79ejaargangl998/ 1Stedebouw &-- --Ruimtelijke G^ening^^/Celijk^^eningStedeb. .Begeleiding complexe project^\ yii. fa'ederlands Instituut voor Ruimtelijke Ordenii^^n Volkshulsvesting (WIROV)NIROVNederlands Instituutvoor Ruimtelijke Ordenin^en VolkshuisvestingWegens vertrek vn een van onze medewerkerszoeken wij eenProjectmedewerker (m/v)voor 36 uur per week (full-time)Het gaat om een contract van twee jaar metmogelijkheid tot verlenging. De werkzaam-heden bestaan uit het (mede) initieren enuitvoeren van projecten op het vakgebied.Functie-eisen:- kennis van en tenminste een jaar werkerva-ring in bovengenoemde vakgebieden;- academische achtergrond, bij voorkeur stede-bouw, architectuurgeschiedenis of plano-logie;- zelfstandig kunnen werken, doorzettings-vermogen;- sterk in het leggen en onderhouden vancontacten;- goede schrijfvaardigheid.Salaris:Het gaat om een functie in BBRA-schaal 8.In verband met een project in de VROM/NIROV-bibhotheek zoeken wij eenBibliografisch medewerker (m/v)Het gaat om een contract van een jaar gerichtop het ontsluiten van een deel van de histori-sche collectie van het NlROV in deVROM/NiROV-bibliotheek.Functie-eisen:- bibliotheekopleiding (BDA/BDI)- kennis van de thesaurusstructuurSalaris:Het gaat om een functie in BBRA-schaal 7 of 8,afhankelijk van ieeftijd en ervaring.In de kernredactie van Stedebouw & Ruimte-lijke Ordening is een vacature voor eenRedacteur Stedebouw (m/v)Het gaat om een freelance-contract van naderte bepalen omvang.Tot de taken van de redacteur stedebouwbehoren:- het volgen van actuele ontwikkelingen in hetvakgebied van de stedebouw;- het in overleg met de andere leden van dekernredactie selecteren van stedebouwkun-dige onderwerpen;- het benaderen en begeleiden van auteurs- het redigeren van ingezonden artikelenFunctie-eisen:- bekendheid met de actuele ontwikkelingen inhet vakgebied van de stedebouw- goed relatienetwerk binnen de stedebouw-kundige wereld- redactionele vaardighedenSoUicitaties:U kunt uw schriftelijke soUicitatie binnen 14 dagen na verschijning van dit bladrichten aan het NIROV, Postbus 30833, 2500 GV Den Haag, t.a.v. de heer drs. R.Sabee. Vermeld op de envelop om welke functie het gaat. Nadere informatie kaningewonnen worden bij Robert Sabee (adjunct-directeur).NIROVStedebouw & Ruimtelijke Ordening,79ejaargang, nunimer 1, 1998UitgeverNIR(W, Drs. J.|. ModdcrKcdactieIr. J. BrouwerIr. H. DckkerHI./. HcmelDrs. |. KuiperDrs. l.A.M.KadijkMvv. tir. ir. M.A. de I.angeDr. ir. W. RchDrs. |. KodenbiirgIng. K.l. do RiiilerDr. W. ZimnevcldKernredactieDr./.. ilcnic!Drs. j.A.M. Kadijk (eindredacteur)Dr. W. Zoniieveidvacaturc stedebouwRedactiesecretariaatDrs. I.A.M. KadijkMvv. n. van dcr SchaafDrs. M. SmitNIKOVPostbus 308332500 GV Den HaagBc/dckadres: Mr. D. Hudig-huis,Mjiiritskadc 21, 2514 HD Den Haagt (070)3 028 484f (070) 3 617 422e nirovC'"'~'nir()V.nlw http://vvvvw.nirt)v.nlRichtlijnen voor auteursAuteurs van artikck'ii en bockbespre-kingen kunncn (iji hcl icckKticsecreta-riaal 'RiLhilijncn voov anteiirs'aanvragcn.Uitgeverij & AdvertentiesWunnink Mediacontactpersoon: Alex PotriKerkcUiincnwcLi 182544 CVV Den i laagt (070) 309 99 22f (070) 309 99 13Vormgevinglelle de Gruyter(irafisch Atelier WageningenDrukVcennian Drukkers EidePrijzenNiRDV-leden ontvangcn Stedebouw &Rninitelijke Ordening gratis.NIKOV-iidmaatsehap vanaf/140rLossc nuniiiiers /25,-Losse nummers en ledenadministratieMRO\'Mw. i. Stecnhoff-HoogersAan L o/.e LiitgLive s dc u terste zorgbcslOL d; voor ouv >nedige/onjuiste in for-niatit a.invaartlcn auleii (s), rcdrtctie eniii!ge\ er gecn aan prake iikheid, Voovcrbc ering van o ijui.sthfden houdt zij/.\d\ ; anbevolcn.ISSN 1384-6531Stedebouw "Ruimtelijke OrdeningInhoudDenkraam3 Nieuw Rotterdams PeilW. HelmerArtikelen4 Ruimtelijke investeringen en andere recente trendsH. van der CammenRuimtelijke investeringen zijn toonaangevendgeworden, planningprocessen blijlcen nauwelijks meerstuurbaar en de publieke debatten floreren.11 Een open discipline die haar eigen plan trektA. ReijndorpVrijwel ieder kind zal wel eens een stad getekendhebben, maar hoeveel zullen op de vraag wat ze laterworden willen, antwoorden: stedebouwer?16 Op zoek naar een nieuw ruimtelijk integratiekaderH. PriemusNederland staat aan de vooravond van een grote inhaal-slag in de publieke investeringen, vooral gefaciliteerddoor het Fonds Economische Structuurversterking.22 Begeleiding van complexe projecten}. Edelenbos en R. MonnikhofOm de kwaliteit van besluitvorming te garanderen heefthet kabinet besloten een begeleidingscommissie in testellen. De precieze rol en institutionele inbedding vandeze commissie blijft echter wat onduidelijk.Signalen28 Meer ruimte voor kwaliteitC. Kuijpers en T. AquariusOm het negatieve beeld bij te stellen, moet in de kwali-teit van de stad worden geinvesteerd. Bij de 25 experi-menteergebieden van het project Stad & Milieu wordthiermee ervaring opgedaan.OmslagUlustratieSchets Maasvlakte, Rotterdam(Bron: Ministerie van Verkeer & Waterstaat)33 En de wethouder droomt...G. Wallagh en M. van SchendelenAmsterdam kon natuurlijk niet achterblijven in dediscussie over de toekomst. Dus werd de brochure HubAmsterdam! uitgebracht, waarmee Amsterdam als eenspin in een web van Internationale contacten wordtvoorgesteld.36 Het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening (iMRO)R. Tiemersma en W. WangOnlangs is het Informatiemodel Ruimtelijke Ordeninguitgebracht. Het IMRO is het Esperanto bij het digitaaluitwisselen van planinformatie en bestaat uit een classi-ficatie, codering en definitie van veelgebruikte 'bouw-stenen' in de ruimtelijke ordening.Publicaties38 Recensies40 SignalementenMededelingen42 NIROVIFHPEn verderHet NetwerkStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1998 nummer 1H3UV O R M V I NGrafisch ontwerpbureau met als specialisatie ruimtelijkeordening, verkeer en vervoer, bouwen en wonenVormgeving van boeken, nota's, rapporten, brochuresVan concept tot en met drukwerkKaartmateriaal op basis van eigen digitale ondergrondenPresentaties, tentoonstellingenTekstbegeleidingHuisstijiontwikkelingProjectmatige werkwijzeRisicodragend m.b.t. levertijd en overeengekomen budgetOpdrachtgevers:MinisteriesProvinciesGemeentenWaterschappenVervoerbedrijvenAdviesbureau'sBedrijven en instellingenVan der Takstraat 65-67, 3071 LK RotterdamTelefoon:010-413 80 72 Fax:010-411 72 87E-mail: mijswal@xs4all.nlhttp://www.xs4all.nl/'mijswal/ ^.COMMUNICATIEDe Nieuwe Kaart van Nederland presenteert op de Bouwrai en deIntertrafficbeurs (10 t/m 13 maart 1998) eengeactualiseerde versie (versie 2.0)van het kaartbestand. In deze geactualiseerde kaart zijn de afspraken uitde recente rijksnota's Actualisering VINEX, Meerjarenprogramma[nfrastructuur en Transport 1998-2002 en de nota Randstad GreeneWereldstad in het kaartbeeld opgenomen.De kaartbladen van de Nieuwe Kaart (versie 1.0) worden op de Bouwraivoor de speciale beursprijs van /50,- per 4 kaartbladen (1:200.000)aangeboden. De normale prijs is 75,-.Informatie:De Nieuwe Kaart van NederlandNIROV, Postbus 30833 2500 GV Den Haagtel (070) 302 84 36fax (070) 361 74 22e-mail nieuwekaart@nirov.nlde NIEUWE KAARTvan NEDERLANDNIROV-studiereizen 1998Het NIROV organiseert in 1998 wederom een aantal studiereizen. Hetreisdoel en de programmering van de studiereizen sluiten aan bij de ruim-telijke ontwikkelingsopgaven die er voor Nederland liggen in de komendedecennia. De reizen worden veelal in samenwerking met derden georgani-seerd. Ons instituut is geinteresseerd in samenwerking met anderen op ditterrein. Het NIROV is ook in staat studiereizen met een specifieke missieaan te bieden voor geselecteerde gezelschappen. In 1998 staan de volgendestudiereizen op het programma:Verenigde Staten / Canada(deelname op uitnodiging) i.s.m. PAM Consultants.Zaterdag 23 met tot en met woensdag 3 juniNieuwe dimensies in stedelijke inrichting; ondergrondsruimtegebruik inNoord-Amerika. Een studiereis naar Minneapolis, Kansas City,Washington, Boston en Montreal.Informatie: NIROV, drs. Janine Boers (070) 302 84 44Bilbao en Madridi.s.m. EricLuiten, landschapsarchitectZondag 14 juni tot en met donderdag 18 juniStedelijke herstructurering en infrastructuur-inpassing. Deelnemerskunnen een post-tour naar Barcelona maken van 18 t/m 21 juniInformatie: NIROV, drs. Frank Evers (070) 302 84 26Florida, New Urbanism(deelname op uitnodiging), i.s.m. BouwfondsWoensdag 16 September tot en met donderdag 24 SeptemberInformatie: NIROV, drs. Jaap Modder (070) 302 84 30Light rail in het Rijndali.s.m. Urban MattersZondag 4 oktober tot en met vrijdag 9 oktoberDe betekenis van light rail voor de stad; een studiereis naar Karlsruhe,Straatsburg, Basel, Zurich, Wuppertal.Informatie: NIROV, drs. Frank Evers (070) 302 84 26Op dit moment zijn enkele studiereizen in ontwikkeling die nog in hetprogramma van 1998 zuUen worden opgenomen. Nadere aankondigenhierover komen in Stedebouw & Ruimtelijke Ordening. Het betreft driestudiereizen in het najaar naar: Berlijn, Barcelona en Brazilie.Nieuw Rotterdams PeilNog steeds kan Nederland de mooiste metropool van dewereld worden, maar dan zullen de stedebouwers zichbewust moeten worden van de enorme mogelijkheden diehet buitengebied ze biedt.Nu worden stad en platteland nog teveel als twee gescheidenwerelden behandeld. Het platteland is dan het domein vanboercn, boswachters en buitenlui dat zolang mogelijk gevrij-waard moet worden van stedelijke activiteiten. En als hetdan toch plaats moet maken voor de stad dan toch vooralvoor de klassieke stedelijke functies: woningbouw, bedrijvenen infrastructuur. Men probeert de schade te beperken doorsteeds een zo klein mogelijk gebied van het landbouwareaal'op te offeren' voor de oprukkende stad.Voor de ontwikkeling van de stad als geheel is deze praktijkfunest. Om de verrommeling van de groene ruimte tussende steden tegen te gaan moeten we enerzijds de verstedelij-king van Nederland ten voile erkennen, maar anderzijds ookinzien dat verstedelijking meer inhoudt dan wonen, werkenen vervoer. Stedelijke functies als recreatie, klei- en zandwin-ning, waterberging en zoetwatervoorziening, maar ookkwalitatief hoogwaardige woningbouw kunnen rond de stadworden ingevuld op een manier die de stad als geheel tengoede komt.In de Randstad, waar de bodem op veel plaatsen doorinklink en oxidatie van veen 30-50 cm per eeuw daalt,terwijl de zeespiegel stijgt> moeten we zelfs op grote schaalruimte maken voor waterberging om op het gebied vanwaterhuishouding en veiligheid niet tegen onoverkomelijkeproblemen aan te lopen.En zo kwam incens het Wereld Natuur Fonds vorig jaar meteen visie op de Randstad in 'Meegroeien met de Zee'. Wantde oplossing van een aantal stedelijke vraagstukken laat zichuitstekend combineren met de ontwikkeling van grotewaterrijke natuurgebieden midden in de toekomstige metro-pool. Al dan niet na winning van zand en/of klei kunnen indeze gebieden hoogwaterpieken worden geborgen en kanzoet water worden vastgehouden voor nalevering in drogetijden aan landbouw, Industrie en drinkwaterwinning. Overland en over water kunnen de gebieden voor recreantenontsloten worden vanuit het hart van de steden.Bij dit alles kan voortgebouwd worden op de fijnmazigelandschapstructuur van watergangen en polderdijkjes, die ingrote delen van laag-Nederland aanwezig is. Polder voorpolder kan een nieuw optimaal waterpeil worden gekozenvanuit bovengenoemde grootstedelijke