en volkshuisvestingIDenkraamGroeikernen en groeisteden: Noord-HollandVraaggesprek over groeikernen Noord-Hollandmet Commissaris der Koningin mr. R. de WitOntwikkelingen in de ouderenhuisvestingEvaluatie hoofdwinkelcentrum MaarssenbroekIn PlanologenlandNieuwe publikatiesNieuws van de Raad van AdviesNieuws van de Raad voor de VolkshuisvestingIsamsom nirovHaal een hoger rendement uit dezelfde ruimteMeer doen op een gelijk aantal vierkante meters door vouwwanden of Zonder dat het u tot lets verplicht, leggen wij u uitvoerbare/verplaatsbare panelenwanden. Een ruimte vergroten of een ruimte splitsen betaalbare ideeen voor. Telefoneer:in afdelingen die elkaar (ook wat het geluid betreft) niet kimnen storen. Mobiac bvPrinses Margrietstraat la2841TP MOORDRECHTI msmi telefoon 01827-2685telex 20488 plana ^ lOB^CDOUCHE SPATSCHERMENonsleverings-programmabestaatuit:? garderobe inrichtingen? banken en wandgarderobes? douche spatschermen? valhelmgarderobe? balkonhekken? rolluiken? zonneschermen? toiletcabines? kantoormeubilair? scheidmgswandenSPIJKON MONTAGE:? ontwerpt ? konstrueert ? levert ? monteertzowel in standaard als in aangepasteof speciale uitvoeringSPIJKON MONTAGE bv Postbus 105Parallelweg 10 5050 AC Goirle5051 HG Goirle Telefoon 013 - 349141I Holland 345204KvK Tliburg 24247^||K PLASTIC CENTRALEIpwildkampkunststofleidingsystemenEen begrip als het gaat omkunststofleidingsystemen ofkunststofdakgoten.Grote voorraden met KIWA, KOMO,GIVEG, KEMA en andere keuren.tigen bezorgdienst, eike week doorheel Nederland.plastic centraleewiUkampb.v.KUNSTSTOFLEIDINGSYSTEMENRECHTSTREEKSE LEVERING!HOOFDBEDRIJFLUTTEN (OV.)Dedemsvaartseweg-Z. 59telefoon 05231 2099 *NEVENBEDRIJVEN(COMPLEET ASSORTIMENT)TERWOLDE (GLD.)Twelloseweg 101telefoon 05717-1202WEHL (C3LD.)Raphaelstraat 1telefoon 08347-3319ERMELO (GLD.)Telgterweg 288 (Horst)telefoon 0341 7-52265GRASHOEK (L.)Marisstraat 27telefoon 04760-2296??Bij de afdeling Stedebouw van de dienst OpenbareWerken kan geplaatst worden eenjuridisch administratiefmedewerker m/vFunktie omschrijving:De aan te stellen funktionaris zai worden belastmet de volgende taken:- juridische en administratieve begeleiding vanstedebouwkundige plannen;- het adviseren aan burgemeester en wethoudersover beroep- en bezw^aarschriften en aangelegen-heden de R.O. betreffende;- het namens de gemeente optreden in administra-tieve procedures;- Iiet schrijven van en reageren op nota's en liet inteamverband meewerken aan projecten;- het deelnemen aan werkgroepen en het bijwonenvan vergaderingen;- diverse secretariaatswerkzaamheden;- het adviseren aan de direktie en aan diverseinterne afdelingen van de gemeente.Funktie-eisen:- een academische opieiding rechten of eenH.T.S.-opleiding stedebouwkunde (met interessevoor de administratief juridische sektor van dazestudierichting) of een gelijkwaardige opieiding;- specialisatie Ruimtelijke Ordening en Volkshuis-vesting, dan wel de bereidheid deze cursus tevolgen.SalarisAfhankelijk van opieiding en ervaring bij aanstellingmaximaal f. 3.726,- bruto per maand (commies A).Informatie over de funktie kan worden verkregenbij ir. J.A. Vonk (direkteur dienst OpenbareWerken) en J.J. Wiltenburg (hoofd afdeling stede-bouwkunde), tel. 02230-13041.Belangstellenden kunnen hun sollicitaties, ondervermelding van het vakaturenummer V3-2 openveloppe en In brief, richten aan Burgemeesteren Wethouders, Kerkgracht 1, 1782 GJDEN HELDER, binnen 14 dagen na het ver-schijnen van dit blad.QEHEENTEDEN HELDEKZoekt u de IDEAL CV-ketelvoor nieuwbouw ofrenovatie?Vraag dan direkt deStelrad documentatieaan. Want dan vindtu zeker het idealerendement!Want daar gaat het toch om als u voor de keuze staat van CV-instal-laties. De Ideale opbrengst/kosten verhoudlng. Qua terugverdlentijd, verbruik en onderhoud.HIerop heeft Stelrad het beste antwoord met een grote rangeIDEAL-ketels voor eike capacltelt. Alle met de gletljzeren kern.Voor gas maar ook voor olle. Vraag dus nu onze documentatie aanen vervolgens een passende offerte voor uw objekt. Aan onze prijzenzaI het niet llggen!X/OORIUO-ObjeKT BENKO^mBELp)Stelrad IDEALKENDEMENT BON Wilt u ons snel volledlge documentatie zenden omtrent Iuwketels met de volgende capacltelt; *IIIwlFIrma/Corp.:Naam:Straat, nr.:Postcode, plaats: _Telefoonnummer:Stelrad BV, afd. Ketels,Laagraven 65, Postbus 4045,3502 HA Utrecht, telex 40637.030-885674^->Sr="Ss*^?rS^TS7^;;: .Ji ^'Sry^-liy '^tCWogendqisi^itflaiiUitsigy/iiliitTgaiittewi*A^tr?ii.riolerings-, bagger- en ---mr-m-:::y^^ machines en containers.1^1 iiti lurtechnische werken. Aanleg Komplete sloopwerkzaamhetiroenvoorzienina (met termische lans^Lennisheuvel 73, Postbus 143, 5280 AC Boxtel. Tel. 04116-72363, 75114hwz,meer danwegenbouwer> geluidsanering> bodemsanering> kunstgras sportvelden> daken en vioerenMeidingen> meetdiensten voorwegbeheerhwz 20 vestigingenhoofdkantoor:Lanckhorstlaan 82101 BD HeemstedeTel. 023-282550Rekenen opMATRIX softwareGrond- en Kabelwerken micro-computers? konstruktieberekeningen ? kalkulatie?bouwfysika ? administratieve pakkettenSOFTWARE INNOVATIE CENTRUMgroenestraat 294 nijmegenbel voor informatie 080-5619 23OSINGA BVGASSELTERNIJVEEIM TEL. 05999-2214, 2360KABELWERKENELEKTROMONTAGEAARDINGEN WATER-KRUISINGEN.BUISLEIDINGENZINKERSWEGPERSINGEN METPERSLUCHT RAKET.IIKONSTRUKTIEVESTADSVERNIEUWINGWij werken aan een nationaal programma- funderingsherstel- woningverbetering- herbestemming- vervangende nieuwbouwi5InoenieursburoSchiebroek Struik BVOM^Pr. Mauritsplein 282582 ND Den HaagTel. 070-523314Parklaan 605613 BH EindhovenTel. 040-433915Transport^^^^^^^^^1^^^^^HNationaal en interna-tionaal wegvervoer.Verhuur van aannemers-en wegenbouwmaterieel.TRANSPORT f^\GROEP \^y 1(T3oop Vervoersonderneming b.aLijndenweg 3, Postbus 59,1 940 AB Beverwijkel 02510-24741 Telex 3524 11Reynoramenen deuren...AltiminitimGoed!AluniiiiiuiiiGoede prol'ielen van Reyno zijn een duurzame enwaardevoUe investering voor elk huis en projekt. Leverbaar inbijna alle kleuren! Eenmaal goed gemonteerd, blijven ze zomeren winter perfekt sluiten. Het Reyno programma is onderver-deeld in twee versies; Reyno en het geisoleerde Reynotherm.De laatste heeft een zogenaamde koudebmg verbinding. Inkombinatie met dubbele beglazing is dit de meest idealemethode om te besparen op de energiekosten! In totaal biedtReyno de keus uit 9 series met elk hun specifieke toepassingen.De kwaliteits-eisen van Reyno liggen hoog, de profielen voldoenderhalve aan alle gestelde normen. Kortom, Reyno staat voor eenAIuminiumGoed prodiikt!,r1|U ._ iilfi-- ----I'-ir~ ' - -J ,.! 1,1' , 1rJ ? Ji _'Reynolds Aluminium Verkoop CentralePostbus 30 3840 AA HarderwijkTel.: 03410-16824 Telex: 47178Bon voor meer informatieWilt u meer weten over AluminiumGoede Reynosystemen,vultu dan deze bon in. Uitknippen en in een enveloppe aan onsopsturen.Naam:Adres:Postcode: Plaats:.HIBouwmaterialenDEURDRANGER??.?*,! \\JpitlAk.c?d' I'tpi"'*aRAMVERPOSTBUS 1394700 AC ROOSENDAALTELEFOON 01650-45450TELEX 78162FAX: 01650-55293REKREATIEF DIENSTENCENTRUMREKREATIE BUNGALOWPARK WEERTERBERGENplanburo ir jongen nederland b.v.architektuur, stedebouw, landschap en rekreatieHoeve de BekBekkerweg 1156417BVHeerlenPostbus 29236401 DK HeerlenTel.: 045-740160Telex 56352Rechtvaardigheiden doelmatigheid in hetruimtelijk beleidM. de Smidt (Red.) Utrechtse Geografische Studies 31,1983, 148pp., fl. 18,50. ISBN 90 6266 044 4.Bijdragen voor het VUGS-congres, gehoudenin oktober1982,van E.Wever (regionaal beleid),H.F.L Ottens (stedelijk beleid), F. Thissen(huisvesting kleine dorpen), L Douw (relatielandbouw-milieu), A.M.J. Kreukels(verschuivingen in ruimtelijke planning),P. Nijkamp (multi-dimensionale welzijns-benadering). De bundel wordtgeopend meteen bijdrage over de opkonnst van de welzijns-geografie (M. de Smidt) en besloten doorJ. Buit met een evaluatie van groeikernen inhet licht van het dilemma dat in de bundelcentraal staat.Bestellingen door overmaking van fl. 18,50op postrekening 57 97 00t.n.v. Utrechtse Geografische Studies, Utrecht.Voorzieningen in landelijkegebieden: eensociaal-geografisch onderzoei< inZuidwest-FrieslandA.A.B. van