Evatuatiellfet St^s-eri Dorpsvengj^wiffigSTADSVERNIEUWING EN BODEMSANER.? INFORMATIEVOORZIENING EN BEHEERPROCESSEN? BESTEMMEN MET BELEID? ARBEiDSMARKT EN R.O. ROND SCHIPHOLStel: u moet 42 kozijnen vervangen,280 gevels impregneren, 1 lift repareren,^^ 13 toiietpotten vernieuwen, ^60 cv-ketels vervangen en 8 daken dekken.U hebt: 620 manuren en 18 ATV dagen.De Brink Groep kent deze problematiek. Heeft voor dit doelmodellen ontwikkeld die in de dagelijkse pralctijk hun nut bewijzen.Onderhoud, klachtenverwerking, beschikbaremankracht,seizoensinvloeden en kostenvergelijkingen vragen kontinu omafweging en aanpassing. De Brink Groep kansamenmet u zorgenvoor de oplossingen.De Groep beschikt over grote ervaring in modeme computer-toepassingen. Ontwierp alom gerespecteerde programmatuur vooropname, calculatie, meerjarenbegrotingen en budget-bewaking.Maar ook voor bestekken, planningen, geluidswering, etc.Eventueel gekoppeld aan kleine of grote CAD-systemen.De Groep zorgtvooropleidingenbegeleidingopelkniveau.De Brink Groep voorkomt vervelende verrassingen. En dat iseen gemststellende gedachte.AIs u even belt 070 - 20 9214, ofonderstaande bon invult, hebt ude uitgebreide dokumentatieovermorgeninhuis.I-XIk ontvang graag dokumentatie overn onderhoudsadviezen D bouwkosten D automatiseringbedrijEt.a.v:adres:postcode/woonpl.:DE BRINK GROEPINGENIEURS WAAROP U KUNT BOUWENZenden aande Brink Groep,Antwoordno. 10124,2260 WB Leidschendam.I INHOUDJUNI 0)000)0)or. JAARGANGRAAMH. van der CammenStad en land op de helling 3Stadsvernleuwing na 1984, w RohdeS. SlootwegenStadsvernleuwing en bodemsanering,? ten HeuvelhofSIGNALENBESTUUR EN RECHTJ van der Velde en E. WiardaBestemmingsplanvormen schadeclaim 52PLANOLOGIEJ. Visser en A. van der BurgBedrijventerreinen 54Betovering van huurbelasting en doorstromingsheffing, H. pnemusInformatievoorziening en beheerpro-CeSSen, A. NautaenJ. SmeetsBestemmen met beleid, w. MeerdinkTelematika als keuzeprobleem,W. Stenfert Kroese en J. K. WiersmaRuimte en arbeidsmarkt, G. Hamburg enJ. MevissenVOLKSHU IS VESTING De factor zon in de Haarlemmermeer,J. ConijnIndividuele woonuitgaven 57VERKEER EN VERVOERWerkgroep EuropaSVV-II 58UITDE RAROVerzamelwet 60PUBLIKATIESBoekbesprekingen 61Selectie aanwinsten 64!' / ' 'S en V wordt gelijktijdig met ROM verzonden.H. KorbeeReactie op 'Gewenste stedeiijke syste-men en hun infraStruCtUUr', /. KlaasenenJ. vanderWantOver milieudifferentiatie, radialen entangenten, een antwoord, M. Bierman en M. DijstOrgaan van het Nederlands Instituutvoor Ruimtelijke Ordening enVolkshuisvestingEen uitgave van VUGA Uitgeverij B.V.samenwerking met het NIROVVerschijnt zes maal per jaarRedactie:Dr. H J.M.GoverdeIr, PC. GroanMr.ir A.W, HartmanIr. J. HeelingMw.drs. I.T. KiaasenMw.drs. G.C.R van der PloegIr. K.R, dePoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbeiboerDrs. RW.A. VeldIr H. WestraRedactiesecretariaat:Mr. A.M. Schaap-DubbelboerMw.drs. G.C.P. van der PloegS.W. Blom-VerhoogRedactie. administratie en publikatiester recencie:Mauritskade 21, 2514 HD 's-Gravenhagetelefoon: 070 - 46 96 52Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen en boekbesprekingenkunnen op het redactiesecretariaat "Richtlijnenvoor auteurs" aanvragen.Advertentie-exploitatie:\/UGA Uitgeverij B.V.Zeestraat 65dPostbus 164002500 BK s-Gravenhagetelefoon: 070 - 61 40 11telefax: 070 - 63 23 38Advertentieverkoop:M.Huhntelefoon: 070- 61 40 11Basisvormgeving:Jeanette BollandHofhuis/SchrieverV7 aangesloten bijnO(u/v^ NOTU-groepvaktijdschriftenWIE ZIET ER TOEKOMSTIN EEN TOREN?De stad Groningen beschikt over een opmerkelijke watertoren:op stalen poten, met een schacht en reservoir van geslotenmetselwerk. Dit industrieie monument is onlangs grondigopgeknapt. Maar een functie heeft liij niet meer. Daarom eenbijzondere prijsvraag: wie weeter een publieke bestemming dierecht doet aan het monumentale karakter van de toren?Als winnaar krijgt u de toren ter beschikking. U moet dan welzelf zorgen voor uitvoering van liet plan en voor fmancieledekking. Inzendingen worden daarom ook getoetst optechnisclie en fmanciele haalbaarheid.Voor geinleresseerden is een informatiemap gemaakt. U kuntdeze map schriftelijk aanvragen bij; de dienst RuimtelijkeOrdening, afdeling Monumemen, Postbus 7081, 9701 JBGroningen.nteicht& adellaaBuro voorTraining en ManagementadviesVoor managers en beleidsfunctionaris-sen op academisch niveau organiseertLicht & Gadellaa een cursus" Presentatietechnieken"omdatruimtelijke ordening in moet spelen op veranderendefuncties en beleidsuitgangspunten;een attitudeverandering bij het publiek nodig is;presenteren gericht is op een effect bij de toehoor-ders;presenteren inhoudt het doelbewust gebruik van mid-delen.data (met ovemachting in konferentie-oord):Cursus 1: 1 t/m 3 en 23 t/m 24 november 1989Cursus 2: 10 t/m 12 en 25 t/m 26 januari 1990Inlichtingen en informatiepakket kunt u krijgen bijBuro Licht & Gadellaa (drs. L.M. Gadellaa).Antwoordnummer 10195, 2300 VB Leiden, tel. 071-217846.Verschenen bij SDU Bestemmen met beleidSDU uitgaven zijn verkrijgbaarbij de boekhandel en SDU uitgeverij,Postbus 20014, 2500 EA Den Haag,telefoon 070 - 789880.paswUITGEVERIJEen publikatie waarin de nieuwe wettelijkemogelijkheden van het bestemmingsplan uit-eengezet worden.Hierbij is de nadruk gelegd op uniformeringvan bepaalde planonderdelen en standaardi-sering van de planopzet.Een praktische handlelding ter vereenvoudigingvan de planpraktijk, met voorbeelden en kaar-ten van bestemmingsplannen. Boek en kaartenzijn in een cassette samengevoegd.ISBN 90 12 06121 0 f 85,-BESTEMMENMET BELEID003.9^lyester borden betennenj--X 8260 AA Kampen, Tel. 05202-23355.Stad en land