SEPTEMBER 195717e Jaargang -- No. 9DeWoningbouwverenlglngMriMAANDBLAD VAN DE NATIONALE WONINGRAADAdres voor Redactie en Abonnementen: Wouwermanstraat 27. Amsterdam-Z., Tel. 724298-721412Adres voor Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam-C. Tel. 49128DE NEDERLANDSET ^^ VolkshuisvGsiIngNieuwste woningwetwoningen onbetaalbaar ?Het bestuur van de Woningbouwvereniging ,,Onze Woon-gemeenschap" te Rotterdam is ernstig ongerust over de zeersterke stijging van de huurprijzen voor woningwetwoningen.Het heeft zich in cen adres tot de gemecnteraad van Rot-terdam gewend, verzoekende te overwegen welke maatre-gelen genomen kunnen worden om aan deze ,,onsociale ont-wikkeling paal en perk te stellen".Het adres vermeldt enige bijzonderheden, die ook voor niet-Rotterdammers interessant zijn. In 1956 werd voor de ge-noemde vereniging een complex van ruim 900 woningen op-geleverd. Deze drie- en vierkamer woningen werden ver-huurd tegen gemiddeld f. 11,-- bruto per week. In dat be-drag waren dus begrepen de vergoedingen voor een heet-water-apparaat, glas- en brandverzekering, gemeenschap-pelijke tuinen enz. Nu is een complex woningen voor dezelf-de vereniging in aanbouw, welke woningen op basis van devoorlopige calculatie een huurprijs van gemiddeld f. 21,-- perwoning per week moeten opbrengen. Moest voor bejaarden-woningen in 1956 een huurprijs worden vastgesteld van nogniet ten voile f. 9,^ per week; de thans in aanbouw zijndewoningen voor ouden van dagen zullen f. 15,50 en f. 17,50per week moeten kosten.Het bestuur van de bouwvereniging verklaart aan de ge-meenteraad dat deze verontrustende ontwikkeling aanleidinggeeft tot sociale conflicten en moeilijkheden, die even erg,zo niet erger zijn dan de woningnood. Het ervaart, dat talvan gegadigden, die ernstig onder de woningnood lijden, deaangeboden nieuwe woning van de hand moeten wijzen, om-dat zij de huurprijs niet kunnen opbrengen. De beter betaaldearbeider krijgt, naar het oordeel van het bestuur, een niet teverdedigen voorsprong op zijn wat lager bezoldigde collega.Met het bouwen van woningen voor bejaarden schiet menonder de huidige omstandigheden zijn doel voorbij. De oudenvan dagen in Rotterdam, die bijstand ontvangen van dedienst van sociale zaken, komen in aanmerking voor eenhuurvergoeding van maximaal f. 12,-- per week. Als dezemensen nu een mede voor hen gebouwde woning zouden be-trekken, dan moeten zij dus van hun precies op de normalelevensbehoeften afgestemde inkomen drie tot vijf gulden perweek afnemen, hetgeen uiteraard onmogelijk is. De mogelijk-heden tot het vrijmaken van grote woningen komt hierdoorook in het gedrang.Kennelijk heeft het bestuur van de bouwvereniging de ge-meenteraad deelgenoot van zijn zorgen en ongerustheid wil-len maken. Concrete gedachten omtrent een oplossing van hetprobleem worden in het adres niet ontwikkeld. Dat zou,gegeven de samenhang van het huurprijzenprobleem met hettotale complex van ons Nederlandse sociaal-economische be-leid, wellicht ook te veel verlangd zijn. De kern van de vraag,die al zo vaak onder het oog is gezien, blijft: ,,Hoe kan deoverheid (zeker onder de huidige omstandigheden) de mid-delen verschaffen voor een aanvullend subsidie op de nieuw-ste woningen, dat toereikend zou zijn voor het compenserenvan de in de laatste jaren opgetreden prijs- en rentestijgin-gen?" Wij vrezcn, dat nu meer dan ooit deze vraag negatiefmoet worden beantwoord. De gemeentebesturen ontbreekthet geheel aan bewegingsvrijheid op dit terrein; zij kunnenen mogen slechts toepassing geven aan de door het Rijkuitgevaardigde regehngen. Die regelingen bezorgen de rijks-overheid al een zeer zwaar drukkende last; er kan o.i. geensprake van zijn, dat onze gemeenschappelijke strijd tot hetbereiken van de noodzakelijke stabilisatie van uitgaven wordtdoorkruist door verhoging van de subsidielasten. Meer danooit springt de dwingende noodzaak in het oog van de ver-laging der bouwkosten. Dat moet voorlopig de conclusiezijn, die uit het adres van de actieve Rotterdamse woning-bouwvereniging te trekken valt. Met die conclusie zijn wijevenwel niet klaar. Het hoofdstuk van de verlaging derstichtingskosten van onze arbeiderswoningen moet met allenadruk afzonderlijk aan de orde komen.W. S.Omstreden huurverhogingDe toepassing van de bekende huurverhogingscirculaire vanminister Witte (No. M.G. 57-8, dd. 5 juH 1957) heeft opeen bepaald onderdeel heel wat voeten in de aarde gehad.Zelfs is op het ogenblik, waarop wij dit schrijven, nog nietgeheel duidelijk geworden of en hoe die toepassing gewij-zigd zal moeten worden. Het gaat om de huurverhogingenvoor woningwetwoningen, gebouwd met toepassing van eender bijdragenregelingen-1950. In zijn circulaire zegt de mi-nister ^ vrij vertaald -- over de huurprijzen van deze wo-ningen ongeveer het volgende. 89Vergelijk, rekening houdende met woninggrootte, woonge-rief e.d. de per 1 augustus bij de wet met 25% verhoogdehuurprijzen van de woningen-bijdragenregeling-1948 met dievan de woningen-bijdragenregeling-1950. Blijken laatstbe-doelde prijzen hoger te zijn, dan is er geen reden om ze nuin de verhoging te laten meedelen. Zijn ze evenwel lager,dan mogen ze worden opgetrokken met een percentage, lig-gende tussen 1 en 25. De gemeentebesturen moeten in eer-ste aanleg maar uitmaken, welke verhogingen in dit verbandmoeten worden opgelegd; achteraf zai ik -- de minister --wel officieel vaststellen of ze het goed gedaan hebben. Ik --de minister -- zal dan als het ware op grond van de alleenaan mij toekomende bevoegdheid de voorlopig opgelegdeverhogingen ,,legahseren".De laatste ahnea van de hierboven beknopt omschrevenpassage uit de circulaire geven wij letterhjk weer:,,Verder vestig ik met nadruk Uw aandacht op, dat zo-,,lang ik de Uwerzijds voorgestelde huurverhoging nog,,niet heb goedgekeurd, deze verhoging een voorlopig ka-,,rakter heeft. In verband met eventuele navorderingen,,ware dit ter kennis van de desbetreffende huurders te,,brengen."Deze twee zinnen onthullen een weinig de gedachten, dieten departemente een rol spelen. Kennelijk rekent men er op,dat de gemeentebesturen (en daarmede de huurders) zich ineen aantal gevallen correcties moeten laten welgevallen enwel uitsluitend correcties naar boven! Er wordt immers aan-genomen, dat er alleen maar van navorderingen sprake kanzijn. De mogelijkheid van restitutie van teveel betaalde huur-penningen blijft geheel buiten het gezichtsveld.Onze lezers kunnen zich met ons voorstellen, wat er met delang-verbeide circulaire is gebeurd. Deze circulaire is als eenmet opdrachten beprikte ponskaart, die in de electronischerekenmachine moet worden gestopt, teneinde de gegevens teverkrijgen, waarmede men werken kan. Zo'n machine mistgeheugen; zij denkt niet; zij rekent langs vooruit bepaaldebanen; zij geeft koud en ongevoelig de oplossing van het aanhaar voorgelegde rekenkundige probleem. Het is illustratiefvoor het door de omstandigheden gegroeide en ingeburgerde,,centralisme" van het woningbouw- en -exploitatiebeleid, datmen achteraf zeggen moet: ,,De onderwerpelijke passageszijn door de gemeentebesturen min of meer automatisch tenuitvoer gebracht. zonder dat men de uitwerking in het ver-band met het gehele huurbeleid heeft beoordeeld". Teneindeeen mogelijk postvattende indruk, als zouden wij er op uitzijn ongemotiveerde critiek en lichtvaardige verwijten uit testorten, weg te nemen herinneren wij er ootmoedig aan, datde Nationale Woningraad in zijn circulaire van 10 juli 1957aan zijn leden schreef: ,,Wij nemen aan, dat de toepasslngvan de in de circulaire vervatte voorschriften in het alge-meen geen moeilijkheden zal opleveren". Wij releveren degang van zaken slechts, omdat door de gebeurtenissen welbijzonder duidelijk is geworden, hoezeer ,,Den Haag" aande touwtjes trekt en... hoezeer wij alien dat vanzelfsprekendzijn gaan vinden.De moraliserende toon verder afzwerende, gaan wij -- alwas het alleen maar voor de historic -- de voor- en na-ge-schiedenis eens bekijken.In de Memorie van Toelichting op de Huurwetten zegt mi-nister Witte, dat het in een enkel geval wellicht wenselijkof noodzakelijk zal zijn ,,incidenteel" woningen van de bij-dragenregeling-1950 ook enigszins in huur te verhogen. Hetis kennelijk de