visie. Gebruikmakend van verschillen in bodemstructuur, hoogteligging,grondwaterstromen, waterkwaliteit etc., zal een bonteverscheidenheid aan gebieden ontstaan. De natuurlijkevariatie van de Nederlandse delta met haar rivieren, duinenen venen zal hierdoor veel beter tot expressie komen dan bijhet huidige landbouwkundige gebruik of bij de klassiekeaanleg van stadsparken. Dit komt de natuur ten goede, maarook de eigen identiteit van de verschillende steden, dieonderdeel gaan uitmaken van de metropool. Rotterdam zalmeer in het estuarium. Den Haag meer in de duinen enAmsterdam meer in waterland komen te liggen.Rotterdam zal de eerste regio worden waarin deze visieverder wordt uitgewerkt. luist hier, waar het woord 'natuur'zelden voluit klinkt, is 'Meegroeien met de Zee' omarmd. Erzijn ook maar weinig plaatsen in Nederland met zoveeleconomische en ecologische potenties.In 'Nieuw Rotterdams PeiF heeft het Wereld Natuur Fondsop een rij gezet hoe tussen Biesbosch en Voordelta eennatuurlijke rivierenmonding kan ontstaan die qua uitstra-ling wedijvert met de haven en het nieuwe stadscentrum endie bovendien de stad als geheel beter laat functioneren.Langs het Haringvliet liggen mogelijkheden voor een vrijtoegankelijk natuurgebied van enkele tienduizendenhectares: kuddes wilde paarden, edelherten en broedendezeearenden op een uurtje fietsen van Pernis of Feyenoord.Vergroting van het overstromingsgebied en de hernieuwdesedimentatie die hier zal optreden, maken het gebied weer-baarder tegen extremen in het klimaat.Ook veengroei is een lange termijn-verzekering tegenzeespiegelstijging en kan gestimuleerd worden door regen-water vast te houden in de veengebieden rond de stad. Ditvoorkomt verdere bodemdaling en bovendien kan het neer-slagoverschot aangewend worden voor de resterende land-bouw, glastuinbouw en als gedemineraliseerd water voor dehavenindustrie. Ook het neerslagoverschot uit nieuwe stads-wijken kan in deze natuurgebieden worden opgevangen,terwijl die gebieden op hun beurt kwalitatief hoogwaardigewoningbouw aan het water mogelijk maken. Via Spui enOude Maas kan het getijdenlandschap met zijn kreken,ooibossen en grazige kwelders tot in het hart van de stadgehaald worden en leidraad zijn voor verdere stedebouw.Nieuw Rotterdams Peil kan de standaard worden voorandere delen van de metropool.Wouter HelmerStroming b.v.Natuur- en landschapsontwik-kelingStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1998 nummer 1Ruimtelijke investeringen enandere recente trendsEr hebben zich enkele belangwekkende trends gemanifesteerd in de ruimtelijkeordening: ruimtelijke investeringen zijn toonaangevend geworden,planningprocessen blijken nauwelijks meer stuurbaar en de publieke debattenfloreren. Ruimtelijke planners moeten door dit laatste steeds meer debatteren ensteeds minder onderzoeken. Belangenverenigingen zijn geprofessionaliseerd enproberen het initiatief naar zich toe te trekken. In private bouwbeslissingen zittegenwoordig meer ruimtelijke kwaliteit verwerkt.Een schets van de recente ontwikkelingen.Prof. dr. H. van derCammenTNO Inro, PDI Universiteit vanAmsterdamDit is het eerste van twee artikelen.Het sclietst enkele verschijnselen diezich de afgelopen jaren hebbengemanifesteerd in de ruimtelijkeordening. Dit eerste dcel is vooralbeschrijvend van aard; in het tweededeel later in deze jaargang komenverbanden en conclusies aan bod.Het concept ruimtelijke investeringen heeft in betrelckelijkkorte tijd overai ingang gevonden, zowel bij planners als bijbestuurders en onderzoekers. Tien jaar terug waren investe-ringen in de vakliteratuur praktisch synoniem met over-heidsfinanciering en als zodanig een van de vele middelenwaarop de ruimtelijke ordening altijd een beroep deed. Inoudere beleidsnota's komt men het woord slechts sporadischtegen.'Hierin komt verandering met de Vierde Nota, die geheeldoortrokken is van de overtuiging dat 'private en publiekeinvesteringen in belangrijke mate de kwaliteit van de ruimte-lijke inrichting van Nederland bepalen'.^ Hierna ontwikkeldehet investeringsinstrument zich in korte tijd tot het belang-rijkste tool in de planologische gereedschapskist. Erverschijnen zogenaamde investeringsstrategieen. De eerstehiervan opent met de volgende klaroenstoot: 'Sparen, inves-teren en vermogensbeheer vormen de drie sleutels waarmeede burgers van een land deuren naar de toekomstontsluiten'.' In 1990 publiceert Brouwer in opdracht van deRPD het eerste vademecum van de ruimtelijke investeringenin Nederland.* De Haagse wethouder Noordanus bepleittijdens de NEPROM-jaarvergadering 1991 een integrale ruim-telijke investeringsstrategie voor de uitvoering van deVINEX.5Het navolgende citaat van Priemus laat zien hoezeer ook hetwetenschappelijke denken over ruimtelijke ordeningmomenteel doortrokken is van de investeringsgedachte: 'Denieuwe stedelijke investeringsopgave die zich thans aandientom een bloeiende ontwikkeling van vitale, ongedeelde enduurzame steden in Nederland te stimuleren, wijkt in veleopzichten af van de klassieke stadvernieuwingsopave. Naastde al geformuleerde investeringstaken (...) gaat het ominvesteringen ter versterking van de stedelijke economie, deherstructurering van stadswijken en de ecologisering van destad'.