1stedebouw & volkshuisvestingIn dit nummer:Purmerend: groei van een groeikern^Landbouw en landschap inbestemmingen buitengebiedRuimtebesef in sociologischperspectiefHumane ecoiogieR.P.D.-rapport planningmethodiekJournaalMededeiingensamsom januari 19769^91 Technische Hogeschool DelftBij de afdeling der Bouwkunde kan in de vakgroepPlanologie en Stedebouwkunde worden geplaatst een:stedebouwkundigontwerper/stervoor twee dagen per week, ten behoeve van het Project-onderwijs in het eerste studiejaar.Naast de mondelinge kennisoverdracht door middelvan kolleges, hebben de stedebouwkundige projekten,weike sleclits een onderdeel zijn van het totale aanbodaan projektonderwijs, tot doel: te oefenen in ontwerp enonderzoek op het gebied van de stedebouwkunde en dedaarbij behorende vaardigheden.Als onderwerp voor deze projekten wordt een situatiegekozen waarvoor een bestemnningsplan geldt, kan gel-den of in voorbereiding is. Het onderzoekdeel richt zichvoornamelijk op het kader waarbinnen het bestennmings-plan tot stand komt of moet komen, o.a. de procedures,plaats van de belanghebbenden en de relaties nnet boven-lokale nivo's. Het ontwerpdeel richt zich vooral op hetuitwerken van ruinntelijke opiossingen ten aanzien vaneen deel van het bestemmingsplan, met het doel hetruimtelijk inzicht en de ontwerpvaardigheden van destedebouwkundige student te ontwikkelen en te toetsen.De taak van de medewerker/ster zai bestaan uit:-- voorbereiden, begeleiden en evalueren van deze pro-jekten,-- uitwisselen van denkbeelden en ervaringen in hetmentorenoverieg van het eerste studiejaar,-- het verrlchten van literatuur onderzoek naar: maat-schappelijke processen in de stedebouw en onderwijsmethodieken.Gezocht wordt naar een stedebouwkundig ingenieurof een medewerker met een daaraan gelijkwaardige oplei-ding, die beschikt over praktische ontwerpervaring opbovengenoemd terrein en belangstelling heeft voor dedidaktische aspekten van het eerstejaars onderwijs.Aanstelling en bezoldiging volgens Rijksregeling zaIgeschieden in het rangenstelsel der wetenschappelijkmedewerkers.Directe opneming in welvaartsvast pensioenfonds.Inlichtingen kunnen worden ingewonnen bij ir. P.G.de Bois, afdeling der Bouwkunde, delft 015-133222 toe-stel 5962.Schriftelijke sollicitaties te richten aan het Hoofd vande Centrale Personeelsdienst, Julianalaan 134, Delft,onder vermelding van nr. BK 7529 in de rechterboven-hoek van de brief, binnen veertien dagen na dagtekening.RECREATIESCHAPHEUVELLAND ZUID-LIMBURGvraagtDIREKTEURHet recreatieschap, een samenwerkingsorgaan van 19gemeenten, heeft tot taak de belangen te behartigeninzake de openluchtrecreatie, de landschapsverzorging,het toerisme en de natuurbescherming.Het gebied is onlangs aangewezen tot proefgebied vooreen Nationaal Landschapspark. Er is een ruilverkave-ling in voorbereiding.Het beleid van het schap is in eerste instantie geba-seerd op een recreatief basisplan, dat in 1974 is gepre-senteerd en nu ook is aanvaard.Taak: Het uitbrengen van beleidsadviezen over bovenge-noemde belangen in ruime zin binnen het werkgebied.Dit kan varieren van recreatieve inrichting (door over-heid en particulieren), ontgrondingen e.d. tot degehele ruimtelijke ordening van het buitengebied,waarbij een verantwoorde landschappelijke benade-ring centraal staat. Het maken van plannen voor enhet (laten) uitvoeren van eenvoudige recreatieve pro-jekten als parkeer- en picknickplaatsen, wandel- fiets-en ruiterpaden.Het op moderne wijze leidinggeven aan een kleinteam van vier medewerkers.De nieuw te benoemen direkteur vervult tevens defunctie van secretaris van het Algemeen en DagelijksBestuur.Vereist: Een opieiding aan de Landbouwhogeschool te Wage-ningen, liefst met studierichting tuin- en landschaps-architectuur of aan de Hogere Bosbouw en Cultuur-technische School of een daarmee vergelijkbaar oplei-dingsniveau.Gedacht wordt aan een leeftijd van ca. 30 tot 45 jaar.Enige ervaring in deze sector, liefst bij de overheid,strekt tot aanbeveling.Kandidaten moeten beschikken over goede organisa-torische en contactuele eigenschappen.Aanstelling kan plaatsvinden in de rang van ingenieurof ingenieur 1e klas, met een bruto-salaris van/2.411,- tot/4.307,- per maand {excl. 7,8% vakan-tietoelage) afhankelijk van leeftijd en ervaring. Vantoepassing zijn de rechtspositieregelingen van degemeente Valkenburg-Houthem.Een psychologisch onderzoek kan onderdeel uitma-ken van de selectieprocedure.Schriftelijke sollicitaties dienen binnen veertien dagenna het verschijnen van dit blad te worden gericht aan:Het Dagelijks Bestuur van het recreatieschapHEUVELLAND ZUID-LIMBURG,Walramplein 2, Valkenburg (L).Inlichtingen kunnen telefonisch worden verstrektdoor de huidige direkteur (04406-13772).Gn straks naar schoolmaar ho gehuisvest?Onderwijs, modern onderwijsstelt eisen. Aan bouw, aan indeling.Want hoe voelen leerkrachten enleerlingen zich thuis? Is er vol-doende ruimte voor individueleaktiviteiten van leerlingen en leer-krachten?Zijn de kollektieve ruimtenzodanig gebouwd dat er naastonderwijs ook nog andere aktivi-teiten kunnen plaatsvinden?Op dit soort vragen geeft onsbouwsysteem een afdoendeantwoord. Gebaseerd op alumi-nium elementen in een honing-raatvorm die op alle manieren aanelkaar te bouwen zijn. Zodat u dekeus heeft om, al dan niet metbehulp van uw architekt of onzeadviseurs, uw eigen indeling tebepalen.Dat is een groot voordeel vanons bouwsysteem, Tel daarbij dezeer snelle en kostenbesparendewijze van bouwen, de flexibiliteit,geluidsisolerendheid, het miniemeonderhoud, de speelsheid vanvorm en de mate van permanent-heid en u begrijpt waarom wijzeggen; dat het op z'n minst nuttigis om via de coupon in het bezit tekomen van alle relevantenformatie. ^,^^Coupon ^^Graag ontvang ik alle informatie over |uw snelle, doordachte, flexibele en kosten- _besparende systeembouw, |Naam: IAdresPlaats:Tel.aan nemersbedrijf/systeembouwHUB. K6ULER5 bvWatersleyerweg 31 MunstergeleenPostbus 309 SittardTelefoon 04490-6533 Telex 56578^^ Coupon in gesloten envelop ^^^^ zenden aan: ^^^ Postbus 309 Sittard ^^SV 251.(IJmuiden, Velsen, Driehuis en Santpoort)In december j.l. heeft de gemeenteraad het principe-besluit genomen tot integratie van de bedrijven openbarewerken en plantsoenen.Velsen is een gemeente nnet een oppervlakte van 5.000 ha. en telt thans rond 65.000 inwoners. Haar woonge-bied bestaat uit IJmuiden, Velsen (noord), Velsen (zuid), Driehuis en Sandtpoort en zij heeft naast grote in-dustriele vestigingen.uitgestrekte strand-, duin- en poldergebieden, parken en landgoederen.Tot de taken van openbare werken en plantsoenen behoren ondermeer stedebouw en stadsvernieuwing,civieltechnische werken, rioolwaterzuivering, bouw- en woningtoezicht, milieubeheer, alsmede de groenvoor-ziening in de ruimste zin. In regionaal verband wordt er o.a. deelgenomen aan de recreatieve projectenSpaarnwoude en Alkmaardermeer.In verband met de a.s. pensionering van de direkteuren van de beide bedrijven wordt voor de leiding van hettevormenbedrijf OPENBARE WERKEN en GROENVOORZIENING, met ? 