Bemmel Utrechtse Geografische Studies 32.190 pp. ISBN 90 6266 048 7. fl. 24,25 (inklusief porto)Aan de hand van onderzoek in Zuidwest-Frieslandwordt ingegaan op aspekten als aanbod enbereikbaarheid van voorzieningen. Dit wordtgekoppeld aan het gebruik en de waarderingdienaangaande van bewoners. De studie biedtdaartoe een aantal op de onderzoekspraktijktoegesneden methoden. Naast een algemeenoverzicht van de problematiek van landelijkegebieden, worden aanbevelingen voor eenge'i'ntegreerd ruimtelijk beleid voor landelijkegebieden geformuleerd.Bestelling door overmaking van fl. 24,25op postrekening 57 97 00t.n.v. Utrechtse Geografische Studies, Utrecht.IVOrgaan van hetNederlands InsrituutvoorRuimtelijke Ordeningen Volkshuisvesringstedebouw en volkshuisvesting66e jaargang februari 1985Redactie:Ir. R.M.Th. AdriaansensDrs. H.J.M. van AlphenMr. R. BekkerDrs. A.J. van der BurgDr. H. van der CammenDrs. L.G. GerrichhauzenMr. ir. A.W. HartmanIr. J. HeelingIr. K.R. de PoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerRecensieredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-602775Redactie, administratie enpublikaties ter recensie:Van Speykstraat 252518 EV Den HaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbesprekingen kunnendesgewenst op het redactie-secretariaat een exemplaar van de'Richtlijnen voor auteurs'aanvragen.Uitgave van:Samsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:voor personeelsadvertenties:Postbus 42400 MA Alphen aan den Rijntelefoon 01720-62191voor produkt-advertenties:Postbus 4642400 AL Alphen aan den Rijntelefoon 01720-75257Opdrachten en materiaal wordenvoor de lOe van de maand,voorafgaande aan de maand vanverschijning, ingewacht.Ix)sse nummers f 12,--ISSN 0039-0879InhoudDenkraam42 Locatiekeuze, mr. ir. ,A.W. HartmanArtikelen43 Groeikernen- en groeistedenbeleid: Noord-Holland en hetgroeikernenbeleid, ir. .A.Th. Brand en drs. D. lopma55 Groeikernen- en groeistedenbeleid gewogen, een vraaggesprek metde Commissaris der Koningin in Noord-Holland, drs. R. Kok enmr. ir. A.W. Hartman58 Ontwikkelingen in de ouderenhuisvesting, drs. P.P.J. Houben65 De evaluatie van een nieuw hoofdwinkelcentrum,P.W.C. van Gestel, D. Jannette Walen en Ed.F. Nozeman75 In Planologenland, H. van der Cammen77 Nieuwe publikaties81 Nieuws van de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening82 Nieuws van de Raad voor de Volkshuisvesting83 Mededelingen NIROV85 Mededelingen PRO85 Overige mededelingen86 AankondigingenDIt nummer.bevat - naast de gebruikelijke vaste rubrieken - een viertalartikelen.Het eerste daarvan, in de serie groeikernen en groeisteden.beoogt een evaluatie te geven van 20 jaar groeikernenbeleidin Noord-Holland. Dit artikel wordt gevolgd door een inter-view met drs. R.J. de Wit, Commissaris der Koningin inNoord-Holland, die in verschillende bestuurlijke functiesnauw bij het groeikernenbeleid betrokken is geweest.Ontwikkelingen in de ouderenhuisvesting, het beleid terzakevan de overheid, vraagtekens daarbij en suggesties voor eenander beleid komen aan de orde in het derde artikel.In de vierde bijdrage wordt nagegaan of een vijftal ruimte-lijke ordeningsdoelstellingen met het openen van het winkel-centrum Bisonspoor te Maarssenhroek zijn gerealiseerd. Ditblijkt slechts ten dele het geval te zijn.Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985 41DenkraamLocatiekeuzeDe mogelijkheden om een stad te verrijken met een nieu-we culturele voorziening zijn de laatste jaren nogal afge-nomen. Hoe prachtig moet het niet voor een stadsbestuurzijn als het toch lukt, en dan nog wel hoofdzakelijk opkosten van een ander.Het opmerkelijkste aan de locatie-competitie rond hetop te richten Nederlands Instituut voor Architectuur enStedebouw, kortweg Architectuurmuseum, is eigenhjk dater maar drie gemeenten zijn geweest die een serieus aan-bod hebben gedaan: Rotterdam, Amsterdam en Delft (inde volgorde waarin het aanbod werd gedaan). Te verwach-ten was toch geweest dat de gegadigden over elkaar heenzouden struikelen op de stoep van WVC, welke stad heefter nou geen leegstaand klooster, kazerne of andersoortigcomplex?Dit gebrek aan belangstelling van potentiele gegadig-den is niet weerspiegeld in de hevigheid van de publiekediscussie. De discussie is tot op het punt van oververhit-ting gevoerd, herinneringen aan de Stopera-discussiesoproepend.Gelukkig is deze discussie tijdig door de keuze van deminister van WVC gestopt voordat zij al te potsierlijkwerd. De lokale hartstochten zijn weer naar hartelust aanbod kunnen komen. Als uitvloeisel van de locatiediscussiekonden zelfs RET- en GVB-trambestuurders zich op debuis bij Sonja in humor meten.De brief van minister Brinkman aan de Tweede Kamerover de locatie stelt: "De keuze van de vestigingsplaats isgeen gemakkelijke geweest". Dat blijkt echter nauwelijksuit de brief. De argumentatie voor de keuze verlooptgrofweg aldus:- het instituut is uniek en cultured, derhalve de Rand-stad;- drie aanbiedingen, alle in de Randstad;- Delft is geen hoofdkern van een centrale agglomeratie(wat een taal!): exit Delft;- voortgaande concentratie van culturele voorzieningen(blijkend uit de culturele geldstroom) leidt tot verschra-ling van het culturele klimaat elders: dus niet Amster-dam;- blijft over: Rotterdam.En gelukkig blijkt er in Rotterdam dan toch nog eenzodanig cultured khmaat te bestaan dat de minister ergroot vertrouwen in heeft dat het instituut daar zal flore-ren.Twee planologische en een cultuurpolitiek argumentschragen de keuze.Laten wij de planologische argumenten eens naderbezien. De minister steunt hiervoor op een AlternatieveAnalyse van de Rijksgebouwendienst. De planologischcruciale passage in deze analyse luidt (p. 12):"Gezien het beeld van stedelijk Nederland is op voor-hand duidelijk dat een dergdijk instituut moet wordengdocaliseerd binnen de Randstad als grootsteddijk mi-lieu volgens Nederlandse maatstaven. Binnen de Rand-stad (...) zal een nadere keuze moeten vallen op een dervier centrale agglomeraties teneinde het instituut zo sterkmogdijk te verankeren in aanwezige structuren. Boven-staande impliceert dat planologisch gezien de landdijkebetekenis van het instituut voldoende gemarkeerd wordtdoor situering in Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhageof Utrecht, die de hoofdkernen zijn van deze agglomera-ties."In de overigens degelijke nota van de Rijksgebouwen-dienst komt deze planologische passage erg aprioristischover.In de pubUeke discussie rond de locatie zijn slechtszddzaam planologische argumenten aangevoerd, maarmet name N.A. de Boer doet dat wel (Volkskrant,15-ll-'84). Hij stelt o.m. dat er bepaald geen metropoh-tain Randstadmilieu bestaat. De Randstad is naar zijnmening een optelsom van vier steden met ieder een eigenen eigensoortig pakket van landdijke voorzieningen. Dediscussie heeft in ieder geval wel aangetoond dat eenzodanig milieu niet wordt aangevoeld door de discussian-ten.De Rijksgebouwendienst heeft zich in de AlternatievenAnalyse niet willen wagen aan een advies. Ze zullen daargedacht hebben: als de minister Rotterdam wil, dan zegthij het zelf maar.Want als de Rijksgebouwendienst de planologischepassage nog wat had uitgebreid, dan was ongetwijfdd eentekst ontstaan in de geest van de Struktuurschets voor deStedelijke gebieden 1983. Een van de leidende principesvan deze schets is het optimaal benutten van aanwezigepotenties. De PKB-zinsnede "Er wordt gestreefd naar hetontwikkelen van de economische potenties, die verbon-den zijn aan de specifieke kenmerken van de verschillenderegio's van ons land" hoeft maar weinig opgerekt te wor-den om tot een planologische conclusie t.a.v. de locatievan het instituut te leiden.Er zal toch weinig onenigheid over bestaan dat een vande specifieke kenmerken van Amsterdam is dat het deculturele hoofdstad van het land, zo men wil de culturelepool van de polycentrische Randstad, is en blijft. Daarverandert het armetierige cultuurpolitieke argument vande minister niets aan.A.W. Hartman42 Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985Groeikernen- engroeistedenbeleidNoord-Holland en het groeikernenbeleid^^Air. A.Th. Brand*drs. D. Fopma**18 Jaar groeikernenbeleidOp 25 mei 1966 werd door ProvincialeStaten van Noord-Holland met algemenestemmen de "brochure" 3 miljoen Noord-hollanders als uitgangspunt voor hetruimtelijk beleid aanvaard. Daarmee hadhet begrip overloop, zo nauw samenhan-gend met het groeikernenbeleid, zijn in-trede gedaan in de Noordhollandse ruim-telijke ordening. Op 12 november 1984werd door diezelfde Provinciale Staten,eveneens met algemene stemmen, deStructuurschets van Noord-Holland aan-vaard als richtlijn voor het ruimtelijk be-leid. Het accent zou in het vervolg meerop het zuiden van de provincie en vooralop de steden moeten worden gericht. Deopvangtaak van de groeikernen zou defi-nitief, zij het op termijn, moeten wordenbeeindigd.Tussen die twee besluiten liggen18 jaar, waarin enerzijds hard gewerkt isom de ontwikkeling van de groeikernen testimuleren, waarin anderzijds steeds weer* Provinciale Planologische Dienst vanNoord-Holland, afdeling Onderzoek.