w\m*i ^ ^?'^?--sM-ftSp??'v*?' =lii^::,j I\^i*S"| '111.1 1^: 1 1.*-.1w 68ejaargang,juni1987 ^^40 jaar SRPO ^zeven bijdragen overde planologische toekomststedebouiAfen/olkshuisvestingDenkraamIn PlanologenlandBestuurlijk-juridische trendsNieuwe publikatiesNieuws van de RAVOREGI0 2^oerdma 8i 3^lok B.V.AANNEMERS VAN GROND-, WATER- EN WEGENBOUW* VERNIEUWEN VAN RIOLERINGEN* BOUWRIJPMAKEN VAN TERREINEN* LEVERENENPLAATSEN VANSTELCONPLATEN* VERNIEUWING BESCHOEIINGERTSKADE 8 AmsterdamTEL: 020-224709b.g.g. 02903-3224VERHUUR HYDR. KRANEN, SHOVELS etc.REGI0 2GLAZENHardglazen deurenen puienSecurit veiligheidsglasIrYbraakwerend glasKogelvrij glasAluminium puienPostbus 1253440 AC WoerdenTel. 03480- 17157showroom werkplaatsKuipersweg 13dTel. 03480 - 20302DEURENVERWDLGELUIDWERENDEWANDENMETRUIMZICHTVERWALLUw partner bij eenflexibel 'binnenbestek'.Vetwall-design b.v.industrieterrein De Veken 21Postbus99 l716ZHOpmeer Tel. 02263-3504Vraag de uitgebreidecatalogus oorKPERSOIMEELS- Samsom Uitgeverij bvADVERTEIVITIESPostbus 2282400 AE Alphen aan den Rijnkunt u rechtstreekszenden naar:Telefoon 01720-62603Ook voor inlichtingen en reserveringen.IllFermacell Estrich-elementen zijn een verdereontwikkeling van de in de praktijkreeds op grote schaal toegepaste,Fermacell gipsvezelplaten.Fermacell Estrich-elementen wordengebruikt voor "droge vioeren".De gebruikelijke droogtijd, nodigvoor natte vioeren, vervalt daardoorEr kan dus gewoon doorgewerkt worden.Fermacell Estrich-elementen zijn lichten handzaam, daardoor in korte tijd te legge.De Fermacell Estrich-elementen kunnenworden voorzien van een laag polystyreen,dik 20 of 30 mm volgens DIN 18 164 of minerale wol, dik 10 mmvolgens DIN 4102. Hierdoorwordteen goedegeluids-en warmte-isolatie verkregen.Kontaktgeluidsisolatieverbeteringvan 24 dB behoort tot demogelijkheden. De bovenkant isbovendien nog extra waterafstotendgeimpregneerd.FermacellEstrich-elementenook bijvioerverwarming.Fermacell Estrich-elementenzonder isolatiezijneenvoudig te leggen opvioerverwarmingssystemengeschikt voor droogvloeren.Na afwerking kan direkt metverwarmen worden gestart.Tijdwinst in de winterAfmetingen: 50 x 150 cmGewicht: 18 kg/elementDikte zonder isolatie: 20 mm1 lllililiilifill 11 IfII if11I?IP111I11tl 11B K E ^^ Mill5>^:5S$55^$^~^.o,,o^^'^ :^oFermacell Estrich-elementen zijn lonend!^ B O R S U M IJ^^ Bouwspecialiteiten bvVossendaal 32,4877 AB Etten-Leur. Postbus 370,4870 AJ Etten-Leur.Telefoon 01608 - 3 52 00 - Telex 54368.adviesbureauvoorbouwtechniek bvABT is een adviesbureau van onafhankelijke raadgeven-de ingenieurs dat werkzaam is in de bouwsektor.Een greep uit de werkgebleden waarover wij voor bouw-projekten adviezen uitbrengen:? bouwfysica? bouwputten en bemalingen? constructies in: aluminium, baton, hout, staal ensteen? coordinatie en beoordeling van onderzoek bodem-verontreiniging? grondkostenberekeningen? kwaliteitsbeoordeling gebouwen? onderhoudsplanning en -controle? schade-onderzoek en -herstel? schadevoorspelling bij grondwaterdaling? terrein- en funderingstechniek? terrelnmeting en computercartografieOp verzoek zenden wij u onze brochure(s):? Algemene brochure (advisering - werkgebleden - facili-teiten)Kwaliteitsbeoordeling bij nieuwbouw en bestaandebouwMeer greep op de kwaliteit van uw gebouwen (bouwfysi-ca)Hoofdkantoor: KantoorABT-West:Arnhemsestraatweg358 Mijnbouwstraat 106Velp 085-683111 Delft 015-621661Ol^ Orde van Nederlandse Raadgevende IngenieursHEX BOUWBUROAlphaplan is als onafhankelijk bouwkundig advies-bureau betrokken bij de coordinatie en organisatie tijdens ailefasen van het bouwproces. Zowel van woningverbeterings-en groot-onderlioudsprQJecten als van woningbouw- enutiliteitsprojecten.Alphaplan heeft eenjarenlange ervaring in:- haalbaarheidsonderzoeken- opstellen en bewaken van budgetten- tinanciele begeleiding bij de ontwikkeling van debouwplannen- opstellen van bouwkostenbegrotingen- voorbereiden en besteksgereedmaken van woning-verbeterings- en groot-onderhoudsprojecten- scliiijven van bestekken en veirorgen van bouwkundigtekenwerk- namens opdrachtgevers deelnemen in bouwteams- selecteren van aannemers t.b.v. de inschrijvingen- beoordelen van de aannemersbegrotingen- directievoering en/of dagelijks toezicht houden tijdensde uitvoeringsl'ase.aalphaplan bv.bouwburoondernemingsweg 162404 hn alphen aan den rijn01720-34134IVstedebouwenvolkshuisvesting68ejaargang juni 1987Orgaan van hetNederlands InstituutvoorRuimtelijke Ordeningen Volkshuisvesting m\Redactie:Drs. HJ.M. van AlphenMr. R. BekkerDrs. L.G. GerrichhauzenDr. H.J.M. GoverdeIr. P.C. GroenMr. ir. A.W. HartmanIr. J. HeelingMw. drs. I.T. KlaasenIr. K.R. de PoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerDrs. P.W.A. VeldRecensieredacteur:Drs. H.J.M. van AlphenTelefoon 070-602775Redactie, administratie enpublikaties ter recensie:Mauritskade212514 HD DenHaagTelefoon 070-469652Postgironummer 29080Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen enboekbesprekingen kunnendesgewenst op het redactie-secretariaat een exemplaar van de'Richtlijnen voor auteurs' aanvragen.Uitgave van:Samsom Uitgeverij bvAlphen aan den RijnAdvertentie-acquisitie:voorpersoneelsadvertenties envoorprodukt-advertenties:Postbus 2282400 AE Alphen aan den RijnTelefoon 01720-62603Opdrachten en materiaal vooradvertenties worden voor de lOe vande maand, voorafgaande aan demaand van verschijning, ingewacht.Losse nummers f 12,-ISSN 0039 - 0879InhoudDenkraamDe navel van een 70-jarige, mr.ir.^.^F.//artwan 1$4Artikelen40 jaar SPO - SRPO, voor de redactiecommissie, drs. J.B.Th. van Dam 195Nieuwe orientaties en werkterreinen voor de planologie, prof.dr. G.A. Wissink 197Ruimtelijke kwaliteit: ook voor toekomstige generaties, prof.dr. H. Voogd 206Planologischonderzoekinhetinformatietijdperk,/7ro/(ir. G.A. vanderKnaap 111Sturing van steden: nieuwe opgaven en aanpak, prof. J. Rothuizen endrs. H.J. Gastkemper 216Sturingvan ontwikkelingen in de landelijke gebieden,/;ro/i>. J.P.A. van den Ban 221Nieuwe opgaven voor ruimtelijke planningorganen, ir. P.G. Meijer 225Naar nieuwe vormen van samenwerking en overleg, prof.ir. M. van den Berg 230Nieuwe werkvelden van de SRPO, het Bestuur van de SRPO 238In Planologenland, H. van der CammenNa het stationsgebied van Eindhoven in hetvorige nummerdeze maand eenoverzicht van en commentaar op plannen en ideeen die leven voor het sta-tionsgebiedvan Zwolle, middelgrote gemeente meteen grootverzorgingsge-bied. 240Bestuurlijk-juridischetrends. DeWABMenhetspringvermogenvan deruimte-lijke ordening, mr. M.G. HordijkKorte weergave van de inhoudvan de hoofdstukken Plannen en Milieukwali-teitseisen uit het Voorontwerp van wet tot uitbreiding en wijziging van deWARM en enkele ruimtelijk relevante aspecten van deze hoofdstukken. 242Nieuwe publikaties 244Nieuws van de Raad voor de Volkshuisves-ting 247Mededelingen NIROV 249Aankondigingen 249S en V, juni 1987193Denkraam'De navel van een 70-jarige"In de ... jaren van zijn bestaan heeft het Instituut blijkgegeven den snellen polsslag van die ... decennia te ver-staan. Als wetenschappelijk, niet officieel, centrum vanstudie heeft het niet alleen de belangstelling weten gaandete houden voor tallooze vraagstukken op het gebied vanVolkshuisvesting en Stedebouw, doch heeft het tevensmoeizaam gepoogd op dat terrein baanbrekend werk teverrichten.""De keuze van dit onderwerp is typerend voor deze in-stelling; zij begeeft zich niet in retrospectieve beschou-wingen; zij verdiept zich niet in hetgeen met haar mede-werking werd tot stand gebracht; zij denkt, zoals zij ditreeds zoo vaak heeft gedaan, aan de toekomst. Zij neemtook thans initiatief; in dit geval, door te trachten belang-stelling te wekken voor een zaak, welke, naar het mij voor-komt, voor Nederland van groot gewicht is...""Gedurende zijn ... jarig bestaan heeft het Instituutblijk gegeven van een onverzwakte vitaliteit, niettegen-staande zijn fmancien niet aan den druk der tijdsomstan-digheden ontkwamen."Deze citaten, waarin kernachtig het karakter van de ver-eniging - toen - wordt verwoord dienen om nu in hetDenkraam enige aandacht te vragen voor het Instituutzelf. Ditjaar is het namelijkzeventigjaargeleden dat, vol-gens de statuten, het NIROV, als Nederlandsch Instituutvoor