.,mi9_ M__ i?'i!fety:^g?.,,. -_1^?^|1, '*'^^^^mj^^^'-* ! ^** , -' ?" ::?MILIEUZONER? HETGROENEHAR.EG EN RUIMTELIJKE COORDINATIEVERBETERING EIGEN-WONINGSECTORINDIVIDUELE HUURSUBSIDIE# ii iVELOPA,VRIENDELIJK VOORDE FIETS"Staat ie erof stoat ie er niet meer?"is een vroog die fietserssoms terecht steilen. Vondoordot VelopA een veilige fietsenstolling ols 6envoorwoarde beschouwt. Een ander uitgongspuntis het budget. Voor scholen, bedrijven, overheids-instonties, zwemboden, winkelcentro e.d.isde VelopA-stolling de beschermheer vondefiets.Het fietsenbergingsprogrommo von VelopAkent vele variatiemogelijkheden. We noemenhier slechts de overdekte fietsenstolling, oi donniet geheei of gedeeltelijk ofgesioten, en eenbreed ossortiment oon de welbekende fietsen-stondoords en fietsenklemmen.VelopA odviseert en biedt opiossingen olshet goat om het buitengebeuren. Doarin zijn wijthuis. Wij ieveren een compleet ossortiment oonfietsenbergingen, strootmeubilair, speeleiemen-ten, cfvolbokken, ofsluit- en morkeringssystemen.De VelopA-catalogus geeftu een overzichf. U kunt ditboekje bij ons aanvragen.Als het om het buiten-gebeuren gaat, is VelopAop z'n best.Achthovenerweg 21,Postbus 202, 2350 AE LeiderdorpTelefoon (071) 41 03 21Telefax (071) 89 41 52 VelopACONGRESAGENDACENTRUMMANAGEMENTBinnenstedelijkeproduktverbetering.Woensdag 20 juni 1990, Rijnhotel Rotterdam.D. Hendricks,Adjunct directeur Wilma VastgoedDrs H. Vreeswijk,Ministerie Economische ZakenDr J.H.J. van Dinteren,Bureau Goudappel CoffengProf Dr Peter Jones,School of Retail Marketing ManchesterJ.P.H. Bolk,Directeur Economische Zaken MaastrichtDrs W.H.A. Vehmeyer,Hoofd Economische Research AmsterdamDrs E. de Boer,Directeur Economische Zaken NijmegenKosten: / 695,- (excl. btw) p.p.STADSVERNIEUWING VAN DE TOEKOMST,TOEKOMSTVANDESTADSVERNIEUWINGWoensdag 27 juni 1990, De Doelen Rotterdam.? strategische stadsvernieuwing? herverkaveling gebouwde omgeving? sociale en culturele vernieuwing? herverkaveling van de woningvoorraad? woonmilieus van morgen? flexibilisering van geldstromen? nieuwe organisatorische kaders? perspectief na-oorlogse wijkenVoorzitter: Prof. Dr Ir H. PriemusSprekers: Ir J.M. Koopman, Ir H. Leeflang,Drs Ing B. de Graaf, Mr J. Hekkelman,A. Th. Duivesteijn, Drs Th. Aussems,Drs J.A. Scholten.Kosten: / 695,- (excl. btw) p.p.Aanmelding en/of brochure:tel. 010-434 99 66/434 90 28As ectuderiandsie CentrumI INHOUDJUNI O0)0)rl JAARGANGRAAMH. van FulpenKwaliteit van devolkshuisvestingSIGNALENPLANOLOGIEF van Dam en PR P. HuigenTelematica en landelijkegebieden 37LANDSCHAPH.J.J.C.M.vanBlerckHet LOCUS-ontwerp-seminar 39BESTUUREN RECHT. FaberSchiphol in de greep vanprocedures 42UITDE RAROStartnotitie m.e.r.Structuurschema LNO 44Globale bestemmingsplannen enmilieubeleid, F. verheesEen schets van de (on)mogelijkheden van het 'bestemmingsplan nieuwe stijl'voor het lokale milieubeleid.Na het KB Halfweg-li, A.C.B. Hutten Mansfeld enJ.R Op den KampCentraal staat of en hoe dan op grand van milieubelasting in bestennmings-plannen beperkingen kunnen worden opgelegd aan bedrijven.Het Groene Hart: hervormingen enopenheldI M. van NoordenneDe Groene Hart-conceptie vraagt om een aangepaste benadering, nnet meeroog voor de reeds aanwezige stedelijkheid.De EG trekt de R.O. over de grens,J.B.Th. van Dam en W. WissingVerslag van de NIROV-werkgroep Europa naar aanleiding van een werk-bezoek aan de Europese Commissie in Brussel.Verbetering eigen-woningsector, A. EibersWeike aanknopingspunten hebben gemeenten onn de kwaliteitsverbeteringin de eigen-woningsector te bevorderen?.Individuele huursubsldie, P. J. Boeihouwer enO.A. PapaAchtergronden en mogelijke toekonnstige ontv>/ikkeling van de IndividueleHuursubsldie.Ontwerp Wet Openiucht-recreatie 45Besiuitvorming Plan vanAanpak Schiphol 45PUBLIKATIESBoekbesprekingen 45foto omslag: Ministerie van VROM/ReekenS en V wordt gelijktijdig met ROM verzonden.Orgaan van het Nederlands Instituutvoor Ruimtelijke Ordening enVolkshuisvestingEen uitgave van DELWEL Uitgeverij B,V.in samenwerking met het NIROVVerschijntzes maal per jaarRedactie:Dr. H.J.M. Goverde!r. PC. GroenMr.ir A.W. HartmanMw.drs. i.T. KlaasenMw.drs. G.C.P. van der PloegIr. K.R. de PoelProf. J. RothuizenMr. A.M. Schaap-DubbelboerDrs. RW.A.VeldMw. mr. Y. de VriesIr. H.WestraRedactlesecretariaat:Mr. A.M. Schaap-DubbelboerMw.drs. G.C.P. van der Pioeg!. Steenhoff-BoogersRedactie, administratieen publikatiester recensie:Mauritskade 21, 2514 HD Den Haagtelefoon: 070 - 346 96 52Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikefen en boekbesprekingenkunnen op het redactiesecretariaat "Richtlijnenvoor auteurs" aanvragen.Advertentie-exploitatie:DELWEL Uitgeverij B.VSophiaiaan laPostbus 164002500 BK 's-Gravenhagetelefoon: 070 - 356 00 88telefax: 070 - 356 12 12Advertentieverkoop:v. Scharrootelefoon: 070 - 356 00 88Basisvormgeving:Jeannelte BollandHofhuis/Schriever; aangesloten bijinotll'vak NOTU-groep vaktijdschriftenV'i"Kwaliteit van de volkshuisvestingIn gedachten heb ik de afgelopen dagen voor dit Denkraamal een reeks openingszinnen bedacht:1. leder vakgebied heeft recht op zijn eigen modieuze discussies.2. Wat is er tegen geloven?3. Wat is de overeenkomst tussen de discussie over sociale vernieu-wing en die over kwaliteit van de volkshuisvesting?4. Waarom heb ik toch zo'n slechte smaak, volgens sommigen?5. Het Zwitserleven-gevoel