VolKSte'Orgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvestingen Stedebouw en van de Nationale Woningraad, waarin opge-nomen de mededelingen van de Rijksdienst voor het NationalePlan^ en tevens gewijd aan de WederopbouwApril 1957 38e Jaargang noSohreuder's lakfabrlakan- Sohoonhovetri HollandSCHEWIL V.V.heeft bewezen het betere materiaal te zijnvoor isolatie op ieder gebied.De SCHEWIL KANAALPLATEN zijn hetgrootste wonder van deze tijd.Denk er vooral aan op tijd te bestellen,cm teleurstelling te voorkomen.Bouwplatenfabriek Willemse Delft N.V. - Etten N. Br.Tel. K 1608--572 - Prive 578 - 585. Kantoor, fabriek enopslagterrein: Oude Kerkstraat 17.^^^toFabriek vanalle zonweringen.'^^^B Aluminium JaloezieenLuxaflex MarkiezenZonneschermen,,ZONNEWEErSpeciaal voorflat- en woningbouw.Vraagt offerte.ROTTERDAMKantoor: Oost-Sidelinge 41 cFabriek: Overschieseweg 74 --- telefoon 86539- telefoon 42982L^ L L L i 1 tocntstripned octroolnaain wett. gedep.vastgestelde verkoopprijs ( 1.10 p.m.levering via de ijzerhandelleverbare lengten van 1 m. t/m 2'/2 m.goedgekeurd door de ned. ver, v. hulsvrouwenInd.-en handelsondern. ELTON wassenaar talaleon 0 1751-3077ALPHAMUURVERVEN50 Jaarervaring ....en ervaring is niet tevervangenrnALPHAis onbetwist de meest geschiktemuurverf voor binnenwerk enwordt zeer gunstig beoordeelddoor het verfinstituut T.N.O. teDelft.WasbaarOnverzeepbaarZuurbestendigVERFFABRIEK ALPHAv/h Gebr. Klaverweiden N.V. Alphen a.d. RljnTeleloon K 1720-2192MakelaarskantoorA.W.VAN VLIETKorte Tiendeweg 10 - GOUDA - Telefoon 3509belast zich gaarne metKOOP, VERKOOP, TAXATIES en BEHEERvan ONROERENDE GOEDERENHypotheekbemiddelinK en alle verzekeringenLinex-DakbeschotLinex voor wanden en plafondsAkoestische platenverouderen niet, zijn waterbestendig, afm.49,6 X 49,6 cm.N.V. Bouwmaterialenhandel v/h L. van Drunen en Zn.Buitendijk 6 -- 'S-HERTOGENBOSCH -- Telefoon 6146Voor GLASN.V. DORDTSCHE GLASHANDELKuipershaven 28-29-30 DORDRECHT Telefoon 7245Het adres voor SPECIALE BEGLAZINGSMATERIALENt^o.^dMbnds to? V/omngbo^^ sevens ge^) ^^_^^,,,,,, M. ?'haat tapP?^^T^^A en Lai-^-^^' ',^ en Heng^^? fBesW"^ f^ wstuur van die'an ^-' T?^ede-?^^^9 ^.^ ^^ ' ^.eenbegrvp,-^-"et de ?'="=^"rezondheidstec^^^fvan 195?v;aarop 9^"'v/orden.'?'^t ATcbitects. Wgt.ict l.f? aline, R'J^'fe. 1?Tv"e-Vetoo?nil^^^^^^^^ r.itatge- vanDe tw-^'i; Jantal van ^^J^^oners ^erden van W? ^^d^-^^ r d rep'esentat^^-^f^a-orlogsejXs v^erd^n ^^f^nder-Hotvd^d^^P^^^gn^kste^ De inte^vi^ ^randstof ^^ d^^" 'tng --^^^ "?de Sen voor extra ^^^^ ^^,^"'* eaevens over de kc ^^^ ^et s ^ev/O'^^^rve-f--^'^^^^^^^^^^^r::5^--^^t'n Stal ^-iTve.^^--.. .oeko.;d^ ^ ; aezien. 1^^" ,,,,e verscWu gucces , meerners -VedoeUng o?v d-e ,edaan o?^^^,,eren Onde^nvet de ,,,,,rsteUen v/oi ^^cten te , ^arwmg bb)'ken, het ^te op ^e^ ^^ling van T^ oners. .averN^arming i^konvstige*^^ _^ wonmgve^^^,.^^ staat. !>";Vet toctv nv^-- , e Hian^-'ing van ^,,ers. ;,,aver^varining ^?-- T% van 0*= /PubUtetie no- '^ /^"Ik^hnr^ourtif--d -^n^:::\ ?P4: ,,^^^-tdtr '^ -eyeniei 1956 i/^'og Van rJ ' ''P"'^ i95fi M^^^r in "^. ^an dmmmmmrTijdschrift voorVolkshuisvesting en StedebouwOrgaan van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de NationaleWoningraad, Algemene Bond van Woningbouwverenigingen, waarin opgenomen de mede-delingen van de Rijksdienst voor het Nationale Plan, en tevens gewijd aan de Wederopbouvv^Redactie! Mr. H. W. Bloemers, J. Bommer, Jhr. M. J. I. de Jonge van Ellemeet, B. Merkelbach, Mej. Mr. H. J. D.Revers, Ir. L. S. P. Scheffer, Dr. Ir. F. Bakker Schut, Drs. H. van der WeijdeAdres voor Redactie en Abonnementcn: Lange Voorhout 19, 's Gravenhage, Telefoon 184225Advertenties! Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Postgiro nummer 113028, Telefoon 49128 ('s avonds: Haarlem, Orion-weg 119, Telefoon K 2500 25560)aprii 195738e Jaargang -- No. 4MaandbladOfficiele mededelingenRapport Woningonderzoek, Krotopruiming en SaneringWij vermelden nog, aansluitend op de publikatie in het vorigenummer van een brief van de commissie, die met dit onder-werp belasc is, uitgaande van de Vereniging van NcderlandseGemeenten en het Instituut gezamenlijk, dat zij haar werk teneinde heeft gebracht en dat dus binnenkort de publikatie vanhaar rapport kan worden tegemoetgezien.TentccnsteHing Tal en LastDeze tentoonstelling, gehouden door het Instituut in samen-werking met de Rijksdienst voor het Nationale Plan, is op 22maart 1.1. geopend te Leeuwarden onder auspicien van het Pro-vinciaal Bestuur van Friesland.De tentoonstelling aldaar heeft een week geduurd.Het is de bedoeling dat zij vervolgens in de loop van mei inZwolle en Hengelo zal worden geexposeerd, op uitnodigingvan het Provinciaal Bestuur van Overijssel en daarna inEmmen met medewerking van het bestuur van die gemeente.Woningverwarming, een begrip, een wens, een nood-zaakHoudt men in Nederland wel voldoende rekeningmet de wensen en opvattingen van de bewoners? ^)door C. BitterInleidingTijdens een door de Afdeling Gezondheidstechniek T.N.O.gemaakte studiereis naar Engeland in het najaar van 1955werd onder meer geinformeerd naar de wijze, waarop de wo-ningverwarming in dat land geschiedt.Tevens werd de beschikking verkregen over een aantal publi-katies, die over dit onderwerp handelen.Nu is woningverwarming een zaak, die uiteraard ook in onsland allerwege de aandacht heeft. Het lijkt belangrijk genoegde inhoud van twee publikaties in verkorte vorm weer te ge-ven, omdat men daardoor een goed inzicht krijgt in de wijzewaarop gclijksoortige vraagstukken in Engeland behandeldworden.De publikaties, die aan de orde gesteld zullen worden, zijn:I. House heating and the tenant, experiments at AbbotsLangley, door Rosslyn Green, M. A. en Elisabeth A. Mil-roy, verschenen in de Journal of the Royal Institute ofBritish Architects, 1952, vol. 59, nr. 11, pp. 402--409.II. The popularity of district heating, door John Madge,A.R.I.B.A., medewerker van het Building Research Sta-tion, in the Architects' Journal, 1956, January 26, 123(3178), pp. 140--145.De eerste publikatie behandelt, in aanvulling op publikatiesover onderzoekingen als ,,de ckonomie van woningverwar-ming" en ,,verwarmingsresearch en woningontwerp", de op-vattingen van de bewoners over de verschillende verwarmings-systemen Nvaar zij ervaring mee hadden. Het betreft hier wo-ningen, die voor het Building Research Station werden ge-bouwd. In deze publikatie wordt een aantal conclusies ge-trokken met betrekking tot de warmteverlangens van ver-schillende gezinnen.De tweede publikatie behandelt bevindingen van de bewo-ners in een aantal van blokver^varming voorziene woonwijken.Honderd representatieve bewoners werden ondervraagd in elkvan de vijf belangrijkste na-oorlogse wijken, die van blokver-warming waren voorzien. De interviews werden aangevuldmet gegevens over de kosten voor extra brandstof in de onder-zochte gezinnen.Aanmerkelijke verschillen werden gevonden in het succes vande verwarmingsmethoden, van het standpunt van de bewo-ners uit gezien. Een aantal bevindingen werd geanalyseerdmet de bedoeling om deze verschillen te verklaren.Enige voorstellen worden gedaan om het succes van toekom-stige blokverwarming-projecten te verzekeren. Onder meerwordt erop gewezen dat, indien blokverwarming om redenenvan warmte-economie van energiebedrijven gewenst zou blij-ken, het toch noodzakelijk zou zijn om vast te stellen of leve-ring van warmte op deze manier aantrekkelijk is voor de toe-komstige bewoners.Zoals in de aanvang is gezegd, woningverwarming is eenzaak, die ook in ons land zecr in de belangstelling staat. Menzie hiertoe b.v. de verhandelingen over een reeks problemenbij de verwarming van de volkswoning, verschenen in het1) Publikatie no. 73 van de Afd. Gezondheidstechniek T.N.O. 53.::0'i^Artikelenweekblad De Ingenieur, nr. 40 en 43, 1955, Gezondheidstech-niek 3 en 4. i)Daarbij moet echter al direct opgemerkt worden dat de so-ciaal-economische en de gezondheidstechnische kanten sterkde overhand hebben. In zekere zin lijkt dit gerechtvaardigd.Men heeft echter bij een zo wezenlijke behoefte ah verwav-ming (die men zowel uit een oogpunt van menselijk comforten gehruik van de gehele waning, ook in de wintermaanden.als uit een oogpunt van de