J A N U A R I ^(000(0 70?>>O>PTVV)'? If."^ .^;orgeli:STADSVERNIEUWING EN MICSTADSCENTRUM LANDGRAAFMERCATORPLEIN AMSTERDAMVan de redactieIn een brief aan de lezers van Stedebouw en Volkshuisves-ting en aan de leden van het NIROV, gevoegd bij hetdecembernummervan vorig jaar, heeft het NIROV-bestuur medede-ling gedaan van de verandering van uitgever en verschijningsfre-quentie met ingang van deze, zeventigste jaargang. Bovendien isaangekondigd dat de NIROV-leden voortaan ook het tijdschriftROM zullen ontvangen, waarvan het onderdeel ROMservice doorhet NIROV wordt verzorgd,De redactie van Stedebouw en Volkshuisvesting (S en V) wilop deze plaats graag de wijze van voortzetting van S en V toelichten.Allereerst zij benadrukt dat het tijdschrift een onafhankelijk,interdisciplinair en actueel publikatiemedium en discussieplatformblijft bieden voor alien die geTnteresseerd zijn in de ruinntelijke orde-ning (in brede zin), de volkshuisvesting en de ruimtelijk relevanteaspecten van milieubeleid. Er is wat dit betreft sprake van continui-teit.Onafhankelijk van specifieke belangen, interdisciplinairom voorallebetrokkenen het inzicht in samenhangen te verhogen en actueel inde zin van anticiperend of reagerend op de ontwikkelingen.Het tijdschrift dient een brug te slaan tussen wetenschap en prak-tijk, tussen zgn. lagere en hogere overheden, tussen de sectoren enfacetten. S en Vstaat aldus nadrukkelijkten dienste vandedoelstel-lingen van het NIROV.Zoals bekend bestaat de inhoud van het tijdschrift voorname-lijk uit kopij die spontaan aan de redactie ter beoordeling is aangebo-den. Bij die beoordeling zai de redactie zich nadrukkelijkerdan voor-heen op het standpunt stellen dat het schrijven primairten dienstestaat van het zeer gevaheerde lezerspubliek van S en V.Aan de algemene toegankelijkheid van teksten zaI grote, zo u wiltgrotere, aandacht worden besteed. Dit wil niet zeggen dat specialis-tische onderwerpen of een hoog abstractieniveau geweerd zullenworden, maar wel dat ook zodanige bijdragen geschreven moetenworden voor een generalistisch geinteresseerd, althans te interes-seren publiek.Om de bedoeling van het tijdschrift goed tot zijn recht te latenkomen, zijn de hchtlijnen voorauteurs herschreven. Belangrijke pun-ten zijn de presentatie en indeling van de tekst, de beknoptheid enhelderheid van het betoog en waar mogelijk de afsluiting van een bij-drage met een samenvatting, conclusies en discussiepunten.Op aanvraag worden de hchtlijnen toegezonden; zij die in SenVwil-len publiceren wordt aangeraden kennis te nemen van de hchtlijnenalvorens zij kopij ter beoordeling inzenden.Het terugbrengen van het aantal nummers per jaargang leidter toe dat de redactie de samenstelling van elk nummer afzonderlijknauwkeurig zaI bepalen op vanatie en relevantie van onderwerpen.Het verdient daarom aanbeveling in een zo vroeg mogelijk stadiummet het redactiesecretahaat contact op te nemen over het voorne-men te schrijven voor S en V.Het uiterlijk van het tijdschrift en de lay-out zijn opnieuw ont-worpen. Ook langs deze weg wordt getracht de toegankelijkheidvan de inhoud te verhogen.Tenslottede verhouding van S en Vtot ROM, relevant alleenal omdat beide tijdschriften zesmaal per jaar tezamen de lezersbereiken.ROM hcht zich vooral op het rijksbeleid, is wat dat betreft volgend,hoewel zeker niet slaafs.S en V houdt meer afstand en zaI ook agendavormend moeten zijn.? en V zaI meer de achtergrond belichten en daartoe ruimte voortheorie en onderzoek beschikbaar stellen.ROM geeft dan ook een andere inhoud aan het beg rip actualiteit danS en V. ROM voor informatie, S en V ook voor reflectie.De redactie zaI in continu overleg met de ROM-redactie er near stre-ven dat de tijdschriften zo goed mogelijk aanvullend op elkaarwerken. Aanvullend voor wat betreft onderwerpen en wijze vanbehandeling.De redactie ziet uw kopij met belangstelling tegemoet!I INHOUDDENKI: AAMdrs. L.A. Urselmann'Willen' en 'doen'SIGNALENVOLKSHUISVESTINGReactie op nota-Heerma 40EMANCIPATIEReactie op nota-Heerma 43BESTUUR EN RECHTdrs. FH.J. Duenk en mr. F.H.M. HobmaBesluitvorming over ruimtelijkrelevante projecten 46UITDE RAVOHuurliberalisatieJANUARI 0>CO0)9or^ JAARGANG49Van de redactieMetropolitaine