stedebouwen volkshuisvestingII 60e jaargang, november 1979DenkraamRuilverkaveling en bestemmingsplanBedrijven en bestemmingsplanStadsvernieuwing: bouwen voor de buurtEnergievoorziening en stedebouwGrondmanagementNieuwe publikatiessamsomgemeente alphen aan den rijnDe gemeente Alphen aan den Rijn, centraal gelegen in deRandstad l-iolland, met tlians ruim 50.000 inwoners, isaangewezen tot Centrale Kern in de Regio Rijnstreek vanZuid-Holland.De hoofdafdeling Stadsontwikkeling en het Stafbureau Planologie envan de Dienst Openbare Werken, Juridische zaken, staat voor de opgaafopgebouwd uit de resp. afdelingen om deze ontwikkeling mede gestalte teStedebouw, Bouw- en Woningtoezicht geven.Hiervoor wordt gevraagd eenHOOFD VAN DE HOOFDAFDELINGSTADSONTWIKKELINGdie naast het geven van leiding nauwbetrokken zai zijn bij alle stads-ontwikkelingsactiviteiten der gemeente,betrekkingen onderhoudt metoverheden en particuliere instanties enin het algemeen een stimulerende rolvervult bij het tot stand komen vanstadsprojecten.Voor deze functie wordt gedacht aaniemand van academisch niveau metmanagerskwaliteiten en zich zoweiin de vakgebieden der planologie,stedebouwkunde en bouwkundethuisvoelt.De voorkeur gaat uit naar een ervarenstedebouwkundig/bouwkundigingenieur (TH).Aanstelling zaI plaatsvinden in de rangvan hoofdingenieurAfhankelijkvan opieiding en ervaringwordt voor deze functie een salarisgeboden van ten hoogste f 6023,-bruto per maand. De gebruikelijkerechtspositieregelingen zijn vantoepassing.Nadere inlichtingen wordendesgewenst gaarne verstrekt door dedirecteur, de heer Ir. A. A. Bos.Telefoon 01720-74991, toestel 227.Gemteresseerden worden uitgenodigdom binnen 14 dagen na het verschijnenvan dit blad een sollicitatie te richtenaan Burgemeester en Wethouders vanAlphen aan den Rijn en deze te zendenaan de Directeur van de DienstOpenbare Werken, Castellumstraat 6,2405 CB Alphen aan den Rijn.>M^^ASW HERHAALDEOPROEPsamenwerkingsorgaanagglomeratieUtrechtHet Samenwerkingsorgaan Agglomeratie (S.A.U.)is een intergemeentelijk samenwerkingsverbandwaarin deelnemen de gemeenten Bunnik, Houten,Maartensdijk, Nieuwegein en Utrecht.In de sector woningbouw en volkshuisvesting vande afdeling ruimtelijke ordening en sociaal-econo-misch onderzoek van het secretariaat van hetsamenwerkingsorgaan vaceert de functie vanmedewerkerwoningbouw envolkshuisvesting (v/m)De taak van de aan te trekken medewerker zai be-staan uit het assisteren van de beleidsmede-werker woningbouw en volkshuisvesting.De inhoud van de werkzaamheden zaI voorname-lijk worden bepaald door zaken weike voortvloeienuit de coordinatie van concrete grensoverschrij-dende activiteiten op het terrein van woningbouwen volkshuisvesting van de bij de agglomeratieaangesloten gemeenten.Van de nieuwe medewerker wordt verwacht datdeze beschikt over een ruime beleidsvoorbereiden-de ervaring op gemeentelijk niveau op het terreinvan woningbouw en volkshuisvesting en op dehoogte is van de op dit terrein geldende voor-schriften en regelingen.Het diploma G.A. I strekt tot aanbeveling.Aanstelling kan geschieden maximaal in de rangvan commies (salaris tot maVimaal f 2.999,- permaand: schaal 01-05-1979). Vefdere uitloop bij ge-bleken geschiktheid behoort tot de mogelijkheden.De rechtspositieregelingen van het personeel vanhet S.A.U. zijn gelijk aan die van het personeel vande gemeente Utrecht.Nadere inlichtingen over deze functie kunnenworden ingewonnen bij de heer J.B. Overkleeft(telefoon 030-319731).Sollicitaties binnen 10 dagen na het verschijnenvan dit blad richten aan de secretaris van hetS.A.U., Maliebaan84A,3581 CX Utrecht.^^^^AMIK^ ^Bij de hoofdafdeling Stadsontwikkeling der gemeen-tesecretarie kan worden geplaatstEEN MEDEWERK(ST)ERWOONOMGEVINGTot iijn/haar taken behoort:-- het ontwikkelen, bewaken en coordineren vaneen samenhangend beleid inzakede woonomge-ving in ruime zin, met name met betrekking tot destadsvernieuwingsgebieden en veranderingen enverbeteringen in de overige bestaande bebouwdegebieden;-- het behulpzaam zijn van zijn/haar collega's,werkzaam in de sfeer van stadsvernieuwing enveranderings- en verbeteringsprocessen in debestaande bebouwde gebieden, bij de toepas-sing van dit samenhangend beleid;-- het administratief begeleiden van actuele vraag-stukken in het kader van de woonomgeving;-- het (mede) begeleiden van het zgn. demonstra-tieproject herinrichting stedelijk gebied Stratum,gevolgd door het na afloop (mede) evalueren vanhet project.Functie-eisen:-- academische opieiding, zoals sociologie of plano-logie, dan wel hogere beroepsopleiding, zoalshogere bestuursopleiding, met specialisatieruimtelijke ordening en volkshuisvesting;-- ervaring en/of belangstelling in het onderhavigetaakgebied;-- bereidheid tot deelname in participatieprocessenen het werken in de avonduren;-- goede redactionele vaardigheid.Salaris:-- afhankelijk van opieiding en ervaring maximaalf 3.981,-- bruto per maand.De functie verkeert nog in een opbouwfase.Afhankelijk van de mede door de nieuwe functio-naris te geven inhoud en diepgang zaI aan defunctie de definitieve functionele salarisgroepnader bepaald worden.Sollicitaties binnen 14 dagen na het verschijnen vandeze oproep te richten aan de directeur van perso-neelszaken, Stadhuis, Postbus 90150, 5600 RBEindhoven onder vermelding van vacature nr.79.212 (in de rechter bovenhoek van de sollicitatiebrief).bcilon/i/olcilie*''" vanl/OplCIA*weegt de isolatiekosten van woningennauwkeurig af tegen de besparing opkorte ternnijn. Besparing op stook-kosten vanzelfsprekend.In een kort gesprek maken wij Ueigenaar van dit uitgekiende - neutraalgeverifieerde - systeem.Uiteraard neemt Isoplan alle proble-matiek voor haar rekening.Wij adviseren U omtrent de keuze-mogelijkheid uit diverse produkten.Een afgerond advies en de kompleteuitvoering door een organisatie biedtvele voordelen. Voor een afspraak zienwij gaarne Uw telefonische ofschriftelijke reaktie tegemoet.Isoplanvoorkomplete isolotle-en renovatlesyslemenIsoplan b.v. - Postbus 3108 - 7339 ZG Apeldoorn. Tel. 055 - 232038SOCIOGRAFISCH BUREAU DE MEERLANDENIntergenneentelijke dienst voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek, planologie, stedebouw en statistiekten behoeve van de gemeenten Aalsnneer, Haarlemmermeer en Uithoorn, gevestigd te Hoofddorp,Bij de planologische afdeiing van dit bureau wordt gevraagd;een ervaren sociaal-wetenschappelijk onderzoekerop h.p.o.-niveauTot zijn of haar taak zai behoren:-- het leveren van de planologische inbreng bij de totstandkoming van bestemnningsplannen-- .het assisteren bij en eventueel zelfstandig uitvoeren van planologisch onderzoek.Vereist zijn:-- hogere planologische opieiding of een daarnnee overeenkomende ervaring-- een aantal jaren ervaring, bij voorkeur nnet werk ten behoeve van bestemnningsplannen-- goede uitdrukkingsvaardigheid-- bereidheid in teamverband te werken.Salaris:afhankelijk van leeftijd en ervaring f 2.690,-- - f 3.981,-- per maand (comnnies A/hoofdcom-mies).Bij een zeer goede taakvervulling behoort t.z.t. een uitloop tot hoofdconnnnies A (f 4.441,--) tot dennogelijkheden.De premie AOW/AWW is voor rekening van het bureau. De rechtspositieregeling van de gemeenteHaarlemmermeer is van toepassing.Sollicitaties binnen 14 dagen na het verschijnen van dit blad te richten aan de directeur van hetSociografisch Bureau De Meerlanden, Marktplein 90, Postbus 147, 21 30 AC Hoofddorp.II\^^Bij de hoofdafdeling Stadsontwikkeling van de ge-meentesecretarie kan worden geplaatstEEN MEDEWERK(ST)ERONTWIKKELING BESTEMMINGSPLANNENTot zijn/haar taken behoort:-- het formuleren van en/of adviseren over uit-gangspunten voor het ruimtelijk beleid van degenneente;-- het opstellen van doelstellingennota's, die aanbestemmingsplannen ten grondslag liggen;-- het toetsen van ontwerp-bestemmingsplannen,inclusief toelichting en voorschriften, aan de wet-telijke voorschriften, jurisprudentie en aan richt-lijnene.d. van rijk, provincie, agglomeratieen/ofgemeente;-- het (doen) opstellen van verbeteringsplannen vanwijken, die in een later stadium kunnen uitmon-den in bestemmingsplannen;-- het overleg met de bevolking over voornoemdewerkzaamheden;-- het verzorgen van de gehele administratieve pro-cedure, totdat het bestemmingsplan