Autochtone en allochtone bewoners van zwarte buurten geven vaker aan de wens te hebben om te verhuizen dan bewoners van witte buurten. Voor autochtonen geldt dat naast kenmerken van het huishouden, de woning en de buurt, ook het gebrek aan ervaren sociale cohesie de positieve samenhang tussen het percentage allochtonen in de buurt en verhuiswensen voor een deel kan verklaren. Voor allochtonen blijkt dat het verband tussen het aandeel allochtonen en de wens om te verhuizen wegvalt als we rekening houden met kenmerken van het huishouden en de woning.
TIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 3 JunI 2013onDeRzoekSDoSSIeR46autochtone en allochtone bewoners van zwarte buurten geven vaker aan de wens te hebben om teverhuizen dan bewoners van witte buurten. voor autochtonen geldt dat naast kenmerken van hethuishouden, de woning en de buurt, ook het gebrek aan ervaren sociale cohesie de positievesamenhang tussen het percentage allochtonen in de buurt en verhuiswensen voor een deel kanverklaren. voor allochtonen blijkt dat het verband tussen het aandeel allochtonen en de wens om teverhuizen wegvalt als we rekening houden met kenmerken van het huishouden en de woning.waarom willen wegemengde wijk?47TIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 3 JunI 2013onDeRzoekSDoSSIeRAlleenvoorautochtonendeetnischesamenstellingvandebuurteeninvloedheeftopdewensomteverhuizen(Foto Mariette Carstens / Hollandse Hoogte)weg uit een48TIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 3 JunI 2013onDeRzoekSDoSSIeRDooR eSTHeR HAvekeS, departement sociologie/ics, universiteitutrechtTot voor kort kreeg de problematiek van segregatie en ruimte-lijke concentratie uitgebreide beleidsaandacht. Vooral deetnische segregatie van allochtone en autochtone bewonersin `zwarte' en `witte' wijken wordt problematisch bevonden.In een brief waarschuwt de minister van Wonen Wijken enIntegratie voor het ontstaan van "parallelle gemeenschapen" (VROM/WWI 2009, p.2); etnische segregatie zou onder andere de contactmoge-lijkheden tussen allochtonen en autochtonen beperken en de integratievan allochtonen verhinderen.Wetenschappelijk onderzoek richt zich op de factoren die bijdragen aanhet ontstaan van etnische segregatie. Er staan hierbij drie verklaringencentraal. Etnische segregatie zou allereerst ontstaan door sociaal-econo-mische verschillen tussen huishoudens van allochtonen en autochtoneafkomst. Uit onderzoek blijkt echter dat de etnische segregatie inNederland groter is dan we op basis van individuele inkomensverschil-len tussen allochtonen en autochtonen zouden mogen verwachten(Zorlu en Latten, 2010). Een tweede verklaring richt zich op etnische dis-criminatie op de huizenmarkt. Hoewel lastig te onderzoeken, is er enigbewijs dat allochtonen nog altijd niet op een gelijke manier behandeldworden wanneer zij op zoek zijn naar een woning (Aalbers, 2002).Meer recent is er aandacht voor de preferenties van bewoners. Etnischesegregatie zou ontstaan, omdat bewoners simpelweg een voorkeur heb-ben om in een buurt te wonen met voldoende anderen van dezelfde etni-sche groep. Buurtvoorkeuren worden vaak indirect afgeleid uit debuurttevredenheid en de verhuiswensen van bewoners. De stelling datmensen graag bij hun eigen etnische groep wonen, wordt empirischondersteund door de literatuur naar verhuiswensen: autochtonen die ineen zwarte wijk wonen, hebben vaker een verhuiswens (Van Ham enFeijten, 2008).De vraag blijft echter waarom autochtonen liever niet in een zwarte wijkwillen wonen. In deze bijdrage wil ik meer inzicht geven in de motievenvan bewoners wanneer zij aangeven weg te willen uit een etnischgemende buurt. Vorig onderzoek richtte zich bij de verklaring vaak opde slechte sociaal-economische omstandigheden in zwarte buurten,maar ook wanneer rekening wordt gehouden met de structurele ken-merken van buurten (zoals het gemiddelde inkomen van bewoners) laatonderzoek een positieve relatie zien tussen het aandeel allochtonen ineen buurt en de verhuiswensen van autochtonen (Van Ham en Feijten,2008). Naast de sociaal-economische omstandigheden houd ik daaromin dit onderzoek ook rekening met de kwaliteit van de sociale relatiestussen bewoners. Meer specifiek heb ik onderzocht in hoeverre (het ont-breken van) ervaren sociale cohesie en negatieve opvattingen overallochtonen een aanvullende verklaring kunnen bieden voor de verhuis-wensen van autochtone buurtbewoners. Om te begrijpen hoe voorkeu-ren van bewoners een invloed zouden kunnen hebben op het ontstaanvan etnische segregatie is het echter ook van belang het perspectief vanallochtone bewoners mee te nemen. In dit onderzoek vergelijk ik daar-om de verhuiswensen (evenals de