stedebouw volkshuisvestingUhgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedebouwKOENE TEGELS'^M^JUK^T?lefoen 778566WAND- en VLOERTEGELSMOZAIEKonverglaasdverglaasdglasMARMER-TEGELSNATUURSTEENVorstvrij materiaalin iegels en sirippenPLASTIC-VLOERENAANNEMERS:Sloop- en grondwerken.Speciaal het uitvoeren vanwerken met ^ringstoffen.VERHUUR:Luohtcompressoren,pneumatisdie werktuigen,draglines, shovels, enz.L KORTINGAMSTERDAM-N.BUIKSLOTERDIJK 614, TEL. (020) 61766ModerneLIFTENNEDERLANDSFABRIKAATSTARLIFTVoorburg - tel.778400 (070)BOIIWKREDIETENvoor WONINGBOUWin de vrije sector envallende onder dePREMIEREGELINGENwarden verleend doorn.v.DERENTEKASZoutmanstraat 42,^s-GravenhageTelefoon 070 - 333860. ..: , ._ 196Ondergetekende wenst te ontvangen:ex. band Tijdschrift Stedebouw en Volkshuisvesting 1961,a ? 4,95 per exemplaar, franco per postex. band Tijdschrift Stedebouw en Volkshuisvesting 1961met De Woningbouwvereniging 1961 a f 4,95 per exem-plaar, franco per postHet verschuldigde bedrag is gestort op de postrekening No. 1035100ten name van N.V. Maatschappij tot Expl. van het Limburgs Dagbladte Heerlen. Na ontvangst van dit bedrag wordt mij de band toege-zonden.HandtekeningNaamAdresWoonplaatsBestelkaart voor boekwerkcnN.V. Maatschappij tot Exploitatie van hetLIMBURGS DAGBLADNobelstraat 21HEERLENs&vUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedehouwMaandbladdecember 196142e jaargang no. 12Redactie:Mevrouw Prof. C. W. VisserMe']. R. HartstraProf. C. van EesterenMr. C. A. van GorcumH. J. A. Havens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. KokIr. P. K. van MeursProf. Dr. S. O. van PoeljeMr. Ir. M. M. van PraagW. ScheerensIr. W, van TijenDrs. W. J. ValkenhurgDrs. H. V. d. WeijdeIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen:Lange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 184225Advertenties:Keizersgracht 188, Amsterdam-C.Postgiro nummer 113028Telefoon 249128Dit nummervraagt in het hoofdartikel de aandacht voor de door de Regering aangekondigde huurver-hoging. Het artikel beantwoordt aan de lezing over dit onderwerp van de Heer H. K. Duhouxin de op 18 december gehouden vergadering van het Instituut.Onder stedehouw hrengen wij een nabeschouwing van de Heer Ir. P. K. van Meurs bij hetnummer over de welstandszorg, een kort artikel van de Heer Ir. E. J. de Maar over hetstructuurplan voor Deventer en de Kroniek.Verder worden de gewone rubrieken vervolgd.277InhoudHet bij de Tweede Kamer aanhangigevoorstel tot wijziging van de Huurwet,H. K. Duhoux 279VolkshuisvestingBinnenland ....Overzicht van Tijdschriften290292StedehouwMaatschappeUjke achtergronden van dewelstand, Ir. P. K. van Meurs .D?venter, stad van 250.000 inwoners.Ir. E. J. de MaarKroniek en kommentaar .Overzicht van Tijdschriften284285287288Officiele MededelingenNederlands Instituut .Aanwinsten Bibliotheek293295Summary 296Abonnementsprijs f 20,--. Losse nummers f 2,--.De leden van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedehouw en de leden vande Nationale Woningraad ontvangen het Had kosteloos.278Wijziging HuurwetHet bij de Tweede Kamer aanhangige voorstel tot wijziging van de Huurwet ') H. K. DuhouxOp 17 oktober 1961 is wederom een voorsteltot wijziging van de Huurwet 1950 bij deTweede Kamer der Staten-Generaal aanhan-ging gemaakt. Het bestuur van ons Instituutheeft mij verzoclit, aan deze wet en dit wij-zigingsvoorstel een korte beschouwing te wij-den.1. Nadat de huren van woningen bij hetHuurprijsbeslmt 1940 waren bevroren op hethuurpeil van 9 mei 1940, werden bij de Huur-wet 1950 en de daarin in 1953, 19S!, 1957 en1960 aangebrachte wijzigingen diverse huur-verhogingen vastgesteld,Mag ik beginnen met een zeer summier over-zicht van de gang van zaken met betrekkingtot de huren gedurende en na de oorlog enmag ik mij dan aanstonds beperken tot dehuren van woningen?In 1940 heeft men, begrijpende dat met eendreigend woningtekort en een labiel prijspeileen huuropdrijving gepaard zou kunnen gaan,het Huurprijsbesluit uitgevaardigd; op basisvan dit besluit werden de brutohuren bevro-ren op het peil van 9 mei 1940. Het Huur-beschermingsbesluit 1941 vormde een noodza-kelijke aanvulling; daarbij werd de huurop-zegging door de eigenaar slechts toegelaten bijonbehoorlijk gebruik, bij wanbetaling of bijdringende behoefte aan eigen gebruik.Deze bevroren situatie kon na de oorlog nietbestendigd blijven en in 1950 kwam de Huur-wet tot stand; daarbij werden de onderwerpenvan het Huurprijsbesluit 1940 en het Huurbe-schermingsbesluit 1941 wettelijk geregeld, dochmet dien verstande dat de bevriezing van dehuren op het vooroorlogse peil werd door-broken en wel door een algemene verhogingvan de nettohuren met 15 Vo.Het systeem van de wet bracht mede, dat voorelke verdere verhoging een wetswijziging no-dig was. Door een dergelijke wijziging werdende huren in 1953 -- naar gemeenteklassen ge-differentieerd -- opgetrokken van 115 "/o tot135 "/o in de grote steden en tot 148 "/o op hetplatteland, terwijl in 1955, 1957 en 1960 weeralgemene huurverhogingen met achtereenvol-gens 5, 25 en 20 "/o volgden, zodat het huur-peil nu varieert van 214^/0 (van het voor-oorlogse peii) in de grote steden tot 234?/o ophet platteland, diverse uitzonderingen voorlo-pig nog terzijde galaten.2. In de M. v. T. bij de thans aanhangigzijnde wijziging -- strekkende tot een huur-verhoging per 1 juU 1962 van 10 a 12 "lo, af-hankelijk van de gemeenteklasse -- wordt me-degedeeld dat vervolgens nog twee dergelijkeverhogingen, in 1964 en 1966 warden nodiggeacht om in het algemeen rendabele onge-subsidieerde woningbouw mogelijk te maken,behalve voor bepaalde sociaal zwakke bevol-kingsgroepen.Thans ligt voor ons het ontwerp tot wijzigingvan de huurwet per 1 juli 1962, er toe strek-kende dat er weer een naar de vijf gemeente-klassen gedifferentieerde huurverhoging zalkomen; in de memorie van toelichting ver-meldt de Minister van Volkshuisvesting enBouwnijverheid bovendien, dat hij daarna, nl.in 1964 en in 1966 nog twee dergelijke ver-hogingen nodig acht, om de onderscheidencategorieen woningen tenslotte, bij een vrijewoningmarkt, zonder subsidie rendabel tekunnen bouwen, zodat dan nog slechts debouw en de exploitatie van woningen tenbehoeve van bepaalde sociaal zwakke bevol-kingsgroepen gesubsidieerd zullen blijven.Het globale beeld lijkt dus eenvoudig:a. bevriezing van de huren sinds 1940;b. de Huurwet 1950 met een eerste algemenehuurverhoging;c. diverse wijizigingen van de Huurwet, waar-door het huurpeil vermoedelijk in 1962 zalworden opgetrokken tot 235 a 260 "lo en uit-eindelijk tot ? 