JUNI195717e Jaargang - No 600WoningbouwvorenigingMAANDBLAD VAN DE NATIONALE WONINGRAADAdres voor Redactie en Abonnementen: Wouwermanstraaf 27, Amsterdam-Z., Tel. 724298-721412Adres voor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam-C, Tel. 49128ACHTERGRONDENHuurverhoging en blokkeringDe door velen met een zekere spanning tegemoet gezienedebatten in de Tweede Kamer over de voorstellen van deregering tot huurverhoging en tot blokkering van de helftvan die verhoging zijn zonder veel sensatie verlopen.Natuurhjk hebben de tegenstanders van de blokkering hetdaarop betrekking hebbende wetsvoorstel vurig bestreden,hetzij op principiele, hetzij op zakelijke gronden. Het heefthen niet mogen baten; het wetsvoorstel werd met vierenne-gentig tegen vierenveertig stemmen door de Kamer aange-nomen.Ook de huurverhoging met 25% werd aanvaard ondanks eenvan verschillende zijden gesteunde poging om de verhogingtot 12'/^ % te beperken. Wei had de heer Bommer succesmet een door hem ingediend amendement, waarin werd voor-gesteld het maximum van de huurverhoging voor bedrijfs-panden te beperken tot 15%; dit voorstel werd met grotesteun uit de Kamer aangenomen.Er werden nog enkele amendementen aangenomen. Omdatde regering zelf reeds voor de openbare behandeling enkelewijzigingen in de ontwerpen had aangebracht zijn deze almet al nogal wat veranderd. Het is daarom voor een goedbegrip wellicht nuttig een samenvatting te geven van devoorstellen, zoals zij nu bij de Eerste Kamer in behandelingzullen komen.De huurverhoging,Zoals reeds vermeld zal de huurverhoging, die op 1 augustuszal ingaan, voor vooroorlogse bedrijfspanden ten hoogste15% van de huidige huurprijs mogen bedragen. Evenals bijvorige huurverhogingen zal een nieuwe overeenkomst tothuurverhoging tussen verhuurder en huurder moeten wordengesloten; geschiedt dit niet dan blijft de oude huurprijs gelden.Voor de vooroorlogse woningen is dit anders; daarvoor geldtde huurverhoging -- deze keer met 25% --- automatisch.Ook thans zullen verschillende categorieen woningen, dietijdens of in de eerste jaren na de oorlog gebouwd zijn, de-zelfde verhoging krijgen als de vooroorlogse woningen, dus25%. Met het stijgen van het huurpeil wordt het aantal na-oorlogse woningen, dat qua huurpeil gelijkgesteld wordt metde oude woningen, vanzelfsprekend steeds groter. Tot diecategorieen van naoorlogse woningen, waarvan het huurpeilgeacht kan worden te liggen op het niveau van de voor-oorlogse woningen, worden thans onder meer gerekend: de109.000 woningwetwoningen waarvoor steun uit *s Rijks kaswerd toegekend ingevolge de Beschikking Bijdrage Woning-wetbouw 1948. Dit betekent dat alle tot en met het jaar 1950gebouwde woningwoningen volledig onder de huurverhogingzullen vallen. Hetzelfde geldt voor de 15.000 particulierehuurwoningen, gebouwd met rijkssteun ingevolge de finan-cieringsregelingen woningbouw 1947 en 1948 en voor de25.000 herbouwwoningen, die voor het tot stand komen vande wet op de materiele oorlogsschaden door het Rijk werdengefinancierd.De nieuwste woningen.De woningen die later gebouwd zijn dan de hiervoor ge-noemde zullen niet alle vrij van huurverhoging blijven. Zozullen naar schatting ongeveer 160.000 woningwetwoningenvan de bijdrageregehng 1950 onder de huurverhoging vallen.Afhankelijk van de huurprijzen van deze woningen zal hetverhogingspercentage varieren van 1 tot en met 25.Behalve voor die 160.000 woningwetwoningen zal de Mi-nister ook nog voor een onbekend aantal premiewoningen,gebouwd na 1950, een huurverhoging vaststellen. Het ka-merlid, de heer Bommer, toonde zich van dit aantal nogalgeschrokken. Hij verzocht de Minister tijdens de kamerde-batten dan ook om, voordat deze een of andere beschikkingafkondigt ten aanzien van de 160.000 woningwetwoningen,de Vaste Commissie voor de Volkshuisvesting uit de TweedeKamer van de plannen van de regering op de hoogte testellen.Minister Witte deelde in antwoord daarop mede dat het inde bedoeling ligt de gemeentebesturen te verzoeken de hurenvan de woningwetwoningen, die na 1950 zijn gebouwd, tetoetsen aan de huren van de daarvoor gebouwde naoorlogsewoningwetwoningen en om op die basis voorstellen te doentot wijziging van de huren van de na 1950 gebouwde wonin-gen. Bij meningsverschillen tussen de gemeenten en het Mi-nisterie zullen de Huuradviescommissies als adviesinstantiesworden ingeschakeld.De categorieen naoorlogse woningen die thans, ingevolge denieuwe wet, de volledige huurverhoging zullen krijgen zullen 57ook vallen onder de wetsbepaling, dat bij verwaarlozing vanhet onderhoud de laatste twee huurverhogingen ongedaanzullen worden gemaakt totdat de verwaarloosde toestand isopgeheven. Zij vallen echter niet onder de huurblokkcring;deze geldt alleen voor woningen, gebouwd v66r 27 decem-bcr 1940.De blokkering.In het wetsontwerp Grootboek Woningverbetering, dat strekttot blokkering van de helft van de komende huurverhoging,zijn zowel door de Regering, na het overleg van de Commis-sie van Voorbereiding uit de Tweede Kamer, als later tijdensde kamerbehandeling door de Kamer zelf, belangrijke wijzi-gingen aangebracht.Een van de belangrijkste wijzigingen is dat het begrip verbe-teringen aanzienlijk is verruimd. Daaronder worden thansverstaan: alle technische voorzieningen, waardoor het woon-gerief geacht kan worden te zijn gestegen, met inbegrip vanin rechtstreeks verband daarmede uitgevoerde andere werk-zaamheden, alsmede de voorzieningen welke bestaan in bin-nen door de Minister te bepalen tijdvakken uitgevoerde schil-ders- en stucadoorswerkzaamheden aan het inwendige vande woningen,Terugbetaling van op het grootboek ingeschreven gelden kanthans plaats vinden direct na het aanbrengen van verbeterin-gen. Het tijdstip van deblokkering is dus niet afhankelijk vaneen nadere beslissing van de Regering, zoals in het eerstewetsontwerp werd voorgesteld.Om versnippering van de te blokkeren bedragen te voorko-men, hetgeen niet in het belang van de volkshuisvesting zouzijn en ook de administratie van het grootboek extra zwaarzou belasten, is een minimum gesteld aan de verbeterings-kosten die voor deblokkering in aanmerking komen. Dezekosten dienen tenminste 30% te bedragen van hetgeen intotaal tot 1 januari 1967 voor de betrokken woningen zalmoeten worden gestort. Dat komt neer op ongeveer 30%van de na de verhoging geldende jaarhuur.In tegenstelling tot hetgeen aanvankelijk in de bedoeling lag,zullen thans ook gelden kunnen worden gedeblokkeerd tenbehoeve van andere woningen van dezelfde eigenaar, dan diewaarvoor ze zijn ingeschreven. Dit kan echter alleen als hetbedrag van de kosten van de verbeteringen van een be-paalde woning meer bedragen dan ^/s gedeelte van hetbedrag dat voor die woning op het grootboek is ingeschreven.De terugbetaling van het meerdere geschiedt dan ten lastevan de gelden, die voor andere woningen van de aanvragcrop het grootboek zijn ingeschreven.Nieuw is ook, dat ontheffing van verdere stortingen kanworden verleend als meer dan ^/g gedeelte van de terzakevan verbeteringen terugbetaalde gelden aan verbeteringen isbesteed. Een verzoek tot ontheffing moet worden gericht totde directeur van het Grootboek Woningverbetering. Tegeneen eventueel afwijzende beschikking van de directeur opzulk een verzoek staat beroep open op de Minister vanVolkshuisvesting en Bouwnijverheid.In afwijking van het oorspronkelijk ontwerp, waarin werdbepaald dat het tijdstip van deblokkering van de in de loopder jaren nog niet terugbetaalde gelden t.z.t. zou worden aan-gewezen door de Ministers van Financien en van Volks-huisvesting en Bouwnijverheid, is thans bepaald dat de ge-storte gelden met de bijgeschreven rente op 31 december 1970zullen worden terugbetaald. De mogelijkheid is opengelatenom de gelden gedeeltelijk of geheel, hetzij in het gehele land,hetzij in bepaalde aangewezen delen daarvan, eerder terugte betalen. Het thans voorliggende wetsontwerp bepaalt ooknog dat, indien te zijner tijd uitbetaling in de vorm van ver-handelbare rentedragende schuldbewijzen zal geschieden,zulks achteraf bekrachtigd moet worden bij de wet.Een poging om in de wet vast te leggen dat bij een verdere58 stijging van de rentevoet de rente voor de op het grootboekingeschreven bedragen zal