*"Parallel aan deze ontwikkeling worden zogenaamde ruimte-lijke projecten (waaronder sleutelprojecten) steeds meer hetcentrale object van aandacht van ruimtelijke ordenaars,ofschoon tegelijk de stroom van strategische plannenaanhoudt: stadsvisies, streekplannen en nationale nota's.Steeds meer draait het bij ruimtelijke ordening om de pro'sen contra's van concrete bouwprojecten, hun realiseringstra-ject, het daarvoor benodigde draagvlak, etc. Wetgeving enpraktijk getuigen van deze verschuiving, zoals de wettelijkeregeling van een zelfstandige projectbeslissing. Amsterdam,koploper op RO-gebied, wil met het structuurplan van eenvierjarige naar een tienjarige cyclus, maar publiceert elk jaareen bijgewerkt Programma Ruimtelijke Investeringen.Al met al is de ruimtelijke ordening hierdoor een stuk verza-kelijkt, vergeleken met de jaren vijftig tot en met zeventig.Maar hoe ook gewijzigd, in feite is de ruimtelijke ordeningdank zij het moderne accent op ruimtelijke investeringenterug bij haar eigen wortels, haar ontstaansbasis. In wezengaat het bij ruimtelijke ordening altijd om het beinvloedenvan bouwbeslissingen (dit zijn besluiten om een hoeveelheidkapitaal vast te leggen in nieuw vastgoed). Zo is de ruimte-lijke ordening immers begonnen aan het einde van de vorigeeeuw, vanuit de maatschappelijke onvrede over de inhoudvan de toenmalige bouwbeslissingen, de zogenaamde revolu-tiebouw.nummer 1 Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1998^S>DTDe ruimtelijke ordening van de begintijd was vooral eenstatement dat het beter kan, een programma voor het opti-maliseren van het ruimtelijke investeren. Daaruit kwam debouwvcrgunning voort, een controlemiddel vooraf vanparticLiliere bouwinitiatieven. Toen de koppeling wasgemaakt tussen bouwvergunning en bestemmingsplan, in derug gedekt door een hele orde van hogere ruimtelijkeplannen, kon het grote opwaarderen van de gebouwdeomgeving bcginnen7 Lijkt de huidige ruimtelijke ordeningdoor de toenemende invloed van marktpartijen en privateinvesteringen op zijn kop gezet, het is dus historisch juisterom te zeggen dat hij weer met beide benen op de grond iskomen te staan: op een publiek en een privaat been. Bouw-investeringen vanuit de markt zijn gerehabiliteerd als poten-tiele dragers van ruimtelijke kwaliteit.Maar de klok is niet simpelweg teruggedraaid. Want werd inde begintijd de markt zeer kritisch en vanuit een negatieveinstelling benaderd, nu is deze meestal positief en meerwervend van aard. Toen hadden we een overheid zonder veelfiducie in de kwaliteitsambities van ondernemingen, nu eendie haar optimaliseringsstreven in principe wel wil delenmet de markt. Ruimtelijke investeringsbeslissing warenvroeger vooral object van toetsing en controle. Tegenwoor-dig evolueert de bouwaanvraag tot een service-desk.Een en ander is niet los te zien van een stuk planologischebeschavingsgeschiedenis. Vergeleken met de beginjaren is deplanologische kwaliteit van het opdrachtgeverschap namelijkaanzienlijk toegenomen. Sommige principes die enkeledecennia terug nog zwaar bevochten moesten wordenkomen met veel minder inspanning via de markt tot stand.Zij zijn geinternaliseerd omdat iedereen het nut ervan inziet.In private bouwbeslissingen zit daardoor momenteel meerruimtelijke kwaliteit verwerkt. In de woorden van hetNetwerk RO: 'De Nederlandse ordenings- en bouwpraktijkstaat middenin een omslag. De marktpartijen zijn de laatstetwintig jaar zo professioneel geworden dat ze, naastgebouwen, ook grotere projecten en zelfs gebieden kunnenrealiseren. Door de verwachte professionalisering van hetinvesteringsvak raakt het onderscheid tussen privaat enpubliek wat meer op de achtergrond. De kennis van markt-partijen op het gebied van flexibiliteit en marketing wordtmeer gecombineerd met de beschikbare expertise van over-heden en woningcorporaties'.*Het naoorlogse 'experiment' van een hoofdzakelijk viapublieke geldstromen afgewikkelde ruimtelijke ordeningloopt ten einde, er heeft een paradigmawisseling plaats.** Opde werkvloer, vooral op viNEX-locaties, wordt deze wisselnog niet altijd even gemakkelijk genomen, noch door depublieke noch door de private partij. Hoe kan het ookanders ? De nieuwe rollen en omgangsvormen, nodig omsuccesvol te kunnen opereren, liggen niet voor het oprapenin de literatuur of in overheidsrapporten en moeten dus adhoc ontwikkeld worden. Maar er is geen weg terug.'"Inmiddels heeft elke planner in zijn/haar werk de toene-mende verweving van planning- en bouwprocessen kunnenwaarnemen. Het aantal 'meedenkers' met de ruimtelijkeordening neemt nog steeds toe. Daarmee zijn we toe aan detweede hier te behandelen trend.Planningprocessen nauwelijks meer gestuurdDe Wet op de ruimtelijke ordening redeneert vanuit hetIn wezen gaat het bij ruimtelijkeordening altijd om het beinvloedenvan bouwbeslissingen; dit zijnbesluiten om een hoeveelheid kapi-taal vast te leggen in nieuw vastgoed.(Foto: Lex Broere, Nieuwerkerk a/dIJssel)De bouwaanvraagevolueert tot eenservicedeskStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1998 nummer 1KNSM-STADSKII.ANDHet Oohtelijk HavengebiedAmsterdam: een gecompliceerd,onoverzichtelijk en onvoorspelbaarplanningproces.(Bron: Ministerie van VROM, DenHaag)Systematischebeleidsvorming inde gangbare zin ligtaan schervenpatroon van een overheidsinstantie die het initiatief neemtvoor een nieuw ruimtelijk plan, waarmee een planning-proces een aanvang neemt dat in de regel na langdurigeinspanningen en onder leiding en verantwoordelijkheid vande desbetreffende overheid uitmondt in een beleidsstuk. Ditjuridisch-bestuurlijke beeld van het planningproces is nietmeer adequaat als analytisch concept voor de hedendaagseruimtelijke ordening, laat staan als sturingsconcept. Hetschiet als het ware langs de realiteit heen. Dit is samen tevatten in enkele punten.Het toenemende accent op projectplanning en het felt datruimtelijke investeringen in de praktijk zo zwaar zijn gaanwegen leiden meer en meer de aandacht af van de vaststel-ling van het plan en wat direct daar omheen gebeurt. Beleidwordt feitelijk gemaakt in een dichte, ondoorzichtige stroomvan interacties tussen partijen, steeds meer