stedebouw & volkshuisvestingOrgaan van hetNederlands Instituut voorRuimtelijke Ordeningen VolkshuisvestingIn dit nummer:StationswijkenOverheid en inspraakMataplanAfscheid van doorstromingslandSegregatie RotterdamJournaalBerichtenMededelingenmaart 1974DiversenGeheide ervaring.Inuitbreidingsplannen.Nationale-Nederlanden neemt gemeenten-in-expansie veel werk uit handen. Vanplanning en financiering tot en met exploitatie.Of het nu gaat om eengezinswoningen, flats,betaalbare koophuizen of om completewoningcomplexen.Want stadsontwikkeling zonder project-ontwikkeling is tegenwoordig niet meerdenkbaar.En project-ontwikkelingvraagt omcoordinatieI van nogalwat verschillende disciplines. We hebben daarvergaande ervaring mee. Het gemeentebestuurdraagt de grove uitgangspunten aan.En houdt bovendien in alle gevallen hetlaatste woord.Nationale-Nederlanden/VastGoed is opmeer terreinen actief. Bouwdebijvoorbeeld kantorenvoor gerenommeerdebedrijven,Zoals voor Gasuniein Groningen enAdressograph-Multigraphin Rijswijk.Het ging daarbij om maatwerk,zorgvuldig toegesneden op de specifiekewensen van de client.In eigen bezit hebben we nu zo'n 22.000huizen, 50 vvinkels en winkelcentra,0 kantoren en160 boerderijen.Wie zo'nhuiseigenaaris, weet ookwat beheer en onderhoud voorstellen.We kunnen u dus helpen met know-how.Maar we denken ook graag met u mee overde meest flexibele vorm van financiering.Geld om op te bouwen. Zelfs als u veel nodighebt.Als u meer informatie wilt:bel de directie vanNationale-Nederianden/VastGoedVraag naarJ. C.van Spronsen of H. Rademakers.Telefoon015-132990.Noordeinde21,Delft.Nationale-NederlandennT\)BouwmaterialenBETONMAATSCHAPPIJ IDEAL N.V.KWALITEITS BETONKOMO GARANTIEMERKBETONSTENEN6 KANTE TEGELSX PROFIELSTENENMARKERINGSSTENENnieuw!volgena rapportt. n.o. b6937muurdiktee0,089 m = warmtew/eeratand r. o.26 m2. 8?c/jvolgena n.a.n.1068 = M/armtegel. coefficienty. o. 34 m a?c/jla galljk aan:C 29 m a?c/kcalkrimpvrijlicht in gewicht en spijkerbaarte verwerken als gewone baksteenbalkdragendideale hechting voor deverschillende bepleisteringente verwerken met normalemetselspecievochtopname 14?/ogeen onkosten achterafs|iuracgiafrporotonvraag nu inlichtingen bij; nv handelsmaatSChappJj clrve nautilusstraat 141tilburgtelefoon 04250-24776na 18.00 uur 73965AannenieriAannemersbedrijf SMULDERS & GRAFT N.V.Dorpsstraat 23OISTERWIJKTelefoon 04242-2136Aannemers van BETON-EN UTILITEITSBOUWFa. de Wed. H. KOKNieuwendammerdijk 238,AMSTERDAM-NOORDTelefoon 020-276222Aannemersbedrijf van burgerlijke en utiliteitswerkenVerwarmingJAN BOERBOOM B.V.TILBURGTelefoon 013-431046Centrale verwarming volgens alle systemenAirconditioningSanitaire installatiesWarm- en koudwater voorzieningenGas- en afvoerleidingenELEKTROTECHNISCHBUREAUFa VAN DE WEELEenzn.ZWAKSTROOMINSTALLATrESELEKTRISCHE LIGHT- EN KRACHTINSTALLATIESBLIKSEMBEVEILIGING -- NEONADVIEZEN EN INSTALLEREN VAN VENTILATIE-SYSTEMENCENTRAAL ANTENNE-SYSTEMENNIEUWDORP Ring 7-9 Telefoon (01196) 12307BouwmaterialenVOOR UW GEHELE WANDBEKLEDINGSPAKKET HUNT U BIJ KLEWABO TERECHTOnze kollektie bestaat uit:Suwide Stormur PicoboxenAerovyl Murana DismurDural VescomSari PicofixWij brengen eveneens een meubelkollektieSuwideSolesaMarco1 Q.< 1fi> o>(O o>< To -^?^ ^ANo3ooQ.C(D c3 TCP(D(0r*^*--i^ ,-XKaart 3: De stationswijk te Leiden in 1911 (ontleend aan de Topograjische Atlas der gemeente Leiden).bouwd voor rijkere Leidse Ingezetenen.Aan de flanken van de stationswijkverrljst enlge woonbebouwing voor la-gere Inkomensgroepen.Als gevolg van dit ontwikkellngsprocesblljkt de status van de bevolklng vande stationswijk vrlj laag te zljn en nau-welljks af te wljken van het statusnl-veau van de gehele stedelljke bevolklng.Ook In Leiden verandert het gezlchtvan de stationswijk in de periode tus-sen 1900 en 1945 welnig; alleen wordtde arbelderswijk rond de Maredljk Inde eerste jaren nog enlgszlns ultgebreld.Het aangrenzende Schuttersveld blljftechter onbebouwd. Wei wordt er veelover gepraat: nog In 1924 verklarenB & W deze kwestle ,,In beraad" tehebben, maar dat duurt tot 1934. Paswanneer elders in de gemeente een ver-vangend terrein wordt aangeboden, kantot ontbinding van de verhuurover-eenkomst met het Rijk worden