bedoeling van de minister duidelijk te maken,dat slechts sporadisch een dergelijke verhoging zal voorko-men. leder, die zorgvuldig leest, heeft het ook zo begrepen.In de looncompensatie-onderhandelingen, gevoerd in deS.E.R., is er van uitgegaan dat de werkelijkheid zou beant-woorden aan hetgeen in de Memorie van Toelichting is aan-gekondigd. Het valt niet te ontkennen, dat tot voor kort inhet algemeen de opinie over deze zaak was: ,,De huurders90 van de nieuwe, dure woningen hebben een tijd lang te veelaan huur moeten betalen (binnen het raam van de soepelgeleide loonpolitiek, wel te verstaan). Zij komen echter minof meer aan hun trek als straks een nieuwe huurronde metlooncompensatie wordt doorgevoerd. Hun huur blijft dangelijk, maar hun inkomen stijgt."Kort voordat in Amsterdam de huurverhogingen per 1 augus-tus werden ingevoerd, heeft onze grootste Nederlandse vak-centrale nog in de bovenomschreven geest de bewoners vande nieuwe tuinsteden door middel van een pamflet voorge-hcht.De verwachting dreigt wreed te worden verstoord, als bijde afsluiting van het mondeling overleg over de Huurwettentussen minister en kamercommissie de eerstgcnoemde plotse-ling een staatje produceert, waaruit blijkt, dat ongeveer160.000 woningen-bijdragenregeling-1950 toch in de huurverhoging zullen delen! Het is het kamerlid de heer Bom-mer. die bii de officiele behandeling van de regeringsvoor-stellen dit fameuze cijfer ter sprake brengt. Er is in het inge-wikkelde, lange debat over de algemene huurverhoging, deblokkering, de fiscale maatregelen en de looncomoensatieuiteraard weinig plaats voor een discussie over dit plotselingopduikende verschil tussen Memorie van Toelichting en hetlater verstrekte staatje met cijfers. Vandaar, dat de heerBommer aan de minister vraagt deze technische kwestiealsnog met de vaste kamercommissie te bespreken. alvorensde bewindsman richtlijnen uitvaardigt. Minister houdt deboot aanvankelijk wat af. De aangelegenheid is louter eenkwestie van techniek. Daarmede valt de minister de Kamerhever niet lastig. In tweede instantie krijgt de heer Bommerevenwel steun van zijn colleqa Van Vliet, weshalve de mi-nister tenslotte toezegt de Kamercommissie te zullen raad-plegen.De volgende fase brengt de circulaire van 5 juli 1957 endirect daarop de uitvoering van die circulaire door de ge-meentebesturen (en, verder afgeleid, door de woningbouw-verenigingen). Het toegezegde overleg met de vaste Kamer-commissie heeft echter nog niet plaatsgevonden. De eerstegevolgen van de uitvoering der circulaire op het onderwer-pelijke front worden bekend. In Amsterdam borrelt -- als zovaak ^ de verbazing en de verontwaardiging het eerst om-hoog. Onze eerbiedwaardige Eerste Kamer moet over deHuurwetten haar oordeel nog geven. Zij laat zich de kansniet ontgaan om over de onverwachte ontwikkeling aan deminister inlichtingen te vragen. Naar verluidt circulerenverschillende ontwerp-moties, waarin de regering zal wor-den gevraaqd zich aan de aanvankelijke toezegginqen tehouden. De beiaarde, maar bijzonder fieve professor Hellemais de eerste, die een motie van die strekking te bestemderplaatse deponeert. Zijn motie wordt door afgevaardigdenvan alle andere partijen gesteund. Die motie vraagt de re-qering de huurverhogingen voor de woningen-bijdraqenrege-linq-1950 ,,tot het noodzakelijke te beperken". MinisterWitte manoeuvrcert als een ervaren staatsman. Hij zegt, datde motie in overeenstemming is met het door hem voorge-stane beleid. Hij neemt de motie over, die daarmede als uit-spraak van de Kamer en van de regering is aanvaard.Wat gaat er dan gebeuren? Allengs worden meer gegevensover de huurverhogingen in onderscheidene gemeenten be-kend. Gemeenteraadsleden stellen vragen. Wijkcentra, huur-derscomite's protesteren. De vakbeweging komt in het ge-weer. De heer Bommer stelt de minister schriftelijke vragen.,,Zult U de vaste Kamercommissie alsnog raadplegen, zoalsU toch hebt toegezegd?". ,,Heeft de verhoging van de huur-prijzen der onderwerpelijke woningen eigenlijk wel rechts-kracht?". Op de laatste vraag antwoordt de minister ont-kennend. Niettemin, de gemeenten moesten toch weten waarzij aan toe waren. Daarom heeft de minister -- wijs beleidvoerende -- zij het zonder voldoende rechtsgrond, de ge-meentebesturen de verhogingen maar voorlopig laten vast-stellen. De Kamercommissie zal bijeen geroepen worden alsmeer gegevens bekend zijn.Intussen betalen de huurders de (nog niet rechtsgeldige)verhogingen. Intussen komt het in tal van gemeenten tot censamenspraak tussen raden en wethouders. Intussen blijkt,dat de aanwijzingen in de circulaire door de gemeentebe-sturen op zeer verschillende manieren zijn uitgevoerd. Deeen rekent met kubieke meters, de ander geeft de voorkeuraan vierkante meters. Hier heeft men alleen vergeleken metwoningen-1948. Daar heeft men een vergelijkingsbasis ge-vonden in een of meer complexen voor-oorlogse woningen.De conclusie is gerechtvaardigd, dat men op zeer veel ma-nieren een consequente berekeningsmethode kan toepassen.Uniformiteit, gelijktrekken van verschillende ,,huurniveau's 'blijken echter in een ver verschiet te liggen.Het is ons in de loop der verstreken weken wel duidelijk ge-worden, dat de gemeentebesturen de ,,techniek" van dehuurprijsvaststelling op de voorgrond hebben geplaatst. Zijwijzen op het denkbare verschijnsel, dat woningen-bijdragen-regeling-1948 (bij de wet met 25% huurverhoging belast)hoger in huur zullen zijn dan de (niet of nauwelijks teverhogen) woningen-bijdragenregeling-1950. Zij tonen aandat de woningen, die pas gereed of nog in aanbouw zijn, nogweer hoger in huur zullen worden (rentestijging, verhogingbouwkosten). Zij zien het verschil in huurprijzen eerder gro-ter dan kleiner worden. Zij willen daartegen naar vermogeniets ondernemen. Al deze, aan de ,,techniek" ontleende rede-neringen mogen juist zijn; zij doen geen recht aan het tevorenuitgestippelde beleid. De huurders van de circa 160.000 voorhuurverhoging in aanmerking komende woningen mogen2ich, ondanks de technische rechtvaardigingen, ,,genomen"voelen. De regering zal zich aan haar woord moeten houden.Het woord, dat zegt: ,,Slechts in een enkel geval; daar waarhet beslist noodzakelijk is". De vakbeweging stelt terechtdat zij zich misleid kan gevoelen als zij onderhandelingenvoert op basis van toezeggingen, die niet in vervulling gaan.Zo strijdt hier de ,,techniek" tegen het ,,beleid". Het vreed-zame gevecht moet worden beslist in de beraadslagingen vande vaste Kamercommissie met de minister. Dat beraad vindtplaats. Er verschijnt een communique, waarin de in eersteaanleg bereikte resultaten worden bekend gemaakt. Wijhebben respect voor de gevonden formuleringen. De mi-nister erkent, dat de gewekte verwachtingen een elementvormen, waarmede men bij de toepassing van de huurver-hogingsmaatregelen rekening dient te houden. Hij zegt deKamercommissie toe, dat hij ,,de beginselen, vervat in decirculaire van 5 juli op een voor de huurders soepele wijzein een richtlijn zal verwezenlijken". Hoewel men nimmer,,hei" mag roepen alvorens over de brug te zijn, ziet het ertoch wel naar uit, dat de te verschijnen richtlijn tot beper-king of zelfs wel tot intrekking der voorlopig opgelegdehuurverhogingen zal kunnen leiden.De vraag is nu wat de gemeentebesturen en de bouwvereni-gingen in dit stadium hebben te doen. Het is niet verstandigom, in afwachting van de nadere aanwijzingen van de mi-nister, de voorlopig opgelegde verhogingen weer in te trek-ken of op te schorten. Dat zou de verwarring slechts ver-groten. Een reele mogelijkheid is natuurlijk wel het aanbiedendoor de gemeentebesturen aan de minister van nieuwe bere-keningen, waarbij met name rekening ware te houden metde motie-Hellema (beperking tot het noodzakelijke); met deerkenning, dat de recht-evenredige doorberekening van hetaantal kubieke of vierkante meters boven een bepaaldstandaard-getal tot ongunstige of onjuiste resultaten leidten met het aanvankelijke, van de circulaire van 5 juh afwij-kende standpunt, dat de vergelijking tussen woningen enhuurprijzen moet worden gebaseerd op een redelijk grootaantal complexen van voor-oorlogse woningen. De ministerzal er bij de uitwerking van zijn toezegging aan de Kamer-commissie