partijen.Processen worden ingewikkelder en duren langer.Er ontstaat - het is reeds genoemd - grotere gelijkwaardig-heid tussen de WRO-actoren enerzijds en anderzijds allerleiandere instanties van intermediaire en private aard die ooknauw bij de ruimtelijke inrichting betrokken willen zijn. Detoegang tot planningprocessen is laagdrempeliger geworden,nieuw geinteresseerden treden gemakkelijk toe. In het maat-schappelijke middenveld groeien de geprofessionaliseerdebelangenverenigingen (Natuurmonumenten is een goedvoorbeeld) in aantal en invloed, daarbij gefaciliteerd dooronderzoeks- en adviesbureau's. Zo mogelijk trekken ze degang van zaken naar zich toe, zoals blijkt uit referenda, hetindienen van eigen ruimtelijke voorstellen en adviezen e.d.De VERM gaan ons wat dit betreft voor." Niemand haaktdefinitief af, iedereen blijft alert op vervolgacties. Dit maakthet geheel nog ingewikkelder.'^Hierbij komt een toenemende verwevenheid van zaken diemaakt dat planningprocessen steeds meer over elkaar heenvallen, vanuit de inhoud of vanuit de context. Enige voor-beelden. De studie naar een mogelijke Maasvlakte II (VERM)gaat bijna vanzelf over in een PKB-procedure. Dit procesraakt vervolgens aan het TNLI-project (een mogelijk vlieg-veld), aan de plannen voor een ZuidhoIIandse kustlocatie, deregionale groenplannen van Rijnmond (natuurcompensatie)en de discussies rond Agenda 2000+. Overal komt mendezelfde actoren tegen.Voorbeelden van dergelijke doorgaande processen vanontwerpen en argumenteren zijn legio.Het stedelijk knoop-puntenbeleid, tien jaar geleden top-down ingezet met deVierde nota, is onlangs decentraal weer aangeblazen door denota 'Perspectieven voor stedelijke knooppunten'."Hetzelfde speelt bij de stedelijke sleutelprojecten.De Randstadprovincies voeren een Oostflankstudie uit. Naeen wat afstandelijke waardering hiervan in de Randstad-nota van het kabinet wordt het proces op rijksniveauopnieuw opgepakt. Dezelfde actoren - plus een aantalnieuwe - zetten hun planningsinteractie voort in een anderkader, een andere bestuurlijke mal. 'Om besluitvorming tebegrijpen moeten we kluwens van reeksen beslissingen vanvele actoren in kaart brengen en in samenhang beschouwen',aldus G.R.Teisman in zijn recente oratie.'"*Niet alleen dringen de private actoren op, de overheid looptzichzelf voor de voeten met het ene nieuwe beleidsinitiatiefna het andere. In een interdepartementaal stuk werd onlangsde vraag gesteld: 'Waarom verschijnen er zoveel rijksnota's ?'De analyse luidde:- 'er zijn wetten waarin een planverplichting is opgenomen meteen vaak S-jarige cyclus (bv. deVierde Nota Waterhuishou-ding, NMP-3);- er bestaat een ad-hoc 'notahonger' bij de Tweede Kamer (bv.de Randstadvisie);- een open planproces vraagt om nota's als start van een maat-schappelijk dehat (bv. Visie nota Water, Nederland 2030,Nota Milieu-Economie);- en vooral: de nota's dienen om beleidsterreinen en departe-menten te proftleren.' (Werkgroep Visie, 1996, 50).Deze realiteit heeft van de aloude ambitie van 'methodischgeleide planning''^ niet veel heel gelaten. Een nieuw typeplanningproces is de ruimtelijke ordening gaan domineren.Daarin vallen twee dingen op: het heeft nauwelijks nog eenkop en een staart en er is geen instantie meer die er proces-matig leiding aan geeft. Planningprocessen in de ruimtelijkeordening lopen tegenwoordig zoals ze lopen en dat is hetdan. Veel meer is over de methodische kwaliteiten niet(meer) te zeggen. Er is geen hierarchic meer en nauwelijksprocesmatige ordening. Met al even weinig succes zijn opmoment X uitspraken mogelijk over het verdere verloop vanlopende processen, over de geleding ervan, de waarschijn-lijkheid van een definitieve eindbeslissing, etc.Voorjaar 1997 hebben doctoraal-studenten planologie ditnader uitgezocht bij een aantal bekende cases, zoals hetOostelijk Havengebied Amsterdam, het Utrecht City Projecten de mogelijke bouwlocatie Grote Polder (Zoeterwoude).Daaruit kwam het volgende naar voren. Actoren vinden dezeplanningprocessen zonder uitzondering gecompliceerd,onoverzichtelijk en vooral: in hun loop onvoorspelbaar.Indien er al een gestructureeerd beleidsproces is afge-sproken, is afwijken daarvan eerder regel dan uitzondering.Maar dat wil niet zeggen dat het proces stuurloos is. Demeeste sturing komt in de praktijk tot stand. Storing heeftplaats gemaakt voor bij-sturing, ad hoc en in onderlingoverleg, ongeveer zoals in een vergadering zonder voorzitter.Niemand ziet dat als een groot probleem. Er wordt op eenongestructureeerde manier gestuurd, vaak door enkele part-ners gezamenlijk en via prompte acties en afspraken. Zelfsde beste organisatievorm verandert gedurende het proces.Doorgaans kiest men die vorm van werken die, gezien desituatie en de context, de snelste resultaten lijkt te beloven.'*Planningprocessen lopen dus steeds vaker 'zoals ze lopen.Het gaat wel altijd over ruimtelijke planning (in de zin van:optimalisering van ruimtegebruik) maar aan het proces isniet veel geplands meer te ontdekken. Ruimtelijke ordeningnummer 1 Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1998in Nederland is in de jaren negentig geevolueerd tot eenkluwen processen with nobody in charge. Het concept vaneen door een WRO-instantie aangestuurde pianningproces isdaarmee niet meteen waardeloos geworden. Echter: de matewaarin de ruimtelijke planning overzichtelijk verloopt, lijktomgekeerd evenredig aan de impact van de uitkomsten.Naar aanleiding van de wettelijke verankering van een zelf-standige projectprocedure merkt Van Buuren op: 'Inzicht inhetgeen via een reeks van zelfstandige projectbeslissingenmogelijk zal worden heeft eigenlijk niemand' "De kiem voor deze paradoxale ontwikkeling is al