200 personeelsleden, gezocht eenDIREKTEURVan deze functionaris wordt verwacht, dat hij-- goede organisatorische inzichten heeft en mede hierdodr de integratie verder zai bevorderen-- voldoende oog heeft voor de mens in de organisatie-- positief is ingesteld ten opzichte van de huidige ontwikkelingen in de samenleving, zoals medezeggenschapen inspraak van personeel en van de burgers-- in teamverband kan samenwerken-- tezamen met adjunct-direkteuren een grote inbreng heeft in de beleidsvorming ten aanzien van de belangenvan en in de gemeente-- bij voorkeur op de hoogte is van de problematiek van het overheidsbedrijf.Het gemeentebestuur wil voor deze functie gaarne in kontakt komen met academici, die zijn afgestudeerd inde civiele techniek of de bouwkunde, dan wel met afgestudeerden van de Landbouwhogeschool, Wageningen,met een aansluitende specialisatie.Salariering in gezamenlijk overleg, binnen het raam van de bezoldigingsverordening, nader overeen te komen.In de selectieprocedure is een kennismaking met raadscommissies en een personeelsvertegenwoordiging opge-nomen. Een psychologisch onderzoek kan ook deel uitmaken van deze procedure.Nadere informaties kunnen worden ingewonnen bij de burgemeester, drs. J. Reehorst, tel. 02550--19000(Stadhuis) of 02550-20632 (prive) tussen 18.00 en 19.00 uur.Schriftelijke sollicitaties te richten aan Burgemeester en Wethouders van Velsen, Stadhuis, Plein 1945 teIJmuiden.Orgaan van het . , .Nederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening en VolkshuisvestingUitgave van Samsom UitgeverijAlphen aan den Rijn57e jaargang, no. 1maandblad, januari 1976IsJRedactie Mr. J.H. EngelDrs. A. EvertsIr. G.J. KlerksDrs. R. KokMr. A.M. Schaap-DubbelboerDr. N.C. SchoutenIr. W. WissingAdres voor Redactie en Abonnementen van Speykstraat 25, Den HaagTelefoon (070) 390121Postgironummer 29080Advertenties Bureau Van Vliet b.v., ZandvoortBurg, van Fenemaplein 19, Postbus 20Telefoon (02507) 4745*Opdrachten en materiaal warden voorde le van de maand op dit adres ingewacht(pers. adv. 6e van de maand).InhoudArtikelenJournaalMededelingen3 Purmerend: de groei van een groeikern, E.J.A. Riegenen H.A. de Gans9 Landbouw en landschap in bestemmingen buitengebied,ir.K.M. Dekker20 Het ruimte-besef in sociologisch perspectief, dr. N.C. Schouten27 Humane ecologie: eenheidsworst of allegaartje? dr. N.J.M. Nelissen35 Kanttekeningen bij het R.P.D.-rapport over planningmethodiek,drs. J.C. de Cloe39 82. De beroepspraktijk in een planologisch adviesburo, Jan Launspach41 Lidmaatschap Sectie Planologische Juristen; examen D.P.O. 1975Losse nummers/ 8,50.Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976POLYZATHEEen modern geleide Internationale ontwikkelingsgroep voorstedelijke, utilitaire en rekreatieve projekten.0ns adviesbureau, POLYAD, adviseert en verricht onderzoekvoor particuliere ondernemers, overheid en bedrijfsleven,alsmede voor de eigen werkmaatschappijen van Polyzathe.Ter aanvulling van het bestaande team zoeken wij opkorte termijn kontakt met eenmarktonderzoekerDeze verricht marktstudies, gericht op de huidige en toe-komstige behoeften aan woningbouw, winkelcentra,rekreatieve voorzieningen en werkgelegenheids-accommodatie.Hij adviseert de opdrachtgevers ten aanzien van planologiscliemogelijkheden, marktwensen en prijsstelling. Hij evalueertde gerealiseerde projekten ten behoeve van de opzet vannieuwe plannen en ter ondersteuning van het kommercielebeleid.Er zit veel variatie in de te onderzoeken projekten. Dat geeft defunktie een dynamisch karakter. De marktonderzoekerdoet zijn werl< in teamverband, ofschoon hij tochook een flink stuk zelfstandigheid aan de dag moet leggen.Hij heeft een akademische of middelbare opleidmg metaanvullende vorming achter de rug.Wij denken daarbij aan marketing, marktonderzoek ensociale ekonomie.Hij is ervaren in planologisch en/of sociaal-ekonomischonderzoek bij overheid of bedrijfsleven.Hij is een inventief man met goede kontaktuele kwaliteitenen hij kan zich vanzelfsprekend goed uitdrukken.Ervaring in het buitenland opgedaan strekt tot aanbeveling.Leeftijd circa 30 jaar.Kandidaten voor deze funktie worden verzocht hun sollicitatiete richten aan de heer J.W. Zaad, personeelchef Polyzathe B.V.Kruisplein 25-33 te Rotterdam, telefoon; 010-33.20.11.8Purmerend: De groei van een groeikern'E.J.A. Riegen** en H.A. de Gans'InleidingIn het kader van het nationale beleidmet betrekking tot de ruimtelijke or-dening, zoals in eerste instantie uiteen-gezet in de Tweede Nota over de ruim-telijke ordening in Nederland, is eenaantal zogenaamde groeikernen aange-wezen. Groeikernen zijn gemeenten,die dat deel van de groei in woningbe-iioefte van stedelijke agglomeratiesmoeten opvangen, dat niet binnen degrenzen van die agglomeraties zelf gc-huisvest kan worden.Purmerend is zulk een gemeente. Sa-men met Hoorn, Alkmaar en de zuid-westhoek van de IJsselmeerpoldersdient Purmerend zorg te dragen voorde opvang van de ,,overloop" van denoordelijke Randstad.Als taakstelling voor Purmerend heeftlange tijd gegolden dat deze gemeentede overloop van de Amsterdamse ag-glomeratie moot opvangen, daarbij uit-eindelijk uitgroeiend tot een kern vanomstreeks 100.000 inwoners. Dit getalkan men terugvindcn in besluiten vande gemeenteraad van Purmerend envan de Provincialc Staten van Noord-Holland. Een overzicht van de ontwik-keling van Purmerend sinds 1950 envan de plannen met betrekking tot detoekomstige ontwikkeling van deze ge-meente kan gevonden worden in eendoor mr. P. Scholten geredigeerd arti-kel in Stedebouw en Volkshuisvestingvan oktober 1973.* met dank aan Arie van de Steen en RobBaarslag voor hun bijdrage in het rekenwerk.** planoloog gem. Den Haag.*** demograaf Planol. en Demogr. Inst.Univ. Amsterdam.Sindsdien is deze aanvankelijke visieop de uitgroei van Purmerend gewij-zigd. De zinvolheid van het bebouwenvan de Zuid-Purmer wordt om allerleiredenen in twijfel getrokken. Redenhiervoor is onder meer de onzekerhcidomtrent de nog te verwachten over-loop uit Amsterdam ondcr invlocd vande onbekendheid met de ontwikkelingvan niet alleen dc Amsterdamse wo-ningvoorraad maar ook die van Alme-re. In dit verband kan tevens wordengewezen op de zekerhcid dat de groeivan de Nederlandse bevolking veel ge-ringer zal zijn dan op het moment vanintroduceren van het begrip groeikernwerd aangenomen.Op dit moment wordt bij beschouwin-gen over dc uitbreiding van de Purme-rendse bevolking een inwonertal van63.000 a 65.000 aangehouden.Bij een streven om de Zuid-Purmerniet te bebouwen en slechts te vol-staan met het verschaffen van huisves-ting aan ovcrlopers uit Amsterdamtotdat een aantal van ongevcer65.000 inwoners zal zijn bereikt, moe-ten echter een aantal kritische kant-tckcningen geplaatst worden. De be-volkingsontwikkeling van een groei-kern als Purmerend geschicdt door dcselcctivitcit van de migratic op ccnzecr specifieke manicr. Door het sclcc-tieve karakter van de migratic krijgtccn dergelijke gemeente in een kortespanne tijds een zecr jcugdige bevol-king.De vraag kan worden gesteld, wat hetgroeipotenticel zal zijn van Purmerendop het moment dat woningbouwplan-nen zijn gerealiscerd en een inwoncr-aantal van circa 65.000 zal zijn be-reikt. Deze vraag reikt verdcr dan Pur-merend allccn; er zijn immcrs meerde-re gemeenten in Nederland die een ex-treme groeifunctie toegcwezen hebbengekregen ten behocvc van de opvangvan de overloop uit stedelijke agglo-meraties.Men kan zich afvragen of wel voldoen-de rekening is gehoudcn met het nogaanwezige groeipotenticel van dezegroeikernen op het moment dat hetbouwen van woningcn tot een einde isgekomen. Wordt wel voldoende flcxi-biliteit in de plannen ingebouwd? Hetverschijnsel van de nieuwe stadswijkmet ccn jonge bevolking die in een be-trekkelijk korte periode sterk in inwo-nertal terug\'alt onder mcer ten gcvol-ge van een daling van de gemiddeldewoningbezctting is reeds lang bckend.Dat dit verschijnsel zich ook zal voor-doen m.b.t. groeikernen ligt voor dchand. Herbezinning op het nationalefenomeen groeikern lijkt zoals hicrnazal blijken, gcwenst vooral daar waarhet dc omvang van de opvangcapaci-teit bctreft.Hierna volgt een besprcking van deuitkomsten van ccn aantal bcrekenin-gcn die tot doel hadden inzicht te ver-krijgen in ccn mogelijke ontwikkelingvan dc Purmcrendse bevolking. Bijdeze berekeningen is zovcel mogelijkgcbruik gemaakt van gegevens diedoor dc gemeente, de provincie of hetRijk worden gehantcerd onder meerten aanzicn van de fasering van dc wo-ningbouw alsmede de omvang ervanen ten aanzien van de functie van Pur-merend.Uitgangspunten en verondcrstellingenbij de berekeningen^ )Bij de berekeningen is uitgegaan vandc bevolking naar omvang en Iceftijds-Stedehouw en Volkshuisvesting, januari 1976PurmerendTabel la Schatting van de gcmiddelde procentuele dating van de leeftijdspecifieke vrucht-baarheidscijfers per 5-jaar-groep vrouwen per projectie-interval voor Purmerend in de periode1974-2003.1971-1973 1974-1978 1979-1984 1985 e.v.Leeft. gr. vrouwengem. p.j.waargenomen*) gemiddeld per periode15-19 9,6?/oo constant constant constant20-24 118,4"/o,, -20% - 10% constant25-29 195,l?/oo -20% - 10% constant30-34 83,7 "/oo -20% - 20% constant35-39 30,7 ?/oo -20% - 10% constant40-44 3,4 7oo constant constant constantBron: Bureau Stadsontwikkeling gemeente PurmerendTabel lb. Schatting van de ontwikkeling vande leeftijdspecifieke vruchtbaarheidscijfcrsper 5-jaargroep vrouwen voor Purmerend inde periode 1974--2003 gemiddeld per 3 jaarperiode.Leeft. 