en volkshuisvestjngDenkraamDeregulering op de bouwmarktRuimtelijke planning vanniet-commerciele voorzieningenVolkshuisvestingsbeleid ingemeentelijke samenwerkingWoonlasten en compacte stad beleidIn PlanologenlandNieuwe publikatiesNieuws van de Raad voor de Volkshuisvestingsamsom nirovVakaturesINTERNATIONAALINSTITUUTVOOR LUCHT- EN RUIMTEKAARTERING EN AARDKUNDEDOGHet Instituut houdt zich bezigmet intemationaal wetenschap-pelijk onderwijs, onderzoek enconsulting met betrekking totluchtfotografie, teledetectie,fotogrammetrie, toepasbaarheidhiervan in surveys en studies ophet gebied van landresources,aardwetenschappen,menselijke nederzettings-vormen, geodata verwerkingenen kartografie voomamelijktoegespitst op de behoeften vanontwikkelingslanden.Voor de vakgroep Urban Surveyand Human Settlement Analysiszoeken wij eenSTEDEBOUWKUNDIGE OFPLANOLOOG (M/V)Taak:Hij/zij zal worden belast met:-- onderwijstaken voortvloeienduit het cursuspakket van devakgroep-- deelname aan de organisatie-taken binnen de vakgroep-- deelname aan het onderzoeks-en consulting programma vande vakgroep.De werkzaamheden kunnen kortbuitenlands verblijf met zichmeebrengen.Boulevard 1945 nr. 3507511AL Enschede.Telefoon: 053-320330.Vereisten:Gezocht wordt naar kandidatendie:-- academisch gevormd zijn inde planologische, civielplano-logische ofstedebouwkundigerichting-- bij voorkeur studie- en/ofpraktijk ervaring hebben metonderzoek en planning inontwikkeUngslanden-- de Nederlandse en Engelsetaal beheersen-- belangstelling hebben voorluchtfoto interpretatie engeo-informatie systemen-- niet ouder zijn dan 35 jaar.AansteUing geschiedt als univer-sitair docent op contractbasisvoor drie jaar, opname in hetpensioenfonds geschiedt bijindiensttreding.Aanvaarding bij voorkeur per1 december 1985.Salaris bij indiensttredingbedraagt maximaal / 5.221,-bruto per maand.Nadere inlichtingen kunneningewonnen worden bijdrs. Y.F.L. Polle, van voornoemdevakgroep. (telefoon prive 053-318949).Schriftelijke soUicitaties kunt u,voor 8 oktober 1985, richten aanhet Hoofd van de afdelingPersoneel en Organisatie van hetITC.Vakatures(BIMMHOT!!de dienst stadsontwikkelingen volkshuisvestingopgebouwd uit de afdelingen Volkshuis-vesting, Stedebouw, Bouw- en Woningtoe-zicht, Milieutoeziclnt en projectmanage-ment Stadsvernieuwing, richt zich primairop de voorbereidingen en uitvoering vanhet belaid op het terrein van de ruimtelljkeordening en volkshuisvesting.Het aantal personeelsleden van de dienstbedraagt ca. 150.Voor de afdeling Volkshuisvesting, dienaast beleidsadvisering op het terrein vande Volkshuisvesting voornamelijk is belastmet uitvoeringstaken en een totale perso-neelsbezetting heeft van 14 medewerkers,wordt op korte termijn gevraagd eenPROJECTLEIDER(M/V)die zai worden belast met:? begeleidingvanw/oningbouwprojecteninstadsvernieuwings- en uitbreidingsge-bieden van complexe aard of met een ex-perimenteel karakter;- het meewerken aan de ontwikkeling/ver-taling van het volkshuisvestingsbeleidgericht op de woningbouw in ruime zin,vanuit de uitvoering en met behulp vanevaluatie of onderzoek door derden.De w/erkzaamheden worden voor een deeluitgevoerd in samenw/erking met het pro-jectmanagement Stadsvernieuw/ing, waar-bijer-alsgevoig van het leggen van het ac-cent op desociale woningbouw/-I ntensieverelaties bestaan met non-profit-organisa-ties.Gezien de betekenis van genoemde takenvoor de afdeling wordt betrokkenheid bij deleiding van de afdeling overwogen.De gedachten gaan uit naar een kandidaatdie een afgeronde opieiding heeft genotenaan een technische hogeschool als volks-huisvestings-of bouwkundig ingenieur. Er-varing met genoemde taken in een soortge-lijke functie is een vereiste.Nadere inlichtingen omtrent deze functiekunnen worden ingewonnen bij deheerJ.H.Boven, hoofd van de afdeling Volkshuis-vesting, telefoon 050-172782.w.aIn deze functie zijn vrouwen onderverte-genwoordigd. Daarom worden vrouwen -die aan de gestelde functie-eisen voldoen -uitdrulilfeliilf verzocht te solliciteren.Aanstelling is mogelijk tot een maximumsalaris van / 6.024,- (norm 1 juni 1985) brutoper maand, afhankelijk van leeftijd, opiei-ding en ervaring.Vacaturenummer: SV 150.* Overigens zijn de gebruikelijkerechtspositieregelingen van de ge-meente Groningen van toepassing.Bij de gemeente Groningen geldt een38-urige werlfiel van'n stuk vakwerk:Stadskantoor, DeventerDit stadskantoor staat in het centrum van Deventer;er werken zo'n 250 medewerkers en natuurlijkw/ordt het dagelijks door heel wat mensen bezocht.Het gebouw is in eigen beheer, doorde Gemeente-werken van Deventer, gebouwd. Opdrachtgever,architekt en uitvoerder v\/aren dus een en dezelfdepersoon en dat heeft ondermeer geleid tot eenkonsekwente aanpak van de bouw. Een belangrijkonderdeel van het eisenpakket was de keus vaneen energiebewust, onderhoudsvrij en gebruikers-vriendelijkmateriaal.Architekt: de heer RademakersAannemer: Gemeentewerken DeventerFabrikant: De Vries-Robb4, GorinchemDe heer Rademakers, architekt, GemeenteDeventer:'In dat plaatje past het Reynotherm 450 systeemuitstekend. Het is een bijzondergoed ge'isoleerdprofiel met enorm veel uitvoerings- en toepas-singsmogelijkheden. Zo is het gebouw uitgerustmet profielen in maar liefst 6 kleuren rood, waar-door een speels effekt is ontstaan. Er zijn vasteramen en zogenaamde draaikiepramen van de450 serie toegepast. De zonwering sluit qua stiji,kleur en techniek goed aan bij de ramen en werddan ook door Reynotrade geleverd. De produktenvan Reynotrade zijn inderdaad heel goed metelkaarte kombineren. Daardoor ontstaanmogelijkheden, die de architekt een belangrijkstukvrijheidgeven.'Reyno en Reynotherm, AluminiumGoede systemen vanPostbus 30, 3840 AA HarderwijkTel.: 03410-16824Reynotrade maakt deel uit van Reynolds Aluminium Holland BVIItxxiwenmetHeiddithHeraklith is een natuurlijk pro-dukt. Samengesteld uit hout enmagnesiet, zonder chemisch scha-delijke bestanddelen, zonder stati-sche elektrische uitstraling enideaal voor het scheppen van eenakoestisch verantwoord leefkli-maat. Wantjuistindeze technologi-sche tijd, waar steeds meermensen dicht op elkaar zitten, isgeluidsoverlast een van de belang-rijkste oorzaken van gevoelens vanonbehagen, prikkelbaarheid enpsycho-somatische aandoeningen.Genezen kost geld, beter voor-komen. Vandaar Heraklith Akoes-tiek, speciaal ontwikkeld cm tegengeluidsoverlast te beschermen.Maar ook met genoeg 'ademend'vermogen om het juiste leefklimaatte scheppen.Efficient en voordeligHeraklith wordt geleverd instandaard platen van 50 cm breedmet voor ieder doel aangepastediktes. In diverse uitvoeringen envanzelfsprekend met alle materia-len om ze snel en efficient aan tekunnen brengen. Met een grootcouponIngevuld met uw naam en adres sturennaar onderstaand adres.Vlietstra b.v.Postbus 740 1200 AS Hilversum ^^TeL: 035-6 24 44Xisolerend en geluidsabsorberendvermogen en een ondergrond diezich uitstekend leent voor hetzijstuckwerk, hetzij schilderwerk.En dat betekent voordelig enefficient bouwen.Alle gegevens over maten, dik-tes, isolatiewaarden, verwerkings-materialen en een uittreksel uit hetbiologisch verantwoord bouwon-derzoek sturen wij u graag toe.HeraklMhAkoestiekOsterreichische Heraklith A. G.A-9545 Radenthein - Austriadealers:Amsterdam Van den Hoekbouwmaterialen b. v., tet: 020-36 08 11Eindhoven Braat Bouwstoffen N.V..tet: 040-1162 75Groningen J. Timmer Bouwstoffen-industrie b.a. tet: 050-26 91 00Heerlen Van de Venne- Van der Sluis N. V.,tet: 045-7180 08Nijmegen Van de Venne - Van derSluis N.v., tel: 080-22 8013Oldenzaal Oldenzaalse Bouwmaterialen-handelb.v., tel: 05410-138 41Rotterdam van Wijngaarden & Co b. v.tel: 010-28 14 44HIGrondwerken Bestratingen BeplantingswerkenLevering van Zand, Grond en Bestratingsnnaterialen.AannemingsbedrijfVerineulen Benthuizen BVDe Werven 8, Postbus 29, 2730 AA BENTHUIZEN Telefoon 079-41 05 39lesteden w||^^^aan Uw totalebeplanti^^^^yan bomen enWij werkeRJiilliren door het heleland. Op aavraag sturen wij u onzekatalogus. Ook doen wij Uvrijblijvend offerte.Als U onze kwell||ift|^jl>ezoeke!KONSTRUKTIEVESTADSVERNIEUWINGWij werken aan een nationaal programma- funderingsherstel- woningverbetering- herbestemming- vervangende nieuwbouwi5IngenieursburoSchiebroek Struik BVONRIPr. Mauritsplein 28 Parklaan 602582 ND Den Haag 5613 BH EindhovenTel. 