toekomstwaarde van de te bouwenwoningen wil perfectioneren) tot nu toe verzuimd de psycho-logische betekenis van en de waardering van de bewonersvoor de woningverwatming tot hun recht te doen komen enin de beleidsoverwegingen te verdisconteren.Men kan tegenwerpen dat de meeste mensen dit soort pro-blemen niet in al hun consequenties kunnen overzien en dater dus voor hen moet worden gedacht. Daar staat echter te-genover dat de ervaring van de bewoners een belangrijke bij-drage kan leveren, zowel wat betreft inzicht in individueleverschillen in waardering, als wat betreft de technische reah-satie van do woningverwarming.Men dient natuurlijk te bedenken dat het volgende betrek-king heeft op Engelse toestanden en omstandigheden (zoalsb.v. verwarmde handdoekenrekken in de badkamer en ,,back-boilers", dat zijn boilers, die door het open vuur verwarmdworden en warm water geven aan keuken en badkamer).Maar zowel om de methode van onderzoek als om de veleaanknopingspunten, die er toch met Nederlandse toestandenblijken te zijn, en de in vele opzichten voor beide landen ge-lijke geldigheid van de conclusies, is het kennisnemen van deinhoud van de twee genoemde publikaties zeer zeker van be-lang. De inhoud moge hier in beknopte vorm volgen./. Woningverwarming en de bewonerTot nu toe werd veel aandacht geschonken aan de economi-sche kant van de woningverwarming en aan speurwerk inzakewoningverwarming en de plattegrond van de woning.In voor het Building Research Station gebouwde woningenmet verschillende verwarmingssystemen werd tevens naar deopvattingen van de bewoners daarover gevraagd. Daarbijwerd ook aandacht geschonken aan de ,,warmte-verlangens"van verschillende gczinnen.ledere bewoner bewoont achtereenvolgens verschillende wo-ningen. Nagegaan werd nu de voorkeur van de bewoners voorde verschillende vormen van verwarming. Eerst moesten debewoners er zich over uitspreken aan welke vorm van verwar-ming ze de voorkeur gaven in woonkamer, keuken, slaapka-mer en badkamer. Daarna werd hun gevraagd aan te geven,als zij mochten kiezen, voor welke kamer zij de verwarminghet belangrijkste vinden en voor welke kamer vervolgens, enz.en hoe zij die verwarming zouden willen zien uitgevoerd.Bijna steeds kwam de woonkamer het eerst in aanmerking,waarbij de meerderheid aan een open vuur de voorkeur gaf.Er was een sterke vraag naar een verwarmde keuken en eenverwarmde badkamer.Men mag verwachten dat de warmte-behoeften van de be-woners varieren met de activiteiten binnen de woning. Deonderzoekers onderscheiden hierbij: zit-warmte, werk-warmteen achtergrond-warmte; verschillen van behoeften naar plaatsen tijd komen hierin tot uitdrukking. Onder zit-warmte ver-staan zij warmte, die voldoende is om gedurende lange perio-den in te zilten. Onder werk-warmte verstaan zij die warmte.^) Men zie ook;,,Betere verwarming van de volkswoning urgent", door Prof. Dr. Ir. J. P.Mazure en Ir. G. Schwarz, in ,,Bouw", 19 maart 1955, pag. 230 e.v.;,,Enige beschouwingen over het vraagstuk van de verwarming van devolkswoning (woningwetwoning)", door Ir. P. K. de lager in ,,Tijdschriftvoor Volkshuisvesting en Stedebouw", april 1956, 37e jaargang, nr. 4,pag. 59 e.v.;i-. ,,De verwarming van de volkswoning" in ,,De Woningbouwvereniging",^^ mei 1956, 16e jaargang, nr. 5.die voor de huisvrouw voldoende is cm haar huishoudelijkebezigheden te verrichten, voor de kinderen bij hun actieve spe-len en gewoonlijk voor het gebruiken van maaltijden, maarniet om langere tijd bij stil te zitten.Onder achtergrond-warmte verstaan zij die warmte, die vol-doende is om te sterke afkoeling van de constructie te voor-komen (om schadelijke condensatie te voorkomen).Uit de gesprekken met de bewoners kwam naar voren dat,wanneer men alle belangrijke factoren in aanmerking neemt,de bewoners in drie groepen verdeeld kunnen worden.Groep I omvat die gezinnen, die tevreden zijn met zit-warmtein de woonkamer alleen en achtergrond-warmte in de rest vande woning.Groep II omvat die gezinnen, die zit-warmte in de woonka-mer willen, werk-warmte in de keuken en die tevreden zijn metachtergrond-warmte in de slaapkamers.Groep III omvat die gezinnen, die zit-warmte, of tenminstewerk-warmte, gedurende de hele tijd in het hele huis willenhebben,De oorzaken, die maken dat een gezin tot een van deze driegroepen behoort, kunnen verschillend zijn. Voor het ene gezinzijn de kosten doorslaggevend, terwijl voor het andere gezinde leefwijze een bepaalde vorm van verwarming kan vereisen.De resultaten van dit onderzoek wijzen crop dat het in deeerste plaats bij de keuze van verwarmingssystemen in de wo-ningbouw gewenst is rekening te houden met de verschillendeverlangens van de gezinnen. In de tweede plaats dat de ge-zinnen heel geschikt verdeeld kunnen worden in drie groepenmet betrekking tot deze verlangens -- b.v. de groepen I, IIen III, die hierboven genoemd zijn.Er zijn natuurlijk andere factoren, die wellicht in de beschou-wing zouden moeten worden betrokken. Zo b.v. de noodza-kelijkheid om het aantal verschillende systemen en voorzie-ningen tot een minimum te beperken. Dit zal ertoe leiden deaanleg- en onderhoudskosten te verminderen. Men moet zo-veel mogelijk regionale gewoonten en voorkeuren tot hunrecht doen komen -- b.v. de voorziening van stookplaatsen inslaapkamers. Bovendien moet de voorziening van voldoendewarmte mogelijk worden gemaakt met een minimum gebruikaan aanvullende gas- of electrische verwarming.Het is zeer bepaald economisch als woningen goed geisoleerdzijn en bij het voorgaande is aangenomen dat goede warmte-isolatie is toegepast.Uit het bovenstaande valt de conclusie te trekken dat menook in Engeland in meer dan een kamer warmte wenst.Tot die conclusie is men dus gekomen door een onderzoek inwoningen met traditionele verwarmingsmogelijkheden, waar-van de ontwikkeling (op zichzelf) natuurlijk ook belangrijk is.De conclusie wijst erop dat het mogelijk is te denken aan cen-trale woningverwarming. Economisch ligt het zo, dat tenge-volge van het lage rendement van speciaal de meest traditio-nele verwarming in Engeland, de open haard, ook centralewarmtelevering wat kosten betreft, niet a priori behoeft teworden uitgesloten.//. De populariteit van districtsverwarming i)Districtsverwarming is in Groot-Brittannie een algemene termvoor het geval dat warmte geleverd wordt uit een centraalketelhuis aan een aantal gebouwen.De interdepartementale commissie voor woningverwarmingbenoemde in 1946 een speciale subcommissie voor districts-verwarming en belastte die met verantwoordelijkheid voor detechnische uitrusting van de districtsverwarmingsprojectenvan plaatselijke autoriteiten. Een aantal districtsverwarmings-schema's werd goedgekeurd en uitgevoerd.1) Distriktsverwarming; bij ons in Nederland komt dit praktisch steedsneer op blokverwarming, naast enkele projekten van stadsverwarming.Deze schema's zijn voornamelijk ontworpen om woningen vanwarmte en van warm water te voorzien. Tegen het einde van1952 waren de woningen, die aldus verwarmd werden, al enigetijd bewoond en aangenomen werd dat het mogehjk zou zijnmet enige betrouwbaarheid de reacties van de bewoners opde verschillende schema's te registreren naar aanleiding vanhun ervaringen met deze nieuwe en voor Britten ongebruike-lijke vorm van woningverwarming.Het veldwerk, dat hierna besproken wordt, werd (in overeen-stemming met het bovenstaande) uitgevoerd met het doel deervaringen vast te leggen en de gezichtspunten van een re-presentatieve steekproef van bewoners te verzamelen.De studie werd beperkt tot vijf schema's, die in Engeland zijnuitgevoerd; twee in steden in de provincie, twee in randstedenvan Londen, een in een centraal gebied van Londen.De diensten, zowel verwarmings- als heet-water-diensten, dieverleend worden en de kosten, die daarvoor in rekening wor-den gebracht, varieren van schema tot schema.Een poging is gedaan om de technische efficientie van de ver-schillende systemen vast te stellen. De kosten zijn in verschil-lende schema's nadelig bei'nvloed geweest door een verschil-lend gebruik, dat van de districtsverwarmingsdiensten werdgemaakt. In de meeste districten was qeen directe aansporingvoor economisch gebruik en sommige bewoners zijn ongetwij-feld buitensporig