en volkshuisvesting4^ 66e jaargang, maart 1985DenkraamVandalisme in grootschalige wooncomplexenKantoorhouden in Haagse l^. bordessen?^*S|??5?voor buitentrappen, interieurtrappen,spiltrappen en aangepaste vluchtwegen.tjBeukweg 4, 7556DE HenfiOrgaan van hetNederlands InstituutvoorRuimtelijke Ordeningen Volkshuisvesring ^stedebouw en volkshuisvesting66e jaargang maart1985Redacrie:Ir. R.M.Th. AdriaansensDrs. H.J.M. van AlphenMr. R. BekkerDrs. A.J. van der BurgDr. H. van der CammenDrs. L.G. GerrichhauzenMr. ir. A.W. HartmanIr. J. HeelingIr. K.R. de PoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerRecensieredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-602775Redacrie, adminisri-arie enpublikaries ter recensie:Van Speykstraat 252518 EVDenHaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbesprekingen kunnendesgewenst op het redactie-secretariaat een exemplaar van de'Richtlijnen voor auteurs'aanvragen.Uitgave van:Samsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertenrie-acquisirie:voor personeelsadvertenties:Postbus 42400 MA Alphen aan den Rijntelefoon 01720-62191voor produkt-advertenties:Postbus 4642400 AL Alphen aan den Rijntelefoon 01720-75257Opdrachten en materiaal wordenvoor de lOe van de maand,voorafgaande aan de maand vanverschijning, ingewacht.Losse nunimers f 12,--ISSN 0039-0879InhoudDenkraani88 Vormvragen - vormgeven - vormkrijgen, ir. H. DekkerArtikelen89 Vandalisme in grootschalige wooncomplexen, C. van Dijk,ir. D.J.M. van der Voordt en drs. H.B.R. van Wegen99 Kantoorhouden in Haagse kringen, prof. dr. M. de Smidt107 Planologie: het einde van een discipline? J.P.L. Burgers109 Planologen: de moraaltheologen van Nederland, J. Heeling112 Welstandsbeleid. ruimtelijke ordening en deregulering,W.A.S. van Meel117 Moderne windmolens, windkrachtcentrales en landschap,ir. K. Anema122 Gemeentelijke woningbedrijven in cijfers, P.J. Nagel125 Gelijkstelling stadsvernieuwingsplan met bestemmingsplan enomgekeerd, mr. W. Meerdink en ir. G. Kiestra128 In Planologenland, H. van der Cammen130 Besluurskundige bespiegelingen: De individuele huursubsidie. eenpolitiek instrument, L.G. Gerrichhauzen en M. van Giessen\M Nieuwe publikaries137 Nieuws van de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening139 Mededelingen NIROV141 Overige mededelingen141 AankondigingenDit nummer,wijdt in het eerste artikel aandacht aan vandalisme, in hetbijzonder in grootschalige wooncomplexen. Maatregelenworden voorgesteld, zowel gericht op de vernieier alsook opde woonomgeving zelf.De tweede bijdrage geeft een overzicht van de huidige standvan zaken in de kantorenontwikkeling in de Haagse regie,gevolgd door aanbevelingen voor de toekomst.Vervolgens een tweetal korte bijdragen in de discussie overde crisis in de planologie die beide - onderling geheel ver-schillende - toekomstperspectieven bieden voor het vak.Zijn welstandsbeleid, ruimtelijke ordening en dereguleringmet elkaar te rijraen? Niet als deregulering algehele afschaf-fing van het welstandsbeleid zou betekenen, meent de auteurvan het volgende artikel. Daarvoor is de kwaliteit van deomgeving tezeer in het geding. Voorstellen voor een gemeen-telijk welstandsbeleid.Grootschalige windmolenparken zijn in Nederland nog onbe-kend. Hun te verwachten invloed op het landschap en enigemogelijkheden en onmogelijkheden tot situering wordennagegaan.Tenslotte een overzicht van gemeentelijke woningbedrijvenin Nederland, de daardoor beheerde aantallen woningen ende ontwikkelingen daarin sinds 1969.Stedebouw en Volkshuisvesting, maart 1985 87DenkraamVormvragen - vormgeven - vormkrijgenVoor dit Denkraam over de rol van de ontwerper in de jarentachtig en negentig gebruik ik de niveaus economic - politick -ideologic, ontlcend aan het bockje van Nicos Hadjinicolaou"Kunstgcschicdenis en ideologic", als kapstok.Waarom? De plaats en dc omvang van de architcktuurproduk-tie zuUen in dejarcn '80 en '90 hier en daar cen flinke "crescent"of cen "paperklip" op kunnen leveren. Deze fragmenten zullcnnooit grotcr zijn dan cen vakje in het "grid". De stcdebouw van dcjarcn tachtig en negentig zal in het teken staan van de "dorps-bouw", alle ncorationalistischc principes ten spijt. We gaan methollcnde schrcden van de lokaties in de groene wei naar de gatenin de bestaandc bebouwing. Hierdoor zal cen ontwerppraktijkontstaan die ik "formed pragmatisme" noem. Even de term"dorpsbouw" toelichten. Een paar rccente voorbccldcn van"dorpsbouw":1. Mol en Rijenga probecrden in de Beverwaard met de vorm-geving van de openbare ruimten een becld terug tc bouwcn vaneen middeleeuws binncnstadje. "Morfologischc dorpsbouw" omzo tc zeggen.2. In Spijkenisse probeerde men door het plan op tc dclen indoor deelplanraden bcstuurdc buurtjes aan het nicuwbouwpro-ces als cen soort agogisch bindmiddcl toe tc voegen: "socialedorpsbouw".3. Op diverse onderwijsinstellingcn en bv. ook bij VROM