zijn voordeel mee kunnen doen als hij beschikt overeen goede ,,doorsnede" van herziene gemeentelijke bereke-ningen.Voor het overige zal men moeten wachten op de nadereministeriele aanwijzingen. Wij vertrouwen, dat die aanwij-zingen recht zullen doen aan de gebleken bezwaren en wijhebben goede hoop op een voor vele huurders gunstige wij-ziging in de aanvankelijke berekeningen. Daarbij ontveinzenwij ons niet, dat er nog van ongemotiveerde ongelijkheid inhuurprijzen sprake blijft. Daarbij is het ons duidelijk, datdeze huurronde het verschil in huur van oude en nieuwstewoningen niet heeft kunnen reduceren, gegeven de in deafgelopen jaren opgetreden stijging van de bouwkosten envan de in de exploitatie te berekenen rente. Dit zijn proble-men, die onvermijdelijk een volgende maal aan de orde moe-ten komen.W. S,Hervatting voorschotregeling WoningwetbouwDe regering acht het voor een gezonde en ongestoorde finan-ciering van de woningbouw noodzakelijk met ingang vanhet komende jaar weder over te gaan tot het verstrekkenaan de gemeenten van voorschotten ten behoeve van dewoningwetbouw ten laste van 's Rijks kas.Deze passage uit de Troonrede is door ons '-- en door wieniet? --' met instemming begroet. Het Rijk keert dus weerterug op de weg die in 948 werd verlaten en welke de wo-ningwetbouw in de jaren 1950 en 1951 -- de herinneringaan het demonstratief congres in 1951 van het NederlandsInstituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de Natio-nale Woningraad ligt nog vers in het gehcugen -- en sedertmedio 1956 met stagnatie bedreigde. Overigens rijst devraag of door de financieringsmoeilijkheden die de gemeen-ten het afgelopen jaar ondervonden, de continui'teit in dewoningbouw al niet een gevoelige knak heeft gekregen.Hebben de complementaire gemeentelijke investeringen vol-doende voortgang kunnen vinden om het streefcijfer van80.000 woningen te realiseren; of hadden het er misschienmeer kunnen zijn? De tijd zal het lercn. Het ware ons lievergeweest indien de Regering eerder --- de Woningraad heeftdaar al op aangedrongen toen de eerste financieringsmoeilijk-heden zich openbaarden -- naar het instrument van de Rijks-voorschotverstrekking had gegrepen. Het moet ons nu vol-doening scheppen dat de Regering toch liever ,,ten halvegekeerd dan ten hele gedwaald" is.De Regering heeft voor de voorschotverlening een bedragvan f 540 miljoen in de begroting voor 1958 afgenomen.Zij hoopt daarmede de bouw van 40.000 woningwetwoningente financieren. Dit aantal ligt lager dan dat waarvoor in1956 en 1957 subsidie werd of zal worden toegezegd, t.w.ongeveer 43.000 in elk der beide jaren. Minister Witteschrijft in de toehchting op de begroting van zijn Ministerie,dat de toestand van de schatkist en de economische situatiehet onmogelijk maken om thans verder te gaan. Het rege-ringsbeleid zal er voorts op zijn gericht de voorschotten bijvoorrang beschikbaar te stellen voor de bouw van eenvou-dige arbeiderswoningen.Het Rijk zal voor de f 540 miljoen, nodig voor de voorschot-verstrekking ingevolge artikel 56 van de Woningwet, geenberoep behoeven te doen op de kapitaalmarkt buiten de doorde Rijksfondsen op voorinschrijfrekening te storten bedra-gen, die op f 345 miljoen worden geschat. De schatkist kanin 1958 voorts nog beschikken over / 60 miljoen, die op hetGrootboek Woningverbetering zullen worden gestort. Dedekking van het budgetaire kastekort van / 535 miljoen '-wij zullen op de berekening van dit bedrag niet nader in-gaan, maar volstaan met op te merken dat de voorschot-verlening voor het overgrote deel van de Woningwetbouwdaarvoor aansprakelijk is -- zal voornamelijk worden ge-vonden in een verhoging van de omzetbelasting op bepaaldeverbruiksgoederen.Daarnaast zijn er voor de financiering van de woningbouwnog saldi voorhanden uit het zogenaamde grote contract tus-sen de Bank voor Nederlandse Gemeenten en de institutio- 91nele beleggers. Gedurende enige tijd zullen dus de voor-schotverlening door het Rijk en het ,,grote contract" naastelkaar werkcn. In dit verband verdient het de aandacht dathet de gemeenten verboden zal zijn zelf nog voorschotten teverstrckken.De adempauze, die de gemeenten krijgen, doordat het Rijkde financiering van de woningwetbouw overneemt, zal dusmoeten worden benut om de reusachtige vlottende schuld --medio 195/ ? / 1,5 miljard ^ te consolideren. De Regeringhoopt de weg daarvoor vrij te maken door zich zoveel mo-gelijk afzijdig te houden van de kapitaalmarkt alsmede hetheropenen van de mogelijkhcid voor de lagere publiekrech-telijke lichamen om tegen marktvoorwaarden langlopendeleningen te kunnen sluiten.De Bank voor Nederlandse Gemeenten zal verder eerlangovergaan tot het uitschrijven van een woningbouwlening --I'histoire se repete? -- ter voltooiing van de bouw van wo-ningen, die nu nog aan de gang is, alsmede ter financieringvan de nog in aanbouw te nemen woningen in de laatstevier maanden van dit jaar en tevens om in de financiele po-sitie van de gemeenten enige verhchting te brengen. Hetzou dwaasheid zijn om te veronderstellen dat door de vanregeringswege in uitzicht gestelde maatregelen alle zorgen,die de woningbouw bedreigden, plotsklaps zullen verdwij-nen.Er werpen zich een aantal vragen op die voor de volkswo-ningbouw uitermate belangrijk zijn. Welke consequenties zalhet hebben indien de gemeenten in staat worden gesteldtegen marktvoorwaarden te lenen? Zal de rente der rijks-voorschotten worden aangepast aan de marktrente of even-als in het verleden worden gefixeerd op een zeker percen-tage? Doorwerking van een rentestijging boven 434 % i"de huren doorkruist een loon- en prijsstabilisatie, die de Re-gering blijkens de Troonrede blijft voorstaan. Er is door onsmeermalen betoogd dat de consequenties van een verder-gaande rentestijging door een verhoging van de rijksbijdragemoeten worden opgevangen. Wij hebben nog niet kunnenbeoordelen of daarvoor in de rijksbegroting voor 1958 ruim-te is gevonden. De behandeling van de begroting in deTweede Kamer zal ons te dien aanzien nog wel licht ver-schaffen. Wij stellen ons voor hierop te zijner tijd terug tekomen. Moeten wij er voorts rekening mee houden, dat hetaanbrengen van bijzondere voorzieningen in de woningwet-woningen, zoals warmwaterapparaten, wasmachines, centri-fuges en dergelijke, voorlopig blijft uitgesteld?Minister Witte schrijft in de toehchting op de begrotingvan volkshuisvesting en bouwnijverheid, dat de rijksvoor-schotten bij voorrang beschikbaar zullen worden gesteld voorde bouw van eenvoudige arbeiderswoningen. Financieringvan de hierboven genoemde voorzieningen valt ons inziensvan die zijde niet te verwachten. De gemeenten kunnenzichzelf al niet meer bedruipen, laat staan dat zij de woning-bouwcorporaties een helpende hand kunnen reiken.Mochten er al middelen beschikbaar komen voor de finan-ciering van bijzondere voorzieningen, dan zal men daarvoorzeer waarschijnlijk een hogere rente moeten betalen, welketot uitdrukking zal komen in de huurprijs dezer voorzienin-gen. De vooruitzichten voor de woningbouw blijven dus,ondanks het lichtpunt dat de voorschotverlening door hetRijk op korte termijn geeft, vooralsnog vrij somber.J. H. W. Hermsen.Organisatie^nieuws92Eindverslag van de 2e zitting van de algemeneledenvergadering van de Nationale Woningraad, ge-houden te Utrecht op vrijdag 24 mei 1957De heer Scherpenhuisen uit Amsterdam merkt op, dat hetbestuur van zijn vereniging toelichting op de in het ontwerpvoorgestelde regelingen heeft gemist. Spr. hecft enige critiekop en vragen over een aantal detailpunten.De secretaris toont zich dankbaar voor de positieve reactiesop het voorgestelde ontwerp. Hij stelt er prijs op in enkelegrove lijnen uiteen te zetten hoe het ontwerp tot stand isgekomen om dan (waarschijnlijk in de vergadering van za-terdagmorgen) nader in te gaan op de vragen en opmerkingenover bepaalde onderdelen van het ontwerp. Reeds een aantaljarcn geleden is in de ledenvergadering te Hilversum eenvoorstel voor een uniforme regeling van de arbeidsvoorwaar-den voor het personeel van woningbouwverenigingen aan deorde geweest. Dat voorstel verwierf toen weinig instemming.Enerzijds vond men de voorwaarden te royaal, anderen acht-ten ze te schriel. Hoofdbezwaar was