g of hoog bouwen en wonen?StedebouwHet sociaal-wenselijke in de stedebouwVolkshuisvestingKrotopruimingOfficiele mededelingenSummaryUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en Stedebouwstedebouw & volkshuisvestingKOENE TEGELSMxnOhlUtK^Tdefoon 778566WAND- en VLOERTEGELSMOZAJEKonverglaasdverglaasdglasMARMER-TEGELSNATUURSTEENVorstvrij materiaalin tegels en strippenPLASTIC-VLOERENModerneLIFTENNEDERLANDSFABRIKAATSTARLIFTVoorburg - tel. 778400 (070)AANNEMINGSBEDRIJFErven J. F. P. Jansen n.Y.NIEUW-VENNEP - Telefoon 02546-541Burger- enUtiliteitsbouwBetonbouw?Momenteel in uitvoeringin Amsterdam:Hervormd Lyceum,Electrotechnische School,Hogere Zeevaartschool,Coffexfabriek,324 Airey Systeemwoningen.BOUW-KREDIETENN.V. DE RENTEKASZoutmanstraat 42?s-GRAVENHAGETelefoon 070-333860m^mF-"^ 'n pannendak,da'spas 'n dakbouwfysisch'n Pannendak vervult zijn taak automatisch. De luchtin een gebouw bevindt zich steeds in opwaarts gerich-te beweging. Deze iuchtstroom voert het bouw- enwoonvocht onzichtbaar, in dampvorm, met zich mee.Een goed geconstrueerd pannendak voert dit voclitcontinu af en is daarom de goedkoopste en meest be-drijfszekere ventilator voor het conditioneren van hetbinnenklimaat.Inlichtingen bij de afd. Technische Voorliohling van de Vereniging van Dak-pannenfabrikanten 'Nedaco', Dorpsstraat 62, Loenen / Vecht.emmerik vr??P^LiOODINOIIACADEMIE VAK BOUWKUNSTOpleiding tot architect en tot stedebouwkundigevanuit en met behulp van de praktijk.Aanmelding tot 16 juli.Aanmelding voor de cursus Hoger BouwkunstOnderricht tot 16 augustus.Prospect! en aanmeldingsformulier op aanvraag:Waterlooplein 67, Amsterdam-C. -- Tel. 020-22 30 46Gemeente BredaBij de sociografische dienst van de gemeente Breda kangeplaatst wordeneen medewerkervan academisoh of daarmee gelijk te stellen niveau.Ruime ervaring in het stedebouwkundig onderzoek is ver-eist. Hij dient de dagelijkse leiding van het onderzoek opzich te kunnen nemen en moet de sociograaf bij ontsten-tenis kunnen vervangen.Salaris afhankeilijk van bekwaamheid.Soliicitaties binnen 14 dagen na het verschijnen van ditblad te zenden aan de directeur van openbare werken,Wilhelminapark 27, Breda.VACATyiRIi;Sociale Raad te Maastrichtvraagt voor zo spoedig mogelijkeen sociologisch geschoolde medewerkerdie o.a. belast zal worden met onderzoeken, adviezen envoorlichting.Salaris nader overeen te komen op basis van Gemeente-lijke regaling.Soliicitaties te richten aan de Secretaris van de SocialeRaad, Cortenstraat 4, Maastricht.Bij de Provinclale Planologrische Dienst van Overijsselkunnen worden geplaatsttwee PLANOLOGENGegadigden moeten in het bezit zijn van een diploma b.i.of c.i. Delft of hiermede gelijk te stellen diploma.Het werk van een der functionarissen zal in hoofdzaakbestaan uit stedebouwkundige vormgeving ten behoevevan streekplannen, dat van de andere in hoofdzaak uitstedebouwkundige vormgeving ten behoeve van uitbrei-ding:splannen.Aanstelling in de rang van:Planoloog salaris /' 7.938,72--/' 11.789,52 ofPlanoloog A salaris / 10.645,68 -- / 13.745,28,(inclusief premiecompensatie A.O.W./A.W.W., en huur-compensatie 1960), afhankelijk van bekwaamheid en er-varing.Deze salarissen worden nog verhoogd overeenkomstig deper 1 januari 1962 voor het Rijkspersoneel te treffen maat-regelen.De provineie Overijssel is aangesloten bij de Interprovin-ciale Ziektekostenregeling (I.Z.R.).Soliicitaties met uitvoerige inliohtingen omtrent leeftijd,opleiding en ervaring, en met vermelding van referenties,gericht aan Gedeputeerde Staten van Overijissel, binnenveertien dagen na verschijning van dit tijdschrift, in tezenden aan de Direkteur van genoemde Dienst, Stations-weg 5, Zwolle, bij wie, na voorafgaande aanvraag, ookinlichtingen zijn te verkrijgen.Gemeente 's-HertogenboschTen behoeve van het sociologisch en sociografisch onderzoek in deze gemeente bestaan thans devolgende vacatures:a. Bij het bureau Sociologisch onderzoek en Sanering eenSociologisch Onderzoeker't-Hertogenboschwelke onder leiding van het hoofd van het bureau tot taak heeft het uitvoeren in ruime zinvan sociologische en sociaal-psychologische onderzoeken en van de algemene sociografischedocumentatie.Voor deze functie is vereist een voltooide opleiding sociologie en een aantal jaren onderzoek-ervaring.Het salaris bedraagt f. 933,-- tot f. 1216,-- p. m. excl. h. c.b. Bij de hoofdafdeling Stadsontwikkeling eenStedebouwkundig Onderzoekerwelke onder leiding van het hoofd van de lioofdafdeling en onder supervisie van het onder agenoemde bureauhoofd tot taak heeft het uitvoeren van economisch-sociografische onderzoe-ken ten behoeve van de stedebouw.Gedacht wordt aan een functionaris met een al of niet voltooide academische opleiding ineconomie of stedebouwkunde, zo mogelijk met ervaring in het verkeersonderzoek.Het salaris bedraagt f. 729,-- tot f. 1036,-- p. m. excl. h.c.Soliicitaties te richten aan het college van Burgemeester en wethouders.s&vUitgave van hetNederlands Instituut voorVolkshuisvesting en StedebouwMaandbladmei 196243e jaargang no. 5Redactie:Mevrouw Prof. C. W. VisserMe]. R. HartstraProf. C. van EesterenMr. C. A. van GorcumH. J. A. Hovens GreveProf. Mr. A. KleijnDrs. R. KokIr. P. K. van MeursAdres voor Redactie en Abonnementen:Lange Voorhout 19, 's-GravenhageTelefoon 18422}Advertenties:Keizersgrucht 188, Amsterdam-C.Postgiro nummer 113028Telefoon 249128Prof. Dr. S. O. van PoeljeMr. Ir. M. M. van PraagW. ScheerensDrs. W. J. ValkenburgDrs. H. V. d. WeijdeIr. W. WissingDit nummerheeft ah hoofdonderwerp de gedachtenwisseling over het rapport ,,Laag of Hooghouwen en worient", zoals die zich heeft ontwikkeld op de vergadering, die hetInstituut op 9 fehruari l.l. te Amsterdam over dit rapport heeft gehouden.De publicatie heeft een drieledig karakter. Eerst wordt een zeer beknopte samen-vatting van de inhoud van het rapport gegeven, wat aan het juiste begrip voorhet volgende ten goede kan komen; daarna komt een samenvatting van hetgeendoor de debaters ter vergadering is opgemerkt; en in de derde plaats wordt dediscussie gesloten met een antwoord van de commissie.Verder bevat dit nummer behalve de gewone rubrieken onder Stedebouw eenbeschouwing over het sociaal-wenselijke in de stedebouw en onder Volkshuis-vesting een bijdrage over de nieuwe financiele regeling ten behoeve van dekrotopruiming.97InhoudLaag of Hoog Bouwen en Wonen? . . 99 VolkshuisvestingKrotten en konijnen, W. Harmsma . 120Stedebouw Binnenland 123Het sociaal-'wenselijke in de stedebouw,Drs. W. J. Bruyn 114 Officiele MededelingenJuridisdh kommentaar 117 Nederlands Instituut 123Binnenland 119 Bond van Nederlandse Stedebouw-Buikenland 119 kundigen 124Summary 124Abonnementsprijs f 20,--. Losse nummers f 2,--.De leden van het Nederlands Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en de leden vande Nationale Woningraad ontvangen het Had kosteloos.98Laag of hoog houwen en wonenfLAAG OF HOCX5 BOUWEN EN WONEN?I n h o u d s o V e r 2 i c h tIn het rapport van de commissie Is als deel V een samenvatting opgenomen, terwijl daarenboven in verscheideneperiodieken resume's werden gegeven al dan niet voorzien van commentaar. (i)Hier moge daarom volstaan worden met een zeer beknopt overzlcht van de bevindingen der commissie. Kennisne-mlng van dit overzlcht kan het lezen van het rapport ulteraard niet vervangen. Het kan het mogeHjk wel verge-makkehjken.Deel I 1. De opdracht van de commissie luidde:,,de sociale, culturele, ruimtelijke, esthetische, technische en economischefactoren die van invloed zijn op de keuze van de bouwwijze van wonln-gen naar het aantal bouwlagen te bestuderen In hun onderlinge samen-hang en wisselwerking".De commissie ward verzocht bizondere aandacht te besteden aan het socialeaspect, met name de consequenties t.a.v. de bewoning.Ten aanzien van de economische aspecten zou zij zich kunnen beperken, omdatinzake de bouwkosten een afzonderHjke opdracht was verleend aan eenandere commissie.2. Het rapport beoogt een overzlcht te geven van de hierboven genoemdekeuze-factoren.Daarbij Is niet volstaan met het weergeven van gangbare inzlchten en opvat-tingen ten aanzien van enkele dezer factoren.Gestreefd werd naar een onafhankelijke en zo objectief mogelijke benadering.Ulteraard werd