1974- 1979- 1985groep 1978 1984 e.v.15-19 9,6 9,6 9,620-24 95,0 85,5 85,525-29 156,1 124,9 124,930-34 67,0 53,6 53,635-39 24,6 22,1 22,140-44 3,4 3,4 3,4samenstelling, zoals deze op 1 januari1974 in Purmerend aanwezig was.Tot 1989 zijn per 5 jaar berekeningengemaakt van de toekomstige omvangvan de bevolking naar geslacht en leef-tijd, op grond van verwachtingen metbetrekking tot de natuurlijke groei (opgrond van geboorte en sterfte) en demigratie. Van 1989 tot 2004 zijn deberekeningen uitgevoerd uitsluitendop basis van verwachtingen met be-trekking tot de natuurlijke groei.Gebruik is gemaakt van een viertal setsvan onafhankelijke variabelcn:1. OverlevingskansenTen aanzien van de overlevingskansenper leeftijdsgroep van 5 jaar voor res-pectievelijk mannen en vrouwen is ver-ondersteld dat deze zullen zijn con-form de kansen zoals die worden aan-getroffen in deel 2 van de door betC.B.S. uitgegeven sterftetafels afgeleiduit waarnemingen over de periode1966-1970 (biz. 33 tabel A.2., Noord-Holland en biz. 45 tabel A.3. voor dein een periode van 5 jaar levendgebo-renen, eveneens voor Noord-Holland).In de gehele projectieperiode 1974-2004 zijn deze overlevingskansen con-stant gedacht.2. Leeftijdspecifieke vruchtbaarheids-cijfersTen aanzien van de ontwikkeling vande leeftijdspecifieke vruchtbaarheids-cijfcrs is aangenomen, dat deze in deloop van de projectie-periode zalplaatsvinden conform tabel 1. De aan-gehouden afneming sluit qua algemenetendens aan bij de ook voor de voor-uitberekening van de Nederlandse be-volking door het C.B.S. aangehoudendaling van de vruchtbaarheidscijfcrs.3. De ontwikkeling van de woning-voorraad PurmerendIn een opgave van februari 1974 vanhet Sociaal Wetenschappelijk Bureauvan de gemeente Purmerend wordenmet betrekking tot de aantallen nieuwte bouwen woningen in Purmerend dein tabel 2 weergegeven verwachtingenaangetroffen.4. De gemiddelde ivoningbezetting(GWB)Verondersteld is, dat de ontwikkelingvan de gemiddelde woningbezettingzal verlopen conform de in tabel 3 ver-melde cijfers:Het aantal vertrekkenden uit Purme-rend per projectie-interval van 5 jaarwordt berekend door een vaste pro-portie te nemen van de bevolking dieaan het begin van elk projectie-intervalaanwezig is (mannen en vrouwen af-zonderlijk). Deze properties werdengevonden op grond van waarnemingenin de periode 1970-1974.Voor de verdeling naar leeftijd van deTabel 2 Woningvoorraacfebruari 1974.van Purmerend volgens een oude opgave en volgens de opgave vanTijdstip aantal woningen aantal woningen aantal nieuw te(oude opgave) (opgave febr. '74) bouwen woningenper 5-jaarsperiodevolgens de nieuweopgave (febr. '74)1 Jan. '741 Jan. '799.10014.0009.10012.1001 3.0001 5.0001 3.0001 Jan. '84 19.100 17.1001 Jan. '89 24.100 20.100 (20.132)1 Jan. '94 29.100 -- --1 Jan. '99 34.100 -- --Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976PurmerendTabcl 3 De ontwikkeling van de gemiddel-de woningbezetting in Purmerend op een aan-tal tijdstippen.periode 1974-1978 22%periode 1979-1984 24%periode 1985-1989 25%Tijdstipgemiddelde woning-bezetting1 Jan. 19741 Jan. 19791 Jan. 19841 Jan. 19893,243,13,03,0op deze wijze gevonden aantallen ver-trokken mannen en vrouwen, wordteveneens de verdeling aangehoudcn,zoals die werd gevonden voor vertrek-kenden in de waarnemingsperiode1970-1974, met uitzondering van degroep van 65 jaar en ouder. Voor dezelaatste leeftijdsgroep is steeds de ver-deling aangehouden, zoals die in Pur-merend wordt aangetroffen aan hetbegin van elk projectie-interval.Overigens is een andere leeftijdsverde-ling van de vertrekkenden denkbaarbijvoorbeeld wanneer een terugstroomvan migranten (alleenstaanden en ou-dere huishoudens) uit Purmerend naarAmsterdam zou ontstaan.Het aantal woningen dat per projectie-interval van 5 jaar wordt vrijgemaaktdoor vertrekkenden, is verkregen doorvan het totaal aantal vertrekkendenper interval een percentage te nemcn.Voor het eerste 5-jaar interval is ditpercentage 22%, uitgaande van de vol-gende verdeling van de vertrekkenden:gezinshoofden 20%gezinsleden 60%afzonderlijk vertrekkenden 20%Dc daling van de gemiddelde gezins-grootte betekent een relatieve toene-ming van het aantal als gezinshoofdresp. afzonderlijk vertrekkenden. Hier-door zal het percentage vertrekkendendat een woning vrijmaakt geleidelijktoenemen, hetgeen in de berekeningenals volgt is verdisconteerd:Op dit aantal vrijgekomen woningenwordt per projectie-interval in minde-ring gebracht het aantal woningen datbenodigd is voor huisvesting van denatuurlijkc groei van Purmerend in dieperiode, wederom met behulp van cij-fers m.b.t. de ontwikkeling van de ge-middelde woningbezetting.Het verschil tussen het aantal wonin-gen vrijgemaakt door vertrekkendenen het aantal woningen benodigd vooropvang van de natuurlijke groei in elke5-jaarsperiode, vermeerderd met hetaantal nieuwgebouwde woningen indie periode, geeft het aantal woningendat beschikbaar komt voor de zich inPurmerend vestigende bevolking.Overigens zouden deze woningen ookbetrokken kunnen worden door nietover een woning beschikkende wo-Tabel 4 Bevolking Purmerend (mannen)ningbehocvcnden uit de eigen bevol-king hetgeen een beperking van de in-gcschalte omvang van het vertrck zouimpliceren. Bovcndicn betekent ditdat er ccn geringcre opvangcapaciteitvoor de Amsterdamse woningbehoe-venden overblijft.Het aantal zich vestigenden in Purme-rend per 5-jaarsperiode is verkregendoor dit aantal woningen te vermenig-vuldigen met de factor 3,5 (de gemid-delde woningbezetting voor nieuw-bouw).De leeftijdsamenstelling van het aantalzich vestigenden werd verkregen dooraan te nemen dat deze verdeling de-zelfde zal zijn als die welke werd waar-genomen in de periode 1970-1973,met uitzondering van de leeftijdsgroepvan 65 jaar en ouder. Hiervan is aangc-nomen dat de verdeling gelijk is aandie voor de overeenkomstige leeftijds-groep in het belangrijkste herkomst-Leeft. 1-1-74 1-1-79 1-1-84 1-1-89 1-1-94 1-1-99 1-1-20040- 4 1754 1703 2392 2339 2266 1971 17505- 9 1735 1943 2207 2434 2330 2257 196410-14 1497 1843 2236 2224 2429 2325 225215-19 967 1545 2026 2186 2218 2423 231920-24 920 1682 2870 2835 2175 2207 241125-29 1569 1700 3192 3685 2823 2166 219730-34 1451 1850 2357 3354 3640 2809 215535-39 1245 1583 2217 2369 3334 3619 279340-44 1048 1339 1833 2239 2345 3301 358345-49 865 1159 1574 1927 2203 2308 324850-54 640 951 1339 1649 1871 2138 224055-59 464 706 1080 1389 1568 1779 203360-64 302 454 710 1010 1270 1434 162665-69 206 316 484 671 875 1100 124270-74 162 207 327 435 654 696 87575-79 115 143 198 268 308 462 49380-84 75 82 114 140 186 186 27985+ 53 47 56 66 67 74 85Totaal 15066 19253 27212 31193 32538 33255 33545Alleen op basis van natuurlijkegroeiStedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976Purmerendgebicd van de zich in Purmerend vesti-genden: de gemeente Amsterdam.Uitkomsten van de gemaakteberekeningenIn de tabellen 4 en 5 zijn de uitkom-sten weergegeven van de gemaakte be-rekeningen voor een aantal tijdstip-pen.Uitgangspunt daarbij vormde de bevol-king van Purmerend op 1 januari 1974met een totaal aantal inwoners van29.954.Alvorens op deze uitkomsten nader inte gaan, moet beklemtoond wordendat zowel de berekeningen als de ge-kozen projectie-intervallen van 5 jaaraan de uitkomsten een sterk schema-tisch karakter geven. Het zal duidelijkzijn dat de veronderstellingen, gedaanmet betrekking tot de fasering van dewoningbouw, de daarmee samenhan-gcnde migratie-stromen en de ontwik-keling in de gemiddelde woningbezet-Tabel 5 Bevolking Purmerend (vrouwen)ting, bepalend zijn voor zowcl omvangals samenstelling van de bevolking opde gekozen prognosetijdstippen. Debevolkingsaantallen en de daarbij be-horende prognosejaren zijn te be-schouwen als momenten in de bevol-kingsontwikkeling van Purmerend endienen niet in te absolute zin met el-kaar verbonden te worden. In dit ver-band moet worden gewezen op de bijde berekeningen aangehouden toe-komstige ontwikkeling van de woning-voorraad (zie tabel 2, biz. 4). De fa-sering van 3000, 5000 en 3000 te bou-wen woningen in resp. de perioden1974-1978, 1979-1983 en 1984-1988is een schematisch realiseringsmodelover 15 jaar. Binnen de gemeente Pur-merend wordt momenteel van eensnellere ontwikkeling uitgegaan, teweten resp. 4500 en 6000 woningenin 2 perioden van 5 jaar uitgaande van1 januari 1975. Of een dergelijk bouw-tempo werkelijk gehaald zal worden.Leeft. 