zorgen. N. de BoerEen nadere beschouwing van verschillende perifeer gelegen grootstedelijkeinstellingen.Betere stadsvernieuwing door eengoed milieubeleid, drs. E.F. ten Heuvelhofen Ir J.C. VogelijPresentatie van een methode, gericht op een betere afstemnning tussen hetstadsvemieuwingsproces en de aanpak van milieuproblemen.Marktgericht grondbeleid, dn P.R.A. TerpstraDe positie op de lokale grondmarkt en de mate van beschikkingsbevoegd-heid over de produktiefactor grond wordt voor gemeenten van groter strate-gisch belang.Nieuw stadscentrum in de bestaandeStad, in J. PieryEen schets van het plan "Op de Kamp" van de gemeente LandgraafAmsterdam Mercatorplein drs. p. van MounkHet Mercatorplein als proeftuin bij de ontwikkeling van een nieuwe aanpakvan het stadsvernieuv\/ingsproces in Amsterdam.55-piussers in iiet voikshuisvestings-beieid, dr. P.P.J. HoubenOuderen worden in de ontwerpnota als "bijzondere aandachtsgroep vanvolkshuisvestingsbeleid" aangemerkt.UITDE RAROBlankenburgtunnel 50Voorontwerp Natuurbeschermingswet 50Foto omslag: Wereldhandelscentrum, AmsterdamS en V wordt gelijktijdig met ROM verzonden.Orgaan van het Nederlands Instituutvoor Ruimtelijke Ordening enVolkshuisvestingRedactie:Dr H.J.M, GoverdeIr RC. GroenMrir A.W. HartmanIr. J. HeelingMw.drs. I.T. KlaasenMw.drs, G.C.R van der PloegIr. K.R. de PoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerDrs. RW.A. VeldIr. H. WestraRedactiesecretariaat;Mr. A.M. Schaap-DubbelboerMw.drs. G.C.R van der PioegS.W. Blom-VerhoogRedactie, administratie en publilcatiester recencie:Mauritskade 21, 2514 HD Den HaagRichtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen en boekbesprekingenkunnen op het redactiesecretariaat "Richtlijnenvoor auteurs" aanvragen.I'Willen' en 'doen'W:f illen en doen zijn twee verschillende zaken en er moet' daarom verschillend mee worden omgegaan."Onderhandelingsplanologie" met het bestaande stelsel vanruimtelijke plannen komt voort uit een streven naar zekerheidsper-fectionering. Het willen en doen zijn daarin in een lijn geplaatst. Hetblijkt echter dat het op die manier niet lukt.Ervaringen en theorie brengen mij, met anderen, op eenandere benadering en planning. Die benadering rust op anzekerheids-reductie en op de bevinding dat de overheid een partner is in desamenleving (er niet boven staat). In die context valthet intervenieren samen met doen. Voor de ruimte-lijke ordening is dat het nemen van projectbeslissin-gen/uitvoeringsbesluiten. De ruimtelijke ordenaarheeft daarin niet meer het alleenrecht. Als gevolg vande geleding van de overheidsorganisatie kan debesluitvorming over projecten worden opgevat alseen onderhandelingsproces tussen verschillendeactores (Minister van VROM, sectordepartementen,lagere overheden, particulieren). Dat wil evenwelniet zeggen dat er geen plaats meer is voor planning.Projectbeslissingen worden genomen op basisvan de op dat moment aanwezige informatie, actores, normatievebevindingen en machtsbalans. En die basis verandert in de loop vande tijd. Wanneer het bestuursoptreden alleen zou worden geleid doorde "geest" van het moment, zou de consistentie en de doelgericht-heid van de opeenvolgende projectbeslissingen/uitvoeringsbesluitenzoek raken. Het is daarom wenselijk en noodzakelijk om de uitvoe-ringsbesluiten van een leidraad te voorzien. Dat gebeurt met de (be-leids-)planning. Bij het nemen van uitvoeringsbesluiten zal het plansteeds als spiegel (reflectiekader) moeten worden gebruikt (motive-ringsplicht). Zo heeft elke actor een eigen plan/beleid als leidraad(willen). Elke uitvoeringsbeslissing die in overeenstemming kanworden gebracht met zijn plan, betekent een vermindering van deonzekerheid omtrent invulling van dat plan. Besturen kan zodoendeworden onderverdeeld in een planniveau (beleid) en een projectni-veau (handelen).In deze benadering kan de opsteller van het plan niet achter-over gaan zitten. Bij projectbeslissingen zal hij een actieve rol moeten(kunnen) vervullen. De voorgestelde planning in het miUeubeleid iseen voorbeeld voor de levensvatbaarheid van een dergelijke benade-ring.D E N KW;fat betekent dat in mijn denkraam voor de planning inhet ruimtelijk beleid op rijksniveau? De nota moetplan heten. Het