Volkshuisvesting, werd opgericht. Even navelstarendus.Voor de oprichtingsvergadering moest wegens de grotebelangstelling uitgeweken worden van het Concertge-bouw naar het gebouw van de Vrije Gemeente. Het huidi-ge Paradiso, waar deze maand het jubileumcongres zichwel zal begeven "in retrospectieve beschouwingen", hoeook de Burgemeester van Amsterdam in het citaat hierbo-ven het ontbreken van de neiging tot retrospectie bij devereniging prijst.Maar hij feliciteert het Instituut tergelegenheid van zijntwintigste verjaardag, evenals de beide anderen die wor-den geciteerd, de Minister van Binnenlandsche Zaken ende Burgemeester van 's-Gravenhage.In de halve eeuw die beide jubilea scheidt is het karaktervan het Instituut grondig gewijzigd. Van een actiegroepavant-la-lettre van vooruitstrevende notabelen en instel-lingen is het nu een breed, zeerneutraal en voor sommigenkleurloos platform.De retrospectie van het jubileumcongres nu is dan ookbedoeld om er inspiratie voor de toekomst aan te ontle-nen. Een beetje van hetjeugdig vuur van toen kan nu geenkwaad.Steeds weer komt in het bestuur, de redactie, de secties,enz. de vraag naar boven of het Instituut zich meer zoumoeten laten kennen door over actuele zaken meningen teformu- en te ventileren. Vaak wordt dan geconstateerd datdaardoor de belangen van een of meerdere groepen bin-nen het ledenbestand mogelijk geschaad zullen worden,en dat dit om derwille van de goede verhoudingen en hetpluriform houden van de vereniging ongewenst is.Als er al tegenwoordig als vereniging standpunten wor-den ingenomen is dat op punten waarover al consensusbestaat. Het gevaar van een "spuit-elf'-effekt ligt op deloer. Dit steekt schril af bij de stroom van adressen aanparlement en excellenties uit vroeger jaren van het Insti-tuut.De problemen waar men zich vijftig jaar geleden meebezig hield zijn toch niet wezenlijk verschillend. De toen-malige voorzitter van het Instituut, De Jonge van Elle-meet, stelde bijv. de volgende vraag: "En is niet de meestelementaire opgaaf in het woningvraagstuk deze: wonin-gen te bouwen, die naar onze meening in alle opzichtenvoorzien in datgene, wat wij voor de huisvesting van eengezin gewenscht achten en dan zoodanig, dat die woningrendabel kan worden verhuurd voor dien prijs, dien elkewerkende arbeider redelijkerwijze kan betalen? Hebbenwij dit soms bereikt?" Nog niet, ofweerniet, kunnen we nustellen.En het onderwerp op hetjubileumcongres toen was "dewenschelijkheid van een Nationaal Plan". Het jubileum-congres mi draagt als titel "Van Plan naar Beleid naarPlan?"De vereniging ontleent zijn bestaansrecht onverminderdaan hetslechten van de barrieres die een integrale en onbe-vooroordeelde benadering van volkshuisvestelijke enruimtelijke problemen in de weg staan.Verkokering van overheidshandelen, misverstandentussen theorie, onderzoek en praktijk, en tussen verschil-lende disciplines, opkloppen van verschillen tussen fa-cet(ten) en sektoren, tussen korte termijn en lange termijn,tussen beleid en uitvoering, dat zijn de soort tegenstellin-gen die de vereniging probeert te overstijgen.Het zal de kunst zijn om als vereniging weer lets van hetelan van de eerste decennia terug te vinden om deze doel-stelling beter waar te kunnen maken. Ook binnen hetNIROV dreigen verkokering en misverstanden.Het jubileumboek "Voor Volkshuisvesting en Stede-bouw" van Peter de Ruijter over die eerste jaren zal daar-toe kunnen dienen.In het najaar zal door het bestuur van het NIROV eenbeleidsvisie voor de komende jaren worden geformu-leerd, en aan de leden worden voorgelegd. Een van dehoofdpunten zal zijn in hoeverre het karakter van een ver-eniging doorwerkwijze en programmazal moeten wordenversterkt, dan wel dat voortgegaan moet worden op dehuidige meer elk-wat-wils-toer. Dat er behoefte bestaataan meer programmatisch bezig zijn blijkt voor mij uit deverdere inhoud van dit nummer, geredigeerd door deeveneens jubilerende, 40-jarige, Sectie voor RuimtelijkePlanning en Onderzoek.Tot ziens in Paradiso.A.W. HartmanSenV,juni198719440jaarSPO-SRPOtengeleideDe Sectie van Planologische Onderzoe-kers (SPO), sinds 1985 voortgezet onderde naam Sectie voor Ruimtelijke Plan-ning en Onderzoek (SRPO), van hetNIROV bestaat 40 jaar. Het SRPO-be-stuur heeft het initiatiefgenomen om aande hand van een (kleine) staalkaart vanactuele vraagstukken en vooruitzichtenaandacht te geven aan het vak ruimtelijkeplanning van vandaag en morgen. Dezebijzondere uitgave van Stedebouw enVolkshuisvesting vormt het resultaat.In ons enigszins besmuikte land ken-nen wij weinig uitbundige feestgewoon-ten. Zoals gebruikelijk bij jubilerende or-ganisaties is het initiatief genomen doorhet bestuur. Spontane feestvreugdemaakte plaats voor overdachte vormge-ving, terugblik en vooruitblik wedijver-den met elkaar. Inderdaad, het SRPO-be-stuur heeft gewikt en gewogen of, en zo jahoe, het vorm zou geven aan die bijzonde-re leeftijd.Redenen tot echt feestvieren zijn er vol-gens ons weinig. Het past ook niet bij eensectie, die in bezinning, reflectie en belan-genbehartiging zijn grondslagen heeft.Zeker niet, nu de ruimtelijke planning opdit moment in al zijn uitingen veel minderdoor expansie dan door (her)bezinningen herstructurering wordt gekenmerkt.Aanvallen in het onderwijs worden ge-daan en gedeeltelijk afgeslagen, Provin-ciale Planologische Diensten worden ge-herstructureerd en herdoopt, sommigegemeentebesturen blijken departementa-lisatie te huldigen, de herziene Wet en Be-sluit op de Ruimtelijke Ordening kennenandere pretenties van beheersing van on-ze ruimtelijke omgeving, het ruimtelijkbeleid wordt onderworpen aan herover-weging, sommigen zeggen zelfs achteloosdat Nederland af is.We zijn niet klaar met de zorg voor deruimtelijke inrichting van ons land, inte-gendeel. Mogen dan de grote bouwex-pansies hun hoogtepunt achter zich heb-ben, de steden, zeker de oudere delen er-van, vergen zeerveel aandacht. Compactestad, de problematiek van de overgangs-zone tussen stad en platteland, de opgavevan stadsvernieuwing en woningverbete-ring, de bereikbaarheid van voorzienin-gen in gebieden die door auto's verstoptzijn geraakt, stimulansen voor investerin-gen in binnensteden: het blijven thema'svan belang.Voor de landelijke gebieden geldt deherstructureringsopgave, toch al flink in-gezet met de ruilverkaveling en landin-richting, sterker nu de crisis op Europeseschaal noopt tot drastische verminderingvan de produktie. Hadden we trouwens alniet te maken met zorgelijke ontwikkelin-gen in het landelijk gebied zoals mest-overschotten, bodemverontreiniging enteloorgaan van fraaie landschappen?Hebben de zegeningen van de techniekons de laatstejaren in de vorm van milieu-verontreiniging niet een spiegel voorge-houden over de kwetsbaarheid van onsnatuurlijk milieu? Moeten zulke vraag-stukken worden opgepakt via bestuurlij-ke kaders, waaraan beperkingen van pre-tenties (de "terugtred") worden opgelegden minder geloofwaardigheid door deburgers toegekend?De komende tijd zal "planologenland"bovendien gonzen van de Vierde notaoverde ruimtelijke ordening. Het laatzichnu nog niet raden of dat een pretentieuzeof een meer bescheiden nota zal worden,of daarin de gehele ruimtelijke ordeningzal worden geprofileerd danwel dat juistop enige centrale thema's van verande-ring wordt ingestoken. De prelude van deVierde nota, de RPD-notitie ruimtelijkePerspectieven, beperkte overduidelijk dediscussiestof. Hoe de voorbereidingsde-batten van die nieuwe nota ook wordengeorganiseerd, de NRP en hetvoornemenalleen al tot het uitbrengen van die Vierdenota hebben publiek debat, ook buiten dekring van vakgenoten, over de ruimtelijkeordening uitgelokt.SenV, juni 198719540 jaar SPO-SRPONederland is nooit af, dat is het unaniemeen positieve uitgangspunt van het SRPO-bestuur en de auteurs geweest. Van hetbe-grip "crisis" hebben wij niet willen weten,maar de tekenen van "herorientatie" zijnonmiskenbaar. Voorzover er crisis zouzijn te ontwaren, zou dat hoogstens eenaanduiding zijn van de onzekerheid, dieeigen is aan tijden van verandering, waar-in doelen verschuiven en nieuwe vraag-stukken moeilijk blijken aan te pakkenmet oude oplossingen. Die onzekerheidkan worden uitgebuit als startpunt voorhernieuwde