1-1-74 1-1-79 1-1-84 1-1-89 1-1-94 1-1-99 1-1-20040- 4 1555 1601 2227 2229 2168 1887 16755- 9 1611 1725 2059 2261 2223 2162 188210-14 1402 1755 2068 2138 2258 2220 215915-19 951 1558 2140 2140 2134 2254 221620-24 1099 1800 3241 2991 2136 2130 225025-29 1803 1637 2933 3700 2985 2131 212530-34 1404 1973 2097 2971 3687 2975 212435-39 1123 1547 2310 2185 2957 3670 296140-44 962 1191 1740 2311 2170 2937 364645-49 735 1079 1427 1855 2286 2147 290550-54 583 823 1249 1518 1824 2248 211155-59 408 638 936 1290 1478 1776 218960-64 337 442 712 949 1239 1419 170565-69 271 391 539 753 888 1160 132870-74 222 305 458 551 667 787 102875-79 189 225 330 429 447 541 63980-84 137 150 198 257 294 306 37185+ 96 96 113 132 146 166 178Totaal 14888 18936 26777 30660 31987 32916 33493is moeilijk te zeggen. Het zal echterduidelijk zijn, dat indien dit kan wor-den gerealiseerd er ook sprake zal zijnvan een snellere bevolkingsgroei. Voorhet doel van dit onderzoek is zulksechter van ondergeschikt belang. Hetgaat er hier met name om een indrukte krijgen van de mate waarin de be-volking van Purmerend nog zal blijvendoorgroeien ook na beeindiging van debouwstroom.De uitkomsten m.b.t. de omvang vande bevolking tot het einde van de peri-ode waarin woningbouw zal blijvenplaatsvinden (1989) zijn in de onder-staande tabel weergegeven.Jaar Woning- Bevolking Gemiddel-voorraad de woning-bezetting1974 9132 29954 3,281979 12132 38189 3,151984 17132 53989 3,151989 20132 61853 3,07Alleen op basis van natuurlijkegroeiZoals de tabel laat zien zou de bevol-king van Purmerend in de periode1974-1988 meer dan verdubbelen(106%).Drie-kwart van deze toeneming komtop rekening van het directe effect vanhet positieve migratiesaldo. Een grootdeel van de natuurlijke groei (geboor-teoverschot) is evenzeer toe te schrij-ven aan de migratie. Het is immers eenresultante van de vruchtbaarheid vande overwegend jeugdige zich vestigen-de bevolkingsgroepen.De evencens in vorenstaande tabel ver-melde ontwikkeling van de gemiddel-de woningbezetting is enerzijds een af-geleide van de bekende groothedenwoningvoorraad en bevolking, doch isanderzijds als input voor het reken-model gebruikt. Dat bcide reeksen eni-germate afwijken (zie ook tabel 3,biz. 5), is het gevolg van de gehan-teerde uitgangspunten omtrent hetStedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976Purmcrcndaant;il vrijkomendc woningcn in Pur-mcrcnd: Aangcnomen is dat dc bewo-ncrs van dc vrijgekomcn woningcn bijvcrtrck door ccn lagerc gemiddcldewoningbezetting gckenmerkt wordcndan bij vcstiging. Hicraan ligt o.m. dcvcrondcrstclling ten grondslag dat inPurmcrcnd woncnde huishoudcns diedoor uitbrciding van het gezin ruimcrvvillcn woncn, dit in meerderhcid bijvoorkeur binncn dczclfde woonge-mcentc zullcn trachtcn tc realiscren.Voor hct docl van dit ondcrzoek isnaast inzicht in de ontwikkcling vandc bevolkingsomvang van Purmcrcndzeker zo bclangrijk hct inzicht dat vcr-krcgcn is in dc ontwikkcling van dcopbouw van de bevolking naar leeftijden geslachtDc leeftijdsamenstclling van dc bevol-king van Purmcrcnd op 1 januari 1974was als gcvolg van ccn langdurig pro-ces van vcstiging van rclaticf jongc ge-zinncn (sinds 1950) die van een jongcbevolking (zic figuur 1: ter vcrgelij-king is de Iceftijdsopbouw van een sta-tionairc bevolking wccrgcgeven).Duidelijk tekent zich de oververtegen-woordiging van jongc kinderen(0-14 jaar) met dc daarbijbchorendejongc ouders (25-34 jaar) af. Daar-naast krijgt de ondervcrtegenwoordi-ging van de 45-jarigen en ouder in sa-menhang met de 15-24 jarigen eenduidelijk accent.Nog steeds zijn de 45-jarigcn en ouderten opzichte van dc stationaire bevol-kingsopbouw ondervertegenwoordigd.De jongc ouders met kinderen zijn nogsteeds overvcrtcgenwoordigd. Dezeovervcrtegenwoordiging van jongcrelecftijdsgrocpen (0-15 jaar) zou nogsterker zijn geweest, indien bij de be-rekeningen van een geringere dalingvan de leeftijdspecifieke vruchtbaar-heidscijfers zou zijn uitgegaan.Uit figuur 2 kan bovendien de conclu-sic wordcn getrokken, dat de bcreken-dc Purmcrendse bevolking per 1 Jan.1989 nog ccn zckcre natuurlijkc groei-kracht in zich draagt. Deze situatic isdan ook als uitgangspunt genomenvoor dc tweede fase van de vooruitbe-rekening, namelijk die tot 2004.Fundamenteel vcrschillend van de pro-jcctic-periode 1974-1988 is dat voordc periode 1989-2003 geen migratiewcrd ingccalculcerd. Dit gcbcurdc methet oogmerk om hct effect van de na-tuurlijkc grocikracht van de bevolkingvan Purmerend tc kunncn mcten na-dat hct gcplandc woningbouw-pro-gramma tot stand is gekomcn. De de-mografische variabclcn gcboorte ensterfte verschillcn gcdurende de tweeISjaars perioden slechts t.a.v. dc in-schatting van de vruchtbaarheid.Voor de periode 1974-1978 wcrd vanhogerc vruchtbaarhcidscijfcrs uitge-gaan dan voor de periode 1979 en ver-der.In de volgende tabel zijn de uitkoms-ten van de vooruitberekening weerge-geven voor de periode 1989-2003 opgrond van geboorte en sterfte.De vooruitberckende bevolking vanPurmerend per 1 januari 1989 groeittot 2004 nog met 5185 ofwel ruim8%. In- de 3 opeenvolgende periodenvan 5 jaar neemt de groei echter be-duidend af door een steeds groter wor-dende absolute sterfte en een in om-vang afnemcndc geboorte. Dit laatsteis de conscquentie van dc lage leeftijd-specifieke vruchtbaarhcidscijfcrs diezijn aangehoudcn voor de projectie-periode. De gehanteerde leeftijdspeci-fieke vruchtbaarhcidscijfcrs zijn, op delange duur, zclfs onvoldoende hoogom dc bevolking stationair tc doenzijn (zic figuur 3). De in omvang toe-Figuur 1 BevolkingPurmerend per 1-1-1974(waargenomen) en in stationaire situatie95-IOOL V90- 94 h85 -- 99 \?[80-84 '/Y//X75 - 79 '//(////X70-74 '^O/y/TX65-69 'y/0y/yyO>60 - 64 //^U/y/yTi55- 59 yy/yxz2///\50 - 54 ''//////^///\45- 49 ^///////A/A40- 44 y//y///y///35 - 39 y/vV/yvyyy/ h30- 34 yyy/v/vvy//25- 29Wyy^y^120- 24 j15 - 19^^W10- 14 15-9O - 4 ZMM>. \20 30 40 SOFiguur 2 BevolkingPurmerend per 1-1-1989(berekend) en in stationaire situatieFiguur 3 BevolkingPurmerend per 1-1-2004(berekend) en in stationaire situatie95 -90-lOO94V85 - 8980 -8475 7970 -7465 - 69 '/////60 ? 64 /////,55 - 59 v/y//V////50 -54 /0y/./////45 - 49 yy//////// 140 - 44 ////////// 135 -39 yy///'///// 130 -34 Ay///////25 -29 '/////.201 51050-24- r9- 14- 9- 4m//y\'Periode1989-19931994-19981999-2003Bevolkingaanbegin periode618536452566171sterfte182922702610geboorte450139163477Bevolking aaneinde periode645256617167038Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976Purmerendnemende sterfte is de resultante vaneen gemiddeld steeds ouder wordendebevolking.De uitkomsten nader beschouwdDe hiervoor geschetste ontwikkelingvan de bevolking van Purmerend isvoor wat de eerste 15 jaar betreft inuitdrukkelijk verband gebracht met deontwikkeling van de woningvoorraad.De gemaakte berekeningen resulterendan ook in een omvangrijk vestigings-overschot. De tweede periode van15 jaar, met de daarin plaatsvindende,,natuurlijke" ontwikkeling van de be-volking (uitgangsbevolking die van1 Jan. 1989), werd nog niet gerela-teerd aan de woningvoorraad.Abstraherend van de woningvoorraadkan een in omvang toenemende bevol-king worden geconstateerd (zie bij-gaande tabel). Deze ontwikkeling isechter theoretisch van aard. Zoals ookde expulsie uit de grote steden onderandere een resultante is van de relatietussen bevolking en woningvoorraad,zo vormt deze relatie ook in de groei-kern Purmerend een bepalende factorvoor de bevolkingsontwikkeling. Hoetheoretisch de uitkomsten voor detweede periode van 15 jaar (1989-2003) in het bevolkingsontwikkelings-model zijn, wordt duidelijk uit debijgaande tabel.Jaar Woning- Bevol- Gemiddel-voorraad king de woning-bez.1989 20132 61853 3,071994 20132 64525 3,201999 20132 66171 3,292004 20132 67038 3,33Het blijkt dat de ontwikkeling van debevolking vanaf 1989 op grond vannatuurlijke groei bij een gelijkblijvcn-de woningvoorraad zou leiden tot eenopnieuw toenemen van de gemiddeldewoningbezetting.Door uit te gaan van meer ,,realis-tisch" te achten ontwikkelingen