neemtde bclangstclling voor het bouwen op het platteland en in kcrncntoe. ,,Ecologischc dorpsbouw".Begrijp me goed, het begrip "dorspbouw" valt nict samen metkleinschalige of knusse bouw. Het is bouwen op het aanwezigegeografische patroon voor niet anonieme bewoners.Ik verwacht dat de "dorpsbouw" naar zijn aard vcclkleurigerzal zijn dan de stcdebouw van de jaren zeventig, en zcker van dczestiger jaren. Toch zal de rol van de ontwerper in dit geheelmarginalcr zijn dan hij misschien zelf voor mogelijk houdt op ditmoment.Met het hierboven genoemdc drietal begrippen, economic - poli-tick - ideologic, zal ik probcren voorspellingcn te doen over dcvormgcving in de jaren tachtig en negentig.Economie en vormgevingZal de economie de vormgeving van de jaren tachtig beinvloc-dcn?Het zuUen naar mijn mening niet de ontwerpers zijn die doorhet ontwikkclen van nieuwe produkticmethoden cen tcchnologi-sche nieuwe stijl zullcn opleveren. De toenemende friktie tussendraagkracht en woonlasten zal dwars tegcn dc EIB-voorspcUin-gen in leiden tot1. vcrklcining van het wooncomfort2. vcrklcining van het woonoppervlak3. vermindering van het typenaanbod4. vcrgroting van de uitwendige vormvcrscheidenheid.Immers, op dc prijsvorming zeker invloedrijke faktoren alsscriegrootte, bouwsysteem en typenbeperking zuUen bij "dorps-bouw" nauwelijks zoden aan dc dijk zetten. Als enige manipu-Iccrbare grootheid blijft de "vormgeving" over.Politick en vormgevingDe demokratisering van de bcsluitvorming bij dc totstandkomingvan dc gebouwde omgeving zal onverminderd voortgaan. Ener-zijds uit pure noodzaak omdat zonder consensus met de aanwe-zige bewoners nu ecnmaal niet gebouwd kan worden. Anderzijdsis de territoriale dccentralisatie een middel om dc vermeendevcrvreemding van de burger ten opzichte van zijn direktc bclang-enbehartiging op te heffen. Dorpsraadachtige beslissingsstruktu-ren zullcn dorspbouwachtige stcdebouw laten ontstaan. Hetstruktuurplan als figuur zou wcl ecus grotcndecls kunnen gaanverdwijnen. Dc invloed van de hogere bcsluitvormingsniveaus opde vormgeving zal afnemen. Drager-inbouwpakkct experimentenzullcn waarschijnlijk allecn nog hun nut hebben voor het momentdat de definitieve woningkeuze plaatsvindt: een vcrruiming vande kcuzemogelijkheid dus uit verschillende typen.Ideologic en vormgevingVerhuizen is het beste middel om je woonomgeving tc beinvloe-den. Waar het in dejarcn tachtig om zal gaan is het versterken vandc verschillen in het aanbod van woonmiheutypcn. Wat ik ver-wacht is een grote pluriformitcit in ontwcrpstijlcn van woonmi-lieus. Aan de projekties van Owen, Le Corbusier, Bcrlage kanbest een aantal nieuwe worden tocgcvoegd, van hoogstcdelijk "30lagen hoog" tot haast rommclig "ruderaal". Ontwerpers zullcn inhun bccldproduktic dczc milieudiffcrcntiatie kunnen versterken.Vcel tijd en geld zal gaan zitten in het formulercn van voorbepaalde milieus kenmerkendc vormclcmentcn.Waar zullcn architektcn en stedcbouwkundigen in dc komendetien jaar mec bczig zijn?Ik verwacht een verdcre specialisatie in de vormgcvende dis-cipline.In de eerste plaats zal een nicuw vak ontstaan, nl. dc condi-tioncrcnde vormgevcr. In rudimentaire vorm is deze disciplinenog bij sommige stedcbouwkundigen aanwezig. Op basis van minof mcer systematische visuele milieueffcctrapportagc zullcn zijrichtlijnen mocten geven voor in bepaalde milieus gewenstevormkenmerken. De term "stadsinrichtingsdeskundige" zouhicrop van tocpassing kunnen zijn.Daarnaast verwacht ik een schaalverklcining in de ontwer-pcnde discipline, gespecialiseerd naar de verschillende milieuty-pcn. Er is talent genoeg.Ook zal de architekt-agoog in dc figuur van de cxterne des-kundige zoals die hier en daar in Rotterdam als een soort bewo-ncrsadvokaat optrcedt, een bclangrijkc rol gaan spelcn.Van een type "ontwcrperssoort" verwacht ik dat die zal ver-dwijnen, dat is het multidisciplinairc bureau. Het geintegrecrdebureau zal zich niet weten tc handhavcn. Dc vormgcvende dis-cipline zal fragmentercn. Een aantal taken zal worden afgcstotennaar politick meer betrouwbare reken- en managementhuurlin-gcn.Wat resteert is "beeldproduktie" en "bccldkonsumptie". Ikverwacht dat het deel van de bevolking dat niet kan declnemenaan dc beeldproduktie en -konsumptie eerder grotcr zal wordendan kleiner. De slachtoffcrs van dczc min of meer verborgcnvormennood zullcn onvcrmijdelijk in opstand komen. De genc-ratic ontwerpers die hun zal hclpcn is die van dejarcn negentig. Indc twecdc helft van de negentigcrjaren zal blijkcn dat de door henop papier ontwikkeldc concepties ccht gestalte zullcn krijgen. Erzullcn gedrcvcn ontwerpers nodig zijn om in de plaats van watdan werkelijk irrcparabcl is echte nieuwe "stcdebouw" te plc-gen.Wat na de vorigc oorlog uit dc grond is gestampt zal metdczelfde grond worden gclijk gemaakt. Dan zal de Wibaut vanstraks de Bcrlage in spe van nu wecr om cen visie