Stel: u moet 14 raadsleden, 2 wethouders,1 welstandscommissie, 3 milieu-organisaties en1 voorzitter van de agrarische bondeen ingrijpend bouwplan presenteren.U hebt nog 2 weken. En 'n neurose.De Brink Groep weet wel een opiossing.Wie De Brink Groep alleen kent als belang-rijke bouwkostenadviseur, moeten we toch evenuit de droom helpea Projektmanagementneemt in ons dienstenpakket bijvoorbeeld eensteeds belangrijker plaats in.De Brink Groep heeft daarvoor intelligenteprogrammatuur ontwikkeld Zo kunnen weComputer Aided Design (CAD) probleemlooskoppeien aan verschillende kalkulatieprogram-ma's en administralieve systemen.Onderhoudsplanning is een van onzeandere specialismea De Brink Groep adviseertin de beheersing van elk aspekt van het onder-houdsproces. En helpt zo kapitaalvemletigingvoorkomenDe BrinkGroep is volkomen onafhankelijkVoert o.a. werkzaamheden uit voor verschillendeministeries en vele nederlandse gemeentenDaamaast wordt veel werk gedaan voorwoningbouwverenigingea projektontwikkelaars,architektenbureau's en andere opdrachtgevers.Zo'n 6oo projekten per jaarOnze dokumentatie zullen we u met ge-noegen toezenden U kunt 070-209214 bellen ofonderstaande bon (ongefrankeerd) opsturea-XStuur mij uw dokumentatie over D projektmanagementn onderhoudsplanning n bouwkosten D automatiseringbedrijf:tavadrespostcode:woonpl.:^^ Aan de Brink Groep, Antwoordno.^^^""^ 10124,2260 UTi Leidschendam.DE BRINK GROEPINGENIEURS WAAROP U KUNT BOUWENI INHOUDAPRIL 0>000)^ JAARGANGRAAMH.W. StrubenOntwerpen en Vooruitzien 3SIGNALENMILIEUJ. WesselNaar een integralemilieuzonering 33Een eerste bijdrage in een nieuwe rubriek waarin onderwerpen aan deorde komen die liggen op het raakvlak van ruimtelijke ordening enmilieubeleid.BESTUUR EN RECHTR.G.M, LouwesPlanologisch Basisbesluit 34PLANOLOGIEW.J.G. van MounkVisievorming op bovenlokaalschaalniveau 37Verschuiving in ruimtelijke besluitvormingi R. van derHeiden en G. van derMeulenEen beschouwing over de eisen die vanuit de veranderende planologischebesluitvorming gesteld moeten worden aan de informatisering.Bereikbaarheid van onderwijsvoorzie-ningen, J.H.J. van Dinteren, A.R. Krijgsman en H. BoutDe provincie zai meer aandacht moeten schenken aan de spreiding en bereik-baarheid van onderwijsvoorzieningen.Gewenste stedelijke systemen en huninfraStrUCtUUr, M. Blerman en M.J. DijstEen idee over de wijze waarop de verkeer- en vervoerinfrastructuur dient inte spelen op de tendenzen tot maatschappelijke differentiatie.Woningbeheer en woonbeschaving,L. DebenVelen hebben zich vanaf het midden van de vorige eeuw met woonbescha-ving bemoeid. De resultaten daarvan en hun betekenis in deze tijd.55-plus en wijzigingen in het volkshuis-vestingbeleid, RHoubenTweede deel van een commentaar bij de Ontwerp Nota Volkshuisvesting inde jaren Negentig over de gevolgen voor ouderen.UITDE RAROOntwerp-Structuurschets 39i-ieroverweging 39UITDE RAVONota HeermaPUBLIKATIESBoekbesprekingenSelectie aanwinstenS en V wordt gelijktijdig met ROM verzonden.Orgaan van het Nederlands Instituutvoor Ruimtelijke Ordening enVolkshuisvestingEen uitgave van VUGA Uitgeverij B.V. insamenwerking met het NIROVVerschijnt zes maal per jaarRedactie, administratie en publikatiester recencie:Mauritskade 21, 2514 HD 's-Gravenhagetelefoon: 070 - 46 96 52Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen en boekbesprekingenkunnen op het redactiesecretariaat "RichtlijnenRedactie: voor auteurs" aanvragen.DrHJ.M^Goverde40Ir. RC. Groen Advertentie-exploitatie:Mr.Ir. A.W. Hartman VUGA Uitgeverij B,VIn J. Heeling Zeestraat 65dMw.drs. IT, Klaasen Postbus 16400Mw.drs. G,C,P, van der PloegIr. K.R.dePoel2500 BK 's-Gravenhagetelefoon: 070 - 61 40 11Prof, J, RothuizenMr A.M, Schaap-Dubbelboertelefax: 070 - 63 23 38Drs, PW,A,Veld Advertentieverkoop:42Ir H, Westra M. Huhntelefoon: 070 - 61 40 11Redactiesecretariaat:46 Mr. A,M, Schaap-Dr bbelboer Basisvormgeving:Mw.drs, G,C,R van der Ploeg Jeanette BollandS,W, Blom-Verhoog Hofhuis/SchrieverV7notu/v:aangesloten bij,nOtu/vak NOTU-groep vaktijdschriften'aoKSPW*Bevolking en stedelijke segregatieOverheid enbevolkingsontwikkelingenAutonome en niet-autonome bevolkingsont-wikkelingen in de stadsgewesten Arnhem enUtrecht - B.G.J. Driessen,R. Verhoef & J.G.P. ter Welle-Heethuis166 pag., / 23,30 (NGS 54)In hoeverre worden bevolkingsontwikkelingenbeinvloed door gebiedskenmerken, wat is deinvloed van de overheid, is er sprake van cydi-sche bevolkingsontwikkeHngen?Segregatie in hetgrootstedelijk milieuTheorie en Rotterdamse werkelijkheid -G. Mik252 pag., / 25,00 (NGS 32)Studie over segregatie, waarbij de ontwikke-hngen 1972-1984 worden vergeleken mettheoretische inzichten. De studie bevat eenoverzicht van het segregatiebeleid sinds de ja-ren zeventig