t.a.v.de gemiddelde woningbezetting kun-nen de daarmede samenhangende con-sequenties voor de bevolking en/of dewoningvoorraad worden bepaald.Als gevolg van o.m. het ouder wordenvan de op 1 jan. 1989 aanwezige jongebevolking in de daarop volgende perio-de (tot 2004) en als gevolg hiervan hetwoningbehoevend worden van de in1989 aanwezige relatief grote aantal-len jongeren, ontstaat een krachtigeimpuls tot verlaging van de gemiddel-de woningbezetting. Een daling toteen niveau van 2,5 lijkt, gezien dc lan-delijke tendens, bepaald reeel.Dit betekent dat in geval van een wo-ningcapaciteit van 20.132 eenheden(zie tabel 2) slechts plaats zou zijnvoor ca. 50.000 inwoncrs (20.132X 2,5).Wordt als beleidsuitgangspunt aange-nomen dat de natuurlijke groei van degroeikern Purmerend, alsmede de opgrond van het ouder worden van dcjongste leeftijdsgroepen toenemendewoningbehoefte binnen de groeikernzelf moet worden opgevangen, dankan hieruit geconcludcerd worden, dater na 1 jan. 1989 nog minimaal 5600 a5700 woningen nodig zijn voor dc op-vang van dc cigen woningbehoefte.Wordt daarentegen als beleidsuitgangs-punt aangenomen dat afronding vande woningcapaciteit plaatsvindt bijeen totaal aantal woningen van20.132, dan is een overloop vanuitPurmerend te verwachten van ca.17.000 inwoncrs. Deze overloop zouin andcrc gemecnten gehuisvest moc-ten kunnen worden.Gaat men uit van een geheel anderebclcidsdoelstelling, namelijk dat cner-zijds de maximalc woningcapaciteitvan Purmerend 20.132 woningen zalblijven, maar dat andcrzijds na 1989cr geen overloop uit dc groeikern Pur-merend dicnt op te trcdcn, dan zal dittot gevolg hebben dat de opvangfunc-tie van deze gemeente voor woningbe-hocvenden uit Amsterdam geringer zalzijn dan het aantal nieuw te bouwenwoningen doet vermocden.Zoals in een voorgaandc tabel is ver-meld zou in 1984 bij een woningvoor-raad van 17.132 en een gemiddeldewoningbezetting van 3,15 de bevol-kingsomvang 53.989 zijn. Zou er nietmeer gebouwd worden na 1 jan. 1984,dan zou dit bcvolkingsaantal door mi-gratie van niet te huisvesten woningbc-hoevenden (daling van de g.w.b. tot2,5) dalen tot een totaal van 42.830.Deze overspill van 11.159 komt ovcr-een met een woningbehoefte van ca.3700 woningen. Dit is meer dan in deperiode 1984-1989 gepland was teworden gebouwd.Hieruit zou men de conclusie kunnentrekken, dat reeds voor 1984 een haltmoet worden toegeroepen aan het op-nemen van woningbehoevenden uitAmsterdam.Aanhoudende de in tabel 2 gegevenwoningbouwfascring, zou dit momentaanbrcken bij een woningvoorraad vanongeveer 16.000 woningen.Het ecrstgenoemdc alternatief, d.w.z.de opvang van de na 1989 uit de eigenbevolking voortkomende woningbe-hoefte, heeft een aantal verstrekkendegevolgen, die door het beleid nu reedsonder ogen moeten worden gezien.Een zeer omvangrijke vestiging vanvooral jonge Amstcrdamse woningbe-hoevenden tot een woningvoorraadvan 20.132 eenheden bereikt is, zalook na beeindiging van de functic alsopvanggemecnte wederom een krach-tige uitbreiding van dc woningvoor-raad noodzakelijk maken.Wannccr op dit moment wordt beslo-ten om de Zuid-Purmer niet te bebou-wen, moet dit niet alleen worden be-zien tegen de achtergrond van dc om-vang van de migratiebewegingen, maarook van de samenstelling ervan. Opbasis van het eerste beleidsaltematicfzou moeten worden gesteld dat dezeStcdcbouw en Volkshuisvesting, januari 1976Purmerendbebouwing in een later stadium nood-zakelijk is voor dc eigen woningbc-hoefte van Purmerend. Hierbij wordtervan uitgegaan dat bet haalbaar is omde voor de eigen woningbehoefte na1989 te bouwen woningen ook hier-voor te reserveren. Daarvoor is eenscherp huisvestingsbeleid noodzake-lijk.Het tweede altematief gaat uit van af-ronding van de woningbouw bij20.132 eenheden met een zelfde op-vangcapaciteit van woningbehoeven-den uit Amsterdam als het eerstc alter-natief. In dit geval zal door provincialeen Rijksoverheid rekening moetenworden gehouden met een aanzien-lijke overspill waarvoor nieuwe groei-kernen c.q. bouwplaatsen zullen moe-ten worden aangewezen.Purmerend zal op basis van dit laatstealternatief bovendien te maken krijgenmet een aantal belangrijke neveneffec-ten. Het genoemde vertrek van Pur-merendse woningbehoevenden zal eenextra impuls betckenen voor dc ver-oudering van de bevolking. Verwachtmag worden dat het met name jonge-ren in de gezinsvormingsfase zullenzijn die uit Purmerend moeten weg-trekken. Het effect hiervan zal zowelvan directe (invloed op aantal gcboor-ten) als van indirccte aard zijn: eenaanzienlijk groeipotentieel zal uit debevolking vcrdwijncn, hetgeen bete-kent dat deze daardoor nog sterker inomvang zal afnemen zeer waarschijn-lijk tot onder het niveau van 50.000inwoners.Vele gerealiseerde voorzicningen, zoalsscholen, culturele voorzicningen, de-tailhandel, zullen voor een deel hundraagvlak vcrliczen.Wil men van een maximumomvangvan dc woningvoorraad van 20.132blijven uitgaan en tevens in de opvangvan de eigen woningbehoefte blijvenvoorzien, dan zal zoals cerder is ge-steld al in een vccl vrocger stadiumeen gcdeeltc van dc woningvoorraadhiervoor moeten worden gercscrvecrd.Dit bctekcnt dat dit verlies aan huis-vestingscapaciteit voor de ovcrloop uitAmsterdam op andere plaatsen zoumoeten worden gecompensecrd. Bc-leidsinstanties zouden nu reeds moe-ten overwegcn of het wcnselijk is omeen minder selectief vestigingsbeleid tevoeren bijvoorbeeld door ook anderewoningzoekenden dan ovcrwegcndjongc gezinnen toe te latcn. Het effectvan een dcrgelijk beleid zou zijn, datbij voorbaat reeds het groeipotentieelvan Purmerend zou worden afge-zwakt.Wellicht kan een aangepaste woning-differentiatic gekoppeld aan een strin-gent huisvestingsbeleid hier uitkomstbicden. Te denken valt hierbij aan demogelijkheden die geboden wordendoor de bouw van kleine woningen.noot:1Het uitgewerkte bevolkingsontwikkelings-model is verkrijgbaar op het Planologisch enDemografisch Instituut van de Universiteitvan Amsterdam.Landbouw en landschap in bestemmingenbuitengebiedir. K.M. Dekker*1. Ter inleidingDoor de afdeling Structuuronderzoekvan het Landbouw-Economisch Insti-tuut worden van 29 gemeenten dc be-stemmingsplanncn voor het buitenge-bied bestudeerd op hun betekenisvoor de landbouw. Deze gemeenten* In Friesland gestationeerde medewerkervan de afdeling Structuuronderzoek van hetLandbouw-Economisch Instituut.zijn gelegen in de provincies Gronin-gen, Friesland, Drenthe, Overijssel enGelderland. De planncn die in studiezijn genomen, zijn in ieder geval vast-gesteld door de gemeenteraad. Wan-neer zou worden uitgegaan van doorGedeputecrde Statcn gocdgekeurdeplannen, zou dit ten gevolge hebbengehad, dat bij de aanvang van het on-derzoek in enkele provincies nauwe-lijks plannen voor bestudering be-schikbaar warcn. Voor de studie opzich zelf is het uitgaan van door degemeenteraad vastgcstelde planncnniet zo bezwaarlijk, omdat deze studievooral is gericht op de gevolgen die devoorschriften mcer in het algemcenvoor de landbouw kunnen hebben.Het buitengebied van de gemeentenvervult in ons land een aantal funkties.Een belangrijke funktie is die ten bc-Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976landbouw en landschapm^^^-'Grens agrarisch gebied (links) -- agrarisch gebied van landschappelijkc waarde (rechts).Achtkarspelen (Fr.) (foto G. Kastelein)hoeve van de voortbrenging van land-en tuinbouwprodukten. De wijzewaarop deze funktie kan worden uit-geoefend is dikwijls sterk afhankelijkvan de manier, waarop andere funktieseen plaats krijgen, onder andere in degemeentelijke bestemmingsplannenvoor het buitengebied. Het is voor deontwikkeling van de agrarische bedrij-ven van groot belang dat ze zo weinigmogelijk worden belemmerd door dieandere funkties.In gemeentelijke bestemmingsplannenvoor het buitengebied wordt voor degebieden buiten de bcbouwde kom-men met behulp van kaarten aange-geven hoe de verschillende funktiesruimtclijk gespreid liggen. De bijbeho-rende voorschriften regelen het ge-bruik van de gronden en de zich daar-op bevindende opstallen, terwijl in eentoelichting wordt aangegeven welke deachtergronden zijn van de gegeven re-gels.De studic van de afdeling Structuuron-derzoek van het Landbouw-Econo-misch Instituut heeft betrekking op degebieden en