070-523314 Tel. 040-433915Rolluiken, Rol- en Schuifhekken? SNELLELEVERTIJD? REDELIJKEPRIJZEN? VRIJBLIJVENDE OFFERTE? OOK LEASING MOGELIJK? UITGEBREIDEKOLLEKTIE? HOGEKWALITEIT? 2 JAAR GARANTIE? VRAAGREFERENTIELIJSTF.Vermij Rapenburg 33 1011 TV AmsterdamTel. (020)230023ErkendBevejligmgsbedrijfNVBIIVBouw- en aannemingROOKGASANALYSE en-BEWAKING met deREND-O-METER?* Rendement van 0-100%* CO in ppm/%* CO2 in Vol. %* O2 van 0-25 Vol. %* Verschiltemperatuur* Giftigheidsindex 0-20* Branderdruk* Condensalarm1 P.B. 403- 1200 AK Hilversumtel. 035-40455, telex 43690nstrutnentatieHIllliltlMi'n sterke vioerbasis voor omzet en winstechte hardbeton bedrijfsvloerenmultifunctioneelslijtvaststootvaststofvrijroestvrijvlak en strakde bedrijfsvloer bv(alleenvertegenwoordiging van Cajodur en Duromit)postbus 41, 1270 AA Huizen, tel. 02152-60034, telex 43436Xgeluid gebouwenbeheeringenieursbureau het noorden bv8901 BR Leeuwarden, postbus 860, Julianalaan 99, tel. 058-884444*, telex 46767 ihn Iw9702 KA Groningen, postbus 8034, Laan Corpus den Hoorn 110, tel. 050-258444*, telex 53481 ihn gn3900 AE Veenendaal, postbus 230, Vendelier 2, tel. 08385-20420* telex 36985 ihn vd7821 AH Emmen, Nautilusstraat 2^, tel. 05910-42266VIOrgaan van hetNederlands InstituutvoorRuinitelijke Ordeningen Volkshuisvesting iJ10 stedebouw en volkshuisvesting66e jaargang oktober1985Redactie:Ir. R.M.Th. AdriaansensDrs. H.J.M. van AlphenMr. R. BekkerDrs. A.J. van der BurgDr. H. van der CammenDrs. L.G. GerrichhauzenMr. ir. A.W. HartmanIr. J. HeelingIr. K.R. de PoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerRecensieredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-602775Redactie, adniinistratie enpublikafies ter recensie:Van Speykstraat 252518 EV Den HaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbesprekingen kunnendesgewenst op het redactie-secretariaat een exemplaar van de'Richtlijnen voor auteurs'aanvragen.Uitgave van:Samsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:voor personeelsadvertenties:Postbus 42400 MA Alphen aan den Rijntelefoon 01720-62191voor produkt-advertenties:Postbus 2282400 AE Alphen aan den Rijntelefoon 01720-62603Opdrachten en materiaal wordenvoor de lOe van de maand,voorafgaande aan de maand vanverschijning, ingewacht.Losse nunimers f 12,--ISSN 0039-0879InhoudDenkraam432 Ruinitelijke ordening en vormgeving, Werkgroep VrijeIntegralisten in de Ruimtelijke OrdeningArtikelen433 Deregulering op de bouwmarkt: een vergeten issue, drs. E.H. Klijnen ir. H.M. Koolma440 Ruimtelijke planning van niet-commerciele voorzieningen.prof. dr. J. Buit448 Volkshuisvestingsbeleid in gemeentelijke samenwerking.drs. M.A.N. Idema en drs. L.J. Kuiper455 Woonlasten en het compacte stad beleid, P. Terhorst enJ. van de Ven465 In Planologenland, H. van der Cammen467 Nieuwe publikaties471 Nieuws van de Raad voor de Volkshuisvesting472 Mededelingen NIROV473 Mededelingen PRO473 Overige mededelingen464 Aankondigingen474 AankondigingenDit nummer,opent met een artikel over een vergeten dereguleringsonder-werp: prijs- en mededingingsregelingen op de bouwmarkt.Enkele mogelijke redenen voor deze omissie worden naarvoren gebracht.In het daarop volgende artikel stelt de auteur het plannings-denken en de -praktijk in het aigemeen tegenover dat vanniet-commerciele voorzieningen en formuleert hij aanbeve-lingen voor de bijstelling van de benadering van de planningvan deze voorzieningen.Het derde artikel pleit voor de versterking van de rol vangemeentelijke samenwerkingsverbanden in de planning enprogrammering van de volkshuisvesting. Gegevens over dehuidige stand worden gepresenteerd.De auteurs van het slotartikel concluderen naar aanleidingvan onderzoek in de regio Amsterdam dat met name de reis-kosten van woon-werkverkeer verschillen in de woonlasten-in-ruime-zin tussen bewoners van groeikernen en die van decompacte stad opleveren. hetgeen een aanknopingspunt voorruimtelijk beleid kan geven. Andere factoren, zoals woon-lasten-in-enge-zin en gebruikskosten blijken veel minder uitte maken.Stedebouw en Volkshuisvesting, oktoher 1985 431DenkraamRuimtelijke ordening en vornigevingDe aanleiding tot dit Denkraam is gelegen in een stelling die isgeponeerd in het rapport "Planning als onderneming" van deWetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Deze stellingluidt:"Het ruimtelijk facetbeleid profileert zich in de overlegsituatie(met elke afzonderlijke sector) steeds minder met een eigenvisie"; met visie is daarbij bedoeld: vormvisie.Bij de aanloop tot het zogenaamde afstemmingsonderzoek,waartoe een aantaljaren geleden is besloten door de minister vanVRO(M) in het kader van de derde fase van de herziening van deWRO, heeft deze bewering reeds aandacht getrokken. Dit heeftoverigens bij de opdrachtverlening tot en uitvoering van laatst-genoemd onderzoek verder geen rol gespeeld.Door de stelling van de WRR is binnen onze werkgroep devraag opgekomen of de ruimtelijke ordening met een vormvisieals mede-coordinerend instrument moet werken - a! dan niet alseen "visie vooraf" - dan wel de visie op de vorm als een van demede af te wegen belangen moet meenemen. In beide gevallen isoverigens wel duidelijk dat de ruimtelijke ordening niet neutraaltegenover de vormgeving staat, ja sterker zelfs, dat in de ruim-telijke facetlijn de vorm een coordinerend fenomeen is; "eendrager voor net denken".Bij de beantwoording van de opgeworpen vraag is het goedonderscheid te maken naar enerzijds het abstractieniveau enanderzijds de aard of diepgang van de (ruimtelijke) afwegingen.Bij nadere beschouwing blijkt hierbij een sterke samenhang tebestaan met de indeling naar sector- versus facet-beleid. Het lidvan de begeleidingscommissie afstemmingsonderzoek Drupsteenformuleert op dit punt onder meer het volgende'):"Het is onjuist cm facetbeleid volledig te herleiden tot coor-dinatie naar een aspect van ander beperkt beleid uit verschillendesectoren. In ieder facetbeleid zit tevens een deel eigen belangen-behartiging. Even goed steekt er in ieder sectorbeleid een bepaal-de afweging van belangen. Het onderscheid tussen sector- enfacetbeleid schuilt in het relatieve verschil in abstractieniveauwaarop belangen afgewogen worden. Dat hangt samen met debreedte van het gekozen beleidsterrein. Hoe breder het beleids-terrein, hoe meer het accent verschuift van concrete belangenbe-hartiging naar coordinatie van belangen, hoe hoger het abstrac-tieniveau waarop wordt afgewogen. (. . .) Dat wil zeggen dat inhet ruimtelijk beleid de coordinatie van belangen naar hun ruim-telijke aspecten een belangrijke plaats inneemt. Het wil niet zeg-gen dat ruimtelijke ordening geen doel in zichzelf zou kennen endat het ruimtelijk beleid volledig op zou gaan in belangencoor-dinatie."Met deze formulering als uitgangspunt kan worden gesteld dateen wezenlijk element van de ruimtelijke ordening is gelegen in devormgeving, de formulering van ruimtelijke concepties en visies.Hierin onderscheidt de ruimtelijke ordening zich ook van anderebeleidsvelden. Op de hogere schaalniveaus zal het daarbij (meer)gaan om wat men noemt de structuren, op lagere niveaus meerom vorm als esthetisch fenomeen, maar daarbij moet wel wordenbedacht dat de structuur in wezen ook een vorm representeert.Toch is het goed deze twee te onderscheiden (zonder dat ze wor-den gescheiden) omdat aldus duidelijk kan worden gemaakt datde structuur van het hogere niveau bepalend is voor de vorm(ge-ving) van het lagere niveau.Op de lagere niveaus mag worden verwacht dat in het sector-beleid reeds (de nodige) aandacht wordt gegeven aan belangenaf-weging, 66k op het stuk van de ruimtelijke vormgeving. In depraktijk nemen we dit ook waar: landinrichtingsplannen drageneen eigen vormvisie in zich, de verkeersdeskundigen plaatsen hunwegontwerpen in een groter ruimtelijk geheel, het monumenten-beleid houdt steeds meer rekening met de totale gebouwde omge-ving. Maar het blijven afwegingen vanuit die ene sector, endaarmee van voorlopige aard. De ruimtelijke ordening heeft dantot taak deze plannen voor een finale beoordehng van de vorm-geving door te lichten en in het uiterste geval die vorm-inbreng(als noodsprong) alsnog te leveren. Het strekt bij die oordeels-vorming tot voordeel als de ontwerpers uit de desbetreffendesectoren inzicht zouden geven in zowel de criteria als de normendie zijn gebruikt.Met het onderscheid tussen vormgeving van voorlopige (doorde sector bepaalde) en van finale aard (waarvoor de ruimtelijkeordening verantwoordelijk is) alsmede met dat tussen vormge-ving op lagere en hogere niveaus kan tenslotte ook een verschil insoorten vormgeving samengaan. Daarin zijn namelijk drie ver-schillende manieren te onderkennen, die overigens vaak in elkaarovervloeien:- vorm vooraf bedacht voor lets nieuws;- vorm toegevoegd aan een bestaande situatie;- vorm achteraf gezien in een bestaande situatie.De vooraf bedachte vorm komt het meeste voor op lagereniveaus. De beelden worden dan vaak overgenomen uit of ont-wikkeld in reactie op bestaande situaties, dan wel ontleend aanideaalbeelden uit de geometric of de natuur. Voorbeelden: hetontwerp van een gebouw (passend in de stedebouwkundige struc-tuur), een nieuwe nederzetting (passend in een ruimtelijke visieop Nederland).In het tweede geval (toegevoegde vorm) wordt door een ingreepeen bestaande situatie gevormd. Er ontstaan nieuwe ruimtelijkerelaties tussen de bestaande elementen (voorbeeld: het openenvan zichtlijnen) dan wel tussen het nieuwe en het bestaande(voorbeelden: projekt Haussmann, CS Amsterdam). In de laatstesituaties is er soras sprake van een menging met de voorafbedachte vorm, zoals het voorbeeld van het moderne landinrich-tingsplan illustreert.Bij vormgeving achteraf wordt een complexe realiteit door(her)interpretatie en/of vereenvoudiging tot een hanteerbare,voorstelbare vorm herleid. Hier is dan meestal sprake van "struc-tuur". Deze vorm komt vooral op de hogere schaalniveaus voor.Voorbeelden: de Randstad, het vingerstad-concept. Deze wijzevan vormgeving kan op zich weer aanleiding zijn tot (een van) detwee voorgaande, waarbij het doel dan zal zijn de structuurvisie teaccentueren.Samenvattend kan op de in het begin gestelde vraag wordengeantwoord dat in de ruimtelijke ordening de vormvisie inder-daad een mede-coordinerend instrument moet zijn, al coordine-rend komt een vormvisie tot uitdrukking waardoor het resultaatmeer wordt dan de som der delen; maar dan zodanig gestructu-reerd dat waar mogelijk - dat is i.h.a. op de lagere abstractieni-veaus - reeds door het sectorbeleid de belangen, waaronder deruimtelijke, voorlopig worden afgewogen, onder andere door uitte gaan van de ruimtelijke kaders op bovengeschikt niveau; welkeafweging ter finale beoordeling aan het facetbeleid van de ruim-telijke ordening is opgedragen.Lijkt de zorg voor een goede vormgeving op de lagere niveausaldus in eerste instantie een zaak die als een sectorbelang kanworden afgewogen, in diepste wezen is ook hier - evenals op dehogere schaalniveaus - sprake van een zodanige coordinatie vanbelangen dat een vormgegeven ruimtelijke visie als integratieka-der onontbeerlijk is.Werkgroep Vrije Integralisten in de Ruimtelijke Ordening(zie Stedebouw en Volkshuisvesting 1985 nr. 2, biz. 84)1) Ruimtelijk Bestuursrecht, deel 1, Ruimtelijke Ordening enVolkshuisvesting, Alphen aan den Rijn/Brussel, 1983, biz. 25.432 Stedebouw en Volkshuisvesting, oktober 1985Deregulering op de bouwmarkt:een vergeten issuedrs. E.H. Klijn*ir. H.M. Koolma**1. InleidingSinds enige tijd is er een grote belangstel-ling voor het regulerend optreden van deoverheid en de tekortkomingen daarvan.Deze zogenaamde dereguleringsdiscussieis ook aan de volkshuisvesting niet voor-bijgegaani). Opvailend is dat bij het dere-guleringsstreven vooral met de besciiuldi-gende vinger naar de (rijks)overheid ge-wezen wordt. Een tendens die in het stre-ven naar een beperking van de kosten vande woningbouw steeds sterker word. Op-merkelijk is echter dat de positie van deproducenten in de volkshuisvestingmeestal onderbelicht bhjft in de deregule-ringsdiscussie. Dat terwijl in het licht vanhet dereguleringsstreven er toch alle re-den is om aan deze positie wel aandacht teschenken. Zo lijken de concurrentiever-houdingen aan de aanbodzijde alles be-halve perfect. Bij het bevorderen van dewerking van het marktmechanisme moet.* Werkzaam als wetenschappelijk medewer-ker bij het RlW-instituut voor volkshuisves-ting.sonderzoek, Afdeling der Bouwkunde vande TH-Delft.** Als student-assistant betrokken geweestbij een onderzoek van het RlW-instituut voorvolkshuisvestingsonderzoek.Op de bouwmarkt spelen prijsafspraken, die mede door het coulante overheidsoptredeneen sterk pseudo-wettelijk karakter hebben gekregen, een belangrijke rol. Onderhan-delingen tussen overheid en aannemersorganisaties over deze prijsregeUngen lopen sindsde Conimissie Economische Mededinging in 1975 een advies uitbracht en hebben weinigresuhaat opgeleverd. Dit artikel schetst de achtergronden van deze prijsregelingen en hetoverheidsoptreden tegen het hcht van de discussie over deregulering die de laatste tijdsterk in de belangstelhng staat.zo lijkt ons, niet alleen aandacht besteedworden aan de effecten van de wettelijkeingrepen van "vader Albedil", maar ookzeker aan de effecten van de pseudowet-telijke ingrepen van de betrokkenen op debouwmarkt zelf: de mededingings- of prijs-regelingen van aannemersorganisaties.In de kern van de zaak vormen dezeprijsregelingen een soort gedragscode tus-sen aannemers bij aanbestedingen. Even-tuele gegadigden voor een aanbestedingmelden zich aan bij een aannemersorga-nisatie. Hierna volgt een vergadering, dezogenaamde voorinschrijving. In deze bij-eenkomst wordt volgens een afgesprokenprocedure bepaald met weike prijzen deaannemers inschrijven bij de aanbeste-der.Alhoewel het hier formed geen over-heidsinterventie betreft, heeft het mate-rieel toch wel duidelijk die strekking:a. De aannemersorganisaties zijn meteen eigen regeling gekomen, toen vanoverheidszijde interventie dreigde.b. De overheid is medeverantwoordelijkvoor de prijsregelingen. Zij heeft die ver-antwoordelijkheid door het coulante me-dedingingsbeleid. De Commissie Econo-mische Mededinging (CEM), die de rege-lingen getoetst heeft, heeft niet tot eenonverbindendverklaring aanbevolen (zienoot 12). De Commissie deed in 1975voorstellen tot verbetering van de prijsre-gelingen die in overleg tussen de aanne-mersorganisaties en de overheid tot standzouden moeten komen en tot algemenenaleving.c. Gedurende de tien jaar dat het overlegduurde zijn de regelingen onverminderdvan kracht gebleven en hebben een sterknormerend karakter gekregen voor depraktijk van de aanbesteding. Alhoewelde memorie van toelichting van de begro-ting van EZ van 1984 enkele passages overdeze problematiek bevatte (ook in samen-hang met de dereguleringsdiscussie) is totop heden hiervan geen resultaat tezien2).Concluderend kan gesteld worden dat,ondanks het ontbreken van een direkteformele overheidsregulering, het over-heidsgedrag de regelingen van de aanne-mers een sterk