stedebouwen volkshuisvestingsamsomi^De Provincials Planoiogische Dienst van Noord-Holland is georganiseerd in 5 afdelingen en 3 staf-bureau's, respectievelijk de afdelingen Provinciale Planologie; Gemeentelijke Aangelegenheden;Inrichting Landelijk Gebied; Onderzoek; Interne Zaken; de bureau's Directie-secretariaat,Management en Planning; In- en Externe Betrekkingen; Personeelszaken en Organisatie-ontwikkeling.In verband met de benoeming van de huidige functionaris tot chef van de afdeling, ontstaatbinnen afzienbare tijd de vacaturePLAATSVERVANGEND CHEF AFDELINGPROVINCIALE PLANOLOGIE M/Vdie onder verantwoordelijkheid van de afdelingschef, mede leiding zai geven aan de afdeling.De afdeling, waar 35 medewerkers werkzaam zijn, is in grote lijnen onderverdeeld in de sectiesNoord-Holland-Noord en Noord-Holland-Zuid, Piantoetsing, Infrastructuur, alsmede deTekenkamer.De taak van de afdeling omvat ondermeer:- het in samenwerking met andere afdelingen en diensten, opstellen van streekplannen en streek-planverslagen;- het, in het kader van streekplanwerkzaamheden adviseren inzake (inter)gemeentelijke structuur-en andere regionale plannen;- het opstellen van ? c.q. leveren van bijdragen aan algemene planoiogische nota's.De taakverdeling tussen chef en zijn plaatsvervanger zaI in onderling overleg worden bepaald.Van de functionaris wordt verwacht:? een door opieiding en/of ervaring verkregen, op de planologie/stedebouwkunde gerichte, kennisop academisch niveau, alsmede een brede maatschappelijke belangstelling;- ruime ervaring op het vlak van de ruimtelijke ordening, bij voorkeur op het terrein van destreekplannen;- een goed inzicht in de vakmatige en bestuurlijke implicaties van de werkzaamheden;- leidinggevende capaciteiten, bij voorkeur gebleken in de uitoefening van een voorgaandefunctie;- het kunnen zorgdragen voor goede personele verhoudingen binnen de afdeling en het kunnenstimuleren van de medewerkers als team.Een technisch of stedebouwkundig gerichte opieiding en/of ervaring kan tot aanbevelingstrekken.Procedure:Medewerkers van de dienst hebben inspraak bij de benoeming. Een psychologisch onderzoek kandeel uitmaken van de benoemingsprocedure.Salaris:Aan deze functie is een salaris verbonden dat ligt tussen f 4.964, - en maximaal f 7.286,-- brutoper maand, exclusief de per 1 juli 1980 geldende toeslag van f 26,- per maand.De rechtspositieregelingen van de provincie Noord-Holland zijn van toepassing.Inlichtingen:Nadere informatie over deze functie kan worden verkregen bij de heer ir. W. Mulder of de heerdrs. D. Fopma, telefoon 023 ? 3502 44.Sollicitaties:Sollicitaties kunnen tot 23 januari 1981 worden gezonden aan de directeur van de ProvincialePlanoiogische Dienst van Noord-Holland, postbus 4078 (J.J. Hamelinkstraat 4 6), 2003 EBHaarlem, onder vermelding op de enveloppe van vacaturenummer 212.LiProvincialePlanoiogische Dienstvan Noord-HollandC'-M\NAMBTEN DTZICHZELFNIETINDEWIELEN.....METDEUNIEKEZlEKTEKDSrENVERZEKERING\^DE AMBTENAREN CENTRALE.Voor ambtenaren ligt het verzekerenvan ziektekosten anders dan gebruikelijk.Het uitgebreide keuzepakket van de AC iscrop afgestemd.Exact de dekking die de ambtenaarzoekt en tegen een prettige premie. Hoe kanhet ook anders: de Ambtenaren Centrale isimmers door en voor ambtenaren en werktzonder winstoogmerk!Ambtenaren kunnen nu hun tanden latenzien.Jazeker een welkome aanvuUing op hetAC-ziektekostenpakket, waardoor een uit-gebreide verzekering voor tandheelkundigekosten mogeUjk is. Bijna uniek inNederland!De 5%-Regeling, de fiscale aftrek, deAmbtenaren Centrale weet er alles van.Een ambtenaar dient bij zijn keuze vande ziektekostenverzekering goed rekeningte houden met het belangrijk onderdeelvan zijn rechtspositie: de 5%-Regeling.Daamaast komen ook de fiscale aftrek-mogelijkheden in aanmerking.De Ambtenaren Centrale kan u allesvertellen over deze regelingen.Stuur derhalve de antwoordkaart invoor het verkrijgen van vrijblijvende inlich-tingen. Een telefoontje (020 - 21 45 45) kanook.Niet de allerlaagste premie,wel een van de beste!?BUREAU VOOR RUIMTELIJKEORDENING EN ARCHITECTUURIR. H. P. KUYPERS B.V.Vraagt op korte termijn voor zijn vestiging inALKMAARr\m Een stedebouwkundigmedewerker(ster)Met als task het in teamverband voorbereiden en uitwerkenvan struktuur- en bestemmingsplannen en het adviserenvan een aantal Noord-Hollandse gemeenten op het gebiedvan de ruimtelijke ordening en de planvorming.Gevraagd wordt een opieiding op H.B.O.-niveau of eendaarmee gelijk te stellen vorming.De medewerker(ster) zai over een redaktionele vaardigheiden creatief vermogen moeten beschikken.Ervaring op dit gebied wordt op prijs gesteld.tJ. Een planologischmedewerker(ster)Met als taak het in teamverband maar ook zelfstandigopzetten en uitvoeren van planologisch onderzoek en be-leidsadviezen, het aangeven van het onderzoek in hoofdlij-nen en het werken aan produktontwikkeling.Voor deze funktie is een academische opieiding noodzake-lijk alsmede kennis van recent ontwikkelde planningstech-nieken.Daarnaast worden praktisch inzicht, redaktionele vaardig-heid en goede kontaktuele eigenschappen gevraagd.Ervaring in een vergelijkbare funktie strekt tot aanbeve-ling.w. Een planologischonderzoeker(ster)Met als taak het in teamverband verwerken en interpreterenvan kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksgegevens tenbehoeve van struktuur- en bestemmingsplannen en hetuitvoeren van afgeronde opdrachten op het gebied van hetplanologisch onderzoek.Bekendheid met het opzetten van berekeningen op hetgebied van woningbouwbehoeften en bevolkingsprogno-ses alsmede redaktionele vaardigheid zijn voorwaardenvoor het goed funktioneren; bekendheid met recente plan-ningstechnieken strekt tot aanbevelingBelangstellenden worden verzocht brieven met persoons-gegevens te richten aan het adres SCHARLO 47 1 81 5 CNte ALKMAAR. Nadere inlichtingen zijn telefonisch verkrijg-baar op het nummer 072-154878.de rijksoverheidvraagtmedewerker (mnl./vrl.)afdeling planning en programmeringMinisterie van Volkshuisvestingen RuimtelijkeordeningCentrale Directie van de Volkshuisvesting,Directie Woningbouw en Stadsvernieuwing,Hoofdafdeling Planning en Voorbereiding.Functie-informatie: meewerken aan het totstand komen van planningen en programma'svoor nieuwbouw en vernieuwbouw