vragen.ir. H. DekkerStcdebouw en Volkshuisvesting, maart 1985Vandalisme in grootschaligewooncomplexenmaatregelen en effectenC. van Dijk*D.J.M. van der Voordt**H.B.R. van Wegen**De laatste jaren heeft het vandalisme eendermate grote omvang aangenomen, datvan een belangrijk maatschappelijk pro-bleem gesproken kan worden. Officielecijfers van bij de politie gemelde vernie-lingen - die bij benadering slechts eenkwart uitmaken van de werkelijke om-vang - laten zien dat het vandalisme tus-sen 1970 en 1982 bijna vertienvoudigd is.De gevolgen zijn dan ook niet gering.Schattingen over de materiele schade lo-pen uiteen van honderden miljoenen totmeer dan een miljard perjaar. Alleen al ineen stad als Rotterdam wordt jaarlijksvoor zo'n 2.5 miljoen vernield aan ruitenvan scholen, musea en andere openbaregebouwen. Eenzelfde bedrag moet wor-den uitgegeven aan reparaties van verniel-de daken, regenpijpen etc. Ook in dewoningbouw is het beeld weinig rooskleu-rig. Met elkaar geven de Nederlandsewoningbouwverenigingen jaarlijks tussende twintig en dertig miljoen gulden uit om* Studeert binnenkort af aan de Universiteitvan Amsterdam, vakgroep Gedragsieer.** Als wetenschappelijk medewerker verbon-den aan het Centrum voor Architectuuronder-zoek, een onderzoekgroep van de afdelingBouwkunde aan de Technische HogeschoolDelft.Stedehouw en Volkshuisvesting, maart 1985Behalve een "morief" bepaalt ook de situafie of een potentiele vandaal daadwerkelijk totvandalisme overgaat. Omgevingspsychologisch onderzoek in acht wooncomplexen weesuit dat vandalisme vooral voorkonit op plekken waar natuurlijke surveillance ontbreekt.Naast maatregelen gericht op de vandaal blijkt ook een adequate inrichting van dewoonomgeving en een zorgvuldig beheer te kunnen bijdragen aan een vermindering van(bepaalde vormen van) vandalisme.vernielingen aan hun huizenbezit te her-stellen. Vooral de midden- en hoogbouwmoet het ontgelden.Behalve financiele schade leidt vanda-lisme tot een algemeen gevoel van onbe-hagen. Kapotgesneden banken of eentram vol graffiti nodigen niet erg uit toteen ritje met het openbaar vervoer, dearbeidssatisfactie van een schoolhoofdwordt danig op de proef gesteld wanneerdeze regelmatig geconfronteerd wordtmet ingegooide ruiten of leeggespotenbrandslangen en na verloop van tijd geeftzelfs de meest geinspireerde woning-bouwvereniging de moed op als voor dezoveelste keer de brievenbussen in brandgestoken zijn. Velen breken zich dan ookdagelijks het hoofd, wat hier aan te doenvalt. Bij het bedenken van maatregelenkan onderzoek een belangrijk houvastbieden.Verschillende gemeenten hebben in-middels onderzoek laten verrichten naarde achtergronden van jeugdvandalisme,waaronder Amsterdam, Rotterdam enHaarlem, terwijl een onderzoek naar van-dalisme aan schoolgebouwen - geini-tieerd door de Stichting Bouwresearch -in de afrondingsfase verkeert. Deze on-derzoeken pogen een antwoord te gevenop een groot aantal uiteenlopende vragen,b.v.- Wie is de vandaal (leeftijd, geslacht,woonsituatie e.d.)?- Wat zijn zijn/haar motieven?- Hoe valt te verklaren waarom op be-paalde plekken zoveel meer vandalismevoorkomt dan elders?- Hoe valt de toename in vandalisme teverklaren?- Welke maatregelen kunnen het vanda-lisme terugdringen?- Welke maatregelen blijken in de prak-tijk het meest effectief?Tabel 1. A antal bij depolitie gemelde ver-nielingen volgens de CBS-statistieken1968 8 5561970 10 3341972 14 0961974 20 8481976 30 5491978 50 9631980 69 7791982 89 799Het bestek van dit artikel laat niet toe opal deze vragen even uitvoerig in te gaan.Wij willen ons hier vooral concentrerenop mogelijke maatregelen en hun effec-ten. Een tweede inperking is, dat we ons inhoofdzaak zullen bezighouden met van-dahsme in de massa-woningbouw en nietmet b.v. vandalisme aan scholen, in hetopenbaar vervoer of rond de voetbalvel-den. De reden hiervan is, dat dit artikelvooral bedoeld is als een samenvattendverslag van een recent onderzoek naar89vandalisme in groolschalige wooncomplexenvandalisme in de woonomgeving, uitge-voerd in een achttal grootschalige woon-complexen (schema 1). Door middel vangesprekken met de betrokken woning-bouwverenigingen, bewoners, wijkagen-ten, jongerenwerkers etc. en op grond vaneigen observaties is onderzocht, welkemaatregelen men in de praktijk toepast enwat het effect hiervan is.Bovendien is een van de auteurs alsbewoner en belieerder van een van dezecomplexen zeer nauw bij de problemenbetrokken en als zodanig in de rol vanparticipant observator opgetreden. Omtoch niet geheel aan de andere vragenvoorbij te gaan, zullen eerst in kort bestekde resultaten van onderzoek naar de ach-tergronden van jeugdvandalisme wordensamengevat. Vervolgens komen de resul-taten van het onderzoek in de acht casesaan de beurt, waarna een koppeling ge-legd wordt met mogelijke theoretischeverklaringen en elders genoemde maatre-gelen.Vandalen en hun motievenDe