geweest in hun gebruik van de diensten,vooral van warm water.A. Methode van onderzoekMet de volledige medewerking van de vijf plaatselijke auto-riteiten werd voor ieder verwarmingsproject een lijst vanvoor ondervraging in aanmerking komende huishoudingen op-qesteld.Van het totaal aantal werd een steekproef van honderd adres-sen getrokken, waar nodig geordend naar type en afmetinqvan de woning. Een vragenlijst werd opgesteld, die in deloop van het interview met de bewoners werd doorgenomen.Het veldwerk werd uitgevoerd door de Social Survey. Aanelke ondervraagde persoon werd gevraagd of mocht wordennagegaan hoeveel voor zijn of haar huishouding het extra gas-en electriciteitsverbruik bedroeg en het extra verbruik van vas-te brandstof, zodat kan worden nagegaan hoeveel van dezebrandstof elke huishouding in de steekproef had verbruikt ende totale kosten daarvan voor de bewoners.De centrale vraag in het onderhavige onderzoek is de matewaarin de bewoners de districtsverwarming zijn gaan waar-deren en deze de kosten waard vinden.De antwoorden op de belangrijkste vragen werden op eenbepaalde wijze gegroepeerd. Verschillende beoordelaars werdgevraagd deze antwoorden in volgorde van tevredenheid terangschikken. De mogelijkheden waren: zeer tevreden, tevre-den, neutraal, ontevreden, zeer ontevreden, antwoord niet ge-qeven, niet ter zake doende.De beoordelaars hadden geen moeite om tot overeenstemmingte komen over de uitspraken van de ondervraagden als tevre-den, neutraal, ontevreden. De verschillen in interpretatie lagenalleen in de mate van tevredenheid; dit is een typische ver-gelijkend-taalkundige moeilijkheid.B. Wat is nu verantwoordelijk voor de verschillen in tevre-denheid?Het verband werd daartoe gezocht tussen de mate van tevre-denheid, kosten en opgewekte temperaturen in de verwarmdewoningen. Deze mate van tevredenheid wordt ten dele be-paald door persoonlijke omstandigheden, maar zal voor eendeel ook bepaald worden door de wijze waarop de warmte-levering plaatsvindt en de temperaturen, die worden gereali-seerd.Er zijn b.v. aanmerkelijke verschillen in de temperaturen vande verschillende systemen. De meeste systemen zijn duidelijkontworpen met de bedoeling dat de bewoners hun centrale AnikeUnverwarming zouden aanvullen met andere verwarmingsmoge-lijkheden. De bewoners zijn echter op verschillende wijzenbeperkt in hun keuze van aanvullende verwarming; soms b.v.zijn er geen schoorstenen, zodat de aanvullende verwarmingalleen electrisch kan zijn.De totale verwarmingskosten van de bewoners varieren aan-merkelijk. Ook de omstandigheden en de achtergronden vande bewoners als geheel zijn materieel verschillend voor devijf districten en dit kan hun houding ten aanzien van dis-trictsverwarming bei'nvloeden.Een lichte vermindering in tevredenheid blijkt samen te gaanmet een afneming van het gezinsinkomen.Voorts is er een zwak verband tussen sociale klasse en tevre-denheid. Het is een feit dat de vergelijking met vroegereomstandigheden in de beoordeling van de mensen een voor-name rol speelt.De beleidsmensen, die de populariteit van districtsverwarmingin een bepaalde buurt willen voorspellen, doen er goed aanzich ervan te vergewissen of in het gebied, waaruit de toekom-stige bewoners waarschijnlijk zullen worden betrokken, cen-trale warmwater-voorziening aanwezig was.Het zou ook kunnen zijn dat de tevredenheid in een wijk metdistrictsverwarming verband houdt met de mate waarin debetreffende installatie warmte levert, maar, zoals reeds is op-gemerkt, zijn deze verschillende systemen ontworpen op eenmanier waarbij onderlinge vergelijking bijna niet mogelijk is.Voorzover het deze interviews betreft, worden als ernstige na-delen beschouwd de inflexibiliteit van destrictsverwarming ende onmogelijkheid voor de bewoners om warmte en kostente regelen. Er is een vermoeden dat dit nauw verbonden ismet de faciliteiten voor aanvullende verwarming.Het is aannemelijk te veronderstellen dat de verschillen in te-vredenheid, behalve met de verschillen tussen dc systemenonderling, in bepaalde wijken verband zouden kunnen houdenmet verschillen in kwaliteit van de service, die aan bepaaldewoningen gegeven wordt.Het kan ook zijn dat de tevredenheid eer een gevolg isvan de betere warmte-isolatie van de constructie (de woning isqemakkelijker warm te houden) dan van de doelmatigheid vanhet leidingen-net.C. Ec zijn bovendien enkele aanvullende onderzoekingengedaanGedurende een aantal maanden werden termohygrografen ge-plaatst in de woonkamers van 10 tevreden bewoners en van10 ontevreden bewoners.De instrumenten werden geplaatst in gestandaardiseerde po-sities om toevalsfouten zo klein mogelijk te houden; de afle-zingen werden genomen als indices voor de condities, die iniedere onderzochte woning bereikbaar waren.De hypotese was dat de beter verwarmde woningen populair-der zouden zijn.Het bleek dat, hoewel de verschillen in temperatuur beslistniet zo gemarkeerd waren als de verschillen in tevredenheid.de temperaturen, die bereikt werden, in het algemeen oorzaakwaren van de mate van tevredenheid. Wei werd een aantalafwijkende gevallen qevonden, maar deze konden heel gemak-kelijk verklaard worden uit de verschillende karakters van deindividuen, die in de loop van het onderzoek aan de onder-zoekers bekend werden, tijdens de periodieke bezoeken om dekaarten van de termohygrografen te verwisselen.De hypotese, dat er een verband zou zijn tussen de algemenetevredenheid (samengesteld uit punten zoals het wonen in eenetagewoning, het missen van een tuin, het goed met de burenkunnen opschieten, de plaatselijke kosten van het levens-onderhoud, winkel- en transportmogelijkheden) en de speciale 55Artikelcn56tevredenheid, die met de verwarming verband houdt, kon nietworden bevestigd.D. ConclusiesEen officiele autoriteit, die zichzelf verantwoordelijk stelt voorde bevrediging van de een of andere universele behoefte, zoalsdie van huisvesting, moet nooit streven naar de bevredigingvan de verlangens van iedereen waarvoor bepaalde voorzie-ningen ontworpen zijn. ledere aanvulling van de lijst vanvoorzieningen, die verstrekt worden, zoals het op zich nemenvan directe verantwoordelijkheid voor verwarming, doet demogelijkheid van klachten toenemen. Deze klachten kunnengereduceerd worden op een of beide van de twee volgendemanieren.In de eerste plaats dient men op een meer zinvolle aanpassingvan de voorziening aan de behoefte te letten; dit hangt af vankennis van de plaatselijke omstandigheden en van een duide-lijk inzicht hoe aan deze verwachtingen in feite kan wordenvoldaan.In de tweede plaats kunnen de verwachtingen zelf gevormdzijn in een bepaalde richting en dit verlangt ter plaatse deaanweziqheid van iemand met sociaal begrip en sociale op-leiding. Deze moet de geschiktheid en de autoriteit hebben omplaatselijke sociale behoeften te verhelderen en er aan tege-moet te komen.Er waren verschillen in mate van verwarming van de woning-complexen en er waren aanmerkelijke verschillen in kosten.Duidelijk is dat er ten tijde van de ondervraging grote ver-schillen in populariteit van districtsverwarming waren bij deverschillende projecten,Het meest populaire project was dat, wat over het geheel ge-nomen de laagste kosten voor verwarming (bestaande uit dekosten voor districtsverwarming + de kosten voor aanvullen-de verwarming) met zich meebracht. Bij het project met deover het geheel genomen hoogste verwarmingskosten werdende minste aanhangers gevonden.Niettegenstaande dat is er volgens de onderzoekers weiniadirect verband tussen de fysische en economische achtergrondvan een project en de mate van tevredenheid. Dit betekentdat het blijkbaar niet mogelijk is om de aannemelijkheid vaneen project te voorspsllen met betrekking tot de economischeomstandigheden van toekomstige bewoners.Een aantal conclusies kan worden samengevat onder de hoof-den kosten, flexibiliteit en beheer.KostenHet onderzoek wees uit dat, wat ook de regelingen zijn, dieworden getroffen door plaatselijke autoriteiten, de kosten vanverwarming voor bewoners in woningblokken, die met districts-verwarming worden verwarmd, steeds hoger zijn dan voor be-woners van woningen, die verwarmd worden op traditionelemanier.Hoewel gedurende dit onderzoek