overge-gaan. Zodra dit het geval is, wordtdan een uitbreidlngsplan ontworpen,dat echter zowel in eerste, als tweedeversie In 1935 en 1936 door G.S. wordtverworpen. Een van de redenen is, datgeen rekening gehouden wordt met dedoor het Rijk gewenste spoorbaanver-hoging. Een beslissing hierover blijft inde daarop volgende jaren echter ult, zo-dat er op het Schuttersveld weinig ver-andert, buiten de bouw van enige scho-len en een straat met middenstandswo-ningen. De in 1940 uitbrekende oorlogdoet uiteindelijk alle discussies hieroververstommen. Het uiterst drassige, aande spoorbaan grenzende deel van hetSchuttersveld wordt in deze periode bijgelegenheid als ijsbaan gebrulkt.Buiten een In de tijd groeiend aantalkleine verkeerstechnlsche ingrepen inverband met het toenemende verkeer,verandert er elders In de wijk ook wei-nig. Aan het eind van de oorlog wordenin de Haverzakbuurt enige woningenbeschadigd en vernleld door oorlogs-handellngen.Functioneel zljn er wel veranderingenopgetreden: door uitbreiding van deambachts- en opslagbedrijfjes langs deMaredljk en door het felt, dat na 1920steeds meer grote woningen langs deStationsweg In kantoren worden omge-zet, winnen de niet-woonfuncties ter-rein.In deze periode vestigen zich langs deStationsweg voor het eerst allerlei win-kels, koffiehulzen etc., gerlcht op hettoegenomen reizlgersverkeer van ennaar het station. Door al deze ontwik-kelingen Is de woonfunctie enlgszlnsaangetast: ult de verdere daling van hetstatusniveau van de bevolklng In dezeperiode, valt op te maken dat vooralde resterende hoge inkomensgroepenult de wijk getrokken zljn.Wat betreft de ontwikkelingen in aan-grenzende gebieden, is het opvallenddat de bouw van villa's richting Oegst-geest onvermlnderd wordt voortgezet.Aan de flanken van de stationswijk zljnvoornamelijk woningen voor arbeidersen de ,,middle-class" gebouwd.Hoewel de oorlogsschade In de Haver-zakbuurt gering In omvang was, wordt90 Stedebouw en Volkshuisvesting maart 1974stationswijkendeze aangegrepen om door een recon-structieplan voor een wijder gebled talvan bestaande problemen defintief op telessen. AI in 1947 wordt een Weder-opbouwplan voor dit westelijk deel vande stationswijk goedgekeurd, waarinenerzijds beoogd wordt, de totale ver-keersproblematiek op te lossen, ander-zijds om door sloop van verouderdewoonbebouwing ruimte voor anderefuncties te creeren. SInds men met deuitvoering van dIt plan begon, is destationswijk ingrijpend van karakterveranderd: de spoorbaan is verhoogd,|??S*??n!Ajb. 12: Gecombineerde woon-kantoorbebouwing tegenover het station Leiden, terplaatse van de voormalige Haverzakbuurt.Ajb. 10: De Stutionsweg te Leiden rond 1900.Afb. 11: De Stationswcg te Leiden thans.het station vernieuwd; de oude Haver-zakbuurt en de omgeving van het sta-tionsplein zijn geheel geamoveerd, omplaats te maken voor flatgebouwenwaarin, naast enige woonruimte, voor-namelijk kantoren in de sector maat-schappelijke en economische dienstver-lening zijn gevestigd. Zowel in dit deel,als elders in de stationswijk, zijn bredewegen en kruispunten aangelegd. Dittransformatieproces is vooreerst nog nietafgesloten: de voormalige herenhuizenlangs de Morschsingel wachten, reedsdichtgespijkerd, op de sloper, om hetveld te ruimen voor nieuwe kantoor-flats, parkeerruimte, etc., terwijl op lan-gere termijn voor het gebied rond deMaredijk eenzelfde toekomst lijkt tezijn weggelegd (afb. 10, 11, 12).Opvallend is, dat ook thans het Schut-tersveld nog steeds onbebouwd is ge-bleven. Na de oorlog is over de toe-komst ervan vlijtig verder gepraat,waarbij een groot aantal potentiele city-functies de revue gepasseerd zijn. Hoe-wel men daaruit tot op heden geenkeuze heeft kunnen maken, is al duide-lijk dat cityfuncties in de sociaal-cul-turele sfeer hier zeker een plaats zullenkrijgen.In eerste instantie is de woonfunctiedoor deze ingrepen sterk in omvangteruggelopen, maar vanaf 1960 treedt91 Stedebouw en Volkshmisvesting maart 1974*nWmet de stedelijke bevolking, wat ookgeen wonder Is, daar het voornamelijkZwolle's rijkere ingezetenen zijn, diezich hier vestigen.Het achter het station gelegen gabled,,,SchelIe" is en blljft deze periode on-bebouwd en volstrekt