meeste vernielingen komen voor on-der jongeren in de leeftijd van ca. 8 tot 17jaar. Daarboven wordt vernielen meestalals kinderachtig ervaren. Bij het "uit-gaansvandahsme" na b.v. een bezoek aandisco of cafe ligt de piek tussen de 15 en 20jaar; hierbij speelt alcohol vaak een be-langrijke rol. Een minderheid- meestal dezwaardere kategorie vandalen - blijftlanger doorgaan met vernielen. Deze jon-geren lopen grote kans in de meer crimi-nele sfeer terecht te komen.Binnen de leeftijdskategorie van 8-17jaar is het vandalisme een vrij algemeenverschijnsel. Van de ondervraagde jonge-ren in Rotterdam bleken de meesten ooitwel lets te hebben vernield, zij het de eenernstiger en vaker dan de ander. Van dejongens skoorde 14% in de kategorie"hoog-vandalistisch gedrag" tegen 4%van de meisjes. In Amsterdam bleek vande geinterviewde jongens 63% wel eens tevernielen en 40% van de meisjes. VoorSchema 1. Karakteristiek van de onderzochte gebouwenlokatie type/hoogte aantal woningenper ontsluitingCase 1Case 2Case 3centrum Amster-damAmsterdam-Oostnabij centrumAmsterdamCase 4 aan de rand vanApeldoornCases nabij centrum vanLeeuwardenCase 6 nieuwbouwwijk inPurmerendCase 7 nabij centrum vanSpijkenisseCase 8 buitenwijk vanVlaardingenstudentenflat in 8 bouwlagen met bin- 225nengang en publieke voorzieningen opde b.g.g.portiekflats in 5 bouwlagen met ber- 20gingen naast het portiekgalerijflat in 5 a 6 bouwlagen; ge- 18meensch. binnentuin boven parkeerga-ragegalerijflat in 10 bouwlagen met bergin- 100gen in de onderbouwmaisonnettes 5 a 7 hoog/portiekflats 504 hooggalerijflat in 10 bouwlagen met bergin- 100gen in de onderbouwgalerijflat in 9 bouwlagen met bergin- 90gen in de onderbouwgalerijflat in 10 bouwlagen met bergin- 45gen in de onderbouwHaarlem komen deze percentages opresp. 37% en 11%.Het is overigens de vraag in hoeverre deprocentuele verschillen tussen deze ste-den inderdaad berusten op een verschil inomvang van het probleem of dat eerderhet verschil in vraagstelling als verklaren-de faktor kan worden aangemerkt.Vandalisme wordt veelal gedefinieerdals het opzettelijk plegen van vernielingenzonder dat dit voor de vernieler aanwijs-baar materieel voordeel oplevert. Dit be-tekent echter geenszins dat vandahsme"zinloos" is, zonder zin of betekenis. Naardrijfveer of motief worden in de literatuurde volgende vormen van vandalisme on-derscheiden, die verhelderend kunnenwerken bij het zoeken naar maatregelenter bestrijding:a. Vandalisme uit frustratie of verve-ling.b. Vandahsme uit wraak, b.v. als men hetgevoel heeft onrechtvaardig behandeld tezijn.c. Prestige vandalisme, onder meer ge-richt op het verwerven van aanzien in degroep of het versterken van de eigen iden-titeit (graffiti!).d. Spelvandalisme, b.v. het kapotschie-ten van lampen met een luchtbuks. Somsis eerder sprake van een ongelukje, b.v.wanneer een ruit sneuvelt bij het voetbal-len.e. Instrumented vandahsme, als middeltot materieel gewin, b.v. het forceren vaneen slot ten behoeve van inbraak. In feitevalt deze vorm buiten de hiervoor gegevendefinitie van vandalisme.f. Tactisch vandahsme. Hierbij is hetvandalisme eveneens weloverwogen engepland, maar nu niet gericht op het ver-krijgen van geld. Een voorbeeld is hetinslaan van een ruit met het doel gear-resteerd te worden om aan onderdak tekomen. In geval van een ideeel doel wordtook wel van politick vandalisme gespro-ken. Een voorbeeld van dit laatste is hetvernielen van het "Witte Huis" in Madu-rodam door de groep Onkruit.Al deze vormen komen in de praktijkveelvuldig voor. In het Amsterdamse on-derzoek bleek het vandalisme onder lage-re schoolkinderen vooral gekoppeld aan"keet schoppen", het in groepsverbandzoeken naar spannende activiteiten diedoor volwassenen verboden zijn, metname om de verveling te verdrijven. Ookhet vernielen uit woede of wraak komt indeze leeftijdskategorie veel voor. Dit ge-beurt echter meestal alleen en de vernie-lingen zijn doorgaans minder ernstig vanaard. Een andere belangrijke faktor is90 Stedebouw en Volkshuisvesting, maart 1985vandalisme in grootschalige wooncomplexen"hekel aan school", welke significant sa-menhangt met vernielgedrag. Deze faktor"verklaart" ook veel van het vandalismeonder de 13-16 jarigen, waar de vernielin-gen veelal van een zwaarder kaliber zijn.Een andere bron van onvrede onder hen ishet beperkte toekomstperspektief. Inder-daad blijken leerlingen met minder kan-sen op de arbeidsmarkt (MAVO, LTS,LBO) beduidend meer te vernielen danHAVO- en Atheneumleerlingen. Dezehebben niet alleen betere vooruitzichtenmaar besteden bovendien meer tijd aanhun huiswerk, waardoor zij minder vaakop straat zijn. Ook het verzet tegen be-staande normen en het uittesten van gren-zen speelt in deze leeftijdsfase een belang-rijke rol, evenals het verwerven van pres-tige in de groep.Naast deze drijfveren achter veel van-dahstisch gedrag mag ook de invloed vande omgeving waarin