kennisgenomen en gebruik gemaakt van beschlkbare onder-zoekresultaten;daarnaast werden t.a.v. een aantal onderwerpen explorerende studies ver-rlcht, die beschouwd dienen te worden als inleiding op nader te verrichtenonderzoeklngen.3. Het rapport geeft geen ,,receptHur".Men kan er niet in lezen, welke keuze of combinatie van woonvormen men inbepaalde -- categorisch aan te duiden -- omstandigheden dient toe te passen.De beslissing daarover hangt naar het oordeel van de commissie af van om-standigheden, mogelijkheden en beperklngen, wenselijkheden en consequenties,die wisselen naar plaats en tijd.Bij grondlge bestudering biedt het rapport een grondslag voor een welover-wogen keuze, waarbij niet een enkele factor de doorslag geeft, doch waarbijde verschillende voorwaarden en consequenties tegen elkaar zijn afgewogen.Deel II 4. Geen der woonvormen -- laag, middelhoog of hoog -- verdient naar hetoordeel van de commissie principieel en onder alle omstandigheden uit eenoogpunt van bewoning de voorkeur.Elke woonvorm dient naar zijn eigen aard verder ontwikkeld te worden.De grote voorkeur voor eengezinshuizen komt naar het oordeel van de com-(') Zie de vermelding aan het slot.99Laag of hoog bouwen en wonentmissie voor een belangrijk deel voort uit onvolkomenheden In de reallsatievan meergezins'huizen.De commissie noemt een aantal noodzakelijke verbeteringen, waarbij zij af-doende geluldslsolatie vooropstelt.Ook het eengezins'huis echter beantwoordt nlet In alle opzichten aan de idealevoorstelling die men daaromtrent heeft. Hoogbouw is nog zelden geheel ade-quaat toegepast, maar vormt in elk geval geen aan te bevelen woonvorm voorgezinnen met jonge kinderen, en in het algemeen ook niet voor bewoners uitde lagere bevolkingsgroepen.Deel III A 5. De ontwikkeling van de bowwtechniek tendeert naar voorkeur voor ge-Bijlage III concentreerde bouwwijzen.Daarbij komt het herhalen van gelijke elementen en handelingen het meest totzijn recht en is het gebruik van technische hulpmiddelen het meest efficient.Het streven naar efficient bouwen stelt ook eisen aan de stedebouw, wat be-treft bloklengte en bouwblokgroepering.Tegenover deze ontwikfcelingen is waakzaamheid geboden met betrekkingtot de consequenties in kwalitatief opzicht, zowel wat betreft het bewonings-aspect als ten aanzien van de stedebouwkundige verschijningsvorm.Hier staat tegenover dat de ontwikkeling van de bouwtechniek 66k nieuwemogelijkheden kan openen om bepaalde onvolkomenheden van het meerge-zinshuis (zoals geluidsoverdracht tussen de woningen en een te starre platte-grondindeling) te helpen overwinnen.Deel III B 6. Verschil in grondgebruik van de onderscheidene woonvormen vormt eenniet te verwaarlozen factor hij de conceptie van uitbreidingsplannen.Dit verschil is uiteraard afhankelijk van de kwaliteitseisen die men steltt.a.v. verkavelingsvormen, blokafstanden, e.d.Bij het huidige kwalitatieve niveau verhoudt het netto grondgebruik van laag-bouw, middelhoge bouw en hoogbouw zich ongeveer als 100 : 55 : 40. (2)Het procentuele verschil neemt af, naarmate men grotere groepen beschouwt(buurten of wijken), wegens de vrijwel gelijke bijkomende oppervlakte aanbuurt-, wijk-, stadsdeel- of stadsvoorzieningen die daarbij nodig is. Voor eenwijk van 7000 woningen is de verhouding te stellen op 100 : 70 : 60. (2)Niettemin is het absolute verschil, vooral bij grote complexen en in sterkgeurbaniseerde gebieden zodanig, dat in tal van concrete situaties het toepas-sen van een kleiner of groter percentage meergezinshuizen onvermijdelijk kanzijn met het oog op andere ruimtelijke aanspraken.Laagbouw betekent niet dat volstaan kan worden met minder recreatievevoorzieningen. Integendeel: omdat de eigen tuin niet alle (actieve) recreatie-behoeften kan opvangen zijn daarnaast toch voorzieningen nodig in de pu-blieke sfeer; bovendien vraagt de grotere uitgestrektheid van het woongebiedeen grotere weglengte en daardoor meer (passief-recreatief) groen langs dewegen.('^) Deze cijfers zijn gebaseerd op proefverkavelingen.100Laag of hoog bouwcn en wonen?Deel III C-2 7. Het in feite bestaande verschil in grondkosten tussen laagbouw, middelhogeBijlage V bouw en hoogbouw komt in de grondprijzen zelden tot uitdrukking.De grondkosten verhouden zich op overeenkomstige wijze als het grondge-brui'k, namelijk voor een gehele wijk, op redelijk goede grond, ongeveer als100 : 80 : 65.Dit is gebleken uit proefverkavelingen.In de praktijk echter is dit moeilijk na te gaan.Bovendien spelen bij de prijs-vaststelling andere factoren een rol; de grond-prijs wordt in belangrijke mate afhankelijk gesteld van het aanvaardbaar ge-achte huurniveau. Dit komt er in de praktijk op neer, dat aan eengezinshuizenmeergezinshuizen worden toegevoegd om een onaanvaardbaar geachte grond-prijs te drukken, of, anders gesteld: dat de bewoners van meergezinshuizeneen deel van de hogere grondkosten van eengezinshuizen moeten betalen. Voordezelfde prijs zouden meergezinshuizen verhuurd kunnen worden die als woningof qua woonomgeving van hogere kwaliteit zijn.De door bewoners uitgesproken voorkeur voor laagbouw houdt hiermedeuiteraard geen rekening.Deel III C-3 8. Het onderscheid in bouwkosten tuss'en laagbouw en middelhoge bouw ismomenteel gering en wisselend; hoogbouw blijkt vooralsnog duurder.Verhoging van de kwalitatieve eisen t.a.v. het meergezinshuis zal de kostendaarvan naar verhouding doen toenemen. Voortgaande industrialisatie zaleen tegengestelde tendens doen ontstaan. De kosten van hoogbouw nemen afnaarmate de bouwervaring met deze woonvorm toeneemt.Praktijkcijfers geven een onduidelijk beeld van de werkelijke kostenverhou-dingen, omdat daarin te veel toevalsfactoren een rol spelen. Studie omtrentde feitelijke kostenverhoudingen en omtrent de factoren waardoor deze be-invloed worden is noodzakelijk.Deel III C-4 9. De overige kosten vertonen een wisselend beeld; de daarbij optredendeverschillen -- hoewel op zichzelf niet onbetekenend -- zijn gering t.o.v. dievan grond- en bouwkosten.De kosten van onderhoud (instandhouding) van de woningen zijn voor een-gezinshuizen hoger dan voor meergezinshuizen. {^)De bedieningskosten (leidingaanleg, straatverlichting, postbestelling, vuilop-haaldienst, straatreiniging, openbaar vervoer) zijn voor laagbouw aanmerkelijkhoger dan bij meer geconcentreerde woonvormen.De bewoningskosten (schoonmaken e.d.) zijn bij laagbouw te verwaarlozen,doch nemen toe bij middelhoge bouw (trappen, ramen) en nog eens bij hoog-bouw (lift, huismeester). Daar staat tegenover, dat bij hoogbouw ook eengroter woongerief kan worden geboden (centrale verwarming) hetwelk bijminder concentratie moeilijker te realiseren valt.(?') Onderhoud van stratcn en groen is verdisconteerd in de grondkosten-vergelijking.lOlLaag of hoog bouwen en wonen?Deel IV 10. De stedebouwkundige vormgeving vervult een belangrijke sociaal-cultu-rele functie in de samenleving; daarbij spelen de woonvormen een onvervang-bare rol.De taak van de stedeibouwkundige ontwerper is het creeren van een milieu, datniet slechts beantwoordt aan technisch-functionele eisen, maar daarenbovenvorm en uitdrukking geeft aan een stuk samenleving.Daarbij staat niet bet individuele wonen, doch de totaliteit van de neder-zetting op de voorgrond.Voor bet gestalte geven en kenbaar maken van deze totaliteit kunnen de hogereen meer geconcentreerde woonvormen een belangrijke functie vervullen.Het is dan de taak van volkshuisvesters en architecten ervoor te waken datin deze woonvormen de individualiteit van het gezinsleven tot haar recbt kankomen.Deel V 11. De commissie acht met de publikatie van het rapport, waarin boven-staande gedachten uitvoerig zijn uitgewerkt en toegelkht, de bestudering vanhet vraagstuk niet voltooid.Op velerlei gebied zal nadere studie en onderzoek noodzakelijk zijn.Zij hoopt met het naast elkaar stellen der verschillende gezichtspunten tot eenobjectieve oordeelsvorming en keuzebepaling te hebben bijgedragen.12. Veel bezwaren tegen het meergezinshuis zijn terug te voeren op een telaag kwaliteitsniveau, ah gevolg van te geringe offerbereidheid van de be-volking.De commissie besluit met de wens uit te spreken, dat de bevolking door voor-jichting en propaganda meer bewust zal