de sprong te wagen van deanalyse naar de synthese, van de vraag naar het hoeen waarom, naar de beantwoording van de vraag welkesamenlevingsstructuur de meest wenselijke is.Men kan over de waarde van deze ontwikkeling vanmening verschillen. Duidelijk is dat hier niet alleen ge-poogd is verantwoording af te leggen van de maatschap-pelijke situatie van het ogenblik, maar dat men bovendiengetracht heeft om als ,,sociaal-politicus" of zo men wilals ,,sociaal-ingenieur" richting te geven aan de maat-schappelijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling werd dusals beinvloedbaar beschouwd.Er zijn eigenlijk twee momenten in deze ontwikkeling,welke voor ons doel van belang zijn.Het eerste moment is de wijziging in de opvattingen in-zake de maatschappelijke verantwoordelijkheid. Men voeltzich thans mede verantwoordelijk voor de gang van za-ken in de samenleving. Het tweede moment -- hiermedesamenhangend -- is dat ons wetenschappelijk begrip-penapparaat zich gedurende de laatste eeuw verder heeftontwikkeld, waardoor ingrijpen in en leiding geven aanmaatschappelijke processen en bei'nvloeding van maat-schappelijke structuur ook op het terrein, dat door deruimtelijke planning wordt bestreken, ,,technisch" moge-lijk wordt. Ook het ruimtelijke aspect van de maatschap-pij heeft deel aan de problematiek der samenleving. Ge-durende de 19e en vooral gedurende de 20e eeuw zietmen dan ook een steeds verdere bezinning op de vragenvan de ruimtelijke structuur van onze maatschappij. Vande sociale wetenschappen zijn verschillende zich passedert korte tijd bewust van de problemen, welke de ruim-telijke structuur en de ruimtelijke planning met zich bren-gen. Eerst in de laatste decennia heeft men zowel binnenhet raam van de beleidsinstanties, als binnen het kaderder sociale wetenschappen, algemeen erkend dat een in-greep in de ruimtelijke verhoudingen belangrijke conse-quenties kan hebben voor de sociale structuur.Mijn indruk is dat nog steeds een belangrijk deel van hetarsenaal van de sociaal-wetenschappelijke methodiek nietten dienste is gesteld van de ruimtelijke planning. Erzijn belangrijke hiaten, waardoor de beslissingen, welkebinnen het kader van de ruimtelijke planning wordengenomen, soms onvoldoende gefundeerd zijn, zodat menin het duister tast wat de consequenties betreft.6. Het directe intuitieve verstaan -- waarop boven reedswerd gewezen -- van het maatschappelijk leven is invroegere eeuwen steeds de basis geweest, waarop destedebouwkundige zijn plannen, zijn conceptie, heeft ge-baseerd.Woningbouw ,,Pairlmonium" GroningenArchilecienbureau van Wijk & Broos, Groningen4500 m^ Linolelt Houineri en1000 m2 Coloritebevordereen gezondewoning-exploitatie!Wij bouwen en wonen beter danvorigegeneraties.Maaronswoon-peil bleef achter bij dat van ande-re West-Europese landen. Daar iseen permanente linoleumvloerveelal reeds eis voor de volkswoning. Bevorder dewoonbeschaving ! Geef Uv/ v/oningen een duurzame,,Krommenie"-vloer. Het is economisch verantwoord.Een uitvoerig arlikel hierover komf voor in ons Linoleum Nieuws 1956,dat U op aanvraag gaarne v/ordi ioegezonden.LinoleumDeze vloerbedekking blijft bij weinig onderhoud jarenlangals nieuw; de kleuren gaan door en door, dus kunnen nietwegslijten. In meer dan 100 kleuren- en dessins.COlOVinyl PLASTIC-asbest tegelsFleurige en soepele plastic-tegels in een serie frisse tinten.Met hardboard tussenlaag ook aan te brengen op houtenvioeren.^^Ol^^l^lie cumaronhars iegelsVoordelig, maar minder buigzaann dan Colovinyl en daar-dooralleen geschikt voor beton- en andere massieve vioeren.In vele gemarmerde kleuren I-* Vraag voor nadere inlichtingen onze aid. TechnischeAdviezen (tel. 02980 - 81941)LINOLEUM KROMMENIEDe herkomsi is de garantie.^^acatur&AearaSS GEMEENTE ROTTERDAMGEMEENTEWERKEN EMMENBij de afdeling stedebouw kunnen geplaatst worden:STEDEBOUWKUNDIGE AMBTENARENEN TEKENAARSzowel voor de directe medewerking bij het totstandkomenvan uitbreidingsplannen als voor de behandeling van daar-mee in verbanj staande kwesties van technisch-administra-tieve aard.Aanstelling is mogelijk in verschillende rangen tussen dievan tekenaar B derde klasse (/ 2376,-- - / 3996,--) entechnisch ambtenaar eerste klasse (/ 6216,-- - / 7374,--).Sollicitaties, te richten aan Burgemeester en wethouders enin te zenden aan de directeur van gemeentewerken, Raad-huisstraat 4 te Emmen, worden ingewacht uiterlijk tweeweken na het verschijnen van dit blad.GEMEENTE ENSCHEDEBij de stedebouwkundige afdeling van de dienst van open-bare werken en volkshuisvesting kan naar gelang vanbekwaamheid worden geplaatst eenHOOFDTEKENAARof eenTEKENAAR Iste KLASBezit van of studie voor diploma stedebouwkundig tekenenp.b.n.a. strekt tot aanbeveling.Weddegrenzen hoofdtekenaar f 384,-- en f 473,-- tekenaarIste klas f 351,50 en f 419,-- per maand. Aanstelling bovende minimum wedde is mogelijk. Kindertoelage overeen-komstig de voor het rijkspersoneel geldende regeling; wet-telijk pensioenverhaal. Gehuwden genieten een tegemoet-koming in verplaatsingskosten.Uitvoerige sollicitaties aan burgemeester en wethoudersbinnen tien dagen na het verschijnen van dit blad. Bezoekalleen na uitnodiging.LICHTDRUKKENHET ADRESC A. DE JONGMODERNS REPRODUCTIE-INRICHTINGFOLKiNGESTR. 1 5 - TEL 2271 7 - GPONl'NGENSINDS 1
Reacties