NOVEMBER 195717e Jaargang -- No. 11DeWoningbouv/VBronigingMAANDBLAD VAN DE NATIONALE WONINGRAADAdres voor Redactie en Abonnetnenten: Wouwermanstraat 27, Atnsterdam-Z., Tel. 724298-721412Adres voor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Tel. 49128OE NEDERLANDSEVotkshuisvGstingJaarverslag Volkshiiisvesting 1956Het feit. dat in 1956 de SOO.OOOste na de bevrijding gebouw-de woning aan haar bewoners kon worden beschikbaar ge-.steld roept niet alleen gevoelens op van gerechtvaardigdevoldoening en van hoop voor de toekomst. De op zichzelt zobroodnodige opvoering van de woningbouw tot een voorheenin dit land en in deze verhoudingen ongekende hoogte, con-fronteert ons tevens met de gevaren van een alleen maarkwantitatieve benadering van het probleem. Wij worden hiermet twee problemen gecontronteerd, te weten dat van dekwaliteit der woningen en dat van de stedebouwkundige vorm-geving.Ten aanzien van het eerste is er thans reden voor een zekeroptimi.sme. Ook al nopen de noodzaak van een zeer hoge pro-duktie enerzijd.s en de beperktheid der middelen anderzijdstot een zekere soberheid, toch valt gelukkig te constateren,dat inhoud, inrichting en afwerking der woningen, ook vande woningwetwoningen, zich in de laat.ste jaren gunstig heb-ben ontwikkeld.Aldu.s .schrijft de Directeur-Generaal van de Centrale Directievan de Volk.shuisvesting en de Bouwnijverheid in de inleidingtot zijn jaarverslag over 1956, dat onlangs is verschenen.De gemiddelde classificatie-inhoud der woningwetwoningenin traditionele bouw, zo schrijft de Directeur-Generaal verder,die in 1950 nog 200 m^' was, bedroeg in 1956 269 mS; hetvloeroppervlak steeg dienovereenkomstig van 77 m- tot 87 m-.Ook het afwerkingsniveau en de uitrusting verbeterden in delaatste jaren niet onaanzienlijk. Zo nu en dan worden determen ..aankleden" en ,,uitgeklede woningen" nog vernomen,in werkelijkheid zijn deze in het algemeen niet op woningwet-complexen. die in het verslagjaar tot stand kwamen of in aan-bouw waren, van toepassing. Vele in het laatste jaar tot standgekomen complexen premie- en woningwetwoningen kunnende vergelijking met buitenlandse voorbeelden zonder bezwaardoorstaan.Het probleem van de stedebouwkundige vormgeving dringtzich, volgens de Directeur-Generaal, hoe langer hoe meer opde voorgrond. De produktie van 500.000 woningen in dejaren 1945--1957 wil zeggen, dat Nederland in 12 jaar tijdzijn vooroorlogse woningvoorraad met 25^'r heeft uitgebreid;indien het huidige bouwtempo wordt gehandhaafd zai in eentijdsverloop van zeven jaren nogmaals een dergelijke uitbrei-ding plaats vinden. De consequenties, die dit produktieprocesoproept ten opzichte van de structuur en het aanzicht van .staden land zijn omvangrijk. Zowel de enorme groei van de groteconcentrates, als de sterke uitbreiding van vele kleine plaat-sen vragen een architectonische en een stedebouwkundigevisie als nimmer van de architecten, stedebouwkundigen enbestuurderen gevraagd werd. Zij vragen ook complementairemaatregelen voor verkeer, werkgelegenheid, bediening enrecreatie in een omvang en van een ver-strekkende betekenisals waarvoor de Nederlandse overheid nimmer geplaatstwerd.De mogelijkheden tot het nemen van coordinerende en regu-lerende maatregelen, zoals in de Woningwet en in de Wetop het Nationale Plan geopperd zijn en welke ook in de thansbij de Staten-Generaal in behandeling zijnde ontwerpen zijnvoorzien, zullen vooral tijdig moeten worden benut, wil deontwikkeling in de hand worden gehouden en geen nieuweonoplosbare problemen oproepen. Naast en in dit op zichzelfhoogst belangrijke regulerende en coordinerende werk zaIechter en met name voor het Westen des lands een grotebestuurskracht en een creatieve visie nodig zijn, wil de enor-me uitbreiding van onze woningvoorraad inderdaad leidenniet alleen maar tot vergroting van de woningvoorraad, maarook tot een efficiente en economisch verantwoorde structuurvan dit gebied en tevens tot nieuwe verrijking van het leven.Met de voltooiing van 68.284 woningen zijn de verwachtin-gen voor de woningproduktie in 1956 volgens het jaarverslagtot werkelijkheid geworden. Het aantal woningen dat eind1956 in aanbouw was, t.w. 94.000, is een weerspiegeling vaneen beleid, dat gericht is op een hoge woningproduktie en datter bereiking van dit doel de woningbouw prioriteit geeftboven andere bouwactiviteiten.De meest ingrijpende en voor de volkshuisvesting meest be-lovende verandering in het goedkeurings- en subsidiebeleidvan de Minister van Wederopbouw en Volkshuisvesting waswel, dat voor de gefinancierde woningbouw niet meer hetcontingent, ook wel volumen genaamd, bepalend zou zijndoch de reeel aanwezige en aanwijsbare bouwcapaciteit.Bij het opstellen van het bouwprogramma zowel als bij deverdeling van het totale aantal te bouwen woningen, was ookin het verleden wel gei-ekend met de aanwezige bouwcapa-citeit, namelijk in die zin, dat ervoor gewaakt werd dat denodig geachte activiteit over het land als geheel gezien nietgroter zou zijn dan overeenkwam met het arbeidspotentieel.De ervaring had echter uitgewezen, dat ook een welover- 125wogen boiiwprogramma, gecombineerd met een daarop af-gestemd goedkeuringsbeleid, niet kon voorkomen dat zichplaatselijk en regionaal soms een zekere overspanning, somseen aanwijsbare slapte voordeden. Vooral dit laatste ver-schijnsel leidt in een tijd van volledige werkgelegenheid entekort aan arbeidskrachten tot ongewenste gevolgen: dearbeiders, die in het bouwvak geen emplooi vinden, wordenin een kort tijdsverloop door andere bedrijfstakken gaarneopgenomen. Het zorgvuldig afstemmen van de woningbouwop de van tijd tot tijd en van plaats tot plaats wisselendebouwcapaciteit was echter alleen mogelijk, door de bouw-activiteit in de andere sectoren mede in dit beleid te be-trekken.Volgens het jaarverslag zou het een ongeoorloofde conclusiezijn om het hoge aantal in 1956 voltooide woningen reedsgeheel als een resultaat van het nieuwe beleid te zien. Niet-terain worden de resultaten van dit beleid verheugend ge-noemd en wordt met voldoening geconstateerd, dat de toe-neming van het aantal woningen in uitvoering en de daaropgebaseerde gunstige vooruitzichten voor 195/, welke beidegeschraagd worden door een evenredige verhoging van hetaantal arbeiders in de woningbouw, te weten van ongeveer56.600 op 1 oktober 1955 tot 66.800 op 1 oktober 1956, hetdirect aantoonbare resultaat zijn van het nieuwe beleid.Het prijzenverlpop bij de woningbouw is in 1956 in grotetrekken niet zo ongunstig geweest als in de loop van dat jaarwel eens werd vermoed. Alleen in het westen des lands, waarde woningnood relatief wel het minst wordt ingelopen en waarde bouwcapaciteit de kleinste marge vertoonde, maant hetyerloop der prijzen, in het bijzonder van die complexen diein de laatste maanden van 1956 in aanbouw werden geno-men,; tot grote voorzichtigheid.De huurprijzen vertonen voor deze complexen een stijging,die aanleiding geeft tot zorg. Niet alleen de huren van dewoningen, gebouwd met financiele steun op basis van depremieregeling, maar ook die van de woningwetwoningenzullen bij vele gereed komende complexen een peil bereiken,dat nog meer dan voorheen afwijkt van de huren der v66r1940 gebouwde woningen. Een ingrijpende verhoging derhuren van oude woningen is volgens de Directeur-Generaaldan ook nodig. Een blijvend zo groot verschil tussen de hurender oude en der nieuw te bouwen woningen zou anders deconsequentie van een hogere subsidie meebrengen, hetgeenechter bij een zo groot bouwprogramma als thans jaarlijksgerealiseerd wordt, voor 's rijks kas ondraaglijk zou zijn.Het landelijke, ongecorrigeerde tekortcijfer van 258.000 wo-ningen, dat uit de eerste resultaten van de Woning- en Ge-zinstelling te voorschijn kwam, heeft volgens het verslag nietopnieuw tot een algemene stemming van moedeloosheid ge-leid. De impasse-stemming, die twee jaar geleden een bedrei-ging vormde, blijkt thans overwonnen, althans teruggedron-gen te zijn. De verheugende verhoging der produktie, de veleinitiatieven op het gebied van systeembouw, bevordering dercontinuiteit en doorwerken bij ongunstig weer, hebben hetbesef doen groeien, dat de strijd niet hopeloos is, dat dekansen gekeerd zijn. Dit wil echter geenszins