landelijk vankarakter.Afb, 13: De Stationsweg te Zwolle rond 1900.Afb. 14: De Stationsweg te Zwolle thans.een stabillsatie op door de bouw vanflatwoningen. Hierdoor verandert te-vens de samenstelling van de bevolking:rond de Stationsweg neemt het percen-tage jonge, deels alleenstaande inwonerstoe, terwijl rond de Maredijk een sterkevergrijzing van de bevolking optreedt.Achter het station Is het gebied tussenhet station en Oegstgeest nagenoeg vol-gebouwd, maar van een invasie vancityfunctles Is geen sprake: het bHjfteen concentratie van bewoners met mid-delhoge en hogere inkomens.4. De stationswijk te Zwolle (kaart 4,biz. 93)In 1864 rijdt de eerste trein van Utrechtnaar het pas geopende station te Zwol-le, dat ten zuidwesten van de blnnen-stad, tussen singel en Willemsvaart opeen vrijwel nog onbebouwd, agrarischgebied is verrezen (zie kaart 4). Vrijweldirect hierna wordt gestart met de aan-leg van de Stationsweg, waar particu-lieren grote vlla's langs bouwen. Gaan-deweg wordt de gehele singel en omge-ving van de Stationsweg met villa's ofaaneengesloten herenhuizen bebouwd.(afb. 13, 15, zie biz. 94). Hierdoor urond 1900 een ten dele voltoolde, maarfraaie woonwijk bij de stad Zwolle ge-komen.Slechts aan de ulterste oostrand, gren-zend aan de In opbouw zijnde arbei-derswijk ,,Assendorp", zijn in ouderebebouwing, langs de oude uitvalsroute,de Deventerstraat, niet-woonfuncties tevinden In de vorm van kleine ambachts-en opslagbedrijfjes.Noch langs het goeddeels onbebouwdeStationsplein, noch langs de Stationswegvestigen zich de typische, met het spoor-wegverkeer samenhangende zaakjes alskoffiehuizen, winkels, etc. (afb. 14).Het statusniveau van de bewoners vande stationswijk is zeer hoog, vergelekenDe voltooiing van de stationswijk ver-loopt na 1900 In een zeer traag tempo(afb. 17, biz. 95). Zowel de in 1902ingevoerde Wonlngwet die het makenvan ultbreidingsplannen voorschrijfr,als de hoge elsen, die het gemeentebe-stuur hier aan te stichten woongebiedenstelt, zijn verantwoordelijk voor de tra-ge voltooiing van de wijk. Hoewellaatstgenoemde eisen voor het oostelijkdeel van de stationswijk minder strakgehanteerd worden, duurt het nietteminnog ruim 20 jaar, voordat dit deel vande wijk voltooid is door de bouw vaneen aantal straten, waar, naast heren-huizen, vooral aan de oostrand ook ar-beiderswoningen zijn verrezen. Maarten aanzlen van de ,,westflank" van destationswijk, te weten het deel ten wes-ten van de Stationsweg, worden de ho-ge eisen strak gehanteerd. Hierdoorwordt dit deel pas in de jaren '30 af-gerond, maar de gemeentelijke doelein-den zijn dan bereikt: er is een ruimaangelegde wijk met fraaie woningengerealiseerd voor middelhoge en hogeinkomensgroepen (afb. 18). Terwijl de-ze gehele periode dus nog volop ge-bouwd wordt, neemt de druk op deoudere villabebouwlng al vanaf 1915in een steeds sneller tempo toe: de enena de andere villa wordt tot kantoorverbouwd. Tegenstanders van deze doorB & W gestlmuleerde ontwikkeling, del-ven In de gemeenteraad het onderspit.Daarnaast breiden de aan de oostrandvan de wijk gevestlgde ondernemingenzich ook enlgszins uit, zodat de totalebedrijvigheid in de stationswijk toe-neemt in deze periode.Het zeer hoge statusniveau blljft echtergehandhaafd: het wegtrekken uit de (inkantoren omgezette) villa's van de oor-92 Stedebouw en Volkshuiisvesting maart 1974Kaart 4: De stationswijk te T.wolle in 1919 (ontleend aan Adresboek voor Zwolle in 1919).spronkelijke, gefortuneerde bewonerswordt afdoende gecompenseerd door denieuwe bewoners van vooral de west-flank van de wijk.Al vroeg in deze periode Is de oostelijkaangrenzende arbeiderswijk geheel vol-tooid; het achter het station gelegen,,Schelle" verliest deze periode zljn lan-delijk karakter niet.Ook na 1945 blijven grootscheepseruimtelijke veranderingen in de stations-wijk uit.Wei vindt een versterkte invasie vanniet-woonfuncties in de wijk plaats: allevilla's zijn thans nagenoeg in kantorenomgezet (afb. 14, biz. 95),terwijl kleine-re kantoren ook het karakter van talvan straten met meer aaneengesloten he-renhuizen gaan bepalen. Een klein aan-tal kantoren groeit zo onstuimig, dat totuitbreiding en/of vernieuwing op gro-tere schaal wordt