is doorgedrongen in de volkshuisves-ting.Bij iedere keus uit dit rijtje plaatst de auteurzichzelf in de categorie mensen die "de kwaliteitsdis-cussie" niet serieus neemt.Met vijf van deze zinnen kan ik het nu verderwel vergeten. D E N KW^Fat is "de kwaliteitsdiscussie"?Enige tijd geleden heeft in de volks-huisvesting de mening postgevat dat "het slecht gaatmet de kwaliteit van de volkshuisvesting". Met dezeconstatering konden veel professionals in de volks-huisvesting het snel met elkaar eens zijn. Een nadeelwas dat iedereen er vervolgens een andere uitleg aan gaf. De weten-schapper geeft aan dat we inderdaad steeds kleiner bouwen, de aan-nemer laat weten dat inderdaad de budgetten zodanig zijn dat ergeen fatsoenlijke woning meer te bouwen valt, de opdrachtgevergeeft aan dat inderdaad de randvoorwaarden om nog te komen toteen leuke woning onaanvaardbaar krap zijn, de architect verkondigtdat hij inderdaad veel slechte coUega's heeft en de overheid.... Deoverheid laat een onderzoek verrichten naar de kwaliteitsontwikke-ling in de afgelopen jaren, waaruit bUjkt dat de bewoners over hetalgemeen heel tevreden zijn met hun nieuwe woning, en dat dietevredenheid eerder toeneemt dan afneemt. Discussie gesloten?Nee!HiIier botsen twee karakters/emoties. Aan de ene kant deemotioneel betrokken professional die zich ergert aanlelijke en slechte woningen, maar vooral aan niet betrokkenopdrachtgevers/architecten e.d. en aan de andere kant de nuchtereonderzoeker die constateert dat we in Nederland nog niet zo'n gekkeprestatie hebben geleverd en de voorraad flink is uitgebreid metredelijke woningen voor een alleszins redelijke prijs en van ook eenredelijk goede kwaliteit. Beiden hebben natuurlijk gelijk, maar deconfrontatie levert toch een spannend gevecht op.De sectie Volkshuisvesting van het NIROV organiseerde ditvoorjaar voor haar leden een dergelijke confrontatie. Noud deVreezewas de geergerde betrokkene en Frank vanWijk de nuchtere verdedi-ger van de "redeUjke" bouwprestatie.Vervolgens was het woord aan de aanwezigen in de zaal (alle-maal professionele huisvesters) voor de beantwoording van de vraagwelke positieve factoren voor henzelf het meest belangrijk zijngeweest bij de keuze van hun huidige woning en of zij erin slagendeze factoren ook in hun dagelijkse volkshuisvestingswerk te realise-ren voor anderen.Deze vraag leverde een voor congressen en studiebijeenkom-sten zelden vertoonde reeks persoonlijke ontboezemingen op. Hetdoorgaans "zeer redehjke" en rationele congrespubliek bleek voorde eigen woonsituatie zeer persoonlijke, soms bijna irrationele,woonwensen te hebben. Naast de klassieke factoren als ruimte, lichten een heterogene buurt, bleken vooral de persoonlijke relaties eenzeer doorslaggevende rol te spelen: mijn vrouw wilde dit, ikzelf . . .na 30 keer verhuizen wilde ik eindehjk wel eens . . . mijn man wasnog nooit de stad uitgeweest, dus . . . voor het onderhouden van eenkruiselinge LAT-relatie is dit pand . . . de kinderen kunnen daartoch niet spelen, dus . . .Bij deze huishoudenssituatie werd een woning gezocht dieaan een aantal elementaire voorwaarden voldeed, maar verder tal vanongemakken bezat: verkeerde toiletten, onprakti-sche indeling, te duur gekocht, te weinig kamers etc.Opvallend was dat, ondanks de twee provocerendeinleidingen, slechts een persoon een uitspraak deedover de visuele kwaliteit van de woning (mooi) en datde tevredenheid voUedig leek te worden bepaald doorde combinatie van ligging en huishoudenssituatie.Geen klacht over lehjke balkons, onhandige platte-gronden, bergingen aan de verkeerde kant van dewoning of slechte ontsluitingen. Terwijl deze elemen-ten in menige kwaUteitsdiscussie voorop staan.1 it leert ons weer eens dat "de kwaliteitsdiscussie" niet'alleen moet gaan over zulke "details", maar veel meerover de stedebouwkundige vormgeving van een wijk en het functio-neren van een wijk in de dagelijkse praktijk en wat weten we daar barweinig van af! We geloven/denken/voelen wel veel, maar weten bijnaniets op dit terrein.Wanneer vervalt een wijk? Wat zijn de redenen dat een com-plex een probleemcomplex wordt? Waarom stopt de investerings-stroom in een deel van de stad en start die stroom weer elders? Hoeverschuiven verhuisstromen door de stad?De factoren die dit bepalen, bepalen ook of mensen in eenwijk willen (gaan) wonen en bepalen dus de door de bewonersgevoelde "kwaliteit van de volkshuisvesting". Algemene kennisover deze factoren, ofeen bruikbare theorievorm, ontbreekt nog vrij-wel helemaal, ondanks de snel aanzwellende stroom case-studies.W:fie kan met enige onderbouwing (en niet een emotio-' neel geloof) aangeven dat een bepaald nieuwbouw-complex over 10 jaar een probleemcomplex is? Of creeren we ze nietmeer nu we goed de kosten /kwaliteitsverhouding in het oog houden,zorgvuldig inplaatsen en er geen concurrerende nieuwbouw naastzetten? Het verworden tot een probleemcomplex is mijns inziens hetbeste bewijs dat de kwaliteit van de volkshuisvesting te wensen over-laat. Maar net zo min als economen de economic kunnen voorspel-len, kunnen kwaliteitsdeskundigen de toekomstwaarde van een com-plex voorspellen. Men pretendeert het echter wel.Ik heb nu weer de keuze uit een aantal slotzinnen:1. Hoed u voor de inbreng van vormgevers bij de kwaliteitsdiscus-sie.2. Stimuleer de inbreng van marktdeskundigen bij de