onherroepe-lijk is geworden.Functie-eisen:-- academische opieiding, bij voorkeur rechtswe-tenschappen met belangstelling voor de maat-schappelijke en bestuurlijke aspecten van deruimtelijke ontwikkeling;-- ervaring in vergelijkbare overheidsfuncties;-- bereidheid tot rechtstreeks overleg met de bevol-king, zo nodig in de avonduren.Salaris:-- naar gelang leeftijd, opieiding en ervaring maxi-maal f 5.211,-- bruto per maand.Sollicitaties binnen 3 weken na het verschijnen vandeze oproep te richten aan de directeur van Perso-neelszaken, Stadhuis, Postbus 90150, 5600 RBEindhoven, onder vermelding van vacature nr.79.211 (in de rechter bovenhoek van de brief).aii??fflG?ossOss, (ruim 46.000 inwoners) is een aantrekkelijkewerk- en woongemeente, die volop in ontwikkelingis.In deze gemeente is vacant de functie van:DIRECTEURVAN DE DIENST STADSONTWIKKELINGEN GRONDBEHEERDe werkzaamheden van de dienst liggen op hetgebied van:-- de voorbereiding:het in samenwerking met andere diensten en afdelin-gen ontwikkelen van ruimtelijke plannen, zoals struc-tuurplannen, bestemmingsplannen en inrichtingsplan-nen met bijbehorende juridische regelingen en finan-cieel beheer,-- de uitvoering:de grondverwerving, gronduitgifte en bijbehorendeadministratie.De dienst werkt met medewerkers van niveau.Belangrijke zaken worden in teamverband aange-pakt.De toekomstige directeur zai aan de volgende elsenmoeten voldoen:-- academische opieiding op het gebied van de stede-bouw of de planologie;-- ruime ervaring met de taken waarmede de dient isbelast in een functie op niveau;-- organisatorische en leidinggevende capaciteiten;-- goede contactuele eigenschappen;-- in staat zijn de kwaliteit van de individuele mede-werker naar voren te laten komen en de band tussende teamleden te waarborgen.Geboden wordt een salaris, hetwelk volgens de huidigenormen loopt van f 5.057,-- tot j 6.410,-- bruto permaand. Voorts zijn de bekende secundaire voorzienin-gen van toepassing.Een psychologisch onderzoek zaI deel uitmaken van deselectieprocedure.Vertegenwoordigers van de medewerkers van de dienstworden bij de sollicitatieprocedure betrokken.Sollicitaties met uitvoerige gegevens over persoon enwerk worden bij burgemeester en wethouders van Oss,Raadhuislaan 2, 5341 GM OSS, ingewacht binnenveertien dagen na het verschijnen van dit blad.Informaties kunnen telefonisch worden ingewonnen bijde gemeentesecretaris, de heer Mr. J. L. M. Kuijpers(04120-29911).IllGEMEENTEWERKENBERGEN OP ZOOM(HERHAALDE OPROEP)Bij het Sociografisch Bureau, afdeling stedebouw vande dienst Gemeentewerken kan worden geplaatsteen planologischonderzoeker(ster)Functie-informatieDe te benoemen functionaris zai worden belast met aliavoorkonnende onderzoekswerkzaamheden binnen hetBureau. In het bijzonder zaI hij/zij worden belast methet ontwikkelen en bewaken van woningbouwpro-gramma's t.b.v. structuur- en bestemmingplannen enhet uitbrengen van beleidsadviezen op het terrein vande volkshuisvesting. Voorts zullen de werkzaamhedenbestaan uit het uitbreiden van het documentatiebe-stand en het bewerken van statistische gegevens.VereistenVoor deze functie gaan de gedachten uit naar een can-dida(te)at met bij voorkeur het diploma Hoger Planolo-gisch Onderzoek (voorheen d.p.o.). Voor een goedefunctievervulling wordt praktijkervaring op het terreinvan de volkshuisvesting noodzakelijkgeacht. Bijzonde-re waarde wordt gehecht aan vaardigheid in het zelf-standig schriftelijk rapporteren.SalarisAfhankelijk van opieiding en ervaring wordt een salarisgeboden van adjunct-commies A of commies (min.bruto-salarispermaand f 2283,--tot max. f 3039,--per maand bruto).Vakantietoelage 8%.De gebruikelijke rechtspositieregelingen zijn van toe-passing.AanstellingBenoeming geschiedt voorlopig in tijdelijke dienst; nagebleken geschiktheid volgt aanstelling in vastsdienst.Schnftelijke sollicitaties met vergelijking van persoon-lijke gegevens, ervaring, referenties en dergelijke wor-den gaarne binnen lOdagen na hetverschijnen van ditblad ingewacht bij de Directeur van Gemeentewerken,postbus 94, 4600 AB te Bergen op Zoom.Zij die reeds eerder hebben gesolliciteerd hoeven hunsollicitatie niet te herhalen.zoetermeergemeente zoetermeerdorpsstraatIO2712 AK zoetermeertelefoon (079) 169966Bij het onderdeel onderzoek van de afde-ling coordinatie, planning en onderzoekis een vakature voor eensociaal geograaf/sociaal plai f fifl*Taak:Het in teamverband, met behoud van eengrote mate van zelfstandigheid, verrich-ten van beleidsvoorbereidend onderzoekop het terrein van de algehele woonmil-ieudifferentiatie en sociaal-economischevraagstukken.Vereist:- een voltooide studie in de sociale geo-grafie dan wel planologie- bij voorkeur enige jaren praktische on-derzoekervaring- redaktionele bekwaamheidSalaris:Afhankelijk van opieiding en ervaringmaximaal f 3.981,- bruto per maand.Een doorloop naar een hogere rang, nagebleken geschiktheid, behoort tot demogelijkheden.Nadere informaties kunnen worden in-gewonnen bij de hear J.Th.Sluiter, tel.079-16 99 66 tst. 359Sollicitaties, onder vermelding van va-katurenummer A 10.101 en naam vandit blad, binnen 14 dagen na het ver-schijnen ervan zenden aan burgemeesteren wethouders van Zoetermeer.IVOrgaan van hetNederlands InstituutvoorRuimtelijke Ordeningen Volkshuisvesting LaiRedactie:Ir. R.M.Th. AdriaansensDrs. H.J.M. van AlphenDrs. H. van der CammenMr. J.H. EngelDrs. A. EvertsDrs. R. KokMr. A.M. Schaap-DubbelboerDr. N.C. SchoutenIr. W. WissingRecensieredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-624721Redactie,administratie enpublikaties ter recensie:Van Speykstraat 252518 EVDen HaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Uitgave vanSamsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:J. van der KolkProf. J.H. Bavincklaan 51183 AT AmstelveenTelefoon 020-456404Advertentie-administratie:Samsom Uitgeverij bvPostbus 42400 MA Alphen aan den RijnTelefoon 01720-62191Opdrachten en materiaal wordenvoor de lOe van de maand,voorafgaande aan de maand vanverschijning, ingewacht.Losse nummers f 9,2511 stedebouw en volkshuisvesting60e jaargang november 1979Inhoud504505512517532541DenkraamDenkraam of telraam? ir. U. Z.andvoortArtikelenRegeling van ruilverkavelingswerken in bestemmingsplannen"Buitengebied", ir. E. PerdijkRegeling van bedrijven bij bestemmingsplannen, nir. Abel deJongStadsvernieuwing; de (on)mogelijkheid om voor de buurt tebouwen, drs. L. Hoekstra en drs. W. LansOverwegingen van energievoorziening bij planologie enstedebouw, prof. dr. J. HamakerGrondmanagement. Een integrale benadering van het fenomeengrond in het kader van de ruimtelijke ordening, gei'llu-streerdaan de hand van een empirisch onderzoek, G. van der Meulenen H. van der Kamp549 Nieuvve publikuties552 Berichten555 MededelingenIn dit nummertreft de lezer een tweetal artikelen aan met het bestemmingsplancentraal. Het eerste geeft een methodiek om te komen tot eenonderlinge afstemming van ruilverkaveUngswerken enbestemmingsplan buitengebied. Het tweede behandelt demoeilijke materie van het in de hand houden van deontwikkeling van bedrijven in de binnenstad d.m.v. bepalingenin het bestemmingsplan.Het derde artikel stelt de stadsvernieuwing uitvoerig aan deorde. Als uitgangspunt hebben de auteurs de verbetering vande huisvestingssituatie van de bewoners van de oude wijkengenomen. Zij stellen dat een stapsgewijze aanpak vanvernieuwing en verbetering noodzakelijk is om de leefomgevingvan de oude wijken niet te veel achteruit te doen gaan.In het vierde artikel wordt voortgegaan op het thema stedebouwen energie, dat als een eerste verkenning in het juninummeraan de orde werd gesteld. De auteur geeft een aantal suggestiesin de richting van stedebouwers en planologen.Het laatste artikel stelt het grondmanagement aan de orde.Grondmanagement als een instrument voor gemeenten om eengoed inzicht te krijgen en greep te houden op de grond- enonroerendgoedmarkt, geillustreerd aan de hand van eenonderzoek naar grondprijzen in de regio Eindhoven.Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1979 503DenkraamDenkraam of telraam?Toen de nederlandse gemeentes nog worstelden met hun cito-graph had Rommeldam al een eigen computer. CommissarisBullebas was er het eerste bij om hem te beproeven. Hij stelde devraag: "Hoe moet ik het parkeerprobleem oplossen?", en demachine antwoordde prompt: "Huizen afbreken, puin ruimen,pleinen maken, strepen trekken."Rommeldam hep duidehjk voorop. De strip is een tijdje opge-prikt geweest boven mijn werktafel in Emmen; dat zal omstreeks1956 geweest zijn.Toen ik hoorde dat ik zou moeten werken aan een denkraamover vormgeving, was het bovenstaande een van een aantalinvallen die ik alvast eens opschreef. De andere waren ookbruikbaar, maar zij zouden geleid hebben tot een langer of eenander verhaal.Wat een wonder eigenlijk, datjeje gedachten ergens op richt endat je dan zomaar vanuit jezelf basismateriaal aangereikt krijgtzonder dat je enig idee hebt hoe dat wordt geselekteerd uit demilj arden clusters van herinneringen en indrukken, dieje hersensbewaren. Hoe is het mogelijk dat uit al dat materiaal een, twintigjaar geleden opgeslagen, stripverhaal tevoorschijn komt, dat zichricht op een heer met groot denkraam en dat bovendien betrek-king heeft op stedelijke vormgeving!Vormgeving, Dat woord heb ik altijd met een scheel oog aan-_ gekeken. Ik vertrouw het niet helemaal, omdat het mij de indruk' geeft van mensen, die eenzijdig hun wil opleggen aan de materie.Ik zie barokke tuinen, zoals Herrenhausen in Hannover, keuriggevormde ruimten, dat wel, prachtig strak geknipte heggen ook,maar wat bleef over van de eigen vorm van de haagbeuk en debuxus?De planten hadden niets in te brengen, want de mens dikteerdealles.Vormgeving lijkt me een barok woord. Het verwijst mij teweinig naar een dialoog tussen de mens en de dingen, die hijvormt. Het is geen wonder, dat in de tijd van de Nieuwe Zake-lijkheid heel andere gedachten over vorm ontstonden. "Formfollows function" deed toen opgeld. Richt je maar intens op hetzo goed mogelijk maken van het ding, dan komt de vorm vanzelfin orde.Maar hier is het gewicht doorgeslagen naar de andere kant.Want de dingen die genoemd werden als voorbeeld van interes-sante vormen, die zonder vormgeving tot stand gekomen waren,de hamer, de nijptang, de hooivork en het houweel, kregen hunvorm, doordat generaties werklieden hun leven lang met hetmaken van die dingen bezig geweest waren, en dat in tijden,waarin men gewend was de dingen zo te maken dat ze nuttigwaren, maar tegelijk ook plezierig om te zien en te hanteren.Zover ik het aan hun werk bespeur, zijn die oude handwerks-lieden beslist niet passief geweest op het punt van vormgeving,maar juist toen was er een dialoog tussen het wezen van het dingen de producerende mens. Die hielp de dingen aan een vorm diebij hun wezen past, zoals een verkoper iemand kan helpen aangoede kleren, die zijn karakter verduidelijken.De eenzijdige homo-economicus had zich nog niet aange-diend.Het duitse werkwoord "gestalten" sluitbij deze visie goed aan.het gaat erom het wezen van de dingen door hun vorm duidelijktot uitdrukking te laten komen.Wij hebben voor dat woord geen ekwivalant, of het moest zijn"beelden" zoals dat werd gebruikt door de Liga Nieuwe Beelden.Een mooi woord, dat helaas als zodanig weinig gangbaar is maarnog wel gebruikt wordt met betrekking tot een deel van allemensen die beeldend werkzaam zijn: de beeldende kunste-naars.Ik zal dus noodgedwongen maar "vormgeven" blijven ge-bruiken, maar ik zal het met twee woorden schrijven omd.at ik datbeter nederlands vind, maar ook om te laten zien, dat ik "beel-den" bedoel.Het werken aan dit artikeltje is ook vorm geven. Ook hier eendialoog tussen het grondmateriaal, de invallen over details enhoofdopzet en het werk daaraan: het vorm geven aan destruktuur. Als de struktuur overheerst, ontstaat een dor verhaal;overheersen de invallen, dan wordt het verhaal onleesbaar, wantde grote lijn is zoek.Als ik vat krijg op de grote lijn, breekt een periode aan vangeducht snoeien in het grondmateriaal, een pijnlijk proces dat mijmoeite kost. Het verhaal is beslist niet in een keer af, wantnaarmate de hoofdlijn duidelijker wordt, ontstaan weer nieuweinvallen, die soms in de plaats van de oude komen. Door een serievan wederzijdse aanpassingen tussen het grondmateriaal en destruktuur groeit langzaam een geheel, dat tenslotte "klikt".De gedachtengang die leidde van het vorm geven aan gebruiks-voorwerpen tot het vorm geven aan dit artikel wil ik nog evendoortrekken. Hoe krijgt een nieuwe woonwijk zijn vorm?Natuurlijk zijn er wezenlijke verschillen tussen net vorm gevenaan een hooivork, een artikel en een woonwijk. Maar er zijn ookovereenkomsten. Overal waar vorm gegeven wordt spelen tweeprocessen duidelijk op elkaar in: het verwerven van het grond-materiaal en het struktureren daarvan. Bij een wijk kan hetgrondmateriaal bestaan uit wensen ten opzichte van het pro-gramma- te vergelijken met de eisen dieje vanuit het gebruik aaneen hooivork moet stellen - en ook uit ideeen ten aanzien van deinrichting van deelgebieden - te vergelijken met invallen bij hetschrijven van een artikel.Het struktureren bestaat uit het vinden van een thema voor dehele wijk. Ook hier "klikt" het tenslotte pas als een aantal malende afstemming heeft plaats gehad tussen grondmateriaal enstruktuur.Stelt u zich voor dat de redaktie mij zou verbieden de wissel-werking tussen het grondmateriaal, de ideetjes, en de hoofdstruk-tuur te laten plaatsvinden. Het is best mogelijk dat er mensen tevinden zijn die op zo'n manier een denkraam kunnen vullen.Misschien wordt dat een veel beter stuk dan ik nu maak, maar ikmoet zeggen, dat ik zo niet kan werken. Terecht geeft de redaktieschrijvers de vrijheid op hun eigen manier te werk te gaan.Gemeentebesturen erkennen deze basisvoorwaarde voor krea-tief werk niet steeds. Het komt voor dat een afgerond struktuur-plan wordt gevraagd zonder dat de stedebouwkundige wordttoegestaan enigszins gedetailleerde ideeen over de ruimtelijkeindeling van de buurten te ontwikkelen, noch samen met archi-tekten van de deelgebieden, noch - bij ontbreken daarvan -voorlopgg op eigen initiatief. Het moet duidelijk zijn, dat in diegevallen de stedebouw maar beter in handen gegeven kan wordenvan Rommeldam's computer, die helder en rechtuit logischekonklusies trekt zonder rekening te houden met het uiterst inge-wikkelde netwerk van overwegingen en ingevingen waarop demenselijke kreativiteit is gebaseerd.Men moet dan later niet schrikken, als door de gehele nieuwewijk voelbaar is, dat hier niet een groot denkraam als dat vanBommel doende is geweest, maar alleen maar het telraam van decomputer van Bullebas.ir. F.J. Zandvoort504 Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1979Regeling van ruilverkavelings-werkenin bestemmingsplannen "Buitengebied"*ir. E. Perdijk*I. InleidingVolgens de voorstellen in de Intehmno-ta Landinrichtingswet zal het streekplanhet uitgangspunt moeten vormen voorde diverse vormen van landinrichting.Met betrekking tot de verhouding vanlandinrichtingsplannen tot bestem-mingsplannen wordt daarbij gekozenvoor een constructie waarbij bestem-mingspl.an en landinrichtingsplan"naast elkaar staan". Op de vraag watdit "naast elkaar staan" betekent geeftde interimnota echter nog geen sluitendantwoord.In de Reconstructiewet voor Midden-Delfland en in de Herinrichtingswetvoor Oost-Groningen en de Gronings-* Dit artikel is een bewerkte versie van eenin het Cultuurtechnisch Tijdschrift vanaug./sept. I977,jaargang 17 nr. 2, gepubli-ceerd artikel.