op de hellingj p 24 mei is in Maastricht de expositie van inzendingen'voor de Eo Wijersprijsvraag geopend en zijn de bijbe-horende prijzen uitgereikt. Het is van veel betekenis dat deze prijs-vraag, voor de tweede maal georganiseerd, weer is geslaagd: voor destichting die een jaar of vijf geleden het initiatief hiertoe heeft geno-men, verder uiteraard ook voor het gebied dat deze keer centraalstond in de opgave: de Euregio Maastricht-Aken-Luik en tenslotte- en dit is op deze plaats zeker van belang - voor het vakgebied.Nu deze prijsvraag opnieuw een aantal serieuze en opvallenderegionale ontwerpen heeft opgeleverd kan vastge-steld worden dat het regionaal ruimtelijk ontwerpennu op Deltahoogte is gebracht en dat de aansluitingmet de hoofdstroom van de planvorming in Neder-land weer is verzekerd. Een weg terug lijkt niet meermogehjk. Ook gevestigde instanties zoals de provin-cies kunnen niet meer om de smaakmakers van hetnieuwe regionale ontwerpen heen.De Eo Wijersprijsvraag 1989 blijkt le zijngewonnen door een groep zojuist afgestudeerden vande Landbouwuniversiteit Wageningen, met het ont-werp Toren van Babel. Voor de tweede prijs tekendein hoofdzaak een persoon: W.H.A.M. Keijsers, met het ontwerpPlanning ohne Frontieres. Daarnaast besloot de jury nog tot de toe-kenning van twee aanmoedigingsprijzen, reglementair uitsluitendbestemd voor studerende of zojuist afgestudeerde inzenders.De ruimte hier laat niet veel meer toe dan een signalement vande hoogst gewaardeerde twee inzendingen; kwalitatief ontlopen detwee elkaar niet veel. Ook de jury laat in haar rapport doorscheme-ren het hier niet gemakkelijk mee te hebben gehad: de beide voorstel-len hebben geleid tot "levendige discussies" en er is sprake van"sommige juryleden" die op de risico's van bepaalde ideeen wijzen(pag. 15). Uiteindelijk mochten de nummers 1 en 2 het prijzengeldmet een betrekkelijk kleine marge onderling delen; een derde prijs isniet toegekend.ke eerste-prijswinnaar Toren van Babel is uitgegaan van'drie categorieen landschappen, die op een vrij groteschaal over het ontwerpgebied zijn gelegd: produktielandschappen,parklandschappen en natuurlandschappen. De produktielandschap-pen komen westelijk van het Maasdal tussen Luik en Maastricht enten noorden van de lijn Heerlen-Aken. Hiermee wordt ingespeeld opde trend naar ruimtelijke menging van agro- en industriele produk-tie, waarbij nog maar weinig arbeidskracht te pas komt. In parkland-schappen kan gewoond, gewerkt en/ofgerecreeerd worden, in kleineeenheden. Deze worden gesitueerd in het Belgisch-NederlandseHeuvelland, de centrale zone van het gebied. De natuurlandschap-pen liggen in de Ardennen en in de Brabantse Kempen. De stedenkrijgen de vrijheid om elk naar eigen inzicht ruimtelijke beslissingente nemen, hetgeen hun onderlinge differentiatie ten goede zoukomen.De inzending Planning ohne Frontieres is meer opgebouwdmet klassieke middelen: de bestaande noord-zuid en oost-westlopende verstedelijkingsassen, de hoefijzervormige concentratie diehieruit resulteert en het Bronsgroen Hart. De steden zijn de dragersvan de regionale ontwikkeling. Nieuwe verstedelijking wordt aan debuitenzijde gesitueerd, veelal nabij de huidige landsgrenzen. Waarde toekomstige hogesnelheidslijn de bestaande assen kruist ontwik-kelt het ontwerp een veelbelovend transport- en overslagcentrum.j^..D E N KHet groene middengebied dient groen te blijven; de vier kwadrantenervan krijgen een verfijnde, functiegebonden gebiedsindeling.e contrasten tussen deze twee benaderingen zijn inder-daad groot.De visie van prijswinnaar Toren van Babel is van een inne-mende onstuimigheid, op de panelen gecompenseerd door verfijnden trefzeker tekenwerk. Toch schiet het voorstel betrekkelijk verdoor in de richting van laissez-faire planologie. Als deze denkbeel-den over parklandschappen ingang vinden, is alarmop zijn plaats in landschappen als Drente, de Achter-hoek en welhcht zelfs de Veluwe.Planning ohne Frontieres plaatst daar vooral reedsruimschoots getoetste denkbeelden tegenover. Wel-licht zijn deze nog steeds de best verkrijgbare inNederland, maar gecombineerd met de weinigopwindende schetsen zal hier niet gauw een vonk vanafslaan. Ook wordt er in dit ontwerp toch weer eennieuwe stad gebouwd in het Maasdal en we haddenjuist afgesproken om dat soort dingen niet meer tedoen.In enkele jaren tijd is in Nederland veel veranderd. De eer-ste Eo Wijersprijsvraag ging over Nederland Rivierenland.Het winnende ontwerp, het plan Ooievaar, bleek toen direct aan teslaan, ook in bestuurlijk Nederland. De vele publiciteit voor Ooie-vaar heeft de aandacht een beetje afgeleid van de andere inzendin-gen, vaak ten onrechte. Een voorbeeld slechts. In een inzending diedrie jaar geleden een aanmoedigingsprijs kreeg (omdat hij van jongevakgenoten afkomstig was) werd onder andere uitgegaan van eenstormstuw in de Nieuwe Waterweg. Toen leek zoiets nog een fanta-sie; nu wordt er ambtelijk aan getekend. In 1987 kwam de stichtingNederland Nu Als Ontwerp met regionale ontwerpen voor vierlandsdelen naar buiten. Toen vond men dat revolutionair; nu kerenthema's daaruit terug in de Euregio-inzendingen.De in 1988 verschenenVierde Nota besteedde eveneens ruimeaandacht aan het regionale schaalniveau. Kort geleden werden voorde BNS regio Zuid-west de eerste resultaten gepresenteerd van eenprovinciale Zuid-Hollandse ontwerpstudie naar het zg. Tussenge-bied: de streek tussen Rotterdam, Zoetermeer, Den Haag en Delft.De bovengenoemde stichting NNAO opent op 24 juni a.s. in Arn-hem een expositie van regionale ontwerpen voor het gebied Arnhem-Nijmegen. Het is slechts een greep, voldoende voor een of meerzomerse