worden verhoogd, vond niet vol-doende steun in de Kamer. De rente op de ingeschreven be-dragen blijft dus 3%.Dc argumenten.De 16 afgevaardigden, die bij de Kamerdebatten in eersteinstantie het woord voerden bleken het, met uitzondering vande communistische Heer Gortzak, roerend eens over de nood-zaak tot huurverhoging. Niettemin beklemtoonde MinisterWitte in zijn knappe verdediging deze noodzaak nogmaalsmet een keur van argumenten.Zijn eerste argument was, dat de lage vooroorlogse hurenleiden tot onderwaardering van het woongenot. Het is inonze maatschappij een vervalsing van de verhoudingen, in-dien sommige goederen als diensten worden geleverd vooreen prijs, die niets te maken heeft met hun reproductiewaar-de, aldus de bewindsman. Wanneer dat geschiedt, ondergaathet gehele bestedingspatroon van de consument de invloedvan de onderwaardering van het bevredigingsmiddel, waar-mee dat het geval is.Het belangrijkste argument voor huurverhoging van de Mi-nister was echter ontleend aan het belang van de volks-huisvesting. De onderwaardering van het woongenot leidtertoe, dat door de consument voor nieuwe woningen minderwordt uitgegeven dan er uitgegeven behoeft te worden vooreen goede woning. Het feit, dat de markt voor een grootdeel bepaald wordt door de huren van goedkope oude wo-ningen, maakt dat men psychologisch niet bereid is voor zijnwoning een groter aandeel van het inkomen ter beschikkingte stellen. Dat leidt automatisch tot een zekere neiging om dehuurprijs van nieuwe woningen zoveel mogelijk aan te passenaan die van oude woningen.Aangezien de constructiekosten tot 450% van die van voorde oorlog zijn opgelopen, leidt dit automatisch tot een vermin-dering van de kwaliteit van de woningen. Daardoor is de lagehuurprijs van de vooroorlogse woningen een voortdurendebedreiging van de ontwikkeling van onze volkshuisvesting.De Minister wees er vervolgens op, dat de subsidielasten opde duur voor de Staat vrijwel ondragelijk worden, waardoorhet gevaar bestaat dat deze subsidielasten zoveel mogelijkonder druk worden gezct. Dit betekent automatisch ook weereen druk op het woningcomfort.Verder bracht hij als argumenten naar voren dat de ver-schillen in huurprijs tussen de oude en de nieuwe woningenleiden tot een onjuiste en onefficiente benutting van de aan-wezige woonruimte, dat bij fixering van de huur van oudewoningen een onevenredig offer wordt gevergd van de huis-eigenaren en tenslottc dat er een onbillijk verschil bestaat inbelasting van gezinnen, die wonen in oude of in nieuwe wo-ningen.Al met al, aldus Minister Witte, leidt het laag houden vande huren van vooroorlogse woningen tot een aantasting vanonze volkshuisvesting en tot grote sociale onrechtvaardighe-den. In geen land in de wereld, waar lage huren gcdurendelange tijd werden gecontinueerd, heeft de volkshuisvestingkunnen bloeien. Lage huren hebben steeds geleid tot eenzeer slechte volkshuisvesting.Sprekend over de mate van de huurverhoging zei de Ministerdat de ratio voor de huurverhoging is een meer perfectebenadering van de huren, die in de vrije markt zouden kun-nen worden bepaald. Het doel van de huurverhoging is tetrachten een zo goed mogelijk evenwicht te bereiken tussende huren van nieuw gebouwde woningen en die van de oudewoningen. Dat evenwicht is in de grote steden meer ver-stoord dan op het platteland. Daarom is het irrationeel om inde grote steden een minder grote huurverhoging toe te pas-sen dan op het platteland. De Minister voelde dus niets voordifferentiatie in de huurverhoging, afhankelijk van de ge-meenteklasse. De wens daartoe was door verschillende ka-merleden, overigens op verschillende gronden, naar voren ge-bracht. Overigens wees de Minister de gedachte van diffe-rentiatie, niet alleen naar gemeenteklassen maar eventueelook naar de kwaliteit van de woningen voor de toekomst,niet af. Hij meende dat bij verdere huurverhogingen, waarbijhet peil van de markthuren dichter benaderd wordt, inder-daad voor grotere differentiatie aanleiding is en hij zegdetoe dit punt in studie te willen nemen.Lichtelijk sarcastisch liet de Minister zich uit over het vanverschillende zijden verdedigde voorstel om de huren slechtsmet 121/^% te verhogen. ,,Het is wel merkwaardig", zo zeihij, ,,dat de grootste voorstanders van de huurvcrhogingthans aandringen op een geringere huurverhoging dan eenmet 25%; dat zij de huurverhoging willen beperken tot een123/2%- Ik meen", zo vervolgde de Minister, ,,dat zij in hunachterhoofd hicrbij de gedachte hebben: beperk het nu maartot 123/2% ^^ zorg, dat er dan geen blokkering komt. Ikvraag mij af in hoeverre de wens om aan de blokkering teontkomen hier de inspirator is geweest tot het voorstel ommaar met een lagere huurverhoging genoegen te nemen. In-dien de geachte afgevaardigden inderdaad menen, dat meteen huurverhoging, beperkt tot 121^%, een blokkering kanworden ontlopen, dan ontlopen zij ook de essentie van deproblematiek, waardoor sedert jaren en jaren de oplossingvan het huurprobleem is geblokkeerd".In stede van toe te geven aan de aandrang om de blokke-ringsgedachte te laten vallen verdedigde Minister Witte dezejuist zeer krachtig. Hij bracht naar voren dat de gedachtevan de blokkering van een gedeelte van de huuropbrengsthaar oorsprong vindt in de historische ontwikkeling. Een huiswordt niet alleen ondcrhouden en dan na verloop van deafschrijvingstermijn van bijvoorbeeld 50 of 75 jaar afgebro-ken, maar het wordt gedurende zijn levensloop op allerleiwijze verbouwd en verbeterd en meer aan de eisen van detijd aangepast. Dit geschiedde in normale omstandighedenvan een vrije en ruim voorziene woningmarkt automatisch,omdat de concurrentie er wel voor zorgde, dat oudc huizenin een zodanige staat werden gebracht, dat zij verhuurbaarbleven als zij moesten concurreren tegen nieuwe woningen.Nu de vrije markt niet meewerkt heeft deze automatischevernieuwing van de oude woningvoorraad niet plaats.De blokkering moet nu gezien worden als een correctief waarde normale correctieven van de vrije maatschappij ontbreken.Blokkering is naar het oordeel van de Minister niet onrecht-vaardig en zij maakt niet op ongeoorloofde wijze inbreuk opde rechten van de huiseigenaar. Zij, die menen dat dit welhet geval is, absoluteren dit eigendomsrecht te veel. Overalin onze maatschappij zien wij een beperking van de absolutemacht over de eigendom. Zonder de mogelijkheid tot beper-king van dat eigendomsrecht zou een menselijke samenlevingin onze gecompliceerde maatschappij onmogelijk zijn.De blokkering is administratief niet onuitvoerbaar. Zij is zorationeel en zo eenvoudig mogelijk opgezet. Het grootboekwoningverbetering wordt niet, zoals door sommige afgevaar-digden wordt gevreesd, een administratief monstrum, maarhet wordt zo eenvoudig als het menselijkerwijs, gezien deopdracht, maar mogelijk is,Zowel aan het begin als aan het einde van zijn betoog ver-klaarde Minister Witte dat hij de verdediging van deze wets-ontwerpen met een zekere vreugde op zich had genomen. Hijverheugde zich erover dat er een weg was gevonden om uitde impasse te komen waarin onze huurpolitiek was geraakt.De gelukwensen, die de Minister na het aannemen van dewetsvoorstellen in ontvangst kon nemen, waren alleszins ver-diend. Zijn verdediging van deze voorstellen verried niet al-leen knapheid en deskundigheid maar ook de overtuigingte vechten voor een goede zaak.zzOrganlsatlC'nleuywsVerslag van de algemene ledenvergadering van deNationale Woningraadgehouden op 24 en 25 mei 957 te Utrecht.Vrijdag 24 mei:1. Openingsrede van de voorzitter.Door ziekte van de voorzitter, de heer A. in 't Veld, presideertde tweede-voorzitter, de heer W. Steinmetz de vergaderingen.Alvorens te luisteren naar de openingsrede herdenkt de ver-gadering twee overige bestuursleden, de heren P. Donker enG. Voerman. Door het overlijden van deze bestuursleden, zegtde voorzitter, zijn twee vrienden van ons heengegaan, met wiewij vele jaren prettig hebben samengewerkt. Wij danken indeze vergadering beide vrienden, die zoveel liefde voor hunmedemensen hebben opgebracht om te strijden voor verbete-ring van de volkshuisvesting. Hun aandenken zal ons stimu-leren om dit werk voort te zetten. Wij spreken hierbij de wensuit, dat zij in vrede zullen