** Provinciale Planologische Dienst vanNoord-Holland, afdeling Provinciale Planolo-gie. .Juist nu in de jaren '80 het groeikernenbeleid echt goed op gang is gekomen vindt dedefinitieve besluitvorming plaats over de beeindiging van de opvangtaak rond het jaar1990.In het licht van die situatie wordt in het eerste deel van dit artikel de geschiedenis van deNoordhollandse groeikernen kort beschreven.Hoewel het voor een definitief oordeel nog te vroeg is worden in het tweede deel enkeleevaluerende opmerkingen gemaakt vanuit de Noordhollandse invalshoek.kritiek op en twijfel aan het groeikernen-beleid naar voren werd gebracht. Hetonderhavige artikel bedoelt, in aanvullingop de reeds verschenen bijdragen in dezeserie, een beeld te geven van het groeiker-nenbeleid van Noord-Holland. Daarbijzal het accent liggen op de regionale bete-kenis van dit beleid. Omdat aan Alkmaaren Almere in deze reeks al artikelen zijngewijd en aan de andere "Noordholland-se" groeikernen niet, zal aan deze laatstewat meer aandacht worden geschonken.Bij een beeld behoort ook een kritischebeschouwer. In verband daarmee zal eendeel van het artikel tenslotte gewijd zijnaan een evaluatie van het groeikernenbe-leid.3 Miljoen NoordhollandersDe in het artikel van Brandes, Leeflang enVan der Werf-Zijlstra (S. en V. September1984) behandelde Nota Westen desLands (1958) heeft evenals de eerste NotaInzake de Ruimtelijke Ordening (1960)een grote invloed gehad op het ruimtelijkbeleid in Noord-Holland. In het streek-plan Noord-Kennemerland, vastgesteldin 1962, werd bijvoorbeeld reeds rekeninggehouden met een sterke uitgroei van Alk-maar. Toch ontbrak er tot 1966 een be-leidsstuk, dat voor de provincie als geheelde ruimtelijke ontwikkelingen voor devolgendejaren weergaf. Dit leidde tot eenzekere ambivalentie in het ruimtelijk be-leid. Enerzijds aanvaardde men de ge-dachte om de groei van de Randstad tebeperken en deze af te leiden naar plaat-sen buiten de Randstad, anderzijdswerkte de provincie mee aan het tot ont-wikkeling brengen van nieuwe grotebouwlocaties in het verstedelijkte zuiden.Voorbeelden van deze laatste waren dezuidoostlob van Amsterdam, de uitbrei-ding van Amsterdam-Noord, de uitbrei-dingen van Beverwijk en Heemskerk totwat wel de "staalstad" werd genoemd ende uitbreidingen van Weesp alsmede debouwlocaties op de Hilversumse en deOostermeent.Zowel het voortdurende woningtekortin de grote steden, als de stagnerende eco-nomische ontwikkeling in het agrarischenoorden van de provincie brachten echterde vraag met zich mee naar een ruimtelijkbeleid voor de provincie als geheel. DeNota "3 Miljoen Noordhollanders" voor-zag in deze behoefte. Deze bescheidenbrochure gaf een overzicht van de proble-men in het noorden en in het zuiden enbracht deze voor een oplossing in verbandmet elkaar. In het noorden een relatieveleegte, een matig voorzieningenniveau, teweinig werk, mede als gevolg van de uit-Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985 43groeikernen en groeisteden: Noord-HoHand1. Het blokmodel uit de brochure 3 miljoenNoordhollandersstoting van arbeidskrachten uit de land-bouw en een vertrekoverschot naar hetzuiden. Daar dreigde door de voortduren-de bevolkingsgroei congestie. Hettoenemende ruimtegebruik voor allerleiactiviteiten zou tot een volledige verstede-lijking van het gebied leiden.Door middel van een "werderzijdsedienstverlening" konden beide delen vande provincie elkaar helpen. Het lege noor-den bood ruimte voor de overloop vanuithet zuiden. Het noorden zou hierdoorworden gestimuleerd en het zuiden ont-last. Daarbij koos men in het noordenvoor een gebundelde deconcentratie - deTweede Nota over de ruimtelijke orde-ning was inmiddels verschenen - ten ein-de een vergaande spreiding en suburbani-satie te voorkomen. Als uitgangspuntvoor het beleid werd het blokmodel geko-zen (zie afbeelding 1). Naast Alkmaarwerden "blokken" aangewezen in Water-land, Westfriesland en bij Den Helder.Ook werd uitgegaan van een overloopnaar de Zuidelijke IJsselmeerpolders.De overloop zoekt zijn eigen wegMet de Nota "3 Miljoen Noordhollan-ders" had er nog geen operationalisatievan het overloopbeleid plaatsgevonden.Er waren nog geen woningbouwprogram-ma's, aan de verschillende streekplannenwerd nog gewerkt en er was geen sprakevan een op de "nieuwe steden" toegespitstbestuurlijk instrumentarium. Aan degroei van de woningbehoefte leek echtergeen einde te komen, aan de bouwmoge-lijkheden in de steden wel. Vergroting vande welvaart en de mobiliteit leidde boven-dien tot hogere eisen aan woonmilieu enwoning. De door planologen zo verguisdesuburbanisatie bleek bij de meer welge-stelde woningzoekenden een aantrekke-lijk altematief voor de stad.Gebrek aan ruimte in de stedelijke ge-bieden, ook voor de sociale woningbouw,vormde eveneens een stimulans voor despreiding van de bevolking. Amsterdamging zijn woningwetcontingenten onder-brengen in een groot aantal andere ge-meenten, vooral in de directe omgeving,maar ook in verder weggelegen plaatsenals Hoorn en Bovenkarspel. De Industriein Amsterdam-Noord trok met woningenvoor het personeel Waterland in, Lands-meer, Oostzaan en Purmerend vervuldenhierbij een rol. Hoogovens bouwde voorzijn personeel niet alleen meer in deIJmond, maar zocht ook mogelijkhedenin het noorden. Alkmaar, Heerhugo-waard en zelfs Schagen kwamen in hethuisvestingsgebied van Hoogovens te Hg-gen.Intussen richtten de projectontwikke-laars zich op de markt van pr-emiewonin-gen in de kleine kernen. Met de leuze"wonen waar nog ruimte is" trokken ze dejonge gezinnen, voor zover deze zich eendergelijke woning konden veroorloven,uit de stad. Het werd duidelijk, dat vanhet ruimtelijk beleid niet erg veel terechtkwam en het was Amsterdam, dat heteerst, heel dringend, aan de bel trok. In degemeentelijke nota "Amsterdam behoeftwoningproduktie in het gewest" werd eenalarmerend beeld gegeven van de ver-wachte problemen in de periode 1970-1980.De nota bevatte, en dat was eigenlijkvoor het eerst, een wat nauwkeuriger be-rekening van de Amsterdamse woningbe-hoefte op middellange termijn. In de ge-noemde periode zouden alleen al voorAmsterdam 54.000 woningen moetenworden gebouwd buiten de gemeente-grenzen. Gepleit werd voor woningbouwin zuidelijke randgemeenten als Amstel-veen, Ouder Amstel, Diemen en Weesp,maar ook voor opvoering van de woning-productie in de Zaanstreek en in de lateregroeikernen Alkmaar, Hoorn en Purmer-end. Verder werd het van "eminent be-lang" geacht voor Amsterdam, dat een"zuidweststad in zuidelijk Flevoland"dringende prioriteit zou krijgen. Kernenals Den Helder, Schagen, Enkhuizen-Streekstad en Medemblik kwamen vol-gens de nota niet in aanmerking voor eenopvangfunctie. De grote afstand ten op-zichte van Amsterdam en de gebrekkigeinfrastructuur waren daarvoor de argu-menten.Ten slotte werd er in de nota op gewe-zen, dat de planning van de woningbouwtot dusver vooral een zaak was van deafzonderlijke gemeenten. Daarbij werdvooral naar de korte termijn gekeken.Door Amsterdam werd dan ook gepleitvoor