geen vergelijking gemaaktwerd wat betreft de technische doelmatigheid van de vijf pro-jecten, is er toch voldoende van bekend om erop te wijzendat enige projecten voor verbeteringen vatbaar zijn.Aangaande het hoofd kosten wordt samenvattend geconclu-deerd (waarbij schrijver dezes opmerkt dat dit een Engelseconclusie over een Engelse situatie is) dat het echter nietverantwoord zou zijn te voorspellen dat de verwarmingskos-ten van een bewoner van een voldoende door middel vandistrictsverwarming verwarmde woning, ook maar enigermatemet de kosten van de gebruikelijkc gedeeltelijke verwarmingvan een Engels huis kunnen concurreren.Bovendien dat het mogelijk is dat, toen aanvankelijk gedachtwerd over de toepassing van districtsverwarming in Groot-Brittannie, er te weinig aandacht besteed werd aan de nogallage verwarmingsstandaard, die daar normaliter geaccepteerdwordt. Engelse huishoudingen verwachten geen verwarmingvan hun hele woningen en als gevolg daarvan is het bedrag,dat ze verwachten te moeten besteden aan verwarming, lagerdan in andere landen. Maar men had kunnen voorspellen datdeze bonding niet spoedig veranderen zou.FlexibiliteitHoewel alle bewoners hun verwarming af kunnen zetten, spa-ren ze daarmee geen eigen geld uit. Bovendien, hoewel allebewoners verwarmingskosten betalen gedurende het gehelejaar, genieten ze woningverwarming alleen gedurende de pe-riode dat het officiele verwarmingssysteem in functie is en danalleen gedurende vastgestelde uren.Bij het onderzoek kwam veel kritiek over deze feiten naarvoren. Men vindt het zeer unfair en bovendien lastiq dat debewoner zo weiniq controle heeft over brandstofverbruik enover de ,,toevanigheid" en de duur van de verwarming.De voorziening, die getroffen wordt voor economisch aan-vullende verwarming, komt aan een aantal bezwaren tegemoet.In de meest succesvolle projecten zijn de temperaturen van decentrale verwarming relatief laag en blijft de (open) haardeen essentieel deel van het verwarmingssysteem.Nog beter zou zijn een betrouwbare methode om het gebruikvan warmte en warm water door ieder gezin te meten, zodatieder gezin zijn behoefte zou kunnen bevredigen en daarvoornaar rato zou moeten betalen; als voor deze metinq tenminsteeen betrouwbaar apparaat aan de markt zou zijn. Acceptabelewarmte-meters zijn ontwikkeld, vooral in Scandinavie; ze wor-den daar vooral toeqepast in grote projecten, die centraalworden verwarmd. Hun gebruik in Engeland, waarvan demogelijkheden grondig worden onderzocht, zou er veel toekunnen bijdragen om de bewoners te verzoenen met de eco-nomische kant van de districtsverwarming.BeheerAfgezien van technische verbeteringen, schijnt het duidelijkdat bizondere zorg vereist is bij het administreren van eenproject, dat centraal verwarmd wordt. Sommige gezinnen zul-len te arm blijven of financieel te onzeker om er profijt van tehebben; andere gezinnen kunnen zeer deugdelijke redenenhebben waarom ze districtsverwarming verwerpen.Veel moeilijkheden zouden overwonnen kunnen worden alshet voor iedere bewoner mogelijk was om een woning te kun-nen kiezen, hetzij een die op traditionele manier verwarmdwordt, hetzij een met districtsverwarming, maar men moet dande mogelijkheid hebben, als op grond van persoonlijke erva-ring blijkt dat de woning met districtsverwarming niet voldoet,een andere woning te kunnen kiezen.Er zullen bezwaren blijven bestaan, zelfs voor die bewoners.die het comfort van districtsverwarming waarderen.Een voorbeeld is het bezwaar, dat door veel bewoners in alleonderzochte projecten werd opgeworpen en dat betrof het ge-durende het hele jaar door betalen voor verwarming, waarvanslechts in de wintermaanden geprofiteerd wordt.Het is op gronden van woningexploitatie essentieel om dekosten te spreiden.Het is te verwachten dat een toekomstig nationaal beleidinzake districtsverwarming in de eerste plaats zal afhangenvan brede economische overwegingen, die buiten de omvangvan het onderhavige onderzoek staan.Maar als de bevordering van districtsverwarming op warmte-economische gronden gestimuleerd zou worden, dan zou hettoch noodzakelijk zijn om vast te stellen, of en onder welkevoorwaarden deze acceptabel zou zijn voor hen, die recht-streeks daarbij betrokken zijn.Er blijft nog veel te leren over de beste manier om verande-ringen te introduceren. Genoeg is echter bekend om de op-vatting te versterken dat verwachtingen, hoewel beweeglijk,niet willekeurig of grillig zijn.(^De Engelse auteur besluit zijn betoog aldus:Als het nationale beleid de introductie van districtsverwarmingvordert, dan zal op de lange duur de vraag niet zijn of dezepopulair of impopulair is, maar hoe een populaire vorm ont-wikkeld kan worden en voor wat voor soort bewoners dezeacceptabel zou kunnen zijn.Gegeven de behoefte, is er geen reden te veronderstellen dathet graag willen hebben van districteverwarming minder voorzou komen dan het graag willen hebben van televisie of eenvan de andere weelde-artikelen van deze dagen.Zoals reeds in de inleiding is medegedeeld, hebben de hierweergegeven onderzoekingen betrekking op Engelse toestan-den. Bezinning op zo doeltreffend mogelijke gehele of gedeel-telijke woningverwarming, al of niet van een centraal punt uitgeregeld, leeft echter evenzeer in ons land als in Engeland.Mt de conclusies, waartoe men over een en ander in Engelandgekomen is, kan men dus wellicht ook hier zijn voordeel doen.Het leek daarom goed de aandacht van belanghebbenden tevestigen op hetgeen hier werd weergegeven.Gedachten omtrent enkele problemen inzake deLeidse agglomeratie in de toekomstdoor Dr. J. WinsemiusDe stad Leiden zal in het kader van de Hollandse stedenreeks(,,Randstad Holland") een plaats van stijgende betekenis gaaninnemen, wanneer de aangrenzende grote stad den Haag we-gens gebrek aan ruimte geen nieuwe bewoners meer zal kun-nen opnemen. In dat stadium zal een deel van de aanwasvan de Haagse agglomeratie moeten worden ondergebrachtof in geheel nieuwe satellietsteden (bijv. in Zoetermeer) of inaangrenzende bestaande kleine steden als Delft, Leiden enGouda. Gezien de zwakke juridische grondslagen, lijkt in depraktijk de laatste oplossing meer kans van slagen te bieden.Het betekent voor de kleine steden rondom 's-Gravenhage datzij een nieuwe functie erbij krijgen of een uitbreiding van hunbestaande taak.Of deze steden aan deze nieuwe opdracht zullen kunnen vol-doen, hangt behalve van natuurlijke omstandigheden als lig-ging, grondgesteldheid e.a., ook af van de mentaliteit van debevolking en hun bestuurderen. In een gebied als de Rand-stad Holland met een betrekkelijk ruime keuze aan bestaans-middelen kan gemakkelijker dan elders op stedebouwkundigegronden worden geschoven met bevolkingsconcentraties en al-dus de groeisnelheid van bepaalde nederzettingen worden ge-regeld.Gezien nu de snelle bevolkingsaanwas van de Randstad Hol-land zal er voor de komende decennia binnen de Leidse agglo-meratie ruimte moeten worden gevonden voor een grotereaanwas dan op grond van de natuurlijke groei van de bestaan-de Leidse bevolking geboden zou zijn.De groei van Leiden ,,uit eigen kracht" kan worden geraamdop een goede 150.000 a 170.000 inwoners in ? 1970/1980 envan de Leidse agglomeratie (Groot-Leiden: Leiden, Oegst-geest, Leiderdorp en Voorschoten) op een ? 