zeggen, dat eenrustige voortgang op de thans ingeslagen weg voorzeker weltot het zo gewenste doel zal leiden. Integendeel is maar al teduidelijk geworden, dat een krachtige verhoging van de pro-duktie nodig zal zijn, wil het tekort werkelijk binnen afzien-bare tijd worden ingelopen. Het feit, dat zelfs bij een pro-duktie van 68.000 woningen niet meer dan 10.000 wordt in-gelopen op het tekort, stelt de eis de produktie verder op tedrijven.Het inlopen van het woningtekort heeft in de verschillendeprovincien een sterk uiteenlopend verloop gehad. In Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht is het tekort slechts wei-nig ingelopen en nog altijd zorgwekkend hoog; in Groningen,Friesland, Drenthe en Zeeland was de afname van het tekortrelatief belangrijk en wordt het evenwichtsniveau vrij snel126 benaderd. Ook binnen de provincies, die als geheel nog eenhoog tekortcijfer hebben, zullen zich waarschijnlijk sterke ver-schillen vertonen.Wanneer alle cijfers bekend en geanalyseerd zijn, zal devraag overweging verdienen, of voor bepaalde gebieden deovergang naar normale toestanden, d.w.z. vrije huurbepalingen vrije vestiging, niet binnen afzienbare tijd plaats kanvinden.Volgens voorlopige berekeningen kan de totale toenemingvan de woningbehoefte in 1956 worden geschat op circa49.000. In dit opzicht behoort 1956 tot de topjaren. Tegen-over deze grote toeneming van de behoefte staat een netto-vermeerdering van de woningvoorraad van rond 60.000. Hetwoningtekort kon gedurende 1956 dus met ongeveer 11.000worden ingelopen.Bij vergelijking van door de Woningtelling-1956 beschikbaargekomen voonopige cijfers met de cijfers van 1947 blijkt, datde ontwikkeling ten aanzien van de woningvoorziening hetminst gunstig is geweest voor de westelijke provincies. Rond48% van de landelijke toeneming van de woningbehoefte inde negen jaren tussen de beide tellingen komt op rekeningvan de drie westelijke provincies (Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht). Het aandeel van de drie grote steden(Amsterdam, Rotterdam en 's-Gravenhage) bedraagt rond19%. Van de totale toeneming van de woningvoorraad kwam44% ten goede aan de drie westelijke provincies en 16% aande drie grote steden. Van het totale landelijke woningtekortdrukte in 1947 rond 46% en in 1956 rond 53% op de driewestelijke provincies. Voor de drie grote steden zijn dezepercentages 21 en 27,Sinds 1947 is het aantal woningen toegenomen met 22%;de woningbehoefte is met 17% toegenomen. Het woning-tekort verminderde sinds 1947 met 14%.In de loop van 1956 is een verkennend onderzoek ingesteld. naar sociale aspecten van het vraagstuk van krotopruimingen sanering. Doel van dit onderzoek was meer inzicht teverkrijgen in de verschillende facetten van het probleem enin de wijze waarop dit in de onderscheidene gemeenten wordtaangepakt. Speciaal betreft dit de huisvesting van de sociaalniet-aangepaste (a-sociale en zwak-sociale) gezinnen, welkehet vraagstuk van de krotopruiming en sanering bijzonderingewikkeld maakt.In verband met de urgentie van het vraagstuk van de huis-vesting der bejaarden is besloten een onderzoek in te stellennaar de waardering door de bewoners van verschillendevormen van bejaardenhuisvesting, namelijk het pensiontehuisen de zelfstandige bejaardenwoning, al dan niet met comple-mentaire voorzieningen. Dit onderzoek zal tevens nader in-zicht kunnen verschaffen in leeftijdsopbouw en de lichame-lijke en geestelijke validiteit van de bewoners van bovenge-noemde soorten woningen.Positie en taak van de WoningbouwcorperatiesHet is niet de eerste maal, dat wij in deze kolommen aandachtvragen voor het onderwerp wat boven dit opstel is afgedrukt.Aanleiding tot een hernieuwde beschouwing er van vondenwij in een artikel voorkomende in het Tijdschrift voor Volks-huisvesting en Stedebouw van September 1957 van de handvan Mr. P. M. M. C. Palmen, wat gewijd is aan de inhoudvan het Rapport van de ,,Commissie onderzoek positie woning-bouwcorperaties" uitgebracht aan het bestuur van de Natio-nale Woningraad (Commissie Bommer).Het bedoelde rapport verscheen in mei 1955. Het bevat, invrij beknopte vorm, een verklaring van de huidige toestanden de daaraan klevende gebreken met een aantal conclusies dieaanwijzingen en richtlijnen geven om de gesignaleerde tekort-komingen en misstanden op te heffen. Het ligt niet in onsvoornemen om het gehele rapport en alle conclusies aan eencritische bespreking in dit artikel te onderwerpen. Zulks in deeerste plaats oradat de inhoud van het rapport met de conclu-sies, wat de hoofdzaken betreft, onze instemming hebben,maar ook omdat het onze bedoehng is om slechts op een be-paald aspect van deze zaak de nadruk te leggen omdat, naaronze mening, dat betrekking heeft op de kern van het pwbleem.Wij grijpen dan terug naar de inleiding die de samenstellersvan het rapport vooraf laten gaan aan het eigenhjke rapport.Daarin wordt onder het hoofd a) Opdracht een aanhahng ge-daan uit de brief die op 18 december 1953 door het bestuurvan de Nationale Woningraad werd gericht tot een aantalpersonen uit de kring der woningbouwcorporaties, waarbijdeze worden uitgenodigd zitting te nemen in een commissietot onderzoek van de positie der woningbouwcorporaties.Wij lezen daar: ,,Het bestuur van de Nationale Woningraadheeft kennis genomen van de discussie, welke ter gelegenheidvan de behandeling van de begroting voor het Departementvan Wederopbouw en Volkshuisvesting ook dit jaar weer isgevoerd over de positie van de Woningbouwcorporaties. Hetis verder door de Directeur-Generaal van de Wederopbouwen de Volkshuisvesting in kennis gesteld van de inhoud vaneen rapport, dat ambtelijk werd uitgebracht over de werk-zaamheden en de betekenis van de woningbouwcorporaties ineen bepaalde provincie. De conclusies van bedoeld rapport zijnfoor de woningbouwcorporaties ongunstig. Het secretariaatvan de Nationale Woningraad ontmoet bij zijn werk onbe-vredigende toestanden, welke doen vrezen, dat bij een deelder corporaties de zaken niet z6 zijn of worden behartigd alsvoor een goede naam van het Instituut der woningbouwvereni-gingen wel wenselijk zou zijn."Het mag nog wel even in herinnering worden teruggeroependeze ernstige ,,aanklacht" tegen de woningbouwcorporaties.Indertijd was het voor bepaalde gemeentebestuurders aanlei-ding om te pleiten voor het op een dood spoor rangeren derwoningbouwcorporaties en (;'oor het doen overnemen van debelangrijkste taken dier corporaties door de gemeente. Hetverheugt ons daarom zeer, dat de commissie in haar rapporten in de conclusies, waarin zij haar inzicht samenvat, tot deslotsom komt, dat de Nationale Woningraad, waar mogelijk,zijn invloed moet uitoefenen om de corporaties meer bewe-gingsvrijheid te geven t.a.v. de bouw, exploitatie en toewijzingbarer woningen.In het door ons gesignaleerde artikel van Mr. Palmen in het..Tijdschrift" wordt op voortreffelijke wijze commentaar ge-geven bij de conclusies der Commissie. Zo lezen wij in datartikel, bij de bespreking van de rechtsvorm der corporaties,die de Commissie in de 8e conclusie behandelt: ,,dat het vande grootste betekenis is, dat -- ook op het plaatselijke vlak --de woningbouwcorporaties voldoende gewicht in de schaal leg-gen," Het zwaartepunt -- zo lezen wij verder -- ligt hierbij inhet bestuurlijke vlak en het is daarom een vereiste, dat deplaatselijke bestuurders aan hoge eisen voldoen. Niet slechtsmoeten deze besturen in alle opzichten berekend zijn voorhun allerminst eenvoudige taak, zij moeten tevens o.a. bij degemeentebesturen orer het nodige gezag beschikken.In deze woorden, in deze zinnen, ligt menen wij, de kern vanhet gehele probleem. Positie en taak van onze woningbouwcor-poraties staan of vallen met het al dan niet aanwezig zijn vanbekwaamheid en gezag bij de bestuurders.Herhaaldelijk moeten wij echter, ook nu nog, vaststellen, dater in de kringen van gemeentebestuurders, raadsleden in hetbijzonder, opvattingen rondspoken die terug doen denken aandie welke wij hiervoor reeds signaleerden.Er wordt dan gesuggereerd, dat meer nog dan reeds automa-tisch het geval is, de gemeente (bestuurders) een vinger in depap dienen te hebben bij het totstandkomen van woningbouw-plannen. Indeling, inrichting en uiterlijke