een coordinatie van het ruimtelijk enhet volkshuisvestingsbeleid op provin-ciaal niveau.De Commissie RoelseDit signaal werd door rijk en provincieopgevangen. Er werd een Inventarisatie-commissie ingesteld onder voorzitter-schap van de toenmalige gedeputeerdevoor de ruimtelijke ordening en volks-huisvesting, mr. J. Roelse. In april 1971werd het rapport van deze commissiegepubliceerd. Naast een raming van dewoningbehoefte tot 1980 werd een taak-stelling voorgesteld voor de opvanggebie-den Groot-Alkmaar, Groot-Hoorn,44 Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985groeikernen en groeisteden: Noord-HollandGroot-Purmerend en Zuidelijk Flevo-land. De toevoeging "groot" voor de ver-schillende plaatsen was niet voor niets,want op het eigen gemeentelijk grondge-bied hadden ze geen van drieen voldoenderuimte. Een wijziging van de grenzen metde omringende gemeenten zou die ruimtemoeten bieden.Belangrijker nog dan deze woning-bouwcijfers was de inventarisatie van deknelpunten die het rapport bevatte. Teneinde deze knelpunten weg te nemen wer-den de nodige voorstellen gedaan en erwerd een overleg- en werkstructuur voor-gesteld, waarin rijk, provincie en de be-trokken gemeenten zouden moeten parti-ciperen. De commissie had - zoals Gede-puteerde Staten het later in de Nota Over-loopproblematiek (1973) zouden zeggen -"voor het eerst helder en concreet debestuurlijke, financiele en organisatori-sche problematiek, verbonden aan het totstand brengen van de gewenste ontwikke-hng, op tafel gelegd". Het rapport van deCommissie Roelse is in sterke mate rich-tinggevend geweest voor het groeikernen-beleid van rijk en provincie in Noord-Holland. Door het Rijk werd in april 1972de Nota Volkshuisvesting uitgebracht.Hierin werd het begrip (primaire) groei-kern voor het eerst gehanteerd. Ten be-hoeve van Noord-Holland werden Alk-maar, Hoorn, Purmerend, Lelystad enAlmere als zodanig aangewezen. Ook deOostermeent, in de gemeenten Blaricumen Huizen, werd in feite een groeikern,hoewel daarvoor de term concentratiege-bied werd gebruikt. Voor het eerst werd indeze nota ook een bestuurlijk en finan-cieel instrumentarium voor het verstede-lijkingsbeleid aangegeven.Op provinciaal niveau werd het Coor-dinatiebureau Noordelijk Deel Randstadingesteld. Dit bureau kreeg tot taak deontwikkeling van de groeikernen te sti-muleren, helpen knelpunten weg te ne-men en het beleid van rijk, provincie engemeenten op elkaar af te stemmen. Hetbureau werd begeleid door de StuurgroepNoordelijk Deel Randstad.Op rijksniveau werd als tegenhangerhiervan de Interdepartementale Werk-groep Knelpunten Woningbouw opge-richt, later veranderd in Interdeparte-mentale Commissie Groeikernen enGroeisteden (I.C.O.G.).Op de verschillende bestuursniveau'swerd door deze instanties het groeiker-nenbeleid gecoordineerd. Aanvankelijkvooral gericht op de woningbouw, maargeleidelijk ook aandacht schenkend aanzaken als infrastructuur, welzijnsvoorzie-ningen en werkgelegenheidsaspecten. Eenscala van financiele regelingen werd ge-richt op de uitvoering van het ruimtelijkbeleid. Te noemen zijn bijvoorbeeld deverfijningsregeling groeikernen, het bij-zonder regionaal welzijnsbeleid, locatie-subsidies en de subsidies voor de hoofd-wegenstructuur. Voor wat de Noordhol-landse groeikernen betreft waren dezeregelingen ook wel dringend nodig. Geenvan de drie noordelijke groeikernen wasuitgerust voor de taakstelling tot 1980, hetbouwen van 16 a 17.000 woningen pergroeikern. Daarbij kwam nog, dat ze alledrie te kampen hadden met financieleproblemen, zodanig, dat ze alle drie alszogenaamde artikel 12-gemeenten te boekstonden.In de Provinciale Nota Overlooppro-blematiek werden dan ook al vraagtekensgezet bij de mogelijkheid om de taakstel-ling te realiseren. Een raming van de Pro-vinciale Planologische Dienst leverde deconclusie op, dat de vijf groeikernen toten met 1979 circa 13.500 woningen achterzouden blijven bij de taakstelling van intotaal 60.000 woningen. Voor het provin-ciaal bestuur was dit aanleiding om dehulp van "secundaire groeikernen" in teroepen. In plaatsen als Den Helder,Heerhugowaard, Enkhuizen-Streekstaden Schagen werden de nodige woningenneergezet om te voorzien in de behoeftevan het zuidelijk deel van de provincie (zieafbeelding 2).Na de aanvaarding van de Nota 3 Mil-joen Noordhollanders moest het over-loopbeleid nog grotendeels vorm krijgenin de provinciale streekplannen en in degemeentelijke structuur- en bestemmings-plannen. Alleen in Alkmaar kon gewerktworden op basis van het in 1962 vastge-2. Donorgemeenten en groeikernen0 A\ ^^^\/ ^*1 10 ii?l? 2B f ^x/ ^' C \\ \ ymiIsi. '^" )/MKfsB^4" %^ ^jgiX\ ^TEK: PPD-NHPrimaire groeikernen1. Alkmaar2. Hoorn3. Purmerend4. Haarlemmermeer5. Oostermeent6. Almere7. LelystadSecundaire groeikernen8. Den Helder9. Schagen10. Heerhugowaard11. Enkhuizen-Streekstadstelde Streekplan Noord-Kennemer-land.HoornAnders lag het met betrekking tot degroeikernen Hoorn en Purmerend. VoorWestfriesland-Oost was in 1965 eenstreekplan in voorbereiding genomen. Ditzou de nodige planologische ruimte aanHoorn moeten bieden en voor het gebiedeen uitwerking moeten geven van hetprincipe van de gebundelde deconcentra-tie.In december 1969 werd dit streekplanvastgesteld. Uitgegaan werd van een ster-ke bevolkingsgroei van het gehele gebied.Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985 45groeikernen en groeisteden: Noord-Holland3. HoornBHP'**^**^^Ab,^90^^^Foto Frits Droog AmsterdamDaartoe werd niet alleen in Hoorn, maarook in plaatsen als Enkhuizen-Streekstaden Medemblik en zelfs in een greet aantal"hoofddorpen", ruimte geboden. Achter-af gezien heeft het accent misschien welwat meer op de decencentratie dan op debundeling gelegen.Een probleem, dat overigens ook veerAlkmaar en Purmerend gold, was het feit,dat Hoorn de uitbreidingen gedeeltelijkzou moeten realiseren op het grondgebiedvan de aangrenzende gemeenten Berk-heut, Blokker en Zwaag. Wijziging van degrenzen van Hoorn was een zaak, die al in1960 doer de gemeente Hoorn aanhangigwas gemaakt. Pas in 1979 kreeg Hoornechter veldoende ruimte toen de herzienegemeentelijke indeling veer geheel West-Friesland van kracht werd. Vooruitlo-pend hierep werd op grond van een "gent-lemen's agreement" door de gemeentenBerkhout, Blokker, Hoorn en Zwaag eenstructuurplan opgesteld voor Groot-Heern. Dit structuurplan werd in januari1976 door de betrokken gemeenteradenvastgesteld (zie afbeelding 4).Het oude provinciestadje zou omringdmoeten worden door grote nieuwe wijken.Van west naar oost en in velgorde vanrealisatie waren dit de Grote Waal, Ris-dam, Greene Wijzend en Kersenboogerd.Het gebied de Leekerlanden, ten westenvan rijksweg 7, werd uiteindelijk niet veerbebeuwing aangewezen, heewel dit in hetstreekplan als zodanig aangegevenstond.Voor de verbinding met het zuiden vande provincie was rijksweg 7 reeds in aan-leg vanaf Purmerend, daarnaast zou despoorlijn vanaf Zaandam verdubbeldmoeten worden. Op verschillende plaat-sen werd in het structuurplan ruimte gere-serveerd voor nieuwe werkgelegenheids-terreinen in aanvuUing op het al in ont-wikkeUng zijnde industrieterrein HN'80.In de wijken Grote Waal en Kersenboo-gerd werden nieuwe stations geprojec-teerd.PurmerendOver Purmerend kan een vergelijkbaarverhaal worden verteld. Ook hier was in1966 nog geen streekplan en nog geenstructuurplan, ook hier was onzekerheid46 Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985p%-groeikernen en groeisteden: Noord-Hollandover de verdere woningbouw, die groten-deels moest plaatsvinden op grondgebiedvan de gemeenten Kwadijk, Edam enIlpendam. In de wijken Overwhere enWheermolen waren al de nodige wonin-gen gerealiseerd in het kader van een offi-cieuze groeikerntaak. Voor een voltooiingvan Overwhere was een grenswijzigingmet Kwadijk nodig, deze was reeds in1960 door Purmerend aangevraagd, maarwerd pas in 1970 doorgevoerd.Er heeft geruime tijd onzekerheid be-staan over de vraag of Purmerend nu welof niet een officiele opvangtaak zou krij-gen. In het rapport van de CommissieWesten des Lands werd een beslissinghierover