kwaliteitsdis-cussie.3. Kwaliteit van de volkshuisvesting is geen objectieve norm, maareen marktresultaat.enVH. van FulpenR VerheesDe discussie over globale bestemmingsplannen is in voile gang. Vooral dejuridische consequenties worden uitvoerig belicht. In een tijd waarin ruimte-lijke ordening en milieubeleid elkaar steeds meer (moeten) versterken is hetjuist zaak de (on)mogelijkheden van het instrument "bestemmingsplannieuwe stijl" voor het lokale milieubeleid aan een beschouwing te onderwer-pen. Dit artikel poogt een en ander in kaart te brengen.senV4 Globale bestemmings-plannen en milieubeleidSinds de wijziging van de Wet en hetBesluit op de Ruimtelijke Ordening(WRO/Bro) zijn onder andere de mogelijk-heden voor het opstellen van globale, flexibele bestem-mingsplannen door gemeenten vergroot. In de publikatie"Bestemmen met beleid" (1989) zet de minister zijnstandpunten over deze nieuwe mogehjkheden uiteen.In het algemeen is een plan minder sturend naarmate hetglobaler van inhoud is. De wetswijziging is dan ook tebeschouwen als een antwoord op de tendens vraagtekenste zetten bij het sturend vermogen van de overheid in deruimtelijke planning. Het maakbaarheidsdenken is verle-den tijd. Gedetailleerde bestemmingsplannen moestenkeer op keer bijgesteld worden in verband met de gewij-zigde inzichten en economische ontwikkehngen.Men kan de oorzaak hiervan zoeken bij de planvorming,de planuitvoering ofmisschien wel allebei. Zo zouden deplanvormers te weinig rekening houden met toekomsti-ge, niet echt ongewenste ontwikkehngen, terwijl bij deplanuitvoering niet voldoende getoetst zou worden aanhet bestemmingsplan en geringe aandacht zou bestaanvoor toezicht en opsporing.Aan deze problemen liggen tal van factoren ten grond-slag, onder meer pohtiek-bestuurlijke en juridische. Daarwil ik in deze notitle niet te diep op ingaan. Feit is wel dathet politieke klimaat aanwezig was voor een ombuigingnaar globalere planvormen.De vraag is nu hoe vanuit het milieubeleid naardeze zaken gekeken moet worden. Ruimtelijke Ordeningen MiUeubeleid hebben immers, zeker op lokaal niveau,nauwe banden en deze moeten in de visie van het Natio-naal Milieubeleidsplan en de Vierde Nota ruimtelijkeordening zelfs geintensiveerd worden.In de huidige situatie op het terrein van de RuimtelijkeOrdening lijken miheubelangen vaak te vragen om gede-tailleerde(re) plannen. Dit stuit vaak op grote weerstan-den bij de gemeenten. Het betreft hier niet alleen botsin-gen tussen inhoudelijke belangen, vaak ligt er een compe-tentiestrijd aan ten grondslag. De zwaartepunten vanmilieu- en ruimteUjk beleid liggen respectievelijk bij hetRijk en de gemeente. Bij het opstellen van hun bestem-mingsplannen zien de gemeenten de milieunormen alsrijksbemoeienis met een inbreuk op hun verantwoorde-lijkheden. Een verwijzing naar de aanvallen waaraan deWet geluidhinder bloot heeft gestaan moge dit nog eensillustreren.Aldus ziet het er naar uit dat spanning aanwezig is tussenglobale plannen enerzijds en miheubelangen anderzijds.Gaat het milieu ten onder in de globaliteit?In dit artikel wordt op bovengeschetste problema-tiek ingegaan. Daarnaast is het van belang dat een oplos-singsrichting vanuit het milieubeleid gegeven wordt.De volgende vragen zullen behandeld worden:1. Wat houdt de wetswijziging in?2. Hoe wordt op dit moment omgesprongen met milieu-aspecten in gedetailleerde bestemmingsplannen: watzijn de sterke en wat de zwakke kanten?3. Hoe kunnen globale plannen sterke miheupunten vangedetailleerde planning ondergraven?4. Wat zijn de mogehjkheden van globalere planvormenom deze negatieve aspecten te vermijden en tevens dezwakke plekken ten aanzien van het milieubeleid inhet huidige planwerk verder aan te pakken?Bovenstaande vragen zullen een voor een in afzonderlijkeparagrafen behandeld worden. Besloten wordt metenkele conclusies en aanbevelingen.DE WETSWIJZIGINGDe nieuwe WRO/Bro 1985 heeft in vergelijkingmet de vorige versie enkele wijzigingen ondergaan. Er issprake van kortere procedures, een doelmatiger inrich-ting van onderzoek en overleg en globalere, flexibelerebestemmingsplannen. Dit laatste aspect staat centraal indit stuk. De nieuwe WRO/Bro reiken enkele instrumen-ten aan om bestemmingsplannen globaler en mede daar-door flexibeler, minder star te maken. Deze instrumentenzijn:- Artikel 11 WRO.Dit artikel regelt het wijzigen en uitw^erken van eenbestemmingsplan. De nieuwe wet maakt het mogelijkdat begrenzing en invulling niet meer zo objectief engedetailleerd moet gebeuren als voorheen, maar dat zeeen indicatiever en kwalitatiever karakter kunnen krij-gen.- AnikellSWRO.Dit onderdeel maakt het opnemen van vrijstellingsbe-palingen in bestemmingsplannen mogelijk. De nieuweregeling voorziet in eenzelfde kwalitatievere benade-ring als artikel 11.