van de grote steden en van natio-naal beleid.Selectieveverhuisbewegingen ensegregatieDe invloed van de etnische samenstelling vande woonomgeving op het verhuisgedrag -Y.J.C. Brouwers, M.C. Deurlo & L. de Klerk112 pag., / 16,00 (NGS 40)Heeft de etnische samenstelhng van de woon-omgeving invloed op het verhuisgedrag van au-tochtonen en allochtonen? Een analyse vanambtelijke statistische gegevens van het wo-ningmarktgebied Amsterdam.Onder anderenEffekten van de vestiging van Mediterranen innaoorlogse wijken - F.J.J.H. van Hoorn226 pag., / 29,70 (NGS 50)In hoeverre vindt assimilatie van buitenlandsehuishoudens plaats en hoe is het gesteld met dewoonsatisfactie van Nederlandse huishoudensin wijken waar zich Mediterranen vestigden?WoningmarktHet sociaal profielvan de gemeenteWoonmilieudifferentiatie en de vorming vanhet stadsgewest Amsterdam: het ruimtelijk be-leid van een achttal gemeenten na de tweedewereldoorlog - W.J.M. Ostendorf190 pag., / 23,00 (NGS 75)Binnen stadsgewesten kunnen bewoners kiezenuit woonmilieus met verschillende kwaliteiten.Hoe komt die differentiatie tot stand; welke rolspelen de lokale overheden daarbij?Echtscheiding enwoningmarktEen voorstudie naar de complexe relatie tussenechtscheiding en woningmarkt - R.J. Schouw& P.M. Dieleman98pag.,/14,95 (NGS 41)De gevolgen van echtscheiding op de woning-markt, verkend ten behoeve van het Program-meringscollege Demografisch Onderzoek.Dynamiek en immobiliteitin naoorlogse wijkenHet funktioneren van woonwijken in Alkmaar,Haarlem en Purmerend - P.J. Korteweg144 pag., / 20,90 (NGS 72)In deze studie staan doorstroomsnelheid enverhuisstromen in verschillende typen woon-wijken centraal. Speciale aandacht voor hoog-bouw en woningwetwoningen.De verkoop vanwoningwetwoningenDe overdracht van woningwetwoningen aanbewoners en de gevolgen voor de volkshuisves-ting - P.J. Boelhouwer208 pag., / 29,30 (NGS 60)De gevolgen van de overdracht van woning-wetwoningen in de jaren zeventig leveren be-langrijke inzichten voor het huidige en toekom-stige overdrachtsbeleid.AppartementsrechtenHet gebruik van het splitsingsregime -J. van Weesep94 pag., / 14,50 (NGS 65)Onderzoek in gemeenten waar appartemen-tensplitsing is ingevoerd. Wat zijn de gevolgenvoor de volkshuisvesting, de stadsvernieuwingen het beheer van de woningvoorraad?VoorzieningenUniversiteit enrevitaliseringM.J. Dijst & C. Cortie140 pag., / 17,00 (NGS 51)Een onderzoek naar de betekenis van de Uni-versiteit van Amsterdam voor het ontstaan vannieuwe economische activiteiten, de verbete-ring van de woningvoorraad en het voorzienin-genniveau.Vergrijzen in het groenHet bereik van ouderen en de bereikbaarheidvan voorzieningen in landelijke gebieden -A.H.H.M. Kerapers-Warmerdam236 pag., / 29,50 (NGS 59)Het langer zelfstandig wonen van ouderenwordt in de toekomst moeilijker door eenvoortschrijdende rationalisatie en schaalvergro-ting van basisvoorzieningen in kleine, maarook in middelgrote dorpen.Geografie van gezondheiden gezondheidszorgp.p. Groenewegen, J.P. Mackenbach & M.H.Stijnenbosch, red.132 pag., / 19,70 (NGS 34)Bijdragen aan de Nederlandse Geografendagehvan nederlandse en engelse deskundigen. En-kele thema's: regionale gezondheidsverschillen,concentratie en deconcentratie van gezond-heidsvoorzieningen, verzorgingsgebieden, re-gionale prevalentieschattingen.De bereikbaarheid vanvoorzieningen inNoord-NederlandO.A.L.C. Atzema e.a.220 pag., / 24,00 (NGS 55)De huidige en toekomstige verzorgingssituatiein Noord Nederland wordt in deze studie be-naderd als een bereikbaarheidsvraagstuk. Deknelpunten worden ondermeer kartografisch inbeeld gebracht.Platteland, milieuDe positie van dorpenin het beleid vanNederlandseplattelandsgemeentenEen politiek-geografisch onderzoek naar deverdeling van woningbouwlokaties tijdens eenfase van omvangrijke groei - J.G. Groenendijk314 pag., / 31,50 (NGS 42)Een onderzoek naar de invloed van het beleidop ruimtelijke aspecten van lokale samenlevin-gen en de verschillen in het functioneren vanbestuurseenheden. Toegelicht aan de hand vanvier case studies (Rucphen, Opsterland, Ha-renkarspel, Anloo).Rural research andplanningThe Netherlands and Britain - C. Clark,P. Dostal & F. Thissen, red.88 pag., / 10,00 (NGS 27)Bijdragen van 2e British-Dutch Symposium onRural Geography. Thema "Planning and theFuture of the Countryside". O.a. aandachtvoor bevolking in plattelandsgebieden, plan-ning voor recreatie, de plaats van de landbouw.Ruimte vooragribusinesscomplexenStructuur, positie en dynamiek van het Noord-limburgse tuinbouwcomplex vanuit functioned,geografisch en regionaal perspectief -G. Cardol312 pag.,/30,00 (NGS 57)Welke positie neemt het Noordlimburgse tuin-bouwcomplex in, en welk multiplier-effect oe-fent het uit?NEDERLANDSE GEOGRAFISCHE STUDIESWeteringschans 121017 SG AmsterdamTel. 