vijftien jaargeieden geiegd door de zogenaamde wervende planning, metzijn ingebouwde tendens tot onbelieerste zelfprofilering.Opmerkelijk genoeg is er in de Nederlandse vakliteratuurvrij weinig aandacht voor deze ontwikkelingen. Debcstuurskunde kent weliswaar een uitvoerige theorievor-ming en veldonderzoek over netwerksturing en netwerkma-nagement'" maar hierin staan interorganisationele vraag-stukken centraal, niet de werkvloer. Voor de praktijk van deruimtelijke ordening (wellicht geldt dit ook voor anderebeleidsvelden) heeft het concept 'sturing' veel van zijn bruik-baarheid verloren. De reacties hierop vanuit de theoriekomen doorgaans toch neer op: nog beter sturen! Naast denetwerksturing kennen we bijvoorbeeld de gedachte van'meta-sturing''**) en het door Teisman en In 't Veld onlangsbepleite experiment met 'proces-architectuur voor inter-organisatorische besluitvorming',^" voorstellen die weinigrelatic hcbben met de curieuze 'chaotische orde' van dehuidige ruimtelijke ordening.Voorlopig kunnen we vaststellen dat het idee van systemati-sche beleidsvorming in de gangbare zin aan scherven ligt, zijhet met twee kanttekeningen. Ten eerste is daarmee noggeen oordeel gegeven over de kwaliteit van de uitkomsten.En voorts staat er wellicht spoedig iemand op om descherven te lijmen tot een nieuw empirisch of prescriptiefplanningschema, een nieuwe 'methodiek'. Het is dusmisschien allemaal minder erg dan het lijkt. Een goedeopstap naar het derde en laatste onderdeel van dit artikel.Publieke debatten florerenOp alle planningniveaus zien we de laatste jaren gesprekken,debatten, panels en platforms georganiseerd worden over deruimtelijke toekomst. Het onderwerp van discussie ismeestal van strategische aard: gemeente Y in het jaar 2015,provincie Z in 2020, Nederland in het jaar 2030. Ook deGroene-Hartgesprekken, de twee grote referenda inAmsterdam, de Nieuwe Kaart van Nederland en het projectInfraPlan van Rijkswaterstaat horen in het rijtje thuis. HetIPO-RO constateert dat 'een verantwoordelijke samenlevingzich de laatste tijd steeds actiever met zaken van ruimtelijkeordening gaat bezighouden... Steeds grotere groepenbetrokkenen discussieren mee'.^' Om de discussies testroomlijnen wordt veelvuldig gewerkt met ruimtelijketoekomstscenario's^^ en een open planproces, waarbij hetdraait om 'de vraag hoe burgers, bestuurders en expertscreatiever en slagvaardiger met elkaar plannen kunnenmaken'.^^ Afzonderlijk vermelding verdient Het Metropoli-tane Debat, een particulier initiatief op de schaal van geheelNederland.^''Kennelijk is de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling voorgrote groepen burgers weer de moeite van een gesprekwaard. Een groot verschil met tien jaar geieden toen eengroep vakgenoten nog kon vaststellen: 'dat er in het Neder-land van de jaren tachtig nauwelijks toekomstvisies voorhanden zijn. Dit vinden zij ongewenst... Omdat blijkbaariedereen in Nederland het te druk heeft met andere zakenbesluiten zij om zelf een toekomstvisie te ontwikkelen'.^^Anno 1997 liggen de zaken geheel anders en dat is zeker nietenkel te verklaren als een inhaalslag. Bredere maatschappe-lijke veranderingen spelen een rol, zoals de algemeen toege-nomen behoefte aan communicatie over de toekomst en devraag hoe deze tegemoet te treden. Ook de hierboven reedsgeschetste nieuwe trends in en om de ruimtelijke ordeningzullen een rol spelen, zoals de vermaatschappelijking vaninvesteringsbeslissingen, het toegenomen aantal betrokkenactoren en de grotere onoverzichtelijkheid en ongrijpbaar-heid van planningprocessen.Dit laatste is vooral voor de grote stakeholders bij de ruim-telijke inrichting van Nederland een duidelijk punt van zorg:de WRO-actoren in de eerste plaats, maar bijvoorbeeld ookde koepels van het bouwend bedrijfsleven en instellingen alsNederland Distributieland, Railforum, het NIROV. Het zijndeze overheden en organisaties die de debattenmachineinitieren en gaande gehouden, niet de burgers. Wat wemeemaken is met andere woorden niet inspraak in eennieuw jasje. Er is een fundamenteel verschil met de demo-cratiseringsgolf van de jaren zestig/zeventig. Toen was het debasis die zich roerde en een reele invloed opeiste bij eenreactief opererend, om niet te zeggen reactionair establish-ment. Nu nemen de grote gevestigde belangen het voortouw.Het eerste motief hiervoor lijkt legitimering: bestaand beleidherbevestigen en nieuwe agendapunten van een bestuurlijkeen maatschappelijke borging te voorzien. Het overheidsbe-leid moet een 'co-productie' zijn.^^ De voor het debat geinvi-teerde burger is in veel gevallen verheugd en gevleid; hij/zijwaardeert de scherpzinnigheid waarmee de gastheer dejuiste personen heeft geselecteerd en beloont dit met eenrustige, doorgaans milde inbreng. Met name het ministerievan VROM heeft in een grote deskundigheid en routineontwikkeld in het 'doelgroepenbeleid'.Publieke debatten in de ruimtelijke ordening vervullen daar-naast de functie van early warning. In een niet langer recht-streeks stuurbaar pianningproces is het zaak de publiekecondities zo goed mogelijk te monitoren en deze waarwenselijk en mogelijk te geleiden. Debatten en gesprekkenfungeren voor de grote actoren als een vorm van maatschap-pelijke klimaatsbeheersing, met beleidsnota's en plannen inde rol van beregeningsinstallaties. Daarbij voeden ze deDebatten hebbenook voor de gewoneburgers lets tebiedenStedebouw & Ruimtelijke Ordening 1998 nummer 1Kleinere partijen proberen tevernemen 'where the action is'(Foto: Lex Broere, Nieuwerkerk a/dIjssel)constante behoefte aan profilering, op het steeds vollerwordende speelveld van de ruimtelijke ordening. Eengeslaagd publiek debat maakt de toekomstvisie en/of