rusten.Hierna spreekt de voorzitter de openingsrede van de heer In't Veld uit. (In extenso opgenomen in het meinummer van onsmaandblad).2. Bespreking en vaststelling van het jaarverslag over 1956.a. Verslag van de werkzaamheden.De heer Scherpenhuizen van ,,Ons Huis" te Amsterdam wilnaar aanleiding van hetgeen in het jaarverslag staat vermeldt.o.v. van juridische en algemene adviezen vragen de moge-lijkheid te overwcgen om voor een belangrijk deel de te ver-strekken adviezen aan de leden in het maandblad ,,De Wo-ningbouwvereniging" op te nemen. Door deze publicatie ver-krijgen de leden op de duur de beschikking over documenta-tie, waarin de vraagstukken uit de practijk worden behandeld.Gezien de veelheid van activiteiten, welke de Nationale Wo- ,ningraad verricht, is het met enige schroom dat spr. de aan-dacht vraagt voor een nieuwe activiteit, n.l. voorlichting aande leden om te komen tot een betere wooncultuur. Deze laat-ste jaren zijn de woningbouwvercnigingen meer en meer admi-nistratieve instellingen geworden en komt de ideele uitgangs-gedachte op de achtergrond. De taak van de bouwverenigin-gen, zegt spr., is niet alleen het bouwen van woningen, maar "ook het opvoeden van de huurders tot goede bewoning. Be-perkte middelen en terreinschaarste dwingen de opdrachtge-ver tot het bouwen van kleine woningen. Practisch overlegover de inrichting vindt men over het algemeen vreemd, ter-wijl het interieur van zo'n grote betekenis is voor het gezins-leven. Spr, zou daarom willen suggereren om lezingen en ten-toonstellingen over wooncultuur te laten houden voor woning- 59bouwcorporaties en haar leden, nieuwe woningen ter bezichti-ging in te richten en in ,,De Woningbouwvereniging" artike-len op te nemen over wooncultuur aan de hand van bekendearchitecten.De heer Plomper van ,,Goed Wonen" te Hoorn zou graagwillen, dat de provinciale afdeling Noord-Holland nieuw le-ven werd ingeblazen. De kleine verenigingen hebben eveneenste kampen met grote moeilijkheden, ook ten opzichte van dewoningbouwplannen. Spr. zou graag nader geadviseerd willenworden.De secretaris vindt het plezicrig, dat door voorgaande spre-kers die naar hij aanneemt de tolk van de vergadering zijn ge-weest, blijk is gegeven van belangstelling voor het jaarverslag.Naar aanleiding over hetgeen de heer Scherpenhuizen naarvoren heeft gebracht, zegt spr., dat in het verleden in hetmaandblad ,,De Wonigbouwvereniging" een aparte rubriekwas opgenomen, waarin uitgebrachte adviezen ter kennis vande leden werden gesteld. De secretaris zal de mogelijkheid inoverweging nemen om korte uittreksels van adviezen, die voorde lezerskring van betekenis geacht kunnen worden, in hetorgaan op te nemen.De kwestie wooncultuur ligt minder simpel. De Stichting,,Goed Wonen" is al verscheidene malen bezig geweest methet inrichten van nieuwe woningen om de burgers vertrouwdte maken met de inrichting van de woning, die de architectvoor ogen heeft gestaan toen hij het ontwerp maakte. De ont-wikkeling van ,,Goed Wonen" mag verheugend worden ge-noemd. Spr. vraagt zich af of de Woningraad zich moet bege-ven op een terrein, dat door andere instellingen wordt be-werkt. Zou de heer Scherpenhuizen willen bevorderen, dat deaandacht van de woningbouwcorporaties wordt gevestigd opde werkzaamheden van de Stichting ,,Goed Wonen", dan zalhet bestuur daaraan graag medewerken, maar of het tot eentaak van de Nationale Woningraad zal gaan behoren in dierichting zelf iets te gaan doen, zal het bestuur nog in beraadmoeten nemen.De secretaris antwoordt de heer Plomper, dat alle leden in deprovincie Noord-Holland een georganiseerd bezoek hebbengehad van het secretariaat. In overleg met het afdelingsbe-stuur van Noord-Holland is besloten, dat in de komende win-termaanden dit werk opnieuw zal worden aangevat.b. Financieel verslag.De voorzitter maakt melding van het rapport, uitgebrachtdoor de commissie onderzoek van het financieel beheer over1956.De heer Jongeneel uit Kockengen spreekt zijn waardering uitover de keurige wijze waarop jaarverslag en beschrijvings-brief zijn verzorgd. De post ,,orgaan" op de begroting voor1957 in het jaarverslag wekt sprekers verwondering. Hier-voor is een bedrag geraamd van f 3500,^--, terwijl over 1956ruim f 4800,-- aan het orgaan is uitgegeven. Gezien desteeds verder gaande activiteiten, ook t.o.v. het maandblad,zou spr. verwachten dat de kosten zouden stijgen.Onder de uitgaven staat een post geboekt ,,Technisch Bu-reau" voor f 5500, -- . In de begroting is niet op een uitgavevoor dat doel gerekend.De post salarissen, groot f 52.000,-- acht spr. bijzonder laag.Wanneer het nodig mocht zijn het secretariaat met personeeluit te breiden en hiervoor geld ter beschikking moet komen,dan zullen de leden dit geld graag opbrengen, vooral omdathet werk in het belang van de volkshuisvesting wordt verricht.De secretaris heeft met veel genoegen kenis genomen van dewaarderendc woorden van de heer Jongeneel.De post ,.orgaan" op de begroting is wat voorzichtig gesteld,60 zegt spr. In verband met de verrekeningen over en weer tus-sen het Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en deNationale Woningraad (de ,,Woningbouwvereniging" wordtaan de leden van het Instituut verstrekt en het Tijdschrift aande leden van de Nationale Woningraad) dient men de uitga-ven zowel voor Tijdschrift als voor Orgaan in het oog te hou-den. Dan is er ook weinig verschil tussen rekening en begro-ting.De rekening over 1955 gaf t.o.v. het technisch bureau een ver-lies te zien van f 22.000, --. Dit jaar kon het tekort totf 5500,^ worden teruggebracht. Voor het lopende jaar is nietop een tekort gerekend. De omzetbelasting wordt voortaangebracht ten laste van de rekening, waarop zij betrekkingheeft.Voor wat betreft de opmerking over de salarisregeling voorpersoneel in dienst van de Nationale Woningraad antwoordtde secretaris dat hij niet de indruk heeft dat op het secreta-riaat een malaisestemming heerst.4. Bespreking van de redactie van het maandblad ,,De Wo-ningbouwvereniging".De heer Van der Broek van ..Beter Wonen" te Eindhovenvindt het een bezwaar, dat bij het lezen van de artikelen inhet orgaan het woordenboek moet worden gehanteerd.De heer Joustra van de Utrechtse Waningstichting- teUtrecht neemt altijd met grote waardering en interesse ken-nis van hetgeen in ,,De Woningbouwvereniging" te berdewordt gebracht. Hij is echter van mening, dat te weinig be-stuursleden van bouwverenigingen, die belangstelling kunnenopbrengen. Dit zou volgens spr. zijn oorzaak vinden in hetfeit, dat de gepubliceerde artikelen te lang van stof zijn. Wel-licht verdient het aanbeveling de artikelen zo kort mogelijkte stellen en voorkomende herhalingen te schrappen.De heer Runsink van ,,Algemeen Belang" te Benthuizenvraagt naar aanleiding van de gepubliceerde circulaire van deMinister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid van 17 aprilj.l., inzake het beschikbaar stellen van bedragen door institu-tionele beleggers, of ook de kleinere woningbouwcorporatiesvan dit geld zullen kunnen profiteren.De secretaris zegt de opmerking van de heer Van der Broekter harte te nemen.Hij is dankbaar voor de waardering, die de heer Joustra heeftvoor het orgaan. De mening, dat het orgaan onvoldoende doorde leden gelezen zou worden, kan de secretaris niet delen. Bijzijn bezoeken in het land krijgt hij de indruk, dat het orgaannauwgezet wordt gelezen. Spr. is zelf niet erg tevreden overhet resultaat van verschijning en inhoud van het blad. Overenige maanden zal de krant in een geheel nieuwe uitvoeringkomen. Door technische moeilijkheden is de uitgave daarvannog even uitgesteld.Naar aanleiding van de vraag van de heer Runsink merkt desecretaris op, dat het ook voor hem een geheim is welke sleu-tel de Bank van Nederlandse Gemeenten hanteert bij het ver-delen van het beschikbaar komende geld voor de woningbouw.Spr. gelooft, dat de gemeentebesturen vrij spoedig hiervanmededeling zullen krijgen. Het lijkt hem niet juist om op ditogenblik de overheid op deze kwestie te wijzen. Het zal voorde Bank en voor de rijksoverheid een moeilijke opgave zijnom voor een goede verdeling van dit geld te zorgen. Spr.hoopt niettemin, dat deze verdeling tot tevredenheid zal lei-den.5. Verkiezing leden van het bestuur.Het aftredende bestuurslid, de heer C. J. de Cocq, wordt bijacclamatie door de vergadering herkozen.De heren C. Couwenhoven, P. Donker (overleden), H. J.Gijsbers en J. Zevenbergen worden door hun afdeling herko-zen of vervangen.nt LtVtNSDUOR VAN OtDe moderne laboratoriabcschikken over de mid-delen om slijtage nauwkeurigte meten, aan de hand waar-van de levensduur van eenbepaald produkt met grotenauwkeurigheid kan wordenvastgesteld.Nevenstaande grafiek vanhet T.N.O. te Delft toonthet resultaat van een slijtageonderzoek van 1200 uur vande Lavet-wasmachine, datvolgens de berekening vanhet T. N. O. overeenkomtmet een praktij kgeb ru i kvan 20 jaar.Het is daarbij opmerkelijkdat de slijtagesnelheid steedsafneemt, terwijl de totaleslijtage slechts 2,7 grambedraagt.Op het totaalgewicht van7000 gram is dit minderdan 0,04 ?