naar het streekplan verwezen. Involgende nota's over de ruimtelijke orde-ning werd echter wel uitgegaan van eenopvangfunctie van Purmerend.Een belangrijk discussiepunt was deStructuurplan Groot-Hoorn, vastgesteld d.d. 26-1-19765. PurmerendFoto: Delta-Phot MiddelburgStedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985 47groeikernen en groeisteden: Noord-Hollandvraag in welke richting Purmerend zoumoeten worden uitgebouwd na de realisa-tie van de wijken "op het oude land". Ineen nota van uitgangspunten voor hetStreekplan Waterland werden drie moge-lijkheden bezien, een uitbouw in dedroogmakerij de Wijde Wormer, in deZeevang, of in de droogmakerij de Pur-mer. Bij de behandeling in de ProvincialeStaten in 1967 kreeg deze laatste richtingde voorkeur.In Purmerend ging men met voortva-rendheid aan de slag. Er werd een struc-tuurplan opgesteld, dat voorzag in debouw van 15.000 woningen in het weste-lijk deel van de Purmer, gedeeltelijk ophet grondgebied van Edam en Ilpendam.Daarnaast zouden nog woningen moetenworden gebouwd in de wijk De Gors, diegedeeltelijk tot Ilpendam behoorde. Desterke oppositie tegen de bebouwing vande Purmer leidde bij de vaststelling vanhet Streekplan voor Waterland tot eenwijziging van deze plannen. De woning-bouw in de Purmer werd beperkt tot 8.500woningen in het noordwestkwadrant vandeze droogmakerij.Voor de woningbouw in de Gors en dePurmer was een wijziging nodig van degrenzen met Edam-Volendam en met Il-pendam, de procedure daartoe werd, opverzoek van Purmerend, in 1974 in ganggezet. De lange tijd die met een dergelijkeprocedure is gemoeid verhinderde eengoed op gang komen van de woningbouw.Tenslotte besloot Ilpendam mee tewerken aan de woningbouw in de Gors.Het wetsontwerp tot wijziging van degemeentegrenzen werd in September 1977aan de Tweede Kamer aangeboden en op1 juli 1980 werd de grenswijziging eenfeit.Naast deze bestuurlijke hindernissenwerd de woningbouw in de Purmer opge-houden door kroonprocedures. Het be-stemmingsplan Purmer I, een eerste aan-zet van de Purmerbebouwing, werd tot deKroon toe aangevochten. Het leek er zelfseven op, dat de adviseur van de Raad vanState de discussie over de richting vanuitbreiding van Purmerend nog weer eensover wilde doen, maar in november 1977werd het plan toch in grote trekken goed-gekeurd. Wijziging van de stedebouwkun-dige opzet - het zogenaamde blokmodelwerd ingeruild voor het concentrischemodel - vereiste een afwijkingsprocedurevan het streekplan. Op 13 november 1980werd eindelijk de eerste paal geslagenvoor de woningbouw in de Purmer.Voor wat de verbindingen met Amster-dam betreft voorzagen het streekplan enhet structuurplan in aanleg van rijksweg 7door Waterland, aanleg van een oostelijkerandweg in de Purmer, verdubbeling vande spoorlijn Zaanstad-Purmerend en ineen verre toekomst mogelijk een directerailverbinding met Amsterdam door Wa-terland. Ook in dit opzicht bleef er onze-kerheid bestaan.De aftakking van de spoorlijn naarHoorn in de richting van Edam, die ookde Purmer zou ontsluiten werd eerst gere-duceerd tot een "lus in de Purmer" enverviel vervolgens helemaal. De plannenvoor de A 7 bezweken onder de aanvallenvan de milieubeschermers en van eendirecte railverbinding met Amsterdam ispas sinds kort weer sprake, maar nu in devorm van een sneltramverbinding. Voorhet huidige structuurbeeld van Purmer-end zie afbeelding 6.OostermeentZoals reeds vermeld werd in de NotaVolkshuisvesting ook de Oostermeentaangewezen als een soort groeikern. In hetStreekplan Gooi- en Vechtstreek, dat in1965 door Provinciale Staten werd vast-gesteld, was reeds in de bebouwing hier-van voorzien. Hoewel veel van de proble-men die zich hierbij voordeden vergelijk-baar zijn met die van de andere groeiker-nen zal in het kader van dit artikel geenverdere aandacht worden geschonken aande Oostermeent. Als argumentatie hier-voor kan gelden, dat er op de Ooster-meent meer sprake is van een regionalebouwplaats dan van een "echte" groei-kern op grotere afstand van de donor-stad.6. Structuurplan Purmerend 1972, aangepast aan het concentrisch model van de bebou-wing in de Purmer48 Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985groeikernen en groeisteden: Noord-HollandAlmere en LelystadOok op het nieuwe land aan de overkantvan het Gooimeer zijn de stedelijke ont-wikkelingen sterk bei'nvloed door hetgroeikernenbeleid. Hier kwamen onderde directe verantwoordelijkheid van deminister van verkeer en waterstaat deplannen voor Lelystad en Almere tot ont-wikkeling. Almere is in deze serie reedsbesproken door Van Willigen en Licher(S. en v., december 1984).Lelystad is in kwantitatief opzicht vangrote betekenis geweest voor de opvangvan Amsterdamse woningzoekenden, ditondanks de afstand van meer dan 50 km.Voor de ruimtelijke structuur van Noord-Holland is deze kern echter van mindergrote betekenis. Van een nadere bespre-king wordt daarom in dit kader afge-zien.Ombuiging van het beleidIn de loop van dejaren zeventig kwam hetgroeikernprogramma steeds beter opgang. Desondanks bleef de woningpro-duktie in de periode 1970-1980 sterk ach-ter bij de verwachtingen: voor alle groei-kernen in Noord-Holland en ZIJP kan eentoename van de woningvoorraad wordengenoteerd van circa 37.000 woningen, ter-wijl de planning uitging van 60.000 wo-ningen. Pas in dejaren tachtig is een ster-ke toename van de woningproduktie teconstateren.In dezelfde periode waarin geleidelijkaan het pad voor uitgroei van de groeiker-nen meer geeffend werd nam ook de kri-tiek op dit beleid steeds meer toe. Hetsterkst heeft deze kritiek zich gericht opde uitbouw van Purmerend in de Pur-mer.Bij de vaststelling van het StreekplanWaterland in 1974 werd mede onder in-vloed hiervan tot een compromis beslo-ten: slechts de helft van de geplandewoningbouw in de Purmer werd in hetplan opgenomen. Daarmee was echter deanti-overloopstroming nog niet tot staangebracht.Tabel 1. Groei woningvoorraad per periode (afgerond op tientallen)absolute cijfers jaargemiddeldenAlkmaar')Hoorn2)Purmerend^)LelystadAlmere1960-'69 1970-79 1980-'83 1960-'69 1970-79 1980-'833.360 9.520 6.6902.040 7.880 5.3804.190 5.790 5.030940 11.470 8.1702.720 8.040340 950 1.670200 790 1.350420 580 1.26090 1.150 2.040270 2.010Totaalgroeikernen 10.530 37.380 33.310 1.050 3.740 8.3301 incl. Oudorp en Koedijk2 incl. Zwaag en Blokker3 incl. IlpendamBovendien was er een andere omstan-digheid die gedeputeerde staten dwongentot een bijstelling of herziening van deprovinciale brochure "Drie miljoenNoordhollanders": de ruimte die in destreekplannen was opgenomen voor uit-groei van Alkmaar, Hoorn en Purmerendzou naar verwachting in het midden vandejaren tachtig zijn opgesoupeerd. Methet oog daarop was een tijdige uitspraaknodig over het al dan niet reserveren vannieuwe ruimte in deze groeikernen.Met de "Nota over de ruimtelijke ont-wikkelingen in Noord-Holland" (meestalkortweg met NORON aangeduid) werdin 1977 deze knoop doorgehakt. Denoordelijke groeikernen zouden in deloop van dejaren tachtig hun opvangtaakten behoeve van de steden in het zuidenvan de provincie moeten beeindigen enoverschakelen op een regionale opvang-taak. Voor die eigen en regionale behoeftewerd in de NORON capaciteit gereser-veerd gedacht in de verschillende groei-kernen.Deze stellingname had onder andereals consequentie dat de capaciteit van debestaande groeikernen niet toereikendzou zijn voor de behoeften van het stede-lijke gebied in het zuiden van de provin-cie. Om dit "gat" te dichten werd in hetzuiden van de provincie een bouwlocatieaangewezen ter grootte van 15.000 wonin-gen tussen Hoofddorp en Haarlem, sinds-dien aangeduid als "NORON-locatie".In het in voorbereiding zijnde Streek-plan voor het Amsterdam-Noordzeeka-naalgebied werd deze locatie opgenomenen in december 1979 werd de gemeenteHaarlemmermeer door de minister aan-gewezen als nieuwe groeikern. Het voertte ver hier de totstandkoming en ruimte-lijke opbouw van deze locatie te beschrij-ven. Van belang is vooral de beslissing diedoor de minister van volkshuisvesting,ruimtelijke ordening en milieubeheer inhet kader van de Structuurschets voor deStedelijke gebieden 1983 werd genomen,om het westelijk deel van de locatie (nabijVijfhuizen) niet goed te keuren. Aanlei-ding hiervoor waren de kosten die met ditlokatiedeel verband houden en de voor-keur van het Rijk voor het bouwen inAmsterdam. Opmerkelijk is de wijze vanbesluitvorming op dit punt. Aan de enekant delegeert het Rijk in de S.S.G.