020-277716NGS is een gezamenlijke publikatiereeks vande geografische en geografisch-planologischeinstituten.Bestellingen: giraal door overmaking op giro225837 t.n.v. NGS Amsterdam, of schriftelijkmet bijvoeging van betaalkaart of -cheque. Uit-sluitend van instellingen worden bestellingenzonder bijgaande betaling geaccepteerd. Ver-zendkosten zijn bij de prijs inbegrepen.NEDERLANDSE GEOGRAFISCHE STUDIES NGSOntwerpen en VooruitzienI eze maand heeft Niek de Boer afscheid genomen van'deTU-Delft als hoogleraar Stedebouwkundig Ontwer-pen. Binnengehaald door studenten in de roerige jaren zestig werdhij van buitengewoon hoogleraar gewoon hoogleraar, om te eindigenals part-timer op de 0.4 leerstoel Ontwerpen "op het hogere schaal-nivo".Dit afscheid betekent niet meteen het einde van zijn beroeps-activiteiten. Boeken staan nog op stapel en ook zijn adviserende werkgaat nog door. Maar goed ook, immers het politiek-bestuurlijkeklimaat in Nederland lijkt nu rijp voor ideeen, die hijin de jaren zeventig ontwikkelde tegen de stroom in.'Het komt er op neer dat welzijn en welvaarthet best gediend zijn met een beleid dat in de Rand-stad aanstuurt op een grootstedelijk milieu en eenkrachtige verstedelijking. Voor Nederland als geheelmoet dat leiden tot een grote verscheidenheid aanwoonmilieus en het behoud en herstel van wat onsnog rest aan groene landschappen'. 'In twee of drie(van de vier grote steden-H.S.) zijn er kansen vooreen grootstedelijk milieu met karaktertrekken vaneen internationaal khmaat'. 'Het is een misverstanddat vooral een kleine elite van metropolitaine ontwikkelingen profi-teert . . . voor alle groepen van de bevolking . . ., voor vele eUtes,voor vele voor- en achterhoedes en voor vele minderheden'.Bovenstaande citaten van De Boer zijn niet afkomstig uit eenartikel in het kader van de Vierde Nota RO, maar betrekkelijk wille-keurig geplukt uit een artikel in het NRC-Handelsblad van 26 maart1977. Kenmerkend overigens voor zijn persoon is dat hij de toploka-ties niet alleen vanuit de momenteel overheersende economischeinvalshoek bekeek, maarzeookindeculturelesfeertrok: . . .Inter-nationale uitwisseling van ideeen en cultuuruitingen.j e aandacht hier voor het vertrek van De Boer van'Bouwkunde geldt echter niet alleen de persoon, maarook het dreigende leeg blijven van deze en van de andere leerstoelenStedebouwkundige Ontwerpen: die van Nycolaas, en die van de bin-nenkort nog vrijkomende leerstoelen.Vanuit de praktijk is er een groeiende aandacht voor ruimte-lijke kwaliteit en daarmee samenhangend neemt het aantal stede-bouw-studenten sterk toe. Dat vraagt om fundamenteel nadenkenover en herorientatie op de stedebouw-opleiding.Na jaren van bezuiniging lijkt het vermogen bij Bouwkundeom nieuw beleid voor Stedebouwkunde te ontwikkelen sterkgedaald. Dit gebrek aan beleid is, met name nu, voor Stedebouw-kunde zeer betreurenswaardig.De vragen om inzicht te geven in ruimtelijke consequentiesvan ontwikkelingen op verschillende schaalniveaus, liggen voor hetoprapen. Daarin heeft de Vierde Nota RO goed gewerkt. Door deaandacht naar het Europees schaalniveau te verleggen en de ontwik-keling van toplokaties, stedelijke knooppunten en landschappelijkedifferentiatie te stimuleren. Door het initiatief tot uitwerkingen vanlandsdelen te nemen.De Vierde Nota RO roept tevens onverwachte readies op, dievragen om een ruimtelijke vertaling: samenwerkingsinitiatieven vanbijvoorbeeld Vlissingen en Middelburg, die de "witte plek" in willenkleuren. Doch ook dat verblijdende initiatief van Hengelo enEnschede, waar spontaan over de gemeente-grens heen elkaar dehand wordt gereikt met het inzicht dat samenwerking sterk maakt.?aD E N KIntwerpen op het bovenlokale schaalniveau blijktgezien de resultaten van de eerste Eo Wijers-prijsvraag"Nederland Rivierenland" een discipline die duidelijk versterkingbehoeft. De landschapontwerpers uit Wageningen waren in ruimemeerderheid de uitblinkers. Resultaten van in Delft opgeleidenwaren wisselend, meestal mechanisch-technocratisch. De wisselwer-king stad/land, waar de stichting op gehoopt had, is onvoldoende uitde verf gekomen. Hopelijk lukt dat bij de huidige prijsvraag van deEo Wijers Stichting beter.De kerndiscipline stedebouw vraagt om eenaparte, goed geoutilleerde vakgroep waarin de ver-schillende schaalniveaus als differentiaties vertegen-woordigd zijn.Een programma met brede technische onder-bouw en daarna modulen, waarbij de studenten ronddifferentiaties als Urban Design, stads- en regionaleplanning, relaties kunnen leggen naar andere vakge-bieden binnen en buiten de faculteit. Het spreektvanzelf dat daarbij niet alleen de vormgeving maarook management, beheer, technische