/,,.Een percentage dus dat teverwaarlozen is en dat ga-randeert dat ook na deze20 jaar de w/asmachine nogvolkomen gebruikwaardig is.HETOp veiligheid is de Lavet wasmachinegoedgekeurd door de KEMA teArnhem...De gebruikswaarde is getoetst doorde Ned. Ver. van Huisvrouwen . . .De slijtage is onlangs onderzocht doorT.N.O. Delft.Ned. Octrooien nrs. 80956-80993.9r?mi----^V ^ 11 itr nilWIC??1Itnl_^ -'2Totail^ -^'^gewlcht ijzerslijpscl. ^t5/, / \ //\ /10,5/\ e/ .^ ^ e R mil iljjp 1*1 r^ ^o ? " j-- 1imimgrarn/20Oavormd?lljp??l p?ruurO 100 200 300 400 500 600 700 BOO 900 1000 1100 '200_LooptijdSlijtage.onderzoek van de transmlssicKast van een Oertet-wasmachlne.De hast was gevuld met extreme pressure olie SAE 90 ; het gevormde ijzer-slijpscl werd opgevangen met een magnetische aftapplug.De wasmachine v/erkteintermitterend en vi/erd steeds na Bmin bedrijf 4mln. ultgeschakcld De beproevingstljd (leoOuur)was dus 50 % langer dan de looptijd.Dc wasmachine was gevuld met 2 kg wasgoed[drooggewicht) en circa 40 liter waterOuurMU^ EEN PRODUKT VAN OtAietOCR|ETFABR>t* M^^BAARN rtlEFOOH ^2954-364, ,, ^ ,, , , ,,616. Benoeming van een lid in de commissie tot het onderzoeknaar het financieel beheer over 1957.De provincie Overijssel wordt in de gelegenheid gesteld eenvertegenwoordiger in deze commissie aan te wijzen.7. Voorstel van de ,,Algemene Woningbouwvereniging" te's-Gravenhage.De heer Van Hagen, van de Algemene Woningbouwvereni-ging te 's-Gravenhage geeft nog een nadere toelichting. DeAlgemene Woningbouwvereniging, zegt spr., is tot dit voor-stel gekomen aan de hand van ervaringen in de laatste tijdondervonden. Het bestuur van de vereniging heeft getrachthet woonpeil van haar nieuwe woningen op zo hoog mogelijkniveau te brengen. In samenwerking met de gemeente trachtmen het peil van de centrale voorzieningen op te voeren. Dezeextra voorzieningen worden door de huurders betaald, het-geen dus de rijkssubsidie niet beinvloedt. Het ministerie heeftna aanvankelijke goedkeuring later weer geweigerd toestem-ming te verlenen voor het aanbrengen van centrale verwar-ming in een der laatste projecten. Het bestuur van de Alge-mene Woningbouwvereniging veronderstelt, dat de achter-grond van deze weigering ligt in de gedachtengang van hetMinisterie, dat de Woningwet niet beoogt woningen met der-gelijke voorzieningen te bouwen. Als het getij verloopt moetmen de bakcns verzetten. Dit geldt ook t.o.v. de geschiedenisvan de verbetering van de volkshuisvesting. Spr. meent, dathet noodzakelijk is om aan het congres te vragen met dit voor-stel in te stemmen en het bestuur van de Nationale Woning-raad te verzoeken het mogelijk te maken de zelfstandigheidvan de woningcorporaties te versterken, waardoor zij er toekunnen bijdragen, dat het woonpeil in Nederland wordt op-gevoerd.De heer Van der Broek uit Eindhoven brengt naar voren datzijn vereniging in onderhandeling is met verwarmingsspecia-listen. Spr. adviseert de aanwezigen aandacht te schenken aannieuwe uitvindingen op dat gebied.De heer Barel van ,.Volkshuisvesting" te Delft spijt het datop het voorstel van Den Haag geen prae-advies van het be-stuur is gekomen. Uit de openingsrede van de voorzitter heeftspr. menen op te maken, dat het bestuur het aanbrengen vanextra-voorzieningen in de woningen niet voorstaat. Op eencongres te Enschede is van de zijde der industrie deze zaakomstandig aan de orde geweest. Spr. is van mening, dat wan-neer het aanbrengen van extra-voorzieningen in de woningenzou worden tegengehouden, men zich over 10 jaar misschiengaat afvragen waarom in de jaren '50--'60 zoveel woningenzijn gebouwd zonder deze voorzieningen. Mocht men de ge-dachte hebben, dat deze voorzieningen dan altijd nog laterkunnen worden aangebracht, dan dient men er rekening meete houden, dat dit met de centrale verwarming niet mogelijkis. Spr. onderschrijft het voorstel van de ,,Algemene Woning-bouwvereniging" en verzoekt het bestuur van de NationaleWoningraad om in het belang van de volkshuisvesting dezekwestie in studie te nemen.De secretaris wil graag ingaan op de juiste opmerking van deheer Barel, dat er ditmaal geen prae-adviezen in de beschrij-vingsbrief voorkomen. In een bestuursvergadering, gewijd aandit congres, is besloten geen prae-adviezen uit te brengen,omdat gebleken is dat het opnemen daarvan de discussie inde vergadering kan schaden. Derhalve werd besloten de me-ning van het bestuur over de voorstellen in het midden te la-ten. Op basis van hetgeen in de bestuursvergadering is be-sproken kan de secretaris opmerken, dat het bestuur het ingrote trekken eens is met het voorstel van de Algemene Wo-ningbouwvereniging. Ook over hetgeen door de heer Barelnaar voren is gebracht, heerst geen verschil van mening. Dat62 in de openingsrede is gezegd, dat het bestuur maant tot voor-zichtigheid bij het aanbrengen van centrale voorzieningen inde volkswoningbouw vindt zijn oorzaak in het feit, dat het be-stuur met zorg kijkt naar de huurprijs, die voor een simpelewoning moet worden gevraagd. Als op het ogenblik een,,naakte woning", waarin wel een geyser is aangebracht voorde douchecel, een huurprijs doet van f 16,-- tot f 20,-- perweek, dan zouden wij met woningen die geheel uitgerust zijnmet centrale voorzieningen een woningproductie tot standbrengen, die voor een groot deel van onze bevolking onbe-reikbaar is. Dit is het dilemma waarin wij komen te verkeren,aldus de secretaris. Laten wij trachten te beoordelen welkdeel van de productie wij in verband met de woningvraag kun-nen voorzien van centrale verwarming. Op verzoek van de,,Algemene Woningbouwvereniging" heeft de Nationale Wo-ningraad zich samen met haar gewend tot het Ministerie omgoedkeuring voor de centrale verwarming te verkrijgen. Daar-bij kon worden aangetoond, dat de kosten alleszins verant-woord waren. Deze bemoeiingen zijn beloond; de goedkeu-ring is verkregen.Oordelende naar de situatie van dit moment en naar de vraag,die uit de kring van de leden der woningbouwcorporaties naarvoren komt, moet worden getracht zo goed mogelijk de be-hoefte aan het debiet voor en de aard en omvang van extra-voorzieningen vast te stellen. De beslissing in dit opzicht hoortechter terdege in eerste aanleg door de woningbouwvereni-ging en c.q. de gemeenten te worden genomen.De heer Barel uit Delft heeft begrip voor het antwoord vande secretaris. Spr. heeft echter nog geen antwoord gekregenop zijn vraag over het in studie nemen van de onderhavigekwestie. De centrale verwarming geeft besparing van brand-stoffen, hetgeen mede een besparing op de deviezen veroor-zaakt. Laat de Nationale Woningraad, zoals in Enschede,deze zaak in studie nemen, aldus spr.De heer Van Hagen uit Den Haag is het met de beschouwingvan de heer Scheerens eens. Spr. meent, dat er een nuance-verschil is. Daar de NWR bereid is bij te springen wanneerer moeilijkheden rijzen, daarvan is spr. overtuigd. Hij zou ech-ter willen, dat de NWR verder ging en zou daarom graag eenduidelijk antwoord willen heben op de vraag of het bestuurbereid is bij de Minister er op aan te dringen, dat de woning-bouwverenigingen een grotere vrijheid krijgen bij het uitvoe-ren van haar taak, dan thans het geval is.De heer Van der Ploeg van ,,De Voorzorg" te Beverwijk ge-looft, dat alle besturen van woningbouwcorporaties het zul-len toejuichen wanneer de woningen met centrale verwarmingzouden kunnen worden uitgerust. Maar