pseudo-wettelijke statusheeft gegeven.Hieronder zullen we allereerst aan-dacht besteden aan mechanismen in demarkt die regulering oproepen en de bete-kenis en achtergronden van deregulering.Daarna zullen we ingaan op de mededin-gingsregelingen op de bouwmarkt en hetoverheidsoptreden terzake. Tenslotte ge-ven wij enige verklaringen aan waaromdeze mededingingsregelingen zo weinigaandacht hebben gekregen in de deregu-leringsdiscussie.Stedebouw en Vollisiiuisvesting, oktoher 1985 433deregulering op de bouwmarkt2. Regulering en niarktAls belangrijkste voordelen van de wer-king van een vrije markt worden meestalgenoemd: kostenloze coordinatie, het de-centrale karakter, de prikkel tot efficien-tie en innovatie en het teniet doen vanmonopolie-vorming. Aan het functione-ren van zo'n vrije markt is echter eenaantal voorwaarden verbonden zoals vrijetoetreding, vrije (prijs)concurrentie endoorzichtigheid van de markt. Alleen on-der deze condities ontstaat de zo vaakgeroemde "evenwichtsprijs" die gehjk isaan de kostprijs van het product.Alhoewel het theoretische model vande vrije markt een van de meest beschre-ven en gebruikte modellen is heeft hetmodel in werkelijkheid in zijn extremevorm nooit bestaan. Zelfs in wat wordtbeschouwd als de hoogtijdagen van hetklassieke liberalisme (n.l. de 19e eeuw)had de overheid al een vrij belangrijkefunctie. Zo moest b.v. de overheid inNederland een groot aantal (wettelijke)maatregelen uitvaardigen voordat uit deoude statische en hoofdzakelijk agrari-sche samenleving van de eerste helft vande 19e eeuw een liberale samenleving ont-stond^). Hieruit wordt duidelijk dat deoverheid ook al in de tijd van "laisser-faire" een (belangrijke) rol vervulde in -op zijn minst - het creeren van de rand-voorwaarden waaronder dat marktme-chanisme kon functioneren.Bovendien is het marktmechanismeonderhevig aan een paradox. Deze para-dox is door Kraemer"*) als volgt gedefi-nieerd:"The more the private citizens succeedin organizing themselves into powerfullcombines and associations for the promo-ting of their manifold and often conflic-ting interests, the more they underminethe conditions that are essential to theactual functioning of the classical libera-list concept of an automatically achievedequilibrium of freely competing societalforces and the more this spontaneous har-monization proves to have little relationto reality, the more the government isimpelled to interfere in order to secure adeliberately and planned integration ofinterests".Deze paradox geeft goed weer welkeconcentratie- en organisatieverschijnse-len economisch (monopolie- en oligopo-lievorming) en sociaal (sociale bewegin-gen) optreden in een liberale maatschap-Pij-Zonder meteen het optimisme van Krae-mer te delen (the planned integration ofinterests) is in deze paradox wel de bronvan de reguleringsactiviteit van de over-heid terug te vinden. Daarbij is dan zowelde door Kraemer genoemde marktcorrec-tie van belang als het genoemde ontstaanvan succesvolle organisatie van belangendie zuUen aandringen op regulering. Re-gulering wordt niet voor niets wel eensbeschouwd als "gestolde belangenstrijd".Regulering brengt immers zekerheid enschermt economische subjecten af tegen(sommige) risico's van de markt. Dit af-schermen van risico's kan diverse gevol-gen hebben die volgens Van Duyn^) invier categorien kunnen worden inge-deeld:a. Bescherming van de consument (tegenonveilige of ongezonde producten, tegenproducten van lage kwaliteit, hoge prijzenetc.).b. Bescherming van de factor arbeid(vooral: arbeidsomstandigheden van hetwerk van zowel werkgevers als werkne-mers, veiligheid, gezondheid etc.).c. Bescherming van de ondernemer (te-gen oneerlijke concurrentie, beunhazerijetc.).d. Bescherming van de maatschappij (te-gen de niet in een specifieke categoric val-lende gevolgen van de productie zoalsexterne effecten, inkomenseffecten etc.).De activiteiten van de producenten opde bouwmarkt en de (pseudo)wettelijkeregelingen die daaruit volgen moeten inhet licht van de onder c bedoelde gevolgenworden gezien. Dit soort regelingen werktvanzelfsprekend gunstig voor de desbe-treffende bedrijfstak.In dit kader is een kenmerk van debouwmarkt van belang. Als gevolg vaneen beperkte actieradius van de aanbie-ders^), is de bouwmarkt sterk gesegmen-teerd in regionale deelmarkten met elkeen beperkt aantal aanbieders. Deze be-perking van het aantal aanbieders vanbouwcapaciteit geeft aanleiding tot hetgebruik van theorieen van de markvormmet weinig aanbieders, n.l. het oligopolie.Aanbieders zijn dan over en weer afhan-kelijk van elkaars reaktie bij de prijsvor-ming.Dat gedrag bevindt zich tussen twee(extreme) strategieen''):a. Elke aanbieder streeft voor zich naarmaximale winst.b. De aanbieders streven gezamenlijknaar maximale winst, waarbij de prijzenhoger uitvallen dan in het geval van onge-coordineerd, individueel optreden. Sa-menwerking levert de aanbieders een gro-tere totale winst op, waarvan iedere aan-bieder meeprofiteert, zolang er geen aan-bieders zijn die hun prijzen laten zakkenter vergroting van hun individuele aan-deel.De coordinatie of samenwerking vande aanbieders wordt als een kartel aange-duid, en de prijsverhoging die er hetgevolg van is als een monopoliewinst. Eenkartel geeft de deelnemende aanbiedershet idee van bescherming van het prijsni-veau, dat door buitenstaande aanbiedersen door druk van vragers bedreigd wordt.Het effekt van een kartel, dat als regule-ring van de markt door de aanbiedersaangemerkt kan worden, is echter offen-sief: Doel is het instandhouden van dewinstmarges. De prijsregelingen voor deaanbesteding lijken een keuze van aanne-mers voor de tweede strategic in te hou-den.Macro-economisch liggen de gevolgenvan een dergelijke regulering van demarkt vooral in een geringere product- enproductievernieuwing en een kostenver-hogend effect, aspecten die ook aandachtkrijgen in de dereguleringsdiscussie.434 Stedebouw en Volkshuisvesting, oktober 1985deregulering op de bouwmarkt3. Deregulering: betekenis enachtergronden.Deregulering kan, in navolging van Geel-hoed**), worden gedefinieerd als "het ver-minderen van de omvang, intensiteit endifferentiatie van (op) wettelijke of pseu-dowettelijke regelingen berustende over-heidinterventies". Deregulering is vooralgericht op het verminderen van de (be-leids)lasten die voortvloeien uit regule-ring voor de private en publieke sfeer. Dediscussie over overheidsregulering kent aleen lange voorgeschiedenis. De meesteelementen uit de dereguleringsdiscussiezijn ook niet nieuw, maar komen in diediscussie alleen op een andere manier aande orde.Ten aanzien van regulering wordenmeestal twee bedoelingen onderscheidenn.1.9):a. het wegnemen van marktverstoringen(monopolies, externe effecten etc.);b. het bereiken van sociale doeleindendie via de markt onbereikbaar zijn b.v.een rechtvaardige inkomensverdeling.Een overheersend motief achter hetdereguleringsstreven in de Verenigde Sta-ten, waar de discussie vandaan komt, is degedachte dat de overheidsregulering dewerking van de markt belemmert en daar-door inefficientie bevordert. In een grootaantal Amerikaanse bijdragen over dere-gulering wordt ook in- of expliciet gestelddat regulering via de markt superieur isaan regulering via de publieke sector.De sterke nadruk op de inferioriteit vanoverheidsregulering is niet zo sterk in deNederlandse discussie terug te vinden.Hier wordt vooral de nadruk gelegd ophet feit dat de wijze van overheidsregule-ring ontoereikend is en wordt niet (ofnauwelijks) het overheidsreguleren opzich ter discussie gesteld. Een belangrijkeverklaring voor dit verschil is dat over-heidsreguleren in de VS veel meer gerichtis op het beinvloeden (vooral het wegwer-ken van externe effecten) van het markt-mechanisme. In Nederland daarentegenis