specialisatie ende beleidsadvisering aan de orde moeten komen,afgestemd op de vraag uit de praktijk. Nieuwe dwarsverbanden die-nen gelegd te worden naar milieu en informatica.Het produceren van ideeen, schetsen en ontwerpen op hetregionale schaalniveau met werkelijkheidswaarde, kan alleen voort-komen vanuit begrip voor de algemeen maatschappeUjke problema-tiek, economische mogelijkheden en een hoge mate van lokale ken-nis met betrekking tot planologische en ruimtelijke ontwerpaspec-ten en gevoel voor politieke haalbaarheid.In dit laatste schuilt het dilemma van vooruitzien. Vooruitzienis voornamelijk het interpreteren van ontwikkelingen op basis vankennis van het heden.Het presenteren van de ruimtelijke neerslag daarvan in eenontwerp brengt je onherroepelijk in conflict met het heden. Hetheden is er nog niet aan toe.Toch zijn deze verkenningen nodig. Goede bestuurderszullen daar ook ruimte voor geven. Hierbij zijn verschil-lende schaal- en abstractieniveaus (gemeente, provincie en rijk, insti-tuten als HBO en WO etc.) het intermediair voor de ontwikkeling inhet denken.Het geeft ook de plaats en relevantie aan van het maatschappe-lijk onderzoek aan de universiteiten - en in deze - van het ontwer-pend onderzoek.Het dilemma tussen lange en korte termijn mag geen belem-mering vormen om over de toekomst na te denken en om de ideeen,mils doordacht, te etaleren. Vaak ontdek je dat na een bepaalde perio-de, soms enkele jaren, men er wel aan toe is. Uit dit gegeven moetsteeds de inspiratie geput worden om door te gaan met ontwerpenook op het hogere schaalniveau.De TU-Delft heeft de verantwoordelijkheid voor het in standhouden en vernieuwen van een hoogwaardige opleiding stedebouw-kunde die de Europese concurrentie aan kan.senVir. H.W. StrubenDienst R.O. AmsterdamR. van der HeijdenG. van der MeulenSenDe laatste jaren valt er op het terrein van de planologie een grote belangstel-ling voor computerisering van de informatievoorziening te constateren:informatisering. Door verschuivingen in de planologische besluitvormingveranderen de eisen aan de informatisering. Op de eerste plaats treden the-matische veranderingen op in de planologische besluitvormingen door hetcentraal stellen van de problematiekvan de ruimtelijke infrastructuur Op detweede plaats is er sprake van veranderingen in de besluitvormingsstiji. Dehuidige computeriseringsinspanningen lijken in een aantal opzichten onvol-doende met deze veranderingen rekening te houden.Verschuivingen in ruimtelijicebesluitvormingaccenten op infrastructuur en informaticaTot aan het einde van de jaren zeventig ken-merkte de planologie zich door een geleide-lijke verbreding van de aandachtsvelden enbesluitvormingsthematiek, afgedwongen door de com-plexiteit van de na-oorlogse ruimtelijke problematiek.Het accent in beleid en onderzoek kwam in toenemendemate te liggen bij de sociaal-functionele kant. Met namehet werk van Steigenga (1964) is hierop van invloedgeweest. Onder invloed van de economische recessie ont-stonden aan het eind van de zeventiger jaren budgettaireproblemen met de toen vigerende planologische benade-ringen, resulterend in een inkrimping van het onderzoek,economisch-budgettaire prioriteiten en een groeiendeoverleg-cultus. Sinds enkele jaren treedt bovendien eenafnemende aandacht voor de sociaal-ruimtelijke aspectenaan het licht ten koste van de belangstelling voor defysieke ruimte.Ofschoon dit voor een deel samenhangt met de verschui-ving van stedelijke expansie naar beheer van de ruimte-lijke voorraad (b.v. Goudappel, 1980; Van der Burg,1985), is er meer aan de hand.Een rol van betekenis speelt de verandering in de pohtiek-maatschappehjke verankering van sociale vraagstukken,in het laatste decennium tot uitdrukking komend in hetderegulerings-, no-nonsense- en privatiserings-strevenvan overheden met betrekking tot vele maatschappelijketerreinen. Ook op het terrein van de ruimtelijke ordeningblijken economische en budgettaire doelstelhngen keerop keer dieper geworteld dan de sociaal-ruimtelijke doel-stelhngen van de jaren zestig en zeventig.Een relatief zwaar accent wordt gelegd op het realiserenvan ruimtelijke voorwaarden voor economische ontwik-keling, het uitbuiten van bestaande ruimtelijk-economi-sche potenties, het optimaal benutten van investeringenin fysieke structuren en het overhevelen van verantwoor-delijkheden bij ruimtehjke inrichting en beheer naar deprivate sector. Zie bijvoorbeeld de Vierde Nota over deP.uimtehjke Ordening en het Tweede StructuurschemaVerkeer en Vervoer.De belangstelling voor de fysieke zijde van de planologiekrijgt een steeds sterkere toespitsing op ruimtelijke infra-structurele werken.Gelet op het gebrek aan eenduidigheid over watonder ruimtelijke