overgegaan (afb. 16).Kantoren in de sector maatschappelijkeen economische dienstverlening groeiensneller in aantal en omvang dan andere.Het steeds toenemende verkeersaanboddoor deze intocht van cityfuncties leidttelkenmale tot kleine aanpassingen,waarvan het gezamenlijk resultaat eensluipende aantasting van de sfeer vande stationswijk is (afb. 13/14, 15/16etc.).Door dit transformatieproces wordt dewoonfunctie in omvang teruggedron-gen; maar omdat een aantal delen vande oudere woonbebouwing en de nieu-were westflank als woongebied weinigwordt aangetast, treedt in het in verge-lijking met de stad zeer hoge status-niveau van de totale bevolking van destationswijk, weinig verandering op.Of dat in de naaste toekomst wel hetgeval zai zijn, is nog moeilijk te voor-zien. In het begin der jaren '60 zijnvoor het gebied ,,Schelle" plannen ont-wikkeld, om er tot aan de IJssel toe,een hoogwaardig woon-werkgebied vante maken, met onder meer achter hetstation een sterke kantorenconcentratie.In samenhang hiermee zijn aanvankelijktevens plannen voor de stationswijk enaangrenzende gebieden opgesteld, waar-in dwars door de stationswijk een ver-bindingsweg met de binnenstad, om-geven door grote kantoren, is ontwor-pen. Dit voorstel is weliswaar verwor-pen, maar een andere verkeersweg doorde stationswijk is nog steeds in discussie,zodat betwijfeld kan worden, of ook inde toekomst wel ,,het behoud van deintrinsieke waarde van de structuur ende bebouwing van de stationswijk"centraal gesteld zal blijven, zoals in hethuidige beleid geformuleerd is.VI. Stationswijken ecologisch bezienVergelijking van de drie stationswijkenleidt tot de conclusie, dat de locatie vanhet station bepalend is geweest voor demate waarin de stationswijken zich tothoogwaardige woonwijken hebben ont-wikkeld.In Haarlem en ZwoIIe lag het stationdicht bij bestaande hoogwaardige woon-93Stedebouw en Volkshuiisvesting maart 1974Afb. D: De Burg. v. Royensingel te Zwolle rond 1900.Afb. 16: De Burg. v. Royensingel te Zwolle thans.gebieden, en op grote afstand (Zwolle),of door fysieke barrieres gescheidenvan concentraties van werkgelegenheid(Haarlem); julst deze twee stationswij-ken hebben zich tot overwegend hoog-waardige woongebieden ontwikkeld.In Leiden was de ligging van het stationechter ongunstig (geen aansluiting bijhoogwaardige woongebieden, nabijheidvan concentraties van industrie): deontwikkeling tot hoogwaardig woonge-bied werd hier rond 1875 abrupt stop-gezet. Naast deze ecologische verkla-ringsgrond moeten tevens specifieke, lo-cale omstandigheden bij de verklaringbetrokken worden: het gebied achterhet station was grondgebied van de ge-meente Oegstgeest, welke gemeente doorlagere belastingen voor rijkere Leidseingezetenen aantrekkelijker was als ves-tlgingsplaats.Ook de ontwikkeling van centrale ver-bindingswegen met de city is bij de driesteden sterk bepaald door ecologischefactoren: de ,,stationsstraten" te Haar-lem en Leiden hebben zich tot concen-traties van ,,met het reizigersverkeersamenhangende, verzorgende functies"ontwikkeld en lagen in het verlengdevan bestaande winkelstraten in de bin-nenstad. De stationswijk te Zwolledaarentegen lag gei'soleerd ten opzichtevan de city en heeft tot op heden eendergelijke ontwikkeling niet gekend.Maar ook hier moet de ecologische ver-klaring niet ,,mechanisch" worden toe-gepast: locale factoren zijn eveneensoorzaak van de afwezigheid van dezefuncties, zoals de aard van de bebou-wing (vrijstaande villa's) en het ge-meentebeleid in deze wijk (handhavingvan het voorname karakter).Na 1900 geeft de ontwikkeling van dedrie stationswijken een frappante over-eenkomst te zien. Lijkt de snelheld vande voltooiing van de stationswijken tezijn bepaald door locale factoren, deruimtelijk-functionele veranderingen vol-trekken zich welhaast op gelijke wijze.De fraaiste woonbebouwing, zoals vrij-staande villa's en herenhuizen, wordtvanaf ongeveer 1910 overal langzaamin gebruik genomen door kantoren inde sector maatschappelijke en econo-mische dienstverlening. Veranderendewooneisen van hoge inkomensgroepenzullen deze tendens hebben versterkt.Maar nergens leidt dit tot grote ruimte ?lijke ingrepen. Pas na de oorlog komtdaar snel