excursies.H. van derCammenPDI, Universiteit van AmsterdamsenVW. RohdeS. SlootwegDe effecten van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing zijn recent onder-zocht. Dit artikel poogt de resultaten kort samen te vatten. Daarbij krijgt ookde afbakening van het begrip stadsvernieuwing aandacht. Een beoordelingvan de werking van de wet krijgt vooral relief door deze te plaatsen in de con-text van het gemeentelijke beleid en de inhoud die het begrip stadsvernieu-wing in de praktijk krijgt.Stadsvernieuwing na 1984effecten van deWet op de stads- en dorpsvernieuwing? -. .V/-Het begrip stadsvernieuwing is eind jarenI zestig geintroduceerd, de eerste jaren is erI vooral over gepraat, de praktijk kwammedic jaren zeventig op gang aan de hand van eengroeiende boom van financiele regelingen, de wettelijkevormgeving is van de jaren tachtig. Om de effecten vande Wet goed te kunnen beoordelen is het zinvol om aan-dacht te besteden aan de inhoud van het begrip stadsver-nieuwing. Dat gebeurt aan de hand van de verschillendeopvattingen daarover van het rijk en de gemeenten. Omde informatie te ordenen is in de onderzoeken een cluste-ring opgesteld voor een deel van de onderzochte gemeen-ten, aan de hand van overeenkomsten in problematiek,aanpak en schaal.Daarna komen de effecten van de Wet op de stads- endorpsvernieuwing aan de orde. In beide onderzoeken isvooral aandacht besteed aan de gevolgen van het werkenmet een stadsvernieuwingsfonds. Achtereenvolgens pas-seren de revue: planning en besluitvorming, sparen eneigen middelen, bestedingsverslag en behoefteraming ende veranderingen in de stadsvernieuwingsactiviteiten.Het artikel sluit af met conclusies ten aanzien van deeffecten van de wet in de onderzochte gemeenten in rela-tie tot de verwachte gevolgen van de Wet.rNLEIDINGIn 1985 is de Wet op de stads- en dorpsvernieu-wing van kracht geworden. Een wet met een lange voor-geschiedenis. Het eerste voorontwerp dateert uit 1973,de defmitieve versie is in 1984 aangenomen. De Wet opde stads- en dorpsvernieuwing vervangt negentien speci-fieke regelingen van vier departementen door een brededoeluitkering. De middelen die het rijk hiervoor terbeschikking stelt worden in gemeentelijke en provincialestadsvernieuwingsfondsen gestort.Gemeenten die volgens een door het rijk vastgesteldesleutel voor meer dan l%o meetellen bij de verdeling vandie middelen heten "rechtstreekse gemeenten". Zij krij-gen rechtstreeks een storting in hun stadsvernieuwings-fonds. De overige middelen komen in de provincialestadsvernieuwingsfondsen terecht.De provincies dragen zorg voor een verdeling over dezezogeheten "niet-rechtstreekse gemeenten". De recht-streekse gemeenten en de provincies zijn binnen de gren-zen van de defmitie van de wet vrij om de middelen uit destadsvernieuwingsfondsen te besteden. Toch is hetslechts een gedeeltelijke decentralisatie van de stads- endorpsvernieuwing. Niet alle voor de stadsvernieuwingrelevante financien zijn opgenomen in het stadsvernieu-wingsfonds.Activiteiten als woningbouw en verbetering van huurwo-ningen zijn niel bij de middelenverdeling van de Wet opde stads- en dorpsvernieuwing betrokken.In opdracht van het Directoraat-Generaal van deVolkshuisvesting hebben het RIGO en de Werkgroep'2duizend de effecten van de decentralisatie van de stads-vernieuwing in rechtstreekse en niet-rechtstreeksegemeenten onderzocht. Kortweg zouden de onderzoekeninzicht moeten verschaffen in:- de bestuurlijke - en voor een deel de financiele - effec-ten van de invoering van deWet op de stads- en dorpsver-nieuwing;- het huidige functioneren van de Wet en de betekeniservan voor de aanpak van de stadsvernieuwingstaak waar-voor gemeenten en provincies in de komende jaren staan.Daartoe zijn twee onderzoeken uitgevoerd: een naar deeffecten voor rechtstreekse gemeenten door het RIGO')en een tweede naar de effecten voor niet-rechtstreeksegemeenten door de Werkgroep '2duizend. ^) Het RIGOonderzocht 22 rechtstreekse gemeenten waaronder degrootste vier steden'), de Werkgroep '2duizend 35 niet-rechtstreekse gemeenten in 6 provincies. "*)WAT IS STADSVERNIEUWING?Het begrip stadsvernieuwing kan vanuit tweeinvalshoeken benaderd worden. Als ideologisch begrip,het al dan nict uitgesproken doel van het beleid, en alsjuridisch begrip dat de basis vormt voor de concrete acti-viteiten die onder die noemer worden gepresenteerd.Stadsvernieuwing is als ideologisch begrip meege-sleurd in de turbulente ontwikkelingen van de jaren zes-tig, in actie omgezet in de jaren zeventig en aan de reaiiteitaangepasl in de jaren tachtig.') Vanuit deze visie vindtstadsvernieuwing plaats in negentiende eeuwse wijkenvan grote steden en industriesteden uit de vorige eeuw.Het heeft tot doel verpaupering te stoppen en achterstan-den in de leefomstandigheden van de bewoners weg tewerken, te beginnen met de huisvestingssituatie. Hetwerd gezien als een inhaaloperatie met een begin en eeneind, zowel door gemeenten als door het rijk.Stadsvernieuwing als juridisch begrip valt samenmet het gebruik dat van stadsvernieuwingsregehngen isgemaakt. Meestal betrof het voor alle gemeentenwerkende regelingen, zoals voor nieuwbouw, verbeteringvan de woningvoorraad, verwerving en sloop. Zulke rege-lingen trokken zich niets aan van de grenzen van de buur-ten en typen gemeenten waarop het ideologisch geladenstadsvernieuwingsbegrip betrekking heeft. Het mogeduidelijk zijn dat een dergelijk instrumenteel begrip vanstadsvernieuwing betrekking heeft op een continu procesvan verandering en aanpassing van bebouwde gedeeltenvan de steden en dorpen. De regelingen voorzagen in eenstructurele behoefte aan overheidsmiddelen om de nood-zakelijke (stede)bouwkundige veranderingen van wonin-gen en functies van gebieden mogehjk te maken: cen-trumvernieuwing net zo goed als renovatie in de naoor-logse wijken.DeWet op de stads- en dorpsvernieuwing vormt een laat-ste mijlpaal bij de ontwikkehng van het juridische begrip.De wet defmieert stads- en dorpsvernieuwing als: "de01c .