280 a 320 "/o in 1966, met demogelijkheid om dan weer in het algemeenzonder subsidie rendabel te kunnen bouwen opeen vrije woningmarkt.3. De door de wetgever beoogde huurbeheer-sing en huurhescherming zijn door de diversemaatregelen destijds inderdaad snel en goedbereikt; de opheffing van deze maatregelen,teneinde terug te keren naar een vrije wo-ningmarkt, blijkt echter hijzonder moeilijk tezijn, mede door het nog steeds aanwezige wo-ningtekort en vrijwel voortdurend stijgendebouwprijzen.Men kan zioh nu de vraag stellen, of de doel-einden die de wetgever beoogde, op passendewijze zijn benaderd en zullen worden bereikt.Dit is zeker het geval geweest ten aanzien vande huurbeheersing tijdens en onmiddellijk nade oorlog en ten aanzien van de huurhescher-ming. Het blijkt nu echter hoe langer hoemoeilijker te zijn, mede door het nog steedsaanwezige woningtekort en door nog vrijwelvoortdurend stijgende bouwprijzen, terug tekeren tot normale verhoudingen op een vrijewoningmarkt en tot het doen vervallen vansubsidies, anders dan in speciale gevallen.Wij zouden nu aan de hand van een grafi-sche voorstelling vooral drie, bij de terugkeertot normale verhoudingen aan de orde komen-de doeleinden nader willen bezien, nl.:A. het in de juiste onderlinge verhoudingbrengen van de huren van de voor- en na-oorlogse woningen;B. het brengen van de huren van woningenop een zodanig pell dat -- behalve voor be-paalde sociaal-zwakke bevolkingsgroepen --zonder subsidie rendabel kan worden ge-bouwd; enC. het voorkomen van verwaarlozing van hetwoningbezit of, anders gezegd, het bevorderenvan een goede bewoonbaarheid en onder-houdstoestand.4. Bij de achtereenvolgende huurverhogingenwerd het steeds moeilijker, het verschil tussenhet huurpeil van de laatst gebouwde nieuwe^) Voordracht, op 18 december 1961 teUtrecht voor het Nederlands Instituut voorVolkshuisvesting en Stedebouw gehouden.279Wijziging Huurwethuurpeil in16 kiassegemeenten:1966196/i1962196019571955195319509-5-40bouwjaren:2 3I?isJ^4.Ivoor de oorLog. 1940-1950 1950-1960 na 1960Iwoning.bouw aangevangen 1956,huurpeil 170%2 1958, 230 %3 ,, dec. 1959, 230 ?/oU ,, jan.1961. 240 %5 ,, dec 1961, 270 %6 ,, jan.1961. 214 ?/owoningcn en het nieuwc (algemene) huurpeilzo veel mogelijk te reduceren. Hierdoor wordtde kans op schokken (sterke huurprijswijzi-gingen en/of leegstand van woningen met re-latiej te hoge huren) bij de opheffing van hetwoningtekort vergroot.Ad A. Voor 1950 golden financieringsregelin-igen, die in het algemeen beoogden de op voetdaarvan gebouwde woningen een bepaald --op dat ogenblik toelaatbaar geacht -- huur-peil te geven, dat in de praktijk slechts wei-nig boven het vooroorlogse peil lag en dekosten die uit die huur niet konden wordengedekt, de "onrendabele top", door een sub-sidie of financieringsfaciliteit te dekken.Toen bij de Huurwet 1950 een huurverhogingvan het vooroorlogse bezit werd vastgesteld,werd er dan ook weer een redelijke verhou-ding bereikt tussen de huren van de voor- enna-oorlogse woningen.Daarna kwamen er, behalve bij de herbouw-financiering, gewijzigde bijdrageregelingen,waarbij niet meer het huurpeil een gegevenwas en de bijdrage de resulterende sluitpost,doch waarbij een vastgestelde (bedden-)bijdra-ge werd verstrekt, zodat de huur de sluitpo=twerd en door de prijsontwikkelingen op debouwmarkt werd dit hoe langer hoe vaker eenhuur die niet onbelangrijk boven het geldendehuurpeil lag, ook als kwaliteitsverschillen inaanmerking worden genoraen. Ik ga er danook verder steeds van uit, als over het huur-peil van aieuwe woningen wordt gesproken,dat kwaliteitsverschillen daarbij reeds zijn ver-disconteerd en dat daarmede niet achteraf nogeens opnieuw rekening mag worden gehouden.Hoewel het voor de betrokken bewoners nietprertig was een huur te betalen, hoger dan denormaal te achten huur, behoefde dit in demeeste gevallen nog niet als een ernstig be-zwaar te worden gezien, vooral als dit be-zwaar s'lechts tijdelijk zou zijn, omdat het bijeen volgende huurverhoging zou kunnen wor-den opgeheven door geen of een mindere ver-hoging toe te passen. Zie als voorbeeld geval 1in de grafische voorstelling; de boven het toengeldende algemene huurpeil gelegen huur vaneen in 1956 in aanbouw genomen woning werdin 1957, op grond van een desbetreffende cir-culaire MG 57-15 slechts verhoogd met het-geen strikt noodzakelijk was cm een even-wiohtige verhouding tot de huren van ouderewoningen tot stand te brengen. Nietteminmoet het gevaar worden gesignaleerd, dat dewoning bij de eerste verhuring werd betrok-ken door een gezin met een hoger inkomendan van de groep waarvoor de woning be-stemd was.Ook wordt het bezwaar van een aanvankelijkte hoge huur ernstiger, als het verschil zo280'n pannendak, da's pas 'n dakbouwtechnisch 'n Pannendak voert regenwater snel af. 'n Pannendakheeft een lange levensduur. 'n Pannendak behoeftweinig onderhoud. Dit geringe onderhoud is eenvou-dig uitvoerbaar en goedkoop. Het dekken kan bij alleweersgesteldheden voortgang vinden. 'n Pannendakis, volgens de modernste principes, functie-splitsendopgebouwd.Inlichtingen bij de afd. Technische Voorlichting van de Vereniging van Dak-pannenfabrikanten 'Nedaco', Dorpsstraat 52, Loenen / Veoht.emmerik vrir "^Bij de Rijksdienst voor het Nationale Plan worden, in hetbijzonder ten behoeve van nieuw te ondememen plan-studies voor de Randstad Holland, gevraagda. STEDEBOUWKUNDIG ONTWERPERGezocht wordt een kracht van academisch niveau metvisie op de toekomstige ontwikkeling van de Randstadin het licht van de moderne technische en verkeersmo-gelijkheden en zo mogelijk met ervaring op daarmedeverwant stedebouwkundig gebied.b. MIDDELB. STEDEBOUWKUNDIGEKRACHTGezocht wordt een medewerker met H.T.S.- of daaraangelijkwaardige opleiding en zo mogelijk met stedebouw-kundige praktijk.Aanstelling kan, afhankelijk van leeftijd en ervaring, ge-schieden in de rangen van: voor a. hoofdplanoloog(/ 1052, / 1280,-- p.m.). voor b. technisch ambtenaar/technisch ambtenaar le kl./technisch hoofdambtenaar(./? 447, / 865,-- p.m.).Soil, onder no. 7543/7769 (in linkerbovenhoek van env.en brief) in te zenden aan het bureau Personeelsvoorzie-ning v.d. Rijksoverheid, Prins Mauritslaan 1, Den Haag.GEMEENTE VL1SS1NGENBij de gemeentewerken van Vlissingen kan worden ge-plaatst een:STEDEBOUWKUNDIGE KRACHTNaast een goede tekenvaardigheid dient de te benoemenambtenaar bekend te zijn met de vele vraagstukken ophet gebied der stedebouw en volkshulsvesting, welke zichbij een uitbreidende gemeente voordoen.Tevens zal hij in staat moeten zijn in goede stijl te rap-porteren en brieven te ontwerpen.Gegadigden in het bezit van het diploma ener HogereTechnische School genieten de voorkeur.Aanstelling zal geschieden naar gelang van verkregen er-varing en opleiding in een der onderstaande rangen:opzichter-tekenaar 2e klasse minimum / 4896,-- met 6eenjaarlijkse verhogingen tot maximum, / 6024,-- perjaar;opzichter-tekenaar le klasse minimum / 5832,-- met 7eenjaarlijkse verhogingen tot maximum / 7140,-- per jaar;technisch-ambtenaar minimum / 5832,-- met 9 eenjaar-lijkse verhogingen tot maximum / 7512,-- per jaar;technisch ambtenaar le klasse minimum / 7320,-- met8 eenjaarlijkse verhogingen tot maximum / 8808,-- perjaar.Bovengenoemde salarissen zijn exclusief compensatieA.O.W. en huurcompensatie.Voor gehuwden is het verhuiskostenbesluit van toepas-sing. De gemeente Vlissingen