vanwoningen mede tegen de achtergrond vanbehoefte enerzijds en bestuurlijke, financieel-economische en ruimtelijke randvoorwaar-den anderzijds; bewaken van en rapporterenover de voortgang en uitvoering van genoemdewerkzaamheden.Vereist: diploma HBO, b.v.k. HEAD, HTS ofdiploma planologisch onderzoeker. Enigeervaring in geautomatiseerde gegevens-verwerking strekt tot aanbeveling.Standplaats: Zoetermeer.Salaris: max. f 4033,- per maand.Bovengenoemd max. salaris is in het algemeenafhankelijk van leeftijd, opieiding en ervaringen is exclusief 8% vakantie-uitkering en eentoeslag van max. f 26,- per maand.Schriftelijke solllicitaties onder vermelding vanvac. nr. 0-8308/1510 (in linkerbovenhoek vanbrief en enveloppe) en uw huisadres metpostcode, inzenden voor 31 januari 1981 aande Rijks Psychologische Dienst,Prins Mauritslaan 1. Corr. adres:Postbus 20013, 2500 EA 's-Gravenhage.Een mededeling van ontvangst van uwsollicitatiebrief wordt u door het Ministerietoegezonden.INTALBEWIJSTDATGEVELS METVOORDEUGER KUNNENZIJN DANWATERDICHTHEIOEN NEN 3660LUCHTOOOHLATENDMEID: NEN 3661OOORBUIGING EN STERKTE: NEN 3850NEN 2608VENTILATIE NEN 1087DIKTE ANOOISEERLAAGTNO RAPPORT BESCHIKBAARALUMINIUM RAMEN EN DEURENNeem alleen al de aanzienlijkemateriaalbesparing, die wordt bereiktdoor de horizontale schuif-konstruktie,waarbij de sterke elementen zijnopgebouwd uit lichte aluminiumprofielen.Daarbij komt dat Intal ramen endeuren op industriele basis produceert,dat betekent nog eens een belangrijkebesparing op produktiekosten. En opde bouw is het monteren snel gebeurd,IIterwiji geen afwerking nodig is,want Intal levert de ramen en deurenkompleet en beglaasd.Tel daarbij op dat ze onderhouds-vrij zijn, dan komt u -net als wij- totde konklusie dat aluminium ramen endeuren van Intal op langere termijnuiterst voordelig zijn. Dit blijkt zowel bijnieuwbouw- als renovatie-projekten.Als u de bon opstuurt krijgt u vanons per omgaande een objektieve engedetailleerde prijsvergelijkingtoegezonden.r, nDCJ/V Stuurt u mij gedetailleerde informatie over uwaluminium ramen en deuren.Naam bedrijf:T.a.v.:Adres:Postcode/plaats:Telefoonnummer:Intal BV, Watermolenweg 6. Postbus 31,4190 CA Geldermalsen Tel. 03455-2941*IIIHERHAALDE OPROEPBij de Provinciate Planologische Dienst komt in verband met ver-trek van een der functionarissen bij de Teken- en Repro-afdelingde functie vacant vanSTEDEBCXJWKUNDIGTEKENAAR (m/v)De werkzaamheden bestaan in lioofdzaak uit het verrichten vancartografisch tekenwerk.Vereist is het diploma Stedebouwkundig Tekenaar P.B.N.A. en/of het diploma Cartografisch Tekenaar.Salariering:Afhankelijk van leeftijd, opieiding en ervaring tot maximaalf 2.800,-- bruto per maand, vermeerderd met een toeslag vanf 26,-.Bij de sollicitatiegesprekken zullen medewerkers van voornoem-de afdeling worden betrokken.De provincie kent goede secundaire arbeidsvoorwaarden.De werktijden zijn flexibel.Inlichtingen over de functie kunnen worden ingew/onnen bij deheer J.G. van der Poel, chef van de afdeling, tel. (085) 45 78 11,toestel 339,Eerder ingezonden sollicitaties behoeven niet te worden herhaald.PROVINCIEGELDERIANDSollicitaties binnen 14 dagenna verschijning van deze ad-vertentie te richten aan hetCollege van GedeputeerdeStaten van Gelderland,t.a. V. de Directeur DienstPersoneelszaken, Markt 11,6811 CG Arnhem, onder ver-melding van vacaturenummerPPD 113 aan de linker boven-zijde van de enveloppe.bureau froger en meijsing delftOns bureau adviseert circa 1 5 kleine en (middel)grote gemeentes op stedebouwkundig, architec-tonisch, landschapskundig, civieltechnisch en juridisch gebied.In ons bureau is plaats voor een:LANDSCHAPSKUNDIGE (vr/m)Gezocht wordt naar iemand, die in staat is in teamverband mee te werken aan:-- het ontwerpen van inrichtingsplannen;-- het opstellen van bestemmingsplannen voor landelijke gebieden;-- het leveren van bijdragen voor structuurplannen, bestemmingsplannen en dorps- en stadsuit-breidingsplannen.Wij denken aan een landschapsarchitect (Wageningen, Boskoop), of een stedebouwkundig ont-werper (b.i., s.h.o.) met opieidingsspecialisatie in landschappelijke inrichting, ontwerpvaardigheidis vereist, ervaring is gewenst.Schriftelijke sollicitaties met uitvoerige inlichtingen richten aan: Bureau Froger en Meijsing,Oude Delft 47 te Delft (tel.: 015-130900).IVOrgaan van hetNederlands InstituutvoorRuinitelijke Ordeningen VolkshuisvestingEl stedebouw en volkshuisvesting62e jaargang januari1981Redactie:Ir. R.M.Th. AdriaansensDrs. H.J.M. van AlphenDr. H. van der CammenMr. J.H. EngclDrs. A. EvertsDrs. R. KokMr. A.M. Schaap-DubbelbocrDr. N.C. SchoutenIr. W. WissingRecensieredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-624721Redacfie.administratie enpublikaties ter recensie:Van Spcykstraat 252518 EV Den HaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Uitgave vanSamsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:Samsom Uitgeverij bvPostbus 42400 MA Alphen aan den RijnP. Heijmering, exploitaiieTelefoon 01720-62068Cj. van Dijk, administratieTelefoon 01720-62191Opdrachtcn en matcriaal wordenvoor de lOe van do maand,voorafgaande aan dc maand vanverschijning, ingewacht.Losse nummers f 11.ISSN (l().?')-llS7yInhoudDenkraam2 Natuur en milieu en twee grote kongre.ssen. prof. dr. H.Artikelen3 Onderweg naar een wetenschappelijkc mcthodc voorruinitelijke ordening, dr. ir. N. Dessing16 Elke minister zijn wetsontwerp: stadsvernicuwing inafleveringen, mr. dr. F.L. Bussink20 Nieuwe stcden in West-Duitsland, ir. S. Khandekar26 Oude bedrijfsgebomvcn in Frankrijk en Engeland, ir. F.A.M.Schreiner36 Woningbchocfte, bevolkingssamcnstelling en beleid, W. vanOosterum41 Heeft de stedebouw nog riiinne'.' ir. W. Wis.sing43 Nieuwe publikaties47 Nieuws van de Raad van Advies voor de Ruiinteiijke Ordening48 Berichten50 MededelingenIn dit nummereen diversiteit van onderwerpen. Als ecrste een uitvoerige be-schouwing over de wctenschappelijke grondslagen van de ruim-telijkc ordening.Het tweedc artikel beschrijft dc lange voorgeschicdenis en eenaantal punten uit het ontwerp van wet dat in September 1980onder de naam Wet op de stads- en dorpsvernieuwing aan deTwccde Kamer werd aangeboden.Het derde artikel geeft een korte karaktcristiek van een aantalnieuwe stcden in West-Duitsland, in vcrgclijking met dc veelbekenderc new towns in Engeland.Oudc bedrijfsgebouwen behoeven niet altijd gcsloopt te worden.Een drietal voorbeelden uit Engeland en Frankrijk illustreertdat er met enige inventiviteit diverse vormen van hergebruikmogelijk zijn.Vcrvolgens een methodc om aan dc hand van de bevolkingsad-ministratie de leeftijd.sspecifieke woningbehoeftc in een gemeentete bepalcn.En ten slotte een hartekreet van een stedebouwkundige die detoekomst van zijn vak niet erg optimistisch inziet.Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1981DenkraamNatuur en milieu en twee grote kongressenDe wereld van natuur en milieu in Vlaanderen is in beweging,en hoe! Na het Europees Natuurbeschermingsjaar 1970 en dedaarop volgende voortschrijdende milieubewustwording vaneen steeds breder publiek, waren al een aantal oude gewadenafgelegd.Na een hoofdzakelijk esthetisch gerichte periode kwamaldus een tijd van wetenschappelijke achtergronden en ver-dieping. Het ziet er naar uit dat wij nu langzaam maar zekereen nieuwe fase binnentreden; een sterker dan ooit tevorenpolitiek getinte fase.Het Me GroenkongresHet 3de Vlaams Wetenschappelijk Kongres voor Groenvoor-ziening, dat in oktober 1980 in Antwerpen plaatsvond, waszeker nog opgezet vanuit de wetenschappelijke bekommernisom de wisselende en snel evoluerende problemen van natuuren landschap in al hun facetten te onderkennen en er degepaste remedies voor uit te dokteren. Maar onmiskenbaarwas daar reeds de politiek op de achtergrond. Wij bedoelenhiermee niet dat op het kongres specifiek de positie van deCiroene Lijsten, in binnen- of in buitenland, is bediskussieerdgeworden (dat gebeurt wel op de jaarlijkse ontmoetingsdagvan de Bond Beter Leefmilieu, zowat het equivalent van deStichting Natuur en Milieu in Nederland). Maar in vrijwel alleafdelingen en sekties van het Groenkongres werden de radi-kahserende stemmen van vooral de jongeren gehoord en washet niet meer doenlijk om de problemen van d^ natuuredu-katie, de landschapszorg, het wettelijk kader, ja zelfs denatuurtechniek alleen maar akademisch, theoretisch, "waar-denvrij" te behandelen.De maatschappelijke bindingen, die er natuurlijk altijd alwaren, werden echter nu pas op hun voile waarde getaxeerd,en de politieke implikaties eisten hun rechten op.Dit alles gold wellicht nog het sterkst voor de afdehng"Samenwerking" van het Groenkongres. In verschillende sek-ties zijn aanbevehngen en voorstellen geformuleerd, die moe-ten leiden tot een vlottcre samenwerking tussen de bij natuuren miheu betrokken overheidsdiensten onderling en met departikuliere natuurbeschermings- en milieuorganisaties. Desektie "Samenwerking tussen de verenigingen" is o.m. tot deslotsom gekomen dat een algemeen natuur- en milieutijd-schrift in Vlaanderen onontbeerlijk is, wil de georganiseerdeen verenigde beweging met een eigen gezicht de bevolkingtegemoet treden, wil zij werkelijk uitgroeien tot een massabe-weging die niet meer door ambtenaren en politiekers aller-hande kan genegeerd of van tafel geveegd worden, zoals het numet de qua ledental ondermaatse verenigingen en met deversplinterde aktiekomitees al te vaak gebeurt.Verder is op het Kongres gepleit voor een nieuwe, duidelijkafgelijnde stmtegie voor Natuurhehoud en Landschapszorg bin-nen het totaal ruimtelijk beleid.Verschillende werkgroepen hebben daartoe konkrete voor-stellen geformuleerd m.b.t. wetgeving, strukturen en beleid,technieken van natuurbeheer en landschapszorg, en tenslotteedukatie tot natuurbewustzijn.Een greep uil deze voorstellen:- Het totslandkomen van een Direktoraat-Generaal voorMilieuzorg, met een Bestuursdirektie Natuurbehoud, Land-schapszorg, Bossen en Groenvoorziening - naast een even-waardige Bestuursdirektie Milieuhygiene - is noodzakelijk.- I.v.m. het sektorbeleid Natuurbehoud: de oprichting vaneen Rijksinstituut voor Natuurbehoud; natuurbehoudskon-sulenten in de buitendiensten; de hervorming van de HogeRaad voor Natuurbehoud.- I.v.m. het sektorbeleid Landschapszorg: een nieuw dekreettot de bescherming van de landschappen en een efficientwettelijk statuut voor de landschapsparken.- De inbreng in het algemeen ruimtelijk beleid moet verge-makkelijkt worden door het opstellen van een struktuursche-ma natuurbehoud en landschapszorg en structuurschetsenvoor Vlaanderen.- Fundamenteel, gericht en toegepast wetenschappelijk on-derzoek ten behoeve van natuurbeheer en landschapszorgmoet worden aangemoedigd.- Specifieke inspanningen van onderwijs, gespecialiseerdeorganisaties, geschreven pers, radio en televisie tot een verho-ging van het natuurbewustzijn.- Teneinde tenslotte integrale planning mogelijk te maken ishet noodzakelijk dat de ruimtelijke planning gebeurt samenmet de andere facetplanning (nl. de sociaal-economische, desociaal-culturele en de ecologische) in een Vlaams Plannings-bureau.Maar ondertussen verschijnt aan de einder een ander kon-gres: het Algemeen Nederlands Kongres, dat zal gehoudenworden te Brussel in oktober 1981.Het 38ste Algemeen Nederlands KongresOp dit kongres komen vrijwel alle maatschappelijke en kul-turele thema's aan de orde, die in Nederland en Vlaanderen,gescheiden of gemeenschappelijk, parallel of kontroversieel,het leven van alledag mede bepalen.Van meet af aan hebben wij op het standpunt gestaan datop dit breed geschakeerde forum, waar Belgische en Neder-landse staatsburgers elkaar ontmoeten en op diverse gebiedeneen hechtere samenwerking nastreven, de problematiek vannatuurbehoud en milieubeheer zeker niet mocht onderbre-ken.Enerzijds biedt dit kongres een unieke gelegenheid om talvan prominenten uit Noord en Zuid, hetzij uit de ekonomi-sche, de socio-politieke. de wetenschappelijke of uit de artis-tieke wereld, het ABC van natuur, landschap en milieu bij tebrengen. Zeggen wij iets verkeerd door te stellen dat dit inNoord en Zuid, maar vooral in Zuid, geen overbodige luxe zalzijn?Anderzijds is hier de mogelijkheid aanwezig om de integra-tie van de natuurbehouds- en de milieuwetgeving in Benelux-kader te bepleiten. Wat is de zin van een nationale hinderwetwanneer enkele kilometers verder, van Zeeuws-Vlaanderentot Limburg, verschillende normen worden aangehouden enandere anomalieen worden toegestaan? Wanneer een riviervlak over de grens ontoelaatbaar wordl vervuild, of wanneereen waardevol landschap hier aan ruilverkaveling