de huurprijs, dat isnu juist het kardinale punt. In Beverwijk werd voor centraleverwarming de huur met f 6,50 per week verhoogd. Gezien devolksgezondheid (spr. denkt hierbij aan de rheumapatienten)zou het van groot belang zijn als de NWR toepassing vancentrale verwarming in de woningen zou kunnen bevorderen.De heer Leonart van ,,Licht en Lucht" te Enschede zegt, datzijn vereniging enige jaren geleden centrale verwarming inde woningen heeft aangebracht. Die verwarming heeft devereniging duizenden guldens gekost. Het bestuur van ,,Lichten Lucht" zal zich dan nog weleens bedenken alvorens we-derom met een dergelijk plan wordt begonnen. Wanneer deNWR deze zaak wil aanpakken, dan dient men ijs onder devoeten te hebben, waar men niet doorheen kan.De secretaris is het eens met de heer Barel, dat het zowel intechnische als economische zin noodzakelijk is de kwestie vande centrale verwarming in studie te nemen. Ook het bestuurvan de NWR ziet de noodzakelijkheid daarvan in. Dit geldtechter niet alleen voor de NWR, doch ook voor andere instel-lingen, die daarbij belang hebben. Het bestuur van de NWRzal in overleg met andere instellingen onderzoeken hoe ditprobleem kan worden aangevat.De heer Van Hagen heeft gelijk, zegt spr., dat in mijn vorigbetoog niet voldoende uit de verf is gekomen, dat de woning-bouwcorporaties een zekere vrijheid moeten hebben om extra-voorzieningen in de woningen aan te brengen. In de bestuurs-vergadering, waarin dit voorstel aan de orde kwam, is al reedsopgemerkt, dat gemeentelijke diensten en woningbouwcorpo-raties vrijheid moeten hebben verantwoorde voorstellen t.a.v.extra-voorzieningen in de woningen in te dienen en dat dezevoorstellen maar niet zo zonder meer door de centrale over-heid verworpen kunnen worden.De heer Van der Ploeg, aldus de secretaris, heeft het wel heeleenvoudig gesteld. De prijs, die men voor de centrale verwar-ming boven de normale hurprijs vraagt, is niet een volkomenextra uitgave; men moet van dat bedrag de kosten voor kolen-verbruik e.d. aftrekken.De Bouwvereniging ,,Licht en Lucht" te Enschede heeft totgrote voorzichtigheid gemaand. De bittere ervaring, die dezevereniging heeft opgedaan, is misschien veroorzaakt door hetmaken van rekenfouten. Dit is een ervaring, die zich bij eeneen experiment kan voordoen.8. Voorstel van de provinciale afdeling Zuid-Holland.De heer Goosen, voorzitter van de afdeling Zuid-Hollandgeeft een nadere toelichting op het voorstel.in de vergaderingen van de afdeling Zuid-Holland hoort spr.regelmatig klachten over een gebrek aan bewegingsvrijheid enzelfbeschikkingsrecht der woningbouwverenigingen. Spr. ci-teert uitvoerig uit het enige jaren geleden verschenen rapportvan de z.g. commissie-Bommer om aan te tonen welke ruimtede bouwverenigingen moet worden gelaten. Vervolgens somtspr. een aantal verschijnselen op, die alle betrekking hebbenop een overdreven invloed van de overheid op de gang vanzaken in ,,het bedrijf" der bouwverenigingen. Het bestuur vande Woningraad zal er, zo zegt spr., op bedacht moeten zijnbij voortduring te strijden voor een ruime mate van vrijheidvoor de verenigingen. Zonder die vrijheid is een gezonde ont-wikkeling van het werk der bouwverenigingen niet denkbaar.De secretaris antwoordt de heer Goosen. In het algemeenblijkt hij het met de gemaakte opmerkingen eens te zijn. In depractijk liggen de zaken echter vaak minder duidelijk. Waargoede, voor haar taak berekende corporaties werkzaam zijn,daar mag men met recht aan de overheid vragen die corpo-raties de nodige beweginsvrijheid te laten. Dat is niet alleenin het belang van de corporaties; ongetwijfeld heeft ook deoverheid bijzonder veel plezier van een doelmatig werkendewoningbouwvereniging. Gelukkig is dat in zeer veel gevallenaanwijsbaar. Er zijn natuurlijk ook bouwvereninginen, die nietgeheel tegen haar taak opgewassen blijken te zijn. Daar heefteen gemeentebestuur de plicht om zo nodig corrigerend en lei-dend op te treden. De Woningraad handelt in dergelijke ge-vallen gewoonlijk zo, dat enerzijds de bestuurskracht van dezwakke corporatie wordt versterkt en dat anderzijds het ge-meentebestuur wordt bewogen tot een opvoedende en op hetverkrijgen van zelfstandigheid gerichte voogdij.In het algemeen, zo stelt de secretaris, kan men van het be-stuur van de Woningraad bezwaarlijk een soort van eenheids-recept voor de ontwikkeling van de woningbouwcorporatiesverlangen. Waar het gaat om zelfstandigheid en bewegings-vrijheid daar moeten gewoonlijk alle gevallen naar eigen aarden omstandigheden worden beoordeeld. Pas daarna kan deremedie worden aangeduid. Niettemin voldoet het bestuurgaarne aan het beroep, dat de afdeling Zuid-Holland heeftgedaan. Natuurlijk staat de Woningraad voor de woning-bouwcorporaties op de bres.9. Voorstel van de Algemene Woningbouwvereniging ,,Arn-hem" te Arnhem.De heer Gijsbers geeft als voorzitter van ,,Arnhem" een na-dere toelichting. ^.^....^.Het huurbeleid, zegt spr., is een belangrijke factor bij de velevraagstukken van de volkshuisvesting. De komende huur-verhoging van 15% zal het probleem van de grote huurver-schillen, die bestaan tussen vergelijkbare woningen, gebouwdin 1954--1957, niet kunen opiossen. Hoe verklaren wij dezehuurverschillen tegenover de bewoners, vraagt spr. De Alg.Wbv. ,,Arnhem" heeft een woningbouwplan uitgevoerd voorkleine gezinnen en voor bejaarden waarvan de huurprijzenresp. f 16.45 en f 18.90 per week bedragen. Vergelijkt mendeze prijzen met vooroorlogse woningen (f 5,50), dan con-stateert men dat de verhoudingen langzamerhand zoekrakenen de huren op een onverantwoord hoog peil komen te liggen.Niemand heeft er behoefte aan om na te gaan hoe de huur-ders van nieuwe woningen de huuruitgaven in de huishoud-budget moeten regelen. De woningbouwverenigingen zullenvoor een belangrijk deel niet meer in staat zijn woningen tebouwen voor die groep van de bevolking, waarvoor zij beogente bouwen, omdat deze groep de hoge huren niet kan betalen.Hierdoor wordt een onbillijkheid begaan tegen de bevolking,omdat een bepaalde groep daarvan wordt verwezen naar hetoude woningbezit, terwijl die groep juist behoefte heeft aanruimere woningen. Een deel van de bevolking moet aanzien-lijk meer huur betalen dan de overige bevolking voor verge-lijkbare woningen. Van groot belang is, dat deze grote ver-schillen in huurprijzen worden opgeheven. De afdeling Gel-derland heeft getracht een onderzoek in te stellen naar dezehuurverschillen in de provincie. Ons bestuur, zegt spr., is zichervan bewust dit probleem op de meest nauwgezette manierte hebben benaderd. Hij vraagt het congres het alarmsein tehijsen voor dat deel van de Nederlandse bevolking, dat dedupe wordt van deze onbillijkheid.De heer Lahrie, wethouder van Rheden vindt het idee van hetbestuur van de NWR om geen prae-adviezen in de beschrij-vingsbrief op te nemen zeer geslaagd. Als spr. de reacties vande zaal vergelijkt t.o.v. de openingsrede van de voorzitter methet voorstel van de Alg. Woningbouwvereniging uit DenHaag, dan blijkt hieruit wel. dat het nodig is de zaal tot dis-cussie te dwingen. Een openingsrede van een vergadering alsdeze, meent spr., is een geluid, dat naar buiten wordt ge-bracht. Volgens zijn mening zou de openingsrede een andergeluid hebben laten horen, dan het voorstel van Den Haagbehelsde.Spr. onderschrijft hetgeen door de heer Gijsbers naar vorenis gebracht. De financiele mogelijkheden om tot bouwen tekomen, liggen in de meeste gemeenten vrij wat moeilijker danin Arnhem. De gemeenten worden door het rijk gebonden aaneen bepaald rentegamma. Tegen dit rentegamma is geen geldte krijgen. Verwacht mag dan ook worden, dat het rijk, wan-neer geen bijslag kan worden gegeven, de gemeenten voor-schotten verleent tegen een aanvaardbaar rentegamma. In degemeente, die spr. vertegenwoordigt, worden villa's gebouwdop grond, waarvan de prijs een derde deel bedraagt van dievan de terreinen waarop men woningwetwoningen bouwt. Ditis vanzelfsprekend van groot belang voor de huurprijs. Spr.vraagt of het niet gewenst zal zijn, dat het rijk een toeslaggeeft op die grond, die door hoge onteigeningsvergoedingentot abnormale prijzen stijgt. De gezonde gedachte, dat dehuurprijzen de woningexploitatie moeten dekken, is bij de