verschijningsvorm,tot in details, behoren, zo meent men wel, van gemeentewegete worden vastgesteld of aangegeven. De corporaties behorendan alle van gemeentewege gegeven aanwijzingen en verlan-gens voetstoots op te volgen en in te wilhgen.Zij zullen -^ na verhuring der op een dergelijke wijze totstand gekomen woning aan van gemeentewege aangewezenbewoners ^- vervolgens het beheer moeten voeren. Uiteraardook weer met inachtneming van alle op dat beheer door ofvanwege de gemeente gegeven voorschriften en aanwijzingen.Een bekwaam en zichzelf respecterend bestuurder van eenwoningbouwcorporatie verdraagt zulks niet en het mag geenverwondering wekken dat dan, bij gebrek aan bekwame be-stuurders met ruggegraat, de positie van de woningbouwcor-poraties vrij spoedig afzakt naar het peil waarvan in de aanhefvan de inleiding van het hier besproken rapport sprake is.Zaandam, november 1957 Tj. KingmaARCHITECT EN OPDRACHTGEVERProgramma van eisen voor gebouwenEen publikatie van het Bouwcentrum i)in opdracht van het ministerie van Volkshuisvesting en Bouw-nijverheidVan de zijde van het Bouwcentrum ontvingen wij het zo juistverschenen rapport ,,Programma van Eisen", zomede de hier-onder volgende toelichting op dit rapport.Architect en opdrachtgever hebben ieder bij het bouwen eeneigen taak. In grote lijnen kan worden gesteld, dat de taakvan de architect begint, daar waar die van de opdrachtgeverophoudt. Immers de opdrachtgever beslist, dat hij een gebouwwil laten neerzetten, kiest een architect, zet hem zijn wenseninzake het te creeren gebouw uiteen en geeft hem de opdracht.Het is nu aan de architect om op verantwoorde wijze gestaltete geven aan de wensen van de opdrachtgever en er zorg voorte dragen dat het bouwwerk overeenkomstig het ontwerp wordtgerealiseerd.Indien de architect bepaalde eisen niet voor verwezenlijkingvatbaar acht, is hij krachtens Artikel 30 van de A.R. 1956verplicht om zulks tijdig aan de opdrachtgever kenbaar temaken. De juridische verantwoordelijkheid van de architectinzake de inhoud van het programma van eisen wordt hierduidelijk afgeperkt. Zulks is eveneens geschied in de anderevigerende regelen.In de praktijk is het echter meestal zo, dat de bemoeiennissenvan de architect met de totstandkoming van het bouwpro-gramma veel verder gaan. Alvorens met de eigenlijke ontwerp-arbeid te starten moet de architect zich vaak intensief bezighouden met het uitwerken, ja, soms zelfs met het duidelijkformuleren van de wensen van de opdrachtgever. De op-drachtgever toch is, hoe belangrijk zijn maatschappelijke positieoverigens ook moge zijn, in verreweg het merendeel van degevallen niet bekend met de geheel eigen problematiek vanhet bouwen. Hij reahseert zich dikwijls in onvoldoende mate,dat hij van de architect alleen dan een gebouw mag verwach-ten dat aan al zijn eisen voldoet, indien hij die eisen van tevoren duidelijk heeft kenbaar gemaakt. Hieraan pleegt in depraktijk echter nog wel eens het een en ander te ontbreken.Men ontkomt veelal niet aan de indruk, dat de opdrachtgeverklaarblijkelijk van de architect verwacht, dat deze hem -- ookzonder dat hij hem volledig uiteenzet wat precies wordt ver-langd -- aan een gebouw zal helpen, dat aan alle later blijken-de eisen zal voldoen en zulks dan nog liefst binnen een korttijdsbestek en tegen een lage bouwsom127128De serieus te werk gaande architect zal in dergelijke gevallentrachten om door het stellen van vragen en door het duidelijkmaken van de bouwkundige consequenties van bepaalde oplos-singen toch tot een verantwoord programma van eisen tekomen. In principe moet een dergelijke gezamenlijke arbeidvan architect en opdrachtgever ten zeerste worden toegejuicht.Met name kunnen de over en weer bestaande verschillen ingeestehjke habitus en maatschappehjke horizon uitermate be-vruchtend werken. Het actief bij de opstelhng van het pro-gramma van eisen betrokken zijn, heeft voor de architect hetgrote voordeel dat deze zich -- mits men hem maar vol-doende tijd laat '-- een veel beter inzicht kan vorrnen aan-gaande het hoe en het waarom van de verschillende eisen.Voor een werkehjk in alle opzichten geslaagd bouwwerk isnu eenmaal meer nodig dan een functioneel schema en eendaar omheen gedrapeerd min of meer goedzittend architecto-nisch jasje. Hiervoor toch moet de eis worden gesteld, dat dearchitect de gchele problematiek van de met de stichting vanhet bouwwerk beoogde doeleinden zoveel mogehjk van hetbegin af als het ware van binnen uit doorleeft.De reahteit van de hedendaagse samenleving stelt hier echterzekere grenzen. De steeds verder gaande speciahsering vanons maatschappehjk bestel heeft er onder meer toe geleid, dathet aantal gebouwentypen sterk is toegenomen. Voor de ar-chitect is het praktisch niet doenhjk zich een oordeel te vormenaangaande de somtijds door een veelheid van speciahsmen enspeciahsten gedetermineerde achtergronden van een bepaaldtype gebouw. Door deze vergaande speciahsatie en door hethiermee samenhangende gebrek aan begrip en aanvoelingsver-mogen tussen opdrachtgever en architect is de constellatie infeite zo geworden, dat bij enigszins belangrijke opdrachtenarchitect en opdrachtgever elkaar altijd weer opnieuw moetenvinden. Het is van een dergehjk van het begin af samengaanvan architect en principaal, dat de kwahteit van het bouw-werk grotendeels afhankelijk zal zijn. Als deze verhoudinggoed is, zal de veelal noodzakelijke inschakeling van ver-schillende specialisten bij de opstelhng van het programmavan eisen geen moeilijkheden opleveren. In die gevallen, dater in deze verhouding iets hapert, zal ook de inschakelingvan het meest deskundige team van specialisten geen uit-komst bieden.* ^ *Het is tegen deze achtergronden, dat men het thans in de Do-cumentatie Bouwwezen gepubliceerde rapport ,, Programmavan Eisen" moet beschouwen.Dit rapport werd in opdracht van het ministerie van Volks-huisvesting en Bouwnijverheid samengesteld door de afdeling,,Functionele problemen" van het Bouwcentrum. Een en andergeschiedde in nauwe samenwerking met ir. W. K. van Oppen,adviseur inzake aangelegenheden betreffende bijzondere ge-bouwen van genoemd ministerie.In het algemene deel van het rapport wordt een uitvoerige ver-handeling gegeven over het programma van eisen. Achtereen-volgens worden hier besproken de noodzaak van het program-ma van eisen, de verschillende fasen bij de totstandkomingdaarvan, de samenwerking met specialisten en de plaats, dieaan het programma van eisen wordt toegekend in de ontwik-keling van de verhouding tussen opdrachtgever en architect.Wat dit laatste betreft wordt erop gewezen, dat van de op-drachtgever in de bestaande regelen inzake de rechtsverhou-ding tussen opdrachtgever en architect niet geeist wordt eengoed programma over te leggen aan de architect, al wordt hetbestaan van een dergelijk programma wel verondersteld. Even-min is de architect verplicht alvorens de opdracht te aanvaar-den een dergelijk programma op te vragen. Daar de ervaringbij arbitragecommissies heeft uitgewezen, dat de grondoorzaakvan vele geschillen is te zoeken bij het niet duidelijk geformu-leerd zijn of zelfs het ontbreken van het programma van eisen,pleiten de samenstellers voor een ontwikkeling in die richting,dat het programma van eisen deel uit zou gaan maken van de-- schriftelijk te verstrekken en te bevestigen -- opdrachtTenslotte wordt in het algemene deel van het rapport gewezenop de wijze, waarop de honorering van de architect voor zijnmedewerking aan de ontwikkeling van het programma vaneisen is geregeld in de A.R. 1956.In het tweede deel van het rapport is een aantal zo beknoptmogelijk gestelde handwijzers voor de samenstelling van pro-gramma's van eisen voor verschillende gebouwentypen opge-nomen. Het betreft hier een soort naslaglijsten. Steeds is aan-gegeven op welke punten moet worden gelet bij de samenstel-ling van het programma van eisen. De overwegingen op grondwaarvan deze beslissingen moeten worden genomen en dieuiteraard van geval tot geval kunnen verschillen vindt menhier niet.