overheidsregulering veel meer gerichtop het bereiken van sociale doelen'). Dedereguleringsdiscussie vindt hier dan ooktegen een wat andere achtergrondplaats.Dit verschil blijkt bijvoorbeeld ook uithet feit dat het mededingingsbeleid in deVS (anti-trust) veel meer ontwikkeld isdan in Europa (en Nederland). Niet al-leen heeft het mededingingsbeleid daareen veel langere geschiedenis (n.l. vanaf1895) maar wordt er ook meer betekenisaan gehecht'O). In de Nederlandse traditie- algemeen verbindend verklaren op ver-zoek, onverbindend verklaring in het al-gemeen belang - lijkt de merkwaardigepraktijk te ontstaan dat veel is toegestaanmils het netjes aangemeld en in een rege-ling vastgelegd wordt.Als gevolg van deze nadruk op regule-ring t.b.v. sociale doelen, en het ontbre-ken van een mededingingstraditie, is er inNederland in de dereguleringsdiscussieeen vrij sterke aandacht voor b.v. debureaucratische en inefficiente kantenvan overheidsregels. Niet zozeer staat terdiscussie dat de overheid sociale doelennastreeft en dat zij daarvoor ingrijpt inhet sociale leven. Wei ter discussie staathoe dit moet gebeuren, waar de grenzenliggen en hoe dit verbeterd kan worden.Ook in de discussie over deregulering inde volkshuisvesting is deze trend te onder-kennen in de zaken die aan dit deregule-ringsstreven zouden moeten worden on-derworpen. Als belangrijkste onder-werpen kunnen worden genoemd:- uniformering van de bouwvoorschrif-ten;- vereenvoudiging en verkorten van deprocedure voor de bouwvergunning;- afschaffing van het welstandstoe-zicht;- het streven naar een globaler bestem-mingsplan.Opvallend hierin is de sterke nadruk ophet terugdringen van het (onnodige) bu-reaucratische element in de regelgeving.Belangrijk is met andere woorden de ver-mindering van de bestuurlijke beleids-lasten die uit de handhaving van de regelsvoortvloeien en vermindering van de ex-terne beleidslasten die de handhaving ver-oorzaakt in de particuliere sfeer. In de lijstvan discussiepunten ontbreekt een pro-blematisering van de mededingingsver-houdingen op de bouwmarkt en de rege-'lingen terzake. Voor een problematiseringis een beter inzicht in het karakter van deregelingen en het gedrag van de overheid- vooral het advies van de CEM - nood-zakelijk.4. Mededingingsregelingen op debouwmarktZoals eerder geconstateerd hebben demededingingsregelingen op de bouw-markt de verschijningsvorm van een kar-tel. De CEM heeft de regelingen getoetstaan artikel 10 van de Wet EconomischeMededinging, en heeft daaraan een adviesverbonden dat door de overheid overge-nomen is"). Aan dit CEM-advies ontle-nen de regelingen meer dan voorheen eenpseudo-wettelijk karakter.In het advies van de CEM vinden wijoverwegingen en argumenten die de aan-nemersorganisaties ("de betrokkenen")aangedragen hebben ter rechtvaardigingvan hun prijsregelingen (mededingingsre-gelingen). De CEM betrekt deze argu-mentatie in haar oordeel en advies over deaanvaardbaarheid van deze regelingen opgrond van de Wet Economische Mede-dinging.Een algemene lijn in het CEM-advies isdat de prijsregelingen een beschermingvormen tegen de prijsdrukkende werkingvan het aanbestedingsstelsel die sommigeaannemers tot "prijsbederf" aanzet, endie een permanente bedreiging vormtvoor een bedrijfseconomisch verant-woord prijspeil. Dit bedrijfseconomischverantwoorde prijspeil relateert de CEMwerkwaardigerwijs niet aan het kostprijs-niveau van een representatieve onderne-mingi2), maar aan de marktprijs, waarinjuist de effecten van een slecht functione-rende bouwmarkt verborgen zijn. Dezeargumentatie is aan de hand van de ge-noemde hypothese over het oligopolie(het gezamenlijk streven naar maximaleStedehouw en Volkshuisvesting, oktoher 1985 435deregulering op de houwmarktwinst) als volgt van een andere uitleg tevoorzien: De aannemers die onder diemarktprijs inschrijven, onttrekken zichslechts aan de samenwerking van aanne-mers die gezamenlijk naar maximalewinst op de bouwmarkt streven. Door detrek in een groter stuk van de taart("werkhonger") wordt de totale taart klei-ner en "bederven" zij het feest voor hetgeheel. Dat aannemers permanent tegeneen ingewortelde tendens tot werken on-der de kostprijs bescliermd zouden moe-ten worden, komt overigens toch onwaar-schijnlijk voor bij een ondernemingsge-wijze productie waaraan winststreven tengrondslag ligt. De nadruk op het tegen-gaan van "onverantwoord" individueeloptreden van aannemers, en de koppelingvan een verantwoord prijspeil aan demarktprijs in plaats van de kostprijs lijkenduidelijke aanwijzingen voor het bestaanvan een kartel op de bouwmarkt. De kon-klusie is dat de prijsregehngen de effectenvan een eventuele prijsconcurrentie be-perken'3).Opvallend afwezig in de CEM-rappor-tage is een veel gebruikte rechtvaardi-gingsgrond voor de prijsregelingen, n.l.het monopsone karakter van het aanbe-stedingsstelsel'"). Deze rechtvaardigings-grond berust op een economische misvat-ting, waarin de markt voor aannemersgehjk gesteld wordt aan slechts een aan-besteding/opdracht; aannemers schrij-ven daarentegen op meerdere aanbeste-dingen in. Uit het ontbreken van de termmonopsonie zou men op kunnen maken,dat de CEM deze op een misvattinggestoelde rechtvaardigingsgrond niet ge-accepteerd heeft. De zinsnede in hetCEM-advies - "de aanbesteder als enigevrager van een min of meer unieke pres-tatie" - laat helaas de weg naar deze mis-vatting open.We zullen na deze algemene kantteke-ning de behandeling in het CEM-adviesvan een drietal elementen van de prijsre-gelingen volgen:a. de rekenvergoeding;b. de prijscorrectie;c. de prijsverbetering.Ada. De rekenvergoeding ontstaat ineen vergadering van aannemers vooraf-gaande aan het indienen van de inschrij-vingsbiljetten bij de aanbesteder. Alleaannemers verhogen bij deze zogenaamdevoorinschrijving hun inschrijvingsbedra-gen met een volgens de prijsregeling tebepalen percentage; de laagste inschrij-ver, die de opdracht binnenhaalt, draagteen deel van de verhoging van de aan-neemsom af aan andere inschrijvers. Ditgebeurt volgens de toelichting op de prijs-regelingen ter dekking van de inschrij-vings- en calculatiekosten.De CEM acht de rekenvergoeding vooralle "serieuze" inschrijvers aanvaardbaar.Het argument dat ter verdediging van derekenvergoeding aangevoerd is, geeft ditoordeel van de CEM een weinig solidebasis. Zij stelt n.l. "dat de aanbesteder alsenige vrager van een min of meer uniekeprestatie door middel van de aanbeste-ding beoogt de concurrentie op te roepen,deze als het ware 'koopt''^) en daarvankennelijk voordelen verwacht, zodat hetniet onredelijk is dat hem daarvoor ook derekening wordt gepresenteerd". Het ef-fect van de concurrentie, n.l. een prijsver-laging ten koste van de winstmarges,wordt echter te niet gedaan als een aan-besteder voor deze concurrentie zou moe-ten betalen: een miskoop. Positieve effec-ten van concurrentie zijn per se niet tot dezogenaamde externe effecten te rekenen,lets wat in het bovenstaande citaat welgesuggereerd wordt. Het doet vreemd aandat zo via regulerend optreden deze posi-tieve effecten van de werking van demarkt ongedaan worden gemaakt.De CEM wijst in haar advies op hetgevaar dat in de rekenvergoeding bijopenbare aanbestedingen schuilt: "aan-bestedingstoerisme", d.i. het inschrijvenvan aannemers die het alleen om derekenvergoeding te doen is. Als middelhiertegen voert de CEM selectie van gega-digden en beperking van het aantal in-schrijvers aan: onderhandse aanbestedin-gen.Het stelsel van onderhandse aanbeste-ding, dat in de woningbouw gebruikelijkis ter beperking van de omvang van derekenvergoedingen, staat een vrije toetre-ding tot de bouwmarkt in de weg. Debouwmarkt krijgt een nog sterker oligo-pohstisch karakter dan alleen als gevolgvan de beperkte actieradius van bouwbe-drijven. De kans op een hoger