is aangesloten bij het IZAZeeland.Schriftelijke sollicitaties binnen 14 dagen na het verschij-nen van dit blad te richten aan burgemeester en wethou-ders, p./a. afdeling onderwijs en personeelszaken, stad-huis, Houtkade 12.GEMEENTE S-GRAVENHAGEBij de Dienst voor het GemeentelijkGrondbedrijf is op korte termijn devacature te vervullen vanREFERENDARIS BSalarlsgrenzen van / 898,-- tot / 1117,--per maand (exclusief liuuroompensatie).Vakantietoelage 4 % van het jaarsalaris.De te benoemen functionaris zal wordentoegevoegd aan de chef der afdelingJurldisch-Commerciele Zaken van dedienst teneinde deze te ontlasten t.a.v.diens eigen werkzaamheclen, in het bij-zcder ter zake van de eigendomsver-werving ten behoeve van de stedelijkesanering en van het beheer van ge-meente-eigendommen.In aanmerking komen gegadigden, dieeen academische of daarmede gelijk testellen Juridische studie hebben vol-bracht. Verdere vereisten zijn: practischeervaring op het gebied van onroerendgoed en een ruime wetskennis dienaan-gaande met name wat betreft de ont-eigeningswetgeving.Leeftijd bij voorkeur tussen 30 en 45 jaar.Uitvoerige eigenhandig c,eschreven sollicitatiesmet volledige personalia, binnen 14 dagenonder no. G 265 te zenden aan de Directeur vanhet Gemeentelijk Bureau voor Personeelsvoor-ziening, Burgemeester de Monchyplein 10,'s-Gravenhage.GEMEENTE MAASTRICHTBij de afdeling Sociaal Onderzoek van het bedrijf vanOPENBARE WERKEN kunnen worden geplaatsta. een sociaal onderzoekerin de sector van de Stedelijke planologie;b. een sociaal onderzoekerin de sector Verkeer enc. een redacteur,te belasten met de samenstelling van rapporten, jaarver-slagen, perscommunique's e.d.Voor de funkties ad a en b zijn vereist een op defunktie gerichte opleiding en vooral ervaring,waarbij academisch gevormden de voorkeur ge-nieten; voor de funktie ad c zijn vereist ten-minste een gymnasiale of middelbare opleidingen redactionele vaardigheid.De salariering zal afhankelijk zijn van de ge-noten opleiding, geschiktheid en ervaring.Sollicitaties met pasfoto te richten aan Burge-meester en Wethouders en in te zenden aan deDirekteur van de Centrale Personeelsdienst,Prins Bisschopsingel 3, Maastricht, binnen 14dagen na verschijning van dit blad.In de linkerbovenhoek van de sollicitatiebrief te ver-melden: ,,Sollicitatie funktie a, b of c afd. Sociaal Onder-zoek O.W.".Wijziging Huurwetgroot is, dat he: bij de eerstvolgende huurver-hoging nog niet volledig kan worden inge-haald. Zie hiervoor als voorbeeld geval 2 inde grafiek; bij een in 1958 in aanbouw geno-men woning met een huurpeil boven dat van1957 werd op grond van de circulaire MG 60-1geen huurverhoging toegepast, hoewel dit indie circulaire al niet meer als regel was ge-steld (de Minister verklaarde zich bereid eendesbetreffend verzoek in overweging te ne-men).De huur van die woning bleef eohter nog al-tijd hoger dan het -- intussen opgetrokken --algemene huurpeil.Als we nu voorbeeld 3 bezien, dan komen weop een zogenaamd "clausulegeval". Reeds voorde laatste huurverhogingen kondigde de Mi-nister nl. af dat voor de na een bepaalde da-tum in aanbouw te nemen woningen een --met de volgende huurverhoging corresponde-rende -- lagere bijdrage zou worden verleend,indien die huurverhoging inderdaad van krachtzou worden. De huur van woning 3 kwamdus per 1-4-1960 op een aanzienlijk hoger peil,ondanks het feit dat de huur zeLfs zonder declausuleregeling reeds boven het algemeen gel-dende niveau zou hebben gelegen.In de M. v. T. die thans voor ons ligt staatgeen regeling meer zoals in MG 57-15, ookgeen mogelijkheid van overweging indien eenverzoek wordt ingediend dat gebaseerd is opvergelijking met andere woningen, maar debereidheid om de huren van na-oorlogse wo-ningen die door de huurverhoging als exces-sief zouden moeten worden aangemerkt, opeen redelijker peil vast te stellen.Wordt de huur van woning no. 4 nu ver-hoogd, hoewel die huur reeds op het nieuwepeil ligt? Zo ja, met hoeveel? Wat is excessiefen wat is redelijk? En mocht de verhoogdehuur van woning no. 4 nog redelijk en dusniet excessief worden geacht, wat gebeurt erdan met de huur van woning no. 5 die bijverhoging reeds nu boven het vermoedelijkeniveau van 1966 zou komen liggen. Zal ditniveau 1966 als een plafond worden be-schouwd?5. Als voor het in 1966 bereiken Van een,door de stichtingskosten van nieuw te bouwenwoningwetwoningen te bepalen, huurn'meauwordt tdtgegaan van een huurverhoging gelijkaan de thans nog op die woningen verstrektejaarlijkse subsidie, dan lijkt dit een niet geheeljuist uitgangspunt, omdat de huren van de inde laatste jaren gebouwde woningwetwoningen(ondanks de subsidie) veelal (ver) boven hetthans geldende algemene huurpeil liggen. Bo-vendien wordt voorbijgegaan aan het feit, datbehalve de centrale overheid ook de gemeen-ten in sterke mate de woningwetbouw subsi-dieren door de -- bij elke huurverhoging stij-gende! -- bijdragen in het fonds ex artikel 24cvan het Woninghesluit.Ad B. Hiermede zijn wij gekomen aan de be-schouwing van de na 1966 te doen vervallensubsidies. In de M. v. T. wordt berekend datde woningwetsubsidie, die thans gemiddeldnog f 250,-- per jaar bedraagt, door driehuurverhogingen, elk van f 85,-- per jaar kanvervallen. Dit kan echter slechts onvermin-derd gelden voor het voorbeeld van de wo-ning 6 die, in aanbouw genomen kort na dehuurverhogingen, elk van f 85,-- per jaar kankomende met het algemeen geldende peil. Watgebeurt er echter met de woningen 2, 3, 4 en 5en daarmede met zo vele nog te bouwen wo-ningen? Blijven zij een jaarlijkse subsidie na1966 behouden doordat het dan geldende huur-peil als plafond wordt beschouwd of moetenzij -- op een vrije markt -- een huur opbren-gen hoger dan het algemene peil?Bovendien moet worden bedacht, dat bij dewoningwetbouw ook de gemeenten nog in be-langrijke mate financiele bijdragen verlenenin de vorm van de stortingen in het fonds exartikel 24c van het Woninghesluit (voor on-voorziene kapitaalsuitgaven en exploitatiever-liezen) en waarvan moet worden opgemerktdat zij bij elke huurverhoging groter worden,in tegenstelling tot de rijkssubsidies die doorhuurverhoging (moeten) dalen. De naar schat-ting ruim f 2.000.000,-- die b.v. Rotterdamelk jaar in genoemd fonds stort, wordt dusdoor een 10 "/o huurverhoging met ruimf 200.000,-- verhoogd.Het lijkt verstandig deze probleraen nader on-der de ogen te zien, al moet worden erkenddat de hoogte van de huren, ook op een vrijemarkt, niet zo kritisch ligt, dat elk kleinverschil onmiddellijk compensatie behoeft enook dat onze beoordeling van een huurpeilaltijd theoretisch is omdat men het uiteinde-lijke oordeel van de huurdeis op de vrijemarkt niet kent. Daarom mag dit huurpeilook beslist niet worden bepaald uitsluitend opbasis van technische gegevens, zoals oppervlak-te of inhoud, afwerkingspeil en woningtype,maar zeker ook rekening houdende met om-standigheden, zoals ligging in een wijk, liggingvan de wijk ten opzichte van stedelijke voor-zieningen