echter, dat in de voor-gestelde regeling alleen het handwerkend technisch personeelter sprake kwam en dat de voorwaarden vrijwel identiek wa-ren aan die voor het gewone bouwbedrijf. Het bestuur van deWoningraad kreeg toen de opdracht om in overleg met dewerknemersorganisaties een regeling te ontwerpen voor allecategorieen van werknemers, in dienst bij de bouwverenigin-gen. Die opdracht bleek moeilijk uit te voeren. Aanvankelijkwas men in de kringen van de werknemersorganisaties vanoordeel, dat een bepaalde overeenkomst met de regelingenvoor het gewone bouwbedrijf noodzakelijk zou zijn. De Wo-ningraad stelde zich echter op het standpunt, dat een geheeleigen regeling moest worden gemaakt. Tenslotte werd iaatst-bedoeld standpunt aanvaard. Nu ging het er om welke werk-nemersorganisaties aan het overleg zouden deelnemen. Dievraag kon de Woningraad uiteraard niet beantwoorden. Inhet midden latend wat de oorzaak van de vertraging kan zijngeweest; vastgesteld moest worden, dat het lang duurde alvo-rens er schot in de zaak kwam. Tenslotte heeft het dagelijksbestuur van de Stichting v. d. Arbeid alle partijen bijeenge-roepen. Daaruit resulteerde een opdracht aan de werknemers-organisaties om de zaak spoedig met de federaties van bouw-verenigingen te regelen. Dat was het begin van prettig envruchtbaar overleg, waaruit de ter tafel hggende regeling isvoortgekomen.Die regeling omvat inderdaad alle groepen van personeel derbouwverenigingen. Dat behoeft natuurlijk niet te betekenen(zoals Zomers Buiten even veronderstelde), dat de bouw-verenigingen ook genoodzaakt zullen zijn al het in de rege-ling genoemde personeel aan te stellen. Men kan met iederepersoneelsformatie (waarvan de samenstelling wordt gedic-teerd door de behoeften van ,,het bedrijf") met de regelinguit de voeten. Er is een uitzondering, t.w. de directeuren ofadministrateurs, in het algemeen de leidende figuren van hetbedrijfsapparaat der bouwverenigingen. Juist is wat straks isopgemerkt: ook een directeur is in de zin van de wet werk-nemer. In de zm van de onderliavige regeling is hij dat echterniet. Zijn arbeidsvoorwaarden zijn moeilijk uniform te rege-len. Bewust is de opiossing hiervoor van geval tot geval aanhet inzicht van het bestuur der desbetreffende corporatieovergelaten.Voor het overige zal toepassing van de regeling het grotcvoordeel van uniformiteit opleveren. Thans is er bitter weinigorde in de regeling van de arbeidsvoorwaarden. Voor hethandwerkend personeel past men weliswaar vaak de voor hetbouwvak geldende regelingen toe (met vele afwijkingen ove-rigens) maar bevredigend is dat niet. Voor het administratiefen toezichthoudend personeel zijn de verhoudingen min ofmeer historisch gegroeid; in het ene geval belangrijk snellerdan in het andere. Vaak leunt men aan tegen de regelingen,die voor het gemeentepersoneel gelden zonder dat men dewerknemers van de bouwvereniginqen echter de status vanambtenaar kan verlenen. Ook dat biedt dus gecn opiossing.Waar het gaat om zuiver gemeentelijke instellingen is dui-delijk, dat de werknemers ambtenaar zijn. Zij zijn dan bv.ook opgenomen in het algemeen burgerlijk pensioenfonds.Hier ligt ook het antwoord op de vraag waarom de ambte-narenorganisaties niet bij de regeling zijn betrokken.Een andere voor de bouwverenigingen belangrijke kwestie ishierbij in het geding. Aangezien tot dusver wordt aangeno-men, dat het merendeel van het personeel der bouwverenigingbehoort tot de categorie van bouwvakarbeiders, wordt op datpersoneel ook het gehele complex van sociale voorzieningenvoor het bouwvak van toepassing geacht. Dat betekent o.m.,dat de indelingsbeschikking van de minister van sociale zakenbepaalt, dat de bouwverenigingen voor de uitvoering van dewettelijke sociale regelingen aangesloten dienen te zijn bij deBedrijfsvereniging ,,Bouw". Die vereniging heeft als uitvoe-rend orgaan het Sociaal Fonds Bouwnijverheid. Dat Fonds intde premies voor ziektewet, kinderbijslagwet enz. Voorzoverhet daarbij gaat om de toepassing van de wettelijke regelin-gen is er, gegeven de eerder genoemde indelingsbeschikking,gcen schijn van twijfel dat de bouwvereniging bij het Fondsthuishoort. Naast de wettelijke regelingen kent het bouwvakechter ook ,,eiqen" regelingen, waarvan de uitvoering even-eens aan het Sociaal Fonds Bouwnijverheid is opgedragen(vorst- en regenverlet, vacantiebonnen, bedrijfspensioenfondsenz.). Naar de mening van het bestuur hebben de bouw-verenigingen er terecht bezwaar tegen, dat deze specifiekebouwvakregelingen ook aan de verenigingen worden opqe-legd. In de loop van de tijd zijn daaruit veel moeilijkhedenvoortgekomen. Als er nu een volstrekt afzonderlijke regelingvoor het personeel van de bouwverenigingen tot stand komt.dan zal dat de reeds aanhangig gemaakte aanspraken op certgunstiger indeling voor de uitvoering van de sociale verzeke-ringswetten kracht kunnen bijzetten.Er zijn belangwekkende opmerkingen gemaakt over de verderte bewandelen weg. De Woningraad is thans formeel niet bijmachte om als partner voor een c.a.o. op te treden. Daartoeis wijziging van de statuten nodig. Het bestuur is bereid omdirect na de vacantieperiode een bijzondere algemene leden-vergadering uit te schrijven, waarin die statutenwijziging totstand gebracht kan worden. Uiteraard onder het beding, datnu instemming met het ontwerp blijkt. Daarbij behoeft weinigof geen tijd verloren te gaan. Als aan het slot van deze be-handelinq mag worden aangenomen, dat de vergadering ingrote trekken met het ontwerp accoord gaat, dan kan het doorwerknemers- en werkgeversorganisaties gemeenschappelijk bijde Stichting van de Arbeid en het College van Rijksbemid-delaars ter behandeling worden ingediend. Die behandelingbehoeft niet te wachten op het wegnemen van het formelebezwaar inzake de statuten van de Woningraad. Als deWoningraad dat bezwaar heeft opgeheven, is intussen debehandeling een eindweegs gevorderd of zelfs wel afgesloten.Zij, die gezegd hebben dat het ontwerp bezwaarlijk als richt-lijn voor de direct te volgen practijk kan dienen, hebbenqelijk. Zolang het ontwerp niet officieel als geldende rege-ling is aanvaard, moeten de bouwverenigingen de bestaandcregelingen blijven toepassen.Tenslotte is er nog een misverstand op te helderen. De heerLaan heeft gesproken over de onmogelijkheid om de regelingbindend te laten verklaren. Er zijn in beginsel twee moge-lijkheden. Komen werknemers en werkgevers niet tot over-eenstemming over de regeling van arbeidsvoorwaarden, dankan het College van Rijksbemiddelaars een ,,bindende rege-ling" opleggen die echter, zoals de heer Laan terecht stelde,gewoonlijk alleen betrekking kan hebben op de zg. wettelijkevoorwaarden. Komen evenwel werknemers en werkgeverswel tot overeenstemming; maken zij samen een regeling, dieook voor de overheid acceptabel is; blijkt verder, dat eenminderheid van de bij de regeling betrokken partijen zich aande toepassing zou willen onttrekken, dan kan het College degehele regeling ,,verbindend" verklaren. Dat laatste is in detoelichting bedoeld. Stel dat de regeling tot stand komt, maardat er dan een of twee bouwverenigingen bedanken voor hetlidmaatschap van een als partner in de c.a.o. opgetreden lan-delijke federatie. Dan zouden zij in feite aan de toepassingvan de regeling onttrokken zijn. Dat kan worden voorkomendoor de genoemde ,,verbindend-verklaring".De Woningraad en de techniek van de woningbouwDe voor de vuist weg in een der zittingen van de algemeneledenvergadering van de Nationale Woningraad te Utrechtop 25 mei 1957 afgestoken rede van de secretaris over ,,Taak,, organisatie en werkwijze van het technisch bureau van deNationale Woningraad" wordt niet letterlijk verslagen. Erbestaat een groot verschil tussen het gesproken en het ge-schreven woord. Terwille van de leesbaarheid is de rede-voering derhalve omgewerkt tot een artikel.De uiteenzettingen over het technische werk, dat door de Wo-ningraad wordt verricht, zullen voor een belangrijk deel ge-richt zijn op vraagstukken van interne organisatie. Het be-stuur had er behoefte aan om in de algemene ledenvergade-ring iets te laten zeggen, misschien een zekere verantwoor-ding te doen afleggen van de op de bouwtechniek gerichteactiviteiten. Wij hebben met en door die activiteiten in deafgelopen jaren enige ervaring opgedaan, die het mogelijkmaakt daarvan wat mede te delen en daaraan enige conclu-sies te verbinden. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat hettechnisch bureau in zijn tegenwoordige vorm, bezetting enwerkwijze tot stand is gekomen zonder dat het bestuur datprecies z6 van de aanvang af voor ogen heeft gestaan. Hetzal goed zijn in korte trekken te schetsen hoe de ontwikke-ling van het bouwtechnische werk zich in onze organisatieheeft toegedragen.De standaardisatieReeds in 1950 heeft de toenmalige Directeur-Generaal vande Volkshuisvesting zich ongeveer in deze zin tot de Wo-ningraad gewend: ,,In de Woningraad zijn enige honderdeninstellingen georganiseerd, die samen een belangrijk deel vande woningbouwopdrachten in Nederland verstrekken. Al inde bezettingstijd hebben deskundigen zich beraden op devraag hoe in de voorbereiding en de uitvoering van de mas-sale woningbouw in ons land typebeperking, normalisatie enstandaardisatie zouden kunnen worden toegepast. De ont-wikkeling in die richting blijkt echter of afwezig te zijn, ofzij voltrekt zich veel te langzaam. Ik heb daarom de georga-niseerde opdrachtgevers nodig om die gewenste en noodza-kelijke ontwikkeling een stevige duw in de goede richting tegeven." 93Het bestuur van de Woningraad heeft uiteraard een beroep,van zo gezaghebbende zijde gedaan, niet van de hand willenen kunnen wijzen. Het is immers begrijpelijk, dat een lande-lijke organisatie als de onze zich actief bezighoudt met devoor kwaliteit, productie en prijsvorming gewichtige vragen?Er zij aan herinnerd, dat aanvankelijk nog slechts een be-middelende functie wcrd vervuld, o.m. bij de voorbereidingen de uitvoering van de z.g. experimentele woningbouwplan-nen. Plannen van 500 of meer woningen elk, die in samen-werking met de Kerngroep Woningarchitectuur van deB.N.A. tot stand kwamen in Hengelo, Leiden, Tilburg enVlaardingen, Zonder iets te kort te doen aan het belang ende waarde van elk dezer projecten, zonder de goede wil ende juiste bedoelingen van de hierbij betrokken architecten-- verenigd in de Kerngroep -- in twijfel te trekken, moetworden gezegd dat er van uniformiteit, typebeperking enstandaardisatie in deze gezamenlijk ondernomen actie vrijwelniets is terechtgekomen. leder dezer plannen was toch weerresultaat van het individuele werk, niet alleen in ontwerp enuitwendige vormgeving (waar dat wellicht op z'n plaats is)maar ook in detaillering en uitrusting met onderdelen. Aan aldiegenen, die ook nu nog van oordeel zijn, dat men binnenhet raam van een groot project of binnen het kader van eenarchitectenbureau kan standaardiseren, houden wij deze er-varing voor.Intussen is de Woningraad, iets wijzer geworden door dezeeerste ervaring, op eigen houtje en voor eigen rekening be-gonnen met pogingen cm gegevens voor een algemenestandaardisatie van woningonderdelen uit te werken en terbeschikking te stellen. Dat geschiedde aanvankelijk nog insamenhang met een technische uitwerking van een aantalder z.g. standaardplattegronden, vastgesteld en uitgcgevendoor de Studiegroep Efficiente Woningbouw. In de laatstejaarverslagen van de Woningraad is vermeld in hoeveel ge-vallen het mogelijk bleek deze standaardplattegronden on-verkort in concrete woningbouwplannen toe te passen. Hierkan worden volstaan met de opmerking, dat reeds in hetbegin de Woningraad -- mogelijk onbewust -- er het be-lang van inzag een samengaan van activiteiten te bevorde-ren, maar dat voor het overige een volledige toepassing opruime schaal van de z.g. standaardplattegronden een alles-behalve eenvoudige zaak bleek te zijn.Achteraf beschouwd mag men zeggen, dat het bestuur vande Woningraad wel met een zekere argeloosheid het werkvoor de standaardisatie ter hand heeft genomen. Willen deresultaten van dat werk verantwoord heten, dan moet erbijzonder veel zorg en arbeid -- ook in teamverband -- aanworden besteed, dan blijkt het werk van lange adem te moe-ten zijn, dan wordt duidelijk, dat er grote bedragen meegemoeid zijn.Met erkentelijkheid kan worden vastgesteld, dat er bij talvan autoriteiten bereidheid bleek te bestaan om het stan-daardisatie-avontuur van de Woningraad althans in finan-cieel opzicht te steunen. De eerdergenoemde toenmaligeDirecteur-Generaal, Dr v. d. Meer, medcwerkers van deCentrale Directie, w.o. Ir Schuil, het hoofd van de afd.Productiviteitsbevordering van het Ministerie van Econo-mische Zaken, Mr Berger en verscheidene anderen hebbener samen voor gezorgd, dat uit het Productiviteitsfonds aande Woningraad een bedrag van rond f. 85.000,-- ter be-schikking werd gesteld. Daarmede ken, althans in finan-ciele zin, het werk voor de standaardisatie van de grondkomen.De basis voor het werk -- met enthousiasme en grote des-kundigheid gelegd door de technische adviseur van de Wo-ningraad, de heer J. Dunnebier -- werd verbreed door devorming van een werkgroep van deskundigen, die al hetvoorbereidende werk voor publicaties van standaarddetailszeer critisch beoordeelt. In deze werkgroep zijn vertegen-woordigd de Centrale Directie, de B.N.A., Ratiobouw, deBouwkas Ned. Gemeenten, het K.I.V., de volkshuisvestings-94 diensten van Rotterdam en Amsterdam en enige van onzeprovinciale afdelingen die ingewijden in het technische werkvan onze bouwverenigingen afvaardigden. In tientallen ver-gaderingen van een gehele dag hebben onze medewerkersen de leden van deze werkgroep a.h.w. geworsteld om alge-meen aanvaardbare uitgangspunten te vinden voor construc-tie en samenstelling van woningonderdelen. Uitgangspun-ten, die moeten voldoen aan de primaire eisen voor stan-daardisatie: kwalitatief hoog niveau (waarbij het in de volks-woningbouw thans haalbare peil graadmeter moet zijn), mo-gelijkheden tot individueel getinte toepassing, het achter-wege blijvcn van verstarringselementen, aanpassing aan detechnische mogelijkheden van de toeleveringsbedrijven, on-persoonlijke vormgeving.Er hebben nu een vijftien bundels met standaarddetails voorverschillende woningonderdelen het licht gezien. Zij zijn enworden door bouwend Nederland in bevredigende omvangafgenomen, hetgeen uiteraard nog niets wil zeggen over defeitelijke toepassing. Er staan nog verscheidene publicatiesop het programma. Het werk daarvoor is reeds goeddeelsverricht.Het heeft niets met overdreven pessimisme te maken als wijzeggen, dat men aan het werk voor de standaardisatie in degeschetste vorm en omvang alleen dan beginnen kan, alsmen in de aanvang onvoldoende begrip heeft van de veleen velerlei weerstanden, die in de loop van de tijd om dehoek komen kijken. Als het bestuur van de Woningraad --wetende wat zijn organisatie op tal van andere terreinen inhet belang van haar leden zou kunnen ondememen --tevoren had ingezien hoeveel hindernissen op de weg naareen algemene standaardisatie overwonnen moeten worden,zou het zich weUicht nooit op die weg hebben gewaagd. Eris over het algemeen -- misschien ook door het tot dusverbewust achterwege gelaten propagandistische element -- be-trekkelijk geringe daadwerkelijke belangstelling van de zijdevan onze bouwende leden. Bij het zich in de hoogconjunctuurzonnende bedrijfsleven bestaat over het algemeen weinig be-hoefte aan vrij principiele wijzigingen in het productiepro-gramma (hoezeer dit in feite ook strijdig is met de juist nuaan de orde zijnde belangen). Bij de architecten is van eeningewikkelde stellingname sprake. Voorzover dat in de prac-tijk kan worden nagegaan, zijn er verscheidene architecten,die in hun werk van de gepubliceerde standaarddetails ge-heel of gedeeltelijk toepassen. Er zijn er ook, die er nog geenkennis van hebben genomen. Soms ontmoet men de mening,dat de detaillering van de bouwplannen op het eigen bureaubeter geschiedt dan met toepassing van standaardgegevensmogelijk is. Natuurlijk is dat denkbaar, al zal de mening tedier zake altijd wel zeer subjectief zijn. In het bijzonder vande zijde van vooraanstaande, aan de openbare meningsvor-ming deelnemende, architecten hoort men vaak overtuigendepleidooien voor rationahsatie en industrialisatie van de wo-ningbouw. In hun gedachtengang daarover past dan ook welde mening, dat aan die gepropageerde ontwikkeling een be-paalde mate van standaardisatie