plan zal een integrak visie op de ruimtelijke ontwikke-lingen moeten geven vanuit de invalshoek van het ruimtelijk beleid.De Minister van VROM (primair) is verantwoordelijk voor het ruim-telijk beleid. Deze Minister (alleen) zal het ruimtelijk beleidsplanuitbrengen. Met het geven van zijn integrale visie profileert hij zijnbeleid (aangeven waar hij voor staat) en verschaft dit wervings-kracht. Aangezien er een onderscheid is aangebracht tussen planni-veau en projectniveau, ligt er op planniveau geen accent op afstem-ming of coordinatie met andere plannen (o.a. van sectordepartemen-ten). Dat wil niet zeggen dat er geen overleg meer nodig zou zijn meto.a. de sectordepartementen, lagere overheid, parlement en particu-liere instanties. Samenspraak en onderzoek blijven noodzakelijkvoor de scherpte van het ruimtelijk beleidsplan (niet utopisch wor-den; behoefte aan draagvlak). Het plan zal richtinggevend/sturendzijn voor het eigen handelen van de Minister van VROM en "wer-vend" voor het handelen van de andere participanten. Het plan legtniet vast waar anderen zich aan hebben te houden. Het geeft aan watde Minister wil bereiken bij/met de invulling van de projectbeslissin-gen. Vanwege effectiviteit en efficientie zal het plan zich moetenbezighouden met hoofdsaken. Niet dat bijzaken of details onbelang-rijk zijn, maar deze zijn niet bepalend voor de ontwikkelingsgang.Deze kunnen daarom in het kader van de projectbeslissingen wor-den afgewogen. Hoofdzaken zijn die zaken die "bepalend" zijn voorde ontwikkelingsgang. Die hebben daarom een plan nodig. Via delijn van hoofdzaken en onzekerheidsreductie wordt tevens de gewen-steflexibiliteit verkregen.De participanten in de besluitvorming over wat er inen met de ruimte feitelijk gebeurt (de Minister vanVROM heeft het immers niet alleen voor het zeggen),ontmoeten elkaar in de besluitvormingsprocedureover projecten. Dat is het feitelijke onderhandelings-moment. "Coordinatie en afstemming" met o.a. sec-torbeleid zullen op projectniveau tot stand moetenkomen. Aangezien de positie van de Minister tot nutoe hoofdzakelijk aan het plan is opgehangen en dezein de nieuwe planningsbenadering grotendeels komtte vervallen, zal de Minister van VROM (compense-rende) bevoegdheden (macht) moeten krijgen op pro-jectniveau. De positie van de Minister op het projectniveau/hande-lingsniveau is cruciaal voor de mogelijkheden van verwezenlijkingvan het ruimtelijk beleid (de achilleshiel).Aangezien in mijn denkraam de noodzaak van plan-plancoor-dinatie tot het verleden behoort, mogen structuurschema's in mijnogen vervallen. De -schetsen zullen in het ruimtelijk beleidsplanworden gei'ntegreerd. De pkb-beslissingen zullen als projectbeslis-singsen terugkomen. Daarvoor is een aangepaste versie van de pkb-procedure denkbaar. Het opereren van de Minister op het hande-lingsniveau kan worden vastgelegd in jaarlijks te verschijnen uitvoe-ringsprogramma's. Aangezien er een belangrijke relatie bestaat metfinanciering kan het uitvoeringsprogramma gelijktijdig met debegroting worden uitgebracht.Zo mogelijk gaan plan en projectbesluiten gezamenlijk op,zodat er sprake kan zijn van een continue wisselwerking. Een plandat met projectbesluiten wordt ondersteund, wint aan geloofwaar-digheid. Projectbesluiten die hun motivatie vinden in een plan, win-nen aan acceptatie. Een voorbeeld biedt de Vierde nota en de relatiedie (nadien) met punten uit de rijksbegroting voor 1989 kon wordengelegd.Afsluitend ben ik van oordeel dat - gezien het feit dat de (hy-bridische) Vierde nota niet alles gelijktijdig kan aanpakken - de dis-cussie over de wijze van planning en de wijziging van het planning-stelsel in de Vierde nota wel in het vooruitzicht kon worden gesteld.Dat kan alsnog gebeuren. Er komt nog een generatie van ruimtelijkeplannen.drs. L.A. UrselmannsenV~ =1Bij grootstedelijke instellingen wordt een tweetal eisen te vaak veronachtzaamd.Zij dienen in een specifiek stedelijk milieu tot hun recht te komen en zij moetendit milieu versterken: een problematiek die architectuur, omgevingsvormgeving,stedebouw en regionale ruimtelijke ordening raakt.Metropolitainezorgenperifeer gelegen city-elementenIn allerlei steden zijn instellingen in de perife-rie ondergebracht, waarvan we kunnen ver-moeden dat ze beter tot hun recht waren geko-men in het stadscentrum. We spitsen onze belangstelUngtoe op grootstedelijke instellingen die een nationale reik-wijdte hebben en Internationale relaties onderhouden.Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en in mindere mateUtrecht zijn de agglomeraties waar pakketten van ditsoort instellingen gehuisvest zijn, incidenteel komen zeook elders voor. Een belangrijk deel zou het best tot ont-plooiing komen in de grootstedelijke city. Daar zijn zeniet allemaal ondergebracht en dat levert vaak zorgelijkesituaties op, zeker in Den Haag en Amsterdam.De city biedt bij uitstek de ambiance voor ontmoe-tingen van mensen met mensen, voor de confrontatie metideeen, stromingen, manifestaties, produkten, kunstui-tingen. Dat gebeurt er vrijblijvend of geinstitutionali-seerd in openbare, semi-openbare of besloten ruimten.De kracht van de city ligt in de betrekkehjke beperktheidvan haar oppervlakte, met andere woorden: in de intensi-teit van de activiteiten. Dat houdt dan weer in, dat zeergrote objecten er teveel vierkante meters in beslag zoudennemen, des te bezwaarhjker als ze bovendien niet voort-durend in gebruik zouden zijn. Het zal moeilijk zijn voorimmense tentoonstellingshallen of voetbalstadionsruimte in de city te reserveren en ook in de rand van decity zal zelden de juiste hoeveelheid grond op het juisteogenblik beschikbaar komen.= E i? 0 (DC m ?5 -o EI IN eZo'n omvangri]k grootstedelijk element kan tochgoed terecht komen. Zo kregen de Ahoy-hallen een situe-ring bij het centrum van Rotterdam-Zuid, dat daarmeeals het ware een city-dependance werd. Men kan stellendat dit stadsdeelcentrum nog te wijdlopig is en dat deafwikkeling van het autoverkeer niet ideaal is, maar pro-o2I-9 0)i I-2 9.3 ON ei ^uj u 3? i a< S "2 "- IH j( ?2 01 e3 C .S0 X s^ u 30) 01 (0illI s|= lu -5? 3 301 c 0 311 ? s If{lii W^*grammatisch is het voortreffelijk. Het is veelzijdig, heefteen streekverzorgende functie en het beschikt over eendirecte metro-verbinding met het hart van de agglomera-tie. Allerlei positieve opmerkingen die niet van toepas-sing zijn op de omgeving van zo'n ander metropoUtaincomplex: de RAI in Amsterdam.CITYVORMINGVeel beter dan Den Haag heeft Rotterdam deoorlogsverwoestingen benut om het stadscentrum opnieuwe ontwikkehngen af te stemmen. In Utrecht vondbewuste cityvorming plaats op basis van een grootscheepsplan uit de school van de drastische Urban Renewal.')Hoog Catharijne was niet zozeer een produkt van eenkrachtige lokale overheid als wel van een projectont-wikkelaar en ondanks het toegevoegde concertgebouwwas het nogal eenzijdig commercieel van opzet.Opmerkelijk was de gei'ntegreerde vervoersac-commodatie. Het heeft ongetwijfeld een krachtigeimpuls gegeven aan het centrum van Utrecht. Helaasechter trok de universiteit weg uit de binnenstad envestigde zich ten oosten van de stad in de weilanden.Het onzekere Haagse gemeentebestuur struikelde vanhet ene plan naar het andere. Als er al eens aan deuitvoering begonnen werd bleef de voltooiing meestalachterwege. De Utrechtse baan en het PrinsBernhardviaduct werden zo monumenten voor hetonvermogen. Merkwaardig was de onttakeling van hetregeringscentrum. In het kader van het spreidingsbeleidwerden allerlei instellingen die nauwe banden met deoverheid onderhielden naar elders verwezen. In hetHaagse stadsgewest kregen zelfs ministeries willekeurigevestigingsplaatsen toegewezen, maar ook voor hetbelangrijke Internationale octrooibureau wist men nietsbeter te bedenken dan het bedrijfsterrein van Rijswijk,terwijl het Centraal Bureau voor de Statistiek in eenwoonbuurt van Voorburg gesitueerd werd.Evenmin als het Haagse ontwikkelde het gemeen-tebestuur van Amsterdam een integrale visie op de stad.Toen de stadsvernieuwing aan de orde kwam lag denadruk niet zozeer op de vernieuwing van de stad als welop de verbetering van woningcomplexen. Naar de geestvan de tijd werd niet beoogd de cityvorming in goedebanen te leiden, cityvorming als zodanig was fout. Een enander mondde uit in een opportunistisch ad hoc beleid.o"" 500?> -TNOlU M:M.