wordt tenprooi gegeven en daar rigoureus beschermd? Het wordt tochwel langzamerhand tijd dat onze wetgevers en ambtenarenmet een Europese maat leren meten. De unifiering in Bene-luxverband is daartoe aUicht de aangewezen vingeroefening,vooral waar het nieuwe wetten en dekreten betreft. Zo is hetmet name van het grootste belang dat de nieuwe wetgeving opde landschapsparken in Nederland en Vlaanderen, en uiter-aard ook in Wallonie - denk b.v. eens aan het Maaswater, datdeze wetgeving ook in gemeenschappelijk overleg wordt uit-gewerkt en gestalte krijgt.prof. dr. H. GijselsStedebouw en Volkshuisvesting, januari 1981Onderweg naar eenwetenschappelijke methodevoor ruimtelijke ordeningdr. ir. N. Dcssing*1. InleidingDe titel van dit artikel komt overeenmet de titel van mijn proefschrift'),waarin de weg naar een wetenschappe-lijke methode voor ruimtelijke ordeninguitvoerig wordt beschreven.In het proefschrift is een wetenschap-pelijk verantwoord verslag gegeven vanhet verrichte onderzoek, hetgeen gere-sulteerd heeft in een lijvig boekwerk. Debedoeling van dit artikel is in de eersteplaats, dat de resultaten van het onder-zoek voor een groter publiek toeganke-lijk worden. In de tweede plaats kan hetartikel fungeren als handvat voor hetbestuderen van het boek. Doordat enke-le hoofdlijnen al bekend zijn, wordt heteenvoudiger om een gestructureerd* Cultuurtechnicus planoloog, Wagenin-gcn.In dit artikel wordt uitgegaan van de hypothese, dat de wetenschappelijke werkwijzevoor de kennisverwerving ook bruikbaar is voor de planning.Het leerproces voor de kennisverwerving wordt gebruikt als model voor het leerpro-ces van de planning; de niodelfunctie betreft zowel de fasering van het leerproces, alsde bij elke fase behorende wetenschappelijke spelregels.Van de niodelfunctie worden enkele voorbeelden gegeven voor de planning in hetalgemeen en voor de ruimtelijke ordening. In het tweede deel van het artikel wordteen van deze voorbeelden uitgewerkt; het betreft de toepassing van de wetenschap-pelijke spelregels voor de begripsvorming bij de gebiedsbeschrijving in het kader vande ruimtelijke ordening.Met deze wetenschappelijke spelregels is het mogelijk om tot goed gemotiveerdebegrippen te komen, die aansluiten bij de belevingswereld van de individuele ruim-tegebruiker. Beschreven wordt hoe, aan de hand van de begrippen van individueleruimtegebruikers, gekomen kan worden tot de gebiedsbeschrijving ten behoeve vande ruimtelijke ordening.beeld te krijgen van de inhoud van hetproefschrift.Zoals gezegd, beoogt het artikel nieteen volledig overzicht te geven van hetgehele onderzoek; volstaan wordt methet bespreken van twee belangrijke on-derdelen:- een wetenschappelijke basis voor deruimtelijke ordening (2),- toepassing van de wetenschappelijkespelregels voor begripsvorming bij degebiedsbeschrijving in het kader van deruimtelijke ordening (3).Het artikel wordt besloten met eenkorte samenvatting (4).2. Een wetenschappelijke basis voorde ruimtelijke ordening2.1. InleidingBij de voorbereiding van het overheids-beleid wordt in toenemende mate eenberoep gedaan op de wetenschap. In demeeste gevallen wordt dan gevraagd ominformatie, die in het beleidsproces vanbelang is. Voorbeelden zijn vooruitbere-keningen over bevolkingsomvang en-samenstelling, en enquetes over b.v. demening van de bevolking over de in-spraak. De bijdrage van de wetenschapbestaat uit het leveren van kennis tenbehoeve van het beleidsproces. Het be-leidsproces zelf onttrekt zich meestalaan wetenschappelijke beschouwingen;het wordt hoogstens methodisch bena-derd, b.v. in de strategische keuzebena-dering. Toch is ook ten aanzien van hetbeleidsproces zelf een wetenschappelij-ke benadering mogelijk en zelfs ge-wenst. De uitgangspunten en de opzetvan het beleidsproces worden onder-werp van wetenschappelijke reflectie,worden bediscussieerd, waarna afspra-ken kunnen worden gemaakt over hoehet dient te verlopen (normatief).Deze afspraken betreffen b.v. de on-derwerpen die in het beleidsproces aande orde moeten komen, het in beschou-Stedehouw en Volkshuisvesting, januari 1981wetenschappelijke methode r.o.wing nemen van doelen van verschillen-de groepen, het aangeven van de gevol-gen van plannen voor de verschillendegroepen, het ontwikkelen van planalter-natieven, etc.Hiermee wordt aan het beleid eenwetenschappelijke basis gegeven; dit isgewenst omdat hierdoor het controleren(door burgers) van het lopende beleids-proces beter mogeUjk wordt.In dit verband is het van belang determen wetenschap en wetenschappe-hjk nader toe te lichten; immers erbestaan verschillende wetenschapsop-vattingen, alleen al ten behoeve van deduidelijkheid is een toelichting op dedoor de schrijfster gehanteerde opvat-ting en de daarmee samenhangendewerkwijze wenselijk. Ook de termenruimtelijke ordening en planning ver-dienen nadere toelichting uit overwe-gingen van duidelijkheid (2.2).Vervolgens wordt de hypothese ge-steld en toegelicht, dat de wetenschap-pelijke werkwijze die gebruikt wordtvoor kennisverwerving, in grote lijnenook bruikbaar is voor de planning. Dezehypothese is gebaseerd op het uitgangs-punt dat in elk leerproces dezelfde ba-sisstappen voorkomen; kennisverwer-ving en planning zijn beide op te vattenals leerprocessen. Voor het leerprocesvan de planning heeft deze gedachten-gang het grote voordeel dat het reedszorgvuldig uitgewerkte wetenschappe-lijke leerproces voor de kennisverwer-ving als model kan fungeren (2.3).Tenslotte worden een aantal voor-beelden genoemd van deze modelfunc-tie (2.4).2.2. Wetenschappelijke werkwijze enbegripsomschrijvingenDe wetenschappelijke werkwijze die ikgevolgd heb kan gekenschetst wordenmet de termen alomvattend, controleer-baar, normatief en cyclisch leren.De alomvattendheid betekent, dat allemogelijke vragen, die relevant geachtworden voor het onderwerp, wordenbesproken in onderlinge samenhang.Voor het onderwerp van dit artikel, eenmethode voor ruimtelijke ordening, be-tekent dat onder andere dat weten-schapstheoretische en planningstheore-tische uitgangspunten onderwerp vanonderzoek zijn, evenals het object vanruimtelijke ordening (mens, samenle-ving en ruimtelijk milieu). Deze drieonderwerpen zijn immers alle belang-rijk voor de opzet van een methode voorruimtelijke ordening.De moeilijkheid van een alomvatten-de