=0 I.i ^stelselmatige inspanning zowel op stedebouwkundig alsop sociaal, economisch, cultureel en milieuhygienischgebied, gericht op behoud, herstel, verbetering, herinde-ling ofsanering van bebouwde gedeelten van het gemeen-telijk grondgebied". Daarmee is bijna alles stadsvernieu-wing, dat binnen de bebouwde kom plaatsvindt.DRIEDEFINITIESWie gemeenten vraagt wat zij onder stadsver-nieuwing verstaan merkt dat er verschillende definitiesin omloop zijn, drie lagen binnen hetzelfde woord.AUereerst is er deformele definitie zoals vastgelegd in dewettekst en veelal overgenomen in de gemeentehjke sub-sidieverordeningen'') voor stadsvernieuwing. Het is deopvatting van stadsvernieuwing als juridisch begrip diehierboven is beschreven.Het tweede type definitie is de bekidsdefinitie. Het gaat omhet inhalen van achterstanden in speciaal daartoe aange-wezen buurten, in overleg met de bewoners in een ver-sneld proces waarbij de overheid het voortouw neemt.Deze beleidsdefinitie wordt echter uitsluitend gehan-teerd in gemeenten die zich spiegelen aan de doelstellin-gen en uitgangspunten van het ideologische begrip stads-vernieuwing dat in de jaren zeventig vorm heeft gekre-gen. Dit zijn de grote en middelgrote gemeenten enenkele kleinere rechtstreekse gemeenten waar de nadruklag en deels nog altijd ligt bij de inhaal van achterstanden.In de onderzochte niet-rechtstreekse gemeenten wordteen dergelijke beleidsdefinitie niet gehanteerd.Vooral de kleinere rechtstreekse en de niet-rechtstreeksegemeenten onderscheiden naast de formele definitiealleen een werkdefinitie, een verzamelnaam voor alle activi-teiten die betaald worden met stadsvernieuwingsmidde-len. Voor 1985 gebruikten de kleinere en de niet-recht-streekse gemeenten meestal niet het begrip stads- ofdorpsvernieuwing voor deze activiteiten. Het ontstaanvan de werkdefinitie van stadsvernieuwing kan als eeneffect van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing wor-den beschouwd. De formele definitie, ofde inperking diede provincie daaraan geeft, is richtsnoer voor de begren-zing van deze werkdefinitie. De grotere gemeenten per-senVSTADSVERNIEUWINGsen6ken hun werkdefinitie vaker afaan de hand van doelstel-lingen uit de beleidsdefinitie.ZEVEN CLUSTERSOndanks grote verschillen tussen de gemeentenzijn er ook overeenkomsten. Het RIGO en deWerkgroep'2duizend hebben op basis van het onderzoek een cluste-ring aangebracht voor de onderzochte gemeenten met eenaandeel in de sleutel boven de 0,7%o. ^) Er zijn 7 groepengemeenten onderscheiden met vergelijkbare problemen,vergelijkbare oplossingen, een vergehjkbare aanpak vande stads- en dorpsvernieuwing en met een vergelijkbaarschaalniveau. De clustering was een hulpmiddel om deinformatie te ordenen. Het is geen statisch beeld. De clus-ters zijn van groot naar klein:InhalersVan de onderzochte gemeenten zijn de grootstevier steden en Zaanstad de "inhalers". Zij hebbennog veel buurten waar de aanpak van de woningen en de--te^behoeve van verbetering is een kenmerkend deel van hetbeleid van de "inhalers". De "inhalers" richten hunbeleid voornamelijk op de slechtste wijken uit de 19"^ enuit het begin van deze eeuw. Daarin is door de invoeringvan de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing nauwelijksverandering opgetreden.StadsontwikkelaarsVoor de "stadsontwikkelaars" Tilburg,Groningen en Eindhoven nadert de aanpak van de tradi-tionele stadsvernieuwingsbuurten zijn voltooiing. Stads-vernieuwing gaat er langzaam op in het brederebeleidsveld stadsontwikkeling en stadsbeheer. Naast detraditionele stadsvernieuwing komt er aandacht voorbeheer van de stad en de stedelijke vernieuwing.Daarmee wordt de aandacht voor de stedehjke structuurnieuw leven ingeblazen.Ail-roundersDe "all-rounders" (Arnhem, Delft, Deventer,Heerlen en Leiden) geven uitvoering aan een vrij breedpakket stadsvernieuwingsactiviteiten. In deze gemeentenis de traditionele stadsvernieuwing al een eind op streek.De buurtgerichte aanpak uit het verleden is weliswaarnog niet voltooid maar er is voldoende ruimte om destadsvernieuwing uit te breiden tot andere wijken en hetcentrum. Dat blijven de all-rounders stadsvernieuwingnoemen. Ook is er meer aandacht voor stadsvernieu-wingsactiviteiten die voorheen minder aandacht kregen,zoals verbetering van de woonomgeving.CentrumvernieuwersEnkele gemeenten leggen de nadruk op hetcentrum. Tot deze "centrumvernieuwers" wordenAlkmaar, Kampen, Terneuzen, Tiel, Zeist en de niet-rechtstreekse gemeenten Katwijk en Weert gerekend.Hun centrumplannen betreffen zowel woningbouw en-verbetering, verbetering van de openbare ruimte,monumentenherstel en aandacht voor de economischefuncties. De verbetering van de woonomgeving en desubsidiering van de verbetering van eigen woningenblijven bij deze gemeenten niet beperkt tot het centrum.SaneerdersBij de "saneerders" zijn verwervingen en bouw-en woonrijpmaken de voornaamste stadsvernieuwingsac-tiviteiten. Woonomgevingsverbetering en andere infra-structurele werken zijn daarvan afgeleid. Het gaat om"inhalen in het klein", een opgave die samenhangt methet industriele verleden van deze gemeenten. Versterkingvan de economische functie wordt niet tot de stads- endorpsvernieuwingsopgave gerekend maar vindt welplaats. Velsen, een kleine rechtstreekse gemeente en deniet-rechtstreekse gemeenten Veenendaal en