worden gemaakt van:-- het belang van een goede huisvesting-- de mogelijkheden die zich daartoe voordoen-- de offers die -- ooik in de persoonlijke sfeer -- nodig zijn om die moge-lijkheden te verwerkelijken.Gepubliceerde samenvattingen van het rapport:Binnenhof 21-2, 22-2, 23-2, 24-2-1962Cobouw 16-2, 17-2, 19-2, 20-2, 23-2-1962Bouw 24-2-1962Goed Wonen, februari 1962Volkshuisvesting, januari 1962De Nederlandse Gemeente, 2 februari 1962Verschenen besprekingen:Dr. D. de Jonge E.S.B. 31-l-'62idem, Misset's Bouwwereld 2-2-'62idem. Fin. Dagblad 15-2-'62H. Frese, Medisch Contact 2-2-'62Drs. J. Visman, De Ned. Gemeente 9-3-'62Prof. Mr. A. Kleijn, E.S.B. 4-4-'62.Prof. Dr. Ir. H. G. van Beusekom, De Ingenieur, 27-4-'62.102Vakantie geeft u nieuwe krachtvoor 't zware werk dat altijd wachtstraks wordt met ijver weer gebouwd...op ENCI-CEMIJ hecht vertrouwd!En dat is dan 't laatste dat u voor uw vakantie nog overcement hoort. Want uw vakantie moet 100% zijn. Daarhebt gij en alien die voor Nederland in 't afgelopen jaarbouwden meer dan recht op! De Nederlandse cement-industriedraait op voile toeren door, immers ais u straksweer begint, wiit u onbeperkt de beschikking liebbenover ENCI Hofanorm en CEiVIIJ cement. - En wij belovenu dat wij onze vakantie z6 zulien nemen dat daar geenenkele stagnatie bij zal zijn. Wij wensen u mooi weer! ^ CSMUVVERKOOPASSOCIATIE ENCI-CEMIJ N.V. HERENGRACHT 507 - AMSTERDAM - TEL 38531 (5 LIJNEN)VACATU^iS(vervolg)^^Bij de Rijksdienst voor het Nationale Plan zijn te ver-vullen de functies vanHoofd van het bureauagrarische aangelegenhedenenHoofd van het bureauindustriele aangelegenhedenDeze functies omvatten het behandelen van de agrarischeresp. industriele vraagstukken bij de studies en adviezenop het gebied van de ruimtelijke ontwikkeling in Neder-land en het vertegenwoordigen van de Dienst bij diverseeontacten op nationaal en regionaal niveau.G-evraagd worden academici (opleiding landibouwkundigingenieur, resp. economie of economische geografie) metruime visie op de te behandelen vraagstukken en zo mo-gelijk met ervaring in planologisoh werk, in staat zelf-standig op te treden en met goede zin voor samenspel.Salaris afhankelijk van leeftijd en ervaring.Eigenh. geschr. soil, onder no. 2-1151/7852 (in linker bo-venhoek brief en env.) aan het bureau Personeelsvoor-ziening v.d. Rijksoverheid, Prins Mauritslaan 1, Den Haag.yGemeente Nieuwer-AmstelBij de dienst van Gemeentewerken afd. Stedebouw kanworden geplaatsteen stedebouwkundig tekenaarsalaris, afhankelijk van opleiding, bekwaamheid en er-varing min. / 5100.-- max. / 8755.-- per jaar, incl. A.O.W.en huurcompensatie, doch excl. 4% vakantietoelage.Verplaatsingskostenbesluit is van toepassing voor ge-huwden. De gemeente is aangesloten bij het I.Z.A. Noord-Holland.Sollicitaties uitsluitend schriftelijk, met uitvoerige inlich-tingen omtrent opleiding, praktijk en referenties te richtenaan de directeur van Gemeentewerken, Kastanjelaan 1 teAmstelveen.Gemeente BredaBij de afdeling stadsontwikkeling van de dienst van open-bare werken kan worden geplaatst eenstedebouwkundigeter assistentie van het hoofd van de afdeling.Gedacht wordt aan:a. een jong stedebouwkundig ingenieur met enige erva-ring op dit gebied, ofb. een stedebouwkundige met een rijke ervaring op hetgebied van het ontwerpen van uitbreidingsplannen.Salaris nader overeen te komen.Sollicitaties bdnnen een maand na het versohijnen van ditblad te richten aan de directeur van openbare werken,Wilhelminapark 27, Breda.Openbaar Lichaam ,,De Noordoostelijke Polder"(ruim 29.000 inwoners).Voor de in opbouw zijnde dienst van Publieke Werkenvan de per 1 juli 1962 in te stellen gemeente Noordoost-polder wordt gevraagdeen stedebouwkundigtechnisch ambtenaarin de rang van technisch ambtenaar of teohndsch amb-tenaar A.Opleiding: H.T.S. bouwkunde of daaraan gelijkwaardig.Het bezit van het diploma stedebouwkundig tekenaarP.B.N.A. o.d. strekt tot aanbeveling.De te benoemen functionaris wordt belast met de leidingvan de stedebouwkundige onderafdeling van PubliekeWerken.Salarisschaal per maand, inclusief comp. premie A.O.W.,exclusief huurcomp.:technisch ambtenaar / 507,33--/ 703,74;technisch ambtenaar A / 685,79^--/ 823,50Aanstelling boven het minimum is mogelijk.Van toepassing zijn o.a. vakantieuitkeringregeling (4Vovan de bezoidiging), verplaatsingskostenbesluit en I.Z.A.-regeling. Goede woniing te Emmeloord komt beschikbaar.Sollicitaties binnen 10 dagen na verschijning van dit bladaan de Landdrost van de Noordoostelijke Polder, voor-lopig raadhuis te Emmeloord.Gemeente SchiedamBij bovengenoemde gemeente vaceert de funotie vanhoofd van de stedebouwkundige dienstVoor deze functie is het bezit van het Delftse ingenieurs-diploma (afdeling Bouwkunde) vereist.Zij, die in de stedebouwkundige richting zijn gespeciali-seerd, genieten de voorkeur.Jaarwedde, met inbegrip van de compensatie voor inge-volge de Algemene Ouderdomswet te betalen premien,f. 14.382,-- in minimum en f. 17.910,-- in maximum, tebereiken na 8 dienstjaren, benevens 2%% huurcompen-satie en 4% vakantietoeslag per jaar.Kinderbijslag volgens rijksregeling.Aanstelling boven het minimum is niet uitgesloten.Al naar gelang van ervaring en bekwaamheid zal bovende hiergenoemde bezoldiging nog een persoonlijke toelagekunnen worden toegekend.Medewerking tot verkrijging van een woning zal wordenverleend.Gegadigden moeten bereid zijn zich aan een psycho-technisch onderzoek te onderwerpen.Eigenhandig geschreven sollicitaties, gericht aan het Col-lege van Burgemeester en Wethouders, dienen binnen 14dagen na verschijning van dit blad te worden ingezonden.SPECIAAl. INGERICHT voorLANG EN ZWAAR TRANSPORTmet wagens, w.o. met laadvermogen tot 140 ton,hoogte laadvloer 55 cm, of vetsleden.VERHUUR van mobiele kranen met hefvermogen:1 stuks van 70 ton1 stuks van 32 ton2 stuks van 26 ton6 stuks van 11 ton2 stuks van 7 tonN.V. v.h. Fa. WILLEM VAN TWIST's-Gravendeelsedijk 57, DORDRECHT, Tel. 3241 (4 lijnen)Laag of hoog bouwen en wonenfDe discussieDe vergadering van het Instituut, waar het rapport van de Commissie Hoog-bouw-Laagbouw is hesproken, had plaats op 9 fehruari 1962 in het nieuwe RAIgehouw te Amsterdam, onder voorzitterschap van de heer mr. G. C. van derWilligen, Voorzitter van het Instituut. Nadat de Voorzitter de vergadering hadgeopend en de aanwezigen had welkom geheten, gaf hij het woord aan de heermr. G. van der Flier, als vertegenwoordiger van Z. ?. de Minister van Volkshuis-vesting en Bouwnijverheid, die zich bereid had verklaard de vergadering te ope-nen, daarna aan me'], mr. E. Rihbius Peletier, als Voorzitster van de Commissieen vervolgens aan enige uitgenodigde debaters.Mr. G. van der FlierDe secretaris-generaal van het departementvan Volk&huisvesting en Bouwnijverheid, MrG. van der Flier, opende najmens de Ministerde vergadering met een woord van dank aanaan de Voorzitster en aan de Commissie voordit knappe en overzichtelijke rapport en aanhet bestuur voor het aandeel van het Instituutin de totstandkoming daarvan.Onderzoakingen uit de jaren 1955 en vol-gende, a'ldus spr., tonen duddelijk aan, de ver-schillende houdingen tegenover de modernevormen van woningbouw en tevens hoemoeilijk het is van de bevolking zelf eenduidelijke uitspraak te krijgen niet slechtsover echte of vermeende bezwaren, maarvooral ook over de wensen en verlangens,over de diverse opvattingen, die zoals veelgebeurt, niet altijd op duidelijke wijze tegen-over elkaar worden gesteld.Ten faveure van de hoogbouw pleiten enigeargumenten. Het eerste is, dat in ons landtengevolge van de bodemschaarste heel zui-nig omgegaan moet worden met de agrari-sche grond en met de recreatiegrond. Defactor grondbesparing mag echter niet hetenige uitgangspunt zijn bij de keuze van dewoonvorm.Een tweede, nogal krachtig lijkend argumentter verdediging van de hoogbouw en metname van de zeer hoge bouw is gelegen inhet stedebouwkundig motief. In verband metde tendens op grote schaal stadsuitbreidingente verwezenlijken en markante silhouettenen skylines te verkrijgen, die gegeven kun-nen worden door de hoge gebouwen, wordthoogbouw vooral door stedebouwers nood-zakelijk geacht.Spr. trek de houdbaarheid van dit argumentin twijfel. Toen in de verschillende