profilering, als uitdaging dieextra aantrekkeHjkheid geeft aan een vakin beweging. Aan die herorientatie wildenwij bijdragen.Daarom gingen wij ervan uit, dat eenblik op morgen en overmorgen belangrij-ker zou zijn dan graven in het verleden:het verleden leert vooral wat je niet moetdoen, de taken van morgen leiden naarwat je wel moet doen. In het zoeken naarperspectieven heeft de redactiecommis-sie eerst enige zwaartepunten geformu-leerd. Die zouden naar onze schatting inde toekomst grote aandacht vergen. Perpunt werden twee auteurs benaderd. Diezwaartepunten luidden:1. Kennis- en informatievoorzieningzal gebruik maken van geavanceerdetechnieken en vergt nieuwe wijzen vanvertaling in beleidsmogelijkheden. Nieu-we vraagstukken zullen nieuwe kennis-vorming oproepen.2. Ondanks alle relativering ervanhebben wij het onderscheid tussen stad enplatteland aangehouden: welke sturings-mogelijkheden staan ons ter beschikkingom aan stadsmilieus en plattelands-milieus vorm te geven, nu er zoveel veran-dering valt waar te nemen?3. Bestuurlijke processen en verhou-dingen buiten de ruimtelijke ordening ende specifieke beleidsorganisatie van deruimtelijke ordening zelfvragen om nieu-we accenten, nu de beleidsorganisatiezich voor andere vraagstukken geplaatstziet. Wij schatten dat het provinciale ni-veau als schakel in de bestuurlijke ketensinteressante perspectieven zou opleve-ren.Daarnaast hebben wij aan een schrijverhet lastige verzoek gedaan een algemeeninleidend artikel te schrijven. De algeme-ne inleider, de zes thema-auteurs en de re-dactiecommissie hebben elkaar kunnenvinden in uitgangspunten voor de artike-len. Daartoe behoorde ook, dat de zes the-ma-auteurs niet hoefden te schromenvoor persoonlijke opmerkingen, indivi-duele standpunten en (eventueel) syste-matische verschillen van mening met me-deauteurs.De keuze van auteurs, onze keuze, heeftgeenszins de pretentie gehad een volledigbeeld te geven van het planologisch den-ken en van de planologische praktijk inNederland. Zo zijn we ons ervan bewust,dat beschouwingen over de ontwikkelingvan de infrastructuur, een uiterst belang-rijk ruimtelijk gegeven, ontbreken, even-als een beschouwing over de hoofdlijnenvan het planningstelsel, een niet geschre-ven hoofdstuk van de RPD-notitie Ruim-telijke Perspectieven.Ook zijn we niet toegekomen aan eenzelfstandige demografische of een meeralgemeen sociaal-culturele beschouwing,met bijvoorbeeld aandacht voor minder-heidsgroepen en ouderen ofprocessen alsemancipatie en individualisering. Slechtszeven auteurs konden aan het woord ko-men, de hoeveelheid te behandelen stofkende beperkingen. Ook hebben onze ze-ven auteurs de uitgangspunten ervarenals een enigszins ongemakkelijk kleding-stuk, dat hen niet precies paste: wat voorde een te breed is blijkt bij een ander tesmal te vallen. Het resultaat vormt een perdefmitie onvolledige staalkaart van deNederlandse ruimtelijke planning.Het vak ruimtelijke planning vandaag enmorgen: een vooruitblik leek ons de bestemanier stil te staan bij het 40-jarig bestaanvan de Sectie Ruimtelijke Planning enOnderzoek. Aan de redactie van Stede-bouw en Volkshuisvesting zeggen wijdank voor de ons geboden vrijheid een ei-gen uitgave te maken. Aan de auteursspreken wij dank uit, dat zij onze uitnodi-ging hebben aanvaard. Aan de lezers hou-den wij voor, dat deze selectie van onder-werpen en auteurs bedoeld is als een uit-daging aan SRPO-leden en alle lezers:zelfs deze onvolledige staalkaart aldwingt tot de conclusie, dat er meer dangenoeg te doen is.Op dit punt gekomen verwijzen wij meterkentelijkheid naar voorgangers: in 1971verscheen een extra-nummer van Stede-bouw en Volkshuisvesting bij gelegen-heid van het 25-jarigjubileum van de Sec-tie van Planologische Onderzoekers.Twee citaten uit die uitgave halen wegraag te voorschijn. Over het uitgangs-punt staat, dat de toenmalige Sectie vanPlanologische Onderzoekers "zich in eenaantal bijdragen rekenschap heeft gege-ven van de stand, de vorderingen en detoekomstverwachting van het planolo-gisch onderzoek". Een tweede citaat: "deredactiecommissie hoopt, dat de doorhaar gekozen (...) aanpak met succes isbekroond. Zij acht dit eventuele succesdan aanwezig, wanneer vele lezers methaar 'tot nadenken gestemd' zullen wor-den".Rekenschap entot nadenken stemmen:kernwoorden voor een gelijke opzet in1971 en 1987, al heeft de Beleidsnota vande SPO in 1985 geleid tot het adopterenvan het begrip ruimtelijke planning voor-afgaand aan planologisch onderzoek.Het SRPO-bestuur hoopt, dat deze uit-gave een actuele invulling geeft van ruim-telijke planningtaken van nu en perspec-tieven van morgen en overmorgen.De redactiecommissie uit het SRPO-bestuur bestond uit: prof. dr. J. Buit (PDI,Amsterdam), drs. J.B.Th. van Dam (RPD,Den Haag), drs. I.T. Klaasen (Fac. Bouw-kunde. Delft) en drs. V. Tersteeg,(NIROV, tevens SRPO-secretariaat, DenHaag).voor de redactiecommissieJ.B.Th. van DamSenV, juni 1987196prof. dr. G.A. Wissinkhoogleraar planologie aan de Katholieke Uni-versiteit NijmegenBij alle onzekerheid schetst Wissink een aantal blijvende nieuwe ontwikkelingen: een gro-tere handelingsgerichtheid van de ruimtelijke planning met het accent op ruimtelijk- enomgevingsmanagement, een sterkere internationalisering van relaties en processen en eensterkere specifieke inkleuring van plaats en plek binnen verstedelijkte gebieden. Daarbijziet hij tevens een verder gedifferentieerd patroon van ruimtelijke milieus met vervagingvan het onderscheid stad-platteland ontstaan.Nieuwe orientaties en werk-terreinen voor de planologieEr gebeurt de laatste jaren veel in de pla-nologie, zoveel eigenlijk dat het moeilijkis om aan te nemen dat alles van blijvendebetekenis zal zijn. Er wordt gezocht naarde kern van de planologie, naar een ver-nieuwde inhoudelijke orientatie, naar eenmoderne opdrachtvoor devormgeving enhet uitbeelden, naar een nieuwe inhouds-bepaling voor nationale programma's,streekplannen en bestemmingsplannenen hun onderlinge afstemming, naarijking en herijking van de relaties metlandinrichting, milieuzorg en econo-misch en sociaal-cultureel beleid, naareen adequate duiding van het begrip be-heerofvan het ruimere begrip omgevings-management, naar de geleiding van deveranderingen in de landbouw, naar demogelijk nieuwe relaties tussen stedelijkeen landelijke gebieden, naar de invloedvan allerlei technische, sociaal-culturele,economische en demografische proces-sen en tenslotte, in relatie met dit alles,naar greep op een toekomst waarvan we,hoe we het wenden ofkeren, weten dat de-ze hoogst onzeker is, maar waarop we onstoch moeten richten.Dat zijn dan nog slechts de globale the-ma's; verscheidene daarvan kunnen na-der worden uiteengelegd. We kunnentwee dingen doen: al deze probleemvel-den aflopen of zoeken naar de belang-rijkste toegangen tot het totale veld.Ik kies voor het laatste. Voor de selectievan de toegangen kan ik alleen mezelf alsgids gebruiken; ik baseer me daarbij opwat ik aan sleutelbetekenis aanwezig achten op datgene waar ik relatief zeker vanben. Het blijft echter een kwestie van"educated guess" en "best bet".Veel is er onzeker. Ik sta zelfs voorzich-tig ten opzichte van zulke ogenschijnlijkezekerheden in ons voorland als een zichstabiliserend bevolkingsaantal, een zeerhoog percentage bejaarden en een relatiefgering aantal jongeren. We weten name-lijk niet echt welke immigratie van buiten-landers ons te wachten staat, terwijl ookeen onverwachte toeneming van het rela-tieve aantal geboorten niet geheel valt uitte sluiten. Natuurlijk moeten we rekeninghouden met mogelijke ontgroening envergrijzing, maar een toegang tot ons tota-le toekomstige werkterrein zou ik er nietvan willen maken. Ik zoek primair naarhoofdingangen enzal daarna wel zien hoeandere processen binnen ruime toleran-tiemarges in hette verkennen veld passen.Ik moet mij allereerst bezig houden metde vraag hoe hetvakzich zal ontwikkelen,met name ofer op grond van de gepercipi-eerde opdracht en van het denken overoptimale effectiviteit enige consensusgroeiende is over de gewenste orientatieen aanpak. De gedachten over de ontwik-keling van de planologie wijzen - via pro-cesplanning en "planning als onderne-ming" - mijns inziens naar een sterkerehandelingsgerichtheid