- Artikel 12 Bro.Het idee van de "globale eindplannen" heeft zijnintrede gedaan. Hierbij wordt gebruik gemaakt vaneen nieuw fenomeen: de "beschrijving in hoofdlijnen".In feite is dit de grootste verandering ten opzichte vanhet oude systeem. Daarom zal ik hier dieper op ingaan.De "beschrijving in hoofdlijnen" is bedoeld om degedachten, het beleid achter een bestemmingsplan, eenjuridische status te geven. De toeUchting bij een planheeft die status immers niet. De "beschrijving" geeft alsonderdeel van de planvoorschriften een beschrijvendesturing en nadere richting aan globaal ingerichte plan-nen.De "beschrijving" vervult een toetsings-, uitvoerings- enafstemmingsfunctie. Met name rond de toetsingsfunctieis een levendige juridische discussie gaande. Centralevraag hierbij is of een "beschrijving" grondslag mag zijnvoor rechtstreekse toetsing van bouwaanvragen. Minderdiscutabel is de indirecte toetsing ten aanzien van de toe-passing van flexibiliteitsbepalingen.De uitvoeringsfunctie geeft aan dat inspanningsverplich-tingen van de gemeente met behulp van instrumenten diehaar ter beschikking staan in het plan opgenomen kun-nen worden; het bestemmingsplan als middel voor uit-voeringsplanologie, terwijl de afstemmingsfunctie terhand genomen kan worden om relaties met sectorale rege-lingen aan te geven. De drie functies overlappen elkaargedeeltelijk.GEDETAILLEERDEBESTEMMINGSPLANNENGrofweg kunnen milieumaatregelen in R.O.-kader in twee groepen gesplitst worden, die qua schaalni-veau van elkaar verschillen.De eerste groep maatregelen heeft betrekking op degehele functie van een plan. Een bepaalde functie op eenbepaalde plaats kan uit milieu-oogpunt minder aantrek-kelijk zijn. Bijvoorbeeld: de situering van arbeids- enbezoekersintensieve werkgelegenheid nabij autosnelwe-gen zonder openbaarvervoersvoorzieningen.De tweede groep maatregelen wordt genomen op hetniveau van de inrichting van een bepaald plan. Maatrege-len tegen bodemvervuiling en zoneringsbepalingen wor-den hier ingezet.De voordelen die gedetailleerde plannen bieden zijn voor-namelijk gelegen op het niveau van de tweede groep. Degedetailleerde plannen geven inzicht in de situering vanmilieugevoehge bestemmingen ten opzichte van miheu-hinderUjke zaken. Bovendien is de regehng vaak dermategedetailleerd dat informatie over aard, Hgging en omvangvan activiteiten kan worden gegeven. Dit betekent datallerlei zoneringsinstrumenten ter hand genomen kun-nen worden zoals de afstandsgrafiek uit de brochure"Veehouderij en Hinderwet", de ecologische richtlijn,de Wet geluidhinder, de VNG-publikatie "Bedrijven enMilieuzonering" etc. Ook kan er gericht bodemonder-zoek plaatsvinden.MiUeuhinderlijke bedrijvigheid kan ingesnoerd wordendoor de keuze van de bebouwingsgrenzen, op maat gesne-den per bedrijf. Staten van inrichtingen worden "objec-tief begrensd".Dit alles wordt mogelijk gemaakt door een systeem vanenkelvoudige bestemmingsregeling (een functietoeken-ning aan een bestemming), objectieve begrenzingen eneen gedetailleerde plankaart: de kenmerken van demeeste huidige bestemmingsplannen.Natuurlijk heeft de huidige praktijk ook beper-kingen (veelal vastgelegd in jurisprudentie) voor debelangenbehartiging op het milieugebied.Een kleine opsomming:- Milieuhygienische normen mogen niet worden opge-nomen in de voorschriften van een bestemmingsplan.- Geplande voorzieningen (bijvoorbeeld geluidbeper-kende schermen) zijn niet afdwingbaar in bestem-mingsplankader.- Bodemsanering(seisen) wordt (worden) niet juridischvastgelegd in de voorschriften.- Woningindehngseisen, van belang bij geluidhinder bij-voorbeeld, zijn uit den boze in planvoorschriften.- MiUeuhinderlijke bedrijvigheid kan niet "zomaar"wegbestemd worden.Neemt men de voor- en nadelen van de huidige praktijkonder de loep dan valt op dat de voordelen voor het milieuvoortkomen uit een nauwkeurig kaartbeeld en de nadelenjuist uit de beperkingen van de voorschriften.KNELPUNTEN VAN GLOBALE PLANNENUit de voorgaande paragraaf kan geconcludeerdworden dat de negatieve werking die uit zou kunnen gaanvan de globalere planning, vooral schade kan toebrengenaan de voordelen voor het milieu verbonden aan eennauwkeurig kaartbeeld en "objectieve begrenzingen".Het bestemmingsplan zou zo globaal kunnen zijn dat,gezien vanuit het milieubeleid, conflicterende doeleindenzonder nadere regeling ondergebracht worden in eenbestemming. De onderlinge relaties worden niet zicht-baar gemaakt. Zo kunnen uit milieu-oogpunt ongewenstesituaties ontstaan. Een voorbeeld hiervan is als agrari-sche, bedrijf-, horeca- en woondoeleinden onder eenbestemming "dorpsgebied" geschoven worden. Eenextreem geval, echter ook een "subtielere" aanpak isenVR.O. EN MILIEUBELEIDsen6denkbaar en kan de nodige problemen veroorzaken. Ombij voorbeelden te blijven: een bepaald bestaand gebiedkrijgt de bestemming "bedrijven en wonen". De bedrij-vigheid wordt keurig ingeperkt tot de lagere categorieenvan een Staat van Inrichtingen. Echter bestaande hinder-lijke bedrijvigheid van die lagere klassen wordt geen stro-breed in de w^eg gelegd verder uit te breiden richtingomiiggende woningen.Op het gebied van de flexibiliteitsbepalingen(art. 11 en art. 15WR0)schiiilthetgevaarindeinterpre-tatievrijheid. Nu een objectieve begrenzing, die geenonduidelijkheid liet bestaan over wat wel en niet kon, nietmeer verplicht is, wordt de toepassing van de flexibili-teitsbepalingen overgelaten aan interpretatie met vrij-heidsgraden. Deze marges zullen gebruikt worden alsandere belangen zwaarder gewogen worden dan hetmilieu. Op deze wijze kan meer dan voorheen milieuhin-der ontstaan of worden vergroot.Naast deze meer inhoudelijke bezwaren schuilt er nogeen procedureel addertje onder het gras. Er zijn namelijkconstructies in omloop die trachten Gedeputeerde Statenbuiten de deur te houden, maar die geen grondslag vin-denindeWRO/Bro.De constructies hebben gemeen dat ze een bebouwings-/inrichtingskaart