benadering is, dat per vraagstellingrelatief weinig tijd beschikbaar is; bo-vendien is kennis vereist van vele vak-gebieden. Hierdoor is de diepgang pervraagstelling beperkt.Het grote voordeel van een alomvat-tende benadering is dat de vragen inonderlinge samenhang worden bestu-deerd en zo goed mogelijk beantwoord.Een tweede voordeel is dat de vooron-derstellingen en waarde-oordelen vande onderzoeker(s) worden geexplici-teerd, zodat deze onderwerp van discus-sie kunnen worden.Een voorbeeld van een vraag die ineen alomvattende benadering van eenwetenschappelijke methode voor ruim-telijke ordening aan de orde moet ko-men, is de vraag naar het mensbeeld. Ophet eerste gezicht lijkt deze vraag mis-schien niet zoveel te maken te hebbenmet ruimtelijke ordening, maar uit mijnantwoord zal blijken dat dit wel degelijkhet geval is. Mijn antwoord is, norma-tief, het beeld van de mondige, lerende,mens2). Dit mensbeeld komt niet over-een met de huidige situatie voor velen^);echter omdat ik het een essentieel ver-eiste acht voor een democratische ruim-telijke ordening, ga ik er toch van uit,weliswaar als norm, Onder andere metbehulp van opbouwwerk en vormings-werk, kan gewerkt worden aan het zogoed mogelijk bereiken van het ideaalvan de mondige, lerende, mens. Overi-gens zal duidelijk zijn dat er eerst over-eenstemming moet zijn over de wense-lijkheid van dit ideaal. In het door mijgegeven antwoord komt mijn persoon-lijke mening naar voren. De pretentie isbeperkt tot het verduidelijken van devraag; de bedoeling is het entamerenvan de discussie ten behoeve van eenweloverwogen uitspraak.De controleerhaarheid, tweede ken-merk van mijn wetenschappelijke werk-wijze, komt voort uit de eis van weten-schappelijke kwaliteit. Onder weten-schappelijke kennis wordt verstaan zobetrouwbaar mogelijke kennis. In hetgeval van een objectief kenbaar objectvan onderzoek (veel natuurwetenschap-pelijk onderzoek) is controle mogelijkdoor toetsing van gevonden wetmatig-heden aan empirische feiten, terwijl inandere gevallen de gevolgde werkwijzede basis is voor de beoordeling van dewetenschappelijke kwaliteit. Deze dientdaartoe expliciet te worden beschreven;hij dient immers controleerbaar te zijn.In andere woorden: empirisch toetsenals het kan, anders volstaan met contro-le van de werkwijze. Ook voor vragenwaarbij toetsing niet mogelijk is, kaneen wetenschappelijke benadering ge-wenst zijn (alomvattendheid)'').Het normatieve element van de doormij gevolgde wetenschappelijke bena-dering hangt sterk samen met de con-troleerhaarheid van vragen waarbij em-pirische toetsing niet mogelijk is. Ge-steld wordt dat de gevolgde werkwijzein dat geval de basis vormt voor debeoordeling van de wetenschappelijkekwaliteit; maar wie stelt vast welke degoede werkwijze is om tot zo betrouw-baar mogelijke kennis te komen? Dezeen andere grondvragen (die voorkomenin de wetenschap, maar ook in de plan-ning en de ruimtelijke ordening) kun-nen alleen normatief beantwoord wor-den, hetgeen overigens niet wil zeggendat empirisch getoetste kennis daarbijniet in de overweging kan worden be-trokken. Een normatief antwoord bevateen norm: lets behoort zo te zijn of teworden. Een belangrijk element van dewetenschappelijke werkwijze bij de be-antwoording van normatieve vragen, ishet zover mogelijk expUciteren van deuitgangspunten en overwegingen.Het vierde kenmerk van mijn weten-schappelijke benadering is het cyclischStedehouw en Volkshuisvesting, januari 1981wetenschappelijke methode r.o.leren: in eerste instantie wordt het gehe-le leerproces een keer snel en globaaldoorlopen, waardoor al enig inzichtontstaat in de aard van de relevante vra-gen en antwoorden. Vervolgens kunnenbelangrijke en complexe vragen de aan-dacht krijgen die ze behoeven in tweedeen volgende rondes. De door de alom-vattendheid aanvankelijk beperktediepgang in de beantwoording van degestelde vragen, kan in een cyclisch leer-proces geleidelijk verbeterd worden.Het zou ook mogelijk zijn een program-ma van onderzoek op te stellen aan dehand van de voorlopige beantwoording.Ook voor de controleerbaarheid is hetcyclisch leerproces van groot belang:een eenmaal gegeven normatief ant-woord kan door ermee te werken op zijnwaarde worden getest. Op basis van dieervaring kan men wellicht tot een ande-re normatieve stellingname komen.Voor de begripsomschrijving van ruim-telijke ordening wordt aangesloten bijhet begrip planning in zijn meest oor-spronkelijke betekenis.Ondtxplanning-wordl verstaan: op detoekomst gericht handelen of nalaten,waarmee met behulp van kennis, be-paalde doeleinden worden nagestreefd.Planning kan worden bedreven doorindividuen, partikuliere organisaties enoverheid. In de ruimtelijke ordening isde overheid de plannende instantie; dena te streven doeleinden hebben betrek-king op de ruimtelijke omgeving van demens.Ruimtelijkeordeningis. dus: op de toe-komst gericht handelen of nalaten,waarmee op basis van kennis, door deoverheid, bepaalde doeleinden met be-trekking tot de ruimtelijke omgevingworden nagestreefd.Door de koppeling aan het oorspron-kelijke planningsbegrip, is het begripruimtelijke ordening eveneens terugge-bracht tot zijn essentie, namelijk: plan-ning van de ruimtelijke omgeving doorde overheid. De gangbare praktijk vande ruimtelijke ordening, het hele bouw-werk van nota's en plannen is daarvaneen bepaalde invulling. In de weten-schappelijke reflectie op de ruimtelijkeordening (planologie) staat deze invul-ling voortdurend ter discussie.2.3. Het wetenschappelijk leerprocesvoor de kennisverwerving als modelvoor het wetenschappelijk leerprocesvoor de planningHet verband tussen wetenschappelijkekennisverwerving en planning, wordtgelegd via het kenmerk dat deze activi-teiten gemeen hebben, namelijk dat hetin beide gevallen gaat om "leren".In het wetenschappelijk leerprocesvoor de kennisverwerving wordt iets ge-leerd over de aard van de werkelijkheid;het gaat om het verwerven van kennis.In het leerproces worden o.a. begrippengevormd, gegevens verzameld, hypothe-sen opgesteld, indien mogelijk aan em-pirische feiten getoetst en tenslotte ge-evalueerd.In het planningsproces wordt geleerdhoe bepaalde problemen (verschillentussen wensen en werkelijkheid) kun-nen worden opgelost, en vervolgens inhoeverre gekozen en gerealiseerde op-lossingen inderdaad aan