prijsniveauin vergelijking met dat bij een vrije toe-treding van een groot aantal aanbiederswordt nog groter; buitenstaanders komenniet aan bod.Adh. De prijscorrectie is een verhogingop de inschrijving van een aannemer, dievolgens de normen van de prijsregeling telaag heeft ingeschreven. Deze verhogingmeet de desbetreffende aannemer voile-dig afdragen aan de prijsregelende orga-nisatie.De CEM is het niet eens met de door deaannemersorganisaties aangevoerde pre-ventieve werking van de prijscorrectie. DeCEM spreekt in verband met de prijscor-rectie wel over foutief calculatiegedrag,dat zou leiden tot prijsbederf voor debedrijfstak en aantasting van de kwaliteitvan het werk. De mogelijkheid voor aan-nemers die meer dan 10% onder de zoge-naamde middenprijs ingeschreven heb-ben om zich terug te trekken, is volgens deCEM een betere weg tot de wering vanprijsbederf.Tegen deze opvatting betreffende deprijscorrectie zijn twee argumenten in tebrengen. Ten eerste worden aannemersdie eventueel als gevolg van een hogerebedrijfsefficientie tegen lagere kostenzouden kunnen werken tegengewerkt,doordat ze of hun voordeel moeten afdra-gen of de opdracht niet kunnen krijgen.Ten tweede werkt deze maatregel in dehand, dat aannemers via een zogenaamde"voor voorinschrijving" zich globaal opde hoogte gaan stellen van de te verwach-ten middenprijs om een gedwongen terug-trekking te voorkomen. Op deze manierwerkt deze maatregel bij voorbaat al prijs-verhogend.De CEM ziet liever "dat de prijscorrec-tie niet als middel kan dienen om de cen-trale kassen van de (prijsregelende) orga-nisaties aan fondsen te helpen". De com-missie denkt eerder aan een algemene436 Stedebouw en Volkshuisvesting, oktober 1985deregulering op de bouwmarktomslag van de kosten die de prijsregelen-de organisaties maken.Hier moeten wij wijzen op een andernadeel van het bestaan van prijsregelin-gen; deze zelfregulering van de aanne-mersorganisaties gaat gepaard met coor-dinatiekosten die op de gemeensciiap (op-drachtgevers en gebruikers van gebouwenen woningen) afgewenteld worden, terwijlmet kiem afgevraagd kan worden of degemeenschap van de doeleinden van dezezelfregulering gediend is.Adc. De pri/sverbetering is een verho-ging van de inschrijfsom die alleen delaagste inschrijver ten deel valt. Voor debepaling van het prijsverbeteringspercen-tage bestaat overigens een mooie gra-fiek.Ten aanzien van de prijsverbeteringwordt in het CEM-advies opgemerkt datde prijsregelingen in tijden van laagcon-junctuur niet kunnen voorkomen dat aan-nemers anticiperen op deze prijsverbete-ring ("diepduiken"'^)). Ons inziens is hetargument van de beschermende werkingvan de prijsregelingen hiermee ongeldigverklaard. De CEM verbindt aan haaropmerking niet het besiuit om de prijsver-betering voor een onverbindend-verkla-ring ex artikel 10 van de Wet Economi-sche Mededinging voor te dragen.Als een voorwaarde, verbonden aan haarmilde oordeel, stelt de CEM een algemenenaleving van de prijsregeling. Informeelvoor-overleg, dat met het bestaan van eenprijsregeling in betere tijden nog niet dewereld uit geholpen is'''), mag niet voor-komen. De CEM suggereert dat de kansop informeel voor-overleg groter is wan-neer outsiders bij de inschrijving aanwe-zig zijn.Naar onze mening berust deze sugges-tie op een kronkelredenering. Van voor-overleg is een prijsopdrijvend effect teverwachten, terwijl outsiders juist eerderonder de "verbeterde" prijzen zullen dui-ken. Outsiders zouden op die manier kun-nen tegengaan dat een prijsregeling totpermanente monopoliewinsten voor deaanbieders op de bouwmarkt leidt. DeCEM adviseert echter, de door de prijsre-gelingen beheerste bouwmarkt te sluiten,en deze vorm van concurrentie aan ban-den te leggen.Verder is interessant te bekijken hoe deCEM het aspect van de zelfreguleringheeft benaderd: "De aanbestedingsrege-lingen mogen worden gezien als een po-ging van de zijde van de georganiseerdeaannemers de ongereglementeerde of'wilde' opzetpraktijken te elimineren. Decommissie heeft er geen twijfel over latenbestaan dat deze poging van de kant vande overheid in het algemeen gesprokenondersteuning verdient. Dat ontslaat deoverheid overigens niet van haar taakdeze aannemersregelingen zelf op haaraanvaardbaarheid te toetsen."Het verdwijnen van de "wilde opzet-praktijken" is geen kwestie van eliminatiemaar van substitutie geweest; kiezen voorde "minst kwade" opzetpraktijk is echterlets anders dan het kwaad uitroeien. DeCEM huldigt de opvatting, dat het feit datde georganiseerde aannemers zelf stappenhebben genomen, een reden is om minderhard op te treden en deze initiatieven zelfste ondersteunen. De stappen tegen "wildeopzetpraktijken" hebben de aannemersniet uit een maatschappelijk verantwoor-delijkheidsgevoel gedaan'S), maar juistom de wind uit de zeilen van het mede-dingingsbeleid te nemen.De negatieve lading van de woorden"ongereglementeerd" en "geheime ver-standhouding" in het CEM-rapport grijptterug op een arrest in de zogenaamdeMijdrechtse strafzaak waarin de klem-toon ligt op "verzwijging van de opzettenvoor de aanbesteder, de opzettelijke mis-leiding van de aanbesteder, de willekeuri-ge hoogte van de opzet en het oncontro-leerbare element"'''). Deze accenten zijnvoor ons aanleiding voor de volgendegedachte: De prijsregeling is niet getoetstop een verhouding tussen totale kosten enprijzen (tegengaan van permanente mo-nopoliewinsten), maar op oppervlakkigekenmerken als openbaarheid en regel-maat.Het advies van de CEM en het genoem-de arrest op de achtergrond getuigen vaneenjuridische optiek, die het functionerenvan de bouwmarkt en het belang van kos-tenbeheersing niet kan vatten. De opzet-ten worden in de verhouding tussen eenaanbesteder en een aantal irischrijvendeaannemers beschouwd en niet in het ka-der van het terugdringen van permanentemonopoliewinsten op de bouwmarkt. Deeffecten van de prijsregelingen zijn nietafgezet tegen het belang van een efficien-tieverbeterende werking van niet-beperk-te prijsconcurrentie, en niet tegen de be-langen van het totaal van vragers.5. Waarom geen deregulering op debouwniarktHet is duidelijk dat de (zelf)regulering vande producenten niet veel voordelen voorde andere partijen (consumenten, over-heid, opdrachtgevers) biedt en onnodigelasten en inefficienties met zich mee-brengt. Eerder is al een mogelijke verkla-ring geopperd voor het feit dat in hetkader van de deregulering zo weinig aan-dacht is geschonken aan deze zelfregule-ring op de bouwmarkt. Deze werd gezochtin het sterke accent dat in Nederlandm.b.t. regulering wordt gelegd bij het be-reiken van sociale doelen en de geringeaandacht voor en traditie van mededin-gingsbeleid. Als mogelijke andere verkla-ringen kunnen daarnaast worden ge-noemd:- Producenten hebben op succesvoUewijze dit punt buiten de besluitvormingweten te houden. Van de bestrijding vande mededingingsregelingen hebben deaannemersorganisaties een zaak van over-leg weten te maken. Het gevolg: een suc-cesvoUe politick van non-decisie (zienoot 2). Verder hebben zij vroegere rech-terlijke uitspraken als rechtvaardigings-grond gebruikt voor het bestaan van deprijsregelingen. Dat alles was mogelijkvanwege een niet erg opiettende houdingvan de CEM, waardoor de regelingen eensterk pseudo-wettelijk karakter en pseu-do-wettelijke werking kregen. Bovendiengebruikte de aannemersorganisatie als ar-Stedehouw en Volkshuisvesting, oktoher 1985 437deregulering op de bouwmarktgument voor het hanteren van de prijsre-gelingen dat deze in ieder geval beterwaren dan een terugkeer naar de "wildeopzetpraktijken".