-'83 debevoegdheid tot het aanwijzen van nieu-we bouwlocaties naar de provincies, aande andere kant wordt, mede op grond vanplanologische inzichten, de provincie dekeuze van het Rijk opgelegd, met finan-ciele pressiemiddelen op de achterhand.In de provinciale Structuurschets voorNoord-Holland wordt de lijn die al doorde NORON was aangegeven verder door-gezet. In aanvulhng op die lijn wordt nueen sterk accent gelegd op de versterkingvan de kwaliteit van het bestaand stede-Stedehouw en Volkshuisvesting, fehruari 1985 49groeikernen en groeisteden: Noord-HoUandlijk gebied, slechts in beperkte mate aan-gevuld met bouwmogelijkheden aan deranden van de steden. Van de opvangmo-gelijkheden in de groeikernen is na afloopvan de huidige afspraken op de korteretermijn eigenlijk alleen die in Almere nogovergebleven, maar ook hierbij wordenvraagtekens gezet: Almere zou in dejarennegentig net als Lelystad een nationaletaakstelling moeten krijgen.Een evaluatie van het groeikernenbeleidHet groeikernenbeleid is gedurende eenlange periode richtinggevend geweestvoor de ruimtelijke ordening in Noord-Holland. Bij een evaluatie zijn belangrijkevragen op welke problemen met het groei-kernenbeleid gereageerd werd, of dezeproblemen wel duidelijk genoeg gedefi-nieerd waren en of er geen wijziging in deprobleemstelling is opgetreden.Het groeikernenbeleid hield een ruim-telijke oplossing voor de geconstateerdeproblemen in, die uitgewerkt werd in devorm van concrete doelstellingen. Eenvolgende vraag is dan ook of deze doel-stellingen wel zijn bereikt. Heel nauw ver-bonden hieraan is de vraag of de proces-sen van groei en overloop, die een centralerol hebben gespeeld in de ontwikkelingvan de groeikernen, voldoende zijn ge-stuurd. Ten slotte doet zich de vraag voorof het eindoordeel, bezien vanuit de regio-nal c.q. provinciale optiek, met betrek-king tot het groeikernenbeleid nu als posi-tief of als negatief moet worden bezien.In het volgende wordt getracht op dezevragen een, zij het voorlopig, antwoord tegeven.Op welke problemen reageerde het groei-kernenbeleid?De Nota Westen des Lands gaf een eerstebeschrijving van het probleem waarmeede Randstad in de toekomst zou wordengeconfronteerd. De veelvoudige concen-tratie van activiteiten zou door de demo-grafische en economische ontwikkelingenleiden tot een vergaande verstedelijkingvan het gebied. Er zou een tekort aanbouwcapaciteit ontstaan binnen de ste-den waardoor er een sterke expansie waste verwachten van het stedelijk gebied.Dit zou nadelige gevolgen voor het woon-milieu met zich meebrengen en het zou toteen aantasting leiden van in landschappe-lijk en recreatief opzicht waardevoUe ge-bieden. Dat deze vrees niet geheel onge-grond was blijkt uit de sterke groei van deagglomeratie Amsterdam in die jaren,buiten de begrenzing van het AlgemeenUitbreidingsplan uit. Zelfs speelde de ge-meente Amsterdam in die tijd met debouw van een nieuwe lob aan de stad inWaterland, in het gebied wat nu tot hetNationale Landschap behoort.Deze vrees voor de ontwikkeling van deRandstad tot een grote metropool, metalle maatschappelijke problemen vandien, bleef ook in de volgende nota's medegrondslag voor het ruimtelijk beleid.Daarnaast werden andere problemen toe-gevoegd. In de Tweede Nota over deRuimtelijke Ordening werd de nadruk ge-legd op een tegengaan van de suburbani-satie en het opvangen van de toenemendemobiliteit. In Noord-Holland werd alsmotief voor het groeikernenbeleid nogtoegevoegd de problematiek in het noor-den van de provincie, zoals in het beginvan dit artikel verwoord. Door wonen enwerken in de regionale centra te stimule-ren zou op deze problemen ingespeeldkunnen worden.Achteraf moet worden geconstateerd,dat de wijzigingen in de bevolkingsprog-noses nadelig zijn geweest voor het groei-kernenbeleid. De omvang van de bevol-kingsgroei hep sterk terug. In de groeiker-nen waren echter reeds investeringen ge-daan waardoor het beleid slechts geleide-lijk kon worden omgebogen wilde menniet tot kapitaalvernietiging komen.De onzekerheid over deze prognosesheeft ook steeds weer de besluitvormingbij de uitwerking van het beleid bemoei-lijkt. De discussie over de bebouwing vande Purmer is hier een duidelijk voorbeeldvan.Aan de andere kant is in de zestigerjaren de tendens tot individuahsering vanhet wonen onderschat. De "woningbe-hoevende eenheden" werden steeds klei-ner door gezinsverdunning, door eerderzelfstandig gaan wonen van jongeren,door langer zelfstandig blijven wonen vanbejaarden. Bij een zelfde woningcapaci-teit liep daarmee de inwonercapaciteitvan de steden sterk terug. Illustratiefdaarvoor is de vergelijking van het veron-derstelde inwonertal van Amsterdam inhet Algemeen Uitbreidingsplan van ruim1 miljoen met het huidige aantal inwonersvan nog geen 700.000 in een veel groteraantal woningen.Beide ontwikkelingen, daling van debevolkingsgroei en gezinsverdunning,leidden tot een niet voorziene teruggangvan het inwonertal van de steden. Pas inde laatste jaren is dit probleem, met allegevolgen voor het draagvlak van voorzie-ningen in die steden, voUedig onder-kend.Met betrekking tot het probleem van desuburbanisatie kan geconstateerd wor-den, dat naast omvang van de woningbe-hoefte ook de aard van de woningbehoef-te niet tijdig is doorzien. Althans zijn dedaarover bestaande inzichten in het be-leid onvoldoende toegepast. De suburba-nisatie kwam voor een groot deel voort uitde wens om in een eengezinswoning tewonen, in een betrekkelijk kleinschaligwoonmilieu. Noch met de woningbouw inde steden, noch met die in de groeikernenwerd met deze woonwensen voldoenderekening gehouden. Zowel vanuit de do-norsteden als vanuit de groeikernen ver-trok men op zoek naar die eengezinswo-ning. Pas aan het eind van dejaren zeven-tig werd in de woningbouw voldoendehiermee rekening gehouden.Uit het voorgaande kan de conclusieworden getrokken, dat in de loop van detijd de problemen welke ten grondslaglagen aan het groeikernenbeleid verande-ren, dat deze problemen ook niet altijdeven duidelijk en zeker niet goed gekwan-tificeerd waren en dat ten slotte met hetgroeikernenbeleid samenhangende nieu-we problemen niet tijdig genoeg hebbenkunnen doorwerken in aanpassingen vanhet beleid.50 Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985groeikernen en groeisteden: Noord-HollandZijn de doelstellingen die ten aanzienvan het groeikernenbeleid bestondenbereikt?Ook al was de probleemanalyse beperkt,dat wil niet zeggen dat de doelen nietbereikt zouden kunnen zijn. De voor-naamste doelstellingen die in de drie eer-der aangehaalde nota's naar voren komenzijn:a. de kwantitatieve ontlasting van de ste-den in de randstad voor wat betreft hunbehoefte aan woningen;b. het bundelen van de suburbane treknaar buiten: hoeksteen in het beleid vangebundelde deconcentratie;c. het wegnemen van de verstedelijkings-druk op het Open Middengebied;d. het opvangen van de verkeerseffectendie met het groeikernenbeleid samenhan-gen;e. het wegnemen van de achterstandsi-tuatie in het noorden van Noord-Hollandop het gebied van voorzieningen en werk-gelegenheid.AdaDe betekenis van de groeikernen voor deopvang van vertrekkende Amsterdam-mers is geleidelijk aan toegenomen. In dejaren zestig speelden de groeikernen nognauwelijks een rol, in de jaren zeventigzien we nog een bescheiden rol maar welgeleidelijk toenemend en in dejaren tach-tig is echt van een grote betekenis sprake.