** Planologisch beleidsmedewerker bij deHoofdingenieur-Directeur voor Landin-richting, Grond- en Bosbeheer te Til-burg.Naarmate meer gemeenten gaan beschikken over een bestemmingsplan "buitenge-bied", dat op grond van de in 1965 in werking getreden Wet op de RuimtelijkeOrdening tot stand is gekomen, zullen uitvoeringsprojecten veelvuldiger met debestemmingsplanproblematiek worden geconfronteerd. De gemeenten hebben indeze bestemmingsplannen uitvoeriger bevoegdheden tot hun beschikking gekregen,waardoor het niet denkbeeldig is dat de uitvoering van op hoger bestuurlijk niveaugeaccepteerde plannen op het gemeentelijk niveau alsnog op problemen stuit. Om deuitvoering ook in de bestemmingsplansfeer zeker te stellen is het nodig naar eengoede onderlinge afstemming van inrichtingsplannen en bestemmingsplannen testreven. In het volgende wordt voor ruilverkavelingswerken, uitgaande van eenaantal praktische ervaringen, een benaderingsmethodiek belicht, die het mogelijkmaakt om de onzekerheden te beperken.Drentse Veenkolonien is deze relatienader uitgewerkt door aan Gedeputeer-de Staten de bevoegdheid te verlenen"de ter uitvoering van het plan vanvoorzieningen noodzakelijke vrijstellin-gen van voorschriften van bestem-mingsplannen en bouw- en aanlegver-gunningen te verlenen, indien burge-meester en wethouders deze niet verlenendan wel niet kunnen verlenen".De Nota landelijke gebieden zet dezelijn voort en kondigt op biz. 139 en 141een herziening van de wet op de ruim-telijke ordening aan, die in het algemeen- dus ook buiten deze specifieke gebie-den - aan het college van GedeputeerdeStaten een dergelijke bevoegdheid zalverlenen. Ter aanvulling op de aanwij-zingsbevoegdheid van GedeputeerdeStaten wordt een zogenaamde "uitnodi-gingsbevoegdheid" voorgesteld. Indiende gemeente- na aanwijziging- de in de"uitnodiging" gevraagde vergunningenniet heeft verleend, dan kunnen Gede-puteerde Staten deze verlenen. Dezeaangekondigde wetsaanpassing zal hetmogelijk maken om patstellingen, diebij de huidige constructie kunnen ont-staan, tot een oplossing te brengen.Deze regelingen bevestigen de positievan het gemeentelijk bestemmingsplanals bindend ruimtelijk integratie- en co-ordinatiekader. De noodzaak en hetbelang van goed planologisch (voor-)overleg met de gemeentelijke overhe-den terzake van landinrichtingsplannenwordt er nogmaals door benadrukt.De praktijk leert dat de stedebouw-kundige bureaus, die veelal voor de ge-meentebesturen de opstelling van be-stemmingsplannen buitengebied ver-zorgen, op het punt van de planologi-sche vertaling van inrichtingsplannen inbestemmingsplannen onderling zeerverschillende methodieken van benade-ring vertonen.Naast bestemmingsplannen waarinweinig of niet specifiek op ruilverkave-lingsplannen wordt ingespeeld, wordendaarbij ook plannen gemaakt waarinhet gehele kaartbeeld van het ruilverka-velingsplan, zowel plan van wegen enwaterlopen als het landschapsplan, ge-detailleerd in bestemmingen wordt"vertaald". Daar een onvoldoende rege-SteJehouw en Volkshuisvesting, november 1979 505ruilverkaveling en bestemmingsplanling van het ruilverkavelingsplan in eenbestemmingsplan de uitvoeringsplan-nen op onvoorziene wijze kan frustre-ren, maar ook een te strakke vastleggingde uitvoering van de werken kan belem-meren, is het van groot belang de onder-linge afstemming van beide plannen opeen juiste wijze vorm te geven.In het navolgende worden de mogelijk-heden voor regeling van ruilverkave-lingswerken in bestemmingsplannenbesproken en - deels - nader uitge-werkt.Met nadruk moet daarbij worden op-gemerkt, dat de problematiek - waar-voor verschillende wijzen van benade-ring mogelijk zijn - hier wordt benaderdvanuit de praktische vraagstelUng opwelke wijze voor de projectuitvoeringaanvaardbare en werkbare bestem-mingsregeUngen kunnen worden getrof-fen.De uit te voeren werken zijn hierbijopgevat als in hoofdlijnen reeds aan-vaard. De hieraan voorafgaande fase,waarin de feitelijke belangenafwegingen besluitvorming omtrent het ruilver-kavelingsplan plaatsvindt, is hierbij be-wust buiten beeld gelaten. In deze fasezal, door een goede procedurele coordi-natie, een parallelle planvorming vanbestemmingsplan en uitvoeringsplanmoeten worden nagestreefd, zodat deverantwoordelijke instanties en be-sturen hun beslissingen kunnen funde-ren op een zo volledig mogelijk beeldvan de in het geding zijnde belangen.II. Het bestemmingsplanOp grond van artikel 10 van de Wet opde Ruimtelijke Ordening (W.R.O.)dient de gemeenteraad voor het gebied,dat niet tot een bebouwde kom behoort,een bestemmingsplan vast te stellen,waarbij voor zover dit ten behoeve van eengoede ruimtelijke ordening nodig is, debestemmingen van de in het plan begre-pen gronden worden aangewezen enzonodig in verband met de bestemmin-gen voorschriften worden gegeven om-trent het gebruik van de in het planbegrepen grond en de zich daarop be-vindende opstallen. De juridische rege-lingen van het bestemmingsplan leggendaarbij het kader vast waarbinnen detoekomstige ontwikkelingen in een ge-bied zich kunnen afspelen.Het is van belang twee aspecten teonderscheiden, te weten:a. het conserverend en beschermendaspectb. het ontwikkelingsaspect.ad a. Het conserverend aspect van hetbestemmingsplanVoorop staat hierbij de werende strek-king van het plan, namelijk de bedoe-ling al datgene te verhinderen dat degewenste ruimtelijke ontwikkeling in dedesbetreffende gebieden in de weg zoustaan.ad b. Het ontwikkelingsaspectOm te kunnen functioneren als plan-ningsinstrument ten behoeve van degeleiding van het ruimtelijk proces, ishet van belang dat een bestemmings-plan zodanige regeUngen treft, dat opaanvaardbare ontwikkeUngen op soepe-le wijze kan worden ingespeeld.Door middel van vrijstellingsbe-voegdheden (ex art. 15 W.R.O.) en eenaanlegvergunningensysteem (ex art. 14W.R.O.) kunnen bepaalde verbodsbe-palingen als bedoeld onder a wordenversoepeld voor die zaken welke de con-ceptie van de bestemming als zodanigniet aantasten en welke in relatie tot debestemming toelaatbaar zijn (toel. art.14 Wet R.O.).Daarnaast maakt artikel 11 van deWet op de Ruimtelijke Ordening hetmogelijk de totstandkoming van eenbestemmingsplan in twee fasen te schei-den.Dit artikel bepaalt dat een planopzetkan worden gekozen waarbij wordt ge-regeld dat "Burgemeester en Wethou-ders volgens bij het plan te geven regelenhet plan moeten uitwerken of binnen bijhetplan te bepalen grenzen het plan kun-nen wijzigen".In eerste instantie behoeft dan slechtsde hoofdstructuur te worden vastgelegden geregeld (uitgangspunten, doelstel-lingen en beleidscriteria), terwijl hetbestemmingsplan in een later stadiumaan de hand van regels en binnen be-paalde marges kan worden uitge-werkt.De fasering welke op deze wijze dooreen "globale regeling" kan worden aan-gebracht tussen de regeling van hoofd-en bijzaken biedt mogelijkheden eenzodanige flexibiliteit in te bouwen dathet bestemminsplan ook als plan-ningsinstrument kan functioneren.Hierdoor worden betere kansen gebo-den aan de samenwerking en het overlegtussen de gemeente en degenen die di-rect zijn betrokken bij de verdere uit-werking en de feitelijke uitvoering.III. De relatie bestemmingsplan-ruil-verkavelingsplanHet ruilverkavelingsgebeuren kan wor-den gekarakteriseerd als een dynamischproces waarin zich in relatief korte tijdgrote veranderingen in het buitengebiedvoltrekken. De structuur van de ruilver-kavelingsprocedure is daarbij echterniet van dien aard, dat van een plan inde zin van een "eindbeeld" kan wordengesproken. Het accent ligt veeleer op hettreffen van zodanige voorzieningen, dateen bepaalde ontwikkeling van een ge-bied wordt bevorderd en mogelijk ge-maakt. Deze voorzieningen kunnen te-voren niet alle exact worden bepaald,waardoor lopende de procedure tussen-tijdse aanpassing en wijziging alsmedenadere detaillering van de plannen no-dig of wenselijk kan zijn.De bestemmingsplannen dienen -waar dat mogelijk is - de benodigde fle-xibiliteit te bezitten om deze soepeleaanpassingen mogelijk te maken.Voor de beoordeling van de vraag of506 Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1979ruilverkaveling en bestemmingsplande onderlinge afstemming tussen be-stemmingsplan en ruilverkavelingsplanop aanvaardbare wijze heeft plaatsge-vonden, kan de toelichting bij bet be-stemmingsplan een belangrijk hulpmid-del zijn. Aan de Toelichting dient daar-toe de eis gesteld te worden dat deze eenadequaat beeld geeft van de resultatenvan het gevoerde overleg omtrent hetruilverkavelingsplan alsmede van demate waarin en de wijze waarop beideplannen tot een synthese zijn gebracht.Tevens zal inzicht moeten worden gebo-den in het beleid dat de gemeente opgrond van het bestemmingsplan tenaanzien van de ruilverkavelingsplannendenkt te gaan voeren. Mogelijke fricties,die wellicht anders eerst in een later sta-dium zouden blijken, komen hierdooraan de oppervlakte, hetgeen mede vanbelang kan zijn voor het te volgen goed-keuringsbeleid van provinciaal bestuuren eventueel de Kroon.Alvorens in te gaan op de regeling vanruilverkavelingsplannen in bestem-mingsplannen lijkt het zinvol een on-derscheid te maken tussen twee