de vandaal opgroeitniet onvermeld blijven. Met name in degestapelde bouw wordt het opgroeiendekind vaak afgeremd doordat voortdurendrekening gehouden moet worden met deaanwezigheid van bewoners links, rechts,boven en onder (zachtjes lopen, niet hardroepen etc.). Bovendien maakt een groteafstand tot de begane grond het voor deouders moeilijk om toezicht op hun kin-deren te houden, waardoor deze langergedwongen worden om binnen te spelenof slechts onder begeleiding naar buitenkunnen. De gedragsbeperkende invloedvan veel woonomgevingen kan uiteinde-2 I I i i,J -TotaaloverzichtZichl op de entreeStudentenflat aan de Weesperstraat inAmsterdam: voorbeeld van een duidelijkewisselwerking tussen architektuur ensociale contextDit gebouw (uit 1962) ward aanvankelijkvooral gekenmerkt door een grote matevan openheid en toegankelijkheid en veelgemeenschappelijke voorzieningen.ledereen, bewoner en niet bewoner,kon gemakkelijk via een open toegangs-deur het gebouw betreden. Het kwamzelfs wel voor dat een vreemde in de keu-ken een eitje stond te bakken. De geringeprivacy van de bewoners blijkt ondermeer uit de beperkte priveruimte, die nietmeer omvat dan een kamer van 4 bij 3meter.Dit alles ademde de vrijheid - blijheidsfeer uit de zestiger jaren, waarin open-heid en tolerantie vooropstonden.Later, als vandalisme en criminaliteitde overhand krijgen en het gebouw hetstigma krijgt opgedrukt van een grotepuinhoop, krijgen de voorstanders vanafdehngssloten de overhand. Het openba-re karakter verdwijnt, semi-openbareruimten worden zoveel mogelijk afgeslo-ten voor niet-bewoners en via allerleibouwkundige ingrepen en op bewonersgerichte akties wordt getracht de betrok-kenheid van de bewoners te vergroten, deherkenbaarheid van de gebouwonderde-len te versterken en de ruimten te indivi-dualiseren.Stedehouw en Volkshuisvesting, maart 1985 91vandalisme in groolscha/ige wooncomplexenlijk leiden tot een negatieve uitwerking opde persoonlijkheidsontwikkeling en aan-leiding geven tot verminderde gevoelensvan controle over de eigen leefsituatie.DrempelsHoewel het vandalisme onder de jeugdeen tamelijk algemeen verschijnsel blijktte zijn, is er tocli altijd nog een groot aan-tal jongeren dat niet vernielt. Dit kanbetekenen dat geen van de genoemdemotieven bij lien aanwezig is. Een andereverklaring is dat de drempel cm te vernie-len voldoende hoog is. Daarbij kan onder-scheid gemaakt worden in interne en ex-terne drempels.De interne drempel verwijst naar demate waarin iemand de norm "vernielenhoort niet" heeft overgenomen. Naastopvoeding speelt hierbij ook de mate vanbetrokkenheid bij potentieel te vernielenobjecten een rol van betekenis. Het lijkt erop dat de toename in vandalisme voor eenbelangrijk deel te verklaren valt vanwegede zwakker geworden interne drempel.De gestegen welvaart heeft het respectvoor materiele goederen, zeker wanneerdie aan een ander toebehoren, doen afne-men. Bovendien is de hoeveelheid publie-ke goederen sterk gestegen. Daarnaast isdoor de toegenomen mobiliteit een grote-re scheiding tussen wonen en werken ont-staan en is men voor zijn kontakten min-der op buurtgenoten aangewezen, waar-door de buurtgebondenheid c.q. betrok-kenheid bij de buurt vermindert. Daarkomt nog bij dat volgens Kapteyn (1981)onder invloed van de democratiseringsbe-weging uit de zestiger jaren allerlei ge-zagsverhoudingen zijn doorbroken, zon-der dat de aandacht voor nieuwe eisen vanzelfcontrole hiermee gelijke tred heeft ge-houden. Er is sprake van een grote matevan toegeeflijkheid ("permissiveness").De relatie tussen de mate van "permis-siveness" en het toenemend vandalismezou een nadere studie waard zijn, waarbijook (sub)culturele verschillen in normenen waarden onderzocht zouden kunnenworden. Illustratief zijn b.v. de volgendetwee sprekende voorvallen. Tijdens eenrecent bezoek aan een school in Parijs vielons op, dat de kleurig bepleisterde murennergens sporen van graffiti vertoonden.Op onze vraag naar een mogelijke verkla-ring hiervoor kregen wij het simpele ant-woord: "ce n'est pas permis!". De van-zelfsprekendheid waarmee deze norm terplekke door de schooUeiding werd gehan-teerd staat in schril contrast met het ant-woord van een Nederlandse criminologe,welke onlangs in een televisieprogrammaop de vraag "wat doet u als uw fiets gesto-len wordt" doodleuk verklaarde ,,dan pikik er een terug".De externe drempel verwijst naar sane-ties op overtreding van bestaande nor-men. Deze sancties kunnen formed zijn(politiecontrole en straffen) maar ook in-formeel, b.v. een reprimande van de bu-ren of een pak slaag van een slachtoffervan vandalisme.De "pakkans" speelt hierbij uiteraardeen belangrijke rol. Illustratief in dit ver-band zijn de uitkomsten van het vergelij-kend onderzoek in de Amsterdamse wij-ken Osdorp en Rivierenbuurt. In de eerst-genoemde wijk - ruim opgezet met veelopenbaar groen, veel hoogbouw en mid-delhoogbouw