225.000 inwo-ners. In de Haagse agglomeratie zullen mogelijkerwijs om-streeks 1980 een goede 170.000 inwoners niet meer kunnenworden gehuisvest, waarvan wellicht ruim 70.000 inwonersnaar de Leidse agglomeratie zouden kunnen afvloeien. Dit zoubetekenen dat Groot-Leiden omstreeks 1980 een inwonertalzou bergen, zoals nu in Utrecht woont, nl. omstreeks 250.000a 300.000 inwoners.Een dergelijke groei reikt ver uit buiten de huidige grenzenvan de gemeente Leiden. Reeds thans is de Leidse agglome-ratie gegroeid tot over het geheel van de gemeenten Oegst-geest en Leiderdorp. Speciaal de gemeente Oegstgeest, waar-van het gemeentelijk territoir gedeeltelijk uit zandgrond be- ArtikeUnstaat, is een essentieel bestanddeel van de Leidse agglome-ratie. Op die zandgronden liggen thans de villaparken vanOegstgeest, in feite de woonwijkcn van de welgestelden uitLeiden. Een rapport van het Economisch-Technologisch In-stituut van Zuid-Holland legt speciaal de nadruk op de Zuid-Hollandse woonfunctie van Oegstgeest, welke gemeente alszodanig voor de gehele omtrek dienst doet. Toch is en blijftOegstgeest in de eerste plaats de woonwijk van Leiden enoefent als zodanig zijn woonfunctie ook uit voor een wijdereomtrek. Oegstgeest met zijn zandgronden, gelegen nabij hetstation van de spoorweg, vormt een onmisbaar en steeds be-langrijker wordend bestanddeel van de Leidse agglomeratie enkan niet los daarvan worden gedacht.De toekomstige groei tot een grotere eenheid van 250.000 a300.000 inwoners sluit behalve de huidige gemeente Leiden inieder geval Oegstgeest en Leiderdorp in. Bij de toekomstigevormgeving zal de Leidse agglomeratie op een aantal ,,na-tuurlijke" grenzen stuiten, die worden gevormd door het rijks-wegennet, zoals dat voor de toekomst is ontworpen, n.l. derijkswegen 4 (Wassenaar-Den Deyl langs Oegstgeest naarSassenheim) en 4A (Voorburg langs Leiderdorp naar Burger-veen) en '-- 4B (de verbinding tussen beide voorgaande vanbezuiden de Haagse Schouw naar de Vliet, bezuiden de Leid-se agglomeratie).Het heeft zin deze rijkswegen als duidelijk in het landschapaanwijsbare grenzen in eerste aanleg aan te houden. Bij Lei-derdorp ligt een deel van de bebouwing thans reeds ten oostenvan de rijksweg no. 4A en hier zal de Leidse agglomeratieover deze begrenzing heen reiken. In het noorden vormen deKagermeren de natuurlijke begrenzing als een soort niemands-land, waar geen landwegen doorheen leiden. Bij Warmond zalechter weinig of geen groenstrook overblijven en in feite zalhet dorp Warmond aan de Leidse agglomeratie vastgroeien.In hoeverre de betrekkelijk smalle groene stroken de Leidseagglomeratie van Rijnsburg (dat op zijn beurt weer met Kat-wijk dreigt samen te groeien) en van Voorschoten in de toe-komst blijvend van deze aangrenzende en uitbreidende neder-zettingen gescheiden zullen houden, staat te bezien. Ook tenaanzien van Zoeterwoude zou de groei van de Leidse agglome-ratie over de rijksweg kunnen reiken. Het zal echter in hetbelang van Leiden en de nabuur-nederzettingen zijn ergenseen duidelijke grens te handhaven en die kan voorshands ner-gens beter liggen dan ter plaatse van de rijkswegen.In ieder geval is het verder zaak speciaal ten aanzien van deHaagse agglomeratie een duidelijke afscheiding te handhaven.Deze scheiding ligt meer tussen Voorschoten en Leiden dantussen Voorschoten en Leidsendam, dat een onafscheidbaarbestanddeel vormt van de Haagse groep. De groene strooktussen Leiden en Voorschoten dient in beginsel daarom zobreed mogelijk te worden gehouden. Deze scheiding tussen debeide agglomeraties kan hier nog worden versterkt door dedaar doorheen voerende verbindingsweg 4B tussen de rijks-wegen 4 en 4A.De ,,natuurlijke" begrenzing door de rijkswegen omsluit deagglomeratie Leiden in het westen, oosten en zuiden. Dezebegrenzing zal niet absoluut zijn en, zoals reeds opgemerkt, zalmet name in het oosten bij Leiderdorp de bebouwing over derijksweg heen reiken.In feite kan alleen het trace van de zuidelijke verbindingsweg4B enigszins worden verschoven. Met het oog op de opper-vlakte van de Leidse agglomeratie voor de toekomst, om dezezo uitgebreid mogelijk te maken, zal men geneigd zijn dezeverbindingsweg zo zuidelijk mogelijk, in de richting van Voor-schoten, te verleggen. Aan de andere kant zal men ook de opente houden groenstrook tussen de Leidse agglomeratie en Voor-schoten moeten proberen zo breed mogelijk te houden. Menzal hiertussen een keuze moeten maken en moeten pogen hetbest bruikbare compromis te vinden. De beste oplossing lijktdat de bebouwing van Voorschoten zich niet sterk meer naarhet noorden uitbreidt. Alleen in het kader van een streekplan 57ArtikelenIdeeenschets voor de toekomstige Leidse agglomeratie58lean een dergelijke beslissing eerst behoorlijk worden beoor-deeld en getroffen.Slechts naar het noorden, in de richting van de Kagermeren,is enige grotere vrijheid van keuze gelaten, maar hier is debodemgesteldheid voor huizenbouw ongunstig. Overigens lig-gen hier door de ligging aan de plassen mogelijkheden om deaantrekkelijkheid van Leiden als woonplaats te vergroten.De uiteindelijke oppervlakte van de Leidse agglomeratie, diedus volgens deze opvatting het grootste deel van de gemeenteOegstgeest mede omvat, zou dan bedragen omstreeks 3345 ha.Indien men het inwonertal van de bebouwde oppervlakte steltop gemiddeld 250.000 a 300.000 inwoners (inclusief de gedeel-telijk ontvolkte city), dan zou het toekomstige inwonertal vande Leidse agglomeratie ,,tussen de rijkswegen" bedragen bijna75 tot rond 90 inwoners per hectare. Dit betekent speciaal inhet laatste geval een tekort aan voldoende ruimte, zoals voorrecreatie, city-voorzieningen en t.a.v, de universiteit. Men zaldus dit aantal inwoners moeten beperken of de oppervlaktevergroten.Men zou met het oog op meer ruimte, d.w.z. op de noodzaakvan grotere bewoonbaarheid en/of om meer inwoners te ber-gen, de Leidse agglomeratie voor de toekomst uitgebreiderkunnen denken. Met de noordelijke uitbreiding tot aan deKagermeren zou dan niet kunnen worden volstaan en men zoudientengevolge woonwijken buiten de genoemde rijkswegenmoeten ontwerpen.In dat geval zal de gesteldheid van de bodem als een der be-palende elementen moeten worden aangemerkt, al zal dezeniet de enige maatstaf mogen zijn. Rond Leiden is de draag-kracht in het algemeen nabij de zeekust (duinzand) groter danbinnenwaarts, waar de klei aan de boorden van de Rijnen in de droogmakerijen overigens weer een steviger onder-grond vormt dan het laagveen in de polders. De ruimte directten westen van Leiden, tussen de kust en de stad, wordt ech-ter in beslag genomen door het vliegveld Valkenburg. Een-zelfde ontwikkeling als bij het oude 's-Gravenhage direct naarde zeekust bij Scheveningen is hier uit dien hoofde zoal nietuitgesloten, dan toch wel uiterst onwaarschijnlijk. Een anderewoonwijk in de richting van de zee zou hier, mede met hetoog op de goede bollen- en tuindersgrond rond Rijnsburg,Noordwijk-Binnen en aan de binnenduinrand, eigenlijk alleenin de weiden ten z.w, en zuiden van Voorhout kunnen ko-men (ten westen van de Haarlemmertrekvaart, in de polderElsgeest).Elders zouden ook meer inwoners geborgen kunnen wordendoor een eventuele uitbreiding op grote schaal van de dorpenWarmond, Rijpwetering, Leiderdorp en Zoeterwoude. DeDntwikkelingsmogelijkheden van de laatste drie nederzettingenzullen in de toekomst stijgen, ondanks hun ligging in het pol-derland, door de aanleg van rijksweg 4A (Voorburg-Leider-dorp-Burgerveen) en door een eventueel te maken aftakkingvan de spoorbaan van het station Leiden naar het oosten vande Kagermeren rechtstreeks naar Schiphol-Amsterdam. Ookhier stuit men echter op bezwaren als verlies van bollengrond(Warmond), als slappe bodemgesteldheid (met name het laag-veen ten n.o, van Leiden) of een ,,binnenwaartse groei" van deRandstad Holland (met name bij Leiderdorp). De voor- ennadelen van deze alternatieven zullen hier kortheidshalve nietnader worden beschouwd. Dientengevolge is hier verder alleende beperkte uitbreiding van Groot-Leiden tot aan de omrin-gende rijkswegen aan de orde gesteld.De aldus voor de toekomst afgepaalde Leidse agglomeratieBB 19HiBi* wofdanColc>vinyla,A?.W,v,,A,S,Bl;?rmmIiEaBMaerBn aBlsaitsyisiwiuiiristi yisitsyLB ttt Ml ft W^ K S, INDLEUDe permanente vloer wint steeds meer terreinLet U maar eens op de vele ,,Kroinmenie" borden bij nieuw-bouw en bij bestaande woningblokken. Zij bewijzen, dat Nederlandhet peil van de woningbouw optrekt en de achterstand in ver-gelijking met de omringende landen inhaalt. Tot modern comfortbehoort immers ook een blijvende gave vloerbedekking, die bijde huur is inbegrepen.Vraag voor nadere inlichtingen onze afdeling TechnischeAdviezen (Tel. 02980-81941).Flats Wassenaarseweg Den Haag met permanenteColovinyl tegelvloeren in keukens,badkamers en wc s.(Arch. Joh. Hopman, Den M;]^LinoleumDeze vloerbedekking blijft bij weinignnderhoud jarenlang als nieuiv; dekleuren gaan door en door, duskunnen niet wegslijten. In meerdan 100 kleuren en dessins.ColovinylPLASTIC AseesT TEGELSFleurig en soepel, in een serie frissetinten. Toe te passen op massieveondervloeren - alsmede op houtenondervloeren, mils voorzien van eenhardboard tussenlaag.Coloritecumaronhars fege/sVoordelig, maar minder buigzaamdan Colovinyl en daardoor aUeengeschikt voor beton en andere mas-sieve vloeren. In vele gemarmerdetinten.LINOLEUM KROMMENIEmaakt woningen completer, dus beter!