-HI Mffketweg?mi*1? .:'^^^^-^L (DDat cityvorming onverenigbaar zou zijn met het monu-mentale karakter van de binnenstad was weliswaar eenschijnargument, maar het werd met graagte gehanteerd.Tenslotte hoort bij grootstedelijke ontwikkelingen eeninterne grootstedehjke railinfrastructuur. Alleen in Rot-terdam kwam deze tot stand. Plannen voor een Haagsesemi-metro waren snel van de baan. En toen bij de metro-aanleg in Amsterdam de structuur van de stad op onver-geeflijke wijze miskend was - doorsnijding Nieuwmarkt-buurt - constateerde het gemeentebestuur niet dat eenonjuist trace gekozen was, de metro op zichzelf deugdeniet. Het bleef bij een lijn.de kracht van de city ligtin de intensiviteit vande activiteitenOok de actieve Rotterdamse bestuurders werdendoor de tijdgeest geblokkeerd. De plannen voor de Eras-musuniversiteit tegen het centrum aan in het Oude Wes-ten moesten wijken voor de renovatie van de verpauperdewoonbuurten ter plaatse. Hoezeer het "bouwen voor debuurt" in allerlei gevallen een morele vereiste was, hier isde prijs voor de stad als geheel te hoog geweest. De uni-versiteit werd verwezen naar de periferie. Daar kreeg zeoverigens wel een metroverbinding met de city.Is de tigging van een complete universiteit in derand van de binnenstad kieaal? De mogehjkheden zijn inelk geval beperkt. Een universiteit is weliswaar een zeergroot complex, maar ze is niet ondeelbaar. De Universi-teit van Amsterdam heeft met de spreiding van het meren-deel van de gebouwen over de oude stad de beste keuzegedaan. "Studeren doe je in een stad" roept ze de passan-ten toe vanaf grote reclameborden. De uitwisseling vanstedelijke en universitaire activiteiten is zo optimaal. Deconfrontatie van studenten en docenten met het socialeen culturele leven van de stad is van groot belang. Huninbreng eveneens. Het is te betwijfelen ofde eenheid vande universiteit bedreigd wordt als de faculteiten niet opeen terrein samengebracht zijn. In elk geval is de internesamenhang van deTechnische Universiteit Delft, die weleen territoriale eenheid vormt, niet opzienbarend.DeTU Delft is de eerste perifeer gelegen grootste-delijke instelling die we nader zullen bekijken. Evenalsbij de volgende objecten gaan we in op de ligging in groterverband, de ligging van de stad, de stedelijke entourageen de omgevingsvormgeving. In enkele gevallen komenook aspecten van de architectuur kort ter sprake. Hetbetreft voor het merendeel voorbeelden uit de Haagseregio.senVc E? 0= jS 30) (Ao ? ^e 2 5? - iA C OS s 00 ? ^^ ? :-- an3 a ?" ? e5 S ? a, o. o? ? ? U 01? ? STECHNISCHE UNIVERSITEIT DELFTDe voorloper van deTU Delft, de polytechnischeschool, is meer dan een eeuw geleden gesticht niet zozeerin Delft als wel tussen Den Haag en Rotterdam en welnabij het station aan de spoorlijn tussen deze belangrijkebevolkingscentra. DeTH drong verder de stad in maar isna de oorlog vrijwel geheel geconcentreerd met eencomplex van hetTNO,TNO-zuidpolder, op een terreinniet zozeer in Delft, als wel bij de autosnelweg tussen DenHaag en Rotterdam! In de tussenliggende periode had zezich met grote gebouwen op verschillende plaatsen in deranden van de stad uitgebreid. Vele zijn daar nog voor hetonderwijs, maar ook als centrale bibhotheek en mensa ingebruik. De gemeente werpt inmiddels begerige blikkenop de terreinen. Het monumentale hoofdgebouw blijftdaarbij buiten schot: het staat nabij het naoorlogseuniversitaire complex, door een begraafplaats daarvangescheiden.DeTU is een nationale, in elk geval, een bovenre-gionale instelling in de rand van een kern van lokaalniveau. Lokaal niveau houdt in dat Delft geen adequaatcultured en economisch klimaat biedt voor een universi-taire opleiding en een universitaire gemeenschap. Door-dat deTH zich bovendien terugtrok uit de eigenlijke stadis een mogelijke culturele uitstraling op het stedelijkleven gering. Wel kreeg Delft economische impulsen.De concentratie van gebouwen heeft niet geleidtot een karakteristiek universitair complex. Het TU-ter-rein is geen aantrekkelijk verbhjfsgebied. De gebouwenzijn gerangschikt volgens de lay-out van een industrieter-rein: bedrijfsgebouwen aan een autostraat met daarvoorofdaarachter parkeertereinen. De openbaar vervoersrela-ties, zeker met het stadsgewestelijke centrum, schietentekort. Er is geen poging gedaan