hui-dige omstandigheden niet te verwezenlijken. Het zal in dierichting gezocht moeten worden dat van rijkswege toeslagwordt gegeven, zodat de grond van arbeiderswoningen ophetzelfde prijzenniveau ligt als de grond waarop de villa'sworden gebouwd, stelt spr.De heer Dijk uit Hoogezand-Sappemeer zegt, dat het huur-peil in zijn gemeente zich op dezelfde wijze ontwikkelt alsdoor de heer Gijsbers naar voren is gebracht. Woningen, ge-bouwd in 1950, doen een huurprijs van f 10,--, terwijl voorvergelijkbare woningen gebouwd, op dit ogenblik, een huur van(zie verder pag. 68) 63Bovengemeentelijke ruimtelijke ordeningDeze titel is een beetje theoretisch. Het gaat voornamelijkover streekplannen en het nationale plan, met een vrij langeaanloop over wat wordt verstaan onder gemeentelijke ruimte-lijke ordening -- voornamelijk uitbreidingsplannen -- en overwat de ruimtelijke ordening in het algemeen beoogt en devorm, waarin zij van kracht wordt.Wij nemen alle ruimte in beslag en gebruiken ruimte bij alleswat we doen, zelfs als we niets doen en zelfs meestal na onzedood. Ook een filosoof heeft voor zijn werkzaamheden nogeen kamertje nodig; in het oude Griekenland werd de ruimte,die hij gebruikte voor zijn gesprekken met leerlingen een derfraaiste stedebouwkundige elementen: de zuilengang om hetmarktplein.De beschikbare ruimte is beperkt, in ons land zelfs schaars.Er komen steeds meer mensen bij en we gebruiken per hoofdder bevolking steeds meer ruimte. Er is daarom een soort dis-tributie nodig van dit schaarse goed, dat naast kapitaal enarbeid ook een elementaire factor in de produktie vormt. Datis een zaak van verdelende rechtvaardigheid. Daarbij moetnaar behoefte worden toegedeeld; voor het ene doel meer,voor het andere minder. Doel ervan is, de beschikbare ruimtezo goed mogelijk bruikbaar, bewoonbaar, ,,Ieefbaar" te maken.Op zichzelf is ruimtelijke ordening geen doel, maar slechts eenmiddel om een zo hoog mogelijk welzijn te bereiken, zulksvoorzover dat van de ruimte afhankelijk is.Men gaat daarbij uiteraard niet verder dan nodig gebleken isen beperkt zich tot de inrichting van de ruimte --^ voorname-lijk de grond -- in veelal vrij grote trekken. Wij spreken danvan de bestemming van de grond. Wat na die inrichting aangebruik geregeld moet worden, pleegt niet langs de weg derruimtelijke ordening plaats te hebben.Zo zal de aanleg van een nieuwe weg veelal onderworpenzijn aan voorschriften van ruimtelijke ordening, maar kleineveranderingen ervan niet, terwijl het gebruik van die wegdoor verkeersregelingen wordt beheerst. De maatschappijheeft, aldus gezien, twee soorten van bemoeiingen: de inrich-ting van het ruimtelijke milieu waarin de mensen leven en deregeling van het leven in dat milieu. Het laatste wordt doorde overheid, ten behoeve der gemeenschap, op talloze wijzenkrachtens talloze wetten geregeld. Terzake van het eerstezijn slechts twee wetten van kracht: een deel van de Woning-wet en de voorlopige Wet inzake het Nationale Plan enstreekplannen.leder individu en elke groep gaan op dezelfde wijze te werk:een deel van hun bemoeiingen betreft de inrichting der tot hunbeschikking staande ruimte; de huisvrouw en het gezin voorwat de inrichting van huis en tuin -- indien al beschikbaar --betreft, de ondernemer voor wat zijn bedrijf en bedrijfsterreinaangaat. De woningbouwverenigingen weten daarvan mee tepraten; een groot deel van hun zorgen betreft de indeling eninrichting van woningen en de plaatsing daarvan op eenbouwterrein en wat daarbij komt. Daarnaast staat de exploi-tatie van woningen.Het is nu gebleken, dat wanneer men de inrichting van degrond alleen aan de eigenaren zou overlaten, de zaak vastloopt. Men krijgt dan aan de ene kant een te extensief ge-bruik van terreinen, aan de andere kant een te intensief ge-bruik. Dit leidt tot een chaotische ontwikkeling, ruimternis-bruik en ruimteyerbruik. Daarom regelt de overheid hierin alvan oudsher in het belang van de bevolking, die zij vertegen-woordigt. Zij verbiedt hier het ene, maar laat dat elders toeen verbiedt daar het andere. Op die manier bereikt men intotaal een veel beter resultaat. Alles bijeengenomen hebbenook de grondeigenaren hier de meeste baat bij. Niet alleenwordt voorkomen, dat de een door het gebruik van zijn grondde ander zou schaden, maar aldus wordt ook uit het totalegrondbezit het grootste nut verkregen. Tenslotte: verbiedt menergens iets te bouwen en treft men daarmee een eigenaar,dan komt die bebouwing elders tot stand en is een andere64 eigenaar daarmee gebaat.De regelingen op dit gebied zijn belangrijk, omdat meer op enin de grond grote kapitalen vastliggen en zulks voor zeerlange tijd. Zij moeten dus zeer zorgvuldig worden overwogenen voorbereid, dat wil zeggen; stelselmatig en planmatig.Voor alle belangrijke bemoeiingen maakt de mens namelijkplannen op. Hij werkt dan zo weinig mogelijk incidenteel ofimproviserend. Woningbouwverenigingen weten dit: ze ma-ken bouwplannen op en stellen die in bestekken vast. Menpleegt daartoe uitgebreid overleg met de toekomstige ge-bruikers, architecten, aannemers en in het kort allerlei des-kundigen op velerlei gebieden. Hoe groter het object is, deste zorgvuldiger pleegt de voorbereiding te zijn. Op die manierkrijgt men het beste resultaat uit de beschikbare middelen,Zo maken ook de gemeenten haar plannen: uitbreidingsplan-nen, saneringsplannen. Zij verwerken daarin andere plannen,die met de ruimte verband houden. bijvoorbeeld welvaarts-plannen voor wat, onder andere, omvang en aard van bedrijfs-terreinen betreft; sociale en culturele plannen voor wat onderandere voorzieningen zoals scholen betreft en urgentie- als-mede werk-plannen inzake de uitvoering van werken. Eenuitbreidingsplan wordt zodoende de ruimtelijke neerslag vanal die plannen: een projectie van het overheidsbeleid in velegeleidingen op het platte vlak van de gemeentelijke bodem.Zo'n uitbreidingsplan bindt de burgers, maar bindt ook -- be-houdens herzieningen -- de overheid zelf. Het wordt slechtsvan kracht na een zorgvuldige procedure, waarbij bevolkingen belanghebbenden invloed kunnen uitoefenen en waardoorwaarborgen tegen willekeur geboden worden. Eventueel moettegemoetkoming in schade plaats hebben; bij de uitvoering isvolledige schadeloosstelling gewaarborgd.Deze gemeentelijke ruimtelijke ordening is volledig aanvaarden wordt als zegenrijk erkend. Bijna elke vierkante metergrond in Nederland is aldus bestemd. Het wettelijke uitbrei-dingsplan is 57 jaar oud, het bindende 37 jaar. Duizendebesluiten van deze aard zijn genomen en honderden wordenjaarlijks genomen. Dit is een continue arbeid: men moet deontwikkelingen op de voet blijven volgen en voldoende voorblijven.Dit werk is allerminst gemakkelijk, maar verloopt op gemeen-telijk niveau zeer wel. Een gunstige omstandigheid is daarbij,dat het maken der plannen en de uitvoering daarvan groten-deels in een hand zijn; namelijk die van de gemeenteraad. Degemeenten maken tegenwoordig bijna alle gronden bouwrijp,geven die uit en voeren de grote werken uit, zulks alles vol-gens eigen plan. Zeer weinig wordt op dit niveau gedaanbuiten die plannen om.Nu wordt er, in het bijzonder in de laatste jaren, enorm veeltot stand gebracht. Om ons tot beschouwingen en dergelijkete beperken: hele stadswijken schieten de grond uit, groteindustriecomplexen komen tot uitvoering. Sommige gemeen-ten groeien daarmee tot aan haar grenzen vol, van verschei-dene gemeenten groeien de bebouwingen aan elkaar vast.De wisselwerking tussen de ene gemeente en de andere wordtsteeds groter. De maatschappelijke verbanden worden veel-vuldiger en inniger. Wat in de ene gemeente gebeurt, be-invloedt sterk wat de andere kan doen. Men denke als voor-beeld slechts aan grote steden en haar randgemeenten. Ophet gebied van het verkeer en het vervoer ziet men dit wel-licht het duidelijkste: de toeneming daarvan is en oorzaak engevolg van een toenemende samenhang. Men vindt die evengoed op ander maatschappelijk gebied. De wereld wordt steedskleiner, de vraagstukken en de plannen moeten steeds groterworden. Men denke aan de vergroting van plannen tot ruil-verkaveling, aan streekontwikkelingsplannen, die ook ruimte-lijk van betekenis zijn. Men kan ook denken aan het toe-nemende forensenverkeer. Hier en daar zijn beeindigingsplan-nen nodig, moet een ontwikkeling naar elders worden geleid.Er is sprake van een schaalvergroting van ruimtelijke plan-nen.Men heeft daaraan het hoofd trachten te bieden door ver-legging van gemeentegrenzen en door het doen aaneensluitenvan afzonderlijke gemeentelijke plannen. Het eerste is niet opvoldoende schaal mogelijk gebleken en lean ook op de ver-eiste schaal niet goed worden geacht. Een gehele streek kanimmers bijvoorbeeld door industrialisatie, in een gemeente,veranderen? Ter oplossing van deze vraagstukken heeft mentoen gegrepen naar het middel van samenwerking van ge-meenten. Dit kan wel eens goed gaan, bijvoorbeeld wanneerer sprake is van parallel lopende belangen. Maar het bleek,sedert 1930 ingevoerd, niet soepel en vruchtbaar te werken.De samenwerking, vrijwillig of gedwongen, tussen autonomelichamen op hetzelfde niveau, elk met een eigen en somsbeperkte kijk, elk met de eigen belangen in de eerste plaatsvoor ogen, dreigde te leiden niet naar het best bereikbaretotaal .