^T^acaturedGEMEENTE LEEUWARDENBij de weg- en waterbouwkundige en de stedebouwkundigeafdelingen van het bedrijf der Openbare Werken worden ge-vraagd ter voorziening in ontstane vacatures;EEN CIVIEL-INGENIEUR,hoofd van de weg- en waterbouwkundige afdelingEEN STEDEBOUWKUNDIGEof STEDEBOUWKUNDIG INGENIEUR,hoofd van de stedebouwkundige afdeling enEEN STEDEBOUWKUNDIG ONTWERPER.Aanstelling in vaste dienst is mogelijk.Afhankelijk van opieiding en ervaring kan de benoeminggeschieden in de volgende rangen:ingenieur A / 9519,36 -- / 11363,76ingenieur / 7078,80 -- f 9888,24technisch hoofdambt. A / 8291,88 -- 'f 9888,24technisch hoofdambt. / 7605, f 9150,48technisch ambt. A / 6716,16 -- / 8291,88technisch ambt. B / 6172,20 -- /' 7776,72P- J-P- J-P- j-p. j.P- j-p- i-Salarissen zijn inclusief 6% en compensatie A.O.W.; I.Z.A.-regeling, verplaatsingskostenbesluit en kindertoelageregelingzijn van toepassing.Sollicitaties te richten aan de directeur der Openbare Wer-ken, Wissesdwinger 1, Leeuwarden, binnen drie weken nahet verschiinen van dit blad.Bij de stedebouwkundige afdeling van de dienst van open-bare werken en volkshuisvesting kan naar gelang van be-kwaamheid worden geplaatst eenHOOFDTEKENAAR of eenHOOFDTEKENAAR le KLASBezit van of studie voor diploma stedebouwkundig tekenenp.b.n.a. strekt tot aanbeveling.Weddegrenzen hoofdtekenaar / 429,83 en / 529,46, hoofd-tekenaar le klas / 461,18 en / 589,90 per maand. Aanstellingboven de minimum wedde is mogelijk. Kindertoelage over-eenkomstig de voor het rijkspersoneel geldende regeling;wettelijk pensioenverhaal. Gehuwden genieten een tegemoet-koming in verplaatsingskosten. Uitvoerige sollicitaties aanburgemeester en wethouders binnen een week na het ver-schijnen van dit blad. Bezoek alleen na uitnodiging.GEMEENTE VELSEN.Bij het bedrijf Openbare Werken is te vervullen de functievanSTEDEBOUWKUNDIG TEKENAARin de rang van tekenaar-B, tekenaar-C of tekenaar-C le kl.naar gelang van leeftijd, bekwaamheid en ervaring.Vereist wordt een ruime ervaring op het gebied van stede-bouwkundig tekenwerk, terwijl bezit van een diploma M.T.S.of een gelijkwaardige opieiding tot aanbeveling strekt.Maandsalaris: tekenaar-B / 396,25--/ 470,13tekenaar-C / 438,79--/ 532,82tekenaar-C le kl. / 499,23--/ 593,26,excl. 4 % vakantietoeslag, te bereiken in 6 jaar.Aanstelling boven het minimum is niet uitgeslolien.Verplaatsingskosten- en studiekostenregeling zijn van toe-passing.Sollicitatiestukken binnen 14 dagen na het verschijnen vandit blad te zenden aan de directeur van Openbare Werken,Velserbeek 1 te Velsen.GEMEENTE HOOGEVEENBij de dienst van Gemeentewerken kan worden geplaatstEEN STEDEBOUWKUNDIG TEKENAARHet diploma P.B.N.A. stedebouwkundig tekenaar of ruimeervaring is vereist.Afhankelijk van opieiding en ervaring kan aanstelling ge-schieden in de rang van tekenaar c.q. opzichter-tekenaar(salarisgrenzen / 3.540, / 5.520,-) of technisch ambtenaarA, B of C (salarisgrenzen / 4.800,- - / 7.170,-). Een en anderexcl. 5,6 % en 6 %. Verplaatsingskostenregeling van toepas-sing. Toewijzing van woning niet uitgesloten.Sollicitaties met uitvoerige inlichtingen binnen 10 dagen inte dienen bij de directeur van Gemeentewerken, Coevorder-straatweg, Hoogeveen.GEMEENTE 's-HERTOGENBOSCHVoor de dienst van gemeentewerken, afdeling Stadsonlwik-keling en Planning, wordt gevraagdEEN ADMINISTRATEURSollicitanten, die doctor of doctorandus in de EconomischeWetenschappen zijn, genieten de voorkeur.Ruime ervaring op het terrein van de Publieke Werken ende Volkshuisvesting is vereist.Salarisgrenzen: / 789,04--/ 954,40 of / 842,04-^/ 1039,20 permaand naar bekwaamheid.Aanstelling boven het minimum is mogelijk.Voor gehuwden is de verplaatsingskostenregeling van toe-passing.Regeling voor tegemoetkoming in ziektekosten.Sollicitaties binnen 14 dagen te zenden aan Burgemeesteren wethouders van 's-Hertogenbosch.Directieketen - Noodwoningen - Schaftlokalen enz.FIRMA T. MEERKERK - HOUTBOUWGIESSENDAM C 53 -- TELEFOON 196 NEDER-HARDINXVELDJ. SMINIABEVERWIJKHandel in Bouwmaterialen,Zand, Grinden alle soorten BetonwarenOpslagplaatsen: Pruimedijk 8 en Pijpkade - Telefoon 3926Kantoor: Pruimedijk 2LICHTDRUKKENHET ADRESC A. DE JONGMODERNE REPRODUCTIE-INRICHTINGFOLKINGESTR. 15 - TEL. 22717. GRONINGENSINDS 1904bestaat uit de huidige gemeenten Leiden en Oegstgeest, terwijlLeiderdorp in iets losser verband tot deze agglomeratie zalstaan. Door hun ligging vormen zij onvermijdelijk een bestand-deel van deze agglomeratie. Het zou van een wijs beleid ge-tuigen de samensmelting ook op het gebied van de gemeen-telijke indeling zo snel mogelijk te doen voltrekken. Niet al-leen zal hierdoor veel geld en onnodig werk worden bespaard,maar ook verspilling en onherstelbare vergroeiingen wordenvoorkomen. De gemeente Oegstgeest bijv. ziet thans haar toe-komst als zelfstandig gedachte gemeenschap te veel in villa-parken met ruim uit elkaar gebouwde eengezinshuizen voorwelgestelden en te weinig als een woonwijk van de Leidse ag-glomeratie, waar men ook meer stedelijke bebouwing en flatszal moeten oprichten. In het bizonder waar men hier in dezeagglomeratie naar verhouding veel ouden van dagen en alleen-wonenden (studerenden) aantreft en ook in de toekomst zalblijven aantreffen, is een meer gedifferentieerde bouwwijze metmeer hoogbouw niet alleen verantwoord, maar ook noodzake-lijk. De gemeenten Oegstgeest en Leiderdorp zullen binnenenkele decennia wijken van een stedelijke agqlomeratie vormenvan omstreeks 250.000 a 300.000 inwoners. De enige afdoendeverzekering, dat stedebouwkundig hier geen foutieve en on-herstelbare ontwikkelingen zullen plaats vinden, ligt in eenspoedige aanpassing van de gemeentelijke indeling. Veel illu-sies op dit gebied zal men, gezien de ervaringen, echter in de-zen niet behoeven te koesteren.De toekomstige functie van de Leidse agglomeratieDe stad Leiden vervulde tot voor kort een drieledige functien.l.:a. als verzorgingscentrum van de Rijnstreek (veeweiderij) enbollenstreek;b. als aloude industriestad;c. als zetel van de Universiteit.Door de snelle ontwikkeling van de Randstad Holland krijgtde Leidse agglomeratie nog een vierde functie toebedeeld, n.l.;d. als woon-'en satellietstad van de aangrenzende Haagse ag-glomeratie.Ad a. Alle drie functies stammen uit oude tijden, al heb-ben uiteraard veranderingen plaatsqevonden. Sinds den Haagis opqekomen (nog in 1840 telde de residentie niet meer dan65.000 inwoners tegen 37.000 in Leiden) nam de invloedssfeervan Leiden in die richting als verzorgend centrum af. Als veleoude steden is ook Leiden ontstaan op de grens van de duin-strook en het polderland, waar de interlocale verkeersweg overde binnenstrook van het oude duinlandschap de Rijn kruiste.Hoewel de oude kern van Leiden zelf niet ligt op zand, dit inafwijking met steden als Haarlem, Alkmaar, den Haag, Gro-ningen en Utrecht, strekken de moderne woonwijken van dehuidige Leidse agglomeratie in Oegstgeest zich grotendeels weluit over zandgrond.Als oud verzorgingscentrum bezit Leiden ook thans nog eenzeer gedifferentieerd winkelapparaat, dat relatief een ruimebezetting vertoont, met name de grossierssector. Verscheidenebewoners van Wassenaar gaan b.v. zaterdags winkelen inLeiden.Ad b Als industriestad dateert Leidens functie eveneens vanoeroude tijden. In onze gouden eeuw was de landstad Leidenreeds van ouds zetel van de wolindustrie en kwam naar aan-tal inwoners in Holland als tweede stad na Amsterdam. In de19e eeuw werd de functie als centrum van de wolindustriesteeds meer door het landelijke Noord-Brabant overgenomenmet Tilburg als middelpunt.Toch geleek tot voor kort de structuur van het traditionele enoude deel van Leidens nijverheid op die van Noord-Brabant:wol, sigaren. Het zijn met name arbeidsintensieve lichte in-dustrieen met naar verhouding weinig geschoold personeel.Maar er is een belangrijk verschil. Kenschetsend was de her-koinst van de arbeidskrachten: in Leiden was deze duidelijkstedelijk, in Tilburg meer landelijk, nauw