opnemen in het plan waarbij veranderin-gen door B & W mogelijk zijn en gekoppeld worden aaneen niet nader ingeperkte vrijstellingsbevoegdheid exartikel 15. In feite is hier sprake van een wijziging ex arti-kel 11 (met Gedeputeerde Staten als toetser). Dit is nietper defmitie ongewenst, het betekent wel dat geenexterne toetsing plaatsvindt van gemeentehjk beleid waar-bij sprake is van een veelheid van verweven belangen. Heteigenaardige is dat deze constructies juist de globaliteitproberen in te dammen. Eenzijdig wehswaar; gemeentenvrezen namelijk een consequentie van globaliteit: burgersmogen ook veel.OPLOSSINGENIn deze paragraaf zal ik enkele oplossingsrichtin-gen aandragen, zonder de pretentie te hebben volledig tezijn. De oplossingen hebben betrekking op de mogelijk-heden van globale plannen ongewenste situaties zoals aan-gegeven in paragraaf 4 te voorkomen en tevens de nade-len van het huidige planwerk te ondervangen (para-graaf 3).Uit paragraaf 3 concluderen we dat de nadelen van de hui-dige situatie terug te voeren zijn op:- Uitvoeringsproblemen: bijvoorbeeld realisatie vangeluidbeperkende schermen ofverplaatsing van bedrij-ven.- Afstemmingsproblemen: bijvoorbeeld relaties metbodemsanering of Hinderwet.Juist de "beschrijving in hoofdlijnen" introdu-ceert deze twee aspecten van planning in de juridisch bin-dende planvoorschriften. Ook de toetsingsfunctie van de"beschrijving" zou wellicht wonderen kunnen verrichtenten aanzien van de verguisde milieunormen in bestem-mingsplannen getuige een ambtelijke nota van de DienstROV van de provincie Gelderland. Volgens de opstellerszou de "beschrijving" voor de toetsingsfunctie een meer-waarde moeten hebben:"Ten aanzien van concrete normen voor toetsing bouw-/aanlegvergunningen zou eigenhjk slechts van een meer-waarde kunnen worden gesproken indien er sprake is vannormen die op grond van bijvoorbeeld Kroonjurispru-dentie niet in de voorschriften konden worden opgeno-men".Wat de uitvoeringsproblemen betreft kan de "beschrij-ving" een goede stap in de richting zijn. Aangegeven zoukunnen worden dat de gemeente bepaalde activiteiten zalontplooien of inspanningen zal leveren om derden daar-toe te bewegen. Reahsering kan, denk ik, evenwel nietafgedwongen worden door op deze inspanningsverplich-ting te wijzen.Een en ander wordt al harder als middelen vrijgemaaktworden in de exploitatieopzet bij een plan. Het is belang-rijk dat uit de redactie van de "beschrijving" bUjkt wienou wat gaat/tracht te doen (adressering). Bovendien kande kwaliteit van de uitvoering verhoogd worden door ver-wijzingen naar of gegevens uit rapporten op te nemen,waarin eisen geformuleerd zijn waaraan voorzieningenmoeten voldoen. In de huidige bestemmingsplanpraktijkblijkt vaak dat deze kwaliteitseisen bij de daadwerkelijkeuitvoering niet bekend zijn.De afstemmingsfunctie kan uitstekende diensten verrich-ten gezien de huidige tendens naar integraal milieubeleiden de intensivering van de relaties tussen ruimtelijk enmilieubeleid. Gemeentelijke beleidsplannen over dezesamenhang kunnen zo vertaald worden naar bestem-mingsplanniveau. Op een lagere trede kan men allerleirandvoorwaarden vanuit het milieubeleid te berde bren-gen: Wet geluidhinder, Hinderwet, Bodemsanering,Afvalstoffen etc. Het idee dat hier een afstemming tussenbijvoorbeeld Ruimtelijke Ordening enWoningwet (bouw-vergunning) en miheu (bijvoorbeeld Hinderwetvergun-ning) bereikt kan worden zal weer eens aan de Kroon kun-nen worden voorgelegd. Een voorbeeld, uit het Gro-ningse bestemmingsplan "Corpus den Hoorn-Zuid, deel-plan Oost 1", komt, inhoudeUjk althans, aardig in debuurt.De "beschrijving in hoofdlijnen" bevat de vol-gende passage:"Het toelaten van windmolens dient met name getoetstte worden aan de veiligheids- en hinderaspecten tenopzichte van de directe woonomgeving . . . ."Maar daarnaast is het informatieve aspect een factor diede uitvoerende R.O.- en WW-ambtenaren met de neusop de milieufeiten kan drukken. Indelingseisen, bijvoor-beeld, die opgenomen worden in provinciale beschikkin-gen op verzoeken van gemeenten tot het vaststellen vanhogere grenswaarden (Wet geluidhinder), dringen nau-welijks door op dat uitvoeringsniveau, waardoor de prak-tijk anders oogt dan de theorie voorschrijft. Als ze als "re-minder" in het plan zijn vastgelegd wordt de banteringervan (hopehjk) praktijk. Ook bodemonderzoek in R.O.-kader beantwoordt nogal eens niet aan kwaliteitseisen enhoe gesaneerd zal worden moet afgewacht worden. De"beschrijving" kan dit (ook hier) beter sturen.Zouden rond de globale eindplannen ook con-structies bedacht kunnen worden die negatieve milieu-consequenties van de globaliteit (paragraaf 4) ondervan-gen?We constateerden dat dan de plankaart een grote rolspeelt. Met betrekking tot concrete afstanden kan menkiezen voor zones op de plankaart, maar wanneer het aan-tal objecten en functies groot is (in binnensteden bijvoor-beeld) is een aan de "beschrijving" gekoppelde inrich-tingskaart, waarbij rekening is gehouden met milieuvoor-waarden, erg nuttig. Vrijstelling van deze kaart kan geho-noreerd worden binnen de bandbreedte die eveneens inde "beschrijving" is aangegeven. NatuurHjk zijn er talvan varieties mogelijk op dit thema. Op deze wijze wordtde naar het toepassingsniveau verschoven beslissing als-nog gebonden aan vanuit het milieu gestelde