catego-rieen gebieden, en wel:a. gebieden met landschappelijke ennatuurwetenschappelijke indicaties enb. gebieden zonder deze indicaties.In de eerste categoric gebieden zullenbestemmingsregelingen op hun plaatszijn die om redenen van landschappelij-ke en/of natuurwetenschappelijke aardbeperkingen voor andere belangen(bijv. belangen ten behoeve waarvanruilverkavelingswerken worden uitge-voerd) kunnen meebrengen. In deze ge-bieden waarin een aanlegvergunningen-systeem de toelaatbaarheid van werkenen werkzaamheden regelt, lijkt het vast-leggen van de essentialia van het ruilver-kavelingsplan door middel van gedetail-leerde bestemmingen de meest verkies-lijke methode. Immers de planologischebasis voor realisering van deze ruilver-kavelingswerken wordt hiermede in hetbestemmingsplan vastgelegd.De tweede categoric gebieden zal doorhet ontbreken van uitgesproken waar-den van natuur en landschap geen mo-tieven op kunnen leveren, die het afwe-gen van de door de ruilverkavelingswer-ken behartigde belangen tegen deze an-dere belangen nodig maken. Een aan-legvergunningensysteem, dat werkenten behoeve van een goede agrarischebedrijfsvoering en ten behoeve van eengoede waterhuishouding aan een belan-genafweging onderwerpt, zal derhalvein deze gebieden in het algemeen niet opzijn plaats zijn.In deze gebieden kan gekozen wordenvoor een gedetailleerde bestemmingsre-geling van de essentialia van het ruilver-kaveUngsplan. Daar waar wijziging vande plannen mogelijk wenselijk kan zijn,verdient wellicht een globale bestem-ming zonder vertaling van de ruilverka-velingswerken in bestemmingen devoorkeur. De situatie ten aanzien vanruilverkavelingswerken is in deze cate-goric gebieden overigens vergelijkbaarmet die onder de regelingen van de oude"uitbreidingsplannen in hoofdzaken".IV. De wijze van regeling van ruilver-kavelingswerken in bestemmingenNa deze algemene beschouwing over dewenselijkheid van de regeling van deruilverkavelingswerken in het bestem-mingsplan zal de wijze waarop dit kangebeuren nader worden besproken.In de praktijk zal de meest wenselijkeregeling van de onderlinge afstemmingtussen ruilverkavelingsplannen en be-stemmingsplannen sterk verschillendkunnen zijn.Factoren die hierbij een rol spelenzijn gelegen in o.a. de verschillende ge-aardheid van ruilverkavelingsgebiedenen de belangen welke daarbinnen eenrol spelen, het faseverschil tussen ruil-verkavelings- en bestemmingsplan datvan geval tot geval verschillend zal zijnen ook de methodiek van regeling waar-voor de gemeente in overleg met hetstedebouwkundig bureau kiest.Een pasklare oplossing voor een goe-de afstemming is dan ook niet te geven.In onderling overleg zal in de praktijksteeds getracht moeten worden de besthaalbare en in het concrete geval meestacceptabele oplossing te bewerkstelli-gen.Het plan van wegen en waterlopenAfhankelijk van het stadium waarin eenruilverkaveling verkeert als men meteen bestemmingsplanprocedure wordtgeconfronteerd, bestaan er in bepaaldemate onzekerheden ten aanzien van deuit te voeren plannen.Deze onzekerheden zullen over hetalgemeen in meerdere of mindere matevoortduren totdat het plan van wegenen waterlopen definitief vasthgt, het-geen eerst het geval zal zijn bij de goed-keuring door Gedeputeerde Staten con-form art. 79 van de Ruilverkavelings-wet.Hoewel aan de plannen niet overaleen absolute "hardheid" kan wordentoegekend, behoeft de mogelijkheid datnog wijzigingen wenselijk of noodzake-lijk zijn in het algemeen geen overwe-gende bezwaren op te leveren tegen eenrelatief vroegtijdige positieve bestem-mingsregeUng van de elementen van hetplan van wegen en waterlopen, welkehiervoor in aanmerking komen. Naarimmers mag worden aangenomen biedthet onderzoek, dat aan de opstelling vanhet rapport ex art. 34 voorafgaat teza-men met de inspraakmogelijkheden ophet voorontwerp, voldoende waarbor-gen tegen onvoorziene ingrijpende wij-zigingen in het wegen- en waterlopen-plan in een later stadium. De voordelenvan zekerheid ten tijde van de uitvoe-ring wegen zeker op tegen de problemenwelke bij eventuele wijzigingen kunnenontstaan.De afwijkingen die ingeyolge wijzi-gingen (bijv. als gevolg van het besliPitvan G.S. ter voorlopige vaststelling (art.36 Rvk.wet) waarbij bepaald wordt dateen nadere plaatsbepaling op onderde-Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1979 507ruilverkaveling en bestemmingsplanlen zal moeten plaatsvinden ten behoe-ve van een betere inpassing in het planvan toedeling, of als gevolg van planwij-zigingen bij de definitieve vaststellingop grond van art. 79 (Rvk.wet) nognodig zijn, kunnen worden ondervan-gen door een hierop afgestemde wijzi-gingsbevoegdheid ex art. 11 W.R.O. inhet bestemmingsplan op te nemen.Bijvoorbeeld: B. en W. kunnen het trace enof dwarsprofiel van de bestemming "we-gen", voor zover betrekking hebbendop ... (bijv. in het kader van een ruilverka-veling aan te leggen of te verbeteren wegen)wijzigen voor zover zulks noodzakelijk is inverband met de nadere plaats- of functie-bepaling van deze weg(en) gedurende deruilverkavelingsprocedure.Een toetsingscriterium ten aanzien vanbelangen van natuur en landschap kan bijtoepassing van een dergelijke wijzigingsbe-voegdheid voor een belangenafweging ter-zake (indien de bestemming daartoe aanlei-ding geeft) waarborgen bieden.Voor wijzigingen van ondergeschikteaard kan overigens volstaan wordenmet een simpele vrijstellingsregeling,die afwijkingen binnen bepaalde gren-zen mogelijk maakt.Die onderdelen welke in verband meteen nadere detaillering van het plan vanwegen en waterlopen eerst in een laterstadium bepaalbaar zijn, zoals insteek-wegen, fietspaden en te handhavenzandwegen, kunnen indien gewenst viaeen daarop gerichte uitwerkingsbe-voegdheid ex art. 11 W.R.O. in een laterstadium worden bestemd.Bijvoorbeeld: B. en W. kunnen de bestem-mingen van de in het plan gelegen grondenuitwerken in de bestemming "zandwegen",of .. ., indien ditbetreftbestaande zandwe-gen. paden of landwegen waarvan het ge-wenst is dat deze uit landschappelijke, re-creatieve of andere overwegingen blijvenbestaan. Eenzelfde bevoegdheid komt hetcollege toe voor elementen welke in hetkader van de ruilverkavehng zullen wordenaangelegd.Het opnemen van een toetsingscriteriumdat de belangen van de landbouw en deruilverkaveling hierdoor niet onevenredigmogen worden geschaad, alsmede de nood-zakelijke goedkeuring door GedeputeerdeStaten voor alle wijzigingen ex art. 11 kun-nen terzake voldoende waarborg biedentegen ongewenste doorkruisingen van hetruilverkavelingsplan.Een toetsingscriterium t.a.v. belangenvan natuur en landschap kan, indien rele-vant, t.a.v. de aan te leggen elementen eenbelangenafweging waarborgen. (Overigenszal de toepassing van een dergelijke be-voegdheid voor aan te leggen elementenveelal niet reeel zijn daar door middel vaneen eenvoudige aanlegvergunning vrijwelhetzelfde kan worden bereikt; het elementwordt dan alleen niet specifiek bestemd,maar valt onder een meer globale rege-ling).Hoewel het Besluit op de RuimtelijkeOrdening (in art. 11) slechts vermeldt,dat voor de voornaamste wegen eendwarsprofiel met vermelding van matenmoet worden aangegeven, kan het wen-selijk zijn, dat in gevoelige situaties zo-wel van de aan te leggen als van de teverbeteren wegen en waterlopen dwars-profielen in het bestemmingsplan wor-den opgenomen.Het landschapsplan alsmede de artikel13-kavelsAfhankelijk van het stadium waarin deruilverkavelingsprocedure verkeert, be-staan t.a.v. het landschapsplan evenalst.a.v. het plan van wegen en waterlopenin bepaalde mate onzekerheden. Ookelementen van het ruilverkavelings-landschapsplan verschillen in "hard-heid".In het algemeen kan voor de elemen-ten van het landschapsplan een tweede-ling worden gemaakt in onderdelen diezich wel en onderdelen die zich nietlenen voor een rechtstreekse positievebestemming.a. Elementen waarvoor een positievebestemming geen bezwaren oplevertDe methodiek waarbij positieve be-stemmingen worden gelegd is voor hetverloop van de ruilverkavelingsproce-dure acceptabel voor die delen van hetlandschapsplan, die qua plaats en om-vang exact bepaald zijn en waarvan rea-lisering niet afhankelijk is van het ver-dere verloop van de ruilverkavelings-procedure.Dit kan o.a. betreffen:- de bestaande elementen welke in hetplan gehandhaafd zullen worden zoals:bosjes, natuurterreinen, landschappe-lijk waardevoUe zandwegen etc.