* .V. '"^Met de publikatie van dit rapport is er dus typisch naar ge-streefd een hulpmiddel te verschaffen voor samenstellers vanprogramma's van eisen en wel een hulpmiddel, dat vooral be-doeld is ten behoeve van de principaal en waarmee wellicht inhet gesprek tussen architect en principaal een zekere djdsbe-sparing kan worden verkregen. In hoeverre het rapport in dezevorm van betekenis kan zijn, zal in de praktijk van het gebruikmoeten blijken.Gezien het enigermate experimentele karakter, dat deze publi-katie in het huidige stadium kenmerkt, is in eerste instantievolstaan met de samenstelling van handwijzers voor slechts vijfgebouwentypen.Het betreft hier gebouwen, waarvoor reeds door het Bouw-centrum uitvoerige studies zijn verricht, te weten:woningen,hotels,motels,verpleegtehuizen enzusterhuizen 2).Het ligt in de bedoeling de publikatie van handwijzers regel-matig voort te zetten. Er zal naar gestreefd worden, hierbijgebruik te maken van de ervaringen van de gebruikers van dethans gepubliceerde handwijzers.Tenslotte moge worden vermeld, dat de samenstellers er zichvan tevoren van hebben vergewist, dat het denkbeeld van eenpublikatie van handwijzers voor het programma van eisen, als-mede de daarin opgenomen inleidende beschouwing de instem-ming had van het dagelijks bestuur van de Koninklijke Maat-schappij tot Bevordering der Bouwkunst Bond van Neder-landse Architecten (B.N.A.).Uiteraard blijft de verantwoordelijkheid van de inhoud derhandwijzers bij de samenstellers.^) Deze publikatie is verschenen in de uitgave Documentatie Bouwwezen.Voor informaties over deze, in 1955 aangevangen documentatie wendemen zich tot: Bouwcentrum, Afd. PU, Postbus 299, Roterdam.-) De studie inzake zusterhuizen werd verricht onder auspicien van deStichting Studie- en Beoordelingsraad Ziekenhuisbouw.Rationele aanwending van nieuwgebouwde woonruimte.Enige tijd geleden was in het bestuur van een onzer woning-bouwcorporaties aan de orde het doen ontwerpen van wonin-gen speciaal bestemd om door bejaarden te worden bewoond.De tot dusverre door deze en andere corporaties in deze ge-meente gestichte woningen, die voor dat doel waren bestemd-- alhoewel vooralsnog aan een deel dezer woningen tijdelijkeen andere bestemming is gegeven -- bevatten bijna zonderuitzondering slechts een slaapkamer met 2 slaapplaatsen.Bij de toewijzing van dit type woningen aan bepaarden, diein gezinsverband leven, is gebleken, dat er bij een groot deelder bejaarden, die overigens in principe wel bereid waren omuit de tot nu toe door hen bewoonde normale woningen teverhuizen naar een bejaardenwoning, ernstige bezwaren be-staan tegen dit wel zeer kleine woningtype wat in bepaaldebijzondere omstandigheden -- b.v, bij ziekte, bezoek vankinderen of verwanten -- geen enkele mogelijkheid biedt omeen derde in de woning slaapgelegenheid te bieden, andersdan in het woonvertrek met een noodbed.Aan deze bezwaren kan men niet 2onder meer voorbijgaan.Ze zijn zeer voor de hand liggend en reeel en vormen o.i. hetgrootste struikelblok bij het streven naar een werkehjk ratio-nele aanwending van de beschikbare woonruimte.Het was om die reden, dat het bestuur van de bovenbedoeldewoningbouwcorporatie het nieuwe plan voor bejaardenwonin-gen liet ontwerpen met 2 slaapkamers (3 slaapplaatsen).Overigens zal het plan, naar inhoud en oppervlakte der wo-ningen, zich aanpassen aan de voor dit type woningen gel-dende departementale voorschriften.Bij een bespreking van het nieuwe plan in de boezem vaninstanties die plaatselijk bij de beoordeling betrokken zijngeworden bleek dit nogal op enige tegenstand te stuiten.Het voornaamste, eigenlijk het enige argument, wat tegen hetplan werd aangevoerd, was die derde slaapplaats. Men wasvan oordeel, dat waar deze derde slaapplaats gedurende hetgrootste deel van de bewoning onbenut zou blijven, hier vaneen onverantwoorde luxe mocht worden gesproken. Tegen hetop beperkte schaal stichten van bejaardenwoningen met drieslaapplaatsen was geen bezwaar, maar regel behoort zulksniet te worden volgens deze stemmen.Het loont m.i. wel de moeite om in het licht van de hiervoorgesignaleerde gedachtengang eens na te gaan wat een konse-kwente doorvoering daarvan zou betekenen voor onze wo-ningbouw in het algemeen.Bij het ontwerpen van de normale woningwetwoningen is hetregel dat het merendeel der woningen drie slaapkamers metals regel zes slaapplaatsen bevat. Slechts hier en daar, waarzulks b.v. bij het z.g. wisseltype in flatwoningen voor eendoelmatige indeling der ruimte vereist wordt, neemt men ge-noegen met twee slaapkamers met vier slaapplaatsen. Eenniet onbelangrijk gedeelte der woningen bevat vier of meerslaapkamers.Overweegt men bij het ontwerpen van dergelijke plannen danniet of de te bouwen woningen meer slaapruimte bevattendan bij het voldoen aan minimale eisen voldoende mag wor-den geacht? Overweegt men niet of het merendeel der ge-zinnen die de woningen straks zullen betrekken overtolligeruimte ter beschikking zal krijgen?Zeer zeker niet in dezelfde mate als hierboven werd gesigna-leerd bij de beoordeling van woningen voor bejaarden.Is dat erg? Neen! Het zou schijnbaar de doelmatige aanwen-ding van beschikbare woonruimte bevorderen indien alle ineen woning beschikbare plaatsen beslapen zouden wordendoor de leden van het gezin dat er in komt wonen. Maar zosimpel liggen deze dingen niet.Hetzelfde bezwaar wat in de kringen van onze bejaarden be-staat tegen de bejaardenwoning met twee slaapplaatsen, geldtvoor de jongere gezinnen tegen een woning die geen expansie-mogelijkheden biedt -- gezinsuitbreiding b.v. -- noch gele-genheid biedt om loge's te herbergen. Wij denken daarbijaan ouders die elders woonachtige kinderen op bezoek krij-gen.In het Statistisch Zakboek 1957 vonden wij heel wat cijfer-materiaal met betrekking tot de samenstelling der bevolkingvan ons land.Tabel 16 bevat gegevens over de huishoudens, gerangschiktnaar samenstelling van het gezin en aantal kinderen, per pro-vincie op 30-6-'56.Voor de provincie Noordholland vonden wij de volgende cij-fers:In gezinsverband leefden in totaal 504.800 huishoudens dienaar de grootheid van het gezin zijn te verdelen als volgt (inprocenten):A; ntal inwonende kinderen 0 31,6%24,5 %20,4 %11,2%6,0%2,8%6 of meer 3,5 %100,^ %Bekijken wij de percentages nu wat nader, dan blijkt ons, datvan het totaal-aantal der in gezinsverband levende gezinnenniet minder dan 76,5 % betrekking heeft op gezinnen metniet meer dan 2 kinderen.In het opgegeven percentage der gezinnen met 0 kinderen zijnbegrepen de bejaarden die in gezinsverband leven.Van de bejaarden -- personen van 65 jaar en ouder -- iseen belangrijk gedeelte vitaal en ongetwijfeld niet genegende normale woning die zij thans bewonen te verlaten. Schat-ten wij dit ruwweg op 50% van deze groep, dan zal, waar hetaantal der gezinnen van bejaarden gemiddeld voor ons landop ruim 7% van het totaal moet worden gesteld, het percen-tage van 76,5 teruggebracht kunnen worden tot 73%.Zou men nu uitgaan van het standpunt, dat er alleen vaneen rationele aanwending van de beschikbare woonruimtesprake is als alle bedden beslapen worden door leden van hetgezin van de huurder, dan zou dat er toe behoren te leiden,dat niet minder dan 73% der woningen in de provincieNoordholland (gemiddeld) niet meer dan 4 slaapplaatsen be-hoort te bevatten.Gelukkig huldigt niemand dat standpunt omdat men het rede-lijk acht dat in gezinsverband en in familieverband over ietsmeer ruimte kan worden beschikt dan het uiterste minimum.Maar in niet mindere mate dan voor de normale -- en dejongere-gezinnen geldt dat motief voor de bejaarden die methet klimmen der jaren de behoefte aan contact met kinderenen kleinkinderen, verwanten en vrienden voelen toenemen.Het is niet voldoende dat men de bejaarde mens een goedewoon- en slaapgelegenheid voor hem of haar zelf bieden kan,indien daarmee alle contacten met familie en vrienden moetenworden losgelaten. De bejaarde mens zal dan wel verder kun-nen vegeteren, maar of er van verder leven mag worden ge-sproken mag worden betwijfeld.De moderne opvattingen die worden gehuldigd met betrek-king tot het vraagstuk van de vergrijzende mensheid gaan erterecht van uit, dat de ouder wordende mens zolang mogelijkverre moet worden gehouden van alles wat zweemt naar ,,ver-zorging".Isolatie is hetgeen het meest wordt gevreesd door de ouderemensen. En het is juist om die contacten met ,,het leven" tebewaren, waarom