- Op de bouwmarkt is geen directe rela-tie tussen producenten (aannemers) enconsumenten (bewoners). Hiertussen ziteen derde partij n.l. de opdrachtgevers(corporaties, overheid). Hierdoor klinktde stem van de consument veel zwakkerdoor. Deze situatie zorgt er (mede) voordat er niet zoals in de VS een lobby ont-staat vanuit consumenten om stringenterop te treden tegen kartelvorming. Daarwordt dan ook wel vanuit dat perspectiefin een aantal gevallen gepleit voor dere-gulering. Opdrachtgevers waren in hetverleden ook meestal in staat om eventue-le kostenverhogende effecten door te be-rekenen aan de consumenten. Nu de laat-ste jaren het kostenprobleem in de volks-huisvesting steeds belangrijker wordt isook bij de opdrachtgevers een toenemen-de aandacht te constateren voor kartel-vorming op de bouwmarkt^o).- Aangezien de overheid een zeer promi-nente rol inneemt in de volkshuisvesting-opdrachtgever, "wetgever" en plantoet-ser^i) - kan zij het verwijt van machtsmis-bruik krijgen als zij de onderlinge prijs- enaanbestedingsafspraken van de produ-centen ongedaan maakt.Dit alles moge een verklaring zijn, het isechter nog geen rechtvaardiging om aande zgn. prijsregelingen geen aandacht tebesteden. Het gaat hier immers om onno-dige verstarrende elementen en externebeleidslasten (zij het dat zij niet in de eer-ste plaats door de overheid zijn opgewor-pen). Zo berekende Bouwman^^) dat van-wege deze verstarrende elementen deoverheid in de bouw tussen de 1 en de 2,4miljard per jaar te veel zou uitgeven.Vooral het uitblijven van de rationalisatiein de bouw (de verstarrende werking) wasvolgens hem verantwoordelijk voor ditbedrag. Gezien de aandacht die er voorallerlei andere externe beleidslasten in devolkshuisvesting is vanuit het deregule-ringsstreven, mag aandacht voor ditaspect niet ontbreken.Het wordt tijd dat de overheid een vanhaar doelstellingen t.a.v. het bouwbeleidn.l. "het bevorderen van het optimaalfunctioncren van het productieapparaatin de bouwnijverheid" (waar onder valt"gezonde mededingingsverhoudingen inde bouwnijverheid") serieus neemt^^).Daartoe behoort zeker het onderwerpenvan de prijsregelingen aan het deregule-ringsstreven.IVij danken ir. H. Westra voor zijn commentaarop een eerdere versie van dit artikel.NotenZie b.v. drs. O. Schoof/drs. J. van Vucht, Dere-gulering: de praktijk in de bouw, Intermediair,20e jaarang, 10 aug. 1984; H. Priemus, Volks-huisvesting toe aan grondige herregulering, in:Bouw, 1983, nr. 9.2Volgens de Memorie van Toelichting op debegroting van het ministerie van EconomischeZaken in 1984 (18600 H.XIII nr. 2) zou hetresultaat van het overleg zijn, dat de zogenaam-de prijsverbetering komt te vervallen. Het isechter zeer de vraag of de prijsregelingen prin-cipieel zullen worden aangepakt. In de memo-rie worden n.l. de volgende verhogingen vaninschrijfgelden uitgezonderd: a. de vergoedingvan de calculatiekosten, b. de dekking van dekosten van de uitvoering van de aanbestedings-regelingen, c. de dekking van de kosten van demaatschappelijke aannemersorganisaties, d. fi-nanciering van algemene bouwdoelen. Dezeuitzonderingen laten het principe van de prijs-regelingen onverlet en bieden zeer veel speel-ruimte. Overigens is sinds deze memorie alweer bijna eenjaar verstreken. Te vrezen is datook hier de departementale verkokering (EZ:mededingingsbeleid, VROM: bouw- en volks-huisvestingsbeleid) de besluitvorming partenspeelt.3Zie Kraemer, P.E., The societal State, Meppel.1966.4Kraemer. biz. 82.5Zie Duyn, J.B. van, Macro-economische gevol-gen van deregulering, in: Beleid en Maatschap-pij, 1982/2.6Priemus, H., Volkshuisvesting, begrippen, pro-blemen, beleid, 1978, Alphen aan den Rijn, biz.116.Lipsey, R.G. en Steiner, P.O., Economics, se-cond edition, 1969, London, biz. 316.8Zie Geelhoed, L.A., De plaats van de overheid,in: Planning en Beleid, verslag van een sympo-sium "Planning als Onderneming", 2 mei 1984,Den Haag. Binnen deze definitie vallen zakenals systematisering, uniformering en verbete-ring van regels (de zgn. herregulering). Dit laat-ste wordt weleens ten onrechte als lets afzon-derlijks gedefinieerd. Deregulering is dus nietper definitie de omkering van regulering, maarkan ook nieuwe of andere regulering beteke-nen. Regulering kan een verandering in de keu-zevrijheid van de burgers bewerkstelligen,maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Dezeverandering betekent meestal dat voor sommi-ge (groepen) burgers de vrijheid verkleindwordt terwijl die voor andere (groepen) ver-groot wordt. Op dit laatste punt heeft Priemusterecht gewezen'). Hieruit volgt ook dat (de)re-gulering geen beleidsneutrale operatie is. Aandeze operatie zijn belangen en belangengroe-pen verbonden.9Zie Grinel, S.G., To rule or overrule, in:Beleidsanalyse 1982/3.10Het mededingingsbeleid in de VS is vooralgericht op het voorkomen van machtsposities.In Europa (EEG) is men meer gericht op hetvoorkomen van misbruik van die machtsposi-ties, wat ook veel moeilijker aan te tonen is.Hanteert men in EEG-verband nog een ver-bodstelsel - mededingingsregelingen zijn inbeginsel, behoudens ontheffingen, verboden -in Nederland is dat niet het geval. Hier han-teert men het zgn. misbruikstelsel: mededin-gingsregels zijn in beginsel rechtsgeldig maarkunnen bij strijd met het algemeen belangonverbindend worden verklaard. Formeel op-treden in Nederland tegen kartels behoort danook tot de hoge uitzonderingen. Op dit gebiedis de EEG wat actiever. Zie b.v. E.S. Kirchen(ed.). Economic Policies compared, vol. I, Ge-neral Theory, 1974, Amsterdam; R. Fernhout,Incorporatie van belangengroepen in de socia-le en economische politiek, in: Verhallen,Fernhout en Visser: Corporatisme in Neder-land, Alphen aan den Rijn, 1980.11Aanbestedingsregelingen, advies uitgebrachtdoor de Commissie Economische Mededin-ging aan de Minister van Economische Zakenop 1 december 1975 (Staatsuitgeverij, DenHaag, ISBN 90 120 1214 7); als voorbeeld vande prijsregelingen: "Aanbestedingsreglementvan de Prijsregelende Organisaties", in: TerBeek, J. en Staadegaard, J.M., Bestekken, be-grotingen en bouwadministratie, 1973.438 Stedebouw en Volkshuisvesting, oktober 1985DEJEMPERATUURBRUYNZEEL MONTAPLEXNatuurlijk weet U, dat veel bouw-materialen nogal temperatuurgevoeligzijn. Alles zet nu eenmaal uit bijwarmte en in de bouw moet men daar-mee terdegen rekening houden.Een vergelijking van sommigematerialen met Bruynzeel Montaplexgeeft verbazingwekkende verschillente zien.Bij temperatuurwisseling is het uitzet-tingscoefficient van Montaplex bij-voorbeeld 2V2 x zo gering! Dat kan eenhoop ellende voorkomen.Vandaar, dat Montaplex zo een-voudig en op de bouwplaats verwerktkan worden, zonder voorbewerking ofspeciaal gereedschap.Vandaar, dat Montaplex zo een-voudig is aan te brengen op de gevelmet een lichte konstruktie (vanwegehet lichte materiaal) kan eigenlijk iederbekend bevestigingssysteem toe-gepast worden! Ook onzichtbaar.Vandaar dat een met Montaplex-panelen versierde gevel, er ook altijdstrak en gaaf uit kan zien.NatuurlijkkentUdeanderevoordelen;* een fraai, strak uiterlijk* 11 (buiten!) standaard kleuren* milieu vriendelijk* water- en weerbestendig* kras- en stootvast* diverse diktes* een laag uitzettingscoefficient* leverbaarals sandwichpaneel' niet breukgevoeligOnnodig te vertellen dat dekwaliteit/kostenverhouding goed ligt.Handlingkost geld: met BruynzeelMontaplex wordt deze tot eenminimum teruggebracht.50 " 5040= 14030= =30z:. =20= =20nilitii0HI!nilOEE 010^ i 101~20=30im|2Qj= 301!1Moet er dan nog verder overkwaiiteit worden gesproken?Bruynzeel geeft niet voor niets 10 jaargarantie op Montaplex, inclusief op derandafwerking.U kunt Bruynzeel Montaplex toe-passen op iedere plaats waarvoor Ueerst ander materiaal wilde gebruiken,ook voor binnentoepassingen.Over deze mogelijkheden zullen wij Ugaarne verder informeren.Een pagina is eigenlijk niettoereikend om alle pluspunten vanMontaplex op te noemen maar mochtUtochmeerwillenweten;doormiddelvan onderstaande bon in te vullenwillen wij U graag uitgebreiddocumenteren