verband houdende ^nikeiemet het kleine gemengde boerenbedrijf op de zandgronden. Dearbeiders in Leiden moesten vanouds leven in een relatief duurstedelijk milieu, terwijl die op de zandgronden in Noord-Bra-bant in een meer landelijke woonplaats met hun geit en op hunlapje grond goedkoper konden bestaan. Bij het groeien vansteden als Tilburg en Enschede verandert de situatie voor dealdaar wonende arbeiders, maar het ruime arbeidsaanbod uitde landelijke omgeving bleef daar een druk op het loonniveauuitoefenen.Nog tot het begin van deze eeuw waren de kenmerkende in-dustrieen overwegend van een karakter, gericht op een ruimaanbod van weinig eisende arbeidskrachten. In dit opzicht ver-toonde Leiden dus naar economische structuur overeenkomstmet industriegebieden op de zandgronden in Noord-Bra-bant en Twente. Met dit verschil evenwel dat de industriezich aldaar voorspoedig heeft ontwikkeld. De positie van deLeidse industrieen was echter zeer verschillend: hier was hetin wezen een ,,armoede"-industrie. Indien het overige bedrijfs-Icven kwijnde, waren juist deze takken van industrie van eenruim arbeidsaanbod verzekerd. Deze situatie verondersteldeniet alleen een kwijnend overig bedrijfsleven, evenals een stag-nerend bevolkingsverloop, doch ook een teren op ouderoem. Oude stadjes in het polderland met een afbrokkelendebestaansbasis waren vestigingsplaatsen van dit soort indus-trieen: behalve Leiden, stadjes als Gouda, ook tijdelijk Delft,Kampen.De kenmerkende Leidse industrie ondergaat nu -- zeer ge-leidelijk en vaak nauwelijks merkbaar, maar daarom niet min-der gestaag ^ een wijziging in de zin van een toenemendebetekenis van de metaalindustrie. De oude gerenommeerde in-dustrieen, die laag betaalde, weinig geschoolde arbeiders ge-bruikten, kwijnden of verdwenen: Zaalberg, Tieleman en Dros,Edelachtbaar Sigaren. Van de traditionele industrieen blevenvooral die over, welke hun heil zochten in kwaliteitsproductie.Maar verder waren het nieuwe industrieen, die meer geschooldpersoneel zochten.De metaalindustrieen met geschoold personeel kwamen meerop de voorgrond: machinefabrieken, nu onlangs een schrijf-machinefabriek. De aard van deze hoger bezoldigde arbeids-krachten sluit in dat deze hogere eisen aan hun woning enwoonwijk stellen: in Leiden ontstaat hierdoor een stijgende be-hoefte aan betere woningen, ook een toenemende waarderingvoor de eigenschappen als woonstad. Niet alleen als tekenvan een -- algemeen waarneembare -- grotere waardering vanmoderne hygienische voorzieningen, als een algemene eman-cipatie van de arbeidersklasse, maar mede als teken van eenlangzaam voortgaande structuurwijziging van het industrieleleven: in de richting van kwaliteitsproductie en scholing.Voor de ligging van de fabrieken in de stad zij verwezen naarde behandeling van Leiden als woonstad.Leiden als universiteitsstadAd c. Als zetel van de aloude Universiteit was het rustige wei-nig dynamische karakter van een stad als Leiden op zichzelfgeen nadeel. Hier vond men tijd tot bezinning en analyse. Hetis geen toeval dat vele beroemde universiteiten in kleine, naarbevolkingsaantal weinig groeiende stadjes, zijn gevestigd:Brugge, Heidelberg, Gottingen, Cambridge, Oxford, Coimbra,Salamanca, Padua.Toch maq men zich de vraag stellen of een stad als Leidenvan 80.000 a 100.000 inwoners niet te veel en te eenzijdigwordt beheerst door het bezit van een belangrijke universiteit.Niet alleen in economisch opzicht, doch ook ten aanzien van desociale en culturele aspecten. In Amsterdam gaat het studen-tenleven onder in de grote stad, maar Utrecht lijkt te dienopzichte toch meer het juiste evenwicht te bieden tussen stu-denten en overige maatschappij. In de toekomst zal het ste-delijke milieu van Leiden in dit opzicht meer dat van Utrechtbenaderen, met dit verschil overigens. dat Utrecht een zelf-standig centrum is en de toekomstige Leidse agglomeratie meer ->yArtikelenin hierarchisch verband met de grotere Haagse agglomeratiemoet worden gezien.Sinds steeds ruimere krmgen de Universiteit bezoeken en inovereenstemming met de stijgende betekenis van de modernewetenschappen, is ook de functie van de Universiteit als bronvan werkgelegenheid gestegen. Eleven nog tot in het begindezer eeuw hoogleraren en overig personeel in de stad wonen,sindsdien is met de toeneming van het moderne verkeer demogelijkheid toegenomen buiten de stad zelve te gaan wonen.Vandaar de betekenis voor Leiden dat de woongelegenheidin of nabij de stad (Oegstgeest) verbeterd wordt. Meer groen-voorziening (Leidse Hout) is in dit opzicht een sine qua nongeworden. Het feit, dat Oegstgeest zich steeds meer ont-wikkelt als een woonwijk voor de Leidse agglomeratie vanwelgestelden, is hier mede een uiting van.Ad d. Sedert de dertiger jaren begint zich allengs voor deLeidse agglomeratie (inclusief Oegstgeest) een vierde functieaf te tekenen, nl. als woonplaats voor werkenden elders, metname in den Haag en in ruimere zin genomen de functie vansatellietstad van deze grotere stad. Na de tweede wereldoorlogwordt deze ontwikkeling in de hand gewerkt door de nijpendewoningnood in den Haag en het daaruit voortvloeiend vesti-gingsverbod aldaar. Deze tendentie dreigt zich voor de ko-mende jaren in een snel toenemende mate te vergroten. Wattoch is de situatie?Voor de naaste toekomst dreigt op grond van de snelle be-volkingsaanwas in de Randstad Holland, met name op grondvan het ruimtegebrek in de Haagse agglomeratie, voor Leidende taak te zijn weggelegd een deel van de ..overspill" van deHaagse agglomeratie op te vangen.Men mag in dit verband niet alleen denken aan forenzen, diein den Haag en Rotterdam werken, maar ook aan een de-centralisatie van de Haagse agglomeratie in de vorm van eensatellietstad. Het kenmerk van een satellietstad is dat zij weleen eigen bestaansbasis heeft, wel eigen werkgelegenheid,maar voor haar meer gespecialiseerde behoeften, ook in de cul-turele sector, een beroep doet op een aangrenzende groterestad. De gedachte nederzetting in de polder bij den Haag isdus geen eigenlijke satellietstad, maar in feite alleen een woon-wijk van 's-Gravenhage, omdat anders zeer diep ingrijpendevoorzieningen nodig zouden zijn met een op de nederzettinggericht wegenstelsel, met spoorwegen en kanalen. Voor dezenieuwe functie van de Leidse agglomeratie als satellietstad zalhet echter nodig zijn het woonkarakter te verbeteren en op dezewijze de betekenis van Leiden als woonstad te vergroten. An-ders gezegd: de Leidse agglomeratie meer bewoonbaar te ma-ken, te moderniseren, te zorgen voor voldoende groenvoor-ziening.Het is voor Leidens toekomstige ontwikkeling van het grootstebelang als woonstad meer aantrekkelijkheden te bieden. Ditgeldt niet alleen voor Leiden in zijn functie als universiteits-zetel en toekomstige woonstad voor de Haagse ,,overspiH",maar ook om de meer eisen stellende geschoolde arbeidershier te kunnen vasthouden. Men zal deze doelstelling niet al-leen kunnen verwezenlijken door de aanleg van ruime en ge-riefelijke woonwijken met brede groenstroken, maar ook doorte zorgen voor doelmatiger en fraaie verkeersverbindingen metde zee en de Kagermeren.De ontwikkeling van Leiden is tegengesteld aan plaatsen alsHilversum en Zeist, die van eenzijdige forenzengemeenten al-lengs meer Industrie hebben weten aan te trekken. In Leidenzal het karakter van een eenzijdige werkstad meer moetenworden ontwikkeld in die van speciale behartiging van dewoonbelangen. In feite vindt deze ontwikkeling ook reedsplaats: Professorenwijk in Zuid-Leiden, doorgaande uitbrei-ding van de villaparken onder Oegstgeest. Maar de bizondereaandacht van de bestuurderen zal op deze verdergaande ont-wikkeling van het woonkarakter doelbewust gevestigd moetenblijven. De toekomst van de Leidse agglomeratie hangt hier-60 van af.Naast wonen zal men in de Leidse agglomeratie ook behoorlijkmoeten kunnen werken.De structuur van de oude traditionele industrie, n.l. lichte in-dustrie gericht op de ruime arbeidsmarkt, maakt dat deze fa-brieken verspreid liggen tussen en nabij de arbeiders-woon-buurten. Als zodanig doet deze menging van werk- en woon-gebied, de fabrieken ordeloos verspreid tussen de woningen,duidelijk afbreuk aan Leiden als woonstad. Ook in dit opzichtvertoont