Sliedrechtbehoren tot deze cluster.woonomgeving nog lange tijd veel inzet zal vergen. Destadsvernieuwing is er hoofdzakelijk gericht op sloop envervangende nieuwbouw en woningverbetering.Woningbouw- en woningverbeteringscontingentenhebben bij de verdeling van het stadsvernieuwingsfondsprioriteit, het fonds heeft vooral een voorwaardenschep-pende rol. Het aankopen van particuliere woningen tenConserveerdersDongeradeel en Staphorst zijn binnen de onder-zochte gemeenten de "conserveerders". Het zijngemeenten met een bebouwing van historische waarde eneen traditie in monumentenherstel. Veel van de stadsver-nieuwingsactiviteiten zijn gericht op bescherming vanhet bouwkundig erfgoed via de subsidiering van hetherstel van beeldbepalende panden en via particulierewoningverbetering.Beheerders"Beheerders" tenslotte zijn gemeenten die sterkprobleemvoorkomend werken. Vaak maken ze een stads-en dorpsvernieuwingsprogramma waarin beheer eenbelangrijk thema is. Particuliere woningverbetering is deconstante factor. Daarnaast is er vooral aandacht voorverbetering van de woonomgeving, de riolering, aanpas-singen van de wegenstructuur en voor het aanbrengenvan parkeervoorzieningen. Saneringspiannen zijn daarbijniet toonaangevend. Beheerders zijn de kleine recht-streekse gemeenten Alphen aan den Rijn en Hoogeveenen de niet-rechtstreekse gemeenten Amstelveen,Heemstede, Baarn en Hefshuizen.Deze clustering is opgebouwd rond de inhouddie gemeenten geven aan de stadsvernieuwing. Voor eenbeeld van de bestuurlijke en financiele effecten van dewet is vooral het onderscheid tussen rechtstreekse en niet-rechtstreekse gemeenten van belang.PLANNING EN BESLUITVORMINGRechtstreekse gemeentenDe overstap van negentien specifieke regelingennaar een brede doeluitkering heeft naast bestuurlijkebevoegdheden vooral een andere manier van plannen enbesluitvormen met zich meegebracht. Het werken meteen fonds, op kasgeldbasis, heeft tot gevolg gehad dat derechtstreekse gemeenten meer aandacht zijn gaanbesteden aan de planning van de stadsvernieuwing. Zoalseen budgetbeheerder van een middelgrote gemeente hetFiguur 1. Saldi in degemeentelijkestadsvernieuwingsfondsen in 1985,1986 en 1987in procenten van de totale inkomsten (bij positieve saldi) of de totaie uitgaven (bijnegatieve saldi) van het fonds.AmsterdamRotterdamDen HaagUtrechtGroningenLeidenArnhemTil burgEindhovenZaanstadDelftHeerlenDeventerAlkmaarKampenZeistVelsenDongeradeelTerneuzenAlphen a/d RijnHoogeveenTiel^^y^^^^f^^^^/mI98519861987I 1-40 -20 0Bron: Bestedingsverslagen WSDV, DGHV.T60 80 100uitdrukte: 'de gemeente is nu immers haar eigen tegen-spelergeworden'.De invoering van de Wet op de stads- en dorpsver-nieuwing betekende voor de rechtstreekse gemeenten, endaarbinnen in versterkte mate voor de grote en middel-grote gemeenten, een extra impuls om meerjarenplannenof programma's te maken. Deze programme's hebbenvooral betrekking op de financiele vooruitzichten en hetbeslag op het fonds. Zeker als er meerdere plannen tegelij-kertijd worden voorbereid en uitgevoerd is een goedeplanning geen overbodige luxe. Door de methodiek vanhet stadsvernieuwingsfonds zijn de gemeentelijkeplannen immers financieel met elkaar gaan samen-hangen. De overstap op een kasgeldmethodiek (het stads-vernieuwingsfonds) betekent dat het niet meer loont omgrote marges in te bouwen in planningen en kostenra-mingen. Tot 1985 was dat een logische handelwijze:tegenvallers konden immers nauwelijks in tweedeinstantie met het rijk worden verrekend. Vanaf 1985betekenen "meevallers" ten gevolge van veiligheids-marges in de planning en kostenraming in feite tempo-verlies. Dat geld had - gegeven een realistischer kosten-raming - al eerder aan de stadsvernieuwing besteedkunnen worden.Aan deze nieuwe werkelijkheid hebben rechtstreeksegemeenten duidelijk moeten wennen. In de eerste jarenis er een flinke onderuitputting van de stadsvernieu-wingsfondsen te zien {zkfiguur 1). Redenen daarvoorwaren, naast het genoemde ruim begroten, voorzichtigejaarbegrotingen (onder andere in verband met overgangs-verplichtingen), het achterblijven van declaralies enplanuitval.De grote en middelgrote gemeenten zijn, in het hcht vanhet bovenstaande, veel aandacht gaan besteden aan hetzo realistisch mogelijk ramen van de uitgaven en inkom-sten. Dat heeft vooral voor de grote rechtstreeksegemeenten geleid tot een centralisatie op gemeentelijkniveau met betrekking tot de besluitvorming over debesteding van het fonds. Omdat alle stadsvernieuwings-activiteiten dienen te passen binnen het beschikbarebudget is de besluitvorming aan het verschuiven van deprojectgroepen naar de leiding van de projectorganisatie.Vaker dan vroeger krijgen de projectgroepen randvoor-waarden mee. De gedecentraliseerde volkshuisvestings-regelingen dragen daar sterk toe bij, vooral in de grootstesteden waar de nieuwbouw en woningverbetering destadsvernieuwing domineren.Meestal gaan bij de besteding van het stadsvernieuwings-fonds de kosten die samenhangen met de benutting vande contingenten voor. De grootste steden en een aantalmiddelgrote gemeenten doen dat expliciet. Omdat deeerste jaren van deWet op de stads- en dorpsvernieuwingveel van de beschikbare middelen al een bestemminghadden door besluiten uit het verleden en eerder uitge-sproken prioriteiten, heeft de afweging tussen activi-teiten nog weinig gewicht gekregen. De besluitvormingover de besteding van het stadsvernieuwingsfonds wordtambtelijk voorbereid in een vaak complex en diffuusproces.De gemeenteraad formaliseert de detailbeslissingen enzet soms de hoofdhjnen uit. De bestuurlijke aandacht bijhet uitstippelen van nieuwe beleidsdoelen neemt delaatste jaren weer toe. Nu