- de beplantingen langs bestaande ofaan te leggen wegen waarvan realiseringverzekerd kan worden geacht, daar dezeelementen zijn opgenomen in de aftrekvoor wegen en waterlopen.- de art. 13-kavels.De bestemmingsregeling voor de artikel13-kavels verdient een nadere beschou-wing.De mogelijkheid om door middel vanart. 13 van de Ruilverkavelingswetgronden toe te wijzen "aan openbarelichamen ten behoeve van doeleindenten algemenen nutte, voor zover deze inovereenstemming zijn met het door deruilverkaveling beoogde doel" is in deparlementaire behandeling bestempeldals (uitsluitend) een middel om het doel- de behartiging van landbouwbelangen- te kunnen verwezenlijken. Dit werddaarbij nader omschreven als een moge-lijkheid om in geval een onteigening inde toekomst te verwachten valt, de be-treffende percelen op voorhand toe tewijzen aan een openbaar lichaam waar-bij de nadelige gevolgen soepel in ruil-verkavelingsverband worden ondervan-gen. Voor de beoordeling van de kansop dreigende onteigening en de urgentiedaarvan, kan het bestemmingsplan eengoede indicatie vormen. Derhalve is debestemming motief voor toepassing vanart. 13.In verband met de complicaties diemogelijke bezwaren tegen art. 13-toe-wijzingen kunnen opleveren dient debestemmingsregeling een duidelijkbeeld te geven van de genomen plano-logische beslissing. Er zal voldoendevast moeten staan dat concreet in hetbetrokken gebied bepaalde niet-agrari-sche doeleinden domineren. De metho-de van de directe bestemming overeen-komstig het toekomstig gebruik biedt508 Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1979ruilverkaveling en bestemmingsplanhiervoor de duidelijkste en betrouw-baarste oplossing.Indien de realiseringskans van de art.13-toewijzing niet geheel zeker kan wor-den geacht, kan een daarop afgestemdewijzigingsregelingex art. 11 W.R.O. zin-vol zijn. Een dergelijke regeling kanbijvoorbeeld bepalen dat:"B. en W. de bestemming ... wijzigenin ... indien de realiseringskansen voorde art. 13-toewijzing in het kader van deruilverkaveling niet aanwezig blijken tezijn".Afwijkend van vorenstaande regelingwordt ook wel gekozen voor een metho-de die de beslissing omtrent de bestem-ming uitstelt tot een later tijdstip.De gronden worden dan bestemdconform bestaande waarde en gebruikmet een bijbehorende wijzigings-/uit-werkingsregeling.De keuze voor een dergelijke oplos-sing wordt veelal gemotiveerd door devrees voor schadeclaims op grond vanart. 49 W.R.O. Naar het lijkt is de kansop gefundeerde schadeclaims echternauwelijks reeel te achten; het bestaan-de gebruik mag immers onder het over-gangsrecht onverkort worden voortge-zet, terwijl door middel van ruilverkave-ling een reele oplossing voor eventueleschade wordt getroffen (met zelfs eenkeuzemogelijkheid voor grond of geld).Een belangrijk nadeel van deze metho-de is echter dat het niet eenvoudig zalzijn om een sluitende regeling te treffenwaaruit blijkt dat concreet voor dezegronden de niet-agrarische belangendomineren.De onnodige en ongewenste risico's,die dit oplevert voor de reahseringsmo-gelijkheden van deze delen van het ruil-verkavelingsplan, maakt deze methodeminder bruikbaar.Een constructie waarbij een bestem-ming wordt gelegd conform bestaandewaarde en gebruik met een wijzigingsre-geling, die toepassing hiervan striktbindt aan de beshssing van G.S. of deKroon, b.v."... mits deze wijziging pastin een voorlopig vastgesteld ruilverka-velingsplan en tevens in overeenstem-ming is met een eventuele beslissing vande Kroon na ingesteld beroep tegen toe-wijzing aan een openbaar lichaam" isonjuist. Indien in zo'n geval, conform demogelijkheid die de ruilverkavelingswetbiedt, bezwaren tegen toepassing vanart. 13 worden gemaakt is bij deze con-structie de art. 13-toewijzing niet dooreen niet-agrarische bestemming onder-bouwd.De niet-agrarische bestemming is dangeen oorzaak, maar gevolg van de ruil-verkavehng. (Deze beschouwing, be-treffende de relatie tussen bestemmingen toepassing art. 13, is gebaseerd opeen analyse van mr. ing. J. P. Bos, adj.insp. voor de R.O. in Noord-Brabant enLimburg).b. Elementen waarvoor een directepositieve bestemming bezwaarlijk isEen bestemmingssysteem, waarbij delandschappelijke elementen worden uit-eengerafeld en gedetailleerd worden be-stemd, ontmoet grote bezwaren indienhierdoor elementen worden bestemdwaarvan niet zeker is, dat deze in denieuwe verkaveling zullen kunnen wor-den ingepast.Betreffende de bestemmingsmetho-diek voor deze categoric, die zowelnieuw aan te brengen landschapsele-menten als bestaande, niet uitdrukkelijkin het ruilverkavehngsplan als "te hand-haven" aangegeven elementen omvat, ishet volgende van belang.Afhankelijk van het gestelde in hetruilverkavelingsrapport zullen bestaan-de niet uitdrukkelijk als "te handhaven"aangeduide elementen in bepaalde mateworden verwijderd dan wel ingepast inde nieuwe verkaveling. Voor een soepelverloop van de ruilverkavelingsproce-dure is een gedetailleerd bestemmings-systeem, dat meer elementen positiefbestemt dan op de kaart van het land-schapsplan als "te handhaven" zijn aan-gegeven, gelet op de verstarrende wer-king, ongewenst. De methodiek van degemengde (globale) bestemming (bij-voorbeeld "Landschappelijk waardevolAgrarisch Gebied"), kan in deze geval-len wel een werkbare oplossing bieden.De belangen van landbouw en natuuren landschap kunnen dan van geval totgeval tegen elkaar worden afgewogen inhet stadium, dat inzicht bestaat in demogelijkheden, die voor het plan vantoedeling openstaan, alsmede in de ka-velinrichtingswerken die hiermee sa-menhangen. De inrichtingsmogelijkhe-den voor de ruilverkaveling worden danniet reeds bij voorbaat beperkt op eenwijze waarvan de gevolgen vooraf nogniet zijn te overzien. Omtrent de nieuwaan te brengen elementen, voor zoverniet vallend onder de categoric a, kanworden geconstateerd, dat in de ruilver-kaveling zal worden nagestrcefd dezeelementen overeenkomstig het plan enin overeenstemming met de andcre be-langen te realiseren. Het is echter nietzo, dat hetgcen op de kaart van hetlandschapsplan als landschappelijkeverzorging staat aangegeven bij de uit-voering exact volgens plan wordt gerea-liseerd. Een nadere uitwerking van hetplan, rekening houdende met de moge-lijkheden ten tijde van de concrete uit-voering, zal eerst in een later stadiumvan de procedure hierover uitsluitselgeven. De ruilverkavelingsprocedurezelf geeft geen zekerheid biedende ga-ranties, dat de elementen van het land-schapsplan zowel qua plaats, vorm enbegrenzing exact conform de plankaartzullen kunnen worden gerealiseerd. Deruimte die uiteindelijk bestaat bepaalthet resultaat.Deze ruimte wordt met name bepaalddoor factoren als de verhouding tussenbeschikbare en benodigde SBL-gron-den en de verdeelsleutel die daarvoorwordt gehanteerd, alsmede de inge-brachte eigendoms- en pachtsituatie ende wensen en mogelijkheden ten tijdevan het opstellen van het plan van toe-deling.Gezien de spehng, die het land-schapsplan op dit punt vertoont, is tevroegtijdige vertaling in bestemmingenvan deze onderdelen van het land-schapsplan onjuist. Deze bestem-mingsmethodiek werkt verstarrend (be-Stedehouw en Volkshuisvesting, november 1979 509ruilverkaveling en bestemmingsplangrenzing nieuwe kavels, uitruilbaar-heid) en is niet in overeenstemming metde benodigde en aanvaardbare soepeleinrichting van het bestemmingsplan.Teneinde de ruilverkaveling - die pri-mair verantwoordelijk is voor de reali-sering van het landschap - niet onnodigte bemoeilijken, dienen de gemeentenop dit onderdeel in de bestemmingsre-geling een oplossing te kiezen, die dedefinitieve bestemmingsregeling ver-plaatst naar het tijdstip waarop het terealiseren landschapsplan exact bepaal-baar is.. Daar veiligstelling en beschermingvan deze elementen door middel vaneen positieve bestemming wenselijk enook ruimtelijk relevant kan zijn, zal eenuitwerkingsbevoegdheid ex art. 11W.R.O. hiervoor een oplossing kunnenbieden.Bijvoorbeeld: B. en W. werken het plannader uit voor die gronden waarop, in hetkader van de landschappelijke verzorgingwelke op grond van het ruilverkavelings-plan