en dat impliceertmeer management-taken met betrekkingtot de feitelijke inrichtingvan de ruimte entot vorming en beheer van leefmilieus.Het impliceert kortweg meerruimtelijk enomgevings-management. In de tweedeplaats valt een toenemende internationa-lisering van economische processen.communicatie, duistere praktijken, ver-huismobiliteit en bevolkingsdynamiek teverwachten. En tenslotte kan men van deaan de gang zijnde processen vrij zekerzeggen, dat zij zullen worden opgevangenin veranderde vormen van stedelijke ne-derzetting die in een andere relatie staantot (veranderde) landelijke gebieden.Ik zal pogen langs deze drie toegangenhet uitgestrekte veld, met wat zich verderdaarop nog afspeelt, enigszins te verken-nen.Het betoog zal hopelijk aantonen, datinternationalisering en stedelijke ontwik-keling, die in het algemeen drijven naargrotere gelijkvormigheid, wellicht meerbelangstelling voor plek en plaats zullenoproepen, waardoor misschienjuist weerdifferentiatie kan ontstaan. Enkele deel-processen zoals internationalisering vanverhuismobiliteit en bevolkingsdyna-miek versterken mogelijk zelfs recht-streeks de locale differentiatie. Verder zalvoor een aanmerkelijk aantal zaken Inter-nationale samenwerking meer en meervereist zijn. De effecten van een en anderop de bestuurlijk-juridische organisatieverdienen indringende aandacht, maarworden in dit artikel nauwelijks uitge-werkt.Handelingsgerichtheidin verbinding met ruim-telijken omgevings-ma-nagementIn "Stedebouw en Volkshuisvesting" vanmei 1986 heb ik al geschreven over deSenV, juni1987197nieuwe orientaties en werkterreinenwenselijkheid van een grotere hande-lingsgerichtheid in de planologie. Ik hebtoen gesuggereerd dat in het voorberei-den van operationele beslissingen en vande daarmee geimpliceerde maatregelenen effecten de kern van de planologie ligt- planologie daarbij te verstaan als weten-schap en praxis van de overheidsb6-moeienis met de sociaal-ruimtelijke orga-nisatie van de samenleving. De bedoeldeeffecten worden daarbij niet autonoomdoor de overheid bepaald; de overheid isvoor wat zij wil en kan bereiken sterk af-hankelijk van het handelen en reagerenvan individuen, groeperingen en organi-saties.Dat sluit aan bij wat Healy onlangsheeft geschreven, namelijk dat "(we can-not ignore) .. .that society is currently de-manding of experts more sensitive atten-tion to what clients ofvarious kinds reallydemand, a more evident demonstration ofthe capabilities experts have, and more ofa service relationship between expertsand clients"')-Plannen en beleidsprogramma's blij-ven uiteraard belangrijk voor het bepalenvan de koers en het aanbrengen van sa-menhang, maar de relatie met het hande-len moet worden geaccentueerd. Dat sluittevens een verfijndere afstemmingvan hetoverheidshandelen op het handelen vananderen in. In het Helmondse besiem-mingsplan Molenstraat e.o. komen b.v. almeervoudige bestemmingen voor: hiermogen 40 woningen worden gebouwd,maar dient zich een ontwikkelaar aan diebereid is voorondergrondse parkeervoor-zieningen te zorgen, dan mogen het er 100worden.Zo'n afstemming van plannen en be-leidsprogramma's op het handelen heeftzeker meer en ook nog andere consequen-ties. Het gaat trouwens niet alleen om derelatie met actoren buiten de overheid.Plannen en programma's kunnen ookstuklopen op afwijkende operationele be-slissingen en maatregelen van sectororga-nen en ook daarmee moet men bij de op-stelling rekening houden. Nochtans kanmen zelden de toekomstige ontwikkelingmet zekerheid in plannen en program-ma's vastleggen. Dat verleent aan wat fei-telijk voorvalt een zwaar gewicht en daar-om moet de planologie een grotere nabij-heid tot het concrete handelen van deoverheid nastreven.Private investeringen, city-plaza Nieuwegein (foto A.J. van der Burg)Een juiste beoefening van de planolo-gie houdt daarom grote aandacht in voorde aard van de maatregelen in relatie tothet handelen en reageren van andere par-tijen en individuen, voor de in te zetten in-strumenten en voor hun effecten, inclu-sief verdelingseffecten.Healy zegt op een andere manier in we-zen hetzelfde wanneer zij in haar zojuistaangehaalde paper de deskundighedenopsomt die vereist zijn voor "the manage-ment ofland use". Ze schrijft datze er ze-ker van is dat nodig zijn: developmentmanagers, public land estate managers,environmental managers, project initi-ators, urban designers, project evalua-tors/impact assessors, policy analysts/information providers (ook ten behoevevan de private sector), strategic thinkers,conflict mediators^).Hetzalduidelijkzijn dat zo'n breed sea-la niet alleen vanuit de planologie inge-vuld kanworden, maardeteneur-ooktenaanzien van de planologie - is, dunkt me,duidelijk. Er valt als gevolg van de nieuweaccenten op een zekere verbreding te re-kenen, waarbij handelingsgerichtheid enruimtelijk en omgevings-managementcentraal staan. Handelingsgerichtheidvraagt - wil zij effectief zijn - om ver-trouwdheid met de voorbereiding en degevolgen van maatregelen. Dit zal eengrotere nabijheid tot projecten (ook pri-vate) meebrengen dan gebruikelijk was.Tegelijkertijd is de aandacht voor de kwa-liteit van de leefmilieus nog steeds groei-ende en zal de planoloog, voor zover hetom beleving, ruimtelijk gedrag en ade-quate functievervulling gaat, daaropmoeten inspelen.Door dit alles vergt het bedrijven vaneffectief ruimtelijk en omgevings-mana-gement b.v. een vrij behoorlijke kennisvaninvesterings- en exploitatiezaken, vanpositieve en negatieve effecten op gebruiken beleving van het milieu en kennis vaneen aantal aspecten van de overheidsbe-drijfsvoering, naast de algemene kennisover maatregelen, instrumenten en effec-ten zojuist genoemd. Het beheer vanwoon- en andere milieus maakt in dezeopvatting deel uit van het ruimtelijk enomgevingsmanagement. Voorts strekkende taken zich uit van het eng-locale tot hetInternationale vlak.De inhoudelijke consequenties van ditbijgestelde begrip van planologie zijn ge-makkelijk in algemene termen aan te dui-den, maar een preciese, laat staan een vol-ledige invuUing is aanzienlijk moeilijker.Aangezien een sterker accent komt te lig-gen op concrete problemen en concreteoplossingen,ishetdenkbaardatmeerpla-nologen gaan opereren binnen de sectorenvan overheidsbemoeienis. Minister Smit-Kroes van Verkeer en Waterstaat werptzich de laatste maanden al op als grootleidster in planologisch relevante zaken.Een aanmerkelijk deel van ruimtelijke in-SenV,juni1987198nieuwe orientaties en werkterreinenrichting en beheer valt inderdaad onderhaar ministerie, een ander groot deel on-der dat van Minister Braks van Land-bouw. We hoeven deze bewindsliedenniet per se in de steek te laten. Ook het ge-biedsgerichte milieubeleid zou nu al vooreen zeer aanzienlijk deel zo door planolo-gen voorbereid kunnen worden. Indienhet vak in essentie gericht is op ondersteu-ning van het plannend en handelend om-gaan van overheidsorganen met inrich-ting en beheer van ruimte en leefmilieu inwisselwerking met actoren in de samenle-ving, moet de planoloog er ook in de sec-toren bij zijn. Anders vrees ik, dat zijnmaatschappeUjk nut op den duur vrij du-bieus zal zijn. Hoe de overheid die zorgverder organiseert en intern opsplitst ofsamenbrengt is vers twee, al zou dit waar-schijnlijk rationeler kunnen dan thans hetgeval is. Wei zal het bij een gevarieerdetewerkstelling nodig zijn de disciplinaireidentiteit te versterken. Hier ligt vooraleen opgave voor de universitaire institu-ten, maar ook voor bijvoorbeeld NIROVen SRPO.Wil dit zeggen dat de facet-bemoeienisniet langer identiteitsbepalend zal zijn?Dat zou inderdaad wel eens gedeeltelijkhet geval kunnen zijn (ik spreek dan overde feitelijke taak van de organen die alsfacet-organen worden aangeduid). Eenmoeilijk punt is namelijk wat er in zo'n si-tuatie wordt van de bemoeienis van facet-organen met de ruimtelijke ordening. Na-tuurlijk blijft bij alle nadruk op handeleneen bevredigende lotale structuur op elkbepaald moment doel van ons streven endus moet er kennis en beleidsvorming opstructuurniveau verondersteld blijvenworden. Maar de capaciteit van de over-heid om de totale structuur daadwerkelijkvorm te geven is betrekkelijk beperkt enmoet waargemaakt worden door middelvan een opeenvolging van concrete pro-jecten waarin allerlei andere actoren me-de zijn betrokken. Niettemin is nadenkenover de structuur nodig omdat het kan lei-den tot samenhang in het handelen en totkoersbepaling. Het product daarvan zalomwille van de rechtszekerheid ook openigerlei wijze in de vorm van bestemmin-gen en van gebruiksregels worden vastge-legd en daar kan weer een toetsende func-tie aan verbonden zijn. Het is wat dit laat-ste betreft zelfs denkbaar dat de uiteinde-lijke beoordeling van projecten groten-deels binnen een op het engelse gelijkendstelsel van "planning permissions"plaatsvindt. ,-Voorts is er als basis voor de verant-woorde beraming van maatregelen eenvoorafgaand en voortgaand denken overmogelijk handelen in modelsituaties no-dig. Tenslotte zouden facet-organen zeerwel de coordinatie van de voorbereidingop zich kunnen nemen bij ingewikkeldeprojecten, b.v. op basis van een operatio-nele gebiedsaanwijzing.InternationaliseringEr valtveel te bedenken dat op toenemen-de internationalisering wijst. Enigszinsgegroepeerd ziet een niet volledige op-somming er als volgt uit:- De voortgezette ontwikkeling van In-ternationale organen, waaronder vooralde EG; de verdere liberalisatie.