gemeenten gewend zijn aan hetsenVSTADSVERNIEUWINGsen8DeIS?aE3nieuwe systeem wordt meer gebruik gemaakt van debeleidsvrijheid. Daarin spelen grosso modo tweeaspecten een rol: de toenemende aandacht voor stadsont-wikkeling en het ten einde lopen van delen van de inhaal-operatie.Niet-rechtstreekse gemeentenVoor de verdeling van de middelen over de niet-rechtstreekse gemeenten zijn de provincies verantwoor-delijk. Bij de verdeling van het provinciale stadsvernieu-wingsfonds streven alle provincies maximale doelma-tigheid en een zo groot mogelijke decentrahsatie na. Derealisatie van die uitgangspunten gebeurt echter opverschillende manieren, waarbij er twee hoofdvariantenzijn. De "projectverdelers", Noord-Holland, Utrecht enGroningen, wegen gemeentelijke projectvoorstellen opprovinciaal niveau en maken zo een doelmatigheidstoetsvooraf. De "doorsleutelaars", Zuid-Holland, Limburgen Overijssel, geven het grootste deel van het provincialestadsvernieuwingsfonds door aan de gemeenten, met eendoelmatigheidstoets achteraf. Voor het oplossen vanknelpunten die met deze middelen niet kunnen wordenaangepakt is een deel van het beschikbare fondsafgezonderd in de zogenaamde "knelpuntenpot",waarvoor gemeenten afzonderlijk aanvragen kunnenindienen.iNbij de gemeenten toeneemt. Aan de andere kant willen"doorsleutelaars" door het vergroten van de knelpun-tenpot voorkomen dat gemeenten met grote problemente lang moeten wachten op extra bijdragen.Ook de niet-rechtstreekse gemeenten maken ten gevolgevan de wet meer dan voorheen meerjarenplannen of -programma's. De provincies stimuleren dat, onder meerdoor het maken van dergelijke plannen apart te subsi-dieren. De projectverdelende provincies Noord-Hollanden Groningen geven de gemeenten daarnaast het voordeelvan een grotere financiele zelfstandigheid, indien zijgoede meerjarenprogramma's ontwikkelen.Voor niet-rechtstreekse gemeenten heeft een meerja-renplan of -programma meestal een andere functie danvoor de rechtstreekse. Het is een instrument met eenIn de verdeelsystemen van de provincies is een ontwik-kehng te onderkennen: ze groeien naar elkaar toe. De"projectverdelers" maken met steeds meer gemeentenmeerjarenafspraken, waardoor de fmanciele zekerheidexlerne functie, dat dient om de provincie te overtuigenvan de stads- en dorpsvernieuwingsbehoefte en denoodzaak van een bijdrage uit de knelpuntenpot. Voorintern gebruik heeft het vooral een inventariserendefunctie.Rechtstreekse gemeenten gebruiken het meerjarenplanof -programma juist om inzicht te krijgen in, dan welprioriteiten te stellen bij, de afstemming tussen debeschikbare middelen en de behoefte.SPAREN EN EIGEN MIDDELENGemeenten mogen de storting in hun stadsver-nieuwingsfonds tot op bepaalde hoogte sparen. Datgebeurt nauwelijks bewust. Een aantal middelgrote enkleinere rechtstreekse gemeenten spaart enkele procen-ten van hun fonds. Bijna zonder uitzondering is dat tenbehoeve van de sanering van milieuhinderlijke bedrijven.De eerder genoemde positieve saldi in de stadsvernieu-wingsfondsen zijn niet gelijk te stellen aan sparen. Hetgaat om kasgeldoverloop, die meer moet worden gezienin het licht van de gewenning aan het nieuwe systeem. Inde niet-rechtstreekse gemeenten is de mogeUjkheid om tesparen afhankelijk van de voorwaarden die de provinciestelt. De provincies ontmoedigen het sparen doorgemeenten of maken het onmogelijk. Zij verdelen reste-rende middelen liever over andere gemeenten die "te kortkomen". Wel is het voor gemeenten mogelijk om door hetmaken van een afspraak met de provincie de bijdrage aante laten sluiten bij de behoefte.Ongeveer de helft van de rechtstreekse gemeenten voegtaan het stadsvernieuwingsfonds eigen middelen toe ofplaatst er een investeringsprogramma met eigen midde-len naast. Ook niet-rechtstreekse gemeenten bestedeneigen middelen aan stadsvernieuwingsactiviteiten. Datgebeurt echter niet expliciet door geld te storten in het' fonds of door een investeringsprogramma. Ter verkrij-ging van bijdragen van de provincie dienen de niet-recht-streekse gemeenten meestal eigen middelen in het projectte stoppen.Naar het oordeel van de onderzochte gemeenten is deomvang van de eigen middelen die in de stads- en dorps-vernieuwing worden gestopt sinds de invoering van dewet niet toegenomen, eerder afgenomen.VERSLAGLEGGINGDe wet verplicht gemeenten om jaarlijks verslagte doen van de bestedingen aan stadsvernieuwing en eenraming van de behoefte aan middelen voor stadsvernieu-wing op te stellen. Zij hebben een grote mate van vrijheidbij het bepalen waarover zij rapporteren. In ieder gevaldienen zij in hun bestedingsverslag te rapporteren overde uitgaven die samenhangen met de storting in hunstadsvernieuwingsfonds, het zogeheten "smal" rappor-teren. Gemeenten kunnen ook "breder" rapporteren,wat betekent dat ook activiteiten die buiten het stadsver-nieuwingsfonds om gaan worden meegenomen.De functie van de verslaglegging verschilt in de recht-streekse en de niet-rechtstreekse gemeenten. De recht-streekse gemeenten zien de bestedingsverslagen als eennoodzakelijk kwaad. Zij besteden er niet meer aandachtaan dan nodig is en kiezen in overgrote meerderheid vooreen rapportage over de bestedingen uit het stadsvernieu-wingsfonds. Er zijn stadsvernieuwingsactiviteiten diegemeenten buiten het fonds om uitvoeren en die derhalveniet in het bestedingsverslag zijn opgenomen. Anderzijdsbesteden sommige gemeenten een gering deel van hetfonds aan activiteiten, waarover wel wordt gerappor-teerd, die ze zelf eerder beheer of stedelijke vernieuwingnoemen dan stadsvernieuwing.Een deel van de niet-rechtstreekse gemeenten beschouwtde verslaglegging als een mogelijkheid om de