landensteeds meer hoge woongebouwen verrezen.ontstond het besef dat die gebouwen zichvan andere woongebouwen eigenlijk alleenmaar in kwantitatief opzicht onderscheiden,miet in karaikter en funotie en dat zij nietde gewenste scandering van het stadsbeeldkunnen bieden.Spr. achtte de waarde van het rapport voor-al hierin gelegen, dat het een klaar en duide-lijk overzicht geeft van een zeer complexvraagstuk, dat misschien daarom zo omstredenis, omdat het van grote beteikenis is en naarvele kancen verweiven met fundamentelelevenswaarden. Zijn waarde voor de prak-tijk ontleent het rapport volgens spr. aanhet feit, dat het kennis en inzicht verschaft.die nodig zijn bij de keuze van de meestdoelmatige woonvorm in de gegeven situatie.De ontwikkeling van het terrein van hetwonen dieut ook gezien te worden tegen deinternational ontwikkeling op dit gebied.Ook in andere landen worstelt men met hetproibleem. Naarmate de stoffelijke belangenvan de volkeren grotere gelijkheid gaan ver-tonen, zuUen ook de huisvestingsproblemeneen grotere overeenkomst vertonen. Het ligtvoor de hand dat voor de oplossing van deproblemen meer en meer in een zelfde rich-ting wordt gezocht.Spr. sprak de hoop uit, dat de besprekingenzouden bijdragen tot verheldering van in-zicht in de proiblematiek en tot verruim.ingvan de ter zake van de opvattingen heer-sende inzichten en daardoor bij zouden dra-gen tot meer overeenstemming over een mo-gelijke oplossing.Mej. Mr. E. Ribbius PeletierDe studies, die tot dit rapport habben geloid,zijn verricht in de jaren 1956 tot 1960. Inhet voorjaar van 1961 is het rapport ingestencilde vorm aan de Minister van Volks-huisvcsting en Bouwnijverheid aangeboden.Met de latere publicaties dan het jaar 1960is daardoor niet of slechts in zeer beperktemate rekening gehouden, terwijl eventuelelatere ontwikkelingen niet verder kondcnworden beschouwd.Velen hebben aan de totstandkoming vanhet rapport meegewerkt. Spr. bracht al dezemedewerkenden dank. De opdracht van decommissie luidde: een groot aantal factorendie van invloed kunnen zijn op de keuzevan de bouwwijze wat betreft het aantalbouwlagen te beschouwen. Beschouwd moes-ten worden de factoren van sociale, culturele,ruimtelijke, estihetische, technisohe en economi-sohe aard, gezien in bun onderling verband.De aard van het rapport is niet geweest hetgeven van een aantal richtlijnen die bij eente nemen beslissing kunnen worden nagesla-gen en toegepast. Het rapport geeft eengroot aantal factoren ter overweging. Steedszal de verantwoordelijke instantie zelf dekeuze moeten doen en zelf moeten beslissenwelke combinatie van factoren in het onder-havige geval de beste oplossing zal geven.De commissie hoopt, dat zij het doorden-103Laag of hoog bouwen en wonenfken van de keuzemogelijkheden voor hen dieop deze wijze willen kiezen heeft vergemak-kelijkt.Spr. wees er op dat een gebrekkige realisatievan de woonvormen niet meet worden toe-gescihrevcn aan de woonivormen zelf. Dezemoigen niet gei'dentificeerd worden met deverscliijning van de woonvorm, die door aller-lai oorzaken gelbrdkkig kan zijn.Telkens komt in het rapport naar voren datmen ten aanzien van zeer belangrijke vraag-stukken nog onvoldoende kennis bezit. Vooralde technjsch-financiele werkgroep had daar-mede te kampen.Het eengezinshuis wordt in het rapport alsde minst problematische woonvorm aange-duid. Immers, men kan het eengezinshuis aanbijna alle groepen van bewoners kwijt. Dezeniet-problematische woonvorm zou echtertot een groot probleera worden, wanneer hijvoor de stedebouwkundige vormgeving al-leen beschikbaar zou zijn.Er is dikwijls de opmerking gemaakt, en hetvalt ook te constateren, dat de discussierondom de kwestie van hoogbouw-laagbouw,zo dikwijls in de emotionele sfeer komt teliggen. In het rapport is er zorgvuldig naargestreefd de zaken in een niet-emotionelesfeer te behandelen.Het onderwerp van wonen en woonomge-ving is voor ieder mens van het grootste be-lang. Het raakt bovendien de persoonHjkeverantwoordehjkheid van de huidige gene-ratie, aanigezien datgene wat nu gdbouwdwordt, het leven van een volgend geslachtvoor een groot deel zai beheersen.Spr. sprak de hoop uit, dat het rapport demensen die op de verantwoordehjke plaatsenstaan en de bevolking in het algemeen, totmeer nadenken over deze dingen zal bewegen.Prof. Dr. Sj. GroenmanSpr. begon met te constateren, dat het rap-port Hoogbouw-Laagbouw naar zijn me-ning een goed rapport is.Spr. uitte echter zijn bezwaren tegen hetfeit dat het rapport zo weinig duidehjk enuitgesproken is in zijn conclusies, daarbij inde eerste plaats doelend op het feit, dat aande vierde loonlaag zonder lift volgens betrapport blijkbaar een groot aantal bezwarenkleven, doch dat nergens royaal wordt gezegd,dat een complex van vier verdiepingen eigen-lijk een ending is. Misschien is dit een ge-volg van de omvang van de commissie?Het rapport doet volgens spr. een prijze-ns-waardige paging om een paar kenmerkenvan deze tijd op te sommen. Het spreektop biz. 26 en volgende van de maatschap-pelijke nivellering, de toenemende betekenisvan het gemeenschappelijke en van de ver-stedelijking. Het waarschuwt tegen een ideolo-gische overwaardering van de geimeensahap envan de betekenis van die gemeenschap. Hetvoegt er aan toe dat op langere termijn decultuur-filosofische overwegingen die in hetzicht zijn, zeer wel juist kunnen blijken tezijn, immers, een kunstenaar zou intuitiefde klank van de maatschappelijke ontwikke-link heel zuiver kunnen aanvoelen en zijntijd vooruit kunnen zijn. Spr. achtte dit ge-deelte uit het rapport niet het sterkst. Hetbetoog is niet uit een stuk, het beweert meerdan het bewijst en het vergeet de voornaam-ste achtergrond van deze tijd als maatschap-pelijk proces, met name te noemen. Het zouook aan duidelijkheid hebben gewonnen alshet onderscheid had gemaakt tussen alge-meen en gemeenschappelijk.De achtergrond van deze tijd wordt ge-vormd door het welzijribestel, door de Wel-fare state, in het nederlands vertaald alswelvaartsstaat, hetgeen alleen maar tot ver-warring heeft geleid.In het rapport wordt gesproken van demo-cratisering, van sociale nivellering, van sprei-ding van allerlei zaken en van sociale zeker-heid. Door de naar sprekers mening onjuisterangschikking wordt het inzioht benomenop wat in onze tijd algemeen wordt, watgemeenschappelijk is en wat individueel is.Mede door een toch nog aanwezige ideolo-gische blindheid, die ook door de Jonge ge-signaleerd is in E.S.B. van januari 1962, ishet geheel bizonder ondoorzichtig geworden.Spr. achtte het curieus in het rapport telezen over de toenemende betekenis van hetgemeenschappelijke, terwijl wij nu al wetendat het gezin inderdaad met allerlei grada-ties streeft naar privacy en wij daardoor hetwoord gezinsindividualisme hanteren.In de woning de uiting te zien van het ge-meenschappelijke in onze samenleving is eengevaarlijke metafoor, ofwel een uitdrukkingvan een politieke wens, zij het dan vermoe-delijk niet voor zichzelf, maar voor ande-ren.Dat de kunstenaar, die het gemeenschappe-lijke accentueert, zijn tijd voorbij zou zijnacht spr. door niets te staven. Veiliger is hette zeggen dat hij dikwijls wat onzinnigs wil,maar soms lets dat de moeite waard is.Er zijn in de sociale werkelijkheid van van-daag geen aanwijzingen te vinden voor hetrechtvaardig zijn van een visie die het ge-gemeenschappelijke ziet toenemen, buiten deindividuele sfeer. Het algemene neemt weltoe. Er vallen de mensten steeds meer dingentoe die vroeger alleen aan bevoorrechte ka-tegorieen toevielen. Dat behoort tot hetwelzijnsbestel. Dat daarmee sociale nivelle-ring zou worden bereikt is zwaar overdre-ven. Het welzijnsbestel gaat niet verder danhet garanderen van een aantal grondrechten.Daartoe behoort het recht tot het bewonenvan een goede woning, het recht op goedemedische verzorging en een verzekerde oudedag. Dat is lets heel anders dan nivellering.Spr. meende dat het goede rapport sterk ge-wonnen zou hebben als de sociologische be-schouwingen sterker en ordelijker waren ge-weest.104Laag of hoog houwen en wonentProf. Dr. Ir. H. G. van BcusekomSpr. stclide voorop dat het rapport cen schatvan waardevol matcriaal bevat en dat hetindeixiaad veelzijdig is.Spr.'s hooifdlbeBwaa.r