verandering in: vooral kwali-tatief laagwaardige woonbebouwing^v^ordt steeds meer geamoveerd, terwijlhet snel toenemende verkeer tot uitge-breide wijziging leidt van de ruimtelijkestructuur, vooral in Leiden. Bovendienwordt de voormalige hoogwaardigewoonbebouwing steeds drastischer uit-gebreid of geheel vernieuwd. Alleen inZwolle is het nog onzeker, of dergelijkeveranderingen zich ook daar zullengaan voordoen.Wei blijkt uit beleidsuitspraken, datvoor Haarlem en Leiden in de naastetoekomst een consolidatie van de woon-functie in zicht is, daar in nleuwbouw-projecten op bescheiden schaal ruimtevoor de woonfunctie wordt ingeruimd.Samenvattend kan worden geconclu-deerd, dat de onderzochte stationswij-ken zich in een gefaseerd proces hebbenontwikkeld tot ,,sectors of active assi-milation"; weliswaar is dit transforma-tieproces niet overal even ver voortge-schreden, maar een ontwikkeling tot,,sub-city" ligt overal, vroeger of later,in het verschiet.Dit ,,sector of active assimilation"-con-cept van Griffin en Preston is weliswaarook in Nederland van toepassing geble-ken, maar een totaal oordeel over denadere indeling van Burgess' ,,zone intransition" kan slechts worden gegeven.94Stedebouw en Volkshuiisvesdmg maart 1974Afb. 17: De Westerlaan te Zwolle rond 1920.Afb. 18: De 'Westerlaan te Zwolle thans.als ook de juistheid van de andere on-derschelden sectoren door onderzoek isaangetoond.De veronderstelling dat stationswijkenonderdeel geworden zijn van een hoog-waardige woon-werksector ,,a la Hoyt",welke zich, uitgaande van de city, totver voorbij de stationswijk zou uitstrek-ken, is niet juist gebleken. In geen vande onderzochte steden is sprake vandeze sector, hoewel hier of aanzetten inhet verleden zijn geweest (Leiden), ofaanzetten voor een toekomstige ontwik-keling zijn te bespeuren (Zwolle). Hoe-wel het in dit onderzoek niet is aange-toond, zijn er aanwijzingen, dat sta-tionsemplacementen een te sterke bar-riere vormen voor een dergelijke ont-wikkeling.Het opsporen van deze sectoren vereistdan ook breder opgezet onderzoek naargrotere delen van een stad. Dat Hoyts,,sector-tlieory" elders wel bruikbaar isals verklaringsmodel voor ruimtelijk-functionele geleding van steden, toonthet vele onderzoek, dat prof. W. F.Heinemeyer en zijn staf van het So-ciaal-Geografisch Instituut van de Uni-versiteit van Amsterdam op dit terreinverrichtten.VII. BeleidsimplicatiesGezien de selectie van de onderzochtestationswijken mag worden veronder-steld, dat de invasie van cityfunctieszich evenzeer in andere steden van ge-lijke omvang zal voordoen. In de grotesteden als 's-Gravenhage en Utrechttreedt een dergelijke functieveranderingnog op veel grotere schaal op, terwijl inkleinere ,,groeikernen", bij eenzelfdebeleid als in de drie onderzochte steden,deze ontwikkeHng eveneens zal kunnenoptreden.Vandaar dat de vraag rijst, of dezefunctieveranderingen positief of nega-tief gewaardeerd moeten worden, waar-bij de volgende overwegingen van be-lang zijn.In de eerste plaats mag het feit, dat ineen vroegere periode de woonfunctieergens gevestigd is, nimmer leiden toteen ,,historische claim" van de woon-functie op zo'n gebied. Doelstellingenop stedelijk niveau kunnen functiever-anderingen noodzakelijk maken.In de tweede plaats blijkt in de praktijkaanpassing van vroegere hoogwaardigewoonbebouwing aan de behoeften vanandere categorieen van bewoners, veelalonhaalbaar te zijn. De noodzakelijkeingrijpende verbouwingen leiden door-gaans tot huren die voor vele woning-zoekenden onbetaalbaar zijn.In de derde plaats vervullen stations-wijken een belangrijke ,,embryo-func-tie", dat wil zeggen, dat genoemde be-bouwing zich doorgaans uitstekend leentvoor de vestiging van kleinere, begin-nende kantoren, welke zich niet (meer)in de feitelijke ,,city" kunnen vestigen.Een plaats in stationswijken dicht bij de,,city" is economisch wel mogelijk, te-meer, daar de aard van de bebouwingeen gefaseerde groei mogelijk maakt.Tenslotte moet vestiging van kantorenrond stations positief beoordeeld wor-den, omdat hierdoor een groot deel vanhet opgewekte verkeer met behulp vanopenbaar vervoer kan worden afgewik-keld. De nogal eens bepleite perifereconcentratie van