in vier woonlagen met ber-gingen in de onderbouw- bleek het aantaldoor gemeentelijke onderhoudsdienstengeregistreerde vernielingen veel hogerdan in de Rivierenbuurt. Ten aanzien vanhet aantal bij de politic gemelde vernie-lingen blijkt juist het omgekeerde hetgeval: meer aangiften in de Rivierenbuurtdan in Osdorp. Dit verschil kan wellichtverklaard worden doordat de Rivieren-buurt overwegend bestaat uit middel-hoogbouw in vier lagen en een zolderver-dieping, met de onderste woonlaag direktop het maaiveld gesitueerd. Bovendienlopen hier meer mensen op straat, zodatde "natuurlijke surveillance" door de be-woners veel nadrukkelijker aanwezig is.Dit verklaart wellicht ook waarom dezwaardere vernielingen, die meer tijd kos-ten, in de Rivierenbuurt minder vaakvoorkomen.Ten aanzien van de externe drempel isde rol van de ouders eveneens een faktorvan betekenis. De meest ernstige vernie-lingen vinden plaats door jongeren die inhet geheel geen rekenschap hoeven af teleggen waar ze been gaan of hoe laat zethuiskomen. Het zou wel eens zo kunnenzijn dat, waar de beloning hoog is (statusin de groep, spannende ervaringen) en desancties gering zijn (lage pakkans, weinigkans op ingrijpen door ouders of anderebewoners) gemakkelijk gewoontevormingkan ontstaan, waarmee binnen de eigengroep vandalistisch gedrag als "normaal"beschouwd gaat worden!Een ander aspekt van de externe drem-pel is de moeite die men moet doen omvandalisme te kunnen plegen. In een afge-sloten portiek is het bijvoorbeeld lastigerom een brandje te stichten dan in eenportiek dat publiek toegankelijk is (eenopen deur).Plaats en aard van de schadeNa deze beknopte beschrijving van ach-tergronden van (]eugd)vandalisme kerenwe thans terug naar de uitkomsten vanons veldonderzoek.Schema 2 laat zien wat Voor vernielin-gen in de 8 onderzochte wooncomplexenzijn aangetroffen, gekoppeld aan de plekdes onheils. Hieruit blijkt dat vooral rui-ten en deuren in hallen en trappenhuizenhet moeten ontgelden, terwijl graffiti vrij-wel overal voorkomt. De resultaten stem-men sterk overeen met de uitkomsten vaneen onderzoek, dat de Nationale Woning-raad onlangs heeft gehouden onder haarleden. Ook hier bleken glas, deuren enschilderwerk geliefde objecten te zijn omte vernielen, evenals de verlichting. Tot demeest favoriete plekken van de vandalenbehoorden de entreeruimte van flats, on-derbergingen en kelderboxen, liften, gale-rijen en portieken, trappenhuizen, kort-om die onderdelen van de gebouwde om-geving welke deel uitmaken van gemeen-schappelijke ruimten en voorzieningen inflatgebouwen.92 Stedebouw en Volkshuisvesting, maart 1985vandalisme in ^rootschaUge wooiuomplcxcnSchema 2. Kenmerken van het vandalismeCase 2Case 3Case 7Casebuurt: onmiddellijke omgeving begane grond hal trappenhuis dadersCase 1 graffitivernielingenaan buurthuisschoolbrandgraffitiCase 4 nihilCase 5 vernielingenrond buurt-huis; graffitiCase 6 nihilnihilgraffitivernielingenrond schoolop straat vernielingen in onder- graffiti, ruiten,doorgang, vervuiling en brandstich- zitelemententingvernielingen op de speelplaats graffitiin garage vernielde auto's, leidin- vernielde ber-gen, ruiten en deuren; vernielde gingsdeuren enbosjes ruitennihil vernielde ber-gingsdeurenopengehaalde bestrating en dakbe-dekking; vernielingen op speelter-reinenvernielingen aan auto's op de par-keerplaatsnihilgraffitivernielingen aandeuren en muren,kapotgeschotenlampen in gangenvernielingen aandeuren en muren,vernielde ruitenvernielingen op de parkeerplaats graffitiaan bomen en auto'sruiten, deuren,mededelingenbordgraffitigraffitiruiten en brieven-bussenkrassen in het lak-werk van de hft-deurenvernielde ruitennihilvernielingen aanmededelingenbor-den en brieven-bussengraffiti, licht-armaturen,brandslangen,bellenbordenvernielingenvan ruitenvernielingenvan ruiten;graffitinihilvernielde rui-ten en murengraffitivernielderuitenvernielde rui-ten en murengraffiti, vernielin- verniehngengen aan muren en aan trappentrappen en muren,graffitibewoners enniet-bewonerskrantenjon-gensjeugdige bewo-nersbewoners enniet-bewonersvandalismekomt eigenlijkweinig voorjeugdigen uitde buurt zelfjeugdigen uitde buurt (15-17j.)leerlingen vande schoolnabij en inwo-nende jeugdi-genleerlingen vande MAVOnabijMaatregelen en effectenOm het vandalisme in en rond de woon-gebouwen tegen te gaan zijn in de 8 onder-zochte complexen diverse maatregelengetroffen. Van belang is daarbij onder-scheid te maken in het soort maatregel datis getroffen en in hoeverre zo'n maatregeleffect heeft gehad op het gedrag van devernieler. Uit de vaak zeer uiteenlopendemaatregelen, die we in de praktijk zijntegengekomen, blijkt dat er steeds sprakeis van een impliciete of expliciete gericht-heid op een drietal variabelen die vaninvloed zijn op de vernielingen, nl. deaanwezigheid van individuen met een mo-tief tot vandalistisch gedrag, kenmerkenvan de sociale omgeving waarin