motieven daarachter) van autochtonebewoners met die van de twee grootste niet-westerse migrantengroepenin Nederland, namelijk Turken en Marokkanen.oPzeT vAn HeT onDeRzoekVoor dit onderzoek maak ik gebruik van de Netherlands LongitudinalLifecourse Study (NELLS 2009). Dit is een grootschalig enqu?teonderzoekonder de Nederlandse bevolking tussen de 15 en 45 jaar met een overver-tegenwoordiging van Turkse en Marokkaanse respondenten1. Hetonderzoek is uitgevoerd in 2009 in 35 gemeenten in Nederland. NaastAmsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, zijn er 31 gemeentengeselecteerd uit verschillende regio's (West, Noord/Oost en Zuid) en meteen verschillende mate van urbanisatie. Voor het doel van deze studieheb ik 2.098 autochtone en 1.684 Turkse en Marokkaanse respondentenvan 18 jaar en ouder geselecteerd. Zij wonen in 630 verschillende buur-ten in Nederland, vari?rend van geheel witte buurten tot zwarte buur-ten. De geografische afbakening van de verschillende buurten is geba-seerd op de wijk-buurt classificatie zoals die gehanteerd wordt bij hetCentraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Binnen een gemeente maakthet CBS onderscheid tussen wijken en buurten. Buurten worden inge-deeld op basis van bouwstijl en tijdsperiode en zijn sociaal-economischhomogene gebieden met gemiddeld 1.400 inwoners (zie ook: Gijsbertse.a., 2010).Aan alle respondenten is gevraagd of ze over twee jaar in een anderebuurt zouden willen wonen (in dezelfde plaats). Zij konden aangeven ofze dat "graag zouden willen", "misschien zouden willen", "niet zoudenwillen" of "helemaal niet zouden willen". Ik ga ervan uit dat iemand eenverhuiswens heeft wanneer hij of zij aangeeft over twee jaar graag ofmisschien te willen wonen in een andere buurt.Belangrijk om hier te vermelden is dat ik verhuiswensen onderzoek enniet het werkelijke verhuisgedrag van bewoners. Echter, niet iedereenheeft de mogelijkheid om zijn of haar verhuiswens te realiseren. DeGroot en collega's (2011) laten zien dat in Nederland van alle mensen meteen verhuiswens, ongeveer ??n derde ook daadwerkelijk verhuist in eenperiode van twee jaar. Toch heeft het bestuderen van verhuiswensen eenvoordeel in het licht van mijn onderzoeksvraag. Ook de bewoners diegraag weg zouden willen uit een etnisch gemengde wijk maar dit nietlukt vanwege bijvoorbeeld financi?le redenen, worden op deze wijzemeegenomen in het onderzoek (Van Ham en Feijten, 2008). Op dezemanier kun je verhuiswensen zien als de preferentie voor en/of tevre-denheid met een bepaalde buurtsamenstelling (zonder dat bewonershun beperkingen in overweging nemen) en kunnen we de motieven ach-ter deze voorkeuren achterhalen. Daarnaast is er ook een praktischeoverweging. Registratiebestanden waarin de wooncarri?res van perso-nen kunnen worden gevolgd, bevatten vaak geen informatie over attitu-den en opvattingen van bewoners (zoals ten aanzien van andere etnischegroepen en ervaren sociale cohesie), waardoor de motieven van bewo-ners vaak onderbelicht blijven.De Rol vAn De buuRT In De keuze om Te veRHuIzenAlles samengenomen geeft 38 procent van de autochtone en 47 procentvan de allochtone respondenten in mijn onderzoek aan over twee jaar ineen andere buurt te willen wonen (zie de rode lijn in figuur 1 en 2). Dealgemene gedachte in de literatuur is dat mensen willen verhuizen wan-neer de huidige woonsituatie niet meer voldoet aan de wensen en eisenvan dat moment (De Groot e.a., 2011). Voorgaand onderzoek laat zien datvooral veranderingen in de gezinssituatie (zoals het krijgen van een kindof een echtscheiding) vaak aanleiding geven om te verhuizen, omdat opdie momenten de huidige woonsituatie niet meer overeenkomt met denieuwe wensen en behoeften. Daarnaast spelen ook de kenmerken vande woning (zoals de grootte en het type woning) een belangrijke rol bijhet verklaren van verhuiswensen.Als een reactie op het onderzoek dat zich met name richtte op verande-ringen in de levensloop en kenmerken van de woning, is er een tweedeonderzoekslijn die zich concentreert op de invloed van de buurt op debeslissing om te verhuizen (zie bijvoorbeeld Lee e.a., 1994). Binnen dezebenadering fungeren kenmerken van de buurt als belangrijke `pull' en`push' factoren. Wanneer mensen verhuizen zullen zij zich beperken totdie buurten waarvan zij denken dat ze een positieve bijdrage zullen leve-49TIJDSCHRIFT VOOR DE volkSHuISveSTIng nummER 3 JunI 2013onDeRzoekSDoSSIeRren aan hun woonsituatie. Daarnaast hebben veranderingen in delevensloop niet alleen invloed op de tevredenheid met de huidigewoning, ook de kenmerken van de buurt kunnen niet meer voldoen aande nieuwe wensen. De Engelse onderzoekers Kearns en Parkes (2003)laten in hun studie naar verhuismotivaties zien dat de buurt inderdaadkan fungeren als een push factor. Na een betere woning, komt de wensom te wonen in een betere omgeving op de tweede plaats.Ook mijn onderzoek laat zien dat de buurt een rol speelt bij de verhuis-wensen van zowel autochtone als allochtone bewoners. Statistische(multiniveau) modellen geven aan dat verhuiswensen van bewoners ver-schillen tussen verschillende buurten. De rol van de buurt is echter veelminder belangrijk dan de rol van individuele kenmerken van bewoners(zie ook Pinkster, 2011). Een zogenaamde decompositie-analyse laat ziendat 88 procent van de verschillen in verhuiswensen tussen autochtonebewoners kan worden toegeschreven aan kenmerken van het individuof het huishouden, de overige 12 procent van de verschillen is te verkla-ren door de kenmerken van de buurt waarin iemand woont. Voor alloch-tonen is de buurt een minder belangrijke factor in het verklaren van ver-huiswensen dan voor autochtonen: slechts 4 procent van de variantie inverhuiswensen is toe te schrijven aan de buurt. Belangrijke individuelekenmerken die samenhangen met de wens om te verhuizen voor zowelautochtonen als allochtonen zijn: kenmerken van het huishouden (jon-geren en respondenten met een kinderwens hebben vaker een verhuis-wens, terwijl gezinnen met kinderen gemiddeld minder vaak willen ver-huizen) en kenmerken van de woning (bewoners van een flat en eenhuurwoning willen vaker verhuizen).De RelATIe TuSSen De eTnISCHe SAmenSTellIng vAn De buuRT enveRHuISwenSenHoewel individuele kenmerken van bewoners belangrijker zijn, bestaater een duidelijke relatie tussen het aandeel allochtonen in een buurt enverhuiswensen van autochtonen. Figuur 1 laat zien dat ruim 30 procentvan de autochtonen in buurten met minder dan 5 procent allochtoneneen verhuiswens heeft, terwijl in buurten met meer dan 40 procentallochtonen, ruim 60 procent van de autochtone bewoners aangeeft tewillen verhuizen. Meer uitgebreide statistische (logistische multini-veau) analyses bevestigen dit beeld en laten zien dat de kans om te wil-len verhuizen (ten opzichte van de kans om niet te willen verhuizen)groter is in wijken met meer allochtonen dan in wijken met minderallochtonen. Deze bevinding blijft bestaan als we rekening houden methet feit dat verschillen in verhuiswensen veroorzaakt kunnen wordendoordat bewoners van witte en zwarte buurten nu eenmaal verschillenin demografische en huishoudenskenmerken (zoals geslacht, leeftijd,opleidingsniveau, gezinssamenstelling, arbeidspositie en gemiddeldewoonduur) en woningkenmerken (zoals het type woning, bijvoorbeeldeen flat, en of het een huur- of koopwoning is).Figuur 2 laat zien dat er ook voor allochtonen een relatie bestaat tussende etnische buurtsamenstelling en verhuiswensen, hoewel minder con-sistent. Statistische analyses bevestigen dat er een positieve relatiebestaat voor allochtonen tussen het aandeel allochtonen in de buurt ende wens om te verhuizen, maar laten ook zien dat dit verband signifi-cant minder sterk is dan voor autochtonen2. Daarnaast blijkt dat wan-neer we rekening houden met verschillen in de demografische enwoningkenmerken van allochtone respondenten tussen verschillendebuurten, het verband wegvalt. Mijn analyses laten zien dat de verhoogdekans op het hebben van een verhuiswens in buurten met een relatiefhoog aandeel allochtonen kan worden toegeschreven aan het feit datallochtone bewoners van deze wijken vaker in een flat of (kwalitatiefmindere) huurwoning wonen. Additionele analyses laten geen bewijszien voor het idee dat juist allochtonen behorende tot de hogere sociaal-economische klassen weg willen uit buurten met veel andere allochto-nen (de zogenaamde braindrain). Hierbij moet worden opgemerkt dat ikverhuiswensen bekijk: dat hoger opgeleide allochtonen niet vaker willenverhuizen dan lager opgeleide allochtonen, wil niet zeggen dat ze nietvaker daadwerkelijk verhuizen uit etnische geconcentreerde buurten. Uitonderzoek weten we namelijk dat achterstandswijken kunnen fungerenals een "roltrap": naarmate het inkomen van huishoudens stijgt, zullenzij vaker dit soort wijken verlaten (Planbureau voor de Leefomgeving,2010).Figuur 1 Percentage autochtone bewoners met een verhuiswens naarpercentage allochtonen in de buurt (n=2.098).noot: De categorie >40 % bevat een relatief klein aantal respondenten (n=72). Het verderonderscheiden van buurten met hogere percentages allochtonen was daarom nietmogelijk.Bron: nELLS 2009.Figuur 2 Percentage allochtone bewoners met een verhuiswens naarpercentage allochtonen in de buurt (n=1.684).noot: Als gevolg van een te klein aantal allochtone respondenten in de categorie
Reacties