kantoren, brengt daar-entegen een sterke auto-georienteerdheidmet zich mee.Tenslotte valt de laatste jaren een toe-nemende behoefte te constateren aanvergader- en congresruimte in de direc-te omgeving van stations.Op grond van deze overwegingen kanworden geconcludeerd, dat vestigingvan kantoren in stationswijken op zichniet negatief beoordeeld dient te wor-den, mits de overheid dit proces actiefbegeleidt en waar nodig ingrijpt, om95 Stedebauw en Volkshuiisvesdng maart 1974stationswijkenongewenste ontwikkelingen tegen tegaan.Dat zal met zich meebrengen, dat deoverheld voldoende inzlcht moet ver-krijgen in wat zich in stationswijkenafspeelt. Uit de case-studies is gebleken.dat gebrek aan inzlcht ertoe heeft ge-leid, dat steeds opnieuw allerlei ogen-schijnHjk van elkaar losstaande maat-regelen worden genomen, zonder dazein hun onderlinge samenhang af tewegen. Veelal ongewild hebben vooralverkeerstechnische maatregelen vooreen voortdurende aantasting van aan-trekkeHjke gebieden gezorgd (afb. 13t.m. 18).Behoud van de ,,embryo-functie" vanstationswijken zal slechts mogelijk zijn,indien amovering van de bestaande,voor kantoren' geschikte bebouwing,wordt voorkomen. Immers, indien dezebebouwing door grootschalige nieuw-bouw wordt vervangen (afb. 12), zal de,,embryo-functie" worden aangetast,omdat dergelijke dure kantoorrulmtealleen door de economisch sterkstefuncties betrokken kan worden.Het bestaande instrumentarium (Voor-schriften Bebouwde Kom, Bestem-mingsplannen, Hinderwet) zal moetenworden aangewend om tot een duide-lijke selectie te komen van aan te trek-ken functies en om gevestigde, onge-wenste bedrijven (groothandel, opslag,garagebedrijven, etc.) in hun groei tebelemmeren of te doen verplaatsen. Omde georienteerdheid op het openbaarvervoer ook daadwerkelijk te bevorde-ren, zou het aantal parkeerplaatsen be-perkt moeten worden, bijvoorbeelddoor een verbod tot het bouwen vanparkeergarages en het veranderen vanbinnenterreinen in parkeerplaatsen.Tenslotte zal de architectonisch-histori-sche waarde van de huidige bebouwingen structuur van (delen van) de stations wijken en aangrenzende zones, beper-kingen kunnen opleggen aan de moge-lijke ontwikkelingen. Zowel het Kenau-park (afb. 5) als het RIpperdapark inHaarlem zijn waardevolle voorbeeldenvan 19e-eeuwse architectuur en stede-bouw en om deze reden het behoudten voile waard. Daarnaast zal deNieuwe Gracht in Haarlem grotebeperkingen opleggen aan de schaal,vormgeving en hoogte van nieuwbouwin de gehele achterliggende stationswijk.Uit de ontwikkeling van de singel inZwoUe blijkt wel, hoe kwetsbaar som-mige stadsgezichten zijn (afb. 16).Voor deze waardevolle gebieden enstadsgezichten is te hopen, dat tijdigeaanwijzing tot beschermd stadsgezichtafdoende bescherming zal bieden tegende functioned druk die er vanuit deaangrenzende ,,citles" op wordt uitge-oefend.noten1Het onderzoek is gedurendft 1972-1973 uitgc-voerd in het kader van het bijvak SocialeGeagrafie bij mijn doctoraalstudie in de Plano-logie aan de Umiverskeit van Amsterdam. Na-mens het Sociaal-Geografisch Instituut tradenals ibegeleiders op prof. W.F. Heinemeyer endrs. R. van Engelsdorp Gastelaars. Voor ge-interesseerden zijn nog een beperkt aantal exem-plaren van de uit 2 delen bestaande scriptieverkrijgbaar bij drs. P. Nijhof, p/a NIROV,van Speykstraat 25 te 's-Gravenhage.2Voor een beschrijving van deze ,,Sector-theonie" moet verwezen worden naar Hoytsoorspronkelijke publicatie, getiteld: The struc-ture and growth of Residential Neighbourhoodsin American Cities, New York, 1939.3De begrippen ,,hoog- en laagwaardig" staativoor hoog- en laag huurniveau; Hoyts analyseberustte op stacistisch materiaal over de hoogtevan huren, als indicatie voor het statusriiveanvan de bevolking van een bepaald gebied. Aandeze begrippen zijn dus geen normatieve inter-pretaties gekoppeld.4Onder de term ,,city" moet worden verstaan:dat deel van een historische binnenstad (ruim-telijk begrlp), waar economische, culturele ensociale activiteiten geooncentreerd zijn (funccio-neel begrip).5Voor een besohrijving van Burgess' theorie moetverwezen worden naar zijn oorspronkelijkepublicatie, getiteld: The Growth of the City,An Introduction