het van-dalistisch gedrag plaatsvindt en kenmer-ken van de fysieke omgeving.1. Maatregelen gericht op de vandaalHet doel hierbij is vooral om door ge-dragsbeinvloeding van de (potentiele)vandaal het vandahstisch gedrag te ver-minderen of te voorkomen. Voorbeeldenhiervan zijn:? persoonlijke gesprekken met de van-dalen en met de ouders van de vandalen(door politic of schoolleiding)? overleg tussen poHtie en schoollei-ding? voorlichting over vandalisme op scho-len door de wijkagent? het opzetten van een discogelegenheidvoor de jeugd? individuele akties van bewoners zoalshet oprichten van een voetbalclub voor dejeugd of het opzetten van een buurthuisdoor vrijwilligers.Andere voorbeelden van op het indivi-du gerichte maatregelen, waarbij de na-druk wat meer ligt op het verhogen van deexterne drempel, zijn:? regelmatige politiesurveillance? onmiddellijke inschakeling van de po-litic bij relletjes of diefstal? wachtlopen door bewoners? het aanbrengen van alarmbellen? het aanbrengen van verbodsborden.2. Maatregelen gericht op de bewonersHierbij gaat het vooral om het vergrotenvan de persoonlijke betrokkenheid en hetverantwoordelijkheidsgevoel van de be-woners voor bun woonomgeving. Verbe-tering van het sociale leefklimaat en hetstimulcren van onderhnge sociale kontak-ten geschiedt door de organisatie vanallerhande aktiviteiten zoals:? het oprichten van een bewoners- c.q.huurcommissie? bewonersparticipatie bij renovatie-plannen? het organiseren van schoonmaakak-Stedebouw en Volkshuisvesting, maart 1985 93vanduUsme in grootschalige wooncomplexenties of schilderwerk onder de bewoners? uitgave van een bewonerskrant? het aantrekken van een al dan nietinwonende beheerder of huismeester, diecontrole uitoefent op het onderhoud inhet gebouw en (hchte) sociale problementussen bewoners onderling oplost? de aanwezigheid van een woningmaat-schappeUjke dienst, die problemen vansociale aard oplost.3. Maatregelen gericht op het gebouwen de omgevingHet gaat hierbij om het bepalen van demogelijkheden, die de omgeving biedt omvernielingen te plegen. Vanzelfsprekendligt de nadruk daarbij op de plekken waarvandalisme voorkomt, met name de semi-openbare ruimten binnen en buiten hetgebouw (lift, trappenhuis, barging, fiet-senstalling, buitengevel, parkeerplaatse.d.)Voorbeelden hiervan zijn:a. Onderhoud? snel herstel van onderdelen van hetgebouw? direkte schoonmaak van bekladde mu-ren? goed onderhoud van binnen- en bui-tengebied.b. Privatisering van (semi) openbare ge-bieden zoals bergingen, fietsenstalling,entreehal door o.a.Amsterdam, wonen boveneen parkeergarageDit in 1977 gebouwde wooncomplexwordt vooral gekenmerkt door het ge-meenschappelijke binnenterrein op deeerste etage met hieronder een parkeerga-rage. Opvallend hierbij is de sterke tegen-stelling tussen de veilige, bewonersvrien-delijke binnentuin, waar vrijwel geen van-dalisme voorkomt doordat natuurlijkesurveillance mogelijk is, en de parkeerga-rage met allerlei kenmerken van een ver-waarloosd en onveilig gebied: donker, volrotzooi, met regelmatige aanwezigheidvan junkies en andere ongewenste perso-nen, zonder goede mogelijkheden voorinformele sociale controle of politie-sur-veillance, mede door de vele donkere hoe-ken en vluchtwegen.Zicht op de gemeenschappelijke binnentuin (= dak parkeergarage)Blik in de sterk vervuilde parkeergarage94 Stedebouw en Volkshuisvesting, maart 1985vandalisme in grootschalige wooncomplexen? opdeling van de berging op de beganegrond in compartimenten? afsluiten van bergingen en toegangs-hal (sloten op deuren)? aanbrengen van verbodsborden.c. Vergroting van de herkenbaarheid enzichthaarheid van (semi)openbare gebie-den. Bergingen, fietsenstallingen e.d. wor-den dikwijis gekenmerkt door de aanwe-zigheid van onduidelijke, donkere plek-ken, waar de vandaal zich gemakkelijkkan ophouden en anderzijds de bewonerzich niet graag vertoont. Vandaar dat veelmaatregelen gericht zijn op vergrotingvan de zichtbaarheid door o.a. een beteredaglichttoetreding in de bergingen of hetaanbrengen van extra kunstverlichting.d. Objectversteviging. Hieronder vallenmaatregelen als het vervangen van glasdoor lexaan of het aanbrengen van stevi-ger en duurzamer verlichtingsarmaturen.De vraag naar het effect van deze maat-regelen valt moeilijker te beantwoorden.Schade van vandalisme wordt zelden ex-phciet als zodanig geregistreerd en maaktveelal een (onbekend) onderdeel uit vande post onderhoudskosten. De uitspraakvan de Nationale Woningraad dat vol-gens haar onderzoek "landelijk / 14,04per woning per jaar door corporaties aanhersteluitgaven ten gevolge van vandahs-me wordt besteed op een schadebedragvan/ 16,90 per woning per jaar" sugge-reert een exactheid, die ons inziens me-thodologisch moeilijk waargemaakt kanworden. Bovendien worden veel maatre-gelen ad hoc genomen, vaak meerderetegelijk, zodat geen voor en nastudie vanhet vandalisme per maatregel