de vele mensen die hierwerken van dienst te zijn met een klein pakket gerieflijkestedelijkefaciliteiten. Een garagebedrijf, sportaccommo-datie en een bankfiliaaltje plus postkantoortje zijn nietgenoeg. De faculteitsgebouwen staan los van elkaar, eigenwereldjes met bijvoorbeeld eigen eenheidskantines. Type-rend was voorjaar 1988 dat een (buitenlandse) expositieachtereenvolgens te zien was in de Aula en de gebouwenvan CivieleTechniek en van Bouwkunde. Ergens achterafwerden wel studentenwoningen gebouwd: een buurtjedicht bij coUegezalen, laboratoria en ateliers maar overi-gens volstrekt geisoleerd. Minder dan een halfslachtigeoplossing. Verschillende gebouwen op hetTU-terrein zijnarchitectonisch interessant, maar op het niveau van deomgevingsvormgeving, de stedebouwkundige lay-out ende stedebouwkundige vormgeving (of urban design) istot nu toe weinig creativiteit geinvesteerd. Ook de relatiesmet Delft en de ligging in groter verband zijn schijnbaarnooit serieus aan de orde gesteld.Eventuele verbeteringen moeten ingrijpend enstructured van aard zijn. De centrale autostraat kan wor-den vervangen door een voetgangers-fietserszone. Debereikbaarheid van de gebouwen kan gewaarborgd blij-ven vanaf de randstraten. Als we de parkeergdegenheidrealiseren onder nieuwe complexen komen bestaande par-keerterreinen vrij voor andere bestemmingen. Op hetTU-TNO-terrein moet een groot aantal woningen wor-den verwezenlijkt. De centrale voetgangers-fietserszonekan culmineren in een klein eigen centrum bij de Aula.Daar zou de centrale bibliotheek moeten verrijzen en een"wijkgebouw" met ontspannings-, vergader- en tentoon-stellingsruimten. In plaats van een mensa en de eenheids-kantines is hier een grotere variatie aan eet- en drinkgde-genheden met terrasjes mogelijk, naast dienstverleningen winkels in uiteenlopende branches van boeken en tech-nische artikden tot levensmiddelen. De laatste zijn han-dig voor de vele nieuwe bewoners en voor de anderen omboodschappen te doen op weg naar huis elders. ^)In dit centrum van een grootstedehjke instellingmoet zich een halte bevinden van een sndtram. (Of zou-den we langzamerhand de Haagse semi-metro weer uit deijskast mogen halen?) Men denke aan een snelle verbin-ding met het centrum van Den Haag (via centrum Delft,Plaspodpolder, In de Boogaard en station HollandsSpoor, bij voorkeur doorgetrokken naar het congrescen-trum en Scheveningen). Omdat in de Aula van de TU. *?v?! 11 t1bovendien culturele activiteiten kunnen plaatsvinden,die ook voor de Delftse samenleving van betekenis zijn,wordt zo'nTU-centrum tevens een interessant nevencen-trum voor Delft. Een belahgrijk aspect zal zijn dat deTUzich hier bij een goede opzet in al haar veelzijdigheid aanbezoekers kan presenteren.Of in Haagse en Delftse kringen zulke brede plan-nen leven valt te betwijfelen. Wei denken de gemeenteDelft, de TU en het TNO over de verwezenlijking vanhet zoveelste Nederlandse "technopark" op terreinen diebij deTechnische Universiteit aansluiten. Ofhier een wel-overwogen en effectieve spreiding van zulke parks aan deorde is ofeen versnipperde concurrentie blijft hier buitenbeschouwing. Het Delftse innovatiecentrum lonkt uiter-aard naar de autosnelweg.MINISTERIE VAN ONDERWiJS ENWETENSCHAPPEN, ZOETERMEEROok bij het Ministerie van Onderwijs enWetenschappen gaat het om een nationale installing ineen lokale kern, een satellietstad van Den Haag. Wehebben te maken met een onderdeel van hetregeringsapparaat dat thuishoort in een netwerk vannationale relaties. Het doet een beroep op eengrootstedelijke arbeidsmarkt. De autoverbinding metDen Haag is goed en de intraregionale railverbindingredelijk. Maar dat is niet genoeg om de vestiging inZoetermeer te rechtvaardigen. Aanvankelijk zou ook hetMinisterie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordeningen Milieubeheer naar Zoetermeer verhuizen. Daarvan ismen teruggekomen: het wordt in het centrum van DenHaag gehuisvest. Het centrum van Den Haag: daar hadook het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappengebouwd moeten zijn.De in de stad Zoetermeer gekozen bouwplaatsroept vragen op. Het ministerie ligt niet in het stadscen-trum maar juist daarbuiten in een woongebied. Hetwordt van