- Een toenemend internationaal be-wustzijn in verband met de lozing van gif-stoffen en afval op grensoverschrijdendewateren en op zee, in verband ook met deafvoer van gevaarlijke stoffen en met debezoedeling van de lucht door zuren endoor radioactieve stoffen.- Toenemend vervoer door de lucht, deopkomst van hoge-snelheids-spoorlij-nen, de verdere ontwikkeling van netwer-kenvoortelecommunicatieentelematica.- Nog steeds toenemende activiteitenvan multinationale ondernemingen; In-ternationale samenwerkingsverbandenmet het oog op "research and develop-ment".- Intensivering van de kapitaalsstro-men, veranderende goederenstromen.- Toenemend terrorisme, banditisme,drugshandel en frauduleuze praktijkenover landsgrenzen heen en de bestrijdingdaarvan.- Groeiende Internationale migratie,uitmondend in omvangrijker vestigingvan buitenlanders in Nederland en vanNederlanders in het buitenland, doorver-schillende oorzaken, zoals liberalisatie inEG-verband, vluchtelingenstromen dieinternationaal worden verdeeld of zomaar per vliegtuig aankomen, aanvullingvan bepaalde beroepscategorieen metbuitenlanders, omvangrijker operatiesvan Nederlandse bedrijven elders en vanbuitenlandse bedrijven hier, omvangrijkepensioenmigratie door vervroegde terug-trekking uit de werkgebondenheid in eensituatie waarin er veel grotere aantallenouderen zullen zijn dan we gewend wa-Veel hiervan laat zich beter regelen en be-heersen dan nu het geval is, maar onze af-hankelijkheid van wat buiten de grenzengebeurt zal ongetwijfeld toenemen. Heelbelangrijk is daarbij dat door die Interna-tionale invloeden de grote ruimtelijkeprocessen in ons land meer uit de greepraken van de tot sturen geneigde over-heid, met name op wat ik gemakshalveaanduid als het intermediaire niveau, hetRuimtelijke structuur (foto A.J. van der Burg)SenV, juni1987199nieuwe orientaties en werkterreinenniveau tussen internationaal en locaal,d.w.z. het werkingsgebied van nationaleen provinciale ruimtelijke ordening. Erzal ruimte blijven voor een aantal groteprojecten van de sector-departementen,voor grensstelling op het gebied vanwoonlocatie, milieu, natuur en land-schap, voor een aantal actiegebieden indeze categorieen, maar verder zal hetneerkomen op een zo goed mogelijk vol-gen en opvangen van zich aandienende(door nationale en Internationale ontwik-kelingen aangedreven) processen. Daar-tegenover staat dan bij overheid zowel alssamenleving naar alle waarschijnlijkheideen toenemende behoefte om ontwikke-lingen te initieren ofte sturen op het localeniveau en in dat kader groeit de aandachtvoor concrete projecten die plek en plaatsinkleuren en die zich op grond van een-maal gegeven vraag plaatselijk laten ver-wezenlijken, uiteraard vaak wel in con-currentie met andere plaatsen.Voor de grote steden betekent de be-doelde internationalisering "mixed bles-sings". Zij vangen een deel van het besteen een groot deel van het slechtste op enverschillende groeperingen zullen er ge-makkelijk met elkaar in een gepolariseer-de verhouding raken. Dat is waarschijn-lijk altijd al zo geweest, maar het wordt nugeaccentueerd. De "transactional econo-my" (Jean Gottmann) zal er een verdereontwikkelingtegemoet gaan, maar ook de"malefactional economy". Tamelijk eli-taire alleenstaanden en kleine huishou-dens -van meerdere nationaliteiten -blij-ven er ruimtelijk gescheiden wonen vanrelatief arme gezinnen en eenlopenden -vaak van buitenlandse oorsprong. Ook dewerkgelegenheidsontwikkeling zal erminder gunstig zijn dan op vele plaatsenelders, mede in verband met de processendie in de volgende paragraaf zullen wor-den behandeld. Het is geenszins zeker,dat grote hoofdkantoren zich "unbe-dingt" in de grote steden of net over degrens daarvan zullen vestigen, getuige bij-voorbeeld de aangekondigde nieuwbouwin Breda van Esso Benelux.Voor de agrarische gebieden begint deinvloed van de EG-regelingen zich al aftetekenen. Voor deze gebieden zal in de ko-mende jaren een verschuiving plaatsvin-den naar nieuwe benaderingen, waarbijmaximale productiviteit, zeker per een-heid van oppervlakte, voor tal van gron-den niet langer centraal kan staan. Ookhier worden actie-gebieden aangewezenen projecten opgezet; er vindt wellichtomgekeerde ruilverkaveling plaats, waar-bij tamelijk extensieve woon-ontwikke-lingen niet zijn uitgesloten. Ik kom daar-opnogterug.Over de Internationale invloeden op degrote infrastructuur (in ruime zin) is al zo-veel te doen dat op het belang daarvanhier niet hoeft te worden ingegaan. Hoede zaken uit zullen pakken is echter nogerg onzeker. Waarschijnlijkis die grote in-frastructuurvanuit het hele land voldoen-de bereikbaar om uit dit oogpunt regio-naal geen sterk uiteenlopende vestigings-kwaliteit tot gevolg te hebben. Ook de af-stand tot grote infrastructuur in het nabijebuitenlandtelttrouwens mee. Wel is hettehopen dat we wat betreft de aanleg vangrote infrastructuur tot een zinvolle bere-kening van kosten en baten komen en datin de politieke afweging prestige-overwe-gingen binnen de perken blijven (overi-gens begrijp ik niet goed waarom in hetgeval van de hoge-snelheids-spoorlijnende aandacht zo eenzijdig op Frankrijk isgericht). De door Internationale invloe-den en verbanden geinstigeerde grote in-frastructurele elementen zullen zelf weerbijdragen aan een versterking van de in-ternationalisering.In verband met de gemakkelijke en fre-quente afstandsoverbrugging die er hetgevolg van is en in verband met de inter-nationalisering in het algemeen moet iknog een tamelijk fundamenteel punt aande orde stellen. Daarover is in de Verenig-de Staten de discussie al in de jaren zestigbegonnen, maar voor ons land wint hetvooral nu aan grote actualiteitswaarde.Voor goed begrip memoreer ik eerst degrote lijnen van de polemiek die MelvinWebber en Catherine BauerWursterruimtwintig jaar geleden hebben gevoerd').Webber's stelling is dat met de toene-ming van de mogelijkheden tot communi-catie-op-afstand de betekenis van "pla-ce" aanzienlijk is afgenomen en dat hetthans vooral gaat om "space" (ruimte, metname het overbruggen daarvan). Het we-zen van stedelijkheid, zegt hij, wordt nietuitgemaakt door dichtheid of samenbal-ling, maar door interactie en communica-tie tussen gespecialiseerde activiteiten(gedragen door mensen). Welnu, dankzijde moderne communicatie-techniekenkan die interactie gemakkelijk over groteafstanden plaatsvinden. Daarmee is ookhet oude locatiepatroon niet langerte zienals adequate aanduiding van de feitelijkemaatschappelijke processen. In feite heb-ben de functionele betrekkingen tussenmensen steeds minder met een bepaaldeplaats van vestiging te maken.Bauer Wurster spreekt niet tegen dat erontwikkelingen in deze richting gaandezijn, maar zij legt grote nadruk op de blij-vende betekenis van de plaats en waar-schuwt ervoor al te veel consequentiesaan die nieuwe ontwikkelingen te verbin-den. Zij wijst er onder andere op dat dediffuse en gespecialiseerde netwerkenvan communicatie en interactie die Web-ber voordraagt, niet in overeenstemmingzijn