-- een synthese -- maar naar een onbevredigend com-promis. Het onderlinge verband leidt tot spanningen, soms totwrijvingen. Er zal bijvoorbeeld veelal een functieverdelingtussen gemeenten moeten plaatshebben: de ene leent zich voorindustrie, of arbeiderswoningbouw, of blijft meer landelijk, deander krijgt de middenstandswoningbouw of leent zich meervoor de recreatie. Het geval doet zich voor, dat in een groepvan gemeenten een nieuwe hoofdverkeersweg nodig is. Somswillen de gemeenten die geen van alien op eigen gebied zienaanleggen, soms willen ze er juist alien van op hun eigenqemeentegrond zien aangelegd. Men wordt het dan niet eens.Daar komt nog bij, dat een samenwerkingsregeling, zoals dewet die thans kent, niet zo democratisch werkt en niet doordirect voor dat doel uit de bevolking gekozen vertegenwoor-digers geleid wordt, maar door een commissie, die niet overvoor dat doel directe middelen en bevoegdheden beschikt.Wij weten wel hoe moeilijk het is afstand te doen vaneen stukje autonomie, zelfbeschikkingsrecht of souvereiniteit.Maar de onderlinge maatschappelijke samenhang heeft devolledige zelfstandigheid in kleine kring al tot een illusie ge-maakt.Er zijn, om in streekverband het best mogelijke te bereiken-- en met minder kan niet worden volstaan -- een boven-gemeentelijk inzicht en een bovengemeentelijk beleid nodig.Prof. mr. G. A. van Poelje heeft hierop in 1924 reeds gc-wezen. De verhoudingen liggen parallel met die inzake decoordinatie ten opzichte van belanghebbenden: hier was hetnodig dat de overheid ingreep. Thans werd het nodig, dateen bovengemeentelijke overheid ingreep in constructieve,scheppende zin.Men heeft daarbij gegrepen naar een bovengemeentelijke over-heid, die er reeds was: de provincie. Het provinciale bestuurhad op dit gebied veel ervaring; het was reeds belast met eenvoornamelijk toeziende, overigens stimulerende en slechtsenigermate leidende taak, waarmede Gedeputeerde Staten-- indirect gekozen vertegenwoordigers der provinciale be-volking -- waren belast. Met dat al is een provinciaal bestuurmeestal niet identiek te stellen met een streekbestuur. Maar" het is niettemin -- en dit was praktisch een goede uitweg --belast met de nieuwe, scheppende taak: het maken van boven-gemeentelijke plannen: streekplannen. Na de oorlog is dezetaak aan Provinciale Staten, het direct door de bevolking derprovincie gekozen lichaam, opgedragen.Het werk aan streekplannen is sindsdien tot een duidelijkeontplooiing gekomen. Het is uiterst moeilijk. Er zijn voornodig: onderzoek, studie, inzicht, belangenafweging, veeloverleg, geven en nemen, overredingskracht, beleid en be-stuurskracht. Er geldt voor het tot stand komen van streek-plannen een zorgvuldige procedure, maar een daarin geslopenen gehandhaafde font bemoeilijkt dit arbeid- en tijd-rovendewerk. Niettemin: het is doenlijk gebleken.Een belangrijke vraag was en is nog, of een streekplan bin-dend moet zijn. Die vraag moet mijns inziens bevestigend wor-den beantwoord. Gemeenten en bevolking moeten weten waarzij -- behoudens wijzigingen langs eenzelfde procedure ^--aan toe zijn. Anders kan men niet krachtig en doelbewusthandelen. Telkens stellen gemeentebesturen de vraag: hoemoet ik mij mijn toekomst denken? Waar kan ik op rekenen?Dit antwoord kan alleen gegeven worden door een plan, waarniet dan door nadere, incidentele beslissingen, in beginsel vankan worden afgeweken. Een bindend plan is een waarborgtegen afwijkend en wisselend beleid en bij andere gemeentenen bij hoger bestuur. Het is een illusie, zoals bijvoorbeeld Dr.P. D. M. Pijnertburg doet, te menen dat zulks bij een niet-bindend plan door overreding kan worden bereikt tegenoverandere gemeenten, of dat het bij hogere bestuursorganen nietzou dreigen. Een plan, dat in wezen kan worden doorkruist,schept verwarring en doet dan meer kwaad dan goed.Een tweede vraag is, wie het plan moet binden; de gemeentenof ook de burger, de justitiabele. Naar mijn mening moet dievraag worden beantwoord met: zo mogelijk of zoveel mogelijkalleen de gemeente. De burger moet in deze alleen tegenovereen overheid staan en wel die op het laagste, dichtst bij hemstaande niveau.Wij kunnen gerust zeggen, dat het streekplan zijn juistevorm nog niet gevonden heeft (dit is zelfs ten aanzien vangemeentelijke plannen nog het geval). Beperking terzake isstellig geboden. Het streekplan moet alleen de nodige, duide-lijke en principiele richtlijnen geven en ruimte laten aan degemeenten voor verschillende uitwerking binnen dat kader.Tot dusver heeft men veelal te veel en te precies geregeld,zulks begrijpelijkerwijze omdat de plannen al te laat kwamenen zich daarom in bepaalde details moesten mengen. Maarook omdat men een neiging tot perfectie heeft gehad, tot eenteveel van bovenaf regelen, wat men van onderaf niet al tebest geregeld achtte. Deze opvatting, hoewel verklaarbaar, isverkeerd. Soepelheid is nodig; geregeld herzien van planneneveneens. Dit is trouwens reeds mogelijk gebleken.Er hebben thans 16 terkennisleggingen van ontwerpstreek-plannen plaats gehad. Er zijn ruim 10 besluiten tot vaststel-ling genomen en 7 dier besluiten zijn goedgekeurd. Eerst-bedoelde besluiten zijn dus scheppende op het gebied derbovengemeentelijke ruimtelijke ordening. Het is nog weinig,maar zeker niet onbelangrijk. In bepaalde provincies is ditwerk stellig aangeslagen en er is volledig begrip voor gewekt.Een wil tot vast beleid en eenheid van beleid komt daar totuitdrukking. Het bindende streekplan is niet alleen nodig,maar ook mogelijk gebleken.Ik wil niet stellen, dat overal streekplannen nodig worden ge-acht en nodig zijn. Men zal plaatselijk zonder kunnen, of mettoezicht kunnen volstaan. Men zal soms ook kunnen volstaanmet het gezamenlijk opstellen van op elkaar afgestemde ge-meentelijke plannen. Veelal zal hoger bestuur voor het berei-ken van voldoende overeenstemming goede diensten kunnenbewijzen op een wijze, die tussen toeziende en scheppendebemoeiingen in ligt. Zo kan men wellicht bepaalde internestreekproblemen nog oplossen, althans wanneer een blijvendeovereenstemming kan worden bereikt.Een moeilijkheid in verband met streekplanwerk is, dat hetmaken van de plannen en het uitvoeren daarvan veel minderin een hand ligt, dan bij plannen op gemeentelijk niveau. Hetstreekplan, zoals wij dat kennen, is een zeer krachtig instru-ment, maar wat de verwezenlijking ervan betreft, in zwakkehanden. De provincie beschikt over te weinig armslag om dezevoldoende in de juiste banen te leiden en ook al mocht hierinverbetering komen, dan nog behoudt zij terzake een beperktetaak. Ook voor die uitvoering is eenheid van beleid nodig,dit is gemeenschappelijk beleid van provincie en gemeentebe-sturen. De wijze van voorbereiding van een streekplan -- over-leg met gemeenten, medewerking der gemeenten -- kan hieropvan grote invloed zijn en moet omgekeerd daarop gericht zijn.Maar ten behoeve van die eenheid van veel omvattend beleidzal een nieuwe en goede bestuurlijke regeling voor samenwer-king van gemeenten en eventueel hoger bestuur onverbidde-lijk in vele gevallen nodig worden.Een belangrijke vraag staat nog op de achtergrond van debovengemeentelijke ruimtelijke ordening. Een streekplan bij-voorbeeld regelt grote belangen en op lange termijn: er isveel tijd voor het opstellen en van kracht doen worden vandie plannen nodig en zij moeten dan ook voor voldoend langetermijn houvast bieden. Is dat nu wel goed mogelijk? Wetenwij genoeg van de toekomst, haar noden en mogelijkheden? 