vooraf moet gaan of erdeel van moet uitmaken. Opmerkelijk is echter, dat juist intal van grote opdrachten voor woningbouw de mogelijkhe-den tot toepassing van een algemene standaardisatie overhet hoofd worden gezien. Of de verantwoordelijke deelne-mers aan die grote opdrachten zijn van oordeel dat binnenhet raam van die opdrachten voldoende standaardisatie-mogelijkheid bestaat (een schoolvoorbeeld van zelfgenoeg-zaamheid in het bouwen derhalve), of de architecten menen,dat er zeker gestandaardiseerd moet worden, mits dat dangebeurt op basis van hun eigen details. De overwegingen,die bij de gemeentelijke technische diensten leven, liggenvaak in het verlengde van de hier geschetste meningen. Erzijn er die met overtuiging de toepassing van de standaard-gegevens propageren; die zelfs op de uitvoering van publi-catie-programma invloed uitoefenen op grond van hun prac-tijk-behoefte (Rotterdam!); er zijn er ook, die de bundelsstandaarddetails op hun bureaux hebben klaargelegd om ert.z.t., als het wat rustiger is, eens naar te kijken!Het klimaat en de mentaliteit in de Nederlandse bouwwereldzijn niet van zodanige aard, dat de standaardisatie-in-feiteer dadelijk of na korte tijd kan worden bereikt. Intussenkan de Woningraad de pretentie hebben, dat hij, naast al die-genen, die erover hebben gepraat en geschrevcn, een beginheeft gemaakt met het leveren van verantwoorde gegevensvoor de standaardisatie. Dank zij ook de recente toekenningvan een tweede bijdrage uit het Productiviteitsfonds zal erover enige tijd een vrij volledig fonds voor zulke gegevensvoor een reeks van woningonderdelen ter tafel liggen voorwie ze maar gebruiken wil. Dat is in de geschiedenis van deNederlandse woningbouw nog niet vertoond. Dat mag opzichzelf de beloning van het bestuur van de Woningraadzijn. dat, eenmaal de eerste stap op de weg gezet hebbende,doelbewust probeert die weg naar een algemene standaardi-satie af te leggen.Het technisch bureauHet is niet verwonderhjk, dat al spoedig na het verschijnenvan de eerste standaard-publicaties bij de Woningraad devraag ginq leven: ,,Wat gebeurt er met die gegevens nu inde practijk?" De bundels zijn naar links en rechts tegenuiterst lage prijs verkocht. Worden zij nu ook gebruikt en 20ja, in welke mate? En om zelf een bijdrage tot de toepassingte leveren en om die toepassing aan de practijk van het bou-wen te kunnen toetsen heeft de Woningraad vervolgens eenbescheiden technisch bureau ingericht, dat aan een kleinaantal concrete bouwplannen zou kunnen medewerken. Ookhier geldt, dat van het een het ander komt. Bouwverenigin-gen en gemeenten hebben ons gevraagd samen met de archi-tect deel te nemen aan de voorbereiding van de bouwplan-nen. Naar het vermogen van het bureau hebben wij aan dieverzoeken gehoor gegeven. Wij hebben de inschakeling vanhet bureau willens en wetens niet gepropageerd. Wij kunnener immers niet aan denken een groot deel van de opdrachtenvan onze leden mede te verzorgen. Daarvoor zou men eenwel heel groot bureau tot stand moeten brengen! Over deactiviteiten van ons bureau bi) de voorbereiding van debouwplannen, bij de aanbesteding, bij de gevechten rondomcurveprijzen en gunning, geven onze jaarverslagen uitvoe-rige inlichtingen. Allengs mogen wij zeggen, dat zich op hetbureau van de Woningraad een specialisatie in bepaaldeonderdelen van de behandeling van woningwetprojectenheeft ontwikkeld, die aanwijsbaar aan het resultaat ten goedekomt. In een aantal gevallen zijn complexen tot stand ge-bracht, die duidelijk uitkomen boven het gemiddelde peilvan de woningwetbouw in ons land. Wij haasten ons omhieraan de opmerking toe te voegen, dat zulke resultatenalleen dan bereikbaar zijn als er bij alle partijen de wil aan-wezig is om werkelijk gemeenschappelijke arbeid te verrich-ten. Het is bijzonder verheugend te mogen vaststellen, datin bijna alle gevallen, waarin ons bureau betrokken is bij devoorbereiding en de besteding van projecten, en de archi-tecten en de geraeentelijke diensten en de opdrachtgeverseigener beweging verklaren, dat de vorm van samenwerking,waarin een zekere specialisatie tot uiting komt, zeer waar-devol blijkt te zijn. De specialisatie, waarbij wij bv. denkenaan het verkrijgen van een objectief oordeel over de aan-vaardbare bouwsom voor een bepaald project; aan indelingen inrichting van de woningen; aan de ,.economic" van be-paalde oplossingen, mede in verband met de op de woning-bouw van toepassing zijnde regelingen, leidt op haar beurtweer tot bemoeiingen van ons bureau, die niet direct gevolgzijn van een vooraf overeengekomen samenwerking bij devoorbereiding der plannen. In steeds toenemende mateworden wij geroepen tot het verlenen van hulp en bemid-deling bij aanbestedingsmoeilijkheden. Wij mogen ons ge-lukkig prijzen, dat wij in het merendeel dier gevallen resul-taten mogen boeken. Natuurlijk wint verder het algemeneadviserende werk ten behoeve van onze leden aan waarde,waar wij voor de uitvoering van dat werk een beroep kun-nen doen op het eigen technisch bureau, dat in de vrij langegeschiedenis van de Woningraad altijd een onbereikbaarideaal moest blijven.Van twee kanten moet men er als het ware aan wennen, dathet een volkomen vanzelfsprekende zaak is, dat een centraleorganisatie ten behoeve van haar leden beschikt over eengoed geoutillecrd apparaat voor dienstverlening op zo breedmogelijk vlak. In de eerste plaats van de zijde dier centraleorganisatie, die er eigenlijk geen vrede mee mag hebben, datbelangrijke, ja zelfs essentiele delen van de werkzaamhedender leden zich geheel los van haar voorlichting en mede-werking voltrekken. In de tweede plaats van de kant vande leden, die er geen onzekerheid over mogen hebben, datzij bij hun centrale organisatie terecht kunnen voor adviezen,informatics, bemiddeling en feitelijke bijstand. In het raamdezer verhouding past het de Woningraad te beschikkenover een technische dienst, die zijn arbeid verricht ten be-hoeve van de leden, die nu en in de toekomst nog volopbetrokken zullen zijn bij de bouw van vele tienduizendenwoningen. De omstandigheden, waaronder zich de woning-bouw thans voltrekt, veroorzaken onvermijdelijk een vrijgrote afhankelijkheid van de bouwverenigingen. Vrijwel geenenkele zaak kan worden afgedaan en beslist, zonder dat erhet fiat van de overheid voor nodig is. Die afhankelijkheidleidt weer tot het verschijnsel, dat de overheid het doelma-tiger vindt de beslissingen en de initiatieven dan maar zelfte nemen om er achteraf -- zo nodig -- de instemming vande bouwvereniqingen voor te verwerven. De gemeenten ophaar beurt hebben weer in tal van opzichten te maken metvoorschriften en toezicht van rijkswege. die de vrijheid vanhandelen beperken. De activiteiten van het technische bu-reau zijn er voor een niet onbelangrijk deel op gericht deafhankelijkheid der bouwverenigingen te verminderen. Uitde nog korte ervaring kunnen tal van voorbeelden wordengeput, die er op wijzen, dat de besturen der bouwverenigin-gen met de steun van het technische bureau, in de rug nietalleen in staat zijn om verantwoorde beslissingen te nemenof initiatieven te ontwikkelen, maar ook, dat die besturenhun plezier in het werk hunner organisaties hervinden. Hetis verder opmerkelijk en verheugend, dat verscheidene ge-meentelijke instellingen prijs stellen op de medewerking vanons technisch bureau, dat door de ,,spreiding" van zijn werk-zaamheden vaak in staat is tot een interpretatie van rijks-regelingen en -voorschriften, die men alleenstaande niet zogemakkelijk vindt. Het mag, zo dunkt ons, zonder over-drijving worden gezegd, dat er voor de leden van de Wo-ningraad grote belangen mee gemoeid zijn, dat hun centraleorganisatie in staat is en blijft technische bijstand te verle-nen en uit te breiden.Er is nu in de practijk een vrij afgerond beeld ontstaan vantaak en doelstelling van het technisch bureau: Verdere ont-wikkeling van de algemene standaardisatie. Ondersteuningvan die ontwikkeling door toepassing van de standaardisatiein een beperkt aantal concrete plannen, waartoe de ledenopdracht verstrekken aan architecten en technisch bureausamen. Bevordering van nieuwe werkwijzen bij de voorberei-ding van de woningbouw door het deelnemen aan werk-zaamheden in teamverband