enz. Het lijkt niet uitgesloten datin verschillende gemeenten het huurpeil vannieuwe woningen hoger wordt geschat danovereenkomt met het oordeel van de bevol-king, vooral als de hoogconjunctuur blijftvoortduren en dat dus het kwaliteitsverschilmet oude woningen toch nog niet in voldoen-de mate wordt verdisconteerd. Dat er echterna de bepaling van het huurpeil, rekening hou-dende met verschillen in woongenot in deruimste zin, nog 45 "/o kwaliteitsverschil zouoverblijven, lijkt mij beslist onjuist.Laten wij tenslotte voor wat deze zaak be-treft nog overwegen dat het huurpeil op dewoningmarkt van 1966 moeilijk vergelijkbaaris met het huurpeil op de woningmarkt van1940. Toen immers een ruime markt, met be-trekkelijk klein aantal woningwetwoningen(in Rotterdam 12*/o van de woningvoorraad)in 1966 een stellig nog krappe markt (waaropik hierna in ander verband nog terug kom)en met een vermoedelijk twee maal zo grootaantal woningwetwoningen (in Rotterdam ?25Vo); bovendien zijn er dan nog een aantalparticuliere woningen, waarvan de huur bijde subsidies min of meer werd vastgelegd endie men dus zo lang mogelijk zal willen hand-haven.281Wijziging Huurwet6. Het goed onderhouden van het woningbe-zit en het verbeteren van oudere, voorlopignog niet voor afbraak in aanmerking komen-de woningen is van groot belang; als de wo-ningnood 10 snel mogelijk moet warden opge-heven, zullen zo veel mogelijk woningen wer-kelijk als behoorlijke woningen moeten kun-nen meetellen.Ad C. De regering heeft destijds de huurver-hoging van 15?/o in 1950 onder meer gemoti-veerd door er op te wijzen, dat de stringentehuurprijspolitiek dreigde haar doel voorbij teschieten, indien zij niet tijdig werd gecorri-geerd en in dit verband werd gewezen op deonvermijdelijke verwaarlozing, indien de huur-opbrengsten onvoldoende waren om het ge-bouwd onroerend goed in behoorlijke staat teonderhouden.inderdaad moet goed onderhoud van wonin-gen van eminent belang worden geacht. Hetis zonder meer duidelijk, dat elke bestaandewoning, die niet binnen afzienbare tijd voorafbraak in aanmerking komt, in een zodanigestaat moet worden gehouden, dat zij terechtin de voorraad kan meetellen. Nog afgezienvan sociale en economische redenen om hetoude woningbezit goed te onderhouden, kanmen stellen dat dit bezit op een hoger peilmoet worden gehouden of door verbeteringmoet worden gebracht, naarmate de conjunc-tuur gunstiger is en de bevolking meer voorhet wonen wil en kan besteden.Terloops moet er dan de aandacht op wordengevestlgd dat bij verbetering niet alleen moetworden gedacht aan woning-, maar 00k aanwijkverbetering en dat deze laatste onder dehuidige omstandigheden het voordeel heeftminder arbeidsintensief te zijn en toch zeereffectief.7. De eigenaar van particuliere huurwonin-gen krijgt, vooral als het ouder bezit betreft,voldoende middelen beschikbaar (door huur-verhogingen en door een na elke afschrijvingverminderende rentelast) om zijn woningengoed te onderhouden en zeljs te verbeteren,doch er is geen wettelijke waarborg dat hijdie middelen inderdaad voor dat doel zalaanwenden.Werd de huurverhoging van 1950 destijds nogaan de krappe kant geacht om het onderhoudop redelijke wijze te verzorgen en de lasten-stijging op te vangen, hiervan is bij het oudereparticuliere woningbezit toch geen sprakemeer.Na de achtereenvolgende huurverhogingenheeft de particuliere eigenaar van huurwonin-gen hiervoor steeds meer ruimte gekregen envoor zover die verhogingen, zoals bij de laat-ste premieregeling, gepaard gaan met bijdra-gevermindering, moet er op worden gewezendat het systeem van vaste afschrijvingen endaardoor jaarlijks verminderdende rentelastop den duur ruimte doet ontstaan voor extrauitgaven en te zijner tijd voor huurverlagingindien een woning minder courant zou wor-den. Er bestaat echter geen andere waarborgvoor het inderdaad goed onderhouden van hetparticuliere woningbezit dan die, welke gele-gen is in het eigen belang daarbij.8. De eigenaar van woningwetwoningen heeftbeperkter mogelijkheden voor onderhoud (enverbetering) omdat hij over de opbrengst vande huurverhogingen niet of slechts ten delekan beschikken, terwijl hij door het systeemvan afschrijving op annuiteitsbasis geen ver-minderende lasten heeft.De eigenaar van woningwetwoningen heeftbeperkter mogelijkheden voor onderhoud enverbetering van de woningen, omdat hij overde opbrengst van de huurverhogingen niet ofslechts zeer ten dele de beschikking kreeg.Ook de berekening in de M. v. T., het opvan-gen van f 250,-- subsidie door 3 X f 85,--huurverhoging laat slechts een flauwe hoop(welgeteld op f 5,--!) op het beschikbaar ko-men van meer geld voor onderhoud.Hierbij komt het belangrijke verschil metparticuliere woningbouw voor wat betreft hetafschrijvingssysteem. De woningwetwoningmoet, omdat de som van afschrijving en renteals een vast bedrag in de jaarlijkse exploitatie-rekening staan, vijftig jaar lang dezelfde huuropbrengen. Er is geen keuze tussen het oppeil houden van de woning of huurverminde-ring, neen, de woning moet de huur waardblijven.Vo'lledigheidshalve moet hieraan echter wor-den toegevoegd, dat het bestaan van de fond-sen ex. art. 24c en 29 van het Woningbesluitaan deze bezwaren tegemoet komt, doch deeigenaren van woningwetwoningen kunnendaar niet vrijelijk, nl. niet zonder toestem-ming van overheidswege, over beschikken. Hetis door dit alles begrijpelijk dat woningbouw-corporaties die over enig geld beschikken ende rest van het benodigde kapitaal, zo nodigmet gemeentelijke garantie, kunnen aantrek-ken, meestal gaarne premiewoningen bouwen.Zij kunnen dan gebruik maken van de ver-minderde rentelast door vaste afschrijvingen,dan wel met 40-jarige in plaats van met 50-jarige annui'teiten werken.9. Bij het optrekken van het huurpeil zal metglobale, algemene maatregelen moeten wordenvolstaan en daarbij zullen bepaalde inciden-tele onbillijkheden als onvermijdelijk moetenworden aanvaard. De bepalingen van de arti-kelen 3a en 12a van de Huurwet, zoals diena de wijziging van 1960 luiden en zoals dievolgens het aanhangige voorstel zullen luiden,leiden -- ook door uiteenlopende wijzen vantoepasing -- vaak tot een kostbare, tijdroven-de en administratief ingewikkelde individuelebehandeling zonder dat onbillijkheden wordenvoorkomen.Het terugkeren naar bepalingen die, althansbij de woningwetwoningen, een complexgewij-ze gelijke behandeling mogelijk maken, is drin-gend gewenst. Daarbij zullen waarborgen vooreen goede bewoonbaarheid en een behoorlijkonderhoudsniveau niet kunnen worden gemisten daarvoor moeten dan de mogelijkhedenworden geboden.Opgemerkt is, dat het woningbezit om finan-ciele redenen in een goede onderhoudstoestanden in een goed bewoonbare staat moet wor-den gehouden; daarnaast zijn er ook socialeen economische redenen om dit te doen. He-laas zijn bij woningwetbouw de middelen krapen de laatste zowel als de thans voorgestelde282Wijziging Huurwcthuurwetwijziglng maakt het onzes inzlensdoor de wijze waarop