het centrum gescheiden door een stedelijkeautostrada. De architecten beschouwden deze aanvanke-lijk als een boulevard en situeerden er de hoofdingangaan. Maar het wordt nooit een boulevard, flanerende cen-trumbezoekers hebben er niets te zoeken, het is een auto-weg met viaducten en op- en afritten. Een barriere in destad: het gigantische regeringsgebouw is nu wel zichtbaarvanuit het centrum, maar het komt er niet tot gelding.Een modern ministerie had echter een integrerend onder-deel van een stadscentrum kunnen zijn. Op een vergelijk-3I- 0U:!! EB O -3.2 f 3 2 2? "o *3 a (ME a U0) o -E Ei iE ]3 -P3 ?S ?5- SsenV^3LJ Q Q u o>bare wijze als waarop het huidige Haagse stadhuis aan deGroenmarkt met een grote hal onder de raadszaal deHagenaars laat zien wat er in de gemeente omgaat kaneen ministerie het beleid presenteren. In Den Haag doetde gemeente dat in het hart van het winkelcentrum. Zozou ook een ministerie in de voet van het gebouw, veeluitgebreider zelfs, haar doen en laten uit de doeken kun-nen doen en ter discussie kunnen stellen ten overstaanvan publieksstromen in het centrum: balies, informatie-stands, tentoonstellingen, audio-visuele presentaties,U N= 1 i0 0 -oI 11aQ3:oE "" 3-r"""'?^. aleeszaal, bibliotheek, discussieruimten, koffiehuis, res-taurant. In Zoetermeer kan dat dus niet. Gemiste kans.Dat dergelijke mogelijkheden in de nieuwe ministerielepaleizen van Den Haag volledig benut zijn wordt hier nietbeweerd.Wie de klakkeloze aansluiting ziet van het kolos-sale departement op de aanpalende woningbouw moetwel tot de conclusie komen dat de respectievelijke archi-tecten daarover geen overleg hebben gevoerd en dat destedebouwkundige evenmin ordenend is opgetreden. Deontwerpers van het ministerie, ArchitektenkombinatieRosdorff, hebben wel een poging gedaan de barrierewer-king te verzachten door voet- en fietsverbindingen doorhet complex te voeren die de woonwijk via een tunnelonder de autostraat met het centrum verbinden. Met hunvormgeving hebben de architecten niet duideljk gemaaktdat we hier te maken hebben met een belangrijk over-heidsgebouw. De al genoemde hoofdingang krijgt geenenkel relief door een bijzondere architectonische behan-deling. Ze is haast onvindbaar opgenomen in de maten enritmes van de gevel. Een nationaal gebouw in een lokalekern met problemen op alle niveaus. ')NEDERLANDS CONGRESGEBOUW,DEN HAAGHet Nederlands Congresgebouw is eenvoorbeeld van een complex dat wel in de goede stad maarniet op de juiste plek is terechtgekomen. De plaatskeuzeis geschied op basis van een Haags wederopbouwplan vani 301 ^1946 en een structuurplan. Daar lag toentertijd weinigstudie over het functioneren van een grote stad aan tengrondslag. De lokatie was aanvechtbaar omdat het hiereen city-element buiten de city betrofdat niettemin geenbijzondere verbindingen met de city kreeg en ook op hetgebied van de interlokale verbindingen misdeeld was,vooral wat het openbaar vervoer betrof. Een typischvoorbeeld van een instelling die zo geen bijdrage konleveren tot het stedelijk leven en daaraan ook geenimpulsen kon ontlenen.In zijn Wederopbouwplan had W.M. Dudok eencultured centrum geprojecteerd, bestaande uit een con-greszaal, een concertzaal en een schouwburg. Deze zalenhad hij, stuk voor stuk, duidelijk herkenbaar in eengebouw ondergebracht dat zich achter een plantsoenach-tig voorterrein concaaf naar de stedelijke structuurweg(Johan deWittlaan) boog. In deze compositie had hij ookhet Gemeentemuseum van Berlage met aanvullendebebouwing betrokken. De gekozen plek in de stad kreegook toen al kritiek en de monumentale opzet werd spoe-dig als achterhaald beschouwd, maar er was in elk gevaleen poging gedaan tot een gaafstadsbeeld te komen. Vandeze ontwerptechnische zorgvuldigheid is niet veel over-gebleven toen de architect van het Congresgebouw, debefaamde J.J.P. Oud, zich bepaalde tot het gebouw alszodanig.Hoe het Nederlands Congresgebouw zich alsnationale instelhng in de regeringsstad zou presenteren,hoe het zijn naaste omgeving visueel en functioned zoukunnen verrijken, dat kreeg van de architect geen enkelebelangsteUing. Het complex ligt met een lange, nietszeg-gende gevel pal aan de verkeersweg. De gemaniereerdedriehoekige toren heeft