Nationale ruimtelijke ordening is geen onmogelijke opgave, betogen Paul Gerretsen en Annemiek Rijckenberg. Zij pleiten voor één stap terug: maak de vertroebeling door demissionair minister Mona Keijzer ongedaan. En twee stappen vooruit: maak werk van een stevige grondgedachte, kies de bijbehorende richting en tuig de machinekamer van de ruimtelijke ordening weer op.
Bij het aantreden van een nieuw kabinet ontstaat bij bestuurders en professionals in het ruimtelijk domein telkens opnieuw een sprankje hoop op betere tijden. Hugo de Jonge zorgde met de herintroductie van de volkshuisvesting en nationale ruimtelijke ordening ten tijde van het kabinet-Rutte IV voor duidelijkheid en nieuw elan. Hetzelfde kabinet maakte een punt van het principe bodem en water sturend. Daarna slaagde Mona Keizer (kabinet-Schoof) er binnen elf maanden in deze helderheid weer te vertroebelen en van de Nota Ruimte een encyclopedie te maken met alle mogelijke thema’s en voornemens; een nota zonder richting en regie, laat staan dat sprake is van een passend instrumentarium. Sterker nog: in de werkgroep STOER mocht Friso de Zeeuw gelijktijdig en zonder zich iets van deze visie aan te trekken, nog één keer zijn kunsten vertonen en zoveel mogelijk regels afschaffen. Het was zijn manier om goede woningkwaliteit en duurzaamheid in te dammen.
Maar de ruimtelijke ordening staat wel weer op de agenda. Dat is even wennen, ook voor oude rotten als Hans Leeflang en Flip ten Cate. In hun permanente zoektocht naar lichtpunten en nieuwe perspectieven schreven ze een bevlogen artikel voor Binnenlands Bestuur. Daarin wordt ‘de oude manier’ van ruimtelijke ordening als niet meer werkend terzijde geschoven, want iedere centimeter in ons land heeft toch al een bestemming. En alles en iedereen zit elkaar in de weg. Er moet naar hun mening een ongemeen complexe puzzel worden gelegd.
Het leggen van die puzzel klinkt als een schier onmogelijke opgave, maar wat maakt een puzzel nou zo moeilijk: te veel stukjes, overal dezelfde kleuren, onduidelijke randen of stukjes die opeens ontbreken. Maar ruimtelijke ordening is helemaal geen puzzel: het is een kaart vol gegevenheden en nieuwe mogelijkheden. De gewenste ruimtelijke ordening kan worden vastgelegd in afspraken, kaders en regels. Met ambities en eindbeelden en kansen tot ruil, fasering en aanpassing. Kom daar maar eens om bij een puzzel die maar op één manier kan worden gelegd. Hugo de Jonge introduceerde de metafoor van die moeilijke puzzel. De werkelijkheid is volgens ons een andere: in essentie gaat het om een visie op de toekomst van ons land. We kunnen met elkaar namelijk wel iets willen, wel keuzes maken en wel heldere kaders aangeven. En precies dat is wat de Nota Ruimte (nog) niet doet, dat wil zeggen: de kaders worden geschetst, maar er worden nog geen stevige keuzes gemaakt.
Sterker nog, bij de heropleving van de nationale ruimtelijke ordening is het belangrijkste sprankje hoop dat iedereen het volstrekt normaal en noodzakelijk vindt dat er lijnen worden uitgezet en regie wordt genomen. Dat moet het liefst een beetje centraal gebeuren, voor de inrichting van het land. En iedereen is ‘een beetje verbaasd’, om Hugo de Jonge nog maar eens te parafraseren, dat we daar niet echt iets voor geregeld hebben. Dat is inclusief al die mensen en partijen die een decennium geleden VVD-minister Stef Blok toejuichten bij het afschaffen van diezelfde ruimtelijke ordening (en het woonbeleid), want dat beleid was hopeloos ouderwets, onhaalbaar en beknotte te veel de vrije markt. Het (institutioneel) geheugen is kort. In recente verkiezingsdebatten werd de Nota Ruimte weer van links tot (behoorlijk) rechts als een ambtelijk hoogstandje omarmd. “Wat een geluk dat we ambtenaren hebben die hun werk blijven doen” verzuchtten velen, al dan niet gelijktijdig verantwoordelijk voor een forse taakstelling om bij de departementen of decentrale overheden te bezuinigen.