bewoonbaarheid enonderhoud in de artikelen 3a en 12a aan deorde komen, niet gemakkelijker.Het is duidelijk dat het optrekken van hethuurpeil volgens globale algemene regelenmoet geschieden en dat daarbij bepaa'lde in-cidentele onbillijkheden onvermijdelijk zijn.Het in eerste instantie niet verhogen van debcneden een bepaalde grens liggende huren isslechts schijnbaar zulk een globale, algemenemaatregel.Juist omdat het van zo groot belang is, voor-al ook de woningwetwoningen in goede staatte houden, is de erkenning van een onvoWoen-de staat van bewoonbaarheid en/of onder-lioud als reden om een huurverhoging achter-wege te laten, te betreuren.Wil men die woningen nog als redelijke en zomogelijk zclfs goede woningen laten meetel-len, dan zal de eigenaar al het raogelijkemoeten docn om de huurverhoging toege-staan te krijgen en daarvoor is bij zeer veelwoningen onder de f 5,-- a f 9,^ huur (af-hankclijk van de gemeenteklasse) alle aanlei-ding. Onderschrijding van deze huurgrens be-tekent lang niet altijd een mindere bewoon-baarheid of onderhoudstoestand.Bovendien mogen de regelen van de artikelen3a en 12a misschien in enkele gemeenten eenpraktische toepassing hebben gevonden, in veleandere gemeenten is er een heilloze verwar-ring en ontevredenheid oncstaan, aismede eenhopeloos ingewikkelde administratie.Het is hier niet de plaats dit uitputtend tebehandelen maar de volgende opmerkingenmoeten toch naar voren komen:Stelt U voor, een complex woningwetwonin-gen waarvan de huur voor 1960 voor eenaantal woningen meer dan f 9,-- bedroeg enoverigens minder dan f 9,--. De toestand vande laatstgenoemde woningen geeft de woning-bouwcorporatie aanleiding ook daarvoorhuurverhoging aan te vragen.Nu is het mogelijk dat een aantal bewonersprotesteert en dat van deze protesten enigewel en andere niet worden toegewezen.De verhuurder is ontevreden, omdat het nietverhogen van de huur in veel gevallen is ge-schied op grond van klachten die nooit tezijner kennis zijn gebracht. Als het goed is,laat hij reparaties verrichten en vraagt op-nieuw huurverhoging aan, mede omdat hijanders geen verhoogd onderhoudsbedrag krijgt.Ook de huurders van woningen, die op grondvan niet protesteren in huur zijn verhoogd,komen in actie en als zij het zelf niet doen,dan is er wel een actiecomite om ze daartoeaan te zetten (soms weet de huurder zelf nietmeer waarover hij -- lees het actiecomite --heeft geklaagd). Dan volgt opnieuw het ver-richten van reparaties door de eigenaar envoor de zoveelste maal een aanhangig makenbij de huuradviescommissie.Ook wordt zelfs door huurders wel telkensopnieuw een verzoek limgediend bij de huur-adviescommissie, totdat er eindelijk enig vochtwordt ontdekt of er een deskundige komt dieer lets anders over denkt dan zijn voorganger;men noemt dit wel: wij spelen in de toto tot-dat wij de prijs hebben (huurverlaging). Menzou wensen dat hier een "ne bis in idem" zoukunnen gelden.Gelukkig is er nu van een huuradviescom-missie een verklaring bekend, strekkende tothuurverhoging toen een huurder weigerde eenherstelling te doen verrichten, omdat hij lievereen lagere huur had. Dit alles kost handenvo'l geld dat beter kon worden besteed en heteindresultaat is een administratie per woninginplaats van per complex, omdat op allerleiverschillende tijdstippen verhogingen ingaanen weer worden ingetrokken en van com-plexgewijs onderhouden en verbeteren geensprake meer kan zijn. Is het een wonder dater woningbouwcorporaties zijn die er onderdeze omstandigheden de voorkeur aan geven,in een minder goede onderhoudstoestand vande woningen te beruisten en van de huurver-hoging af te zien, ook omdat zelfs wel eensdoor de huuradviescommissies verbeteringenworden geeist, die volgens de bekende circu-laire van de Minister van Openbare Werkenen Wederopbouw van 24 april 1946 tot deverplichtingen van de huurder behoren.Het is zeer wel denkbaar dat vele woningendoor de huidige maatregelen economisch naarverkrotting worden gedreven!Indien zou worden gemeend, dat de eenmaalingeslagen weg niet meer kan worden verla-ten, dan zouden er tenminste enkele correctiesmoeten worden aangebracht die in de praktijknoodzakelijk zijn gebleken. Er zullen b.v. aan-wijzingen en normen voor de huuradviescom-missies moeten komen die een meer objectievebeoordeling toelaten; er zal paal en perk moe-ten worden gesteld aan het zonder een novumopnieuw indienen van een reeds behandeldverzoek; een huurverhoging zal niet onmiddel-lijk moeten worden afgewezen, als er klachtenzijn die nimmer ter tennis van de verhuurderzijn gebracht en aan de eigenaar zal een re-delijke tijd moeten worden gegeven om derge-lijke klachten eventueel zelfs complexgewijzete verbeteren.Beter dan deze correcties lijkt het echter eencomplexgewijze behandeling van woningwet-woningen mogelijk te maken en wel op zoda-nige wijze, dat veeleer verbetering en huur-verhoging worden bereikt dan het handhavenvan de lage huurprijs en het accepteren vaneen minder goede bewoonbaarheid of onder-houdstoestand.Hoewel erkend wordt dat een verschil in po-sitie tussen de woningwetwoningen en de wo-ningen in particulier bezit voor de toepassingvan de Huurwet op bezwaren kan stuiten,moet anderzijds worden gesteld dat de com-plexgewijze behandeling van woningwetwo-ningen ook bij bouw en financiering geschiedten daarom bij de toepassing van de Huurweteveneens te verdedigen is.Ik ben hiermede gekomen aan het eind vanmijn bespreking, die uiteraard niet uitputtendkon zijn en waarbij ik mij bepaalde tot eenaantal mijns inziens belangrijke punten, die ikkort heb samengevat.Mag ik er de nadruk op leggen, dat hetgeenik besprak mijn persoonlijke opvatting weer-gaf, dat ik sprak met de ervaring van dedirecteur van Volkshuisvesting van Rotterdammaar niet als zodanig.283StedebouwAchtergronden welstandstedebouwMaatschappelijke achtergronden van de welstandIn de bijdragen aan ,,Stedebou'w en Volkshuis-vesting" van September 1961 over welstands-zorg vallen cm. twee dingen op:a. de nadruk, die wordt gelegd op het ver-schil tussen:1. welstand in financiele zin (welvarendheid),2. welstand in esthetische zin (naar uiterlijkeverschijningsvorm);b. de nadruk, die wordt gelegd op het ondera.2. bedoelde als cultuurverschijnsel, beter: alsverschijnsel van gebrek aan cultuur, en op dewelstandszorg als cultuurzorg.Deze twee, m.i. niet ten onrechte gelegde na-drukken zijn in onderling verband te brengen.Daaruit volgt dan m.i. enige gevolgtrekkingt.a.v. de welstandszorg.Het onder a. bedoelde verschil zou ik welgraag wat willen relativeren. Wanneer eenwoord in twee duidelijk verschillende beteke-nissen wordt gebruikt, komt het niet zeldenvoor dat er toch een aanwijsbaar verband tus-sen die beide bestaat. De taal ontstaat niet,,per ongeluk", maar heeft eigen ,,raison, quela raison pent reconnaitre". Dat is hier m.i.ook het geval, en het is niet moeilijk datverband na te speuren. Ik veronderstel, datde betekenis van het woord ,,welstand", alsbedoeld onder 1, de oudste is, en doelt op