met de wens naar of wenselijkheidvan "communities creating commonground and stimulating mutual adjust-ment, integration, citizenship".Nu is dat laatste een vooral normatieveen misschien wel van hang naar roman-tiek getuigende uitspraak. Maar ook is hetbegrip "plaats" te weinig gespecificeerd.Bedoelt men bijvoorbeeld de hele neder-zetting, stad ofdorp ermee? Ik geloofnietdat we daarvan moeten uitgaan. De bin-ding van mensen met een plaats in die zinis waarschijnlijk inderdaad verminderd.Zijderveld heeft over de vermoedelijkeoorzaken daarvan - met name waar het desteden betreft - een boeiend boek ge-schreven"). Mogelijk ligt het anders voorplaats in de zin van plek. Zelfga ik er van-uit, dat mensen behoefte blijven hebbenaan kwalitatief bepaalde en emotioneelMjefneutrale verblijfsmilieus, want ergensverblijven zal men regelmatig moeten,ook al ligt de wereld verder open. Alleenin plekken kan men een concrete, tastbareuitdrukking van zichzelf (menen te) vin-den en daaraan zal bij een diffuser en min-der herkenbaar interactie-veld misschiennog wel meer behoefte bestaan dan thans.De zorg om de directe leef- en verblijfsmi-lieus wordt er dan niet geringer op. Metname inrichting, beheer en gebruik vanwoonmilieus, centrummilieus, recreatie-milieus en zelfs werkmilieus vragen opgrond van deze mijns inziens plausibeleveronderstellingen om veel aandacht.Dat is een kwestie van vormgeving, maarook van plaatskeuze, van zeggenschap ensociale inkleuring. Voor sommigen zalSenV, juni 1987200nieuwe orientaties en werkterreinendat segregatie betekenen, voor anderenveel minder, voor velen betekent het vei-ligheid en geborgenheid, voor anderenjuist niet. De verscheidenheid zal liefstvrij groot moeten zijn en dat zal meer daneens om innovatie vragen, ook op be-stuurlijk-organisatorisch vlak.Planologen zullen uiteraard meer be-trokken zijn bij de ruimtelijke verwerkingvan de invloeden die hetgevolgzijnvan devoortschrijdende internationalisering enbij het goed in kaart brengen van de ruim-telijke effecten daarvan dan bij het voor-bereiden van Internationale regelingen, alis zelfs dit laatste in bepaalde gevallen nietuitgesloten. Zoals eerder werd gesteld zalde bedoelde ruimtelijke verwerking vanInternationale invloeden in zekere mateneerkomen op de verwezenlijking van eenaantal grote projecten en verder in hetnormale (opvang)werk van wat zich on-der Internationale invloed aan bedrijvig-heid en bevolking aandient. Ik heb niet dehoop dat een en ander ruim tevoren in sa-menvattende beleidsprogramma's kanworden vastgelegd. Het zal meer aanko-men op projectstudies waarin tevens dedoorwerking op andere sectoren, belan-gengroepen en gebieden zo goed mogelijkdient te worden onderzocht.Los daarvan zullen veel en vooral klei-nere projecten de uitdrukkking vormenvan het zoeken naar leef- en verblijfsmi-lieus die de mogelijkheid tot identificatieen geborgenheid in een zich verwijdendewereld bieden, wat gelijktijdige productieervan op diverse plaatsen niet uitsluit.Stad en platteland indeze tijd Rationele landbouw (foto A.J. van der Burg)De compacte steden en naar ruimtelijkeomvang beperkte stadsgewesten die deherziene structuurschets voor de stedelij-ke gebieden in 1983 voorstelde, warenenigszins een anachronisme. Zij kondenenkel tijdelijk als beleidsdoelen gebruiktworden omdat we nog in een recessie za-ten. Zij lagen en liggen nietin de lijn van derelevante processen van langere duur.Deze processen leiden tot een nederzet-tingspatroon dat zich in grote lijnen vrijduidelijk laat aangeven. Opsporing vanalle deelprocessen, achterliggende ont-wikkelingen en in het geding zijnde motie-ven is echter veel moeilijker. In elk gevalkunnen we beginnen de globale trend tebekijken.De laatste tijd verschijnen er nogal watstudies die wijzen op een vervanging vande oude begrippen stad en platteland. Zo-wel in de Verenigde Staten als in Frankrijkverplaatst de golftop van de groei zichsteeds verder van de traditionele stedelij-ke kernen en in verafgelegen voorstedenontstaan "megacenters" met o.a. groteconcentraties van kantoren'). In een zeeruitgestrekt gebied is overal niet-primairewerkgelegenheid voldoende bereikbaarom in beginsel woonvestiging mogelijk temaken. We haddeh bijna leren leven methetnogtamelijkoverzichtelijkefenomeenstadsgewest - bijna, want in bestuurlijkopzicht wilden we er niet echt aan - en nuworden we al geconfronteerd met een nogwijderverband. Ik doel dan niet zozeer opeen mentale verstedelijking, want dat iseen moeilijk defmieerbaarbegrip en het istrouwens de vraag of men er nog welscherpe onderscheidingen mee kan aan-brengen. Nee, ik doel op verstedelijkingin fysieke en functionele zin.Blumenfeld, de nestor van de noord-SenV,juni1987201nieuwe orientaties en werkterreinenAanpassing landelijkefuncties aan steden (foto A.J. van der Burg)amerikaanse planologen, heeft zojuist ge-schreven, dat de grote steden aldaar een"metropolitan orbit" van zeer grote afme-tingen hebben gekregen. Het vertrouwdebeeld van wonen buiten en werken in hetcentrum is daarop niet meer van toepas-sing, want er zijn velerlei relaties in veler-lei richtingen*). Ik wil met nadruk cropwijzen, dat de (naar het oosten en zuidenverruimde) Randstad meer is gaan lijkenop de echt grote steden elders, niet omdatde Randstad uit eigen verdienste tot we-reldklasse zou zijn gegroeid, maar omdatdie steden elders ruimtelijk zijn uitgedijden tegelijk diffuser van fysieke en functio-nele structuur zijn geworden. De Rand-stad samen met een ruime omgevingwordt, als gevolg van identieke tech-nische en maatschappelijke ontwikkelin-gen als elders in de westerse wereld, me-tropolitaan naar ruimtelijke omvang endeels naar structuur maar blijft tegelijker-tijd een centrum van metropolitaan for-maat missen. Ik kom daarop terug.Meer terzijde merk ik nog op, dat Blu-menfeld de hier en daar toegejuichte"gentrification" van de oudere stads-delen relativeert, omdat deze neerkomtop verdringing van meer en armqre bevol-king dan ervoor terugkomt. "Money is in-deed returning, but people are leaving"').Ik zal nu allereerst het algemene sprei-dingspatroon van nederzettingen aan deorde stellen, vervolgens de relatie daar-van met de landelijke gebieden en tenslot-te zal ik kort ingaan op de problematiekvan de kernsteden.In ons land zijn de processen van sprei-ding naar kleinere plaatsen zowel als vanringvormige spreiding overhet land even-eens duidelijk speurbaar, alle bespiege-lingen over mogelijke reurbanisatie enover een in grotere of kleinere delen uit-eenvallende Randstad ten spijt. Interes-sante cijfers daarover worden verschaftdoor Buursink^). Hij geeft op basis van deCOROP-regio's o.a. eentabel over de ont-wikkeling vanbevolking en van werkgele-genheid in de steeds belangrijker worden-de dienstensector, waaruit globaal eenringvormige spreiding met een dispro-portioneel groeiend aandeel van de zoge-naamde Halfweg-zone valt af te leiden(zie tabel 1)').Als men mocht denken dat voorname-lijk bevolking-volgende diensten decon-centratie vertonen, dan vergist men zich.Toepassing van de concentratie-ratio vanHannah en Kay op de verschillende cate-gorieen diensten in de 40 COROP-regio'slaat voor de periode 1973-1982 zien dat dewerkgelegenheid zowel in dienstverle-ning aan producenten als in die aan con-sumenten meer gedeconcentreerd raakte(de sector "overheid" Het geen verande-ring zien; concentratie trad alleen op bijorganisaties zonder winstbejag)'").Buursink besteedde ook aandacht aande spreiding naar kleinere plaatsen. Hijbeperkte zich daarbij tot de periode1963-1978, omdat hij wat de werkgelegen-heid betreft in dit geval gebonden was aande bedrijfstellingen, met die van 1978 alslaatste. Zijn materiaal is dus niet al te re-cent, maar het toont voor de beschouwdeperiode wel ondubbelzinnig deconcen-tratie naar kleinere plaatsen aan. Grossomodo nemen kleinere plaatsen sneller inbevolkingtoe en inverhoudingtot hunbe-volking ontwikkelt zich de werkgelegen-heid er positiever. Buursink heeft de ont-wikkeling van de werkgelegenheid ooknaar de drie zones bekeken en de kleinereplaatsen in de Halfweg-zone springen erdan het geprononceerdst uit. Wel past bijdit alles de kanttekening dattwee omstan-digheden enigszins afbreuk doen aan devergelijking. In de eerste plaats moest vangemeenten worden uitgegaan, waarbijdan de omvang van de grootste plaats deindeling naar nederzettingsgrootte be-paalde. (Waar het continu bebouwde ge-bied bij grotere plaatsen in omvangrijkemate de gemeentegrenzen overschreedwerd van samengetelde gemeenten uitge-gaan.) In de tweede plaats mist de be-drijfstelling een aantal sectoren, te wetende niet-commerciele dienstverlening,landbouw en mijnbouw").Er zijn echter meer tekenen die er opTabel 1. Verdeling van bevolking en van werkgelegenheid in dienstensector (%jbevolking werkgelegenheid diensten * *1973 1982 1973 1982Randstadregio'sHalfwegregio'sPerifere regie's42,7518,7638,4840,8519,9339,2153,7616,5329,7151,9917,5430,47Bron: CBS, Statistiek Werkzame Personen (COROP-regio's)* Eindhoven hoort bij Buursink al niet meer tot de Halfweg-zone die dus enigszins beperkt isafgebakend.