Het risico - in onze uitgewoonde neoliberale wereldorde, gekenmerkt door hyper-kapitalisme en demagogie - is dat deze nota uitstraalt, dat we echt niets hoeven te veranderen. Dat we het laten zoals onder het bewind van die luchthartige Mark Rutte, immers ‘we lossen in ons land alle problemen op’. Je zou het een modernistische overtuiging kunnen noemen; we hebben alle puzzelstukjes op een rij, de analyse is netjes gemaakt en de oplossingen dienen zich aan. We leggen de puzzel. Die pragmatische houding kunnen we planners moeilijk verwijten – want dat is waar onze beroepsgroep voor in het leven is geroepen: kijk in de toekomst en maak een plan waarin alles kan, mits we het maar goed in elkaar steken. En blijkbaar hebben we nog ambtenaren die daar wel even voor gaan zorgen.
Een nieuw energienet, een innovatieve oplossing voor stikstofdepositie, de bouw van innovatieve mobiliteitshubs, de aandacht gaat uit naar oplossingen voor opgaven die voor en groot deel niet meer as such onder controle te krijgen zijn. Niet het nieuwe energienet maar de daarbij noodzakelijke 30% reductie in energiegebruik zou de nadruk moeten krijgen. Niet de drijvende woningen, maar het inherent onvoorspelbare klimaat en de acceptatie van de bijbehorende risico’s hoort in het middelpunt te staan. Niet de woningbouw, maar de woning als verdienmodel; niet de stikstofwassers, maar ons onhoudbare dieet, enzovoort. De echte impact op onze manier van leven is heel duidelijk, maar blijft in de Nota Ruimte onuitgesproken. In onze delta is onze manier van leven inherent onhoudbaar. En dus zal niet alleen de inrichting van het land, maar ook onze manier van leven moeten veranderen. We hebben daarmee behoefte aan een ander verhaal.
In de encyclopedie die de nota is geworden ontbreekt logischerwijs een dergelijk leitmotiv – een encyclopedie is geen verhaal, geen vervoering die je meeneemt naar een andere toekomst, en dat is wat een visie wel zou moeten doen. Bij de bewerking van zijn boek “Verantwoordelijk voor de toekomst” schreef Peter Pelzer: “De ruimtelijke inrichting van ons land wordt met lange termijn crises geconfronteerd: klimaat, biodiversiteit, wonen en sociale ongelijkheid. We reageren daarop met korte termijn antwoorden, terwijl we juist precies het tegenovergestelde nodig hebben: een planologie van de lange termijn. De laatste jaren groeide, gelukkig, de aandacht voor onze ruimtelijke toekomst. Maar daarmee is de vraag hóé we de lange termijn belangrijker maken nog niet beantwoord.”.. “We moeten bij het langetermijndenken verder kijken dan alleen het ruimtelijk ontwerp; dat we weliswaar groots en meeslepend mogen spreken over de toekomst, maar daarbij losgezongen lijken te raken van beslissingen in het nu; dat we te veel over eindbeelden praten en te weinig over de weg daar naartoe. Deze zoektocht inspireert en geeft richting aan een planologie voor de lange termijn.”
Leeflang en Ten Cate putten vooral hoop uit een heropleving van initiatieven van onderop en regionale samenwerking, zoals het concept van de wijk Lanxmeer in Culemborg. Al 25 jaar is EVA-Lanxmeer uniek: lidmaatschap van de bewonersvereniging is een voorwaarde om in de wijk te kunnen wonen. Er komt eindelijk meer aandacht voor wooncoöperaties, maar het ontbreekt nog aan locaties en voldoende financiering. De bouw van nieuwe woonwijken blijft namelijk in handen van ontwikkelaars en zij hebben de landbouwgrond rond de grote steden in bezit. De regio’s barsten van de ideeën en enthousiasme, maar lopen stuk op gebrek aan beleid en middelen. In hun artikel schetsen ze een hopeloos stemmende kloof tussen centrale planning van alles wat nodig is maar niet gewenst (woonwijken, militaire oefenterreinen, hoogspanningsleidingen en de nog niet eens genoemde azc’s) en de hartverwarmende initiatieven van onderop, waar geen geld of aandacht voor is.
Het overbruggen van die kloof is precies wat wij met wat goede wil nationale ruimtelijke ordening zouden willen noemen, maar met de terugkeer van de Nota Ruimte is de nationale ruimtelijke ordening nog niet teruggekeerd. Die bestond uit een heel bouwwerk van instellingen, investeringsstromen en mensen die daadwerkelijk tot verandering van de inrichting van het land leidde. Zoals bij de start van de Vinex-wijken; directe afspraken tussen het Rijk en de regio over aantallen woningen, infrastructuur, bedrijfsterreinen, grondbeleid, regionale verevening, voorkeursrecht gemeenten, kwaliteitsbewaking en politieke en ambtelijke zorg en belangstelling. Het geeft aan hoe voor het realiseren van ruimtelijke doelen niet alleen ideeën moeten worden geleverd, en de richting moet worden gekozen, maar dat ze vooral ook moeten worden voorzien van een motor die deze ideeën helpt realiseren. Klassiek was de combinatie van (mobiliteits-)planning en woningbouw – maar dat is zeker niet de enige geweest: ook de schaalvergroting van de landbouw door ruilverkaveling, industriepolitiek, ABC-locatiebeleid, ruimte voor de rivier. Ook nu weer zijn die drivers achter de idealen van groot belang, omdat het daarmee mogelijk wordt ze te realiseren.