deorganiserende instantie even tot talk of the town. Met deGroene-Hartgesprekken is dat goed gelukt, in liet geval vanhet TNLI-debat minder (maar dat was misschien ook niet debedoeling). Hoewel met debatten uiteindelijk vaak wordtgemikt op weerldank bij de volksvertegenwoordiging, zijn dereadies van die zijde nogal eens lauw en terughoudend, bijhet parlement zo goed als bij gemeenteraden. Vermoedelijkkomt dit doordat politicologisch gezien de functies vanpublieke debatten veel overeenstkomst vertonen met die vande volksvertegen'woordiging.Debatten hebben ook iets te bieden voor hen die niet tot denationale, regionale of plaatselijke ruimtelijkeordeningselitebehoren, de gewone burgers en ad hoc in- of uittredendeactoren. Deze laatste vormen een interessante nieuwe cate-gorie. Bij de toegenomen complexiteit en tijdsduur vanplanningprocessen zijn alleen de echt grote spelers nog in degelegenheid cm alle lopende kwesties te volgen. Voor velekleinere partijen is dit te kostbaar geworden. Zij zoeken naarmethoden om tegen geringe inspanningen bij te blijven, tevernemen where the action is en bun betrokkenheid zonodigte activeren. Gezien de onvoorspelbaarheid van de moderneplanning is het zaak de ontwikkelingen, onder meer inelkaars opvattingen, goed in de peiling te houden. Debattenen gesprekken bieden de gemiddelde geinteresseerde burgeren de kleinere organisaties die kans om bij te blijven.Uiteraard heeft alles zijn prijs. Naar een actor uit de buiten-cirkel wordt minder indringend geluisterd dan naar een uitde binnencirkel. Maar los hiervan en los ook van formeleverhoudingen biedt een publieke discussie een goede gele-genheid om als opinieleiders indringend en open met elkaarcommuniceren. Hoe meer kanalen daartoe open staan, deste beter. Zo ontwikkelen de debatten, gesprekken, panels enplatforms in de ruimtelijke ordening zich gaandeweg tot eeneigentijdse communicatiestructuur welke binnen debeperkte marges een ordelijke en efficiente discussie over dete volgen koers van Nederland, c.q. een provincie of eengemeente, faciliteert.Op basis van de Anglo-Amerikaanse planningliteratuur vande laatste jaren is deze trend te zien als exponent van eencommunicative turn in planning theory}^ Recente casestudiesvan de Anglo-Amerikaanse planningpraktijk tonen aan dathet dagelijks werk van de planners hoofdzakelijk is samenge-steld uit communicatieve bezigheden: commissies bijwonen,bestuurders bijpraten, vergunning-aanvragers te woordstaan, werkoverleg, teamsgewijs teksten produceren, voor-lichting etc. Wat de moderne ruimtelijke planner doet,volgens deze onderzoekingen, is voornamelijk debatteren enargumenteren en nauwelijks nog de research waarvoorhij/zij meestal werd opgeleid. Het aloude wetenschappelijkonderzoek als rechtstreekse invoer voor beleid heeft plaats-gemaakt voor argumenteren over informatie. In Nederlandhebben deze denkbeelden in het wetenschappelijke circuitweinig aandacht gekregen. Maar het kan natuurlijk ook zijn,dat ze voor Nederland Overlegland meer dan vanzelfspre-kend zijn.De vorige paragraaf schetste een wat negatief beeld: hetverdwijnen van de commanding actor, de instelling die innummer 1 Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1998zijn eentje een planningproces in het goede spoor konhouden. Het verschijnscl debatten laat lets zien van de posi-tieve keerzijde hicrvan, namelijk een zekere verbroedering ofcollectivisering van de sturingsfunctie in onze Nederlandsesamenleving, een verschijnsel dat hier niet uitvoerig meege-nonien kan worden maar dat zeker meer aandacht verdient,ook van de Nederlandse planners.SlotZoals in de inleiding aangekondigd, bevat het voorafgaandeeen schetsmatig beeld. Hier en daar is gewezen op mogelijkeverbanden tussen trends onderling, maar voor meer gefun-deerde uitspraken ontbreken op dit moment de diepergravende studies. Hieraan bestaat echter wel grote behoefte,medc omdat de Nederlandse ruimtelijke ordening in eentransitieproces verkeert waarbij gefundeerde kennis overachtergronden en verbanden zeer van pas kan komen.Gegeven deze beperkingen wordt in een volgend artikel tochgeprobeerd om uitspraken te doen over het verder te volgentraject.Ik dank Marice de Lange en Wil Zonneveld voor hun commen-taar op de concepttekst.Noten' Zie hijvoorbeeld de Tweede Nota I %6, 181 w; vgl. Priemus 1996.^ VierdeNota 1988, p. 147.3 NNAO 1989.^ Brouwer 1990.^ Noordanus 1991; zie ook Brouwer en Voogd 1995.^ Priemus 1997,271.'' van dcr Cammen 1996? Netwerk 1996, 4** Vgl. Van der Cammen en Horrcvoets 1996'ONeedham 1997" Zie bijv. Gilmore 1997.'^ Zie uiteraard ook Teisman 1992'3 Kolpron 1997''' Teisman 1997; zie ook Teisman 1992'^ Van der Cammen 1982'^ De Boer e.a. 1997, Bulcr e.a. 1997, Pouw 1997'^ van Buuren 1997'** Zie bijv. Klijn en Teisman 1992; Goverde 1997'^Bekkers 1993^" 1996,42^' Zie Van der Cammen en De Langc 1996^^ Prake.a. 1996; Reh 1997^^ Enthoven en De Rooij 1996, 393; voor cases: Meesters e.a. 1996^^ Brouwer e.a. 1996 ; zie verder ook: Veldboer 199625 Frieling 1987, 62*' Fassbinder 1995, Tops e.a. 1996" Healey 1993; Fischer en Forester 1993Cammen, H. van der, 1982, 'Methodisch geleide planvorming', S.&V. 63, 377-385, 449-459Cammen, H.van der en M.S.G.Horrevoets, 1996,'Van groeikernen naarVINEX-locaties', in: Netwerk RO, 1996, 13-27Cammen, H.van der en L.A.de Klerk, 1996, Ruimtelijke ordening - vanplannen komen plannen, Utrecht/AntwerpenCammen, H.van der en M.A.de Lange, 1996, Positionering van de provincialeruimtelijke ordening. Delft (TNO)Cammen, H.van der, 1996, Mogelijke werelden: de wereld van de ruimtelijkeplanning, Amsterdam/DelftEnthoven, G.M.W. en A de Rooij, 1996,TnfraLab; impuls voor open planvor-ming en creativiteit', Bestuurskunde, 392-399Fassbinder, H. (red.), 1995, Stedelijke planvorming als co-produktie, Eind-hovenFischer, F. en I.Forester (eds), 1993, The Argumentative Turn in PolicyAnalysis and Planning, LondonFrieling, D., 1987,'Nederland Nu Als Ontvverp, in: H.van der Cammen (red.