eennaar buiten blijkende, maar in de eerste plaatsgeldelijke welvaart. Het was toen veelal z6,dat een dergelijke welvarendheid noch schijnwas, noch op geforceerde wijze naar buitentrad. Zij gaf het aanzijn tot bevredigendeesthetische uitingen. Men kon daaraan de be-tekenis hechten van welstand ook naar uit-drukkingsvorm. Deze betekenis heeft zich la-ter afgesplitst, verzelfstandigd, tot de onder 2bedoelde.Het gebruik van het woord ,,welstand" indeze betekenis alleen werd wat gezocht, toenmen woorden als ,,schoonheid" en ,,esthetisoh"als te subjectief en te positief wilde vermij-den. Het kon echter, in de wat burgerlijkeverhoudingen op bestuursniveau tegen 1920,zij het met enige krarapachtigheid, gebruiktworden in de zin van ,,welverzorgdheid", numet name van uiterlijk. Het is misschien nietzonder betekenis, dat het woord ,,welstand"juist in een gemeente als Laren -- toen aloverwegend woonoord van beter gesitueerden-- het eerste in een verordening met deze be-tekenis een plaats heeft gevonden.Inderdaad, uiterlijke welstand heeft zeker heelwat met materiele welstand te maken. lets datwelverzorgd is, welonderhouden is, welgeko-zen van materiaal en daarbij passende vorm,met aanwending van tijd en aandacht ver-zorgd, is meestal, zelfs in de regel, bevredi-gender en esthetischer dan wat weinig ver-zorgd en slecht onderhouden is. 0\tx de es-thetische kwaliteiten van wat spontaan isneergeworpen, van een bouwval, of van hetal te opgepoetste, valt uiteraard te discussie-ren. Maar in 't algemeen mag het voorgaandetoch wel juist heten -- in *t bijzonder als hetigaat om bouwwerken, die vrij lang mee moe-ten en die ook daarom weloverwc^en moetenzijn.We weten hier, wat de uiterlijke welstand be-treft, ook wel van mee te praten. Veel vanhet gebouwde is lelijk wegens te beperkte af-metingen en opzet -- vooral wanneer er ge-poogd is die te verdoezelen --, te schrale ofte ruwe constructie, te gering overstek, minderverantwoorde keuze van materialen. En datzijn vaak de dingen, waarbij de zuinigheid dewijsheid -- vooral op den duur -- bedriegt.De lelijkheid -- die de welstandszorg poogt tevoorkomen -- is veelal gevolg van een -- zijhet relatief -- gebrek aan materiele welstandvan de opdrachtgever. Niet altijd, omdat hijniet over het nodige kapitaal beschikte, datvoor het doel nodig was, maar ook omdat hijdat niet voor dat doel beschikbaar wilde stel-len, meer wilde dan voor dat beschikbaargestelde verkrijgbaar was, of het gebouwdemeer wilde laten lijken dan het was.Het is maar zelden, dat eisen van welstandIr. P. K. van Meurseen bouwwerk duurder zuUen maken -- voor-opgesteld dat dat bouwwerk degelijk en wel-verzorgd in technische zin moet zijn. Meestalzullen in die weinige gevallen de hogere kos-ten dan nog gevolg zijn van de eisen van de-- gebouwde -- omgeving: de belendingen.Het verkeren in een bepaald gezelschap brengtsoms bepaalde lasten met zich mee. Men leeftniet ongestraft ,,welstandelijk" boven zijn,,stand"; ook hier waarschuwt de taal.Voorbeelden van gebreken in uiterlijke wel-stand vindt men dan ook in de volkswoning:de grote opgave met de geringe middelen, deook letterlijk uitwendig uitgeklede volkswo-ning, in het onverantwoord slecht onderhou-den bouwwerk, in het kleine-bedrijfsgebouw:de kleine bergplaats, opslag- of stallings-ruimte, de daarbij horende terreinafscheiding,het erbij behorende erf. De kleine ondernemerheeft het bij onze maatschappelijke ontwikke-ling veelal ook financieel niet gemakkelijk. Indeze groep komt dan ook heel wat lelijksvoor: niet in de eerste plaats in oude kernen,maar in nieuwe wijkjes en buurtjes, aan deperlferie daarvan en op het platteland, in hetlandschap. Er is onmiskenbaar een veelvuldigsamengaan van gebrek aan welstand (1) meteen gemis aan welstand (2).We zouden dus de tweede, de uiterlijke wel-stand, kunnen verbeteren door verhoging vande eerste, de materiele welstand -- in het bij-zonder waar die het geringste is. We zijn daaral hard mee bezig, in onze zg. welvaartsstaat,en de gevolgen zijn ook zeker merkbaar. Maarwe hebben kennelijk ook op dit punt nog langniet voldoende bereikt.Welvaart en welstand zijn relatieve begrippen.Een gemis ter zake wordt niet alleen meergevoeld wanneer elders meer aanwezig is, bei-de worden meer ervaren waar vroeger minderwas. Een meer gelijkmatig verdeelde financielewelstand zou bevorderlijk zijn voor een beteralgemeen peil van welstand naar uiterlijkeverschijningsvorm. Men zal, bij de hier be-284,x,-~ ;;^:. '*^\^-l^''^ilW-.-.Nieuive stromingen elsen betrouivbare bakensZo'n verblijdende nieuwe stroming inde woningbouw is complete vioerafwerking,dus vioerbedekking bij de huur inbegrepen.Het betrouwbare baken daarvooris permanent linoleum.Tegenover een geringe verhoging vande huurprijs staan deze belangrijke voordelen:^ permanent linoleum betekent voorde huurder een aanzienlijke verllchtingvan zijn installatle-budget;* garandeert ook de minder draagkrachtigeneen volwaardige vioerbedekking;* bevordert de geluid-isolatie tussen de woonlagen;^ is blijvend bacteriendodend, dus hygienisch;^ heeft een lange levensduur, de kleuren gaandoor-en-door, dus kunnen niet wegslijten;^ verhoogt de woonbeschaving.^b-linoleum kroiTiiTieiiieVoor keuken, douchecel en hal ook colovinyl vinyl asbesttegels,soepel en slijtvast, in hoge mate bestand tegen olien,vetten, zuren en vele andere chemicalien.Vraag ook naar colorite cumaronhars tegels, .'.',eveneens in vele fraaie tinten.Onze afdeling technische adviezen verstrekt gaarne volledige inlichtingen (teIefoon 02980-81941)VACATy^i(vervolg)QEMEENTEGRONINGENAls snel groeiende centrumstad is GRONINGEN eenprettige woongemeente met vele mogelijkheden.Bij de dienst der stadsuitbreiding en volkshuisvestingworden medewerkers gevraagd, die in teamverband ste-debouwkundige plannen en interessante bouwprojectenmoeten voorbereiden. Er zijn zowel ervaren krachten no-dig, als jonge mensen, die nog praktische ervaring moetenopdoen.Naar gelang van opleiding en ervaring is aan de afdelingstedebouw en bouwkunde aanstelling mogelijk in de rangvan:Technisch ambtenaar le klasseTechnisch ambtenaar of hoofdtekenaar AHoofdtekenaarAdjunct technisch ambtenaarTekenaar ATekenaar BTekenaar CDeze salarissen worden verhoogd met AVo vakantietoelage+ 2V2^/o huurcompensatie en eventueel kindertoelage.De regelingen inzake vergoeding van reis- en pension-kosten, verhuiskosten, premiiesparen, studiekosten eneventueel het I.Z.A. zijn van toepassing.Beknopte sollicitaties binnen 10 dagen na verschijningvan dit blad te zenden aan de directeur van de dienstder stadsuitbreiding en volkshuisvesting, Ged. Zuider-diep 96, Groningen.f. 7729.-- tot f. 9270.--f. 5765.-- tot f. 7932--f. 5765.-- tot f. 7147.--f. 4764.-- tot f. 5968.--f. 4967.-- tot f. 6361.--f. 4346.-- tot f. 5765.--f. 3700.-- tot f. 5170.