randvoor-waarden. Enkele voorbeelden van beide hiervoorgenoemde methoden vindt u in defiguur.Veel meer marge biedt de derde mogelijkheid: schrifte-hjke randvoorwaarden in de "beschrijving". De redactievan de voorschriften bepaalt hier de beleidsruimte.Nadere regeling van de inrichting zelf kanbepaald worden in een "Verbale bouwperceelmethode".Lokaties worden niet opgenomen op de kaart, situeringen oppervlakte worden in de planbepalingen geregeld.Dit heeft invloed op aard en omvang van de hinder dieeen bepaalde activiteit kan produceren. Voor individueleinsnoering van hinderlijke activiteiten kan de hiervoorreeds genoemde inrichtingskaart uitkomst bieden.Ook aanduidingen op de plankaart met daaraan gekop-pelde specifieke regels in de voorschriften behoren tot demogelijkheden.Het probleem van de kwalitatieve flexibihteitsbepalingenkan gedeeltelijk ondervangen worden door procedurelezekerheid: het inschakelen van de Inspecteur Milieuhy-giene ofandere deskundigen in de procedure, vastgelegdin de voorschriften.De procedurele "addertjes" kunnen bestreden wordendoor toe te zien ofde vormgeving van het plan al dan nietzijn grondslag vindt in de WRO/Bro.CONCLUSIES, AANBEVELINGENDe nieuwe WRO/Bro heeft, als gebruik wordtgemaakt van globale planning, onmiskenbare gevolgenvoor het milieu in R.O.-land. De harde gegevens ensanVminimum en/ot maximum pereentage petgnct?calegone Op begane grondniveauC.0.1 100 Van DeDouwingspercentageCO 2 50 25 25 50 Van BebouwingsperceniageC.l 1 1 5 70 10 5 10 5 26C1 1.2 90 5 10 6 15C1 2 90 5 5 20Cl 3 75 5 10 6 3 20C21.1 100 13 10C21 2 60 10 10 63C2 1 3 2 15 S 75 van bebouwingspercentageC,2.2 10 65 15 10 5 6 25C.3 1.1 90 10 5 1 3 10C3.1 2 80 25 10 10C.31 3 70 15 30C.3.1 4 24 24 15 5 a 50 van bebouwingspercentageC.3.2 50 50 25 20C.3 3.1 50 43 20 4 7 6C 3.3.2 10 50 20 10 15 25 10C3.4 5 60 27 10 5 2 15C3.5 5 75 15 7 10 10 5C,3 7 1 SO 40 10 10C3.7 2 40 80 25 10C.3.7,3 30 65 20 10 10 15ft 4 3.1 3.2 70 30 van bebouwmgsperceniageR 4 3.1 3 3 75 25 van bebouwmgsperceniageH.4,3.1 4,1 5070 5 20 5 10 5 30R.4 3.14 2 25 20 10 5 30 30 50R.4 3 2 5080 5 20 10 10 10 1 20R 4,3.3 90 5 3 1 10R4.4 6 20 10 10 50 5 50- lie piankaan 4- minimum percentage gemeten in decentagel- maximum percentage gemeten in de straatwand, leniiiceniage)- verwi|ii(\g naar bi|ionderheid tan aanzien van de desbetreltende functiecaiegorieleriiii anders aangegeven (van bebouwingsper-aangegeven (van Oebouwmgsper-Figuur. Inrichtingskaart met bijbehorendevoorschriften.R.O. EN MILIEUBELEIDsenV8zekerheid van de plankaart maken plaats voor de "be-schrijving in hoofdlijnen" die zijn waarde in de uitvoe-ringspraktijk nog moet bewijzen en waarvan de hardheidop voorhand vooralsnog discutabel is. Daarnaast biedt de"beschrijving" vanwege de bredere strekking echter eenalternatief voor de milieulobby.Een bijkomend voordeel is dat door de minder starreplanning de concurrentiepositie van het bestemmings-plan, ten opzichte van artikel 19-ad-hoc-planologie,wordt verbeterd en daardoor wellicht een groter gedeeltevan de planologische werkelijkheid binnen handbereikvan de milieusector komt.Het milieubeleid in relatie tot de R.O. zal meergericht moeten worden op het niveau van het totalegemeentelijke grondgebied vanwege de vertaalslag die denieuwe wet biedt om beleidslijnen te verwerken inbestemmingsplannen. Op deze manier kan efficientergewerkt worden omdat vele plannen onder die consis-tente beleidslijnen geschoven kunnen worden. ("VeelvUegen in een klap" in plaats van "beter een vogel in dehand dan 10 in de lucht.")Hierdoor hoeft niet steeds weer het wiel uitgevonden teworden bij het maken van ad-hoc plannen; de gemeentekan aangesproken worden op haar algemeen milieu-pla-nologisch beleid dat de rode draad moet vormen voor debestemmingsplannen. Natuurlijk kan van die lijn afgewe-ken worden, dat maakt de concrete situatie uit. Dit moetechter gemotiveerd gebeuren.Daarnaast verschuift de aandacht van concrete afstandendie tot uitdrukking moeten komen op de plankaart enmotivering in toelichtingskader naar de "beschrijving":de bedoeling van het plan, functies die deze "beschrij-ving" kan vervuUen, de potenties, inrichting en de redac-tionele vormgeving hiervan. Uit het voorgaande kan, tenbehoeve van het opstellen van globale bestemmingsplan-nen, een checklist gedestilleerd worden voor de inbed-ding van milieuzaken in deze plannen.Natuurlijk zal een oogje in het zeil gehouden moeten wor-den in verband met de vooralsnog onduidelijke status vande "beschrijving" in de daadwerkelijke bouwpraktijk.Hierdoor zal terugkoppeling naar planvorming plaatskunnen vinden: over de interpretatie van de "beschrij-ving" en de toepassing van globale plannen in de prak-tijk.Drs. F. Verhees was als beleidsmedewerker werkzaam bij deRegionale Inspectie Milieuhygiene Overijssel en Flevoland(VROM). Met ingang van 1 -3-1990 is tnij werkzaam bij degemeente Hengelo (Ov.).CHECKLISTBij miiieurelevante, globale bestemmingsplannen kangelet worden op de volgende punten:- Zijn alle milieuzaken met betrekking tot het plan onder-kend?- Vindt de vormgeving van het plan grondslag in deWRO/Bro?- Is ruimtelijke scheiding tussen milieugevoelige en -belastende functies voldoende geregeld?A. Zones op plankaart met bijbehorende voorschrif-ten.B. Inhchtingskaart met bijbehorende voorschriften.C. Schriftelijke randvoorwaarden (redactie).