is eohter een tekort aanoibjectiviteit, terwiji men op grond van deopdraoht een objectieve lesdraad had mogenverwacihten.Wat de fciten betreft, betreurde spr. het, datverschillende geschriften met duidelijke ge-gevens ten gunste van het eengezinshuis nietzijn vermeld in de literatuurHjst.Ervaringen bij de verhuring van verschillen-de woningtypen zijn nergens in het rapportvermeld.Ook wat verschillende uitspraken betreft,was spr. critisch gestemd. Spr. noemde hetonzin, dat het meergezinshuis een eigentijds-verschijnsel is, de hogere bouw de voorbodevan de moderne tijd, de hoge flat de huis-vesting voor moderne mensen en dat de hogerebouw veel meer in overeenstemming zou zijnmet de sociale relaties en verhoudingen vandeze tijd.De auteurs signaleren een ontwikkeling vanhet individuele naar het collectieYe. Zijspreken zelfs van een ideologische omzet-ting. V66r de oorlog was er een bewustvermijden, na de oorlog zou er een bewustcreeren van gemeenschappelijke, gezamenlijkegebruiken en elementen ontstaan zijn. Hetnoemen in dit verband van het gemeen-schappelijk trappenhuis noemde spr. zeeraanvechtbaar. Juist bij het dichter opeenwonen en bij het gedwongen gebruik van eengemeenschappelijk trappenhuis gaat men te-genover zijn buren meer reserve in achtnemen.Spr. was het verder niet eens met het opbiz. '28 vermelde, dat het voorheen op devoorgrond tredende ideaal van het buitenwomen en de idealisering van de tuinstadoverleefd zou zijn. Als er op het ogenblikeen ding springlevend is, dan is het de drangvan de stedeling om buiten te wonen.Verstedelijking is niet, zoals het rapport vol-gens spr. suggereert, een streven naar meergeconcentreerd, dus hoger, wonen, maar bete-kent op het ogenblik in Nederland een sprei-den van het women over grote landelijke ge-hieden. Deze ontwikkeling brengt natuurlijkplanologiisdbe bezwaren met zicih mee en menkan het betreuren, dat de Centrale OveAeidniet wat meer leading geeft.Het verkeer is een belangrijke factor bij hetconcentratie- en spreidingsvraagstuk van debevolking. Een eeuw geleden ging men inAmsterdam over tot hoogbouw, omdat ergeen openbare vervoermiddelen waren; dearbeider moest naar zijn werk lopen, terwijlook de grondspeculatie een rol speelde. Toenevenwel na 1920 Eindhoven geweldig begonte groeien, hadden de arbeiders een fiets enkon Eindhoven een stad van eengezinshuizenblijven. Daar zijn nu nog de bromfiets en degoedkope auto bijgekomen.Door de moderne ontwikkeling van hetverkeer vallen bevolkingsconcentraties uit-een em wordt de bevolkingsspreiding overgrote gebieden mogelijk.Spr. aohtte het derde deel van het rapport,dat handelt over de bouwtechnische en fi-nanciele aspecten, het mimsit aanvedhtbaar,T.a.v. het grondverbruik wordt in hetrapport gezegd, dat het eengezinshuis van90 vierkante meter wordt vergeleken meteen etagewoning van 80 vierkante meter. Datis een woning met ttii gevelbreedte van 8meter en die is voldoende voor een redelijkedriekamerwoning. Spr. stelde de vraag of menwel rekeming heeft gehouden met de alge-mene wens naar grotere woningen, zoals dieop het ogenblik tot uiting komt. De wO-nimgdifferentiaties, waar men vroeger zowarm voor liep, is geen succes geweest.Onderzoekingen hebben aangetoond dat debesparing van grond geringer wordt, naarmatemen ze betrekt op een kleine uitbreiding,een grote uitbreiding of een stadsdeel. Zewordt zelfs onbetekenend indien men de to-tale behoefte voor andere dan agrarischedoeleinden afzet tegen het in het totaal be-sdhilkbare agrarische en recreatieve areaal. Hetrapport geeft over dit laatste geen cijfers.Tenslotte haalde spr. de nota ,,RuimtelijkeOrdening" aan, waar op biz. 83 staat: ,,In deeerste plaats zal men moeten zorgen voorgoede stadsplannen die ook het wonen in desteden aantrekkelijker kunmen maken danhet thans soms is. Wellicht zuUen de opkomen-de tendenties nog tot een verdere heroriente-ring ter tegemoetkoming aan de woonwensendringen, ondanks de op zichzelf vrij groteoppervlakte grond die hierbij in het gedingis." De planologische organen in ons landheb'ben een open oog voor de grote belangenvan de volkshuisvesting en zijn bereid daar-aan verder tegemoet te komen dan op hetogenblik geschiedt, ondanks de vele behoef-ten van allerlei instanties die ook ruiinitevragen.Het rapport Hooigibo'uw-Laagbouw had kun-nen voorsbouiwen op deze bereidheid. Hetplait ecihter zonder noodzaak voor meer mid-delhoge bouw en meer hoogbouw om rulmtete winnen. (biz. 106).Jhr. Ir. ]. de RanitzSpr. noemde het rapport uitstekend gedo- elk aspect; enerzijds is dit lofwaardig, an- is het zichtbaar maken van onbewuste ver-cumenteerd; het geeft een vrijwel voUedig derzijds mist het daardoor inspirerende langens van degemen voor wie zij werken,overzicht van de factoren, die dit vraagstuk kracht. hinderen. Een daarvan noemt de commissiebe'invloeden en is boeiend geschreven. Het Er zijn enkele stoorzenders, die het gesprek, niet en dat is de persoonlijke ijdelheid vanrapport concludeent voorziahtig t.a.v. schler het denken en het intui'tief ontwerpen, dat sommige bestuurders, stedebouwkundigen en105Laag of hoog bouwen en wonen?architecten, die menen voor ziohzelf te bou-wen. ZiJ overwegen niet, zij stellen envou-dig een enkel meestal opvallend gegeven.Daarna vendoezelen agn. objectieve argumen-ten het feit, dat er alleen maar iets werd ge-steld. De tweede stoorzender is het vrijwel ge-fixeerde huurniveau. Dit remt wel kostienstij-gingen van de grond enigszins en die van debouw wat meer, maar verthindert tegelijker-tijd, dat de kosten dalen en dat de prijsvor-mlnig reijel tot stand komt. Het rapport tipteven aan dit vraagstuk, maar niet duidelijkgenoeg.De derde stoorzender is de vrijwel chaoti-sohe situatie, die er heerst fcij de opstellingvan gemeentelijike begrotingen van dekosten van uitbreidingsplannen. Zelfs ver-schillen in eenheidsprijzen van bepaalde ma-terialen van meer dan 200 % zijn geen uit-zonderingen, nog daargelaten de uiteenlopen-de methodes, die al of niet versoholen war-den toegepast bij de toedeling van de ver-schillende kostenfactoren. Het rapport geeftwel waardevolle relatiegegevens, maar laatmen toch vooral bedenken dat het geen wer-kelijke cijfers zijn.De vierde stoorzender is de drang naar re-petitie van gelijke, onlangs in een gemeentegebouwde, woningtypen, om redenen van"versnelling van procedure en vermijding vanhet prijsverhogend effect van het introduce-ren van een nieuw type.De kosten van ontsluiting kunnen wordengedrukt, in het bizonder voor eengezinshui-zen, die op een rij staan, wanneer zou wor-den aanvaard, dat de auto niet voor de deurbehoeft te worden geparkeerd, maar op par-keerplaatsen op enkele tientallen meters af-stand, terwijl de rijbaan wel geschikt zoukunnen zijn voor toevoer-verkeer, maar tesmal voor de hier onnodige snelle afwikke-ling van het verkeer. De eisen van politie,brandweer, vuilophaaldienst, maar ook vande bewoners en de bestuurders werken in ditopzicht verstarrend en prijsverhogend. Hetrapport noemt dit wel, maar had hieraandoor voorbeelden en cijfers wat meer accentmogen geven.Het rapport wijst op de drieledige functievan het stedebouwkundig object en noemtdie de utilitaire functie, de socioculturelefunctie en de esthetische functie. Het rapportmerkt daarover waardevolle dingen op. Spr.had echter gemist het feit, dat het niet zo-zeer gaat om de esthetische functie als welom de verschillende sociale en economischeaspecten in de stedebouw op zodanige wijzete verwezenlijken, dat zij redelijk ten op-zichte van zichzelf en redelijk ten opzichtevan elkaar kunnen functioneren. Hierbij ligtdus het accent op de functie.Bij het eengezinshuis is het woonaspect,,ruimte" bizonder belangrijk. Te recht merkthet rapport op, dat het eengezinshuis zonderde expansie in de zolder en in de tuin eenvan zijn essentialia verliest. Spr. voegde hier-aan toe, dat een eengezinshuis dat merk-waardige aspect van een voor- en een ach-terzijde, de representatieve kant en de meerineieme kant, ook zo duidelijk maar vorenbrengt. Het eengezinshuis is voorts de ex-pressie van een min of meer individuelewoonvorm. De privacy is er geringer danin de middelhoge en hoge bouw, de inkijkin de regel groter, de buurtcontacten veel-vuldiger. Het leent zich