--GEMEENTE ARNHEMBij de stedebouwkundige afdeling van de dienst vangemeentewerken kunnen geplaatst wordenenige stedebouwkundige medewerkersin de rang van tekenaar of technisch-ambtenaar. De ran-gen en salarisen zullen worden bepaald naargelang vanopleiding en ervaring.De salarisgrenzen zijn:voor tekenaar B 3e kl.B 2e kl.B le kl.A,, techn. ambtenaarf 3700 -- / 5170/ 4345 -- f 5765/' 4965 -- f 6360/ 5575 -- / 7145f 5965 -- / 7930Deze bedragen zijn exclusief de huurcompensatie 1960.Ervaring is vereist, terwijl het diploma voor Stedebouw-kundig tekenaar P.B.N.A. tot aanbeveling strekt.Sollicitaties te richten aan de directeur van gemeente-werken, Westervoortsedijk 4a, Amhem, binnen 14 dagenna het verschijnen van dit blad.Geen bezoek dan na oproep.BUREAU WIEGER BRUIN, VINK en VAN DE KUILENstedebouw - architektuur -- vraagtstedebouwkundig onderzoeker(diploma of studie M.P.O. gewenst)in hoofdzaak voor het verrichten van stedebouwkundigonderzoek ten behoeve van gemeentelijke plannen.Geschreven sollicitaties aan bovengenoemd bureau, Kei-zersgracht 756, Amsterdam-C.j s* s^O^W* -**|l?Sj^*!?J?!:BOUW HILTON HOTEL AMSTERDAM// ICARUSnpersonen- en materialenliftvoorflat- en torenbouwmet goedkeuringscertificatenStandaarduitvoering:1400 kg hefvermogenof 17 personenGeschikt voor iedere hoogte totmaximaal 100 meterNederlands fabrikaatAlgemeene Bouwstoffen Centrale n.v.UTRECHTSEWEG 312 DE BILT TELEFOON 0 30-60154StcdebouwAchtcrgronden wclstandDeventerdoeldc nivcUcring, ook minder neiging heb-ben, bovcn zijn ,,stand" te voorschijn te ko-men. En, de artikclen over de welstands-zorg maken het wel duidelijk, dcze kan geenhoge uitingen van welstand-in-de-verschij-ningsvorm tc voorschijn roepen. Ze kan wel,en beoogt ook, cen beter gemiddeld niveaubcvorderen, door wat ver beneden het gemid-deldc ligt tot hoger niveau op te trekken.Met het voorgaande hebbcn we punt b, dewclstand als cultuurverschijnsel, eigenlijk algeheel benaderd: op het vlak van de uiterlijkeverschijningsvorm, maar ook op dat van degeldelijke draagkracht.We verbazen ons, nu, over het hoge uiterlijkewelstandspeil van achter ons liggende cultuur-perioden.We beoordelen dit naar wat daarvan in ge-bouwcn en andere bouwwerken, steden endorpen e.d. behouden is, of nog bekend is.Er is in die perioden een hoog gemiddeld peilvan uiterlijke verschijningsvormen -- en erzijn nog mcer toppen daar boven uit dandalen daar beneden. Dit komt misschien vooreen deel, omdat veel van het duurste en de-gelijkste, technisch het best verzorgde, voorons behouden is gebleven. Het komt mogelijkook, doordat -de maatschappij toen z6 wasingericht, dat de meer draagkrachtigen naarverhouding nog meer dan thans bouwopdrach-ten verleenden of op het bouwen invloed had-den, bv. door zeggenschap over grond. Den-ken we bv. aan het feodalisme, grootgrondbe-zit, heerlijkc rechten, absolutisme, maccenaaten regentenregering. Maar denken we ookaan elke fransman met zijn zondagse kip inde pan, aan de vrije ambachtslieden, de gil-den, de vrije burgerstand en de vele zelfstan-digen in de gouden eeuw -- voor de industrie-le revolutie een cultuurwisseling bracht enbezegelde, waarin van gespreide welvaart welzcer weinig sprake meer was, en ook de uiter-lijke wclstand naar een dieptepunt daalde.Zit er dan ook eigenlijk :geen uitgesprokencultuurelement in spreiding van materiele wel-vaart, en kunnen we dit ontkennen ook ge-zien verhoudingen over de gehele wereld inhet bijzonder? Is een nog veel meer gelijkma-tige verdeling van welvaart niet een eis vancultuur, en zal als afspiegeling daarvan hetuiterlijke welstandspeil niet veel gelijkmatigerworden, zal dan althans dat, wat ver benedende maat blijft, niet voor een groot deel ver-dwijnen?De maatschappij zal zich ook overigens moe-ten aanpassen aan nieuwe verhoudingen. Dekleine onderneming -- voorzover niet onm;s-baar en onvervangbaar als kwaliteitsbedrijfparallel aan oud ambachtsbedrijf -- zal wel-licht over of op dienen te gaan in grotere. Ditgeldt ook voor bepaalde agrarische bcdrijfs-vormen. En het (geldt ook voor het bouwbe-drijf. Concentratie op allerlei gebied vergrootfinanciele weerstand en schakelt ook de wel-vaart meer gelijk.Welstandszorg is goed, maar is goeddeels eencorrectie van de gevolgen van onvoldoendcdoorwerking van een maatschappelijk-culture-le ontwikkeling.Welstandszorg is ,,kurieren am Symptom",nuttig, nodig, maar niet genoeg. leder makehieruit zijn eigen gevolgtrekking.Deventer, stad van 250.000 inwoners Wenselijkheden en mogelijkheden.In opdracht van Burgemeester en Wethouders der Gemeente Deventer samengesteld door hetNederlands Economisch Instituut (Medewerkers: Prof. Dr. L. H. Klaassen, Drs. "W. C. Krojten Drs. W. M. van Liefland) en D. Zuiderhoek.Deze studie, uitgegcven als boek en wel eengoed verzorgd boek, wordt ingeleid door een,,Woord vooraf" van Burgemeester en Wet-houders van Deventer, gedateerd 8 sept. '59.In dit woord vooraf worden de denkbeeldenaangeduid die aanleiding waren tot de op-dracht aan het Nederl. Econ. Instituut enbovendien worden de grondslagen voor destudie vermeld.De bcdoelde denkbeelden zijn volgens hetvoorwoord te viinden in het bekende rapportover de bevolking van het Westen. Het voor-woord zegt daarover o.m. het volgende,,,Zeker is dat zowel bij ons College in zijnvorige samenstelling, alsook bij de oevoegdeautoriteiten in Den Haag het denkbecld ont-stond om cen stad -- of enkelc steden --buiten de ,,randstad Holland" te laten groeientot een grote stad, waarbij het Gemeente-bestuur van Deventer uiteraard aan de eigenstad dacht en Den Haag aan een stad -- ofenige steden -- buiten, maar niet ver buiten,de randstad."Hiermede is dan gezegd waarop de princl-piele wenselijkheid, nl. groei van Deventer intwee decennia van 50.000 tot 250.000 in-woners, berust. Verdere wensen vinden in dezeene wens hun oorsprong.Deze ene wens om te groeien Is derhalve nieteen gevolg van streekbelangen of onvoldoendeeigen leven of iets van die aard, daar spreekthet rapport althans niet over, maar zo zeg-gen B. en W., de overbevolking van het Wes-ten spreekt ,,tot de verbeelding van ons volk".Het voorwoord zegt daarover het volgende:,,Deventer ligt uiterst gunstig, tamelijk cen-traal, aan groot vaarwater en aan een kruis-punt van belangrijke, elkaar snijdende, weg-en spoorwegverbindingen.Stellig is de groei van een stad aantrekkelijkvoor haar inwoners en bestuurders. Het sti-muleert de reeds bestaande aotiviteit. Al zijner ook wel nadelen. Maax stellig heeft degedachte, dat de huidige bevolkingssituatieom een oplossing vraagt, zoals hier wordtgeboden, de doorslag gegeven, toen werd be-sloten dit rapport te laten maken en te publi-ceren.Het plan zal niet kunnen worden verwezen-lijkt zonder de medewerking van de regering,de beide provinciale besturen en talrijke amb-telijke diensten".Het boek is derhalve in de eerste plaats be-doeld, om in de terminologie van Burgemees-ter en Wethouders te blijven, om Den Haagop Deventer attent te maken.Elet dient te mogen worden vastgesteld dat ditpleidooi in keurige vorm is gegoten en stelligstof tot nadenken gecft.Maar behalve dat het principe wordt aange285StedebouwDeventergeven en de daaruit reohtstreeks