- Regeling ten aanzien van individuele hindetveroorza-kende inrichtingen?A. Verbale bouwperceelmethode.B. Individuele insnoering op inrichtingskaart.C. Aanduidingen op plankaart met specifieke regels invoorschriften.- Hoe is de redactie van de kwalitatieve flexibiliteitsbepa-lingen Cvrijstelling, wijzigen)?Laat deze niet teveel ruimte en is er gezorgd voor pro-cedurele zekerheid?- Biedt de redactie van de "beschrijving in hoofdlijnen"voldoende zekerheid? (Niet te vaag, onduidelijk, vrijblij-vend.)- Is in de "beschrijving" de toetsings-, uitvoerings- enafstemmingsfunctie terug te vinden ten aanzien vanrelevante milieuzaken?- Is duidelijk uit de "beschrijving" op te maken w/ie eenbepaalde inspanning, op milieugebied, gaat leveren?- Zijn relevante kwaliteitseisen vermeld in de "beschrij-ving"?- Zijn middelen vrijgemaakt in de exploitatieopzet terfinanciering van milieumaatregelen?- Zijn relaties aangegeven met milieubeleid (Wet geluid-hinden bodemsanering, Hinderwete.d.)enzijndecon-sequenties hieri/an in het bestemmingsplankader dui-delijk aangegeven?LMinisterie VROM; Bestemmen met beleid,SDU, 1989.J.R Bos; Bestemmingsplan in de praktijk,VUGA, 1987.W. Meerdink; Bestemmen met beleid, deinstrumentale aspecten. Stedebouw en Volks-huisvesting. juni 1989.Dienst ROV, provincie Gelderland; Confron-tatie met nieuwe planvormen, 1988 (concept).A.C.B. Hutten MansfeldJ.P. Op den KampKunnen in een bestemmingsplan op grond van milieubelasting beperkingenworden opgelegd aan bedrijven? De Kroon floot medio 1989 Spijkenissehierin terug. Deze gemeente gebruikte voor zonering van haar nieuwe bedrij-venterrein Halfweg-ll een voorloper van de methodiekvan het groene VNG-boekje. In dit artikel tonen wij aan, dat bestemmingsplannen waarin de letteren de geest van dit groene boekje correct is toegepast, zeer zeker wel groenlicht van de Kroon zullen kunnen krijgen.Na het KB Halfweg-llsenV9milieuzonering: gemotiveerd, flexibel en actueelDe Kroon heeft op 10 juli 1989 goedkeu-ring onthouden aan de Staat van Inrich-tingen van het bestemmingsplan Half-weg-II van Spijkenisse. Spijkenisse wilde met behulp vandeze Staat van Inrichtingen tot een zonering van haarnieuwe bedrijfsterrein Halfweg-II komen. De gevolgdemethodiek (ref. 1) was de directe voorloper van "Bedrij-ven en Milieuzonering" (ref. 2) het zogenaamde "groeneboekje" van de VNG. De Kamer van Koophandel vanRotterdam en Beneden-Maas voelde zich door de beper-kende bedoelingen van Spijkenisse bedreigd en ging inberoep.In dit artikel worden de Kroon-argumenten in decasus Halfweg-II bezien in het licht van de algemenemethodiek uit het groene boekje. Na deze analyse en dedaaruit volgende conclusies wordt aan het slot van dit arti-kel nog dieper ingegaan op de plaats die het groene boekjetussen milieu en ruimtelijke ordening kan innemen.DOELSTELLING GROEN BOEKJEHet groene boekje biedt een methode om bedrij-ven op grond van hun potentiele milieubelasting in eenmilieucategorie in te delen. Deze miheu-categorieen kun-nen worden vertaald in een Staat van Inrichtingen, waar-mee de bedrijven tot een minimum-afstand van (bijvoor-beeld) woningen "veroordeeld" worden. De systematiekis in het groene boekje zelfen in het artikel van Langedijkhelder weergegeven (ref. 2). Van een herhaling wordt opdeze plaats daarom afgezien. Belangrijke aspecten komenaan bod in de bespreking van de verschillen met de speci-fieke toepassing in de casus Halfweg-II.Het is in dit verband wel nuttig de achterhggende bedoe-Ung in herinnering te roepen. Deze is en was:1. uniforme miheu-informatie te bieden voor iedereen,inclusief:- de betekenis en beperkingen van het systeem en- de toepassingswijze in de ruimtelijke ordening;2. de milieuwetgeving realistisch en doelmatig te kunnenlaten ingrijpen op het ruimtehjk ontwerp.Essentieel is het werken met bedrijfs- en omge-vingstypes, in plaats van ieder geval opnieuw en apartdoor "deskundigen" te laten beschouwen. De voordelenhiervan zijn evident:- voor iedereen toetsbaar;- veel minder kostbaar. Er zijn circa een miljoen activitei-ten met gevolgen voor het miheu denkbaar. Door inactiviteitstypen te denken wordt dit aantal terugge-bracht tot minder dan duizend;- hoofdhjnen worden zichtbaar en hanteerbaar;- deskundigen worden alleen daar ingezet waar ze nodigzijn: in de milieuhygienische, de planologische en dejuridische verwerking van de type-gegevens uit hetgroene boekje en dat alleen voor de belangrijke geval-len.KROONUITSPRAAK IN EEN NOTEDOPDe kroon onthield dus goedkeuring aan de bij deplanvoorschriften behorende Staat van Inrichtingen. Zet-ten we de Kroon-argumenten op een rij dan ontstaat hetvolgende beeld.Op zich geen bezwaar in de methodiek ontmoet:MILIEUZONERINGsenV12matiek, vaak te pas en soms te onpas, in een wijdere con-text bruikbaar of uitbreidbaar te zijn. Voorbeelden daar-van zijn Hinderwetuitvoeringsprogramma's, Bedrijfsmi-lieuzorgsystemen (ref. 3), inrichting van bedrijfsverza-melgebouwen (ref. 4) en het Milieuschakei-schema(ref. 5). ledereen heeft uit rechtsgelijkheid en efficiency-overwegingen baat bij gedegen basisinformatie. De kos-ten-baten afweging van zo'n centrum zal, landelijkgezien, sterk ten gunste van de baten uitpakken. Numilieu tot een pijler van het regeringsbeleid is verhevenmoet dit toch mogelijk zijn?Mogelijke plaatsen voor zo'n centrum zijn bijvoorbeeld:VROM, RIVM, CBS, Centrale Ingang