de verwachtin-gen voldoen. In het leerproces wordeno.a. doelen geformuleerd, wordt het ob-ject van planning bestudeerd, komenplan (alternatieven) aan de orde, wor-den de gevolgen van de realisering vanplannen nagegaan, en wordt getoetst inhoeverre deze overeenstemmen met denagestreefde doelen.In mijn boek ben ik van de hypotheseuitgegaan, dat de fasering in de weten-schappelijke kennisverwerving (in debekende termen van De Groot, 1972,aan te duiden met: observatie, inductie,deductie, toetsing en evaluatie) in grotelijnen ook bruikbaar is voor de plan-ning. Deze veronderstelling is ingege-ven door het idee dat in elk leerprocesdezelfde basisstappen voorkomen. Ui-teraard zijn er ook belangrijke verschil-len tussen beide leerprocessen, o.a.doordat planning niet gericht is op hetontdekken van wetmatigheden, maarjuist op het vinden van specifieke oplos-singen voor bepaalde problemen. Plan-ning gaat in dit opzicht ook verder danwetenschap: er wordt niet alleen gestu-deerd, maar ook doelgericht ingegre-pen.Voor het leerproces voor de planningheeft de werkhypothese het grote voor-deel dat het reeds zorgvuldig uitge-werkte leerproces voor de kennisver-werving als model kan fungeren. Dezemodelfunctie is van belang voor zowelde fasering, als voor de bij elke fasebehorende wetenschappelijke spelre-gels.Een tweede voordeel is dat de faserin-gen van het planningsproces, zoals dietot nu toe in de praktijk zijn ontwikkeld,ontdaan kunnen worden van hun ad-hoc karakter, doordat verband kan wor-den gelegd met de erkende fasering vanhet proces van wetenschappelijke ken-nisverwerving. De in de praktijk ont-wikkelde planningsfaseringen kunnendienen als materiaal om bepaalde fasenuit het kennisverwervingsproces om tezetten in planningstermen.Uiteraard biedt het gebruik van hetwetenschappelijk leerproces als modelgeen garantie voor de kwaliteit van hetaldus te ontwikkelen leerproces voor deplanning: het is slechts een hulpmiddel.De beslissing of de opgestelde faseringaanvaardbaar is, staat daar los van en iseen normatieve zaak.2.4. De wetenschappelijke leerprocessenvoor de planning en voor de ruimtelijkeordeningIn figuur 1 zijn de door mij gefaseerdewetenschappelijke leerprocessen voorde kennisverwerving, planning en ruim-telijke ordening, weergegeven in onder-ling verband en in relatie tot de meerbekende fasering van De Groot (1972).De figuur geeft de overeenkomsten weertussen de fasen van de verschillendeleerprocessen, waarop de hieronder tegeven voorbeelden betrekking hebben.De relaties tussen de fasen binnen elkleerproces (terugkoppelingen onder an-dere) zijn in dit verband niet van belangen daarom niet getekend.Stedehouw en Volkshuisvesting, januari 1981wetenschappelijke methode r.o.Figuur 1. Verhand tussen faseringen van wetenschappelijke leerprocessenDe Groot (1972) Kennisverwerving Planning Ruimtelijke ordening op een niveau van overheidszorg1. Aanleiding kennis-verwerving1. Aanleiding plan-ning1. Aanleiding voor de ruimtelijke ordening2. Doelstelling 2. Doelstelling 2. Basisdoelen in de ruimtelijke ordening.Taakstellingscriteria voor overheidszorg.Wensen van andere niveaus van ruimtelijke ordening.1. Observatie 3. Verkenning van hetobject van studie3. Bestudering van hetobject van planning3. Alle mogelijke doel(begripp)en ten aanzien van de ruim-telijke omgeving.Gebiedsbeschrijving.Geldende beleidsmaatregelen voor studiegebied.Doelstellingen van individuen en groepen.Waardering van het studiegebied ten opzichte van de doel-stellingen van individuen en groepen, en andere niveausvan ruimtelijke ordening.4. Probleemstelling 4. Probleemstelling 4. Probleemstelling van de overheid ten aanzien van deruimtelijke ordening in het studiegebied en de beschikbaarte stellen middelen.5. Inventarisatie vanfeiten en meningen5. Inventarisatie vanfeiten en meningen5. Waardering van het studiegebied ten opzichte van dedoelstellingen van de overheid (4).Plannen van andere niveaus van ruimtelijke ordening.Ideeen voor planontwikkeling.2. Inductie 6. Ideevorming overaard van het object6. Ideevorming: plan-ontwikkeling6. Planontwikkeling. Na te streven vormen van ruimtege-bruik en daarvoor noodzakelijke ingrepen.7. Toepassing hypo-thesen in bekend mate-riaal7. Afleiding gevolgenplan (alternatieven)7. Afleiding van de gevolgen van plan (alternatieven) voorhet studiegebied.8. Toetsing op specifie-ke geldigheid8. Toetsing plan (alter-natieven)8. Waardering van de plannen en de gevolgen ten opzichtevan de doelstellingen van individuen en groepen (3) en tenopzichte van de doelstellingen van de overheid (4).9. Evaluatie kennis enleerproces9. Evaluatie plan(alter-natieven) en plannings-proces9. Evaluatie van plan (alternatieven) en van het leerprocesvoor de ruimtelijke ordening.Keuze van het uit te voeren plan.10. Beschrijving ver-worven kennis10. Beschrijving geko-zen plan10. Beschrijving van het gekozen plan.3. Deductie 11. Toepassing hypo-thesen in nieuw materi-aal11. Uitvoering eerstge-boden tase van hetplan11. Uitvoering van de eerstgeboden fase van het plan.12. Inventarisatie em-pirische feiten12. Inventarisatie ge-volgen uitvoering12. Inventarisatie van de gevolgen van uitvoering voor hetstudiegebied.4. Toelsing 13. Toetsing op meerdan specifieke geldig-heid13. Toetsing van hetdeels uitgevoerde plan13. Waardering van de gevolgen van uitvoering (12) tenopzichte van de doelstellingen van individuen en groepenen ten opzichte van de doelstelUngen van de overheid.Toetsing voorspellende waarde relatiemodel studiegebied(3).5. Evaluatie 14. Evaluatie kennis enleerproces14. Evaluatie plan enplanningsproces14. Evaluatie van het (deels uitgevoerde) plan en van hetgehele planningsproces van de ruimtelijke ordening.Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1981wetenschappelijke methode r.o.Voorheelden van de modelfunctieVoorbeeld 1: de objectgeorienteerdeprobleemstelling (fase 4).In de wetenschappelijke kennisver-werving is de probleemstelling de nade-re uitwerking van de doelstelling, opbasis van de verkenning van het objectvan kennisverwerving (de fasen 2,3 en 4in onderlinge samenhang). Deze con-structie kan zonder meer worden.over-genomen in de leerprocessen voor deplanning en de ruimtelijke ordening.Om een volwaardige probleemstel-ling voor de ruimtelijke ordening te for-muleren dient de overheid te beschik-ken over kennis van het object. Hetobject omvat niet alleen de ruimtelijkeomgeving, maar ook de ruimtegebrui-kers. Inzicht in de doelstellingen van deverschillende (groepen) ruimtegebrui-kers en in de mate waarin aan die doel-stellingen is voldaan, is vereist.Voorbeeld 2: uitvoering als toetsing vanhet gekozen plan (fase 11 tot en met14).Het tweede gedeelte van het weten-schappelijk leerproces voor de kennis-verwerving heeft direct als model gefun-geerd voor de overeenkomstige fasenvan het planningsproces. In het weten-schappelijke leerproces voor de kennis-verwerving wordt in het tweede deelgezocht naar ondersteuning van de ge-vonden wetmatigheden (toetsing opmeer dan specifieke geldigheid); in hetplanningsproces kan nu de uitvoeringvan het plan en de toetsing en evaluatiedaarvan een scherper omlijnde plaatskrijgen. Door de uitvoering wordt na-melijk ook een nadere controle mogelijkvan de kwaliteit van het gekozen plan:'the proof of the pudding is in theeating".Voorbeeld 3: de wetenschappelijkespelregels voor de begripsvorming alshulpmiddel bij het formuleren van doel-stelhngen.Bij het formuleren van doelstellingenis een eerste vereiste, dat men beschiktover begrippen waarin men zijn wensen Ikan uitdrukken; deze begrippen kunnendoelbeghppen worden genoemd. Voor-beelden zijn leefbaarheid en, meer con-creet bereikbaarheid (in verband metvoorzieningen). In het tweede gedeeltevan dit artikel zal worden ingegaan opde betekenis die de wetenschappelijkespelregels voor de begripsvorming kun-nen hebben bij de bestudering van ge-bieden ten behoeve van de ruimtelijkeordening.Voorbeeld 4: de overeenkomende taak-verdeling tussen beslissers en deskundi-gen in de leerprocessen voor kennisver-werving, planning en ruimtelijke orde-ning.De taakverdeling in het leerproceskennisverwerving kan ook gelden voorde planning. De taken van de beshssersspelen zich hoofdzakelijk af in de fasen1 (aanleiding), 2 (doelstelling), 4 (pro-bleemstelling), 9 en 14 (beide evaluatie).De taken van de deskundigen hebbenvooral betrekking op de overige fasen.Bij die vormen van planning, waar sub-jecten deel uitmaken van het object (b.v.bij ruimtelijke ordening), spelen de be-shssers bovendien een rol in de delenvan fase 3 (bestudering object).De wisselwerking tussen beslissers endeskundigen is van groot belang vooreen democratisch te controleren weten-schappelijk leerproces.3. Toepassing van de wetenschappelijkespelregels voor begripsvorming bij degebiedsbeschrijving in het kader vande ruimtelijke ordening3.1. InleidingIn het voorafgaande werd de werkwijzevan de wetenschappelijke kennisver-werving gerelateerd aan het plannings-proces in zijn geheel.In dit tweede deel van het artikel stelik nogmaals de voorbeeld-functie vande wetenschap aan de orde, maar dezekeer toegespitst op een fase van hetplanningsproces voor de ruimtelijke or-dening, namelijk de gebiedsbeschrij-ving.De wetenschappelijke spelregels voorde begripsvorming kunnen gebruiktworden bij het formuleren van doelstel-lingen (voorbeeld 3 van 2.4.); doelbe-grippen (begrippen waarin men zijnwensen kan uitdrukken) spelen daarbijeen belangrijke rol. Aan de hand van demet de wetenschappelijke spelregels tevormen doelbegrippen, en door verdergebruik van de wetenschappelijke spel-regels voor de begripsvorming, kan na-melijk een goede gebiedsbeschrijvingtot stand komen.//oe dit in zijn werkgaat, zal in het navolgende worden be-sproken.In de praktijk van de ruimtelijke orde-ning wordt tegenwoordig veelal gewerktaan de hand van standaardbegrippen.Voor b.v. bestemmingsplannen wordengeinventariseerd de natuurlijke gege-vens van het gebied, de bevolkingsont-wikkeling, de economische en sociaal-culturele ontwikkeling en de bodemge-steldheid. In structuurplannen, streek-plannen en plannen op rijksniveau ko-men overeenkomstige zaken aan deorde; de gebruikte begrippen zijn gro-tendeels door planners ontwikkeld enmeest tamelijk abstract. Een voorbeeldzijn typeringen van gebieden als zijndevan regionale, nationale, europese,mondiale, betekenis. Veel van de be-grippen zijn ook algemeen bruikbaar,dat wil zeggen niet kenmerkend vooreen bepaald gebied.Tegen inventarisaties op deze manierzijn twee belangrijke bezwaren in tebrengen.Ten eerste is het onduidelijk waar debegrippen vandaan komen, waaromjuist die begrippen worden gehanteerd.Aangenomen mag worden dat begrip-pen soms vanuit de wetenschap komen,of soms vanuit een bepaald beleid ont-wikkeld zijn. Daarbij kan een verstar-ring optreden in het begrippenapparaatals nieuwe inventarisaties worden opge-steld aan de hand van eerdere nota's.Aan een inventarisatie in het kader vanStedehouw en Volkshuisvesting, januari 1981wetenschappelijke methode r.o.de ruimtelijke ordening moet als eisworden gesteld, dat de keuze van deinventarisatiebegrippen is gemotiveerd.Immers met die begrippen wordt al gro-tendeels bepaald welke zaken in deplanning betrokken kunnen worden.Het tweede bezwaar is dat de ge-bruikers van de ruimte nauwelijks ge-raadpleegd worden. Hierdoor is het mo-gelijk dat zeer belangrijke kwaliteitenvan een gebied buiten beschouwing blij-ven, en dus ook niet worden verwerkt inde planvorming. Zo is het bijvoorbeeldonmogehjk om de gevolgen van eenbepaald plan ten aanzien van deze be-grippen weer te geven, hetgeen eenevenwichtige besluitvorming belem-mert.Met behulp van de wetenschappelijkespelregels voor de begripsvorming is hetmogelijk om tot goed gemotiveerde be-grippen te komen; in verband met hettweede bezwaar dient daarbij als voor-waarde te worden gesteld, dat de be-grippen in verband gebracht kunnenworden met de belevingswereld van deverschillende ruimtegebruikers.De bespreking van hoe dit in zijn werkgaat is als volgt opgebouwd.Allereerst wordt ingegaan op de theo-rie over begripsvorming (3.2.). Vervol-gens wordt nagegaan wat de theoriebetekent voor de ruimtelijke ordening(3.3.). Daarna wordt de techniek van hetformuleren van doelbegrippen kort be-sproken (3.4.). Tenslotte wordt behan-deld hoe aan de hand van de doelbegrip-pen van individuele ruimtegebruikers,gekomen kan worden tot de gebiedsbe-schrijving ten behoeve van de ruimtelij-ke ordening (3.5.).3.2. Wetenschappelijke spelregels voorde begripsvormingVan belang is in de eerste plaats de aardvan het begripsvormingsproces. Aange-sloten is