},Nieuw Nederland, Den Haag, (Boek 1}, 6-16Gilmore, J., 1997,'The Return of the Grand Plan, Planning 63, No. 5,4Goverde, H., 1997, 'Sturing van plattelandsvernieuwing', Tijdschrift voor Soci-aalwetenschappelijk onderzoek van de landbouw, 12, 141-160Healey, P., 1992, 'Planning Through Debate: The Communicative Turn inPlanning Theory', Town Planning Review, 143-162Klijn, E.H. en G.R.Teisman, 1992, 'Besluiten in beleidsnetwerken', Beleidswe-tenschap 6, 32-51Kolpron, 1997, Perspectieven voor stedelijke knooppunten, RotterdamMeesters, B.A.C. e.a., 1996, Open Deuren; ervaringen met interactieve plan-processen, Den Haag (Rijkswaterstaat)Netwerk RO, 1996, Omgaan met investeringen in de ruimtelijke ordening,Den HaagNeedham, B, 1997,'Land Policy in The Netherlands', TESG 88, 291-296NNAO, 1989, Proeve van een investeringsstrategie, AmsterdamNoordanus, P.G.A., 1991, VINEX en ruimtelijke investeringsstrategie, Den HaagPouw, N., 1997, Het Utrecht Centrum Project getoetst aan nieuwe inzichtenuit de theorie, Amsterdam (UvA)Prak, P e.a., 1996, Basisscenario's; 4 x Nederland in 2Q25, Delft (TNO)Priemus, H., 1996, 'Physical Planning Policy and Expenditure in the Nether-lands', Netherlands Journal of Housing and Environmental Research 11,151-171Priemus, H., 1997, 'Van stadsvernieuwing naar een integrale stedelijke investe-ringsopgave', Rooilijn, 30, 265-272Reh, W., 1997, 'Nieuw in de polderbioscoop', S&RO 78, nr.5, 23-29Teisman, G.R., 1992, Complexe besluitvorming, Den HaagTeisman, G.R. en R.J. In 't Veld, 1996,'Versterking van de procesarchitectuurbij de besluitvorming over ruimtelijke investeringen', in: Netwerk RO, 1996,39-74Teisman, G.R., 1997, Sturen via creatieve concurrentie, NijmegenTops, P. e.a. (red.}, 1996, Verhalen over co-productie, UtrechtTweede Nota over de ruimtelijke ordening, 1966, Den HaagVeldboer, L. 1996, De inspraak voorbij - Ervaringen van burgers en lokalebestuurders met nieuwe vormen van overleg, AmsterdamVierde Nota over de ruimtelijke ordening, 1988, Den HaagWerkgroep Visic, 1996, Aanzet voor omgevingsbeleid. Den HaagLiteratuurBckkers, V. e.a., 1993, Nieuwe vormen van sturing en informatisering. DelftBoer, L.de, e.a., 1997, Ruimtelijke belcidsvorming in het Oostelijk Havenge-bied, Amsterdam (UvA)Brouwer, |., 1990, Ruimte voor investeringen. DelftBrouwer, I. e.a., 1996, Het metropolitanc debat. DelftButer,)., e.a., 1997, De Grote Polder, een chaotisch oi een geordend plan-proces, Amsterdam, (UvA)Buuren, P.J.J.van, 1997,'De zelfstandige projectprocedure en andere wijzi-gingen in de WRO', Bouwrecht 34, 719-728Stedebouw & Ruimtelijke Ordening 1998 nummer 1OCenW Ministerie van OnderwijsCultuur en Wetenschappenledereen krijgt van dag tot dag te niaken metde onderwerpen waai-voor het Ministerie vanOCenW een zorg iieeft: alle onderwijsvormen,omroepen en andere media, letteren en biblio-theken, cultuurbehoud, Icunsten en weten-schappen. Met een budget van 38 miljard guldenwerken in Zoetermeer een kleine tweeduizendmensen aan complexe maatschappelijlce vraag-stukken die vaak grote financiele effectenhebben. Het gebeurt allemaal temidden van dedrielioekpolitiek/maatschappij/vakkringen,nauwlettend gevolgd door de media. Bij OCenWhoren: Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodem-onderzoek, Rijksdienst voor de Monumenten-zorg, Rijksakademie van Beeldende Kunsten,Instituut CoUectie Nederland, CentraleFinancien Instellingen, Rijicsarchiefdiensten de Inspectie van liet Onderwijs.Aandacht voor groeiOCenW ziet graag dat mede-werkers periodiek van baanveranderen; daarom zijn er veelmogelijldieden voor opleidingen loopbaanontwikkeling.Informatie en sollicitatiede heer drs. F.F.J. Schoorl,afdelingshoofd,telefoon 079 - 323 46 99Een assessment center-onder-zoek lean onderdeel zijn van deprocedure. Uw brief met c.v.kunt u, voor 14 maart a.s. eno.v.v. het betreffende vacature-nummer, zenden aan:Ministerie van OCenWDirectie Personeel en OrganisatieT.a.v. de heer W.P.j. DisseldorpPosthus 25000270017. ZoetermeerTwee seniorbeleidsmedewerkersvoor Archeologische Monumenten-zorg en MonumentenzorgDe werkomgeving De directie Cultureel Erfgoed (50 mensen)ontwikkelt beleid voor musea, archieven, archeologie enmonumentenzorg. Bij de directie behoren de rijksdienstenvoor cultureel erfgoed: de Rijksdienst voor Monumentenzorg,de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek,de Rijksarchiefdienst en het Instituut CoUectie Nederland.De functies Beide nieuwe beleidsmedewerkers zijn vanuitde afdeling Onroerend Erfgoed interdepartementaal actiefvoor ruimtelijke ordening, stedelijke vernieuwing en architec-tuur, natuur en landschap.Als senior beleidsmedewerker Archeologische Monumenten-zorg (vacaturenummer PenO-323/SRO) zet u zich beleids-matig in voor onder meer de inrichting van het archeologischbestel, de relatie tussen bescherming en beheer, en deinvoering van het Verdrag van Malta. Daartoe werkt uintensief samen met de Rijksdienst voor het OudheidkundigBodemonderzoek.Als senior beleidsmedewerker Monumentenzorg (vacature-nummer PenO-324/SRO) zet u zich beleidsmatig in voor ondermeer de bescherming en instandhouding van rijksmonu-menten, het internationale erfgoed en Icennis- en onder-zoeksbeleid. Daartoe werkt u intensief samen met deRijksdienst voor de Monumentenzorg.Wij vragen LT heeft een academisch werk- en denkniveau,kent de wereld van cultuurhistorie en monumentenzorg,en heeft in deze kringen de relevante inhoudehjl
Reacties