bestemmingen, waarin deland- of tuinbouw op enigerlei wijzewordt beoefend. Uit de voorschriften,waarin de bestemmingen worden gc-rcgeld, kan worden opgemaakt dat hetde agrarische bedrijfshoofden om ver-schillende redenen niet geheel vrijstaat om met de hen ter beschikkingstaande gronden en opstallen te doenen te laten wat ze zelf willen. Een vandie redenen kan zijn, dat er rekeningmoet worden gehouden met de land-schappelijkc waarden die er in hetplangebied aanwezig zijn. Voorschrif-ten die betrekking hebben op dezelandschappelijkc waarden, komen invele bestemmingsplannen voor. Hetdoel van dit^ artikel is een indruk tegeven van de wijze, waarop de land-bouw in zijn huidige vorm en in zijnontwikkeling door deze voorschriftenkan worden belemmerd.Alvorens op de inhoud van de bestem-mingsplannen wordt ingegaan, zullennog enkele voor het onderwerp vanbelang zijnde zaken worden aange-roerd. Het zijn:-- de rol van de landbouw bij de vor-ming van het landschap;-- de economische noodzaak voor deboer om zijn bedrijf aan te passen;-- de houding van de boer ten op-zichte van zijn omgeving;-- de toenemende belangstelling voorde open ruimte en het landschap.Het Nederlandse landschap dankt zijnvorm in belangrijke mate aan de wijzewaarop de bodem in de loop der tij-den in gebruik is genomen voor agrari-sche produktie en aan de ontwikkelin-gen die er in dat gebruik zijn opgetre-den. Grondsoort, hoogteligging, kli-maat, geografische ligging, hebben ertoe bijgedragen dat er een grote veel-zijdigheid in de agrarische bodemex-ploitatie en daarmee in het landschapnaar voren is gekomen. De zichtbareelementen in het landschap haddeneen duidelijke funktie ten behoeve vanhet agrarische bedrijf. Sloten dedendienst voor de waterhuishouding, voorveekering, voor markering van bezit.Vaarten voor waterafvoer en trans-port; houtwallen dienden als veekeringen voorzagen in de behoefte aan hout.De grote schuren in akkerbouwgebie-den waren bedoeld om de oogst in tebewaren, in weidegebieden om er hethooi voor de winter in op te slaan.Veranderingen in het agrarisch bodem-gebruik voltrokken zich meestal zo ge-leidelijk, dat ze nauwelijks konden op-vallen, maar ze zijn er zeker geweest.De laatste jaren vraagt een rendabeleagrarische bedrijfsvoering echter zoda-nig snelle aanpassingen ^ zowel t.a.v.de gebouwen als t.a.v. de inrichting enhet gebruik van de landerijen -- datdeze duidelijk zichtbare gevolgen heb-ben voor de omgeving. Voor het ge-bruik van -- voortdurend in capaciteittoenemende -- machines is het be-staande verkavelingspatroon dikwijlsongeschikt door een teveel aan sloten,greppels of door onregelmatige per-ceelsvormen. Ook het transport vanbedrijfsbenodigheden en produktengebeurt met zwaarder materieel, waar-voor vele bestaande landbouwwegenniet meer geschikt zijn. De oogst van10 Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976landbouw en landschaphcl akkcrbouwbcdrijf wordt voor ecnbclangrijk decl nict mccr in dc bc-drijfsgebouwcn opgeslagcn; dcnk b.v.aan dc grancn die op de akker met eenmaaidorser worden geoogst: korrcl enstro gaan direkt van hct land naar deafnemers. Ook het modcrnc melkvec-houdcrijbedrijf vraagt een geheel an-der gebouwentypc.De agrarischc ondernemcr staat voort-durend voor de noodzaak zijn arbeids-produktiviteit te verhogen, wil zijn in-komen cr in vcrgelijking met dat vanandere bevolkingsgroepen niet op ach-teruitgaan. In het algemeen komt dater op neer dat hij met dezelfde hoe-veelheid arbeid -- op de meeste bedrij-ven is hij immers de enige arbeids-kracht -- gebruik makend van nieuwetcchnische mogelijkheden, de omvangvan zijn bedrijf moet vergroten. Zon-der dczc economische dwang zoudende structurele ontwikkelingen in delandbouw waarschijnlijk veel geleide-lijker verlopen. Zo bleek tijdens eenonderzoek onder melkveehouders inFriesland' ) in 1971 69% niet van plante zijn het aantal melkkoeien op hunbedrijf te vergroten. In de verouderdebedrijfsgcbouwen was dat ook nauwe-lijks mogelijk, met nieuwbouw gaanenorme investeringen gepaard waartoemen niet zonder veel aarzeling over-gaat. Tijdens een zelfde onderzoek inOverijsseP), ook in 1971 gehouden,bleek dat in deze provincie 57% vandc boeren met melkvee niet van planwas het aantal melkkoeien te vergro-ten. Toch zullen waarschijnlijk vclenvan hen gedurende de laatste jaren tot.uitbreiding zijn overgegaan omdat ervoor hen eenvoudig geen andere moge-lijkheid was als ze beroep en bedrijfwilden behouden.De discussies van de laatste tijd overde ontwikkelingen in de landbouw ende gevolgen daarvan voor het land-schap, wijzen op een controverse tus-sen ,,de landbouw" en degenen die hetlandschap tcr harte gaat. De landbouw-- dc agrarischc bedrijfshoofden, maarook de ten behoeve van de landbouwwerkende dienstcn en organisaties --wordt cr hcrhaaldelijk op gewezcn hetlandschap gcweld te willcn aandoen.Van landbouwzijde wordt daar tegenin gebracht dat allcrlci maatregclenten behoeve van landschapsbescher-ming dc economisch noodzakelijkeontwikkeling van de agrarischc bedrij-ven kunnen belcmmeren.In dit verband is het van bclang hoe dcagrarischc bedrijfshoofden hun omgc-ving -- in casu hct landschap -- zelfwaardercn. Welnu, daar is wcinig ofniets over bekend. Er zijn echter wclenkele onderzockresultatcn bekenddie daar misschicn enig licht op kun-nen werpen. Uit diverse recente onder-zoekingen van dc afdcling Structuur-ondcrzoek van het Landbouw-Econo-misch Instituut komt naar voren dathet ,,werken in de buitcnlucht en dcnatuur" ecn van de belangrijkstc voor-waardcn is voor het plezier dat dclandbouwcrs in hun werk hebben. Zobleek uit ecn reeds ecrder aangehaaldAgrarisch gebied van landschappelijke waarde.onderzoek onder 358 melkveehoudersin Friesland' ) in 1971 door 29% vanhen hct werken in dc buitcnlucht alsaantrekkclijke kant van hun beroepnaar voren te worden gebracht (slechtseen andere kant, het zelfstandig on-derncmcrschap, werd door meer boe-ren genoemd: 63%). Dat het niet al-Icen om de buitcnlucht gaat, maar ookom de natuur om hen been, kwamdikwijls in de argumentering naar vo-ren. Toekomstige melkveehouders inFriesland, in 1973 gevraagd naar debelangrijkstc voorwaarden voor plezierin hun werk^), gaven hct werken in debuitcnlucht daarbij een hoge plaats.Beide groepen, de melkveehouders zo-wcl als de toekomstige melkveehou-ders, zouden, wanneer zij een anderberoep zouden moeten kiezen, ditgraag uitoefenen in de buitcnlucht endc natuur. Zou een vcrarming van hetlandschap, van dc omgeving waarin zeleven en werken, deze menscn onver-schillig laten?De laatste jaren is er, met name inniet-agrarische kringen, een toenemen-Kollumerland (Fr.) (foto G. Kastelein)11 Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976landbouw en landschapde belangstelling voor de omgeving,voor het landschap, waar te nemen.Een van de resultaten daarvan is, b.v.de aanbieding in februari 1975 aan deTweede Kamer van de ,,Nota nationa-le landschapsparken" en de ,,Nota re-latie tussen landbouw en natuur- enlandschapsbehoud". Het ligt niet in debedoeling om in dit artikel uitputtendin te gaan op de oorzaken van die toe-nemende belangstelling. De toenemen-de bevolking en de ruimere manier vanbouwen hebben tot gevolg dat deopen ruimte schaars wordt. Milieu-vraagstukken staan in het middelpuntvan de belangstelling. Er wordt ge-vreesd dat de diversiteit in het land-schap door de ontwikkelingen in delandbouw voor een deel verloren zalgaan. Door een hoger inkomen enmeer vrije tijd trekken steeds groterwordende aantallen mensen er op uitom zich in de landelijke gebieden terecreeren.De toenemende belangstelling voorhet landschap zal ongetwijfeld invloedhebben op de bestemmingsplannenvoor het buitengebied, die de gemeen-ten volgens artikel 10 van de Wet opde Ruimtelijke Ordening dienen vastte stellen.Bij de bestudering van de wijze waar-op de landschappelijke waarden, toe-gekend aan de in het bestemmingsplanbuitengebied gelegen gronden, wordenbeschermd, komen de volgende aspek-ten aan de orde:-- de bestemmingen, waarin voor-schriften t.a.v. het landschap voorko-men (voor zover het gebieden betreftwaarin de landbouw wordt beoefend);-- de gebruikte formuleringen;-- de aktiviteiten van de landbouw,waarop de voorschriften betrekkinghebben;-- de vraag in hoeverre deze