betekenis als louter esthetisch ele-ment voor het gebouw zelf en speelt nauwdijks mee inhet stadsbeeld. Aan de ruimte tussen de hoofdingang vanhet Congresgebouw en de achterzijde van het al aanwe-zige naoorlogse verzekeringskantoor (Churchillplein) isevenmin aandacht besteed als aan de relatie tot hetGemeentemuseum van Berlage, een instelling van natio-naal belang in de allernaaste omgeving. *)Het terrein, een onregdmatige vijf- a zeshoek,hgt tussen het centrum en de badplaats in de nabijheidvan de Scheveningse bosparken. Afgezien van vooroor-logse, exclusieve woningbouw bevatte het gebied degenoemde gebouwen waaraan een hotel werd toegevoegd,hotel Bel Air. Alleen het Gemeentemuseum was op eenzorgvuldige manier in de openbare ruimte gesitueerd.De gebouwen stonden er bij alsof ze niets met elkaar temaken wilden hebben. Toch lagen tien jaar geleden demogelijkheden nog open voor het tot stand brengen vaneen interessant voetgangersdomein tussen attractieveinstellingen, een levendige stedelijke ontmoetingsruimtemet de gezochte en toevallige confrontaties met mensen,ideeen en produkten, waarover we al spraken. Naastpubliektrekkende voorzieningen zouden kantoren metveel employees een aanleiding zijn om de openbaar-ver-r.^\fiH\ *r?^'MH^'"-mLjl-Ptisuvoersaccommodatie drastisch te verbeteren, bijvoorbeelddoor de bouw van een tramstation met overkappingen enkiosken direct aansluitend op het eigenlijke plangebied.Comfortabele en directe verbindingen met de spoorweg-stations, het centrum en de badplaats zijn toch een eerstevereiste. Zo'n tramstation zou bovendien de schakel kun-nen vormen van het nabije winkelgebied van de FrederikHendriklaan met het Congresgebouw.Zo'n veelomvattende aanpak ging het gemeente-bestuur te ver. Wat er wel gebeurde was de bouw van hetMuseon en het Omniversum, terwiji tegen de noordrandvan het gebied (overkant Eisenhowerlaan) de ontwikke-Hng doorging waarbij villa's die een kantoorfunctie had-den gekregen, vervangen werden door grotere "kantoor-villa's". Inmiddels werd een grote expositiehal gebouwd,als onderdeel van het congrescentrum en aan de overzijdevan de Johan deWittlaan verrezen kantoren. Er zijn plan-nen voor een kantoormastodont aan het blijvend misluktevoorplein van het Nederlands Congresgebouw. Hoe hetterrein tussen dit gebouw en het BelAir Hotel wordt inge-vuld is nog onzeker (museale functies, kantoren, wonin-gen?). Want om invullingen gaat het. Ongetwijfeld is ereen concentratie van interessante stedelijke instellingenontstaan, maar zonder voldoende aanpassing van de ver-voersaccommodatie en bij geen van de projecten was ersprake van een visie op het geheel. Op de niveaus van ste-debouw, urban design en omgevingsvormgeving werdweinig inventiviteit vertoond. Het is minder dan twijfel-achtig ofop zo'n manier een stedelijke entourage tot standkomt, waar de residentie op nationaal en internationaalpeil bezoekers kan ontvangen.')PERIFEERGELEGENGROOTSTEDELIJKE ELEMENTENEen wereldhandelscentrum vormt een city-functie bij uitstek. Het betrekkelijk kleine Wereldhan-delscentrum in Rotterdam werd terecht in het stadshartgesitueerd, dat te Amsterdam kreeg een perifereligging.^) De verbindingen van het WTC-Amsterdam -uiteraard heet zo'n instellingWorldTrade Center - met debinnenstad laten ook nog te wensen over. Bovendienkampt het met een volstrekt gemis aan stedelijkeambiance. Het is de moeite waard eens te vergelijken water aan nuttige en aangename zaken binnen tien minutente voet bereikbaar is en hoe aantrekkelijk dan dewandelroute is vanuit het WTC in Rotterdam en dat inAmsterdam. Het Amsterdamse Wereldhandelscentrumstaat in een leegte. . ,- HetWTC-Amsterdam vertoont zich veelbelovendaan de autosnelweg - al moeten automobihsten nog evenomrijden - en aan de spoorhjn met station in de midden-berm van die autosnelweg, het zuidelijk trace van deAmsterdamse rondweg. Ook de RAI kreeg een eigenspoorweghalte. De haltes van de beide grootstedehjkecomplexen liggen vervoerstechnisch eigenlijk te dicht bijelkaar, maar RAI enWTC liggen net te ver uiteen om eenstedehjke eenheid te vormen. Door weg- en treinverbin-V9E e c c0 E n? e ii 3Q.E (Asin3Dac0100)0O nuo(A _c 0)(ftHIE cm.Q01301ara3EE"3i0)i3p319893 ?XC1>E(Usw0
Reacties