infrastructuur moet worden verstaan,is het voor de begripsvorming goed onze afbakening indit opzicht te vermelden. Het begrip infrastructuur heeftin algemene zin betrekking op elementen met eenpubliek/openbaar karakter, in de aanleg waarvan bewustis geinvesteerd vanwege het feit dat zij een maatschappe-lijk-ruimtelijk-economische functie (beogen te) vervul-len. De eventuele kosten van het (publiek) gebruik wor-den niet enkel bepaald door het economische marktme-chanisme, maar worden doorgaans (mede) vastgestelddoor publieke (overheids)organen. De investeringskos-ten zijn dikwijls hoog, het economisch rendement indi-rect en/of laag. Concreet kunnen we aan het volgendedenken:- vlakelementen: havens, vliegvelden, poldersystemen,parken, sportvelden, parkeerplaatsen, begraafplaatsen.terreinen voor opslag en verwerking van afval, e.d.;- ondergrondse lijnelementen: nutsvoorzieningen (gas,elektriciteit, consumptiewater), riool en bepaalde tele-communicatie-netwerken, e.d.;- bovengrondse lijnelementen: (spoor)wegen, waterwe-gen, bepaalde telecommunicatienetwerken, e.d.;- puntelementen: bruggen, viaducten, tunnels, waterke-ringen, gebouwen, waterzuiveringsinstallaties, e.d.De toespitsing in planologisch beleid op ruimte-lijke infrastructuur heeft te maken met de volgende aspec-ten.Op de eerste plaats is er een discussie gaande, waarinruimtelijke infrastructuur als een belangrijke voorwaardevoor economische ontwikkeling wordt gezien. Eengebrekkig infrastructuursysteem draagt bij tot een min-der doelmatig en doeltreffend functioneren van het ruim-telijk economisch systeem. Om die reden wordt verme-den dat het terugtreden van de overheid het infrastructu-rele voorzieningenniveau raakt. Integendeel: het ruimte-lijk beleid is er in belangrijke mate op gericht degenoemde voorwaardelijke werking positief te beinvloe-den.In dit verband moeten met name twee accentleggingenworden vermeld. Allereerst betreft dat de internationali-sering van onze economic en de angst dat Nederland inEuropa perifcer komt te liggen. Deze dreiging dient bin-ncn de hierboven aangegeven visie te worden afgewenddoor verbetering van de (vooral infrastructurele) rand-voorwaarden voor optimaal economisch functioneren,met een nadruk op de transportfunctie (vgl. bijv. Cie. Nij-kamp, 1987; Ter Brugge, 1988). Vervolgens speelt deopkomst van de telematica in de economische bedrijvig-heid en groeit de belangsteUing voor de ruimtelijke effec-ten daarvan. In dit verband vallen termen als robotise-ring, flexibele automatisering en produktie en telecom-municatie.De invloed van deze ontwikkeling op logistieke processenleidt naar verwachting tot veranderingen in eisen aan engebruik van ruimtelijke infrastructurele systemen (b.vJansen en Nauta, 1986;Verschuure, 1986). Hetaccentinde hier bedoelde discussie over infrastructuur ligt bij debepaling van de ontwikkelingen op lange termijn en decontouren van de reactie daarop in termen van te voeren(strategisch) beleid. Hierin staan principiele keuzes tenaanzien van de ruimtelijke organisatie van onze samenle-ving voorop.Op de tweede plaats haakt de in de laatste jaren geactuali-seerde kwaliteitsdiscussie in toenemende mate aan op hetinfrastructuurdebat. Het betreft vooral het vraagstuk vanmilieumanagement met het oog op de kwaliteit van deleefomgeving. Het bereiken van een gewenste ruimtelijkekwaliteit wordt door sommigen als een van de kernopga-ven van de ruimtelijke ordening gezien (Voogd, 1987;Meijer, 1987). Koppelingen aan het infrastructuurdebatliggen in het feit dat infrastructurele werken in het alge-meen uiteenlopende effecten op de leefomgeving hebben.Negatieve effecten liggen in de sfeer van ruimtebeslag en-versnippering, en verstoring van de omgeving doorgeluid en visuele vervuiling.Daarnaast spelen de meer indirecte effecten van lucht-,water- en bodemverontreiniging en energieverbruik.Hier staat tegenover dat infrastructurele voorzieningenbij (kunnen) dragen aan de verbetering van de kwaliteitvan de sociaal-ruimtelijke leefomgeving. Positieve effec-ten liggen in de sfeer van de economische ontwikkeling,bevordering van de persoonlijke bewegingsvrijheid enveiligheid. Ook zijn bepaalde infrastructurele voorzienin-gen bedoeld voor het tegengaan van lucht-, water- enbodemverontreinigingen en afvalverwerking. De infra-structuurproblematiek bevindt zich derhalve in een span-ningsveld tussen sociaal-ruimtelijke kwaliteitsverbete-ring en natuur- en milieuaantasting. Het accent in de dis-cussie over dat spanningsveld ligt bij het voeren van een"beheer in brede zin" met een middellang termijn pers-pectief, waarin concretisering in plannen en projectenplaatsvindt.senVERANDERINGEN PLANNINGTenslotte betreft een zeer uigesproken problema-tiek het onderhoud