wij er voor moeten waken, dat onze bejaar-den niet worden opgesloten in speciale woningen die henzouden isoleren van de oude en vertrouwde contacten met kin-deren, verwanten en vrienden.Zaandam, november 1957 Tj. Kingma129Een recht -- twee averechtOnze aan het hart gebakken bestedingsbeperking geeft het aanschijn aanvreemde verschijnselen. Als een ieder op zijn manier de bestedingen (van eenander) beperkt, dan krijgt men soms wonderlijke resultaten.Ziehier:Het bestuur ener bouwvereniging gaat met de burge-meester te rade over de mogelijkheid om toch de inaanbouw zijnde woningen, zoals te doen gebruikelijk, uitte rusten met gasgeisers.De burgemeester: ,,Mijne heren, wij dienen mede tewerken aan de beperking der bestedingen. Ieder van enszal het kopen van een nieuw costuum dienen uit te stel-len (een gewaagde stelhng bij gebrek aan statistischegegevens over de voorraad costuums van ieder der aan-wezigen!). Voorheen reinigden de burgers op zaterdaghun lichaam in de wastobbe van moeder-de-vrouw. Zijzullen dat opnieuw moeten leren. Derhalve zal er geensprake zijn van het aanbrengen van geisers in de nieuwewoningen!"De directeur van een bouwstichting voert een telefoon-gesprek met een Haags hoofdambtenaar over de moge-Hjke gunning van een bejaardentehuis.De hoofdambtenaar: ,,Onze bejaardentehuizen wordenveel te weinig sober opgezet. Het is al luxe w^at de klokslaat. Eigenlijk kan er daarom van gunning van het doorU bedoelde tehuis geen sprake zijn!"De directeur: ,,Kunt U dit verduidelijken? Het plan istoch opgezet in overeenstemming met de geldende wen-ken en voorschriften? In welk opzicht is het dan teluxueus?"De hoofdambtenaar: ,,Op deze vragen kan ik U geenantwoord geven. Dit zijn zaken, die collega's van mijaangaan. Ik maak U mijn mening slechts kenbaar opgrond van het feit, dat wij de bestedingen dienen tebeperken."De burgemeester van Amsterdam, zeer voorzichtig for-mulerende, zegt ongeveer aan zijn gemeenteraad: ,,Letop, dames en heren, als de gemeente niet een pietsjemeer armslag krijgt op het stuk van de financiering, danis het helemaal niet uitgesloten, dat in de toekomst zalblijken, dat het gewenst is om te onderzoeken of bijonvoldoende uitbreidingsmogelijkheden voor de energie-producerende bedrijven de omstandigheden zich kunnenvoordoen, die zouden leiden tot de overweging of teeniger tijd de distributie van gas en electriciteit als eenreele maatregel zou moeten worden beschouwd."Des anderen daags een telefoontje van een bevrienderelatie, o.m, nauw betrokken bij fabricage en verkoopvan verschillende gastoestellen: ,,Zou je denken, dat wijop grond van de verklaring van de burgemeester vanAmsterdam de aanmaak van gaskachels e.d. moeten in-krimpen?"Er zijn klemmende zorgen over de financiering van dewoningbouw. Voor de eerste negen maanden van 1957was er de centrale lening van de institutionele beleggersaan de Bank voor Nederlandse Gemeenten. Deze le-ning is ponds-ponds-gewijze over de gemeenten verdeeld.Conditie: de helft voor omzetting (consolidatie) vankortlopende leningen; de andere helft voor de financie-ring van nieuwe plannen,Weet U, dat er nu gemeenten zijn, die voor ingediendeplannen voor woningwetbouw, te financieren met het uitdeze lening toegekende aandeel, geen toestemming totgunning kunnen krijgen, omdat er geen woningwetbij-dragen beschikbaar zouden zijn? Ondanks die breed-uitgemeten kapitaalzorgen is er dus wel geld beschik-baar, maar niettemin blijft de gunning achterwege. Dewegen, waarlangs onze bestedingsbeperking zich ont-wikkelt, zijn soms ondoorgrondelijk.De woningbouwers houden de hand op de pols van dekapitaalmarkt. Wordt de klop wat rustiger en steviger?De deviezenpot groeit weer. De liquiditeit van de staatgeeft wat minder zorg, Het Rijk zet schatkistpapier te-gen voordeliger condities uit. Op de beurs fluistert menvoorzichtig over een denkbare disconto-verlaging doorde Nederlandse Bank. De ,,oude" staatsfondensen trek-ken aan. Houdt dus rekening met de mogelijkheid, datwe het dieptepunt alweer gepasseerd zijn.W.S.Wat de opievert130Onze keukens als studie-objectBij het Bouwcentrum is onlangs verschenen een uitvoerigrapport over studies inzake ,,voedsclvoorbereidiging, koken eneten". Het rapport maakt deel uit van een serie (nog te ver-schijnen) publicaties over de ,,functionele grondslagen vande woning". Wij achten de nu voor ons liggende publicatienaar opzet, uitwerking en betekenis meer dan de moeite waardom er in ons maandblad een beschouwing aan te wijden.Het rapport met aandacht lezende, schoot ons een illustratiefverhaal van een vriend te binnen. Hij bezocht omstreeks 1938een in Amsterdam ingerichte tentoonstelling van huisvlijt. Deresultaten van ontelbare uren knutselarbeid waren hier in demeest uiteenlopende vormen te aanschouwen. Er waren mis-schien wel honderd poppenhuizen, waarin de makers voor eenniet onbelangrijk deel hun onvrede met de bestaande indelingen inrichting der woningen hadden ,,afgereageerd". Niette-min was ook in de meest luxueuse voorbeelden het verbandmet het bestaande in woon- en slaapvertrekken, gangen e.d.aanwijsbaar. Alleen en uitgerekend de keukens gaven in minia-tuur vaak revolutionnaire afwijkingen van de practijk-van-alle-dag te zien. In vrijwel geen enkel ,,model-poppenhuis" kwameen keuken voor, die vergelijkbaar mocht heten met het ,,hei-ligdom van de huisvrouw", zoals dat in de toen gangbarewoningtypen werd aangetroffen. De ontwcrpers-knutselaarshadden, wellicht onder het wakend oog van moeder-de-vrouwin hun model-keukens alle wensen en verlangens geprojec-teerd, die in de practijk onvervulbaar bleken. Een volstrektonwillekeurige en onbedoelde veroordeling van wat de wo-ningbouwers van de ,,werkplaats voor de huisvrouw" haddengemaakt.Wij geloven dat er, ondanks onmiskenbare verbetering, ookin de tegenwoordige woningbouw aan de keuken nog tal vangebreken kleven. Deze ,,werkplaats voor de vrouw" geeft deindruk wat stiefmoederlijk bedeeld te zijn. De ruimten zijnvaak ontoereikend voor de arbeid, die er in moet worden ge-leverd; de vorm is soms weinig geschikt om een efficient,,werkproces" te bevorderen; de plaatsing van de in de keukenthuishorende elementen, zoals least (en), aanrecht met goot-steen, fornuis of kooktoestel e.d. is dikwijls willekeurig en zon-der het noodzakelijke onderlinge verband gekozen. Er zijnproblemen aangaande afmctingen van de elementen, de reik-wijdte, -hoogte enz,Het is in de industrie een al lang uitgemaakte zaak, dat dein het produktieproces steeds weerkerende handelingen om-standig dienen te worden gemeten en ge-analyseerd, teneindegegevens te verkrijgen, die onmisbaar zijn voor de plaatsingin onderling verband van de produktie-apoaratuur, voor devorm en de afmetingen der machines enz. Het gaat er daarbijom een zo groot mogelijk effect te bereiken bij aanwending vanzo gering mogelijke psychische en physieke inspanning. Dearbeidsprestatie van de huisvrouw in haar keuken-domein isin totaal omvangrijker en indrukwekkender dan die welke inhonderden uitstekend toegeruste industriele bedrijven wordtgeleverd. Al die specialistische, uit research, analyses en we-tenschappelijk onderzoek voortgesproten zorg, die terecht aande voorwaarden voor de arbeid in onze fabrieken wordt be-steed, is tot nu toe voorbijgegaan aan indeling, uitrusting en in-richtinq van de bijkans belangrijkste werkplaats, die wij ken-nen: de keuken.Daarin lijkt nu een kentering ten goede te zijn ingetreden.Op initiatief van de Nederlandse Huishoudraad en het Bouw-centrum is een uitgebrcide studie over de functionele grond-slagen van de woning ter hand genomen. Daartoe is eenStudieraad gevormd waarin, zoals de inleiding tot de publi-catie van de studie-resultaten ergens nogal optimistisch op-merkt: ,,alle instanties en instituten, wie dit vraagstuk ter hartegaat, tot samenwerking zijn gekomen". Wij ontmoeten in die, Studieraad inderdaad een naar volledigheid reikende verte-genwoordiging van organisaties op het gebied van de volks-huisvesting en daarnaast nog de in dit verband als ,,nieuw"aan te merken Stichting voor de Landbouw, NederlandseHuishoudraad, Landbouwhogeschool, GezondheidstechniekT.N.O.De eerste publicatie van de reeks, n.l. die over wat wij numaar kortweg ,,de keuken" noemen, levert