** Exclusief bedrijfshoofden.SenV, juni1987202nieuwe orientaties en werkterreinenwijzen dat kleinere plaatsen het nogaleens goed doen wat betreft de ontwikke-ling van werkgelegenheid'^). Wever heeftertrouwens in een voordracht op gewezendat in een groot deel van het land dit soortplaatsen bij de huidige communicatiemo-gelijkheden een goed productiemilieukan bieden voor bedrijven in de modernegroeisectoren'^).De studies wijzen voor grote delen vanons land op een min of meer samenhan-gend geheel van nederzettingen, waarbin-nen een zekere onderlinge uitwisselbaar-heid bestaat wat betreft te vervuUen func-ties en waarin de steden van de Randstadzich niet meer vanzelfsprekend de meestveelbelovende economische activiteitenkunnen toerekenen. Buursink noemt ditin navolging van John Friedmann een"urban field", maardan wel in een situatiewaarin, anders dan in de Verenigde Sta-ten, er al een keur van naar omvang en ac-tiviteit uiteenlopende nederzettingenwas. Ik gebruik liever de term metropoli-taan werkingsgebied, omdat hij specifie-ker is. Het kenmerkende van Midden- enZuid-Nederland is namelijk niet dat ereenstedelijkveldofeenstedelijknetwerkaanwezig is, maar dat naar meerdere kan-ten grote stedelijke concentraties en dedaarbij behorende infrastructuur binnenhandbereik liggen.Een en ander zou ook gevolgen kunnenhebben voor het platteland. In een recentebeschouwing spreekt L. van der Laanzelfs van een stedelijk-ruraal systeem,waarin geen sprake meer is van een tegen-stelling tussen stad en platteland'*). Dezeauteur kent de schaars bebouwde gebie-den eigen taken binnen het geheel toe:voor verschillende soorten landbouw(maar dat is altijd al zo geweest - hij hadbeter kunnen zeggen dat de landbouwveel intensiever en meer ondernemings-gericht, dus in zekere zin stedelijker, is ge-worden), voor recreatie, voor geleding,voor bijzondere huisvesting, voor bijzon-dere bedrijvigheid. Echte rurale gebiedenzijn er volgens hem nog wel, maar ze lig-gen buiten de complexe stedelijke zones(zijn terminologie). Wat dan evenwel hetverschil is tussen zeg de Krimpenerwaarden de Greidhoek wordt uit Van der Laansartikel niet voldoende duidelijk.Dat er echter noodzakerlijkerwijs watmoet veranderen in het denken over lan-delijke gebieden, daarop wijzen de uit-stralingskracht en het doordringingsver-mogen van de nieuwe stedelijke structu-ren. De hoog gespecialiseerde landbouwvan vandaag de dag bevindt zich letterlijk,maar ook figuurlijk, dicht bij de stad. Hetzal mij benieuwen of in de komende tijdeen positieve en constructieve houdingvan agrariers en stedelingen tegenover el-kaar kan groeien, een soort ruilverhou-ding in beider voordeel. In elk geval heeftde landbouw belang bij een redelijk ge-zond natuurlijk substraat en kunnen be-paalde vormen van natuurvriendelijkeproductie enigermate de structurele pro-blemen helpen oplossen.Kaptein heeft onlangs de vraag gesteldof landschappelijke ontwikkeling en ver-stedelijking elkaar in de komende decen-nia iiberhaupt nog wel zozeer moeten uit-sluiten als we zo lang voor noodzakelijken vanzelfsprekend hebben gehouden'^).De bevolkingsdruk is verminderd, wehebben vanuit de landbouw gezien eerdergrond teveel dan tekort en we hebben wel-licht een nieuw soort beheerders erbij no-dig, die op ruime percelen voor land-schappelijke ontwikkeling en voor onder-houd kunnen zorgen. Het komt me voordat hiermee een reeel discussiepunt aande orde wordt gesteld, maar het is niet hetenige, al kom ik dan niet directmet golfba-nen aanzetten, waarvoor kennelijk ookgeld genoeg aanwezig is.Het gaat om een symbiose en een voorbeide kanten aantrekkelijke ruilverhou-ding tussen stad en platteland. Wat deidee van Kaptein betreft is het misschienmogelijk ruim opgezette woongebiedenvolgens primair ecologische en land-schappelijke uitgangspunten te ontwik-kelenjuist op die plaatsen waar dat gezienvanuit landbouw en natuurlijk substraathet meest aanvaardbaar is. Ik kan mijgoed indenken, dat projectontwikkelaarsdaarop willen inspringen en dat er vol-doende koopkrachtige vraag naarzal zijn,gegeven grondprijzen die de afstotings-noodzaak weerspiegelen maar voor deboer toch voldoende aantrekkelijk blij-ven. Kleine, extensieve bedrijven zoudendaarop kunnen aansluiten en vervolgenseventueel grote extensieve bedrijven.Maar hoe zorg je ervoor dat bedrijven,groot en klein, werkelijk extensiefwordenen blijven? Weliswaarzijn erin hetbuiten-land onder de noemers "part-timefarming" en "gentleman-farming" ge-noeg voorbeelden van te vinden, inclusiefvuurvast hooi in de hooiberg, maar diezijn er spontaan gekomen. In Nederlandzou dat ook zo spontaan mogelijk en tochop de juiste plaatsen (d.w.z. waar het kanen waar er vraag naar is) moeten gebeu-ren.Er is inzicht nodig in de voorwaardendiejuridisch, fiscaal, quabedrijfsvoering,marktorientatie en psychische bevredi-ging vervuld moeten worden, willen dezeextensieve bedrijven in een goede relatiemet het natuurlijk substraat - dus op land-schappelijk en ecologisch waardevollewijze - ontstaan in aan te wijzen actiege-bieden. Zulke gebieden moeten, met hetoog op de prijsstelling, vrij ruim wordenbemeten, maar waar ontwikkeling opgang komt, moet deze wel binnen een be-perkt aantal jaren een behoorlijke aan-eengesloten omvang hebben teneindeenige infrastructuur en enige voorzienin-gen mogelijk te maken; anders is een gun-stige ligging ten opzichte van een bestaan-de kern noodzakelijk. De grond moet ui-teraard eerst vrijkomen uit het huidigeproductieregiem. Kan de Stichting Be-heer Landbouwgronden hier bemidde-len? Het gaat verder om een soort omge-keerde ruilverkavelingsoperatie, behalvedat er niet noodzakelijk percelen versnip-perd hoeven te worden. Het gaat om ver-antwoord extensiveren in plaats van in-tensiveren, verantwoord ook in die zin daterbelangstellingvooris. Het gaat,tenslot-te, om een soort vernieuwing van de land-goedtraditie op eigentijdse schaal en ei-gentijdse wijze.Met het oog op de bedoelde ontwikke-ling is het nodig, dat duidelijkheid ont-staat over wat weinig perspectiefvollelandbouwgronden zijn en waar deze zichbevinden. Zijn dat bijvoorbeeld de gron-den waarvan thans wordt gezegd dat uit-voering van ruilverkaveling er uit land-bouwkundig oogpunt dringend gewenstis? Het ligt verder voor de hand dat devoorbereiding van dergelijke projectengeschiedt door projectgroepen die uit-eenlopende deskundigheden in zich ver-enigen. Er zijn immers diverse voorwaar-den te vervullen en er is sprake van eenbijzondere relatie met het natuurlijk sub-straat. Planologen moeten echter vanzelf-sprekend van die groepen deel uitmaken.De uitwerking van enkele model-pro-SenV,juni1987203nieuwe orientaties en werkterreinenjecten zou tot goede richtlijnen voor vol-gende projecten kunnen leiden. Mijns in-ziens moet daarbij voor de woonontwik-keling (dus niet noodzakelijk voor exten-sieve landbouw) het principe van de zelf-financiering strikt gehandhaafd worden.Dat wil b.v. 66k zeggen, dat de overheidniet extra moet toeleggen op servicekos-ten als vuilafvoer, riolering, etc. Het parti-culier initiatiefzal er dus wel wat in moe-ten zien; het zal al vroeg in beeld moetenkomen. Ik neem tenslotte aan dat de "gen-trifiers" die het hierbetreft, nietuit dezelf-de kringen afkomstig zullen zijn als de"gentrifiers" in de stad, zodat er wat ditbetreft geen sprake is van concurrentie.In de bestaande kernsteden