voor-schriften beperkend kunnen zijn voorde landbouw.2. De bestemmingen, waarin voor-schriften t.a.v. het landschap voor-komenTen behoeve van het onderzoek zijnalle bestemmingen, waar agrarischgrondgebruik of agrarische bedrijvenvoorkomen, in een aantal groepen vanovereenkomstige strekking samenge-vat"*). In tabel 1 komt naar voren dathet hier gaat om een zevental groepen;in de eerste kolom wordt aangegevenhoeveel gemeenten een -- soms meerTabel 1 Aantal gemeenten met bestemming(en) in de verschillendc bestemmingsgroepen enmet voorschriften t.b.v. het landschapAantal gemeenten met be-stemming(en) in de groepBestemmingsgroepI Agrarisch gebiedII Agrarisch gebied van landschappehjke waardeIII Agrarisch gebied van grote landschappehjke waardeIV NatuurgebiedV Bijzondere agrarische doeleindenVI Niet-agrarische bestemming, anders dan natuurgebied,waar de landbouw, voor zover aanwezig, nog magworden uitgeoefendVII Voorlopige agrarische bestemmingin totaal waarvan metvoorschriftent.b.v. landschap28 1623 2114 1114 1414 612 17 1dan een -- bestemming hebben binnende betreffende groep en in de tweedekolom het aantal onder deze gemeen-ten dat in die bestemming voorschrif-ten hanteert die op de een of anderemanier de bescherming van het land-schap of landschappelijke waarden totdoel hebben.De in de plannen voorkomende bouw-percelen of bouwstroken (aaneenge-sloten stukken grond, waarop krach-tens het plan zelfstandige bebouwingmet een gebouw of bij elkaar behoren-de gebouwen is toegestaan) zijn bij deindeling in bestemmingsgroepen sa-mengevoegd met de bestemming waar-door ze zijn omgeven. Dit is gedaanomdat bij de grondgebonden vormenvan agrarische produktie gebouwen engrond niet los van elkaar gezien kun-nen worden. Bij de groep ,,bijzondereagrarische doeleinden" (V) gaat het,behalve in enkele gemeenten waaringronden voor tuinbouwdoeleindenzijn bestemd, uitsluitend om bouwper-celen ten behoeve van vormen vanniet-grondgebonden agrarische pro-duktie (o.a. varkens, kippen).Uit een vergelijking per bestemmings-groep van de aantallen in de eerste ende tweede kolom blijkt, dat voor-schriften ter bescherming van hetlandschap vooral voorkomen in de be-stemmingen ,,agrarisch gebied vanlandschappelijke waarde" (II), ,,agra-risch gebied van grote landschappelij-ke waarde" (III) en ,,natuurgebied"(IV). Echter, in ten minste de helftvan de gemeenten met bestemmingenin de groep ,,agrarisch gebied" (I), ko-men eveneens op de bescherming vanhet landschap gerichte voorschriftenten behoeve van deze gebieden voor.Overal waar dergelijke voorschriftenvoorkomen kunnen ze beperkingen in-houden voor de landbouw.Er zijn, blijkens tabel 1, ook bestem-mingen die behoren tot de categoricagrarisch gebied van landschappelijke(II) -- of zelfs grote landschappelijke12 Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976landbouw en landschap(III) -- waarde, waarbij in dc voor-schriften het woord landschap nietvoorkomt. Het is echter mogclijk datde voorschriften t.a.v. het bouwen enhet gebruik van gebouwen en grond z6worden ingericht, dat de bcschermingvan het landschap als het ware impli-ciet is gewaarborgd. Daarnaast kunnenB. en W. bij het al of niet verlenen vanvrijstellingen ook landschappelijkeoverwegingen laten gelden, zonder datdit expliciet in de voorschriften wordtvermeld.Bij het verlenen of weigeren van vrij-stellingen en aanlegvergunningen, ofhet stellen van voorwaardcn, zuUen B.en W. de argumentatie, voor zover de-ze niet is te baseren op de voorschrif-ten, in de toelichting op het plan moe-ten zoeken. Ten aanzien van de be-schrijving van het landschap en de ele-menten waaraan het zijn waarde ont-leent, zijn de toclichtingen op de on-derzochte plannen evenwcl dikwijlsbijzonder vaag. Zo staat bijvoorbecldin een bepaald plan in de toelichtingwaar het gaat om de agrarische gebie-den van landschappelijke waarde:,,Met betrekking tot de waarden vandeze gebieden zij hier nog opgemerktdat deze bestemming niet alleen deaanwezige beplantingen wil bescher-men, doch ook dat opbouw en herstclvan de waarden hier op zijn plaatszijn". Even verder volgt nog: ,,De inhet gebied van landschappelijke waar-de gelegen bouwpercelen zijn nietmeer met deze waarden belast, omdatde waarde hier goeddeels wordt gevon-dcn in het gegeven kavelpatroon en debeplantingen". Verder, waar over aan-legvergunningen wordt gesproken:,,Ook de beplantingen langs wegenzijn uit een oogpunt van landschaps-zorg veiliggesteld". Meer staat er overdit onderwerp niet vermeld in de toe-hchting op dit plan. De elementenwaar het hier om draait zijn vermoede-lijk de ?,,beplantingen" -- al of nietlangs wegen -- en ,,het gegeven kavel-patroon". Dergelijke vaagheden gevenAgrarisch gebied van landschappelijke waarde.de agrarische ondernemers die in zo'ngebied moeten Icven en werken weinigrechtszekerheid, terwijl ze rechtsonge-lijkheid tussen collega's in verschillen-de gemeenten, ja zelfs binncn een ge-meente, die onder dezelfde omstandig-heden hun beroep uitoefenen, kunnenbevorderen. Aan het onderhavigc planis, mede om deze redenen, door G.S.terecht goedkeuring onthouden. Wan-neer een gemeente bepaalde land-schappelijke elementen met behulpvan een bestemmingsplan voor hetbuitengebied wil veiligstellen, mogende ingezetenen verwachten dat er zoduidelijk mogelijk wordt omschrcvenom welke elementen het gaat.3. De gebruikte formuleringenHet onderzoek omvat de bestem-mingsplannen voor het buitengebiedvan 29 gemeenten in 5 provincies. Ge-zien de diversiteit in beleid zowel alsin gebied, alsmede in bureaus waar deplannen zijn ontworpen, zal het geenverwondering wekken dat de gebruik-te terminologie niet altijd gelijklui-dend is. In de voorschriften van deze29 gemeenten zijn meer dan 40 ver-schillende formuleringen aangetroffendie op de bescherming van het land-schap zijn gericht.Een iedcr die daarnaar gevraagdwordt, zal wel een omschrijving wetente geven van wat hij onder ,,land-schap" verstaat. Maar het zal niet ge-makkelijk zijn twee gelijkluidende de-finities te verkrijgen. Dat is, mede ge-Dievcr (Dr.) (foto G. Kastclein)zien het hiervoor besprokene, de kern-vraag van de gehele problematiek. Opbasis van het begrip ,,landschap" moe-ten namelijk veel beslissingen wordengenomen die dikwijls van verstrekken-de betekenis kunnen zijn voor degenedie crmee te maken krijgt.Een aantal gemeenten geeft in de be-gripsbepalingen die aan de voorschrif-ten vooraf gaan, een definitie van,,landschappelijke waarden". In al de-ze gevallen luidt die definitie: ,,de geo-morfologische en landschappelijk-es-thetische waarden". Dat klinkt in-drukwekkend, maar het helpt degenedie ermee moet werken niet verder.Met betrekking tot het landschap ko-men in de onderzochte plannen ter-men voor als: schaal, karakter of typevan het landschap, landschappelijkestructuur, landschappelijke belangen,landschappelijke redenen, landschap-pelijke betekenis, landschapsschoon,landschapsbehoud en landschapsbe-scherming.Deze termen zijn dikwijls vervat in bij-zonder lange en moeilijk leesbare zin-nen. Zo is een bepaalde agrarische ak-tiviteit ,,slechts toclaatbaar indiendoor die werken of werkzaamhedendan wel door de daarvan hetzij direktof indirekt te verwachten gevolgen, delandschappelijke waarden en funktiesvan de gronden niet worden of kun-nen worden aangetast, dan wel de mo-gelijkheden voor het herstel van diewaarden en funkties niet worden ofkunnen worden verkleind". Centraal13 Siedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976landbouiv en landschapin dcze zin staat dus of de landschap-pelijke waardcn en funkties van de be-treffende gronden worden of kunnenvvorden aangetast en of evcntucel her-stel van die waarden mogelijk is. Opandere plaatsen in de voorschriftenvan de onderzochte plannen staat b.v.:-- geen vrijstelling indien in ernstigcmate afbreuk wordt gedaan aan delandschappelijke waarden;-- mits het landschap niet oncvenre-dig wordt aangetast;-- voor zover de landschappelijkewaarden hierdoor niet dan wel niet inbelangrijke mate worden geschaad;-- (nadere eisen) indien dit wenselijkis om landschappelijke redenen;-- mits door de uitvoering niet blij-vend en onevenredig afbreuk wordtgedaan aan de landschappelijke waar-den van het gebied.Uit deze opsomming komt naar vorendat er tussen de verschillende bestem-mingsplannen en bestemmingen groteonderlinge verschillen bestaan in om-schrijving en daarmee in interpretatie-mogelijkheden. Het kan gaan van,,wenselijk om landschappelijke rede-nen" via ,,landschappelijke waardenworden of kunnen niet worden aange-tast" naar ,,niet onevenredig wordenaangetast" of ,,niet in belangrijke ma-te worden geschaad". Wanneer er eenafweging moet plaatshebben op basisvan deze formuleringen, zullen de be-trokkenen -- in het algemeen B. en W.