65Is zij voldoende voorspelbaar, kennen we de toekomstigebehoeften en kunnen we die kennen? Kennen we in het bij-zonder de toekomstige financiele draagkracht, die zo afhanke-lijk is van externe factoren?Hierop kan geantwoord worden, dat van bcpaalde verschijn-selen het toekomstige verloop wel voldoende kan worden be-naderd, zoals bijvoorbeeld de bevolkingstoename en dat doorstudie het uitzicht in de toekomst belangrijk wordt vergroot.Daarom leent zich al heel wat voor globale regeling en ditwordt steeds meer. En blijft deze uit, dan komt dit er op neer,dat men incidenteel toch moet ingrijpen en maatregelen moetnemen. Wij kunnen ons die weelde van onstelselmatig han-delen in vele opzichten niet veroorloven, omdat wij te armzijn wat de beschikbare ruimte betreft.Hoe gaat het nu met de ruimtelijke ontwikkeling op een ni-veau, dat boven dat ene stuk uitgaat? De werkzaamheid derprovinciale besturen kan doen bereiken, dat voldoende samen-hang en wisselwerking verkregen worden door het onderlingop elkaar afstemmen van streekplannen binnen een provincie.Maar de vraagstukken reiken reeds ver boven de grenzen vande provincies uit. Wij hebben het bevolkingsgetal van elfmiljoen overschreden en dit is lang niet het einde. Elke in-woner gebruikt gemiddeld veel meer ruimte dan voorheen enkan zich zulks, dank zij een stijgende welvaart, veroorloven.De schaalvergroting der problemen gaat zo ver, dat men moetdenken in termen van agglomeraties in plaats van steden, vancombinaties of stedengroepen en van gehele landsdelen. Erzijn verschijnselen van ongelijkmatige verdeling van werkge-legenheid (werkloosheid, zelfs nu), bevolking en welvaart.Plaatselijk is sprake van dreigende planologische overbevol-king. De wenselijkheid van decentralisatie. bijvoorbeeld onderregionale concentratie van induftrie, wordt in beginsel alqe-meen erkend, die van het stichten van ,,nieuwe steden", hetnlaatselijk sterk bevorderen van de ontwikkeling, onderkend.Dit zijn nationale problemen, zoals ook dat van de trek derbevolking van het platteland naar de stad of het brengen vanIndustrie naar de bevolking (dat is dus van de stad naar hetplatteland).Op rijksniveau wordt ook op ruimtelijk gebied planmatig ge-werkt: aan het Deltaplan, de IJsselmeerinpolderingspIannen,een waterhuishoudinqsplan, het rijkswegenplan, een urgentie-plan voor ruilverkavelinqen en door ontwikkelinqsplannen voorminder ontwikkelde gebieden enz. enz. Op de achtergrondstaan hierbij de welvaartsplanning van het Centraal PlanBureau en ook socialc en culturele plannen.Het is op dit niveau opmerkelijk, dat de nadruk veel meer ligtop het gebied van de uitvoerinq dan op dat van de voorbe-reiding. Juist omgekeerd als zulks bij de provincies het gevalis. Het rijk beschikt het gemakkelijkst over qeldmiddelen envoert grote plannen uit. Veel minder wordt op rijksniveauechter gedaan aan het onderling coordineren van deze plan-nen, aan het langs democratische weg voorbereiden ervan enaan het bevorderen en vastleggen van een eenheid van beleid.Vele van deze plannen blijven partiecl en de uitvoeringendaarvan toch nog incidenteel. De wet verschaft het rijk demogelijkheid, geeft misschien wel de verplichting, een derge-lijk beleid bij nationaal plan vast te leggen en de daarvoor qe-schapen procedure is zeker de meest verkieselijke. Nog nim-mer is echter een voorstel van ruimtelijke ordeninq op natio-naal niveau voorgedragen, laat staan een formeel besluit vanscheppende betekenis genomen.Voor het opmaken van derqelijke plannen bestaat de Rijks-dienst voor het Nationale Plan. Deze dienst verricht belang-rijk werk op het gebied van onderzoek en coordinatie. Maarook constructief, scheppend werk wordt door deze dienst ver-richt. Alleen bindende besluiten worden daaraan niet ver-bonden. W^el is een enkele maal een adviserende uitspraakvan rijkswege gedaan, bijvoorbeeld in de vorm van een aan-beveling van de inhoud van het vertrouwelijke ,,Interim-rap-port IJmond I", opgesteld door de Commissie Werken desLands. Maar overigens beperkt het rijksbeleid zich in dezen66 tot toezicht.De reden hiervoor ligt, behalve in de moeilijkheid der vraag-stukken, mede in het feit dat de uitvoerende maatregelen vanruimtelijke ordening overheersen en berusten bij afzonderlijkedepartementen met hoofdelijk verantwoordelijke ministers.Terwijl gemeenteraad, Gedeputeerde Staten der ProvincialeStaten, colleges vormen die als een geheel alle besluiten ne-men, ligt de besluitvorming op rijksniveau veelal in verschil-lende handen en komt naar verhouding weinig in de raad vanministers. Maar zelfs in het uitvoerende beleid valt soms geenvaste lijn voor meerdere jaren te ontdekken.Het is wel duidelijk, dat men in afzienbare tijd uit de vast-stelling van een nationaal plan, of facetten daarvan, of delendaarvan, mag verwachten. Maar geldt dit zelfs ook voorstelselmatige aanwijzingen, richtlijnen en programma? Ik ge-loof dat men op rijksniveau dit moeilijke werk nog moet leren,maar ook kan leren. Bij bepaalde provincies is zeker meer dantwintig jaar studie nodig geweest om tot vaststelling vanstreekplannen te komen. Het rijk is aanmerkelijk korter bezigvoor moeilijker werk. Het lijkt mij defaitisrae, gebrek aan ver-trouwen in de kracht van een democratisch bestuur er van afte zien en tevens miskenning van het belang der vraagstuk-ken. Wanneer men het onvriendelijk wil karakteriseren -- endit is toch misschien wel nuttig ^ lijkt het wel of de minister,die tot taak heeft nationale plannen voor te dragen -- en daartot dusver niet in slaagde -- de druiven zuur vindt wanneerhij zegt, dat die plannen niet nodig zijn.Er is namelijk een wetsvoorstel, dat zegt dat streekplannenniet bindend behoeven te zijn en geen goedkeuring van hetrijk zouden behoeven en dat een nationaal plan onnodig is.Volstaan zou worden met bindende aanwijzingen, dat wilzeggen dus incidentele stappen van bovengemeentelijk beleid.Deze zouden goeddeels buiten de openbaarheid tot stand ko-men en niet door direct door de bevolking gekozen openbarelichamen genomen worden. Is er in de laatste tijd zo'n goedeervaring met soortgelijke stappen van uitvoerend beleid?Het komt mij beter voor, dat het rijk de provincies zoveel enzo snel mogelijk helpt en steunt in een krachtig beleid, doormiddel van streekplannen, zoals wij die thans kennen enwaarvan gebleken is, dat het tot stand komen mogelijk is.Het komt mij nodig voor, dat het rijk niet de mogelijkheid vanoverkoepelende, bindende voorschriften afsnijdt, maar eenorganisatie en een weg zoekt, langs welke deze kunnen wor-den bereikt. De omstandigheden dagen ons volk daartoe uit.Een volk dat leeft, bouwt aan zijn toekomst. Deze spreuk isonlangs nog op hoog niveau geciteerd en zij heeft geen be-trekking op bouwen van gebouwen alleen, maar op de inrich-ting van meer dan een landstreek. Wie bouwt, doet dit vol-gens weloverwogen maar ook welomlijnde plannen, die voorafworden vastgesteld.P. K. van MeursFa.G.A.Zwager,IJzerhandel,Den HaagWaldeck Pyrmontkade 127ENGROSTelefoon 336952EN DETAILLeverancier van:Hang- en SluitwerkenCoburn SchuifdeurbeslagScharnieren en Beslag voor stalen ramenLips' SlotenDeurdrangersZonnewarmtein uw douchecelof badkamermet de v e i I i g eDAALDEROP ELEKTRISCHE BADKAMER/DOUCHECELKACHELDe enige kachel, waarbij de gloeidraden en alle anderestroomvoerende delen volkomen waterdicht zijn afgesloten.VEILIGER KAN HET NIET!De gemakkelijk verstelbare reflector is van gee/oxeerd aluminium en behoudt ookin vochtige wimte zi'tn groot reflecterend vermogen.Met deze veilige kachel lost u voor de bewoners van uw huizenin eens het probleem op van de verv/arming in de badruimte.In iedere douchecel hoort zo'n kachel!N.V. KONINKLIJKE M ETAA LWA RE N FA B R I E K EN V/H.J. N. DAALDEROP & ZONEN - TIELMef fusee's* snel onderdak* brandvrij, isolerend* geen onderhoudS(e/( U nog heden op de hoogte van de belanghjke voor-delen weike de fusee dakconstrucUe U b.ed* en
Reacties