en door het uitwerken van bouw-programma's voor langere termijn. Algemene adviserendedienstverlening op technisch terrein.Het bestuur van de Woningraad meent aan de algemeneledenvergadering zijn gedachten over de activiteiten van hettechnische bureau en zijn zorgen over de ontwikkeling vandat bureau te mogen voorleggen.Over de ontwikkeling is nu genoeg gezegd. Over de zorgentenslotte nog het volgende. De werkzaamheden voor destandaardisatie kosten de Woningraad -- ondanks de steunuit het Productiviteitsfonds -- vrij belangrijke bedragen. Dewerkzaamheden aan concrete bouwplannen moeten in be-ginsel zichzelf betalen, doordat een deel van het normalearchitectenhonorarium die kosten dient te dekken. De advi-serende taak wordt eensdeels uitgevoerd als een stuk nor-male bijstand voor de leden (waartoe de contributie de mid- 95delen verstrekt) en anderdeels als werkzaamheden, waar-voor een op basis van ,,kostprijs" te berekenen vergoedingkan worden gcvraagd. Nu het beeld op deze wijze kan wor-den geschetst; nu verder de activiteiten van het technischbureau allenqs een zodaniqe omvang hebben bereikt, datzijn ,,qeldomzet" groter is dan die van het secretariaatsbu-reau, verdient het aanbevelinq het technisch bureau ook inorganisatorisch en financieel opzicht een eigen basis tegeven. Het bestuur van de Woningraad stelt daartoe aande algemene ledenvergadering voor uit de algemene midde-len een bedrag van f. 50.000,'-- af te zonderen als bijdragein het ,,werkkapitaal" van het technisch bureau. Voorts kandoor middel van een speciale actie aan de ledcn een bijdrage-ineens worden gevraagd van in totaal eveneens circai. 50.000,^. Vervolgens zal het dan welHcht mogehjk zijnom voor de vervulhng van taken, die aan de woningbouwin het algemeen ten goede komen, een bepaalde tegemoet-koming van de zijde van het ministerie te verkrijgen. Voorhet beheer van het technisch bureau kan een afzonderlijkhchaam worden gecreeerd (een stichting b.v.), dat uiteraardnauw aan de Woningraad verbonden bhjft en dat als voor-beeld van die verbondenheid verantwoording schuldig blijftaan de algemene ledenvergadering van de Woningraad.Het bestuur hoopt en vertrouwt, dat op deze wijze de mo-gelijkheden, die de Woningraad zijn leden biedt. worden uit-gebreid op zodanige manier, dat enerzijds de leden de goedediensten kunnen ervaren en dat anderzijds de positie van deWoningraad wordt versterkt. In het verleden is meermalenqebleken, waartoe de ,,solidariteit" van de leden van deWoningraad in staat is. Het bestuur twijfelt er niet aan, datook nu de leden de plannen daadwerkelijk zullen willensteunen.Uit de op de gehouden inleiding volgende discussie bleekten duidelijkste, dat het vertrouwen van het bestuur gerecht-vaardigd was. Al degenen, die aan de gedachtenwisselingdeelnamen gaven niet alleen blijk van hun instemming metde plannen; zij verklaarden tevens, dat op de medewerkinghunner organisaties mocht worden gerekend.W. S.3e zitting van de algemene ledenvergadering vande Nationale Woningraad, gehouden te Utrecht opzaterdag 25 mei 1957De Voorziffer beqroet de Minister van Volkshuisvestinq enBouwnijverheid. De vergadering stelt het op bijzonder hogeprijs, dat de Minister tijd heeft willen en kunnen vinden omvanmorgen hier te zijn. Het verheugt spreker. dat de Minis-ter enige woorden tot de vergadering wenst te richten.De Minister spreekt er zijn spijt over uit, dat hij de vorigezittingen van deze vergadering niet heeft kunnen bijwonen.Daardoor weet hij immers niet wat bijvoorbeeld in de ooe-ningsrede is qezeqd, waarop hij anders wellicht op een enkelpunt zou hebben kunnen reageren. Intussen is er dan nu hetelement van verrassinq.Het vorige jaar, zegt de Minister, is voor de woningbouw totop zekere hooqte een teleurstellend jaar geweest. Er zijn intotaal ruim 68.000 woningen geproduceerd. Daartegenoverstaat een nog steeds stijgende woningbehoefte. Om binnenredelijke tijd de woningnood onder de knic te krijgen is hetnodiq. dat de productie ieder jaar de behoefte met tenminste20.000 woningen overtreft. In de eerste vier maanden van1 957 zijn er rond 9.000 woningen meer klaarqekomen dan indezelfde periode van 1956. Zet deze ontwikkeling zo door,dan kan zeker ruimschoots worden voldaan aan de eis omiaarlijks tenminste 20.000 woninqen op het tekort in te halen.Er zit dus wel perspectief in, aldus de Minister. Technisch ishet bepaald mogelijk dit jaar 75 000 woningen tot stand tebrengen.Het zijn thans echter niet in de eerste plaats de technischemoeilijkheden, die de omvang van de w^oningbouw^ bepalen.De financiering levert nu de grootste moeilijkheden op. Degedachte, dat wij het Nederlandse volk niet van de woninq-nood zouden kunnen verlossen. omdat er niet voldoende geldis, is moeilijk te aanvaarden. Niemand wil geloven, dat ervoor de woningbouw onvoldoende geld zou zijn, als er aan-wijsbaar heel veel wordt besteed aan minder noodzakelijkedingen. Terwille van de woningbouw zal er bezuinigd dienente worden; er moeten offers voor worden gebracht. Offersdoen pijn, doch in vrijwillige besparingen ligt het accentanders. Het is het niet alleen waard, neen het is een dwin-gende noodzaak, dat een oplossing voor dit brandende vraag-stuk wordt gezocht. De Minister hoopt dat de Regeringin de bovengenoemde richting een gezonde oplossing zal we-_ . ten te vinden. (Waar thans de inhoud van de Troonrede bij"^ het verschijnen van dit nummer bekend is, zullen onze lezersweten in welke richting en op welke wijze de financiering vande woningbouw door de Regering wordt gedacht ^ Red.)De Minister is van mening, dat op de woningbouwcorporatieseveneens een beroep zal moeten worden gedaan en dat demate daarvan uiteindelijk een grotere woningproduktie zalkunnen opbrengen. Ook Ziine Excellentie noemt de woning-nood de crqste volksvijand -- alle moqelijke offers zullendus door alien, ter vermindering van die nood, dienen teworden gebracht. Met begrip van ons gehele volk zal hetlukken de woningnood op zo efficient mogelijke wijze op telossen.Het is een voorrecht, aldus de Minister, om temidden vansociale woningbouwers te zijn en enkele woorden over deperspektieven in de woningbouw te mogen zeqgcn. Perspek-tieven doen zich voor, wanneer wij door inzicht te verkrijgenen offers te brengen, tot realisering van onze plannen voorwoningbouw kunnen komen en zodoende tot opheffing vande ^"oningnood kunnen geraken.De Voorzitter zegt dat de vergadering met grote belangstel-linq naar de Minister geluisterd heeft en hij wiist er op, datnaast de vele problemen, waarmede Zijne Excellentie teworstelen heeft, de woningnood wel zeker een van de meesternstige is.ledereen kent het grote leed en het morele gevaar, die dekracht en weerstand van ons volk ondermijnen, zolang deverschrikking der woningnood blijft bestaan. Men behoedezich er echter voor, alles van de pessimistische kant te be-kijken. Een reeel optimisme is gewenst, om met durf en en-thousiasme het werk, waartoe onze voorgangers en wij onshebben gezet, te voltooien. De vergadering weet dat er finan-ciele maatregelen moeten worden getroffen om de moqelijk-heid te scheppen, dat niet met dure en schaarse middelen devolkshuisvesting behoeft te worden bekostigd.Wij hopen, zegt spreker, dat Uwe Excellentie er in zult kun-nen slagen met medewerking van financierders de produkti-viteit van de woningbouw op te voeren. U kunt zich verze-kerd weten. dat wij met steunende belangstellinq volqen watU en Uw Departement hiertoe weten te bereiken. In dezevergadering van pioniers en werkers voor de volkshuisvesting zullen de gedachten, die Uwe Excellentie naar vorenheeft gebracht, zeker weerklank vinden en U kunt van onzekant ook zonder twijfel op onze medewerking rekenen.De Voorzitter besluit zijn dankwoord met de Minister veelsterkte toe te wensen, teneinde de moeilijke problemen opte kunnen lossen, Hij hoopt dat Zijne Excellentie de krachtzal weten te behouden om met succes deze grote belangenvan het gehele Nederlandse volk te behartigen. Red.regetingenm voorschrlftenInschrijving in handelsregisters van woningbouw-corporatiesZoals onze lezers bekend, is de bovengenoemde inschrijvingin de handelsregisters van de Kamers van Koophandel enFabrieken naar onze mening een aanvechtbaar punt.In het