voor een groepe-ring in groepen, die dit symlboliseren.De middelhoge bouw in drie woningen isnog zelden goed tot zijn recht gekomen.Het zwaartepunt van de wooneisen ligt opde gemakkelijkheid en overzichtelijkheidvan de huishouding. Het leent zich niet voorhet grote gezin en is een enigszins anonymewoonvorm. Een van de fouten van deze tijdis, dat het bouwprogramma voor dit typemeergezinshuizen eigenlijk te weinig onder-scheiden is van dat van bet eengezinshuis.Hierin zou naar spr.'s mening een aanzien-lijke verbetering te brengen zijn door tegen-over de verkaveling van de eengezinshuizenin hun intieme buurtjes, die als het wareblokvormig telkenmale om elkaar zijn ge-groepeerd, de middelhoge bouw in grotelineaire verbanden dwars door de wijk beente zetten. De opmerking in het rapportt.a.v. de z.g. gemeenschappelijke tuinen tus-sen de deze hoogbouwblokken wijst er eigen-lijk ook al op, dat het onderscheid tussendeze gemeenschappelijke tuinen en de goedingerichte moderne en bruikbare plantsoen-stroken gering is.Bij het werkelijk hoge woongebouw ligt hetaccent op het aspect ,,outillage". Voor ge-zinnen, waarvan de leden buitenshuis arbei-den, is dit ?en uitermate geschikte woon-vorm. Het is geen woonvorm voor gezinnenmet nog kleine kinderen. Kortom, deze hogewoongebouwen vragen om een situatie, diehet economische spanningsveld van een wijkmarkeert. Zij vragen om een situatie bizon-der dicht bij allerlei winkel- en werkvoor-zieningen en allerlei verkeersvoorzieningen.Deze hoge woongebouwen mogen echternaar de mening van spr. niet zo geplaatstworden dat zij als het ware een brutale in-greep vormen op de niet urbane zones omonze urbanisatiegebieden been.Verwijzend naar een rapport van de PPDGroningen van enige jaren geleden meendespr. dat een redelijke woonwijk niet minderdan 40''/o eensgezinshuizen moet bevatten,een stedelijke wijk van enige omvang nietminder dan 25 ?/o flatwoningen. Op die ma-nier verkrijgt men een wijk, die gekenmerktwordt door leefbaarheid, in tegenstelling totde monotonie van een wijk, welke een bizon-der hoog aantal flatgebouwen bevat.Tenslotte verklaarde spr. zich voorstandervan het verdere onderzoek zeals het rapportdat aangeeft. Spr. zou edhter noig liever ziendat niet alleen stemmen opgaan voor naderonderzoek, dodh ook voor een visie, die doorde overtuigingskracht van die visie realiseer-baar zal worden.De grote lijnen van het beleid worden slechtsten dele door fundamenteel onderzoek, alsin dit rapport verricht, bepaald. Het team,dat geroepen is om vorm te geven aan alleaspecten aan dit vraagstuk verbonden, zalhet eens moeten zijn over de grondbeginse-len, de uitgangspunten. Nader gericht onder-zoek zal hier dan correcties op aanbrengen,maar de overtuigingskracht van de visiegaat daardoor niet teloor.106Laag of hoog bouwen en wonenfHierop volgde een vrije gedachtenwisseling,die alleen heperkt was daardat aan de spre-kers een maximale spreektijd van vijf minutenwas opgelcgd. In het onderstaande is getrachtde opmerkingen, die hierbij werden gemaakt,cnigszins systematisch samen te vatten.Een enkele opmerking had betrekking op desamenstelling van de Commissie. Zo werd erdoor de heer van den Toorn (Centrale Direc-tie P.T.T.) op gewezen, dat de eigenlijke be-woners, die toch in de Nederlandse Consu-mcntenbond verenigd zijn, geen vertegenwoor-diginig hadden in de commissie.VriJ veel werd gezegd over karaikter en me-thodick van het rapport. De heer de Bruin(wethouder Vlaaridingen) kwalificeerde hetrapport, waarvoor hij venklaarde bizonderveel waardering te hebben, als een rapportvan deskundigen, waarbij hij een teigenstellingmaakte met de z.i. ondeskundiige bestuurders.De botsing van meningen van de deskundigenzeide de heer de Bruin als bcstuurder zeer tewaarderen. Tegenovcr de typering van hetrapport in de ochtendvergadering door Prof,van Beusekom als niet-objectief kwam desmiddags de hear Bakker Schut met nadruik op.Hij achtte het rapport volslagen dbjectief ennoomdc het betoog van de evengenoemde in-Icider daarentegen zeer subjectief, waanbij hijin het bizonder wees op de ongelijke waarde,die de heer van Beusekom klaanblijkelijk toe-kent aan schrijvers, die de Commissie citeerten andere, die door de heer van Beusekomzelf aangehaald worden. De heer BakkerSohut voegde hieraan toe dat z.i. het doorhem bestreden betoog ten overstaan van depers schade heeft gedaan en aan de goedetrouw van de samenstellers van het rapportte kort doet.Zeer gunstig over de objectiviteit liet zich ookuit mej. Blomberg, die alleen op een onderdeel,waarop wij terugkomen, kritiek uitoefende.Enig voorbehoud t.a.v. de objectiviteit maak-te daarentegen de heer Hoekstra (Stadsont-wikkeling Utrecht), die sprak van ,,gedeelte-lijk objectiviteit". Hij deed ter adstructie en-kele aanhalingen uit het rapport (bijv de ,,zelf-genoegzame individualiteit van het eengezins-huis") en wees op een zekere gerlngschattingvan de meer traditioneel ingestelden en an-dere dergelijke uitlatingen waaruit hij eenzekere vooringenomenheid van de Commissieafileidde.Enkele vragen van algemene aard, die op hetkarakter van het rapport betrekking hebben,werden door de heer Dr. de Jonge (Techni-sche Hogeschool Delft) gesteld. Deze sprekerzag wel vooruitgang ten opzichte van publi-caties van de Centrale Directie uit de jarenna 1950, berustende op enquetes onder de be-woners. Hij betreurde het dat niet getracht isdoor interim publicaties tijdens het werk vande commissie, met name aan de eisen t.a.v.de middelhoge en hoge bouw bekendheid tegeven. Verder had het de heer de Jonge be-vreemd dat een bepaalde, toch wel door deCommissie geibruikte publicatie, niet is be-handeld en dat de vanwage de commissie zelfingestelde enquetes niet zijn verwerkt, bijv.die in Antwerpen.Ook de heer van Leeuwen (Landbouwhoge-school Wageningen) roerde de enquete alsmiddel ter verkrijging van kennis aan. Hijstelde in het licht dat het onjuist is te werkenmet een soort optelsom van het oordeel vanbewoners. Dit omderzoek zal op werkelijk we-tensohappelijk niveau en volgens wetenschap-pelijke methodiek moeten gebeuren en zal danleiden tot indicaties, die niet als zodanig sta-tistisch verwerkt worden, maar die nodig zijnvoor het opbouwen van een visie, die adequaatis aan de visie van de architect of de ontwer-per in het algemeen.Over het aspect van de bewoning werdendoor de meeste sprekers beschouwingen gele-verd. De heer de Jonge en ook de heer Petri(Provinciale Planologische Dienst Zeeland)deden dit met name. De heer de Jonge signa-leerde de eisen, die in het rapport aan de mid-delhoge en hoge bouw worden gesteld alseen belangrijk winstpunt, maar vroeg zich afof het te verwachten is dat die eisen tot voor-schrift zullen worden verheven. Ook hetgeende Commissie opmerkt over de bouwkostenvan de hoge bouw had de heer de Jonge metvoldoening gelezen.De heer Petri stelde dat de gehele ontwikke-ling van welzljn, ruimtebehoefte en privacyin Nederland en in West-Europa in het al-gemeen gaat in de richting van het eengezins-huis. Alleen als dit om om een of anderereden helemaal niet meer uitvoerbaar is, zul-len wij tot een andere bouwwijze moeten over-gaan. Er zijn natuurlijk groepen, die het an-ders wensen en voor die groepen is de hoog-bouw zeer geschikt, maar volgens deze spre-ker is het vrije eengezinshuis wat het neder-landse gezin in de toekomst zal vragen. Dezespreker prees ook de woonsfeer in de Ameri-kaanse slaapstad, die door mej. Ribbius Pele-ties was genoemd als een afschrikwekkendvoorbeeld.Aan de andere kant zette de heer de Bruinuiteen, als bestuurder, ,,dicht bij de mensenstaande" zoals hij zelf stelde, dat er een grotewaardering bestaat voor de etagebouw. Spre-ker pleitte voor groter vrijheid voor de ge-meenten om in dit opzicht te bouwen wat h.i.wenselijk is.Sommige sprekers maakten meer concrete op-merkingen over het bewoningsaspect.Zo pleitte de heer van Hezik voor proefwo-ningen om de woonwensen beter te kunnenvasitstellen.De heer van Tyen beperkte zich tot de vierdewoonlaag. De klimhoogte en dus de liftgrensmag z.i. niet hoger zijn dan 9 m., wat betekenteen beperking tot drie woonlagen zonder lift.De financiele consequentie daarvan zou vol-gens een recente berekening van het Departe-ment f 1600 per woning