van de bestaande infrastructurelevoorzieningen. Het grootste deel van de thans bestaandeinfrastructurele werken is tijdens de na-oorlogse bouwpe-riode aangelegd. In die periode was vrijwel enkel aan-dacht voor stedelijke expansie en niet of nauwelijks voortoekomstig beheer, waardoor alleen de directe aanlegkos-ten bij de exploitatieberekeningen werden opgevoerd enniet de beheerkosten op langere termijn. Momenteel is ersprake van een geleidelijke vergrijzing van de infrastruc-turele werken en treedt de vraag om het onderhoud intoenemende mate op de voorgrond tegen een achtergrondvan krimpende budgetten en achterblijvende investerin-gen (vgl. b.v. DHV, 1985). Het accent in de discussie ligtbij de bepaling van de noodzaak, de aard en de organisatievan vooral technische herstel- (in de correctieve sfeer) ens beschermwerkzaamheden (in de preventieve sfeer), uit-V gaande van de eisen die gesteld zijn aan de huidige mate-rieel-functionele structuur. We kunnen dit aanduiden6 met "beheer in enge zin". Het gaat om de rationaliseringen systematisering van de informatievoorziening, besluit-p vorming en uitvoering met het oog op de optimale aan-'_ wending van beschikbare middelen en reductie van kos-I ten, overlast en disfunctioneren.9 VERANDERINGEN IN BESLUITVOR-l MINGSSTRUCTUURNaast de inhoudelijke verschuiving in de thema-tiek van planologische besluitvorming doen zich ook ver-schuivingen voor in de structuur van die besluitvorming.Het gaat hierbij om met name twee ontwikkelingen. Deeerste heeft betrekking op het werkproces rondom plan-vorming, -vaststelling en -implementatie en de relatiemet het ondersteunend onderzoek. De tweede betreft debesluitvormers zelf. Beide aspecten worden achtereenvol-gens besproken, waarbij overigens geldt dat zij interacte-ren en elkaar versterken.Zoals in de inleiding opgemerkt, wordt sinds de jarenzeventig het accent in de planologische vakbeoefeninggelegd bij de organisatie en ondersteuning van de bestuur-lijk-technische besluitvorming. Voor onderzoek impli-ceert dit een orientatie op het werkproces bij de totstand-koming en uitvoering van plannen: welke beslismomen-ten zijn er, over welke alternatieven kan beslist worden enwat zijn de consequenties van een beslissing? Bovendienis in de loop van de jaren tachtig de vraag gerezen hoe indie besUssingen met diverse onzekerheden kan wordenomgegaan en flexibiliteit ten aanzien van toekomstigeontwikkelingen in plannen kan worden gerealiseerd.Gelet op de grote hoeveelheden informatie die bij planolo-gische besluitvorming doorgaans wordt betrokken, is hetde taak van planologisch onderzoek de selectie en presen-tatie van informatie zoveel mogelijk toe te snijden op despecifieke beslismomenten in het werkproces.Het valt in dit verband momenteel op, dat steeds minderde behoefte wordt gevoeld vanuit de besluitvormingscon-text om vanuit onderzoek met nieuwe gegevensverzame-hngen en nieuwe methoden geconfronteerd te worden.In plaats daarvan wordt het accent in toenemende mategelegd bij: hoe kun je door koppeling van bestaande(liefst basis-)gegevens en selectie en bewerking daarvan(gegevens-management) komen tot de vereiste gerichteinformatievoorziening voor het gehele traject van plano-logische besluitvorming? Het gaat daarbij dus om deafstemming van vragen om informatie op aanwezige gege-vens. Aan deze verschuiving liggen vooral praktischeoverwegingen ten grondslag: reductie van de kosten vangegevensverzamelingen, snelheid van beantwoording,vermijding van schijnnauwkeurigheden, enz.De tweede, meerrecente, ontwikkeling is, dat erbinnen de informatisering een verschuiving plaats vindtdominantie deskundigenverminderd ten gunste vanmanagers??2S^-van wat we zouden kunnen noemen kennis van de mate-riedeskundigen (technici) naar kennis van de managers,bedrijfskundigen en bestuurskundigen. Dit vloeit voortuit het streven naar ontbureaucratisering en "no-non-sense" en de daarmee samenhangende behoefte aan pro-cesbeheersing en systematische beleidsstructurering.Deze behoefte ontstaat mede door de toename in produk-tie en toegankelijkheid van informatie als gevolg van deinzet van de informatietechnologie. Het veroorzaakt eentoenemende tendens de organisatie en uitvoering vanpublieke besluitvormingsprocessen volgens bedrijfskun-dige modellen en dienovereenkomstige aanpassingen vanbestuurskundige kaders en beginselen in te richten.De besluitvormingsmodellen -waarden en -methoden entechnieken worden in samenhang hiermee steeds minder"gevuld" met informatie over de objecten waarover beslo-ten wordt en steeds meer met informatie van bestuurlijke(financiele, organisatorische, juridische, etc.) aard. Eenvan de gevolgen is dat de traditionele dominantie vanmateriedeskundigen (onderzoekers, planologen, (ste-de)bouwkundigen, civiel-technici, etc) in de planologi-sche besluitvorming lijkt te verminderen ten gunste vande positie die managers, bestuurskundigen, bedrijfskun-digen en organisatoren in die besluitvorming innemen.Het gaat bij deze categoric participanten niet om een "sof-te"sector, maar om professionele bestuurders en organisa-toren met een multi-disciplinaire instelling en systeem-analytische benadering.Momenteel lijkt het erop dat materiedeskundigen steedsvaker pas ingeschakeld worden bij de operationele uitwer-king en uitvoering van door niet-materiedeskundigengenomen strategische beslissingen. Het wordt in hetkader van de informatisering dan ook steeds wezenlijkerde vraag te stellen op welk niveau welk type beslissingenworden genomen en hoe de informatisering dient te wor-den ingericht teneinde hierop adequaat in te kunnen spe-len.GEBRUIKVAN INFORMATIE-CONCEPTENAls gevolg van de explosieve ontwikkelingen inde informatietechnologie wordt de gedachtenvormingover ondersteuning van besluitvorming met behulp vanplanologisch onderzoek steeds meer bepaald door de the-matiek van data- en informatiemanagement met behulpvan gecomputeriseerde informatiesystemen.Op zichzelf valt de belangstelling in de planologie voorhet organiseren van gegevens-verzameling, -opslag en-bewerking in termen van computersystemen positief tebeoordelen, ondanks alle problemen die met het gebruikvan de computer samenhangen en alle beperkingen diede gecomputeriseerde ondersteuning kent. In potentieworden echter wegen geopend voor een meer opgekniptec.q. toegesneden, systematische en controleerbarestroom van informatie in de richting van planologischebesluitvorming.Deze informatievoorziening met behulp van de computerbiedt perspectieven in termen van een vergroting van deefficientie en effectiviteit van onderzoek en planvormingin verband met de snelheid, de mogehjkheden van mani-pulatie van bestaande informatiebronnen, de flexibiliteitin bewerkingen en presentaties, enz. Dit kan een positiefeffect hebben op de flexibiliteit in en de inzichtelijkheiden kwaliteit van de besluitvorming, zoals wij eerder bear-gumenteerden (o.a. Van der Heijden enVan der Meulen;1985; Van der Meulen 1988). Het is evenwel onjuist diteffect te verwachten van computerisering op zich. Eenpositief effect kan van de informatietechnologie pasbereikt worden, wanneer de inschakeling daarvan gezienwordt als middel tot een kwalitatieve verbetering van deinhoud en organisatie van de informatievoorziening (vgl.Snellen, 1988).Informatisering van de planologische besluitvormingdient niet enkel de computerisering van de bestaandeonderzoeks- en besluitvormingstradities te zijn (een tech-nische invalshoek), maar dient gepaard te gaan met werk-proces- en product-innovaties. In dit opzicht gaat hetvooral ook om een organisatorisch vraagstuk waarvooreen technisch-bestuurskundige benadering wordt ver-eist. Daarbij dient aangehaakt te worden op in de voor-gaande beschreven verschuivingen in de inhoud en dewijze van planologische besluitvorming. Deze verschui-vingen (stapsgewijze informatievoorziening en koppelin-gen van materie- en management-informatie) geven aandat, voor zover een ondersteuning met gecomputeri-seerde systemen wordt nagestreefd, een zorgvuldigekeuze vereist is van een onderliggend informatieconcept,te specificeren naar "inhoud en "vorm".InhoudDe inhoud van het informatieconcept (data,bewerkingsmodulen) vormt een afgeleide van de aard vanhet ondersteunde besluitvormingsproces. De besluit-vorming die op de in het begin van het artikel aangeduidevraagstukken betrekking heeft, zouden wij op een drietalniveaus van structurering/ordening willen typeren.Op het eerste niveau gaat het om het ontwikkelenvan strategische beleidslijnen ten aanzien van het toekom-stig functioneren van (deels nog niet bestaande) infra-enVstructured systemen: om welke transformatie-, interac-tie- en communicatieprocessen gaat het, wat zijn hunonderliggende relaties en drijfveren, welke veranderin-gen treden daarin op, welke effecten zijn te verwachtenen hoe staat het met de beheers- en manipuleerbaarheidvan die effecten? Het betreft hier in het algemeen een wei-nig gestructureerde c.q. helder te geleden besluitvorming(lange-termijn, macro-niveau, verkennend, pohtiek-ideologisch geladen, taakstellend, publiek debat).Op het tw/eede niveau gaat het meer om concreti-sering van strategische beleidshjnen naar hier en nu spe-lende vraagstukken van infrastructuurbeleid. Hierbijspelen min of meer concrete afwegingen ten aanzien vante voeren beleid op korte tot middellange termijn: wan-neer dient op welke wijze waarin geinvesteerd te worden,langs welke weg kunnen bepaalde gespecificeerde doelenbereikt worden, hoe wordt een