lopen de pro-.blemen uiteen. In het algemeen is het ge-makkelijker in middelgrote steden tot re-delijke oplossingen te komen dan in grotesteden. Het perspectiefvan deze laatste isniet onverdeeld rooskleurig. lets van decompacte stad zal er wel verwezenlijktkunnen worden, maar de kosten van in-vuUing zijn vaak hoog en de omvang vande vraag naar de daaruit voortkomendewoningen is onzeker. Middengroepen,gezinnen en vrij veel ouderen zullen degrote steden nog verlaten; aanvullingvindt plaats met een- en tweepersoons-huishoudens en met gezinnen van buiten-landers. Het saldo blijft voorlopig nega-tief, evenals dat van de werkgelegen-heidsontwikkeling. Men zal zich niet zo-danig mogen fixeren op het keren van deachteruitgang dat men vergeet zich bij dieachteruitgang aan te passen en de negatie-ve gevolgen ervan te ondervangen'*).Een zich vastklampen aan veronder-stelde gentrificatie b.v. heeft zijn gevaren.Daarom is het jammer dat in het belang-wekkende artikel van Cortie en Ostendorfover dit onderwerp de relatieve ontwikke-ling van inkomens en sociale beroepspo-sities niet wordt gekoppeld aan de (nega-tieve) ontwikkeling van het inwonertal.Als bijvoorbeeld hier en daar in grote ste-den het gemiddelde inkomen perinwonerstijgt in vergelijking met het landelijk ge-middelde (wat volgens hen op gentrifica-tie wijst), dan is het nog geenszins zekerdat het absolute aantal boven-modalen ertoeneemt'^).De grote erfenis aan vooroorlogse wo-ningen en aan woningen met gebreken entekorten uit de periode 1945-1970 zal eenindringende en langdurige aandacht voorvernieuwing en beheer van woning,woonmilieu en voorzieningen vragen. So-ciale problemen en voorlopig nog toene-mende criminaliteit zullen ook in debouwvormeninvormgevingeninrichtingvan openbare en semi-openbare ruimtenhun sporen achterlaten. Evenals de voort-durende versnelling van de sociaal-cultu-rele dynamiek zullen zij de behoefte op-roepen aan herkenbaarheid en eigenheidvan de woonomgeving. Ook dat voert totaandacht van bewoners en overheid voorplaats en plek en voor daarop gerichtemaatregelen.In het algemeen is het een grote uitda-ging aandachtvoor het (schijnbare) detailte blijven opbrengen. Dat vraagt om eengedifferentieerde en ten dele zelfs gede-centraliseerde aanpak.Een ander punt waarvan ik in dit verbandmelding maak, betreft de wellicht toene-mende bezinning op het metabolisme vande stad. Niet alleen wat de stad binnen-komt aan water, energie, duurzame enverbruiksgoederen en grond- en hulpstof-fen is van belang, maar ook wat eruit gaataan afval, restwarmte en vervuild water.Herwinning, tegengaan van verliezen enrationed gebruik zullen om innoverendemaatregelen vragen'^). Dit zal voor deplanologie overigens slechts van directbelang zijn in verband met enige ruimtere-servering en het stellen van gebruiksre-gels in bepaalde gebieden. Vrij groot iswel het indirecte belang inverband met dekwaliteit van het leefmilieu.De middelgrote steden zitten uiteraardook met een problematische erfenis aanwoningenvan voor 1970, maar in het alge-meen zijn de problemen er enigermate teoverzien. Bevolkingsgroei zit er voorals-nog niet in, wel groei van het gebouwen-bestand. Ook hier zal herkenbaarheid eneigenheid van de woonomgeving een fac-tor van belang zijn.Het Noorden des Lands is tot dusverrebuiten beeld gebleven. Ik verwacht daareen soort middenpositie, wat de ontwik-keling van bevolking en werkgelegenheidbetreft. Dat baseer ik op de combinatievan enerzijds het relatief aantrekkelijkeen weinig problematische woon- en leef-klimaat met anderzijds toch een liggingbuiten de metropolitane werkingsgebie-den.TerugblikHerhaaldelijk keren in het voorafgaandede termen plaats, plek, project en ruimte-lijk management terug. Als zodanig wildat alleen maar zeggen dat ik deze termenheb gebruikt, maar ik pretendeer dat ditzinvol en in hetjuiste verband is gebeurd.Daarbij is een relatie gelegd zowel met dezich aftekenende (handelingsgerichte)orientatie in de planologie, als met inter-nationalisering van aspecten van het soci-aal-economische, sociaal-culturele en fy-sieke bestaan in een veranderende tech-nologische context, als met een zich wijzi-gende stedelijke ontwikkeling. De drie ge-noemde relaties zijn uiteraard onge-lijksoortig: zo maakt een nieuwe orienta-tie in het vak als zodanig de daarmee sa-menhangende aandacht voor plaats, pleken project niet noodzakelijkerwijs ookge-wenst. Maar die nieuwe orientatie is mijnsinziens geen modegril van vakbeoefena-ren. Zij heeft zeker wortels in de realiteitvan de ruimtelijke ontwikkeling, omdatdoorhet concrete handelen een directver-band met die ontwikkeling wordt gelegd,waardoor de effectiviteit van het ruimte-lijk beleid wordt bevorderd.De gewenste aandacht voor de 3 p's envoor omgevingsmanagement slaat eenbrug naar de vormgeving en wel naar eenactieve en dicht bij de uitvoering staandevormgeving. Dat wil niet zeggen datvormgeving niet ook op een wat algeme-ner niveau kan plaatsvinden: als bezin-ning op de inrichting van min of meeridentieke plekken, bijv. in het "rivieren-land", maarzij zal toch vooral concreet enklantgericht moeten inspelen op een be-hoefte aan identificatie-mogelijkheid(zonder het natuurlijk en fysiek reeds ge-gegevene geweld aan te doen). Daarbijmogen vormgevers (en planologen) ookbest de zijde van klant en ontwikkelaarkiezen, mits de overheid maar tegenspelkan leveren. In dat tegenspel gaat het danniet zozeer om het individuele gebouw opzichzelf, maar om gebouwen en andereelementen (incl. groen) als constituentenvan tot ontwikkeling komende milieus.En dittegenspel zal de klanten niet dwars-bomen, maar verrijking proberen te bie-den en nadelige uitkomsten proberen tevermijden. In dit verband zijn studies vande beleving van milieus en van milieu-wensen zeker op hun plaats. Ook moetenSenV, juni1987204nieuwe orientaties en werkterreinenbelanghebbenden die niet onmiddellijkpartij zijn (veel stadsbewoners voelen zichbijvoorbeeld nog steeds belanghebbendbij de inrichting van het centrum), ruimaan bod komen, eventueel in het kadervan een (ander) soort milieu-effectrap-portage.Er zijn ook enkele bestuurlijke conse-quenties te noemen. Met het leggen vannadruk op de drie p's en gezien de beperk-te invloed op het zgn. intermediaire ni-veau zal, zoals ik eerderheb geimpliceerd,een zekere verschuiving plaatsvindennaar het locale niveau. Ik meen voorts datwe -uitzonderingen daargelaten -op kor-te en middellange termijn, gezien de re-cente ervaringen, geen herleving van be-stuurlijke stadsgewesten mogen verwach-ten, nog afgezien van de vraag of dat methet oog op de waarde van het locaal be-stuur wenselijk zou zijn (gezien de identi-ficatie-mogelijkheden die het de burgersmisschien nog biedt). Ik wil in het middenlaten in welke bestuurlijke vormen de bo-vengemeentelijke belangen behartigdzuUen worden: provincie? samenwer-kingsgebieden? doeldistricten?Veel taken van planologen zullen ophet locale niveau liggen. Daarstaattegen-over, dat de internationale betrokkenheid(ook) zal groeien. Voorts zullen de secto-ren van overheidsbemoeienis (nog) meerplanologen trekken, tenzij bestuurlijk-or-ganisatorische veranderingen tot groterbemoeienis van facet-organen met voor-bereiding en organisatie van de uitvoe-ring zouden leiden. En tenslotte zal eenhandelingsgerichte orientatie een groterebruikbaarheid van planologen voor deprivate sector tot gevolg hebben.Bij zo'n gevarieerde onderbrenging iseen sterke identiteit van het vak niet van-zelfsprekend gewaarborgd. Maar daar-aan kan worden gewerkt.Tot slot nog een waarschuwing. Ik hebeen zekere nadruk op een projectgewijzeaanpak gesuggereerd. Dit is echter niethetzelfde als een eenzijdige aandachtvoor nieuwe projecten. Heel veel aan-dacht zal nodig zijn voor het bruikbaarhouden en het goed beheren van wat er alis. Eenzijdige concentratie op het telkensnieuwe ("new is beautiful") kan de be-staande, nog redelijk goed bruikbarevoorraad en de bestaande milieus uithol-len. Het is een belangrijke opdracht omook particuliere instanties de relatie tus-sen oud en nieuw onder ogen te brengenen om zonodig de sturingsmogelijkhedenin dit opzicht te verbeteren.Ik dank prof. dr. J. Buit, drs. M. Ganzevles, drH. Goverde en dr B. Needham, die een
Reacties