zal plaatsvinden, beplanting is of zalworden aangebracht, door de bestemmingvan de desbetreffende gronden te wijzigenin bijv. "groenvoorziening", "bos", etc.Een dergelijke regeling kan een zodani-ge coordinatie tot stand brengen, dateen reeel samenspel ontstaat tussen be-stemmingsplan en ruilverkavelings-plan.In de procedureregels voor toepas-sing van deze uitwerkingsbevoegdheidkan bijvoorbeeld ook nog worden be-paald, dat B. en W. bij de aanbiedingvan hun besluit ter goedkeuring aanG.S. een advies van de PlaatselijkeCommissie zullen dienen over te leg-gen.Indien van de uitwerkingsbevoegd-heid gebruik zal worden gemaakt om-streeks het tijdstip van het tervisieleg-gen van het plan van toedeling dan zul-len de gewijzigde bestemmingen hi| dcbezwarenbehandeling voor de iccht-bank- indien relevant- mede als beoor-delingsachtergrond kunnen dienen.Een overeenkomstige uitwerkingsbe-voegdheid kan, indien gewenst, wordentoegepast om in de ruilverkaveling ge-handhaafde, maar niet op het land-schapsplan exphciet als "te handhaven"aangegeven landschapsbepalende ele-menten achteraf met een positieve be-stemming te beleggen.De kavelinrichtingswerkenDe met het plan van toedeling samen-hangende kaveUnrichtingswerken vor-men een belangrijk element in de effec-tuering van de landbouwkundige verbe-tering die door middel van ruilverkave-ling kan worden bereikt.In gebieden waar de kavelinrichtings-werken aan een aanlegvergunningen-stelsel zijn onderworpen zal het, zowelvoor het ontwerpen van het plan vantoedeling als voor het feitelijk verkrij-gen van een aanlegvergunning voor deuit te voeren werken, van belang zijn zogoed mogelijk in te spelen op de be-staande gegevenheden.Aan bestemmingen waarin naastagrarische, ook landschappelijke, na-tuurwetenschappelijke of recreatievebelangen een rol spelen zal voorts eenzodanig regime van voorschriften tengrondslag dienen te worden gelegd, dateen verantwoorde landinrichting moge-lijk is. De regeling van de aanvaardbaar-heid van werken en werkzaamheden,welke aan een aanlegvergunning wor-den gebonden, verdient daarbij bijzon-dere aandacht.In het algemeen is het in bestemmin-gen met een aanlegvergunningenstelselvan belang, dat uit de bijbehorendedoeleindenomschrijvingen duidelijkblijkt waarvoor de in de bestemmingbegrepen grond met het oog op een goe-de ruimtelijke ordening mag wordengebruikt. De toetsingscriteria, gelegenin dejuridische formulering van de toe-laatbaarheid van aanlegvergunnings-plichtige werken, dienen daarbij op eenjuiste wijze op de concrete waarden ende te beschermen belangen te wordenafgestemd. Uit oogpunt van rechtsze-kerheid zullen deze criteria zoveel mo-gelijk objectief en voldoende duidelijkmoeten zijn.Naast een algemene regeling van detoelaatbaarheid van werken en werk-zaamheden, zoals vele plannen die ken-nen, kan het voor een ruilverkavelingvan belang zijn om in het bestemmings-plan meer exact houvast biedende ele-menten te verwerken, die de interpreta-tie van de bepalingen meer inzichtelijkmaken zowel voor planontwerpers alsbestuurders.Hiervoor zijn verschillende systemenmogelijk, waarvan er onderstaand enke-le worden vermeld.a. Gebruik kan worden gemaakt van demogelijkheid bepaalde werken uit tezonderen van een aanlegvergunnings-plicht door het verbod om op detot bestemde gronden, zonder ofin afwijking van een schriftelijke ver-gunning van B. en W. bepaalde werkenuit te voeren niet te laten geldenvoor:- : werken welke overeenkomstig eenruilverkavelingsplan worden uitge-voerd. Vooral indien eerst in een relatieflaat uitvoeringsstadium van de ruilver-kaveling een bestemmingsplan voor hetbuitengebied wordt opgesteld kan dezeintegrale uitzondering van ruilverkave-lingswerken gemotiveerd zijn.of voor:- : het vellen en rooien van houtgewasvoor zover (bijv.) betreffende beplan-tingssingels met een geringere breedtedan 2 m, mits hierdoor de oppervlaktevan een door beplantingssingels om-zoomd perceel niet meer dan (bijv.) 3 of5 ha gaat bedragen. Voor de werken dieeen grotere schaalverruiming beogenwordt de aanlegvergunningsphcht metbelangenafweging dan gehandhaafd.De ondergrens voor de landbouwkundi-ge gebruiksschaal wordt met een derge-lijke regehng in het plan vastgelegd.b. Een andere mogelijkheid is, dat opgrond van inventarisaties een globalelandschapstypologie wordt ontwikkeld,die als toetsingsachtergrond voor hetbeoordelen van aanlegvergunningsaan-vragen kan fungeren.510 Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1979ruilverkaveling en bestemmingsplanOp een aparte bij het plan behorendekaart kunnen dan, voor zover in de fei-telijke situatie gewenst of relevant, eenaantal landschapstypen door middelvan aanduidingen worden onder-scheiden. Uit de differentiatie van deaan elk onderscheiden landschapstypeeigen zijnde waarden, kunnen dan be-leidsdoelstellingen worden afgeleid, dieals richtlijn worden opgenomen in deaanlegvergunningstoetsingscriteria.c. Een derde, overigens minder aanbe-velenswaardige methode, is dat op eenbij het bestemmingsplan behorendekaart die elementen worden aangeduidwelke de specifieke waardering van deonderscheiden bestemming rechtvaar-digen, zoals bosjes, zandwegen, hout-wallen, relief etc., waarbij een differen-tiatie wordt aangebracht ten aanzienvan de "zwaarte" van het belang dat aanhandhaving wordt gehecht. Detoetsingsnormen, die voor kavelinrich-tingswerken van belang zijn, kunnendan naar gelang deze "zwaarte" varie-ren. Op deze wijze kunnen in het be-stemmingsplan reeds de grenzen welkeaan de kavelinrichting worden gesteldin een vroegtijdig stadium inzichtelijken beoordeelbaar worden gemaakt. Eenbelangrijk nadeel van deze methode isechter de noodzakelijke zeer gedetail-leerde benadering waarbij aan deinventarisatie en de waardebepalingvan de elementen alsmede aan de for-mulering van de toelaatbaarheid vanwerken en de daarbij te hanteren crite-ria zeer hoge eisen moeten worden ge-steld. Door de vergaande detailleringdraagt dit systeem overigens een aan-merkelijk risico in zich dat het voorpraktische toepassing te star zal blijkente zijn, waardoor de gewenste flexibili-teit geweld zou worden aangedaan.Overigens verdient het, zolang de inde nota landelijke gebieden aangekon-digde wijziging van de Wet op de Ruim-telijke Ordening - die het college vanGedeputeerde Staten in conflictsitua-ties een beslissingsmogelijkheid biedt -nog niet heeft plaatsgevonden, in iedergeval aanbeveling om in het bestem-mingsplan een clausule op te nemen dateen aanlegvergunning voor ruilverkave-lingswerken niet zal worden geweigerddan nadat de Provinciale PlanologischeCommissie hierover is gehoord. Eendergelijke clausule kan in conflictsitua-ties wellicht enigszins bijdragen tot hetbereiken van oplossingen.Stedehouw en Volkshuisvesting, november 1979 511Regeling van bedrijvenbij bestemmingsplanmr. Abel de Jong*1. Omschrijving van de problematiekIn mijn bijdrage in het aprilnummer hebik gewezen op de nog steeds groeiendefolklore bij de methodische benaderingvan het bestemmingsplan voor het ste-delijk gebied.Er wordt - zo heb ik geconstateerd -"wat afgepionierd".Nu wil ik het hebben over de wijzewaarop bedrijvigheid in een bestem-mingsregeUng wordt benaderd. Ookhier is een grote verscheidenheid aanmethodieken. Zonder te willen pleitenvoor uniformiteit ben ik toch van oor-deel dat het hoog tijd wordt fundamen-teel na te gaan denken over de vraag hoehet wettelijk instrumentarium het besttoegepast kan worden op het door degemeente beheersen van bedrijfsactivi-teiten en wel speciaal in gebieden vaneen gemengde signatuur.