voortvloeien-de wensen, bevat het boek meer, namelijk eengroot aantal gegevens over industrie, onder-wijs, huisvesting enz., vervat in het eerstedeel: ,,Onderzoek door het Ned. Econ. Insti-tuut". Een bespreking van dit gedeelte ligtniet op de weg van schrijver dezes, hoewelhi) todh niet kan nalaten er iets over te zeg-gen, doch dit eerst nadat het volgende is op-gemerkt.De wenselijkheden vloeien, zoals gezegd, voortuit die ene wens om te groeien. Vestiging vaneen universiteit en van industrie behoren hier-toe. Het rapport deel I gaat dan zeer op de-tails in. Becijferingen voor aantallen scholen,neringen enz. volgen elkaar op. Daarnaastwordt betoogd dat het mogelijk is de bevol-kingsoverschotten uit de omliggende streken,die anders wellicht in het Westen terecht zou-den komen, op te vangen. Volgens het rapportzijn de mogelijkheden om de groei van 50.000tot 250.000 inwoners te verzekeren aanwezig.Uit het bovenstaande zal het de lezer duide-lijk geworden zijn, dat het getal 250.000 niethet resultaat is van te verwachten groei, maardat om dit mooie ronde getal van 250.000 tebereiken een aantal maatregelen (stimulanten)nodig zijn.Het bijeengebrachte cijfermateriaal is dan ookafgestemd op dit einddoel. In de slotbeschou-wing van het eerste deel wordt het volgendegezegd:,,Het welslagen van het met deze studie ge-introduceerde plan ligt niet in handen vande onderzoeker"en iets verder:,,De oorzaak hiervan ligt besloten in de vi-cieuse cirkel waarin Nederlands ruimtelijkeproblematiek is gevangen. Agglomeratiesvormen een van de belangrijkste vestigings-plaatsen voor de industrie, doch ontstaanslechts door belangrijke industrievestigingen.Waar geen agglomeratie is, vindt industrie-vestiging met moeite plaats, waar geen in-dustrie komt, ontstaat .geen agglomeratie.Aangezien de industrie hoogstens vestigingin een bepaalde plaats aanlokkelijk kan wor-den gemaakt doch (gelukkig!) niet kan wor-den gedwongen, is doorbreking van de vi-cieuse cirkel slechts mogelijk door een doel-bewuste spreiding van de activiteiten, diedeze spreiding tot dusverre niet of slechtsonvoldoende kenden en waarvan de vesti-ging wel door de overheid wordt bepaald.Het is om deze reden, dat aan de vestigingener universiteit in deze studie een zo belang-rijke plaats is toegekend. De directe werkingervan moge niet zeer groot zijn, doch derijksoverheid neemt met de universiteitsves-tiging een voor een ieder waarneembarebeslissing een bepaalde stad voorlopig te ver-kiezen om uit te groeien tot een groter ge-heel, tot een centrum van een groot gebied.En deze beslissing kan doorslaggevend zijnvoor de mogelijkheden tot realisering vaneen plan een dergelijk centrum te scheppen".Het tweede gedeelte bevat de stedebouwkun-dlge studie door D. Zuiderhoek. Het uitgangs-punt is blijkbaar iets anders geweest dan vanhet Ned. Econ. Instituut.Het bestaande uitbreidingsplan laat een groeivan 50.000 tot 80.000 zielen toe. Op biz.165 vermeldt Zuiderhoek:,,De stichting van een nieuw stadsdeel voor100.000 a 150.000 inwoners aan de overzijdevan de rivier".In plaats van de gestelde 250.000 inwonerskomt men dan op minimaal 180.000 en maxi-maal 230.000 inwoners.Vaak en zelfs raeestal mag de stedebouwkun-dige ontwerper er niet op rekenen dat de groeivan de gemeente waarvoor hij een ontwerpmaakt, stopt na de verwerkelijking van hetdoor hem opgestelde plan. Een zekere vaag-heid in de begrenzing, een mogelijkheid totverdere groei moet worden opengelaten, tenzijeen zeer bepaalde groeigrens, om welke redendan ook, wordt beoogd.In het onder'havige geval zou het voor dehand hebben gelegen, het te ontwerpen struc-tuurplan op 250.000 inwoners af te stemmenmet een mogelijkheid tot verdere groei.Er is daarbij nog een tweede hiaat tussen debeide delen te constateren. Het eerste deel be-rekent nauwkeurig het aantal studenten vande te stichten universiteit, het aantal leerlin-gen voor allerlei scholen, het aantal aAeidersvoor verschillende bedrijfsklassen in de indus-trie voor een stad van 250.000 inwoners.Het becijfert de grootte van de benodigdeindustrieterreinen, als voorbeeld, bouwnijver-heid (Biz. 197).Aantal Terrein- Benodigd opp.werkzaam quotient ind. terr. inm'' (lees: ha.)op ind. terrein m m-1991 85,9 17,10Afgezien ervan dat schrijver dezes een zekerwantrouwen heeft in zulke nauwkeurige be-rekeningen (en afgezien van de vergissing m^in plaats van ha) van industrieterreinen, doethet wonderlijk aan dat geen berekening is ge-maakt voor het oppervlak voor de woon-wijken met de daarbij behorende openbaregebouwen en terreinen.Van de overgelegde schets werd een ruwe be-rekening gemaakt van het oppervlak.Het oppervlak totaalbedraagt ongeveer 1567 haAf universiteit(volg. berek. N. Ec. Inst.) . . 125 ,,rest 1442 haIn dit oppervlak is de recreatie, zowel passlefals actief begrepen. Bij een bevolking van100.000 is dit een dichtheid van 69 per ha,-- maar dan wordt het einddoel van 250.000lang niet bereikt -- en bij 150.000 118 inwo-ners per ha.Vooral deze laatst genoemde dichtheid wijstop een intensieve bouw. De fleurige figuurtjesdie het plan nu te zien geeft kunnen danstellig niet g^handhaafd worden, of als mendat wel wil, zal een vergroting van het op-pervlak waarschijnlijk noodzakelijk blijken.Aan het plan als zodanig doet dit uiteraardwel iets af, doch het tast, ook wanneer eengroter oppervlak nodig zou zijn, de structuurvan de schets daarom nog niet aan.Deze structuurschets wordt -- wellicht dat deontwerper dit zelf iets overdreven vindt --door B. en W. geniaal genoemd. Aantrekkelijklijkt de schets in elk geval wel. Het beeldJang de rivier met de beide bruggen kan, mitsde architektuur het ondersteunt, bijzonderfraai worden en zonder bij deze structuur-schets in details te treden, kan men wel aan-nemen dat de elementen aanwezig zijn voorlevendige stadsbeelden.Doch daarna rijst de vraag of een uitbreidingop de westelijke oever van de IJssel wel dezekerheid biedt van een volledig samen-groeien met de oude stad op de oostelijkeoever. Het zijn tenslotte slechts twee bruggenen de afstand is wel erg groot. De lange aan-lopen zijn wel erg hinderlijk. De verbindingnaar het industrieterrein is niet duidelijk enniet gunstig. Het universiteits-terrein is eigen-lijk wel bedenkelijk ingesloten en maakt de af-stand tussen de beide stadsdelen ongewenstgroter. Met andere woorden is het leven vandeze stad wel verzekerd?Dit alles afwegende en met als achtergrond deadministratieve en wettelijke moeilijkhedenkomt schrijver dezes tot de conclusie dat dekaarten voor Deventer als pretendent voorstad van 250.000 inwoners eigenlijk niet erggunstig liggen!Het resultaat van de studie van Zuiderhoeklaat dit, ondanks de aesthetisoh aantrekkelijkeopzet, duidelijk zien. Ir. E. J. De Maar286StedehouwKroniekKroniek en KommentaarDe vrije zaterdagheeft het beschamend beeld opgeleverd vanslagerswinkels vol mannen met boodschappen-tassen. Misschien mede om dit te ontgaanmaakten de stafleden van het Instituut Staden Landschap van Zuid-H
Reacties