Milieu Informa-tie, TNO. Participanten zouden in ieder geval de VNG,de gezamenlijke Kamers van Koophandel en de InspectieMilieuhygiene moeten zijn.Ook in dit soort situaties biedt iiet groene boekje informatie.In Ieder geval kan het in de toekomst voorkomen worden.CONCLUSIEOp grond van het KB Halfweg-II komen wij totde conclusie dat een gemeente die het groene boekje naarletter en geest correct loepast in een bestemmingsplan,kan rekenen op instemming van deAfdeling Rechtspraakvan de Raad van State.Concreet geformuleerd:1. De gemeente wordt gedwongen een duidelijke ruimte-hjke visie te ontwikkelen. Er moet een expliciete motive-ring van de ruimtelijke bedoelingen worden verstrekt.Dus inclusief de financiele onderbouwing en de redenwaarom in het betreffende plan wordt uitgegaan ofafgeweken van de basiszoneringsinformatie. Daarinmoet:- duidelijk rekening zijn gehouden met de lokalesituatie;- het gekozen effect van cumulatie, een al dan niethogere categorietoekenning, expliciet in de overwe-gingen tot uitdrukking zijn gebracht.2. Het plan moet voldocndcflexMitdt in zich dragen, datwil zeggen dat:- alle genoemde vrijsteUingsregelingen te alien tijdevan toepassing zijn;- nieuwe bedrijvigheid, zeker op nieuwe bedrijfster-reinen, op grond van expliciete overwegingen ver-taald kan worden in een al dan niet lagere categorie-toekenning;- eventuele nadere differentiaties van de SBI-code inde plantoelichting of beschrijving in hoofdlijnengemotiveerd zijn weergegeven.3. De gebruikte basisinformatie moet gegarandeerd actu-eelzijn. Dit stijgt uit boven hetgeen redelijkerwijze vaniedere gemeente apart gevraagd kan worden. Het gaathier namelijk om zowel veroudering als onvolledighe-den en onjuistheden van de basismilieu-informatie uithet groene boekje. Wordt dit obstakel centraal opgelostdan staat niets het gebruik van het groene boekje meerin de weg.DISCUSSIE1. De gemeente Spijkenisse had eind jaren 70 reeds hetinzicht dat met de destijds gebruikelijke Staten vanInrichtingen het aspect milieu geen evenwaardigeplaats in het ruimtelijke afwegingsproces toebedeeldkon worden. Een goede visie in een nog vroeg stadiumen een hoop inspanning qua tijd en geld behoedt echterhelaas niemand voor weeffouten. Nu, ruim tien jaarlater, wordt onderkend dat het miheubeleid (inclusiefhet Nationaal Milieubeleidsplan) nog steeds een duide-lijke ruimtelijke vertaling mist. Het is dus ietwat wrangdat de voorloper Spijkenisse teruggefloten wordt,maar de maatschappelijke werkelijkheid is niet anders.2. De appellant, de Kamer van Koophandel en Fabriekenvoor Rotterdam en de Beneden-Maas, heeft in haareuforie over dit KB gezegd "dat het groene boekje nunaar (haar lid) de Slegte kan". Wij trekken de omge-keerde conclusie. Dit KB is eerder een stimulans dande doodsteek van het groene boekje. Dit wordt nogversterkt door de nieuwe WRO/Bro en de tendens inhet miheubeleid om ook het ruimtehjk instrumenta-rium daarvoor te gaan inzetten: milieu "promoveert"hiermee van afweegfactor naar bovendien doelstellingop zich.3. Een veelgehoorde opmerking is dat het systeem zoingewikkeld is. Het systeem is echter een zo ver moge-lijk vereenvoudigd model van de werkelijkheid. Hetbeschouwen van iedere afzonderlijke situatie is perdefinitie ingewikkelder. Het achteraf samenvoegenvan al die gevallen in een bepaald gebied is welhaastonmogelijk.De door de werkelijkheid gedicteerde moeilijkheids-graad van de systematiek uit zich in grote hoeveelhe-den getalsgegevens. Als mensen niet dagelijks gecon-fronteerd worden met de achtergronden van dergelijkegetallen, leert de ervaring, dat dergelijke getallen eeneigen leven gaan leiden. Als de beperkingen en moge-lijkheden niet worden doorgrond, zijn (gedeeltelijk)verkeerde gevolgtrekkingen onvermijdelijk.Een duidelijke uitleg van en voorlichting over hetgroene boekje is dus essentieel. Provincies, de VNG,de Inspecties Milieuhygiene en Ruimtelijke Ordeningmaar ook de Kamers van Koophandel zouden dezehandschoen op moeten pakken, voor zover dit nog nietgebeurd is.4. De methodiek geeft de grote lijnen en specifieke indi-caties voor een goede kwaliteit van het leefmilieu, zon-der het stedebouwkundig ontwerpen in welke zin danook te vervangen. Een grove, maar tevens goedkopesimulatie van het effect van vrij te kiezen ontwikkelin-gen en maatregelen wordt erdoor mogeUjk gemaakt.Door haar eigen grenzen duidelijk mee te geven, geeftde methodiek ook aan wanneer in een bepaalde situatiemeer informatie nodig is dan de methodiek biedt. Datis bijvoorbeeld het geval bij:- de vraag naar meetgegevens in saneringssituaties;- de berekening van achtergrondconcentraties;- specifieke berekeningen voor toekomstsituaties.In dergelijke gevallen moet een meer sophisticated entevens duurdere werkwijze worden ingezet. Het PIM-Maastricht (ref. 6) is daar een voorbeeld van. Dat zijndus geen concurrerende, maar situatie-afhankelijke,volgtijdige methodieken.Kroon waarschijnhjk acceptabel. In de nieuwe wetzijn overigens de mogelijkheden om de flexibiliteitvan het bestemmingsplan te vergroten iiberhaupttoegenomen (art. 11 en 15 WRO '85).De nieuwe wet moet zijn waarde in de praktijk echter noggrotendeels bewijzen. Relevante Kroonjurisprudentiebestaat nog nauwelijks.Dr. ir. A.C.B. Hutten Mansfeld is werkzaam bij de Regio-nale Inspectie Milieuhygiene Zuid-Holland en drs. J.P. Opden Kamp is werl
Reacties