provincieinzicht te geven in hun stadsvernieuwingsinspanningen.Deze gemeenten rapporteren "breed", naast de uitgavenuit het fonds, tevens over activiteiten waarvoor degemeente hoopt in de toekomst een bijdrage van de pro-vincie te krijgen. Enkele rapporteren zelfs zo "breed"mogelijk, over de begrotingsposten die passen binnen dedefinitie van stads- en dorpsvernieuwing uit de wet. Menkan dat vergelijken met de presentatie die in het jaarlijkseMeerjarenplan stadsvernieuwing van het rijk wordt gege-ven. In het algemeen is een positiefsaldo in het stadsver-nieuwingsfonds voor niet-rechtstreekse gemeenten geenpre bij de verdeling van de provinciale stadsvernieuwings-middelen. Door een "brede" verslaglegging kan dit wor-den weggepoetst. Hierdoor wijken bij de niet-recht-streekse gemeenten de bestedingsverslagen voor de ver-schillende activiteiten sterk afvan de bestemming van defondsmiddelen (zie figuur 2). De bestedingsverslagenvan de rechtstreekse en de niet-rechtstreekse gemeentenzijn daardoor niet onderling vergehjkbaar.ANDERE VERSLAGLEGGING?Bovenstaande opmerkingen hebben vooralbetrekking op de bruikbaarheid van de verslaglegging.Gemeenten hebben vooral praktische bezwaren tegen deverslaglegging. Deze sluit niet aan bij de indeling in werk-Figuur 2. Feitelijke besteding van fondsmiddelen vergeleken met opgave inrapportage 1986, 28 niet-rechtstreekse gemeenten.part.WVBsanering &reconstrucinfra-atnjctuur overlgepercentageBeatedingen fonds Rapportaga 1966' Werkgro?p'2 duizandBron: Provinciale en gemeentelijke verdelingsbesluiten en gemeentelijke bestedingsverslagen WSDV 19soorten die de gemeenten hanteren. Die zien de ver-slaglegging vooral als het afleggen van verantwoording,zeker vanwege de vereiste accountantsverklaring. Deaccountantsverklaring lijkt ook gemist te kunnen wor-den: het stadsvernieuwingsfonds wordt bij de accoun-tantsverklaring over de jaarrekening van de gemeentemeegenomen.Men kan zich voorstellen dat de verslaglegging wordt los-gekoppeld van de bestedingen uit het stadsvernieuwings-fonds: stadsvernieuwing is immers meer. Het lijkt veelinteressanter om een verslaglegging op te stellen dieinzicht biedt in enkele hoofdzaken van de stadsvernieu-wing. Het zou daarbij moeten gaan om prestaties, die hetmogelijk maken inzicht te krijgen in het proces van stads-vernieuwing. Daarbij kan men bijvoorbeeld denken aande aantallen verbeterde woningen en de kwaliteit daarvanof de vervangen woningen en hun oorspronkelijkebouwjaar. Dat is wat de huidige verslaglegging ontbeert:die levert veel cijfers maar maakt het niet mogehjk om slets over de voortgang van het proces te zeggen. *) Ook ^zijn zodoende de prestaties en de inzet van de middelenbeter te vergelijken. 9ANDERE WET, ANDERE ACTIVITEITEN?Heeft de invoering van de Wet op de stads- endorpsvernieuwing geleid tot een andere kleuring van destads- en dorpsvernieuwing? Dat is slechts in geringemate het geval. Veranderingen in een beleidsveld, datlange procedures en planprocessen kent, verlopen nietplotsehng. Gemeenten streven ook bewust naar conti-nuiteit. Stadsvernieuwing bhjft dus in de eerste plaatsmeer van hetzelfde. Daarnaast biedt deWet de mogehjk-heden voor verschuivingen in het beleid. Een deel van de- beperkte - verschuivingen die hebben plaatsgevondenkan men dan ook toeschrijven aan de introductie van deWet. Zo worden bedrijvensteun en monumentenherstel,twee activiteiten waarbij voor 1985 slechts een deel vande gemeenten voor subsidie in aanmerking kwam, doorenkele middelgrote gemeenten in het stadsvernieuwings-beleid opgenomen.Een ander, door gemeenten zeer positief beoordeeldgevolg van de Wet is dat er sinds 1985 uitgaven wordengedaan die voorheen niet subsidiabel waren. Limitatieveopsommingen van kostensoorten zijn door de introductievan de WSDVkomen te vervallen. Een aantal grote enmiddelgrote gemeenten maakt daarvan gebruik doorkleine bedragen te bestemmen als smeermiddel. Daarbijkan men denken aan de extra kosten van woningbouwboven winkels, inrichting van binnenterreinen, extra kos-ten voor dakterrassen, onderhoud aan bedrijfspanden,kunst in de wijken ofbijdragen aan woningbouwplannenten behoeve van het monumentale karakter van de bin-nenstad. Kleinere gemeenten zien als een belangrijk voor-deel dat verbetering van de woonomgeving fmancieel nietmeer gekoppeld is aan de uitvoering van woningverbete-ring. Samengevat is er sprake van een kleine verbredingvan de bestaande paden. Echt nieuwe wegen zijn degemeenten nog niet ingeslagen.Het beeld dat alles bij het oude is gebleven heeft vooral temaken met het tijdstip waarop de gemeenten werdenonderzocht. Er staan wel degelijk verschuivingen in hetstads- en dorpsvernieuwingsbeleid voor de deur. Daarbijvalt te denken aan de sterk groeiende belangstelling voorSTADSVERNIEUWINGstedelijke vernieuwing en de concretisering van de termbeheer.enVCONCLUSIESAan de Wet op de stads- en dorpsvernieuwinglagen enkele bedoelingen en verwachtingen ten grond-slag. Het is een te zwaar woord om van de doelen van deWet te spreken. Het gaat meer om de richting waarin menbeoogde dan wel verwachtte dat de stadsvernieuwing bij-gesteld zou worden.')Een van de verwachtingen en bedoelingen wasdat de stadsvernieuwing een "integraler" karakter zoukrijgen. Heeft de wet ertoe geleid dat stadsvernieuwings-maatregelen beter op elkaar worden afgestemd, bijvoor-beeld door de meerjarenplannen en de mogelijkheid hetfonds als smeermiddel te gebruiken?Dat is ten dele het geval op het niveau van uitvoerings-plannen. Voor zover de grotere gemeenten activiteitengebiedsgericht uitvoeren is de samenhang door de wetlets toegenomen. De stads- en dorpsvernieuwing in dekleinere rechtstreekse