-- in het merendeel van de plannen te-vergeefs zoeken naar een toelichting.De rechtszekerheid zou kunnen wor-den bevorderd en de kans op rechtson-gelijkheid verminderd, wanneer in debestemmingsplannen voor het buiten-gebied een exact geformuleerd en zomogelijk uniform begrippenstelsel zouworden gehanteerd.Een voor de landbouw bijzonder be-langrijke regel, welke in de meeste be-stemmingsplannen voor het buiten-gebied wordt aangetroffen, is, dat hetverbod van een aantal met name ge-noemde aktiviteiten zonder dat daar-voor een aanlegvergunning is verstrekt,,,niet geldt voor werken of werkzaam-heden ten dienste van de normalevoortzetting van een agrarische, bij-zondere agrarische of andere bedrijfs-Agrarisch gebied van grote landschappelijke waarde. Aaltcn (GUI.) (foto G. Kastelein)uitoefening, alsmede ten dienste vande realisering van ingevolge de bestem-ming of daarvan te verlenen vrijstellingtoegelaten bebouwing". Wie in de toe-lichting zoekt naar een verklaring vanhet begrip ,,normale voortzetting", zaldeze in de meeste plannen niet vinden.Wordt daar onder verstaan de dagelijksweerkerende werkzaamheden, zoalsdie op de agrarische bedrijven voorko-men ten tijde van het van kracht wor-den van het bestemmingsplan? Ofworden allerlei structurele verbeterin-gen in het agrarische bedrijf daar ooktoe gerekend? Veel kan daar van af-hangen. In de inleiding tot dit artikelis er al op gewezen dat het agrarischebedrijf altijd in ontwikkeling is, zij hetde ene keer sneller dan de andere.Een afzonderlijke groep van voor-schriften is die, waarin, ter beoorde-ling van eventuele gevolgen voor hetlandschap, adviesinstanties te hulpworden geroepen, b.v.:-- gehoord de door G.S. aan te wij-zen instanties, deskundig op het ge-bied van de natuur- en landschapsbe-scherming en van de landbouw;-- mits uit een advies van Staatsbos-beheer blijkt, dat het bedrijf ter plaat-se uit landschappelijke overwegingenaanvaardbaar is;-- mits hiertoe uit landschappelijkeoverwegingen naar het oordeel van,,Het Oversticht" geen bezwaar be-staat.Het eerstgenoemde is wel zo democra-tisch, alhoewel in de beide andere ge-vallen de mogelijkheid om ook andereadviseurs te raadplegen, niet bij voor-baat is uitgesloten. Natuurlijk kunnenook door gemeenten met een planwaarin het raadplegen van adviseursniet uitdrukkelijk is voorgeschreven,adviezen worden gevraagd.4. De aktiviteiten van de landbouwwaarop de voorschriften betrekkinghebbenDe aktiviteiten die in het kader van ditartikel worden onderscheiden zijn:14 Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1976lan(ll)(>uiv en landschaf)nicuwbouw, vcrnicuvving of verbou-wing, grondgebruik en verbclering vandc culluurtcchnisrhc produktieom-standighedcn. Voor wat de bouwakti-vilcitcn belrcft kan ondcrscheid wor-dcn gcmaakt tussen bouwcn op bouw-pcrcelcn of -slrokcn en bouwen daar-buiten.In label 2 is in dc tweede kolom aan-gegevcn in hoeveel van de in het on-derzoek belrokken gemeenten in hetbestemmingsplan voor het buiten-gebied voorschriften voorkomen t.a.v.bouwaktiviteiten binnen het bouwper-ceel die landschapsbescherming tendocl hcbben. Voor de gehanteerdegroepen van bestemmingen zij verwe-zen naar tabel 1. In de eerste kolomvan tabel 2 zijn gemeenten die wel eenof meer bestemmingen in een bepaal-de groep hebbcn, maar waarin geenbouwpercelen worden aangetroffen,buiten beschouwing gelaten. De overi-ge drie kolommen geven aan wanneerin de in de tweede kolom aangegevengemeenten de bescherming van hetlandschap in de voorschriften om dehock komt kijken. Dat kan zijn:1. bij clkc nicuwbouwaktiviteit die,afgaande op de voorschriften, zondervrijstelling is toegestaan;2. bij nieuwbouwaktiviteiten die ineerste instantie niet zijn toegestaan,maar waarvoor een vrijstelling kanworden verkregen;3. wanneer een vrijstelling wordt ver-Iccnd om af te wijken van bepaalde inde voorschriften vermelde bouwmaten(hoogte, goothoogte, oppervlakte, vo-lume, etc.) en afstanden (b.v. tot deperceelsgrens, tot andere gebouwen ofbouwwerken).Bij nieuwbouw op bouwpercelen of-stroken, gelegcn temidden van de be-stcmmingsgroep ,,agrarisch gebied"(I), blijkt het in 5 gemeenten mogelijkte zijn, 66k al gaat het om handelin-gcn waarvoor geen vrijstelling behoeftte worden verleend, de boer in zijnTabel 2 Voorschriften t.b.v. landschapsbescherming bij nieuwbouw op bouwpercelen/strokenBestem-mings-groepAantal gemeenten Aantal gemeenten met voorschriften t.b.v. landschapsbemet gebied(en) in scherming bij nieuwbouvi' op bouwpercelen/strokende groep waarinbouwpercelen/ .stroken voorkomenbij alle toe-gestanenieuwbouwbij vrijstel-ling van ver-bod totnieuwbouwbij vrijstellingvan maten etc.I 28II 20III 9IV 6V 14VI 2VII 11074mogelijkheden te beperken op grondvan landschappelijke overwegingcn. Inal deze gevallen blijkt het te gaan omz.g. ,,nadere eisen", b.v. ten aanzienvan de situering en afmetingen van ge-bouwen, soms ook op het gebied vaneen aan te brengen beplanting, welkedoor B. en W. kunnen worden gesteld.Wanneer deboer wil afwijken van devoorschriften en hij vraagt daartoe vrij-stelling aan B. en W., dan is blijkens detwee rechter kolommen in tabel 2 hetaantal gemeenten waarin hij op voor-schriften kan stuiten die gericht zijnop landschapsbescherming, wat groter.De vrijstellingen kunnen bijvoorbeeldeen toestemming inhouden om eentweede bedrijfswoning op te richten,maar ook om hoger te bouwen danzonder vrijstelling is toegestaan.Let wel: het gaat hier in dit artikeluitsluitend om regels ter beschermingvan het landschap. Op allerlei anderegronden zijn dikwijls bovendien beper-kingen t.a.v. het bouwen mogelijk, zo-als agrarische, natuurwetenschappe-lijke en historische waarden; verkeers-en milieuhygienische belangen en debevordering van een stedebouwkundi-ge eenhcid.Ten aanzien van nieuwbouw op bouw-percelen welke zijn gelegen in anderebestemmingsgroepen dan het agrari-sche gebied, gelden dikwijls dezelfdevoorschriften. Soms worden er ech-ter, bijvoorbeeld ten aanzien vanbouwpercelen die liggen in agrarischgebied van (grote) landschappelijkewaarde, nieuwe elementen aangevoerdwaarop nadere eisen betrekking kun-nen hebben (o.a. de uiterlijke verschij-ningsvorm of vormgeving, de begren-zing en de afwerking van het terrein).De bestemmingsgroep V (bijzondereagrarische doeleinden) bestaat hoofd-zakelijk uit bouwpercelen, o.a. ten bc-hoeve van de niet-grondgebonden vor-men van landbouw: varkensmesterij-en, kuikenmesterijen e.d. .-Met betrekking tot vernieuwing, ver-bouwing of uitbreiding van bestaandeagrarische bedrijfsgebouwen komenslechts in enkele bestemmingsplannenvoor het buitengebied voorschriftenvoor, die gebaseerd zijn op de bescher-ming van het landschap. Deze voor-schriften hebben voornamelijk betrek-king op het handhaven van de uiter-lijke verschijningsvorm of het voorko-men van een verslechtering van deuiterlijke verschijningsvorm.De bestemmingsplannen voor het bui-tengebied zijn er in het algemeen op15 Stedehouw en Volkshuisvesting, januari 1976landbouw en landschapgericht om bebouwing buiten dc daar-voor bestemde bouwpercelen of -stro-ken te weren. Dat wil echter nict zeg-gen dat buiten de bouwpercelen elkebouwaktiviteit onmogelijk is. In deeerste plaats is het in vele gemeentenmogelijk bouwwerken van geringe om-vang, geen gebouw zijnde, zoals erf-scheidingen, zonder vrijstelling teplaatsen. Voorts mogen in cen aantalgemeenten gebouwen van lichte kon-struktie, zoals zomermelkstallen, bui-ten de bouwpercelen worden opge-richt. In de tweede plaats wordt in demeeste plannen de mogelijkheid open-gelaten om voor verschillende bouw-aktiviteiten buiten de bouwperceleneen vrijstelling van B. en W. te vragen.Tabel 3 verschaft gegevens over hetaantal onderzochte gemeenten metvoorschriften t.a.v. landschapsbescher
Reacties