(Zie afbeelding 7.)Een ander gegeven ter vergelijking le-vert de toename van de woningvoorraad.In tabel 2 wordt de gemeentelijke groeivan de woningvoorraad per jaar verge-leken tussen de noordelijke Noordhol-landse groeikernen Lelystad en Almere ende donorsteden Amsterdam, Haarlem enIJmond.Deze toenemende betekenis van degroeikernen voor de woningbehoefte vande steden meet in dejaren tachtig wordenbezien tegen de achtergrond van een zichgeleidelijk aan wijzigend verstedelijkings-beleid.Juist nu de groeikernen goed op gangzijn gekomen is er op de verschillendebeleidsniveaus overeenstemming over het7. De vestiging en het vertrek van personen in/uit Amsterdam onderscheiden naar her-komst respectievelijk bestemmingVESTIGING40.000 -:::30.000 - [.. .--.-' :;>>::;:::-;''>'')yy>20.000 -P ^^mmyT/'/ymWA10.000 - %,';::.'.'.',0-1 \' ' ?' VERTREK40.00030.00010.0001960 1965 1970 1975 1980 1983 1960 1965 1970 1975 1980 1983I HOORN. PURMEREND,I Z.IJ.P. EN ALKMAAR1 OVERIG)NOORD-HOLLANDOVERIGNISERIAND \^M jBUITENLANDbouwen van meer woningen in en aan desteden. Dat brengt in de periode 1985-1990 de steden en de groeikernen in eentoenemende concurrentiepositie ten op-zichte van elkaar.AdhBij de beoordeling van de functie die degroeikernen hebben gehad in het bunde-len van het suburbane vestigingsgedragkan het aandeel van de groeikernen in deopvang van de uitgaande migratie van degemeente Amsterdam een indicatie geven(zie a).Een ander gegeven vormt in dit ver-band het groeitempo van de bevolking inTabel 2. Groei woningvoorraadperperio-de gemiddeldperjaar (afgerond op tiental-len)1960- 1970- 1980-1969 1979 1983Groeiker-nen 870 3.740 8.330Donorste-den 4.550 2.610 3.110de groeikernen vergeleken met die in dedonorsteden, de overige steden, de zoge-naamde secundaire groeikernen en dekleine kernen (zie tabel 3).Tabel 3. Groei van de bevolking in % van de bevolking aan het begin van de periode1950-1959 1960-1969 1970-1979 1980-1983Groeikernen ') 12 38 74 48Donorsteden 2) 7 -1 -12 -5Overige steden 3) 23 25 4 0Secundaire groeikernen '^) 5 35 73 5Kleine kernen 15 23 27 -2Noord-Holland inclusiefLelystad en Almere 12 9 5 21 Groot-Alkmaar, Groot-Hoorn, Groot-Purmerend, Lelystad en Almere2 Amsterdam, Haarlem en IJmond3 Zaanstad, overig Groot-Amsterdam, overig Zuid-Kennemerland, Gooi- en Vechtstreek enDen Helder4 Enkhuizen-Streekstad, Schagen, HeerhugowaardStedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985 51groeikernen en groeisteden: Noord-HollandBij het percentage over de laatste perio-de moet bedacht worden dat dit slechtsbetrekking heeft op 4jaar. Naar verwach-ting zal bij de groeikernen over de geheleperiode 1980-1989 de percentuele groeivan de periode 1970-1979 worden over-troffen.Uiteraard speelt hier sterk in mee datde bouw in de vrije sector sterk is terug-gevallen en dat voor de woningproduktiede gesubsidieerde woningbouw dus nogalbepalend is. Deze laatste categorie wordtvoor een groot deel toegewezen aan degroeikernen en aan Amsterdam. Daar-door blijven voor de rest van de provincieslechts zeer beperkte mogelijkhedenover.In de jaren tachtig lijkt door deze ont-wikkelingen de suburbanisatie geheel totstaan te zijn gebracht. Gezien de zeer con-stante betekenis van overig Noord-Hol-land (afbeelding 7) voor de opvang vanAmsterdammers is het echter toch devraag of die functie zich na afloop van degroeikerntaaksteUingen in de jaren ne-gentig niet zal herstellen. De vraag die indat verband speelt is, of het mogelijk zalzijn in de stad in voldoende mate rekeningte houden met wensen ten aanzien vanwoning en woonomgeving die leven bij degroepen die neiging tot suburbanisatievertonen.Samenvattend kan worden geconclu-deerd, dat de groeikernen wel een zekerebijdrage hebben geleverd aan de doelstel-ling tot bundeUng van de suburbanisatie,maar dat alleen in de jaren tachtig sprakeis van een zeer duidelijk merkbaar ef-fect. AdcHet is niet te zeggen hoe groot de verste-delijkingsdruk op het Open Middenge-bied zou zijn geweest indien er geen groei-kernen zouden zijn geweest. In ieder gevalis te constateren dat vooral in de jarenzeventig een sterke bevolkingstoename indit gebied heeft plaatsgevonden.In Noord-Holland valt de sterke enzeer constante groei van het gebied DeMeerlanden op (Haarlemmermeer, Aals-meer en Uithoorn), zowel qua inwonertalals qua arbeidsplaatsen. De verlening vande groeikernstatus aan de gemeente Haar-lemmermeer betekende voor deze ge-meente dan ook geen drastische omme-keer in het beleid maar juist een zekeregarantie voor de continuering ervan, methet doel de druk op het aangrenzende deelvan het Open Middengebied effectiever tekunnen opvangen dan via de noordelijkegroeikernen. Hiermee is al meteen aange-geven dat in de Noordhollandse situatiede groeikernen te ver van het Open Mid-dengebied waren gelegen om effectief als"drukafleiders" te kunnen functioneren.Dat geldt overigens niet of minder voor defunctie van Almere ten opzichte van deVechtstreek.AddDe filevorming die zich nog dagelijksvoordoet bij Coen- en Velsertunnel lijkt tewijzen op een zich nog steeds voordoendeachterstandsituatie bij de aanleg van dehoofdinfrastructuur die min of meer sa-menhangt met het gekozen verstedelij-kingspatroon. Inderdaad is een aanzien-lijk deel van de in 1966 in de Tweede Notavoorgenomen hoofdinfrastructuur nietgerealiseerd. De Schellingwouderbrug/tunnel als onderdeel van de A-10 rondAmsterdam zal omstreeks 1989 gereedzijn en de tweede tunnel nabij de IJmond,de Wijkertunnel eerst ver in de jarennegentig. Die verbindingen zijn ook hardnodig om de verwachte toename van hetforensisme in de jaren tachtig op te kun-nen vangen.De vraag die echter bij deze min ofmeer permanente achterstandsituatiemoet worden geplaatst is: Is er een oor-zakelijk verband tussen het groeikernen-beleid en de vraag naar nieuwe wegen enoeververbindingen? Immers, de spreidingvan bevolking over een groot gebied van-uit de steden zou zich ook zonder groei-kernenbeleid hebben voorgedaan en naarverwachting krachtiger dan met dit be-leid. Bij de bundeling via het groeikernen-beleid kan in ieder geval voor een veelgroter aantal verplaatsingen gebruik wor-den gemaakt van het openbaar vervoerdan bij een meer gespreid patroon moge-lijk zou zijn geweest. Een zekere illustralievan het feit dat niet de groeikernen om debelangrijkste investeringen in infrastruc-tuur vroegen vormt het volgende staatje,waarin de bedragen zijn opgenomenbesteed uit het Rijkswegenfonds aanrijkswegen in Noord-Holland in de perio-de 1975 tot en met 1983:A 1 64,3 miljoenA 2 7,5 miljoenA 4 * 28,9 miljoenA 5 - miljoenA 6 22,6 miljoenA 7 227,1 miljoenA 8 6,8 miljoenA 9 7,9 miljoenA 10 292,9 miljoenBron: Rijkswaterstaat.Zoals uit afbeelding 8 blijkt is de uitbouwvan het autosnelwegennet sinds 1966sterk gericht geweest op het zuiden van deprovincie. Het grootste bedrag is geinves-teerd in de ringweg rond Amsterdam;geen uitgesproken groeikernweg, hoewel66k voor de groeikernen van belang. Opde tweede plaats komt de A 7, belangrijkvoor Hoorn.Het bedrag omvat echter alle werkenaan deze weg en het grootste deel daarvanis ten noorden van Hoorn gelegen tot aande Afsluitdijk. A 1 en A 6 hebben uiter-aard een belangrijke betekenis voor Al-mere en Lelystad.Samengevat luidt de conclusie, dat erweliswaar sprake is van een achterstand-situatie bij het opvangen van de verkeers-effecten die met de massamotorisering eneen meer gespreid verstedelijkingspa-troon (dan in de jaren zestig en daarvoorbestond) samenhangen, maar dat het nietten voile realiseren van deze doelstellingmoeilijk kan worden verbonden aan hetgroeikernenbeleid op zich zelf.AdeDe centrumfunctie die Alkmaar voor eengroot gebied in het noorden van Noord-Holland al v66r het groeikernenbeleidvervulde is aanzienlijk versterkt en het-zelfde kan worden gezegd van Hoorn. Het52 Stedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985groeikernen en groeisteden: Noord-Holland8. Autosnelwegen in Noord-Holland, situatie 1966 en 1984situatie 1966huidige situatie TEK: PPD-NHverzorgingsniveau in het noorden als ge-heel is hierdoor verhoogd en in dit opzichtis deze doelstelling dan ook volledig be-reikt. De werkgelegenheidsontwikkelingis vooral in Alkmaar eveneens aanzienlijkte noemen, en ook in Hoorn is een forsegroei te zien.De functie van deze centra als werkge-legenheidsconcentratie voor hun omge-ving is toegenomen.Vergelijken we de toename