en ander in ruimtelijkeordeningsplannen vastgelegd? In het algemeen is deze sbesluitvorming matig gestructureerd (middellange ter-mijn, regionaal/gemeentelijk niveau, verkennend-prog-nosticerend, programmavormend, betrekkelijk inciden- 7teel, geinstitutionaliseerd overleg, normerend). In hetkader van dit type besluitvorming dient aandacht te wor- ^den geschonken aan: r- de schtmatisering van beshsmomenten en -criteria met ]betrekking tot het genereren van doelstellingen en alter-natieven; g- de systematische definitie van doelstellingen en alterna- ^tieven;- de schatting van effecten van alternatieven onder uit-eenlopende assumpties over het gedrag van het te bein-vloeden systeem;- de systematische en samenhangende evaluatie van alter-natieven gelet op hun effecten en gelet op de beleidsprio-riteiten;- de vertaling van alternatieven in planvormen, regels,'enz.;- de vertaling van plannen in uitvoering- en beheerpro-gramma's;- de controle op de werkelijk optredende effecten in ver-houding tot de oorspronkelijk nagestreefde effecten (mo-nitoring);- de systematische koppeling van het uitvoeringsprocesaan veranderingen in de beleidsopvattingen en organisa-torische kaders.Op het derde niveau gaat het om het nemen vanoperationele besluiten ten aanzien van (vooral onder-houds- en aanpassings)werkzaamheden, binnen hetraamwerk van meer globale uitvoering- en beheerpro-gramma's. In het algemeen is er in deze context sprakevan gestructureerde besluitvorming (korte termijn,lokaal niveau, gedetailleerd, operationeel, uitvoering-gericht, betrekkehjk continu, rationed). De kern van debesluitvorming op dit niveau ligt bij:- de definitie en prioritering van uitvoeringswerkzaam-heden op basis van de beoordeling van kwaliteits-(mate-rieel en functioneel) metingen;- de bepaling van optimale programma's van werkzaam-heden (optimaal in termen van de besteding van budget-ten en de inzet van arbeidsmiddelen);- het organiseren van de uitvoering.senV8VERANDERINGEN PLANNINGInformatisering richt zich vooral op de ondersteu-ning van de besluitvorming die matig tot goed gestructu-reerd is, dus van het tweede en derde niveau is. Debeschreven pluriformiteit in de besluitvorming vereistook conceptuele en operationele pluriformiteit in de toete passen informatieconcepten. Daarbij gaat het om deafstemming van de kenmerken van het te ondersteunenbesluitvormingsproces op de kenmerken van toegepasteconcepten.VormVeelvuldig wordt voor wat betreft de kenmerkenvan concepten voor informatisering een grofonderscheidgemaakt tussena. concepten ten behoeve van de opslag van registratieve(basis)gegevens met daar bovenop een set gestandaardi-seerde, niet-interactieve, presentatie- en bewerkingsme-thoden enb. concepten gericht op niet (geheel) gestandaardi-seerde, interactieve, bewerkingen met veelal complexeremethoden op basis van deels seiectief verzameldegegevens.Kenmerkend voor de eerste categoric concepten is detoespitsing op goed gestructureerde besluitvormings-vraagstukken. Tot deze categoric kunnen wordengerekend:* DB: een Database: een verzameling gegevens;* DBMS: een Database Management Systeem, bedoeldvoor de verzorging van data (input, opslag, retrieval);* IS: een Informatie Systeem: een systeem dat beschiktover een DB (plus DBMS) en deze kan bewerkenconform een aantal a priori vastgelegde standaard bewer-kingen en analyses;* LIS/GIS/RIS een Land/Geografisch/Ruimtelijk Infor-matiesysteem: een IS met (soms) ruimtelijke compo-nenten waarbij verschillen terug te voeren zijn op hetvoornaamste gebruik (LIS: kadaster; GIS: geografie;RIS: ruimtelijke planning). Opgemerkt zij overigens datmet name vanuit geografische hoek een GIS in oorsprongwordt omschreven als een DBMS waarin het analysege-deelte bestaat uit manipulaties van ruimtelijke gegevens(in toenemende mate met behulp van in de 60er en 70erjaren ontwikkelde ruimtelijk-statistische technieken).Schetsmatig ziet de algemene structuur van dit type infor-matieconcepten, ook die waarin ruimtelijke compo-nenten zijn opgenomen, er uit als weergegeven infiguur 1.Kenmerkend voor de tweede categoric conceptenis de toespitsing op ondersteuning van minder gestructu-reerde besluitvormingssituaties. Hiertoe kunnen wordengerekend:* MIS: een Management Informatie Systeem: een sys-teem dat gericht is op de ondersteuning van m.n. manage-mentbeslissingen via optionele analyses, veelal het karak-ter van een "bovenbouw" op een IS draagt en waarvandientengevolge de structuur mede bepaald wordt door deaanwezige gegevens.* DSS: een Decision Support Systeem: een systeem datexpliciet gebouwd wordt ter structurering van de besluit-vorming; waarin de bewerkingstechnieken toegesnedenworden op de informatiebehoeften gedurende het trajectE0?B(0
Reacties