mogelijk is.Om toch iets over de effecten te kunnenvaststellen is vooral uitgegaan van deindrukken die bewoners, onderhouds-diensten, huismeesters e.d. hebben watbetreft de toename of afname in vandalis-me, waar mogelijk ondersteund met scha-decijfers. Hieruit bleek dat verschillendemaatregelen in de ene situatie wel en ineen andere situatie niet of nauwelijkseffectief zijn. Bouwkundige of technischeveranderingen, waardoor het vernieldeobject onbereikbaar wordt of zodanigwordt versterkt, dat vernielen moeilijkerwordt, bleken in de onderzochte situatiesnog het meest effectief.Ook het aantrekken van een portier ofeen huismeester (met diens woning naastde hal) heeft succes en blijkt de bestemogelijkheid te zijn om pubheke ruimtenin de woonomgeving tegen indringers tebeschermen, zeker wanneer dit gebeurt incombinatie met pohtiesurveillance.Weinig effect - althans in de onder-zochte complexen - hadden maatregelen,die gericht zijn op directe gedragsbein-vloeding van de vandaal. Persoonlijkegesprekken met vandalen haalden weiniguit, vooral omdat een uitstralingseffectnaar andere vandalen uitbleef. Ook akti-viteiten als het openstellen van een buurt-huis tijdens schoolpauzes of het organise-ren van disco-avonden hadden geen suc-ces. Hetzelfde geldt voor de maatregelenter vergroting van de betrokkenheid vande bewoners. Een verklaring hiervan moetgezocht worden in het achterwege blijvenvan andere maatregelen, zoals een betertoewijzingsbeleid, waarbij aandachtwordt geschonken aan bewonerskenmer-ken als leeftijd, aantal kinderen en socialeachtergrond c.q. woongedrag.Nadere analyse van de uitkomstenVanuit omgevingspsychologisch oogpuntkan gedrag opgevat worden als een func-tie van persoon en omgeving: G = (P XO). Volgens dit model is vandalisme - alsbijzondere vorm van (afwijkend) gedrag-het resultaat van de wisselwerking tussenpersoonlijkheidskenmerken enerzijds enSociale woningbouw in RotterdamDe peperklip: geroemd en verguisdprojekt. "Zo'n gebouw vereist gediscipli-neerd gedrag", verklaarde de architektlaconiek, toen kort na de ingebruiknamemaatregelen tegen vandalisme noodzake-lijk bleken. Echter de lokatie van ditgrootschalige wooncomplex in een stads-vernieuwingsbuurt en de concentratie vangrote wooneenheden (dus kinderrijkehuishoudens) in de hoogbouw is vragenom moeilijkheden.Stedebouw en Volkshuisvesting, maart 1985 95vandalisme in grool.schalige wooncomplexenomgevingsfaktoren anderzijds. Inder-daad blijkt de aard en intensiteit van hetgesignaleerde vandalisme niet alleen perpersoon te verschillen, maar ook van plektot plek. De resultaten van het onderzoekvormen daarmee een belangrijke onder-steuning voor de theorieen van zgn. "en-vironmentalisten" (Jeffery, Newman,Reppetto e.a.), waarin sterk de nadrukwordt gelegd op de wisselwerking tussenfysieke omgevingskenmerken en mense-lijk gedrag. Volgens deze theorie zullengebieden die binnen de direkte invloeds-sfeer van de bewoners liggen minder van-dalisme te zien geven, als gevolg van dezichtbare en/of voelbare aanwezigheidvan mensen die zonodig zullen ingrijpen.Sleutelbegrippen zijn "zichtbaarheid" en"betrokkenheid". Inderdaad blijkt hetvandalisme vooral voor te komen op plek-ken die buiten het direkte gezichtsveldvan de J)ewoners vallen (kelderboxen,trappenhuizen, liften) en op plekken dienoch prive noch voUedig openbaar zijn(galerijen, portieken), zodat niemand echtverantwoordelijk is. Dit laatste sluit sterkaan bij de experimenten van Zimbardo enlater Latane en Darley, die aantoondendat in geval van onduidelijkheid over ver-antwoordelijkheid of in geval van ge-deelde verantwoordelijkheid mensen eer-der geneigd zijn een afwachtende bondingaan te nemen dan direkt in aktie te komenom hulp te bieden waar dat nodig was.Daarmee is voor de vandaal de pakkansgering en de externe drempel dus laag.Deze lage pakkans verklaart eveneenshet geringe effect van extra politiesurveil-lance. Dit blijkt alleen zinvol als bewonersc.q. de huismeester meewerken, zoals incase 8, zodat tevens een meer persoonlijkebenadering van de vandalen mogelijkwordt. Experimenten in Nijmegen heb-ben aangetoond dat met name gemoti-veerde en gerichte politiesurveillance enpersoonlijk kontakt van de poUtie (in bur-ger) met zowel de vandalen als de bena-deelden in belangrijke mate kan bijdragentot een vermindering van het vandalis-me.Ook het positieve effect van snelle re-paraties en goed onderhoud stemt over-een met wat men volgens de environmen-talistische theorie zou verwachten. Eengoed verzorgde omgeving wordt immersal gauw geassocieerd met mensen die zichverantwoordelijk en betrokken voelen endaardoor daadwerkelijk zullen ingrijpen.Dit verhoogt zowel de externe drempel(de gepercipieerde kans op sancties neemttoe) als de interne drempel ("vernielenhoort niet" werkt sterker naarmate debetrokkenen meer zichtbaar of voelbaaraanwezig zijn).Omgekeerd leidt een verwaarloosdeo
Reacties