to a Research Project.6Griffin, D. W. en R. E. Preston: A restatementof the ,,transition zone" concept, in: Annals ofthe federation of American Geographers, 1966,nr. 2, pag. 339-350.7In bedoelde ,,Oud-Arohieven" dienen volgensde Archiefwet alle te conser\-eren archieven vangemeenteliike dieostien en instellingen, ouder dan50 jaar, te wordien bewaard.8Voor de stationswijk te Haarlem zijn functie-kaarten vervaardigd over de jaren 1959 ea1969, voor Zwolle over de jaren 1962 en 1972,rerwijl voor de Leidse stationswijk slechts ^^nfunctiekaart uit 1969/1970 bruikbaar was.9Heek, F. van: Stijginig en daling op de maat-sohappelijke ladder. Een onderzoek naar deverticale sociale mobiliteit, Leiden, 1945.10Heek, F. van: pag. 53-54.11Tdbi, E. J. en A. W. Luyckx: Henkomst entoekomst van de middenstander. Amsterdam,1950, pag. 19.12Zie voor een uiiteenz'etting van deze bezwaren:B. H. Slicher vain Bath: Metihodiek en techniekvan het onderzoek naar de sociale stratificatiein het verleden, in: Tijdschrift voor Geschiede-nis, 84e jaargang, 1971, pag. 151-166.13Kuiper G.: McVbiliteit in de sociale en beroeps-hierarchie. Een sociografisch onderzoek teZwolle, Assen, 1954.14Na 1953 bleken de meeste adresboeken voordit soort onderzoek orebruikbaar te zijn ge-worden, vooral daar de beroepen niet of naii-welijks meer gegeven worden.15De ,,judge-meit!hod" houdt in, dat derden inge-sohakeld worden bij shet nemen van arbitrairebeslissingen. Daar (het classificeren van niet inKuipers lijst voorkomende beroepen nogal eensnoopte tot het nemen van dergelijke beslissin-gen, zijn de in noot 1 genoemde begeleiders %Uonafhankelijke beoordelaars ingeschakeld.96Stedebouw en Volksihuisvesting maart 1974overheid en inspraakOverheid en inspraak in de ruimtelijke ordeningDick van Alphen en Wim BrandenburgOp verzoek van Gedeputeerde Statenvan de provincie Noord-Brabant heb-ben de schrijvers van dit artikel tijdenshun doktoraahtudie planologie aan hetPlanologisch en Demografisch Instituutvan de Universiteit van Amsterdam, eenonderzoek verricht naar inspraak opprovinciaal nivo in het algemeen ennaar de inspraakprocedure tijdens dedoelstellingenfase van het streekplanMidden- en Oost-Brabant in het biezon-der. De resultaten van deze studie zijnneergelegd in een rapport, getiteld ,,In-spraak in de ruimtelijke ordening, eenfase in het proces van demokratisering".Dit artikel omvat een korte uiteenzet-ting van de gedachten die zij in dezeskriptie over inspraak hebben ontwik-keld. Naast een analyse van het begripinspraak en van haar toepassing op pro-vinciaal nivo, worden tevens de resul-taten vermeld van een onderzoek datzij in de periode februari-september1973 hebben gehouden naar bovenver-melde inspraakprocedure.In steeds snellere opeenvolging vindenin onze komplexe maatschappij ont-wikkelingen plaats op onder andere so-ciaal, ekonomisch en technologisch ge-bied. Met elkaar geven zij een toene-mende vervlechting te zien, terwiji zeonderling steeds meer afhankelijk wor-den. Mannheim spreekt in dit verbandvan een ,,Verdichtung des Gesche-hens" 1). Het ruimtelijk gebied echter,waarbinnen deze komplexe, interdepen-dente verschijnselen plaatsvinden, neemtnauwelijks in omvang toe. Daarom zijnplanning en ordening van de beschik-bare ruimte noodzakelijk. Om deze ingoede banen te leiden zijn de wettelijkemogelijkheden steeds verder uitgebouwden verfijnd. Waren aanvankelijk eenaantal artikelen in de Woningwet vol-doende, in 1965 deed een uitgebreide,zelfstandige Wet op de Ruimtelijke Or-dening zijn intrede. Daarnaast heeft deoverheid een omvangrijke organisatiein het leven geroepen om de binnen hetwettelijk kader aangegeven bevoegdhe-den konkreet gestalte te kunnen geven.Deze organisatie heeft gaandeweg allekenmerken van een burokratie gekre-gen: sterk hierarchische struktuur, ver-regaand gespecialiseerde sektoren, ge-trapte informatie-uitwisseling tussen desektoren, een delegatie van macht enbevoegdheid vanuit de top. Voor deburger werd zij daarmee log, onpersoon-lijk en ondoorzichtig.De drie komponenten van het over-heidsapparaat, de administratieve, deonderzoekende en de politieke kompo-nent, dragen alle bovengenoemde ken-merken in zich. De administratievekomponent, welke