januari 1955-nummer van ons orgaan hebben wij oppagina 7 aan deze kwestie enige regels gewijd, waarbij echterten onrechte de indruk wordt gewekt, dat wij de desbe-treffende inschrijving aanvaardbaar achtten.In oktober vorige jaar ontvingen wij ter beoordeling enakkoordverklaring een ontwerp Algemene Maatregel vanBestuur van het Directoraat-Generaal voor de Middenstandvan het Ministerie van Economische Zaken en zonden ditnaar het lid van het Dagelijks Bestuur van onze Raad Mr.F. J. J. M. Boelens, die onze Raad in het overleg terzakeheeft vertegenwoordigd. Waar de strekking van het boven-genoemde ontwerp niet overeenkwam met het begrip, het-welk werd getoond naar aanleiding van de argumenten doorMr. Boelens en de vertegenwoordigers der beide andere fe-deraties van woningbouwcorporaties naar voren gebracht, isdaaromtrent per brief gereageerd waarop wij echter nogantwoord wachtende zijn.Inmiddels hebben echter in Amsterdam gevestigde leden vanonze Raad een inschrijvingsaanslag over 1957 ontvangen, dieeen aanzienlijk hoger bedrag aanwecs dan de aanslagen voorvoorgaande jaren.Wij hebben de Kamer van Koophandel en Fabrieken alhierverzocht namens de bij ons aangesloten woningbouwcorpo-raties daaromtrent te worden ingelicht en ontvingen ant-woord, waarvan wij onderstaand de inhoud in enkele zinnenweergeven.Behoudens mogelijke incidentele wijzigingen, op grond vaneigen aangiftc, heeft geen hogere rangschikking van woning-bouwcorporaties in mecr algemene zin, plaatsgevonden ten-gevolge waarvan dezen een hogere jaarlijkse bijdrage over1957 zouden zijn opgelegd.De aandacht wordt door het bovengenoemde Handelsregis-ter er op gevestigd, dat ingeval van hogere rangschikking --waartoe de Handelsregisterwet de Kamer van Koophandelen Fabrieken de bevoegdheid verleent -- zulks niet kan ge-schieden zonder (aangetekende) kennisgeving aan de be-trokkene. Deze kan tegen die rangschikking bij de Ministervan Economische Zaken in beroep komen.Wij zullen ons inzake deze kwestie nogmaals met het boven-genoemde Directoraat-Generaal in verbinding stellen en hopeneen voor onze leden en voor woningbouwcorporaties in hetalgemeen, bevredigende oplossing te krijgen. Hn.De Woningbouwvereniging van Erfgooiers te Laren(N.H.) bestaat veertig jaarReeds dertig jaar is deze jubilerende vereniging hd vanonze Raad en in die tijd hebben wij het wel en wee van haarop de voet kunnen volgen.Het is niet eenvoudig geweest om aan het einde van de eersteoorlog begrip te krijgen voor de idealen, die Harmen Vos,Goossen de Wit en Cornelis Zwanikken bezielden om deqezapige sleur van slecht woongerief te doorbreken.Als wij aan Laren denken is het nog het kunstenaarscen-trum, dat bij ons het eerste naar voren komt. Zo was hetveertig jaren geleden helemaal. Laren was toen ^ tot zelfsin het buitenland ^ in de kunstschilderswereld bekend; nietalleen om zijn natuurschoon in de omgeving, doch evenzeerom zijn verspreide bouwvallige huisjes en krotten, die opvele schilderwerken vereeuwigd zijn. Er zat sfeer in en diesfeer verdoezelde de erbarmelijke woontoestanden, die drin-gend om verbetering riepen.Met behulp van enige bestuursleden van een woningbouw-vereniging in Hilversum kwam in 1917 de Woningbouwver-eniging van Erfgooiers tot stand, doch het zou pas vier jarenlater zijn, dat de doelstellingen werden bekroond door hetin gebruik nemen van het eerste complex van 42 woningcn.Woningen, die naar de afbeelding laat zien, ook nu nog graagdoor vele woningzoekenden zouden worden aanvaard. Alsmen leest, dat de huren toenmaals f 4.-- per week deden enthans f 8,-- per week bedragen, dan kan men zich zeer welindenken dat de bewoners van vroeger en nu met plezierzulke woningen in gebruik hebben genomen.Hoe vooruitstrevend het toenmalige bestuur was, toont welhet feit dat een der woningen, in 1921 dus reeds, tot model-woning werd ingericht. Het zal ook wel een dwingendenoodzaak zijn geweest de plaatselijke bevolking te tonen ente leren hoe het zijn kan en hoe het wel moet met de volks-huisvesting.De vereniging heeft echter totnutoe geen wegen en middelenkunnen vinden om het interieur van deze woningen te ver-beteren.In 1923 werden nog een 12-tal woningen gebouwd, dochdaarna zou het tot 1948 duren alvorens een nieuw complexvan 54 woningen voor bewoning beschikbaar kwam. Ookin 1956 werden 32 woningen aan het bezit der verenigingtoegevoegd, welke wel duidelijk verschillen met de eerstewoningen, 35 jaren voordien tot stand gekomen. Van hetsfeervolle, het landelijk-eigene tonen de laatst gereedgeko-men woningen niet veel meer. Maar dat is de evolutie, diewij op woongebied doormaken en die het woongenot voorde modernere mens geenszins behoeft te beinvloeden!Het is duidelijk, dat ook de Woningbouwvereniging vanErfgooiers moeilijkheden heeft gekend -- dat geldt wel haastvoor elke woningbouwcorporatie, zoals dat ook geldt vooriedere instelling en voor bijna elkeen.Een bekend gezegde leert ons, dat in de herinnering de pret-tige ervaringen als in marmer, de onaangename als in loodgegraveerd lijken. Naast onze gelukwensen met dit jubileumspreken wij de hoop uit, dat de Woningbouwvereniging vanErfgooiers nog veel in marmer te graveren zal hebben!Hn. 97?w*^Woningbouwvereniging van Erfgooiers.98fi1956 -- 32 woningen. Laren (N.H.) Woningbouwvereniging Viin Erfgooiers.Ot U^ENSDUUR yf^f^ otDe moderne laboratoriabeschikken over de mid-delen om slijtage nauwkeurigte meten, aan de hand waar-van de levensduur van eenbepaald produkt met grotenauwkeurigheid kan v^ordenvastgesteld.Nevenstaande grafiek vanhet T.N.O. te Delft toonthet resultaat van een slijtageonderzoek van 1200 uur vande Lavet-wasmachine, datvolgens de berekening vanhet T.N.O. overeenkomtmet een praktij kgebruikvan 20 jaar.Het is daarbij opmerkelijkdat de slijtagesnelheid steedsafneemt. terwiji de totaleslijtage slechts 2,7 grambedraagt.Op het totaalgewicht van7000 gram is dit minderdan 0,04 ?/,,.Een percentage dus dat teverwaarlozen is en dat ga-randeert dat ook na deze20 jaar de wasmachine nogvolkomen gebruikwaardig is.HETOp veiligheid is de Lavet wasmachinegoedgekeurd door de KEMA teArnhem...De gebruikswaarde is getoetst doorde Ned. Ver. van Huisvrouwen . . .De slijtage is onlangs onderzocht doorT.N.O. Delft.Ned. Octrooien nrs. 80956-80993.grimi^^-- "25 ^_^ -^--' - 1otaj 1 g< WIC itn)_^ ""2\^ ^^^gewicht ijzerslijpset. [/15^/ \ //\ //0,5/\^ ?/ ^ o G ilijp~~i --- ^ ^" ? *^ -^ --j--imilftgram/I /uu20Oevormdslijpsel p?ruuR15500 600 700Looplijdeoo 900 looo iioo 1200 OuurSHJtage.onderzoek van d? transmissiekast van een OcDet-wasmachlne.De kast was gevuld met extreme pressure die SAE 90 ; het gevormde ijzer-slijpsel werd opgevangen met een magnetische aftapptug. De v/asmachine werkteintermitterend en werd steeds na 8min bedrijf 4min. ultgeschakcld De beproevingstljd (ISOOuur)was dus 50 % langer dan de looptlJd.De wasmachine was gevuld met 2kg wasgoed( droog gewjcht) en circa 40 liter waterEEN PRODUKT VAN OtAiet"CRUTFABR^t* HjrBAARA, r?iEF00N ^'^^^'n,^ ,, ,,,,,E,,99%fee;De in juni 1957 gereed gekomen woningen zijn als volgt overde provincies en de drie grote steden verdeeld:Ministerie van Volkshuisvesting en BouwnijverheidPersbericht no. 50/57 30 juli 1957.Hogere vergoedingen na verbouwing, splitsing vanpanden en vernieuwing van verwarmings- en lift-installatiesDe vergoedingen, welke aan huurders van woningen en be-drijfspanden in rekening mogen worden gebracht na de tot-standkoming van verbouwingen en splitsingen en na ver-nieuwing van een centrale verwarmings- of liftinstallatie,worden op 1 augustus a.s. iets verhoogd.Voor verbouwingen en splitsingen gold tot nu toe, dat bovende huurprijs een vergoeding mocht worden gevraagd van devoor rekening van de verhuurder komende verbouwings- ofsplitsingskosten. Deze vergoeding, welke gedurende dertienjaren mag worden gevraagd, was 10% van 3/g deel derredelijke kosten.Voor na 1 augustus 1957 gereed komende verbouwingen ensplitsingen is deze vergoeding gesteld op 10% van % deelder voor rekening van de verhuurder komende verbouwings-of splitsingskosten.Voor vernieuwing van een centrale verwarmings- of liftin-stallatie kan de verhuurder totnutoe van de huurder eenvergoeding vragen van 7,5% over ^/r, deel van de door hemgemaakte koste
Reacties