Dit najaar verscheen een boek over VVD-prominent Johan Remkes met als titel ‘Het kon minder’. Hij was het oliemannetje achter de kabinetten Rutte, en trok de (vaak door partijgenoten) vastgelopen dossiers weer vlot. Met heldere keuzes, verantwoordelijk bestuur, individuele gesprekken en oplossingen met draagvlak voor alle betrokkenen. In de titel van zijn rapport over de stikstofproblematiek ‘Niet alles kan overal’ werd in feite de noodzaak van de ruimtelijke ordening samengevat. De werkwijze van Remkes is ook op te vatten als: het zoeken naar kleinste gemene veelvouden, oplossingen met de meeste raakvlakken en opbrengsten in plaats van de grootste gemene delers, die juist tot lage maatschappelijke meerwaarde leiden.
Wat is dan een leitmotiv voor een Nota Ruimte, na de versterking van de economie, het opheffen van het woningtekort nabij de grote steden en de verbetering van mobiliteit uit de 4e Nota en de Vinex? Het is even onuitgesproken als voor de hand liggend: het begint bij natuurherstel, betere waterkwaliteit en herstel van de bodem. Durf daarvoor in te grijpen in de economie: wij zijn nu een verborgen lage lonen land, met het goedkoopste vlees, grootste invoer van pakketten en pakketjes met rotzooi en moderne slavernij in de zwarte dozen van de distributiecentra. Sommige sectoren zijn niet meer levensvatbaar of gewenst. Bij een aantal sectoren en het ministerie van Economische Zaken is overheidssteun een sine qua non geworden, telkens opnieuw horen we: landbouw kan niet uit zonder subsidies. Maar wanneer voor de footprint van onze soja-import betaald zou moeten worden, dan zou het al snel gedaan zijn met ons goedkope vlees. Kies voor het normeren en stimuleren van bedrijven in plaats van ze als curlingouders te vertroetelen. Wanneer er keuzes worden gemaakt over de toekomstige economie, van bulk en doorvoer, naar nieuwe teelten en producten ontstaat ook ruimte op de arbeidsmarkt én ruimte om te ontwikkelen. Wat heeft de marktwerking de samenleving opgeleverd, het is door de kosten van hogere salarissen, overhead, representatie en winst voor de aandeelhouders een te duur model.
Wat is het sprankje hoop van deze kabinetswissel en een nieuw kabinet door het midden? Een nota die één stap terug doet – die de rode pen van minister Keijzer ongedaan maakt – en twee stappen vooruitzet – een leitmotiv en de bijhorende richting en regie, waarin de machinekamer van de ruimtelijke ordening weer worden opgetuigd. Een manier om investeringen in gebieden in Nederland te bundelen en elkaar te laten versterken. Naar het voorbeeld van Ruimte voor de Rivier. Daarin zit ook en nieuwe samenwerking tussen Rijk en regio verscholen, een regio gebaseerd op de landschappelijke en herkenbare waarde die, gedragen door een maatschappij van bewoners en bedrijven, invulling geeft aan nationale doelen. Daarin is dus ruimte nodig voor uitwisseling en omwisseling, met een centrale plaats voor ruimtelijke kwaliteit en goed ontwerp. Daarvoor zijn op alle lagen van die overheid die slimme en kundige ambtenaren noodzakelijk. Met nieuwe drivers voor verandering gevat in even beeldende instrumenten. Met meer kennis – een stevige op feiten gebaseerde maatschappelijke discussie en een gezond inhoudelijk debat over planning en ordening.
Paul Gerretsen en Annemiek Rijckenberg zijn al lange tijd lid van de redactie van Ruimte + Wonen. Gerretsen is sinds 2008 agent van de Vereniging Deltametropool. Rond de eeuwwisseling was hij – afgestudeerd als ontwerper op gebied van ruimtelijke ordening, stedenbouw en architectuur- werkzaam bij de Nederlandse Rijksplanologische Dienst. Ook doceert hij op tal van universiteiten. Stadssocioloog Annemiek Rijckenberg was onder meer wethouder in Utrecht, lid van de VROMraad en voorzitter van de Commissie voor Welstand en Monumenten in Amsterdam.
Reacties