Leiden dus overeenstemming met industriesteden inhet oosten des lands met een overeenkomstige structuur, d.w.z.met fabrieken (lichte industrieen), die de woonplaats van dearbeiders zoeken. Ook in Tilburg, Enschede liggen deze ver-spreid door de stad.In Leiden is ten aanzien van de verspreide vestigingsplaats de-zer industriele bedrijven nog op te merken dat zij a. of in despecifieke woonbuurten van de arbeiders lagen, n.l. in denoordoosthoek, of b. daar waar eertijds de buitenrand van destad lag. Vergeleken met de vestigingsplaats van de universi-teitsgebouwen zijn bijna alle fabrieken complementair gelegen:de Universiteitsgebouwen liggen n.l. in de wijken van de betergesitueerden, aan en bij het Rapenburg, aan de Rijnsburger-weg. Slechts de moderne metaalbedrijven hggen meer aanvaarwater, aan de buitenzijde van de bebouwing.De taak voor de toekomst zal in dit opzicht zijn een duidelijkerscheiding aan te brengen tussen industrieen en woonwijkendoor concentratie van industrieen in enkele complexen. Andersgezegd voor de toekomst zal men moeten streven de industrie-en te concentreren op enkele plekken, waar zij zo min mogelijkhinder zullen veroorzaken aan de aangrenzende woonwijken.Concentratie op een enkele plek, bijv. aan de Zijl ten n.o.van de stad, zal in verband met de huidige verspreide liggingin werkelijkheid wel niet meer te bereiken zijn.In het algemeen veroorzaakt in Nederland n.l. bij de heer-sende z.w. winden de ligging van een complex van industrie-terrein aan de n.o. zijde van de bebouwing nog de minstehinder. Hoewel men dus niet zal moeten nalaten in het n.o.van de stedelijke agglomeratie, aan vaarwater (de Zijl) enspoorlijn, industrieterrein aan te wijzen, zal men waarschijn-lijk ook elders in de stad enkele andere terreinen moeten hand-haven en afronden: aan de boorden van de Rijn, in het z.w.aan en nabij de Vliet en misschien nog een aansluitend of inde nabijheid van de Padox-fabriek, aan de spoorlijn onderWarmond.(Het industrieterrein ten oosten van Leiden, op de zuidoevervan de Rijn onder Zoeterwoude, past dus in dit schema.)Toch zal men met het probleem blijven zitten van enkele grotefabrieken in de binnenstad. Voorzover deze geen hinder ver-oorzaken, kan men daar vrede mee hebben, al zullen zij eenvreemd en lastig element vormen bij iedere sanering.Het is te overwegen of men bij de sanering van de n. en n.o.wijken van de binnenstad niet goed zal doen te overwegen omenkele grote. hoge en geisoleerd gehouden industrieflats opte richten. In ieder geval is het met het oog op de toekomstvan Leiden als woonstad zeer gewenst, dat bij een dergelijkesanering een duidelijke scheiding tussen woon- en werkgebiedwordt aangebracht.Hier stemt stedebouw overeen met staatkunde, waarbij de op-timale beoefening het nog juist haalbare, het nog juist reali-seerbare poogt te verwerkelijken. Men zal dus in het uitbrei-dingsplan noodgedwongen nog enkele complexen van indus-trieterreinen moeten projecteren. En dus daar, waar ofhinder aan aangrenzende woonwijken gering is, waar een gun-stige ligging voorkomt (aan vaarwater, nabij een knooppuntvan wegen, nabij spoorlijn, enz.) en waar zich reeds min ofmeer een concentratie van industrieen aftekent. In de prakti-sche stedebouw zal men steeds gedwongen blijven met de be-staande situatie rekening te houden.StadskernDe stadskern van Leiden vertoont enkele fundamentele ge-breken in haar functie van city, De city moet vooral wordenOl/D-V.':jj.i*,?;|POELGEESr v.v; iPlaatselijke situatiegezien als de centrale ontmoetingsplaats binnen het stedelijksverkeerswegennet en als zodanig het concentratiepunt van eenspecifiek stedelijke bediijvigheid. Deze bestaat uit een veel-zijdig samengesteld en zeer gespecialiseerd bedrijfsleven, datzijn typische eigenschappen ontleent aan de wederzijdse afzeten toelevering. Het zijn alle voordelen verbonden aan de agglo-meratieve werking van in elkaars onmiddellijkc nabijheid teverkeren. Als zodanig is de city tegelijk centrum van aller-hande gespecialiseerde citywinkels, van administratie (kan-toren, bank- en geldwezen, van handel en verkeer), van ver-maak (bioscopen, maar ook cafe's, restaurants, waarin over-dag zakelijke besprekingen worden afgedaan), van bepaaldecity-industrieen, die de functie van de city bespoedigen envergemakkelijken (drukkerijen, confectie-ateliers enz.)- Vandit gehele samenstel van agglomeratieve verbindingen, dat deessentie van de city uitmaakt, is het grote voordeel dat menin korte tijd een maximum aan zaken kan afdoen. Agglomera-tie is het kenmerk van de city. Daarvoor is nodig dat het on-derling verkeer binnen de city niet alleen in massale vormverwerkt kan worden, maar vooral dat het ongestoord kanplaats vinden. Dat men zijn afspraken stipt kan nakomen enzijn zaken aldus snel en doelmatig kan afdoen. Anders gaathet hoofdvoordeel van de city verloren, n.l. een maximum aanzaken in korte tijd af te kunnen doen. Opstoppingen door hetvastlopen van verkeer, o.a. als gevolg van doorgaand snelver-keer, onderbreking door tijdelijke afsluiting als gevolg vangesloten spoorwegovergangen of geopende bruggen, vormenevenzovele belemmeringen, die de hoofdfunctie van het be-drijfsleven van de city naar het leven staat. Een gezond func-tionerende city moet in eerste aanleg verzekerd zijn van eenongestoord, niet onderbroken onderling verkeer van haar be-drijfsleven binnen de city zelf.In Leiden schort het hieraan in velerlei opzichten. De spoor-weg heeft het verkeer binnen de city zelve nimmer bemoeilijkt,maar tot voor kort wel tussen de stad en Oegstgeest. Dit euvelis nu uit de weg geruimd door de ophoging van de spoorbaanen aanleg van verkeerstunnels. Evenwel zijn er binnen de citytwee andere grote belemmeringen.Ten eerste gaat al het interlocale snelverkeer nog steeds dwarsdoor de stad en dwars door de city. Het gehele interne ver-keerswegennet van de stad voerde automatisch steeds naar decity. Ringwegen, die elders zijn ontstaan door het gebruik vande singels buiten de oorspronkelijke vesting en bolwerken, ver-tonen hier onoverbrugde onderbrekingen, waar de Rijn doorde stad gaat (,,stroomt'" kan men hier niet zeggen). Het ge-volg was dat men van de ene buitenwijk naar de andere steedseerst in de richtmg van de city en veelvuldig ook door de city 'moet gaan. Het verkeer ging daarom bij wijze van sprekenvanzelf eerst naar de city en pas dan vandaar naar zijn eind-doel elders in de stad.Het verkeer binnen de city zelve werd nog op een anderewijze gehinderd. De interlocale trams van Leiden-den Haag(H.T.M. door de Haarlemmerstraat) en Noordwijk/Katwijk-Leiden-den Haag banen zich nog steeds moeizaam door al hetdrukke cityverkeer heen hun weg. Zo spoedig mogelijk moetendeze verkecrsbelemmeringen, die voor het eigenlijke cityver-keer onduldbare vertragingen veroorzaken, uit het city-lichaamverdwijnen.Maar er is meer. Tot heden strekte de eigenlijke city zich uitvan het westelijke deel van de Hoge Woerd tot aan het Noord-einde, met Breestraat als hartader en Haarlemmerstraat als be-langrijke parallel winkelstraat voor de gewone man. Enigszinsals uitloper van de Leidse ,,city" zou men de Steenstraat naarhet station kunnen beschouwen; in ieder geval gaat zij steedsmeer deel ervan vormen.Dat is natuurlijk niet zonder reden. ledere city heeft zijn ,,ves-tigingsplaats". Van nature heeft de city de neiging in het mid-den van een cirkelvormige bebouwing te liggen. Maar meerkrachten werken op de vestigingsplaats en schuiven haar inbepaalde richtingen. De laatst gebouwde moderne wijkenoefenen op de plaats van vestiging nog niet eenzelfde invloeduit als reeds bestaande volledig in het stadsorganisme opge-nomen wijken. Met name de woonwijken van de welgesteldenoefenen merkbare invloed uit op de ligging van de city. Alsvoorbeeld kan de invloed gelden van Oegstgeest op de vesti-gingsplaats van de city van Leiden, welke lijkt te culminerenin het westelijke deel van de Breestraat. En dit, terwijl sterketrekpleisters als het warenhuis van Vroom & Dreesmann, dehalf-wekelijkse markt en de Donkersteeg (als verbindings-straat naar de Haarlemmerstraat) van ouds werkelijk middel-punt waren, maar nu steeds meer naar de oostzijde van deLeidse city lijken te verschuiven. De bebou
Reacties