van dewerkgelegenheid met die van de bevol-king dan moet geconstateerd worden datde werkgelegenheidstoename niet in depas loopt met de bevolkingsontwikke-ling (tabel 4).Gezien de sterke groei van de bevolkingin de tweede helft van de zeventiger en inde tachtiger jaren (naar verwachting)moet gezien ervaringen elders wel reke-ning worden gehouden met een na-ijlings-effect van de werkgelegenheid. Hoe grootdit effect zou kunnen zijn valt niet tevoorspellen. Het zal geen betoog behoe-ven dat juist in dit opzicht een stimule-rend overheidsbeleid noodzakelijk blijft,Tahel 4. Toename bevolking en werkgelegenheidGroei in indexcij ers (1963 = 100)Bevolking Werkgelegenheid1963 1976 1981 1963 1976 1981Hoorn en omgevingAlkmaar en omgevingPurmerend en omgeving100 143 171100 150 169100 156 158100 126 138100 133 143100 135 147Zuiden Noord-Holland 100 100 98 100 108 106als "nazorg" van het beleid van de achterons liggende decennia.Tot nu toe is gesproken over de realiseringvan de afzonderlijke doelstellingen. Daar-naast kan de vraag worden gesteld of erstrijdigheden tussen de doelstellingenbestonden, respectievelijk later aan hetlicht zijn getreden.Om de doelstellingen a t/m d te kunnenrealiseren is o.a. de situering van groeiker-nen een belangrijk punt. Voor het realise-ren van doelstelling e was de keuze voorregionale centra als Alkmaar, Hoorn enLelystad essentieel. Door de doelstellinge te verbinden aan de andere zijn groteafstanden aanvaard tussen groeikernenen donorsteden. De vraag is of dezeafstanden in voldoende mate in overeen-stemming zijn met de schaal van de rand-stedelijke stadsgewesten. In dit opzicht issprake van verschuivende opvattingen. Inde Nota Westen des Lands zag men deRandstad nog als een grote metropool,vergelijkbaar met steden als Londen enParijs. In de Tweede Nota ging men uitvan een noordvleugel en een zuidvleugelen in de Verstedelijkingsnota van een aan-tal afzonderlijke stadsgewesten. De uit-stralingskracht van dergelijke stadsge-westen, zelfs van het Amsterdamse, iswaarschijnlijk niet groot genoeg voor het"voeden" van zoveel groeikernen op zo'ngrote afstand.In samenhang hiermee was er ook on-duidelijkheid over de vraag in hoeverre degroeikernen als zelfstandige eenhedenzouden moeten worden gezien, met eeneigen woningmarkt en arbeidsmarkt ofals onderdeel van een groter stadsge-west.Deze onduidelijkheid heeft geleid toteen verschillende interpretatie. In deNota Westen des Lands wordt een inwo-nertal van minimaal 100.000 genoemd alscriterium voor opvangkernen. Bij de ver-dere invulling van het beleid in de diversenota's verdwijnt dit criterium steeds meeruit het gezichtsveld.De indruk ontstaat, dat men niet heeftwillen kiezen uit twee mogelijkheden:1. een beperkt aantal groeikernen op eenStedebouw en Volkshuisvesting, februari 1985 53groeikernen en groeisteden: Noord-HoUandgrotere afstand (30 a 40 km), met eeninwonertal van 150.000 a 250.000;2. een groter aantal kleinere groeikernen,aansluitend bij de steden of in de directeinvloedssfeer hiervan.Of een duidelijker keuze tot een consis-tenter ruimtelijk beleid zou hebben geleidis natuurlijk de vraag.Een duidelijker onderscheid tussen degewenste opvangmogelijkheden ten be-hoeve van de steden en de eveneens ge-wenste regionale stimulering zou de hel-derheid van de gekozen oplossingen in hetlicht van de doelstellingen in ieder gevalwel hebben vergroot.Is het proces van overloop voldoendegestuurd?Uit alle beschouwingen over het over-loopbeleid komt een ding zeer duidehjknaar voren; het beleid is aanvankelijk teonduidelijk omschreven en het instru-mentarium is eerst in een laat stadium terbeschikking gekomen.Toch moet worden vastgesteld dat denota's "Westen des lands" en "Tweedenota" wel degelijk belangrijke initiatievenop gang brachten. In Noord-Holland ga-ven ze aanleiding tot het opstellen vanstreekplannen. Ook de concrete planvor-ming in Lelystad kwam eruit voort. Eerstmet de oprichting van de StuurgroepNoordelijk Deel Randstad in Noord-Hol-land en parallel daaraan de Interdeparte-mentale Commissie I.W.K.W. (lager deI.C.O.G.) werden de beleidsinspanningendie bij de drie overheidslagen nodig warenduidelijker in beeld gebracht en onderlinggecoordineerd. Een "broedperiode" zo-als die nodig was om tot een dergelijkeprojectgerichte aanpak te komen op hetregionale niveau deed zich ook bij degemeenten voor. Eerst na het tot standkomen van een goede projectorganisatiekon ingespeeld worden op de taken waarde gemeenten voor stonden.Het is gezien deze gang van zaken nietverwonderlijk dat eerst in de tweede helftvan dejaren zeventig de woningproductieecht goed op gang kwam. Daar speeldevoor de NoordhoUandse groeikernen ookin mee dat in die periode een aantalbelangrijke grenswijzigingen na een langevoorbereidingsperiode konden wordendoorgevoerd.Vanuit het oogpunt van gecoordineer-de sturing leverde vooral het onvoldoendeinspelen van de sectorale planning op hetgebied van verkeer en vervoer problemenop.Zo is er sinds 1968 geen nieuwe auto-tunnel onder het Noordzeekanaal en hetIJ bijgekomen. Pas 23 jaar later, in 1989,zal dat met de Schellingwouder oeverver-binding weer het geval zijn.Dergelijke coordinatieproblemen heb-ben niet bijgedragen aan een gunstigeontwikkeling van het "image" van hetwonen ten noorden van het Noordzeeka-naal.De conclusie ligt voor de hand: er is telaat actief gestuurd door de overheid ende coordinatie heeft op bepaalde puntenondanks "horizontale" projectbureau'stoch nog te wensen overgelaten. Belang-rijk is de vraag in hoeverre het mogelijkzou zijn geweest een sneller werkende enmeer op de problematiek toegespitsteoverheidsorganisatie op te bouwen. Eenantwoord op die vraag vergt echter eenafzonderlijk artikel en misschien zelfsmeer dan dat.Is het eindoordeel over het groeikernen-beleid vanuit de regionale optiek positiefof negatief?Afhankelijk van het belang dat men toe-kent aan de verschillende doelstellingenzal men tot een verschillend eindoordeelkomen over het groeikernenbeleid. Vanbelang voor een eerlijke beoordeling dientdit beleid te worden beoordeeld in de con-text van de tijd waarin het ontstond.Zo gezien is in ieder geval, zij het laat,voldaan aan de behoefte aan expansie-ruimte voor de uit hun voegen barstendesteden. Ook is voldaan aan de wens deachterstandsituatie op het gebied van deverzorging in het noorden van Noord-Holland weg te werken. Het is waar dat ernog aanzienlijke, zelfs nog toenemende,forensenstromen gericht op de steden be-staan, maar zou dat probleem bij eenander beleid zijn voorkomen? Het is zeerde vraag.Het is al te gemakkelijk achteraf hetgroeikernenbeleid te verketteren, met degegevens en inzichten van dit moment.Een dergelijke gemakzucht leidt tot hetbegaan vanvergelijkbarefoutenbijnieuw beleid. :Tenminste op de volgende twee punten is jhet goed uit het verleden lering te trek-ken:1. De problemen waarop het beleid eenantwoord moest geven waren nogal on-duidelijk en wellicht daardoor is een aan-tal manco's niet of niet tijdig onder-kend:- de effecten van de uitstroom op hetfunctioneren van de donorsteden;- de situering van de groeikernen te vervan het open middengebied;- de schaalverschillen tussen de randge-westen en grote steden als Londen enParijs.2. De stuurmogelijkheden zijn niet goedbekeken:- de inspanningen c.q. kosten waren tehoog (te veel tunnels, te veel assen, tegrote afstand);- een op de problematiek toegesnedenorganisatie en een gericht subsidiebeleid i.ontbraken aanvankelijk;- de kwestie van de flexibiliteit is onvol-doende in de beschouwingen betrokken(met andere woorden groeikernen als zo- *danig zijn welhcht een te "log" beleidsin-strument). ;Ondanks deze punten van kritiek kaneen gematigd positief oordeel worden ge-veld over het NoordhoUandse groeiker-nenbeleid op dit moment. Voor een uit- ;eindelijk positief oordeel zijn de volgende :twee actuele beleidslijnen van belang:- een aantal negatieve effecten van de ;uitstraling uit de donorsteden in die ste-den zelf zal op een zodanige manier be- 'streden moeten worden dat een nieuw ;evenwicht wordt bereikt tussen stad en
Reacties