een wetenschap-pelijk opgezette en zeer systematisch uitgewerkte studie,waarin tal van op zichzelf als details aan te merken zaken inonderling verband zijn gerangschikt. Het zal de man van dewoningbouwpractijk zonder twijfel enige moeite kosten omdeze studie en haar resultaten in alle gemoedsrust ter kenniste nemen, te aanvaarden en te verwerken. Het zal hemwaarschijnlijk aanzienlijk minder moeite kosten om van eenaantal verzekeringen en conclusies uit het rapport te getuigen,dat hij dat alles reeds lang wist. Misschien plaatst hij hier endaar een vraagteken aangaande de juistheid van een conclusieof de belangrijkheid van een stelling. Dat lijkt ons geoorloofd,mits daarvan maar niet afhankelijk wordt gesteld het totaal-oordeel over het rapport, dat immers een groot aantal samen-stellende vraagjes en probleempjes in logisch verband heeftgebracht om aan die inventarisatie en rangschikking tenslotteuitgangspunten te ontlenen voor wat men in de practijk met dekeuken in onze woningen wel en niet behoort te doen. Detail-critiek op hetgeen deze studie levert doet naar onze meningonrecht aan de waardevolle systematiek van het rapport enaan de wel zeer omvangrijke arbeid, die kennelijk aan de pu-blicatie is besteed. De Centrale Studiegroep en de Kerngroep,die voor het rapport in eerste aanleg verantwoordelijk zijn,stellen ergens met nadruk, dat zij zich bij haar studie bewusthebben losgemaakt van wat thans in het wonen algemeen ge-bruikelijk is. Dat lijkt ons eenvoudig voorwaarde voor eenvolstrekt objectieve benadering van het onderwerp van onder-zoek. Dat maakt cchter tevens duidelijk, dat er nog wat meerdan alleen maar een papieren rapport nodig zal zijn om degevonden uitgangspunten inderdaad in de practijk tot toe-passing te brengen. Wij komen daarop aan het slot van onzebeschouwing nader terug.Het algemene deel van de studie aangaande de functionelegrondslagen van de woning begint met een opsomming van deomstandigheden, die tot de studie aanleiding hebben gegeven.Er leeft, zo lezen wij in de inleiding, op tal van punten onvol-daanheid met de tegenwoordige wijze van wonen. Er mankeertnog veel aan de indeling en de uitrusting van onze wonin-gen. Er is in het algemeen onvoldoende gelegenheid tot hetgebruik van de bijvertrekken door gezinsleden afzonderlijk.Voornamelijk de ontoereikende verwarmingsmogelijkhedenvan die bijvertrekken spelen daarbij een rol. Wij willen hierbijniet nalaten de kanttekening te plaatsen, dat een groot deelvan de woon- en werkruimten in onze met zoveel moeite enzo hoge kosten tot stand gebrachte woningen gedurende viera vijf maanden van het jaar in feite onbruikbaar zijn, alleenomdat behoorlijke verwarming niet mogelijk is! Na deze, onzeinterruptie, de inleiding nog even op de voet volgende, noterenwij uit het rapport, dat aan de veranderde positie van devrouw door de handhaving van de oude woonvormen geenrecht wordt gedaan, dat de mogelijkheden, die de modernestedebouwkundige situeringen verschaffen, onvoldoende in deindeling van de woningen worden uitgebuit; dat de huidige ont-wikkeling van het gezinsleven niet geheel past binnen hetraam van onze nieuwe woninqen; dat maten en indeling vanvertrekken niet genoeg mogelijkheden bieden tot plaatsing vanhet gewenste meubilair; dat de geluidsisolatie ontoereikend is;dat er tocht en daardoor warmteverlies optreedt enz. enz.Hier wordt, om te beginnen een inventarisatie van tekortko-mingen gegeven, die mogelijk alleen nuttig is in het zicht vande aan onze omineuze bestedingsbeperking gekoppelde eis totverdergaande versobering van onze volkswoningbouw in 1958!De studie stelt zich ten doel het onderkennen (en/of stimule-ren) van materieel, cultureel en sociaal verantwoorde woon-behoeften. De woning als geheel en in haar samenstellendedelen is een bestudeerbaar onderwerp. Dat heeft men waargemaakt door de keuken en alles wat daarmede verband houdtheel serieus onder de loupe te nemen. Men heeft vrijwel alledenkbare handelingen, die in de keuken plaatsvinden gemetenen ge-analyseerd. Tal van afbeeldingen van een proefpersoonvan ,,gemiddelde" maat, geplaatst tegen de achtergrond vanin maatvakken verdeelde wanden, maken duidelijk binnenwelke grenzen voldoende bewegingsvrijheid kan worden ver-kregen. In ,,schema's van handelingen" wordt aangegeven hoede achtereenvolgende werkzaamheden in de keuken verlopenen welke werkruimte daarvoor noodzakelijk is. Aan de ber-gingsmogelijkheden wordt bijzonder veel en bepaald nuttigeaandacht besteed. Ook hier wordt het probleem op een, ogen-schijnlijk wat naieve, maar in feite volkomen verantwoordewijze gepeild. Men heeft eenvoudig de normale keukeninven-taris aan vaste en wisselende goederen gemeten en in onder-ling verband geplaatst om zodoende te komen tot het opstel- 131len van eisen aangaande de ruimte en de bergingsmogelijk-heden. Ook hierbij maken vele afbeeldingen de verklaringenen bedoelingen duidelijk.Aan het slot van het rapport komt een overzicht van de voorde verschillende keuken-elementen gangbare maten en van deafmetingen, die de studie als wenselijk heeft docn kennen.Het is wellicht interessant enkele kenmerkende verschillen tus-sen het een en het ander hier te vermelden:ElementAanrecht met gootsteenlengtebreedtehoogteGootsteenbakKookapparatuur (opstelruimte)Gebruikelijk Volgensrapportcmcm175 225--24055 6085 90--9345 X 35x15 66 X 44 X 17(dubbel)vaakonvoldoende100 X 68132Wij stellen onszelf nu de vraag hoe in de practijk deze enandere uit de studie voortgekomen conclusies kunnen wordentoegepast. Kunnen de fabrikanten van ,,merkkeukens" er toeovergaan hun producten aan de conclusies van het rapportaan te passen? Zullen zij dat doen als niet ook van de zijdeder opdrachtgevers aandrang in die richting wordt uitge-oefend? Bereikt het rapport die opdrachtgevers in toereikendemate en zo ja, zeggen de uiteraard vrij theoretische redenerin-gen dan voldoende om tot overtuiging te leiden? Het zou be-langwekkend zijn om -- het beste in samenwerking met het be-langhebbende bedrijfsleven -- een of meer proto-types van deop de studie-uitkomsten gebaseerde keukens te vervaardigenen die ten toon te stellen of -- beter nog -- in een aantalmodel-woningen als toepasbare voorbeelden onder te brengen.Dezerzijds zijn wij gaarne bereid om, in samenhang met dereeds gevorderde studie van de Nationale Woningraad voorgestandaardiseerde keuken-onderdelen, te onderzoeken of me-dewerking aan de uitvoering van dit denkbeeld mogelijk is.Aansluitende aan het verhaaltje, waarmede wij onze beschou-wing begonnen, zouden wij de suggestie willen plaatsen, datde speelgoed-industrie -- die met het moderne plastic-mate-riaal zulke wonderlijk natuurgetrouwe modellen weet te ver-vaardigen ^ zich eens zou zetten aan de fabricage van,,poppen-keukens", die in hun vormgeving en afmeting zoudenvoldoen aan de thans duidelijk geformuleerde eisen. Het zouals speelgoed zeer geslaagd kunnen zijn; het zou de huisvrou-wen, wier vertegenwoordigsters in het tot stand komen van destudie zulk een groot aandeel hebben gehad, doen zien hoe deideale ,,poppen-keuken" afwijkt van de normale gebruikskeu-ken. Als en bij de huisvrouwen en bij de vrouwelijke jeugdhet inzicht rijpt, dat het anders en beter kan of moet, dan zul-len de heren der schepping die nog altijd bij de tot standkoming van onze woning een eerste viool spelen, een hardedobber hebben om hun voor een groot deel uit overleveringstammende standpunten te handhaven.W.S.Vijf vragen over systeembouwDe Vereniging van Systeembouwers heeft de brochure ,,Vijfvragen over systeembouw" uitgegeven, welke aansluit op hetin 1956 verschenen boekje ,,Nieuwe wegen in de woning-bouw", eveneens een uitgave van deze Vereniging. Denieuwe brochure behandelt de systeembouw in Nederland, zo-als deze zich totnutoe heeft ontwikkeld en geeft de mogelijk-heden voor de naaste toekomst aan.De Vereniging van Systeembouwers rekent het zich tot haartaak alle gewenste voorlichting over systeembouw te gevenen dus de vragen die daaromtrcnt nog mochten bestaan ofin de toekomst kunnen rijzen, te beantwoorden.Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste pun-ten uit de brochure:Besparing op bouwvakarbeidersSysteembouw maakt verhoging van woningproductie mogelijkmet 10.000 vv^oningen per jaar.Verdere industrialisatie van de woningbouvir in het vooruit-zicht.De huidige capaciteit van de systeembouw in Neder-land bedraagt ongeveer 12.000 woningen per jaar.Op vrij korte termijn zou met betrekkelijk geringeinvesteringen de capaciteit opgevoerd kunnen wor-den tot 20.000 woningen per jaar. Aangezien deNederlandse bouwsystemen voor ongeveer de helftbesparen op vakarbeiders, wil dit zeggen, dat hetbestaan van systeembouw de mogelijkheid biedt perjaar 10.000 woningen meer te bouwen dan wanneerin Nederland alleen op traditionele wijze gebouwdzou worden.Dit is een van de conclusies, die getrokken wordt in de bro-chure ,,Vijf vragen over systeembouw". Schrijvers van dezebrochure zijn prof. dr. ir. J. P. Mazure wetenschappelijk ad-viseur van deze vereniging, mr. dr. }. H. Bast algemeensecretaris en ir. K. R. Burger technisch secretaris van deVereniging van Systeembouwers.De brochure geeft antwoord op de vragen ,,Wat is, wat wil,wat mocht, wat deed en wat kan systeembouw?"Begrip systeembouwHet begrip systeembouw wordt in de brochure omschrevenals de sinds 1945 in Nederland gebruikelijke naam voor wo-ningbouw volgens nieuwe bouwsystemen, d.w.z. volgensmethoden die gericht zijn op verhoging van de productiviteiten vergroting van de capaciteit der Nederlandse woningbouw.De middelen daartoe zijn het gebruik van arbeidsbesparendemachines (mechanisatie), verplaatsing van arbeid van debouwplaats naar de fabriek (montagebouw of prefabricatie)en vereenvoudiging van het werk op de bouwplaats (rationa-lisatie).Onderscheiden naar de wijze, waarop een bouwwerk wordtsamengesteld uit bouwstoffcn, komt men tot de volgende in-deling van bouwsystemen:1. gietbouw ?-- beton wordt in een al of niet blijvende be-kisting gestort;2. stapelbouw -- de bouwmaterialen (baksteen, grotere for-maten holle baksteen of betonblokken) worden op elkaargestapeld en -- meestal met specie -- aan elkaar verbon-den;3. montagebouw -- kleine, middelgrote of grote bouwelemen-ten worden zonder verdere bewerking of pas-maken aanelkaar verbonden; de elementen zijn veelal specifiek voorhet betreffende bouwwerk gemaakt.Bij de leden van de Vereniging van Systeembouwers zijn devolgende systemen in toepassing: Airey .-- montagebouw metkleine elementen; B.B.B. -- stapelbouw met holle blokken engeprefabriceerde vloerelementen en binnenwanden; B.M.B. --montagebouw met middelgrote elementen; Korrelbeton -- giet-bouw met montagebekisting; Muwi -- stapelbouw met holleblokken, die later worden volgestort; Rottinghuis -- montage-bouw met grote elementen. Binnen afzienbare tijd komt intoepassing Coignet -- montagebouw met geheel afgewerkteelementen.SYSTEEMBOUW IN NEDERLANDAanvulling van de tvaditionele botiwIn de brochure wordt de overtuiging uitgesproken, datde traditionele woningbouw en de systeembouw el-kaar moeten aanvullen. Voornamelijk door het tekortaan bouwvakarbeiders is de capaciteit van de tradi-, tionele bouw niet voldoende om het woningtekort ineen redehjke tijd op te lossen, Daarbij komt dat voorde krotopruiming de woningproductie lange tijd grootzal moeten zijn. Alleen blijvende, krachtige industria-hsatie van de woningbouw kan het middel zijn om eengezonde, aan de eisen des tijds voldoende huisvestingvan de Nederlandse bevolking te waarborgen, aldusde schrijvers. De systeembouw is de sector van deNederlandse woningbouw, waar het streven naar in-dustrialisatie het duidelijkst en meest doelbewust naarvoren is getreden.De systeembouw streeft derhalve voortdurend naar verbete-ring van de toegepaste nieuwe bouwmethoden. De systeem-bouwers zijn er zich daarbij van bewust, dat het niet gaat omproductieverhoging tot elke prijs, doch om een verhoging vande productie van woningen, die economisch en bouw-tech-nisch waardevol zijn voor de Nederlandse volkshuisvesting.Programma foor 80.000 woningen per jaar.Zoals de systeembouw een aanvullende plaats kan innemennaast de traditionele bouw, zo zal er naast de huidige, matigge'industrialiseerde systemen plaats kunnen zijn voor sterk ge-industrialiseerde bouwmethoden, Voor volledige prefabricatievan geheel afgewerkte elementen in zeer sterk gemechani-seerde fabrieken zal -- volgens de schrijvers -- gezien denoodzaak van industrialisatie, in de toekomst plaats zijn.Op grond van deze overwegingen komen zij tot de conclusie,dat een bouwprogramma van 80.000 woningen in een ge-middeld jaar mogelijk is, waarbij de traditionele bouw voor50.000, de bestaande systeembouw voor 20.000 en sterk ge-industrialiseerde bouwmethoden voor 10.000 woningen zor-gen. Zowel aan de verlangens naar grotere productiviteit alsaan de noodzaak tot aanpassing aan de bijzondere en varie-rende omstandigheden in Nederland zou dan zijn voldaan.Hierbij wordt opgemerkt dat 1957, met zijn uitzonderlijk zachtewinter, niet als norm voor de capaciteit kan worden aange-merkt; ook al niet omdat verwacht mag worden dat het aantalgeschoolde bouwvakarbeiders verder zal dalen.Systeembouw vereist continuiteit en samenwerkingGrote contracten met zeven stedenHet overheidsbeleid ten aanzien van de systeembouw -- zowordt in de brochure gereleveerd -- is in de loop der jarenzeer wisselvallig geweest. Men onderscheidt een periodewaarin de centrale overheid de systeembouw stimuleerde doormiddel van contingentering en premieverlening (1946-1951).Daarna heeft de overheid de systeembouw los gelaten, tot in1954 het inzicht veld won dat de traditionele bouw alleen niettot een voldoende woningproductie kon komen. Eerst werdtoen een contingenteringsregeling ingevoerd, waarbij tenmin-ste enigszins rekening werd gehouden met de voor het bouwenvan een woning benodigde vakarbeid; een woning in eensysteem, dat tenminste een besparing van 40 % op de vak-arbeid bracht, telde voor % woning in het contingent. Sinds1956 heeft de overheid de betekenis van een continue produc-tie voor de productiviteit ingezien en de tot standkoming vancontinu-contracten bevorderd. Inmiddels zijn dergelijke con-tracten aangegaan door Amsterdam, 's-Gravenhage, Arnhem,Dordrecht, Enschede, Groningen en Schiedam.De continu-contracten behelzen een basis-overeenkomst tus-sen de gemeente en de bouwonderneming, waarin de voor-waarden vastgelegd worden voor de bouw van complexenwoningen over een aantal jaren en deel-contracten tussen deopdrachtgevers -- de gemeente zelf of woningbouwverenigin-gen -- en de bouwonderneming. De laatste zijn de aanne-mingscontracten, de inhoud hiervan moet overeenstemmen metde basis-overeenkomst, waarin waarborgen zijn opgenomenvoor een samenwerking tussen de opdrachtgever, de architecten de systeembouwer. De kostenberekening is geheel geregeld.Indien de winst van de systeembouwer boven het gecalcu-leerde bedrag uit komt, dan ontvangt de opdrachtgever 75 %van dit meerdere terug.Tot 1 april 1957 zijn in Nederland 55.000 systeemwoningengebouwd. Dat is 11 % van de totale woningproductie na deoorlog.Het volgende staatje geeft een overzicht van de systeembouwin Nederland:Gereed-gekomen1421.8245.6818.11211.1309.0397.6955.0472.9262.8114.05219471948194919501951195219531954195519561957 tot 1 oktober:In uitvoering op heteind van het jaar1.7004.3008.20013.90010.50011.1006.7004.7007.40010.700op 1 oktober: 11.703Duidelijk blijkt uit dit overzicht en uit de bijgaande grafiekde invloed van het overheidsbeleid. Deze komt het eerst totuiting in het aantal woningen, dat in uitvoering is. In dekomende jaren zal het aantal gereedgekomen systeemwonin-gen stijgen. Zou de stimulering in 1951 niet zijn onderbroken,dan zou de jaarlijkse productie van ten minste 10.000 systeem-woningen gehandhaafd kunnen zijn.Voornaamste eisenDe voornaamste eisen, waaraan bij de toepassing van systeem-bouw voldaan moet worden ter verkrijging van optimale re-sultaten, zijn in de brochure als volgt geformuleerd:a, de eis van continuiteit -- voor het grootst moge-lijke resultaat van de noodzakelijke investeringen is hetnodig, dat een voldoend aantal opdrachten zoveel mo-gelijk aaneensluitend kan worden afgewerkt; 133b. de eis van stedebouwkundige groepering -- aan-gezien bij grote series de voordelen van industriali-satie beter tot hun recht komen en de outillage op debouwplaats dringt tot grote aaneengesloten com-plexen, is een goed