en in de niet-rechtstreekse gemeen-ten kenmerkt zich in de eerste plaats door het oplossenvan afzonderlijke - naast elkaar staande - knelpunten.Een andere bedoeling van de wet was datgemeenten de mogelijkheid kregen om hun stads- ofdorpsvernieuwingsbeleid beter af te stemmen op lokalebehoeften en wensen. Hoewel continuiteit de boventoonvoert treedt dit effect zeker op. Bijsturing van lopendbeleid gaat langzaam maar vindt onmiskenbaar plaats. Inde gemeenten met een stadsvernieuwingstraditie is dateen kwestie van het stroomlijnen van al uitgezette lijnen.Gemeenten met minder ervaring hebben meer de gele-genheid gekregen om zelfte bepalen welke stadsvernieu-wingsactiviteiten zij ontplooien. Ondanks de invloed vande provincie op het beleid van de niet-rechtstreeksegemeenten is het ook daar mogelijk om eigen prioriteitente bepalen.Een derde verwachting rond de wet was datactieve gemeenten wat zouden moeten afremmen engemeenten die tot dan waren achtergebleven een extrastimulans zouden krijgen. De wet heeft dit nivellerendeeffect bereikt. Zonder dat uitsluitsel kan worden gegevenover de vraag of de sleutel waarmee de middelen wordenverdeeld goed aansluit bij de behoefte, hebben met nameenige middelgrote ISR-gemeenten een versnelling terugmoeten schakelen. Veel andere gemeenten zijn, vanwegehet feit dat ze over meer middelen te beschikken kregen,meer aan stadsvernieuwing gaan doen. Dat geldt voorsommige middelgrote gemeenten maar vooral voor klei-nere rechtstreekse en niet-rechtstreekse gemeenten.aJCgemeenteraad bij de stadsvernieuwing is door deWet toe-genomen. Aanvankelijk was de vrije beleidsruimte noggering, door besluiten uit het verleden. Sinds 1987 en1988 neemt de belangstelling vanuit de politick voor destadsvernieuwing weer toe, door de aandacht die het ste-delijk functioneren in het algemeen krijgt en door hetgedeeltelijk voltooien van de opgaven die de gemeentenzich in het verleden hadden gesteld.W.B. Rohde werkt bij het Research Instituut Gebouwde Omgeving (RIGO) te Amsterdam, S. Slootweg bij de Werk-groep '2duizend te Amersfoort. Beiden waren voor hun bureauprojectleider van de onderzoeken naar de effecten van de Wetop de stads- en dorpsvernieuwing.Een laatste verwachting c.q. bedoeUng van dewet was dat de decentralisatie zou leiden tot meer betrok-kenheid en invloed van het bestuur en de bevolking. Hetlaatste is in een ander onderzoek aan de orde geweest.''')Daaruit bleek dat de invloed van bewoners nauwelijkswas veranderd. De betrokkenheid van het bestuur enWouter Rohde m.m.v. Peter Bertholet, Stads-vernieuwing in eigen beheer - effecten van debestuurlijke en financiele decentralisatie van destadsvernieuwing in de rechtstreekse gemeen-ten, RIGO. februari 1989.Dit rapport wordt evenals de rapporten diegenoemd zijn in noot 2 en noot 7 uitgegevendoor de Directie Onderzoek en Kwaliteitszorgvan het DGVH. Deze rapporten zijn te bestellenbij het Ministerievan VROM, bureau beheer endistributie.9Zieook Maarse, J.A.M., Voorstudieinzakeeenonderzoek naar de effecten van de Wet op destads- en dorpsvemieuwing. Centrum voorbestuurskundig onderzoek, UniversiteitTwen-te, 1986.10M. Stolwijk, De Wet op de stads- en dorpsver-nieuwing en de invloed van bewoners op hetstadsvernieuwingsbeleid, Werkgroep '2dui-zend, 1988.Sef Slootweg. Marianne Stolwijk, Peter Baet-sen en Marian Steenhagen, Stadsvernieuwingonder de 1 promille - effecten van de bestuur-lijke en financiele decentralisatie van de stads-en dorpsvemieuwing in niet-rechtstreeksegemeenten, Werkgroep '2duizend, januari1989.Onderzocht zijn Amsterdam, Rotterdam, 's-Gravenhage, Utrecht, Groningen, Leiden, Arn-hem, Delft, Alkmaan Tilburg, Eindhoven, Zaan-stad. Heerien, Deventer, Kampen, Zeist, Vel-sen. Dongeradeel, Terneuzen, Alphen aan denRijn, Hoogeveen, Tiel.SenV11Onderzocht zijn: Amstelveen, Heemstede, Lan-gedijk, Naarden, Zijpe, Uithoorn en Wieringer-meer in Noord-Holland; Veenendaal, Baarn,Oudewater, Bunschoten en Kockengen inUtrecht; Hefshuizen. DelfzijI, Oosterbroek,Warffum en Adorp in Groningen; Katwijk, Slie-drecht, Hillegom, Alblasserdam, Waddinxveen,Moordrecht en Valkenburg in Zuid-Holland:Weert, Echt, Gennep, Gulpen. Meerio-Wans-sum en Roggel in Limburg; Staphorst, Ave-reest, Haaksbergen, Gramsbergen en Zwart-sluis in Overijssel.Van eike provincie is een verslag gemaakt.Deze verslagen zijn verkrijgbaar bij de Werk-groep '2duizend.5Een goed voorbeeld van een analyse van dezeontwikkelingenistevinden in: Gerard deKleijn,De staat van de stadsvernieuwing, Vakgroepstadsstudies RUU, Amsterdam 1985.6Gemeenten zijn verplicht om een subsidieveror-dening stadsvernieuwing op te stellen indien zijmiddelen aan derden ter beschikking willen stel-len, bijvoorbeeld voor de verbetering van heteigen-woningbezit, voor de restauratie vanwoonhuismonumenten en beeldbepalendepanden, voor steun aan ondernemers en derge-lijke7Wouter Rohde, m,m.v Peter Bertholet, Stads-vernieuwing in eigen beheer effecten van debestuurlijke en financiele decentralisatie van destadsvernieuwing in de rechtstreekse gemeen-ten. RIGO, februari 1989. hoofdstuk 2;Sef Slootweg en Wouter Rohde, Stadsvernieu-wing rond de 1 promille, verschillen tussenrechtstreekse en niet-rechtstreekse gemeen-ten rond de ?%ogrens, Werkgroep '2duizend/RIGO, april 1989, hoofdstuk 4. Voor gemeen-ten onder de 0,7%o is geen clustering aange-bracht. Dit zou nog een nadere analyse van hetmateriaal vereisen.8Zie ook R. Klunder, Verslagen stadsvernieu-wing, veel cijfers. weinig inzicht. in: BOUW1988/6. pp. 36-37.01 ZE. ten HeuvelhofOp 1 februari 1989 heeft de werkgroep Milieu van het NIROV de studiedagStadsvernieuwing en Bodemsanering georganiseerd. Dit artil
Reacties