bedragee. Spr. be-pleitte niettemin met klem een verbod van devierde woonlaag, eventueel als een tijdelijkcompromis een hogere klimhoogte, mits metgalerijen en de mogelijfcheid tot het later aan-brengen van een lift.Mevrouw Hellendoorn (Nederlandse Huis-houdraad) meende dat het rapport weinig re-kening houdt met de wensen van de huisvrouw.Zij uitte de hoop dat er in de toekomst meergebruik zal worden gemaakt van de studiesvan wooneisen en huishoudtechnieken, zoalso.a. de Nederlandse Huishoudraad die maakt.107Laag of hoog bouwen en wonenfwaarbij z!j de Studie Functionele Grondslagenvan de Woning met name noemde.De heer Beekhuis (Gemeentelijke Geneeskun-diige Dienst Zeist) meende dat te weinig aan-dacht is testeed aan de medische aspecten vanhet onderwerp: het vervoer van patlenten enoverledenen.Me']. Blomherg zette uiteen dat de vi^oonibehoef-ten van de adleenstaande niet voldoende tothun reoht zijn gekomen. De eigenheid van dazewoonibehoefte komt niet tot ultdrukking. Ookvoor deze groep zal de verscheidenheid be-tracht moeten viforden. Degenen, die in groteflatgebouwen wonen, bleken bij een enquete inAmsterdam hieraan eensgezind de voorkeur tegeven.Op de stedebouwkundige aspecten "werd bij ditdeel van de gedachtenwisseling weinig inge-gaan. Wei deed dit de heer van Hezik, die destedebouwkundige vorm van de stad ter sprakebraoht. Hij stelde Iiierbij de vraag of dit eengeheel is waarin m?n aansluiting zoekt bijvroegere generaties. Is het een soepel geheel ofde conceptie van iemand, die hemelbestormerw'll zijn, zo vroeg de heer van Hezik. Ook deconsequenties van de machinale woningbouwvoor het onderwerp werden door daze debatergenoemd.De heer Petri raa/kte ook aan de stedeibouw-kundige zijde van het onderwerp in zijn be-toog over de voor- en nadelen van de Ame-rikaanse voorstad.Een zeer concrete kwestie werd door de heervan den Toorn op tafel gelegd, namelijk, dievan de ontwikkeling van de telecommunicatie-techniek via draadgolfzenders, waardoor deoverheid beperkingen aan de hoogte van ge-bouwen zal moeten opleggen, die zich in destraal van de zendermasten bevinden. Contactmet de Centrale Directie van de P.T.T. is duswenselijk over dergelijke bouwplannen.Ten slotte daelde deze spreker mede dat hijeen eenvoudig formule meende gevonden tehebben voor da grondbehoefte van woningenvan verschillend type.Het antwoord van de commissieNamens de commissie werden de spre-kers beantwoord door de voorzittersvan de werkgroepen: Drs. P. de Jong(werkgroep bewoningsaspecten), Ir.Chr. H. Kluiters (technisch-econo-mische aspecten), Ir. C. de Cler (stede-bouwkundig-architectonische aspecten)en door de beide rapporteurs, D. C. vander Poel en H. J. A. Hovens Greve.Het hiervolgende beoogt een samen-vatting van hun reacties, aangevuldvoorzover dit -- achteraf beschouwd-- voor een evenwichtige beantwoor-ding wenselijk is gebleken.Drs. P. de Jong accentueerde in zijnantwoord de actualiteit van laet vraag-stuk zowel in het heden als voor detoekomst. De opdracht van de Com-missie hield in het beschouwen vansociale, culturele, technische, economi-sche en esthetische factoren in hunonderlinge verband. Zoals altijd, wan-neer verschillende sociale aspecten inhet geding zijn, is er weinig nodig omin de emotionele sfeer te belanden.De Commissie heeft getracht deze tevermijden, nu wordt haar door enkelevoorvechters van het eengezinshuiseenzijdigheid verweten. Dit verwijtstoelt echter juist op de eenzijdigheidvan waaruit deze critici het vraagstukte emotioneel benaderen.Het gaat bij dit vraagstuk cm het zoe-ken naar een adequate vormgevingvan het ingewikkeld eigentijds gebeu-ren, waarbij men zich tevens de toe-komstige ontwikkeling moet trachtenvoor te stellen. Het boeiende van onzetijd is nu juist dat gemeenschappelijkgezocht moet worden naar het onder-linge verband en de wisselwerking, desynthese zo mogelijk, van factoren vanzeer uiteenlopende aard, die elk eeneigen gesohiedenis en een eigen bete-kenis hebben. Dit zoeken naar dezevormgeving is Cultuur in de ware zinvan het woord.Zo gaat het er bij het onderhavigevraagstuk om, een verband te leggentussen datgene wat technisch mogelijken economisch haalbaar is en datgenewat cultureel verantwoord, sociaalwenselijk en menselijk waardig behoortte zijn. Dit betekent, dat naast demeetbare, exacte argumenten uit dewereld van techniek en economie te-vens nlet-meetbare, veelal subjectievefactoren een rol spelen.Het sociale aspect ligt op de grens vanhet meetbare en niet-meetbare. Wijbevinden ons midden in een cultureelgroeiproces, waarbij ,,zij die ons insteen vormen schenken" in bizonderemate zijn betrokken en onder critiekworden gesteld. Het is belangrijk datwij in deze critische dialoog elkaarstalen leren verstaan. Ook in de com-missie heeft dat aanvankelljk moeilijk-heden opgeleverd. Het is dan ook nietverwonderlijk wanneer blijkt dat nahet verschijnen van het rapport allevragen en misverstanden niet met eenslag opgeruimd blijken te zijn.Bij de bestudering en het besprekenvan een vraagstuk als het onderhavigedienen wij sterker te beseffen dat wijleven met onvoltooide vormen in on-voltooide tijden (en met onvoltooidemensen!). Ons weten in zijn verschil-lende disciplines staat pas aan het be-gin van de hierboven bedoelde inte-gratie.108Laag of hoog bouwen en wonen?De commissie heeft haar eigen (beperk-te) onderzoek-mogelijkheden aange-vuld met literatuurstudie en met ge-sprekken met deskundigen in en buitende commissie, o.a. op paedagogisch enpsychiatrisch gebied. Zij heeft een re-serve in acht genomen ten opzichtevan de conclusies en diverse suggestiesgedaan voor verder onderzoek, dat zoudienen te geschieden in samenwerkingtussen vertegenwoordigers van ver-schillende wetenschappen.De studie is dus met het publicerenvan het rapport zeker niet voltooid.Tot zover uit de inleidende beschou-wing van de heer de Jong.De antwoorden op de gemaakte op-merkingen zullen hierna per sprekerof per onderwerp worden samengevat.Het door Prof. Groenman gemaakteonderscheid tussen ,,gemeenschappe-lijk" en ,,algemeen" werd door ver-schillende vertegenwoordigers van decommissie als een belangrijke aanvul-ling en rectificatie geaccepteerd.Drs. de Jong bevestigde dat tal vanzaken die in de wereld van het bou-wen met ,,gemeenschappelijk" wordenaangeduid, in feite niet meer zijn dan,,technische voorzieningen voor decommunicatie", zoals trappenhuizen,galerijen, liften, groenstroken enspeelvelden. In hoeverre komen dezetechnische voorzieningen tegemoet aande ideele wens van het gemeenschap-pelijke in het wonen en samen wo-nen? Evenals bij het moderne verkeerhjkt het waarschijnUjk dat ook in hetwonen de mens ,,contact houdt omcontact te verwijderen". Met dit nuch-tere, mensehjke antwoord schijnt ineerste instantie het optimum aan het,,gemeenschappeli)ke" getypeerd tezijn. Uiteraard sluit dit het hebbenvan een goed gezinsleven en ge-selecteerde vriendschapsverhoudingengeenszins uit. Maar daarnaast kan hetsamen wonen met vele gezinnen tochook zijn goede kanten hebben; hierHgt een vraag naar de menselijkheiden de mede-menselijkheid, die vooralvoor de jonge generatie, die straks de-ze woonvormen gaat bewonen, van be-lang is.Tegenover de door enkele sprekers --namens de commissie -- geuite waar-dering voor de positieve bijdrage vanProf. Groenman stond een unaniemeafwijzing van de door Prof, van Beu-sekom naar voren gebrachte kritiek.Drs. de Jong meende dat deze kritiekvooral hieraan moest worden toege-schreven, dat Prof, van BeusekombUjkbaar niet heeft begrepen, dat inhet rapport het eengezinshuis geenszinswordt gediskwalificeerd, doch dat --tegen de achtergrond van de ontwikke-Ung die wij doormaken -- de betekeniser van ten opzichte van andere woon-vormen wordt gerelativeerd.Er zou hier nog het volgende ter verduidelij-king aan toegevoegd kunnen worden.De werkgroep ,,bewoningsaspecten" heeftzich aanvankelijk op het standpunt gestelddat de verschillende woonvormen getoetstzouden moeten worden aan het eengezinshuisals meest gewenste, door het gebruik .geijkteen minst problematisohe woonvorm. Zij heeftdit standpunt niet zonder moeite en pas gelei-delijk los gelaten, naarmate bleek, enerzijdsdat het eengezinshuis in de realiteit niet altijdbeantwoordt aan het