stedebouwkundig plan van grotebetekenis ter vermijding van eentonigheid;c. de eis van samenwerking -- om bovengenoemderedenen en vooral omdat een ontwerp afgestemd moetzijn op het toe te passen systeem, moet de samen-werking tussen opdrachtgever, stedebouwer, architecten systeembouwer tijdig een aanvang nemen.Deze eisen spruiten voort uit het verschil tussen de ambach-tehjke wijze van bouwen bij de traditionele bouw en de gein-dustriahseerde methoden bij de systeembouw.Uitvoerig gaat de brochure in op de betekenis van de bouw-tijd. Hierbij wordt de geringe betekenis aangetoond van expe-rimenten met bouwtijden van enkele dagen. De enige maat-staf -- aldus de schrijvers -- waarmee de waarde van eenbouwsysteem voor de leniging van de woningnood op de juistewijze wordt gemeten, is het aantal man-uren en in het bijzon-der het aantal vakman-uren, dat per woning benodigd is.Ten aanzien van het technisch overheidstoezicht wordt o.a.opgemerkt dat een starre letterlijke toepassing van bouwvoor-schriften, die zijn afgestemd op een andere bouwmethode, elkinitiatief tot vernieuwing van bouwmethoden kan fnuiken.Kwalitatief -- aldus de schrijvers -- staan de woningen vande onderhavige systemen die nu al een aantal jaren in toe-passing zijn, op het vereiste peil. De onderhoudskosten zijnniet hoger en dikwijls zelfs wat lager dan die van traditionelewoningen.ToekomstverwachtingAan de eis van continuTteit is bij de continu-contracten vol-daan. Wat nu de ontwikkeling van het prijspeil betreft; veelzal ervan afhangen of het streven naar samenwerking vol-doende tot zijn recht komt. Als dat gebeurt, zal het de sys-teembouwers mogelijk zijn aan te tonen dat dit inderdaad deverwachte voordelen brengt; mede omdat de mogelijkheid ont-staat, de systemen technisch en economisch verder te ontwik-kelen. De systeembouwers hebben de overtuiging dat in dezeomstandighcden de systeembouw niet alleen een anders nietbereikbare verhoging in de woningproductie brengt, doch ookkwalitatief en economisch betere woningen zal bouwen.Samenvattend wordt tenslotte gezegd, dat de mogelijkhedentot toepassing van systeembouw thans in handen liggen vandie opdrachtgevers die er in slagen .-- alleen of in onderlingesamenwerking -- een programma op te stellen dat voorzietin de continue uitvoering van grote opdrachten in dezelfde om-geving. In dat geval biedt systeembouw specifieke voordelen.134ACHTERGRONDEN/?ecorc?/aarA Het jaar 1957 zal een recordjaar voor de woningbouw zijn.Dat staat nu al vast.Meer dan 80.000 woningen, mischien wel reeel meer zuUenvoltooid worden.Het na-oorlogse topcijfer, dat in 1954 werd bereikt, t.w. 68.487zal daarmede verre worden overschreden.Stelt het nieuwe record hen in het ongelijk, die Minister Wittede laatste tijd herhaaldelijk hebben gewaarschuwd, dat hij hetaantal in uitvoering zijnde woningen veel te hoog heeft latenoplopen? Dat valt moeilijk te zeggen.Sinds maart 1956 steeg het aantal in uitvoering zijnde wo-ningen van 75.000 tot boven de 100.000. De mening, dat ditwel moest leiden tot verhoging van het bouwtempo, tot ver-lenging van de bouwduur en dus tot vermindering van hetaantal jaarlijks gereedkomende woningen lijkt op het eerstegezicht heel acceptabel.Desondanks komen in 1957 niet minder, maar meer, zelfsruim 20.000 woningen meer gereed dan in 1956. ,,Mede dankzij de gunstige weersomstandigheden in het begin van hetjaar ", zo zegt de Troonrede. Maar ,,mede" dat wil duszeggen: ,,voor een deel". Hoe groot dat deel van de grotereproduktie is, dat aan de gunstige weersomstandigheden is tedanken, is niet gemakkelijk na te gaan.Vast staat, dat het ,,andere deel" van de toegenomen pro-duktie het gevolg is van het in maart 1956 ingevoerde beleidten aanzien van de afgifte van subsidietoezeggingen. MinisterWitte kan in de Memorie van Toelichting op zijn begroting1958 dan stellig ook met recht verklaren dat dit beleid, waar-door de woningbouw zo goed mogelijk werd ingesteld op deregionale bouwcapaciteit, zichtbaar gunstige resultaten heeftafgeworpcn.De Minister verklaart daarbij, dat het dit jaar te behalen re-sultaat verkregen kon worden zonder dat de spanning op debouwmarkt toenam. Hier en daar verminderde die spanningzelfs.AfremmingBehalve aan het gunstige weer is de hoge woningproduktie,volgens de Minister, te danken aan de continuiteit der bezet-ting van de bedrijven, mogelijk gemaakt door het goedkeu-ringsbeleid en aan de afremming in andere sectoren van debouwnijverheid, met name in die voor handel en verkeer enoverheid. Op 30 juni j.l. lagen er bij het departement plannenvoor 875 bouwwerken van j 100.000,-- en meer, waarvoornog geen rijksgoedkeuring was verstrekt en die dus niet inuitvoering mochten worden genomen. Met uitvoering van diebouwwerken zou in totaal een bedrag van 524 miljoen guldengemoeid zijn. Deze krachtige afremming heeft uiteraard nogalwat ruimte op de bouwmarkt voor de woningbouw gelaten.Uit de omvang van de aangehouden werken blijkt wel dat debehoefte aan het uitvoeren van bouwwerken nog steeds groteris dan waaraan voldaan kan worden.De moeilijkheden ten aanzien van de kapitaalvoorziening heb-ben de produktie aan gebouwen nog niet bei'nvloed.In het Bouwprogramma 1958 zegt Minister Witte, dat ookhet bedrag aan afgegeven bouwvergunningen nog niet is ver-minderd. Dat bouwprogramma is dan ook niet begrensd methet oog op de financiele omstandigheden. De omvang vanhet programma is afgestemd op de geraamde bouwcapaciteit.Daarbij is uitgegaan van de verwachting, dat het aantal ar-beiders in de bouwnijverheid nog lets zal stijgen, dat het win-terwerk zal worden uitgebreid en dat er een voortgaandeverhoging van de arbeidsproduktiviteit zal zijn.Een produktievermeerdering van naar schatting 7,5% tenopzichte van 1957 is in 1958, volgens de Minister, aanvaard-baar te achten.Nog eens 80.000Het is niet uitgesloten, dat ook in 1958 een aantal van 80.000woningen gereed zal komen. Er zijn momenteel immers rond100.000 woningen in aanbouw en verwacht mag worden, datdaarvan in 1958 ongeveer 80.000 opgeleverd kunnen worden.Tenminste, als het weer niet te erg tegen zit en als zich geenonverwachte stagnatie zal voordoen.De zorgen om de woningbouw betreffen dan ook (niet meer)het aantal in 1958 gereedkomende woningen. Met kunst- envliegwerk is de financiering van het grootste deel daarvanverzekerd. De zorgen hebben nu vooral betrekking op de finan-ciering van de 80.000 woningen, met de bouw waarvan in1958 begonnen zal moeten worden om het thans bereikte uit-voeringspeil te kunnen handhaven.De moeilijkheden met de kapitaalverschaffing voor de woning-bouw hebben de regering er niet van weerhouden het wo-ningbouwprogramma opnieuw op te voeren. De bouwcapaciteitlaat toe, dat in 1958 80.000 woningen in uitvoering zullenworden genomen. En, zoals hiervoor al gezegd, het bouw-programma is afgestemd op de verwachte bouwcapaciteit.De financieringMaar zoals de zaken op het ogenblik staan, is de woningbouwniet meer in de allereerste plaats afhankelijk van de bouw-capaciteit, die immers de jaarlijkse aanbouw van rond 80.000woningen toelaat, maar van de kapitaalvoorziening.De opvoering van het aantal in uitvoering zijnde woningenheeft vanzelfsprekend een grote vraag naar kapitaal met zichgebracht. Dit gebeurde juist op een tijdstip toen er bijna geenkapitaal beschikbaar was wegens overinvesteringen in diversesectoren.Desalniettemin moesten er nieuwe woningen in uitvoeringworden genomen, voorzover de bouwcapaciteit dit toeliet. Bijgebrek aan vaste dekkingsmiddelen voor deze woningbouw-plannen zagen de gemeenten zich genoodzaakt gelden opkorte termijn te lenen.Het spreckt echter vanzelf dat de enorme investeringen in dewoningbouw niet kunnen geschieden met gelden die elkogenblik opeisbaar zijn. Bovendien raakt op een gegevenogenblik ook de mogelijkheid tot leningen op korte termijnuitgeput.Om het gevaar af te wenden, dat de woningbouw aanzienlijkzou worden vertraagd, doordat in uitvoering zijnde plannenzouden worden stilgelegd bij gebrek aan geld of met de uit-voering van nieuwe niet zou worden aangevangen, moestenkrachtige maatregelen worden getroffen.RijksvoorschottenReeds in de Troonrede werden deze maatregelen aangekon-digd. De eerste betrof de woningbouwlening van de Bank
Reacties