* Planologisch adviseur te RotterdamHet valt op dat gemeenten erg worstelen met de benadering van bestaande bedrijvenin binnensteden en andere wijken. Het gaat daarbij m.n. om een afgewogenomschrijving van productieprocessen en de vrijheid tot toekomstige veranderingendaarin.Vaak poogt men in het bestemmingsplan een koppeling met het Hinderbesluit tebewerkstelligen. Dat is principieel onjuist: de Hinderwet heeft geen planologischuitgangspunt. Er wordt een schijnrechtszekerheid geintroduceerd.Zogenaamd objectief begrensde veranderingen, het stokpaard van de Kroon, zijneven zo vele slagen in de lucht.Gegeven de onzekerheid van de ontwikkeling van ieder bedrijf is het beter meernadnik te leggen op begeleidende procedures, gericht op zorgvuldig beheer. Daarbijware een parallel met de Milieu Effect Rapportering te trekken.Als juridische vorm verdient de figuur van art. 11 WRO de voorkeur.Na het KB Maasvlakte is deze mate-rie weer extra actueel geworden. DeKroon acht milieu-hygienische normenniet op haar plaats in het bestem-mingsplan doch oordeelt het noemenvan soorten bedrijven wel aanvaard-baar. In de loop van deze bijdrage zullenwe zien dat hiermee de problemen al-leen maar verschoven worden. We zijn-zo voelen velen het - de afgelopen 10jaar geen stap verder gekomen.Het valt mij steeds weer op hoe degemeenten en hun adviseurs worstelenmet het vraagstuk van de planologischeregeling van Ijestaande bedrijven. Deproblemen spitsen zich toe op het aan-geven van de aard der toe te laten bedrij-vigheid.Dit probleem is allerminst acade-misch-theoretisch van aard: in onze be-bouwde gebieden bevinden zich tien-duizenden bedrijven van de meest uit-eenlopende aard. Het bedrijfsleven ken-merkt zich voorts door een grote matevan veranderlijkheid.Nieuwe technieken komen snel totontwikkeling; bedrijven schakelen somsin zeer korte tijd over op andere werk-wijzen of producten. In toenemendemate wordt de lokale overheid en wor-den de burgers zich bewust dat een zeke-re vorm van gemeentelijke begeleidingonmisbaar is bij dit veranderingspro-ces.Die bewustwording raakt in eenstroomversnelling als een bestem-mingsplan wordt voorbereid. Op datmoment moet men immers nadenkenwat er allemaal kan en mag gebeuren.Het bedrijfsleven wenst zijn bewegings-vrijheid te behouden; de omwonendenwillen weten waar zij aan toe zijn eneisen de zekerheid dat zij later nietgeconfronteerd zullen worden met vor-men van bedrijvigheid die afbreuk doenaan het woon- en leefklimaat.In de nu volgende beschouwingenwordt aandacht besteed aan tot nu toeontwikkelde systemen, daarna wordt derelatie Hinderwet-Bestemmingsplanbesproken en tot slot wordt gepoogdeen paar passen te zetten in de richtingvan nieuwe wegen.Aangezien de vraagstukken het512 Stedebouw en Volkshuisvesting, november 1979bedrijven en bestemmingsplansterkst voelbaar zijn in bestaande stede-lijke gebieden met een gemengd karak-ter, (d.w.z. een afwisseling van wonin-gen, winkels, kantoren en bedrijven)moet de lezer zich voorstellen dat debeschouwingen betrekking hebben opeen klein of middelgroot bedrijf in eenoudere straat zoals deze kenmerkend isvoor onze binnensteden en de uitbrei-ding van de 19e en het begin van de 20eeeuw.2. De tot nu toe ontwikkelde praktijkIn de praktijk komen we in grote lijnendrie systemen van benadering tegen,welke op het volgende neerkomen:a. Het bedrijf maakt deel uit van eenstrook "gemengde bebouwing". In debestemmingsomschrijving worden defuncties genoemd die in zo'n strookvoorkomen c.q. toelaatbaar zijn (bv.wonen, winkels, kantoren en bedrijven).Afhankelijk van de omschrijving, debebouwingsgrenzen en de maten die devoorschriften noemen moet het bedrijfnagaan of het gelegahseerd is of niet.b. Het bedrijf wordt opgenomen in eenstrook met een afwijkende bestemming(bv. wonen of winkels) doch wordt viaeen toegevoegd symbool, vaak in devorm van blokjes of driehoekjes, alsnoggelegahseerd als tenminste de bijbeho-rende bepalingen dit streven tot eengoed einde voeren.c. Aan het bedrijf wordt een apartebedrijfsbestemming toegekend. De on-derneming wordt er, als het ware, uitge-licht en krijgt afzonderlijke voorschrif-ten die als regel sterk afgestemd zijn opde bestaande situatie.Deze drie systemen gaan alle min ofmeer voorbij aan de vraag welke activi-teiten een bedrijf in de toekomst zoumogen ontwikkelen. Niettemin wordendiverse pogingen tot omschrijving aan-gewend. Heel vaak treft men aan determ: "ambachtelijk" of "plaatselijkverzorgend" al dan niet gekoppeld aaneen gebrekkige definiering van bv. hetbegrip ambachtelijk ("productieprocesmet de hand" enz.). Er is weinig inbeel-dend vermogen voor nodig om te besef-fen dat hiermee de objectiviteit en ele-mentaire principes van duidelijkheidgeweld aangedaan wordt. Stelt u zicheens voor dat het gaat om een meubel-maker die in de stad bij de diverse meu-belwinkels afzet vindt voor zijn produc-ten. U zult het met mij eens zijn dat dezeman bij uitstek ambachtelijk en plaatse-lijk verzorgend werkt. Wat echter als hijzijn meubels naar een andere stadbrengt? Moet hem dan een bouwver-gunning geweigerd worden of moet degemeente via de gebruiksbepalingen be-vorderen dat hij deze strafbare hande-lingen staakt? In de praktijk valt het alsregel wel mee, maar dat is geen argu-ment ten gunste van onzorgvuldig-heid.3. Bestemmingsplan en HinderwetAan het begin van de jaren 70 leek hetcrop dat het hiervoor geschetste pro-bleem definitief opgelost zou worden.Een inventief planoloog heeft toen dekoppeling tot stand gebracht met deHinderwet, om precies te zijn met art. 1van het Hinderbesluit waar alle be-drijfsvormen worden opgesomd die hin-derwetplichtig geacht worden te zijn.De desbetreffende lijst is een historischgegroeid conglomeraat met nog allerleiarchaische en nostalgische bedrijfsvor-men zoals harpuiskokerijen, tapijtklop-perijen, turfoliefabrieken, boterverpak-kerijen en beenzwartbranderijen. Zelfsin overigens modern opgezette bestem-mingsplannen tref ik deze antieke op-sommingen nog aan.De koppehng waarover ik sprak be-staat uit het rubriceren van al dezebedrijfsvormen in hindercategorieen(vaak 1 t/m 5). In het plangebied wor-den dan zoneringen aangebracht waar-bij de lichte categorieen (bv. 1 en 2)gemengd met het wonen mogen voorko-men en de zwaardere geweerd worden.Talloze gemeenten hebben deze lijst, deStaat van Inrichtingen genoemd, inhun bestemmingsplannen opgenomen.Overleginstanties, vooral de Inspectievoor de Volksgezondheid, propagerenKlein, ambachtelijk bedrijf, dat typisch thuishoort in een oude binnenstad. Niettemin aan-gemerkt als tamelijk "zwaar" bedrijf volgens de Staat van Inrichtingen. Hier is duidelijksprake van strijdigheid tussen de technische en de planologische benadering.Stedehouw en Volkshuisvesting, november 1979 513bedrijven en bestemmingsplan?si^Apune benadering van autobedrijven bij bestemmingsplan is ten zeerste gewenst vanwege hetoverduidelijke effect op het openbaar gebied.het gebruik daarvan. De ervaringen metdeze lijsten zijn niet onverdeeld ongun-stig, temeer omdat de Staat van Inrich-tingen tot nu toe geen goed alternatiefheeft gekregen.Niettemin is het verstandig de nade-len van deze werkwijze duideUjk naarvoren te halen.Hierbij noem ik de volgende aspec-ten:a. De Hinderwet heeft een geheel anderuitgangspunt dan de planologische wet-geving. Immers de Hinderwet gaat er-van uit dat een inrichting in principeoveral gevestigd kan worden mits menmaar aan voorwaarden voldoet tervoorkoming van hinder of gevaar. Bij deruimteUjke ordening spelen meer facto-ren een rol waarbij de verkeersaantrek-kende werking tot de belangrijkstebehoort. De veronderstelhng dat tech-nische hinder automatisch leidt tot pla-nologische ongewenstheid is principieelonjuist. De Staat van Inrichtingen geeftgeen antwoord op de vraag of een be-drijf dat erin slaagt hinder en gevaarvolledig in te dammen planologischaanvaardbaar is geworden.Omgekeerd is het principieel onjuistom te menen dat een bedrijf dat geenhinderwetvergunning nodig heeft danvanzelf planologisch toelaatbaar zouzijn.b. Indien een bedrijf op basis van dezonering en de Staat van Inrichtingentoelaatbaar is moet toch de hinderwet-procedure gevolgd worden. Het is verrevan denkbeeldig dat het bedrijf bij dieprocedure er niet in slaagt op redelijkevoorwaarden de Hinderwetvergunningte verwerven.c. Het omgekeerde kan ook voorko-men; een bedrijf in een "verboden cate-goric" zou kunnen voldoen aan de voor-waarden, te stellen in het kader van deHinderwet zodat gevaar of hinder is uit-gesloten. Niettemin zou de Staat vanInrichtingen vestiging onmogelijk ma-ken.d. Zeer veel bedrijfsvormen komen nietvoor op de Staat van Inrichtingen of zijnopgebouwd uit diverse onderdelen ofafdelingen die op zichzelf wel voorko-men in de Staat van Inrichtingen (bv.afd. houtbewerking, spuiterij, gieterijenz.). Het gevolg is dan dat de gemeentezich op het moment van een bouwaan-vraag moet verdiepen in de vraag inwelke categor
Reacties