ideaal-^beeld dat men erin abstracto veelal van blijkt te hebben, an-derzijds, dat men de karakteristieke eigen-schappen van middelhoge en hoge bouw nietkan peilen, indien men deze woonvormenuitsluitend beschouwt vanuit het vertrouwdebeeld van de laagbouw.Voorzover het rapport bij sommige lezers deindruk blijkt te hebben gewekt van een een-zijdig pleidooi voor het meergezinshuis, --wat het bepaald niet bedoelt te zijn -- is ditdeels hieruit te verklaren, dat de aan deCommissie voorgelegde vraag naar de rede-lijkheid van de toenemende toepassing vanmeergezinshuizen aanleidlng was om aan deachtergronden van dit verschijnsel bizondereaandacht te schenken. Daarnaast is het zo datde auteurs het noodzakelijk hebben geacht om-- terwilie van de objectiviteit -- enig tegen-wicht te geven tegen de vele eenzijdige plei-dooien die in de laatste jaren -- met voorbij-zien of bagatellisering van technische, ruim-telijke, financlele en architectonische overwe-gingen -- voor laagbouw en tegen het meer-gezinshuis zijn gevoerd.Indien Prof, van Beusekom, Dr. de Jonge, e.a.wijzen op verschillende niet door de com-missie genoemde publicaties waaruit de waar-de van het eengezinshuis naar voren komt,dan kan dit alleen als een fout worden aan-gemerkt, indien de commissie gesteld zou heb-ben dat het eengezinshuis geen goede woon-vorm is. Zij heeft er in haar voorzichtiggestelde conclusies echter op gewezen, dat heteengezinshuis uit hewonings-oogpunt be-schouwd moet worden als ,,de minst proble-matische woonvorm, geschikt voor alle bewo-nerscategorieen, met uitzondering wellichtvan alleenstaanden". Daartegenover heeft zijaan de toepassing van het middelhoge meer-gezinshuis een hele reeks voorwaarden ver-bonden, terwijl zij categorisch stelt dat dehoogbouw -- ook al beantwoordt deze aande even bedoelde voorwaarden -- ongeschiktis om als algemene woonvorm te worden toe-gepast.Een en ander heeft andere beoordelaars doenopmerken, dat het eengezinshuis in het rap-port duidelijk als wenselijke woonvorm naarvoren is gekomen.De beide rapporteurs hebben er in hunrepHek tegenover Prof, van Beusekomop gewezen, dat deze onexact uit hetrapport heeft geciteerd.Dit moge hier met een enkel voorbeeld wor-den geillustreerd.Wanneer in het rapport, in de inleidende be-schouwingen (op pag. 27) gepoogd wordt hetin voorafgaamde paragrafen besproken ver-sohijnsel van het toenemen van het meerge-109Laag of hoog houwen en wonen?zinshuis te verklaren en toe te lichten, danwordt daarbij onder meer geconstateerd, dat,,zich wat betreft de overwegingen die aande vormgeving ten grondslag liggen een ideo-logische omzetting aftekent: voor de oorlogeen bewust vermijden, na de oorlog een be-wust creeren van gemeenschappelijke -- geza-menlijk te gebruiken -- voorzieningen". Ditwordt toegelicht met aan de praktijk ontleen-de voorbeelden, zoals het gemeenschappelijketrappenhuis in plaats van de afzonderlijkeopgang en de gemeenschappelijke tuin in plaatsvan het verkavelde binnenterrein.Prof, van Beusekom deed het voorkomen als-of de Commissie zich met deze constateringzonder meer voor de wenselijkheid van dezeontwikkeling heeft uitgesproken en of zij zichkritiekloos met de gesignaleerde ideologie om-trent het gemeenschappelijke en gemeenschaps-vormende heeft vereenzelvigd.In het gebruik van het woord ,,ideoIogisch"door de commissie ligt echter reeds een kri-tisch afstand nemen opgesloten.Elders in het rapport, n.l. bij de toetsing vande woonvormen aan de woonbehoeften, wor-den de bezwaren van gemeenschappelijk tegebruiken elementen wel degelijk genoemd. Bijde opsomming -- op pag. 73 -- van voor-waarden waaraan voldaan zou moeten wor-den om het meergezinshuis in kwalitatief op-zicht vergelijkbaar te doen zijn met het een-gezinshuis, wordt als tweede voorwaarde, di-rekt na ,,voldoende geluidsisolatie" genoemd:,,beperking van onvrijwillige contacten". Me-de om die reden wordt even verder gepleitvoor toepassing van drie in plaats van vierwoonlagen. Bovendien wordt in verband metde door Prof, van Beusekom sterk onderstreep-te bezwaren in een later punt (i, op biz. 74)gepleit voor ,,selectie van bewoners", in diezin, dat niet een te sterke menging optreedtvan uiteenlopende bevolkingscategorieen zoalsdit na de oorlog -- als gevolg van woning-tekort en woningtoewijzing -- zo vaak het ge-val is.In het rapport aangehaalde uitspraken van --soms met name genoemde -- architecten e.a.werden door Prof, van Beusekom uit hun ver-band gelicht, naar voren gebraoht als oordeelvan de commissie, en vervolgens fel bestreden.Dit wekt een verkeerde indruk die uiteraardniet bij kan dragen tot een vruchtibare ge-dachtenwisseling.Het zou te ver gaan in dit verslag de onnauw-keurigheden in het betoog van Prof, van Beu-sekom stuk voor stuk te signaleren en teweerleggen. Met nog een enkel voorbeeld mo-ge worden volstaan.,,De sympathie van de auteurs voor het meer-gezinshuis gaat zelfs zo ver -- aldus Prof, vanBeusekom -- dat men durft te beweren datbij toenemende bevolkingsconcentratie strikteprivacy alleen maar mogelijk is in het meer-gezinshuis, mits aan bepaalde voorwaardenvoldaan wordt, voor wat betreft situering, in-deling en isolatie".Deze opmerking kan alleen indruk makendoor de wijze waarop zij werd voorgedragen.Gaat men na wat er in het rapport (op pag.27) staat, dan blijkt het volgende (wij cursi-veren nu alleen datigene wat door Prof, vanBeusekom werd weggelaten):,,Verschillende architecten leggen er in ditverband de nadruk op dat bij toenemende be-volkingsconcentratie strikte privacy -- deburen niet zien of horen en niet door de bu-ren gezien of gehoord worden -- alleen nogverwezenlijkt kan worden in het meergezins-huis, mits dit aan bepaalde voorwaardenvoldoet wat betreft situering, plattegrond-jndeling en geluidsisolatie. Het eengezinshuis,zo stellen zij, kan deze privacy alleen biedenindien er voldoende ruimte omheen is, het-geen in de stedelijke woonwijken meestal nietmogelijk is".Het betreft dus een opmerking -- in de in-leiding tot het "rapport -- waarbij tot twee-maal toe wordt aangegeven dat hier eenopvatting van derden wordt weergegeven.Overigens, velen zuUen bereid zijn te beves-tigen dat althans de visuele privacy in hetgoed gesitueerde meergezinshuis groter is danin een krappe verkaveling van eengezinsrijenhuizen.Maar Prof, van Beusekom ging nog verder:,,De auteurs vergeten blijkbaar, zo sprak hij,dat deze voorzieningen, willen ze inderdaadeen beetje privacy waarborgen, een aanzien-lijke kostenverhoging meebrengen."De commissie vergat dit niet. In het desbe-treffende deel van het rapport en in de samen-vatting (resp. op biz. 120 en op biz. 164)vermeldt zij, dat de bouwkosten van de wo-ning in het meergezinshuis, indien dit beant-woordt aan de door de commissie gesteldevoorwaarden, hoger zullen zijn dan die vanhet eengezinshuis.Wat Prof, van Beusekom echter vergeet isdat -- zoals hij zelf zegt en schrijft (1) -- deCommissie ,yheel wat waardevol materlaalheeft bijeengebracht, met name ook inzake definanciele aspecten". Tot dit ,,waardevollemateriaal'' behoort, dat de commissie heeftaangetoond, dat de grondkosten (inclusief ge-kapitaliseerd onderhoud) en de kosten vanopenbare diensten (straatreiniging, postbezor-ging, straatverlichting, leidingen, etc.) vooreengezinshuizen per woning belangrijk hogerzijn dan voor middelhoge en hoge bouw. Be-perking van de grondkosten vormt de meeslsimpele verklaring voor de sterke aandrangdie dikwijls van gemeentelijke zijde op deontwerpers wordt uitgeoefend tot het toepas-sen van meer of hogere meergezinshuizen teneinde de gemiddelde grondprijs per woning tedrukken. Hij vergeet ook er op te wijzen --zoals de commissie doet op pag. 126 -- datdit in feite hier op neer komt, dat de bewo-ner van het meergezinshuis via de huur diehij moet opbrengen, zijn bevoorrechte buur-man-eengezinshuis-bewoner, die slechts eendeel van de werkelijke grondkosten behoeftop te brengen, subsidieert. (Zie ook pag. 115--116).Kortom Prof, van Beusekom doet de veelzij-digheid van het rapport bepaald te kort.(^) het laatste in de Ingenieur van 27 aprilpag. B 122 e.v.110Laag of hoog bouwen en wonenfDe Heren ir. de Cler en ir. Kluiters be-treurden het dat prof, van Beusekomniet meer aandacht besteed had aa
Reacties