bij de opvattingen van Ko-ningsveld (1976) over het begrip alsminiatuur-theorie: begripsvorming isleren waarnemen op een bepaaldewijze; een gevormd begrip houdt eenwaarnemingswijze in. Met een voor-beeld kan dit worden verduidelijkt. Hetvoorbeeld bestaat uit 3 7 2. Zondernadere toelichting zullen de meestewaarnemers hierin de cijfers drie, zevenen twee herkennen. Met een enkele aan-wijzing kan men echter leren om in desymbolen een ander begrip te herken-nen, namelijk het begrip krom-recht,dat aanduidt dat een symbool uit krom-me en rechte lijnen is samengesteld. Ditter onderscheiding van bijvoorbeeld zo-genaamde kromme symbolen, die ge-heel uit kromme lijnen zijn samenge-steld, b.v. 0 en 9.Uit dit voorbeeld blijkt dat dezelfdewerkelijkheid op verschillende manie-ren kan worden waargenomen. De vor-ming van een nieuw begrip vindt plaatsin een creatief, niet rationed, proces van"trial and error", tenzij een leraar hetbegrip met behulp van reeds bekendebegrippen wil overdragen (zoals in bo-venstaand voorbeeld).Met het volgende citaat kan de bo-venstaande opvatting worden verduide-lijkt. "Aldus is waarnemen noodzakelij-kerwijs een begripsmatig bepaalde acti-viteit: waarnemen is altijd theoriegeladenals men het begrip als miniatuur-theorieopvat." "Hiermee wordt dus ontkend,dat empirische begrippen worden ge-vormd op grond van waarneming vanverschijnselen. In het verleden is hetvaak zo voorgesteld - en in een commonsense opvatting gebeurt dat nog wel -dat iemand bijvoorbeeld vele rode din-gen waarneemt en in een abstractiepro-ces, waarin alle niet-relevante factorenworden terzijde geschoven, tot het be-grip "rood" komt. Mijn opvatting - endie van vele anderen - staat hiertegen-over: zo'n abstractieproces eist datje alweet wat relevante factoren zijn en watniet, het eist dat je al weet waarop jemoet letten en waarop niet, het eist dusal een wijze van waarneming, het eistvan tevoren al het begrip dat nu juistgevormd zou moeten worden." (Ko-ningsveld, 1976, pp. 132, 133).Begripsvorming vindt altijd plaats aande hand van een bepaald doel; de moti-vering voor het gaan vormen van eennieuw begrip kan bijvoorbeeld zijn dewens om bepaalde (waarnemings-)erva-ringen onder woorden te brengen.Sterk van belang voor de planning iseen tweede reden voor het vormen vanbegrippen, namelijk dat men bepaaldeactiviteiten wenst te ontplooien, waar-voor aan bepaalde voorwaarden moetzijn voldaan. Men gaat dan begrippenvormen waarmee die voorwaarden kun-nen worden aangeduid; dit zijn doelbe-grippen. Bijvoorbeeld als men wilzwemmen, kan men doelbegrippen vor-men ten aanzien van het zwemwater:b.v. zuiverheid, diepte, oppervlakte,temperatuur.5.3. Discrepantie tussen begrippen vanplanningsdeskundigen en individueleruimtegebruikersIn het voorafgaande is gesteld dat hetbegripsvormingsproces een creatiefproces is, waarin men bezig is te orde-nen aan de hand van een bepaald doel.Een gevolg hiervan is, dat ten aanzienvan eenzelfde werkelijkheid verschillen-de begrippen kunnen worden ge-vormd.In de eerste plaats komt dit door hetcreatieve, niet voUedig rationele, karak-ter van het proces. AUeen al door toe-valligheden kunnen verschillende be-grippen over dezelfde werkelijkheidworden gevormd. Daarbij komt nog datverschillende mensen altijd verschillenten aanzien van hun reeds gevormdebegrippenapparaat, hun kennis en hunbetrokkenheid bij de te bestuderen wer-kelijkheid.Een tweede oorzaak van het vormenvan verschillende begrippen komt voortuit de tweede reden voor het vormenvan begrippen, namelijk dat men be-paalde activiteiten wenst te ontplooien.Bij het formuleren van wensen ten be-hoeve van die activiteiten, gaat de mensuiteraard uit van zijn eigen mogelijkhe-den (kennis, vaardigheden, middelen)en van zijn ruimtelijke en sociaal-cultu-rele omgeving.Stedebouw en Volkshuisvesting, januari 1981wetenschappelijke methode r.o.Planningsdeskundigen verschillenvan allerlei andere bevolkingsgroepenin een bepaald gebied, wat betreft hunactiviteiten, hun eigen mogelijkhedenen hun omgeving. Daardoor komen zezonder twijfel vaak tot de vorming vanandere doelbegrippen. Bijvoorbeeld eenbioloog, met een uitgebreide kennis vanflora en fauna, zal een bepaald stukjewoeste grond waarschijnlijk anders be-kijken dan een boer, die dagelijks langshet in zijn ogen onverzorgde stukje landkomt.Uiteraard zijn er ook verschillen in debegrippen, die de verschillende ge-bruikers vormen.Figuur 2. Het concept hehoeften - activiteiten - doelen I mogelijkhedenBEHOEFTEN -*- -*- ACTIVITEITEN DOELEN/MOGELIJKHEDENGegeven het feit dat velerlei doelbegrip-pen naar aanleiding van dezelfde werke-lijkheid kunnen worden gevormd, rijstde vraag met welke begrippen moetworden gewerkt. Mijn antwoord opdeze vraag is dat de doelbegrippen vande gebruikers van het studiegebied hetuitgangspunt moeten zijn. Doelbegrip-pen van planningsdeskundigen kunnen,als hulpmiddel bij de planning, een rolspelen onder voorwaarde dat ze in ver-band gebracht kunnen worden met deFiguur i. Matrix voor het verhand tussen wensen (doelbegrippen) en eigenschappen; gemar-keerd zijn de doelbegrippen die van belong zijn voor de grond van een weidebouwbedrijf (*).Dessing. 1979. p. 198Bl. kleur, geur boden ^" ~ ~ ~ ~~~ -- -- --r^--D2. microreliefJ.b3. macrorelief r^ P'*?B4. bodembeweiinc]*i^ " n - SrB5. samenst.wat. 0B7. kleur, geur waterB3. waterbew. p) nnB9. vochtgeh.boden 1^ r>D "I -inBIO. bodemtemp.i /) -Bll. ontw.stelselB12. richting ontw.s.B13. waterpeil314. afwat.stelselB15. waterpeilB16. richting afw.s.B17. geluid water """" ~~^B18. aard flora fauna c : 1;, f ^ r - - - ":[i31. aard ondergr. r,;; 'B23. verdamping " ^ "B24. neerslag *B25. luchtvocht.'.;'6. windB:'7. luchttemo.Q2:i. licht829. watertemr).B3n. samenst.Iucht fB31. kleur,e.d.lucht * ...B32. kleur,e.d.gebr. .B33. grootte gebr. U ^_ ,_ ..- '836. afm.perc.sch.r-839. beweg.gebr.f-840. aard very.m.pi.c, :: c,B41. aard verv.m.ei. :' ;842. aard grondst. c " "" ~~~843. aard werkt. : "84^. aard and.md.MB47. openb.nutsv.- ~~ "848. vorm gebr.eenh. '349. afm.gebr.eenh. ') (^ r " ~ --1_~ --t--850. var.grondgebr.851. afst.gebr.weg r r. B52. afst.gebr.hemel853. aantal gebr.eenh. " ~~~"~854. ontsl.st.pl. ; B55. ontsl.St.eld. :; :B56. richt.ontsl.St. " --r- 857. afst.pl.weg qc 1 "~~ ~ucL 0 0Eigenschappen *Relevante (?)wensen 31
Reacties