over onze produkten.U kunt mij vrijblijvend Uw uitvoerigedokumentatie toezenden overNaam:_Funktie:Naam bedrijf:Telefoon:Straat:Postkode:Plaats:DE PIAAT WAAR EEN REPUTATIE ACHTER STAATBruynzeel MultipanelBV, telefoon: 075-542103-542259-542286-542334-542589.Stuur de coupon in een gesloten enveloppe zonder postzegel naar Bruynzeel Multipanel By antwoordnummer 208,1500 VC Zaandam.VIIAttentie:QKSBDRUKRIOLERINGSSYSTEMENENOPVOERINSTALLATIESKSB heeft een jarenlange ervaring op hetgebied van levering, montage en uitvoeringvan (prefab) rioolgemalen.Speciaal voor drukrioleringssystemenhebben wij kleine geprefabriceerde pomp-putten van beton of kunststof (polyester)waarin de versnijdende KSB klokpompKRTUS 40 v\/ordt gemonteerd, kompleet metpersleiding, terugslagklep en niveaurege-ling, alsmede met een opgebouwde scha-kelkast voor buitenopstelling.Tevens leveren wij kompakte kunststof units(opvoerinstallaties) voor o.a. woonboten,souterrains en de utiliteitsbouw.OKSB Nederland B.V.Wilgenlaan 681161 JN Zwanenburgtelefoon 02907-3541telex 13244KSB pompenBrandwerend.Isolerend.Goedkoop.Snel.Magtmisschienooknogmoolworden?Met de hoge eisen die tegenwoordig in de(vernieuw)bouw worden gesteld t.a.v. brandveiligheid enisolatie, is goedl ..Dit is een juridische fictie en een economischemisser; ook dit argument is ontleend aan eenrechterlijke interpretatie, zie W.J. Slagter, biz.237 en 240.16A. Hendriks. biz. 300.17Zie ook: W.J. Slagter, biz. 232: "In tijden vanlaagconjunctuur voorkomt een opzetregelinggeen prijsbederf, in tijden van hoogconjunc-tuur zai prijsverbetering ingevolge een opzetre-geling tot een te hoge prijs leiden".18W.J. Slagter, biz. 236 en 242: ".. . zelfregule-ring (was) niet het bewijs van toenemendethisch besef onder de aannemers, maar kwamvoort uit aandrang tot zelfbehoud. Naast straf-rechtelijke sancties dreigden ook privaatrech-telijke sancties". De "wiide opzetpraktijk" ver-liep in drie ronden. In de eerste vond onder-meer het zgn. uitkopen van een dee! van deinschrijvers plaats. In de tweede ronde werdeen prijsverbetering toegepast, die slechts vooreen derde of de helft ten goede kwam aan delaagste inschrijver. In de derde ronde werd nogeventueel verdere prijsverbetering toegepast,wanneer de aanbesteder "er goed voor was".19Hoge Raad, 31 maart 1953, N.J., 1953, biz. 485.De kiemtoon heeft W.J. Slagter, biz. 242, uithet arrest gehaald.20Zie b.v. NCIV-Vakwerk 24/84 en 1/85 vanAlieds Langeveld.21Het aandeel van de totale bouwproductie in deburgerlijke en utiliteitsbouw waarvoor deRijksoverheid als financierster optreedt be-droeg in 1976 globaal 40%. Het aandeel van delagere overheden bedroeg ongeveer %% (Twee-de Nota Bouwbeleid, 1978). Bij de plantoetsingin de sociale woningbouw wordt de toepassingvan de prijsregelingen niet uitdrukkelijk gewei-gerd of teruggedraaid.22Jr. A.M. Bouwman, Opzetregelingen in debouw en de besteding van openbare middelenOpenbare Uitgaven, april 1983.23Zie Tweede Nota Bouwbeleid, biz. 8 en 9.Stedehouw en Volkshuisvesting, oktoher 1985 439Ruimtelijke planning vanniet-commerciele voorzieningenontwikkelingen in planningsdenken en -praktijkprof. dr. J. Buit*1. InleidingPogingen om belangrijke ontwikkelingenin planningsdenken en -praktijk vast tewillen stellen zullen altijd maar tot opzekere hoogte slagen en tevens met eenzekere mate van generalisatie en subjecti-visme gepaard gaan. Immers, ontwikke-lingen in de wetenschap, laat staan inplanningsdenken en -praktijk onder in-vloed van tal van krachten en belangenvertonen niet een simpele rechte lijn. Inte-gendeel, de ontwikkeling is de resultantevan tal van uiteenlopende visies en con-flicten en vertoont dan ook deels een gril-lig en bijna onvoorspelbaar verloop. Tochis er anderzijds ook niet alleen maar spra-ke van willekeur in de ontwikkeling. Tel-kens blijkt dat de verdere ontwikkeling inplanningsdenken en -praktijk vooral tebeschouwen is en deels te "voorspellen"valt als uitkomst van een zekere consen-susvorming omtrent als problematisch er-varen en voortaan bij voorkeur (meer) tevermijden aspecten van het gangbareplanningsdenken en -praktijk in het he-den. De (toekomstige te verwachten)koers van planningsdenken en -praktijk* Hoogleraar planologie Vrije UniversiteitAmsterdam.Via een schets van ontwikkelingslijnen in planningsdenken en -praktijk op het terrein vanhet ruimteHjk relevante beleid en van de commerciele voorzieningen worden daaruitconsequenties getrokken voor de wensehjk te achten bijsteUing van planningsdenken en-praktijk op het terrein van de niet-commerciele voorzieningen. Rekening wordt tevensgehouden met kenmerken van huidig planningsdenken en -praktijk'en met kenmerkendgeachte ontwikkelingen binnen de niet-commerciele voorzieningen.valt vooral af te leiden uit veelvuldigeovereenkomstige beschouwingen omtrentnegatief beoordeelde eenzijdigheden inhet huidige denken en doen op het terreinvan de planning.In het navolgende zal dan ook deze wegin het bijzonder bewandeld worden,waarbij de al gesignaleerde gevaren vaneen zekere mate van generalisatie en sub-jectieve keuze op de koop toe wordengenomen. De bedoeling is om via eenschets van een aantal ontwikkelingslijnenin planningsdenken en -praktijk op hetterrein van het ruimtelijk relevante beleidin het algemeen en op het gebied van decommerciele voorzieningen te laten zienwelke consequenties daaraan verbondenzouden kunnen worden voor de wenselij-ke inhoud van planningsdenken en -prak-tijk op het terrein van de niet-commercie-le voorzieningen. Dit gebeurt dan tevensrekening houdend met een aantal ken-merken van huidig planningsdenken en-praktijk en een aantal kenmerkend ge-achte ontwikkelingen binnen de niet-commerciele voorzieningen.Achtereenvolgens wordt aandachtbesteed aan de beantwoording van denavolgende vragen:a. Welke belangrijke kenmerken zijn inde recente ontwikkeling van plannings-denken en -praktijk op het gebied van hetruimtelijk relevante beleid in het alge-meen te onderkennen?b. Welke kenmerken zijn in de recenteontwikkeling van planningsdenken en-praktijk op het gebied van de commer-ciele voorzieningen/verzorging te onder-kennen?c. Welke kenmerken vertoont de ontwik-keling op het gebied van de niet-commer-ciele voorzieningen?d. Welke kenmerken vertonen plan-ningsdenken en -praktijk op het gebiedvan niet-commerciele voorzieningen/ver-zorging aangeboden van overheidswege?e. In hoeverre sluit de ontwikkeling vanplanningsdenken en -praktijk voor deniet-commerciele voorzieningen al danniet aan bij planningsdenken en -praktijkin het ruimtelijk relevante beleid in hetalgemeen, in de commerciele voorzienin-gen/verzorging en bij ontwikkelingen inde sfeer van de niet-commerciele voorzie-ningen/verzorging?f. Welke (tentatieve) aanbevelingen om-trent bijstelhng/herziening van plan-ningsdenken en -praktijk inzake niet-commerciele voorzieningen/verzorgingkunnen gezien de punten a t/m e wordengedaan?Overigens wordt zeker geen voUedig-heid in de beantwoording van de vragengepretendeerd. Het gaat er eerder om eenbijdrage te leveren aan de discussie enmeningsvorming omtrent enkele relevantgeachte topics.440 Stedebouw en Volkshuisvesting, oktober 1985planning niet-commerciele voorzieningen2. Enkele ontwikkelingen inplanningsdenken en -praktijk op hetgebied van het ruiintelijk relevantebeleidWat de kritische evaluatie van plannings-denken en -praktijk op het gebied van hetruimtehjk relevante beleid betreft mogende volgende hoofdpunten summier wor-den aangeduid:1. Afkeer resp. onmogelijkheid van eenalomvattende door de overheid voUedigbeheerste ruimtelijke ontwikkeling. Tewijzen valt in dit verband onder andere opde WRR-nota Planning als ondernemingen artikelen en publicaties van Wissink enzijn medewerkers. In de WRR-nota staatcentraal de gedachte dat zeker in een tij
Reacties