nog het meest kon-takt met de burger heeft door allerleidienstverlenende taken, doet erg for-meel, erg ,,ambtelijk" aan: slechts als jeje als burger aan de ,,voorschriften"houdt, is er kans om tot overeenstem-ming te komen. De onderzoekskompo-nent heeft zich door zijn deskundigheiden door zijn geringe kontakt met deburger een gespecialiseerd taalgebruikaangemeten. Daardoor zijn vele van dedoor hem geproduceerde rapporten voorde meeste burgers nauwelijks leesbaar,laat staan te begrijpen. De politiekekomponent tenslotte, staat over het al-gemeen vrij ver van de burger af, om-dat de bei'nvloedings- en beslissingsmo-gelijkheid in onze samenleving verlooptvia een tussenliggend nivo: dat van degekozen vertegenwoordigers. Door aldeze omstandigheden is er een grote af-stand tussen de burgers en de overheidontstaan, een afstand tussen bestuurdenen bestuurders 2).De hierboven aangegeven verruimingvan de wettelijke mogelijkheden totplanning en ordening van de beschik-bare ruimte, betekent voor de burgereen toenemend ingrijpen van bovenafin zijn direkte leefmilieu. Bovendienhebben zowel de burokratische struk-tuur van het overheidsapparaat, als-mede de gesloten politieke struktuurwaarbinnen de besluiten worden geno-men door overheid en vertegenwoordi-gers, het voor de burger praktisch on-mogelijk gemaakt zijn wensen en ideeenten aanzien van met name die beleids-aspekten die zijn bestaan op direktewijze bepalen of beinvloeden, kenbaarte maken. Wettelijk gezien heeft deburger alleen de mogelijkheid om ,,te-gen te spreken" via bezwaar- en be-roepsprocedures.Verschillende maatschappelijke ontwik-kelingen hebben ertoe bijgedragen, datde burger zich in toenemende mate hetvervreemdend karakter van zijn relatiemet de overheid bewust is geworden.Er valt dan ook de laatste jaren eentoenemende roep te horen om meer bijde besluitvorming in de ruimtelijke or-dening te worden betrokken. Dit ver-langen plaatste de overheid voor groteorganisatorische problemen ^). Haarstrakke, burokratische struktuur laatnamelijk niet toe, dat er op min of meerspontane wijze nieuwe elementen aande besluitvorming worden toegevoegd.Het valt op, dat de overheid voortdu-rend probeert de inspraak te institutio-naliseren, met andere woorden: dezeprobeert in te passen in het kader vanhaar besluitvorming. Inspraak wordtalleen dan toegestaan wanneer het debesluitvorming niet in de weg staat. We97 Seedebouw en Volkshuisvesting maart 1974overheid en insprceakzien dan ook dat door de overheid bijinspraakprocedures sterk de nadrukwordt gelegd op kriteria als tijd, kosten,efficiency en slagvaardigheid van hetbeleid. Inspraak wordt daarmee doorhaar voornamelljk gehanteerd als eensociale techniek, als een middel om dekwaliteit van het overheidsbeleid te ver-beteren.Met betrekking tot de inspraak inzakede ruimtelijke ordening heeft de Raadvan Advles voor de RuimteHjke Orde-ning (RARO) in 1968 en 1970 eentweetal adviezen uitgebracht aan deMinister van Volkshuisvesting en Ruim-telijke Ordening. We hebben gekonsta-teerd, dat de ideeen die de Raad ont-wikkelt over inspraak, de hierboven-genoemde overheidsvisie volledig inzich dragen. Illustratief in dit opzichtis de omschrijving van inspraak als eensociale techniek, waarmee de inzichtenin de samenleving naar voren wordengehaald en vorm krijgen *).Volgens de RARO dient er een georga-niseerde gelegenheid te zijn voor de be-volking om meningen en gedachten teuiten ten aanzien van uitgangspuntenen beleidsvoornemens van de overheid.Daarbij dient de bevolking de moge-lijkheid te hebben in diskussie te tredenmet de bestuurders en met de ontwer-pers van het overheidsbeleid. Boven-dien mag de bevolking verwachten, dathetgeen bij de inspraak naar vorenkomt, ook binnen redelijke grenzen vaninvloed zal kunnen zijn op de uitein-delijk te nemen beslissing ^).Om deze elementen van inspraak tothun recht te laten komen, stelt deRARO voor, bij inspraakprocedures opprovinciaal nivo streekkommissies in testellen. Deze worden door hem gezienals organen van representatief karaktermet adviserende bevoegdheid. Daaromdienen zij te worden samengesteld uitvertegenwoordigers van gemeentebestu-ren uit de streek, vertegenwoord
Reacties