SEPTEMBER1990? R.O., LEIDEND OF LIJDEND?KENNISGEBRUIK IN PLANNING? VERHUIZEN, MAAR WAARHEEN?k ? RUIMTE VOOR OUDERENor ^^5^'Weten of Geloven?Zekerlieid is vaak ver te zoekeu.Buro PVG bicdt houvast.Demografisch onderzoek en bevolkingsprognosesHaalbaarheids-studies voor bedrijf en overheidWoningmarkl-onderzoek (kwalitatief eii kwantitatiel)Beleidsaaiibevelingeii en planologische adviezenC^ertiflcatiebiireau voor het Ministerie van Oiiderwij.s & WetcnschappeiiPlanning Verband GroningenOostcrhanuikkadc 88 9714 BH Groningentek050-713614MET'N OFFERTEVANVERWOLWORDTUWKEUSEENSTUKMAKKELIJKER.Verwol SysteemwandenVerwol tekent, calculeert enoffreert. Verwol maokt de plan-ning, fabriceert en instolleert.Verwol beschikt daarbij overeen veelzijdig leverings-programma kwaliteits-systeem-wanden. Samen met u wordtdoor 't projekfteam de meestesthetische, efficiente en eco-nomische opiossing gekozen.Een grote mate van flexibiliteittijdens de projektvoorbereidingleidt in eike situctie tot een uit-stekend eindresultoat.Daorom maokt een of-ferte von Verwol uw keus eenstuk makkelijker.Bel of schrijf vandoag nog:Verwol 02263-3504.VELOPA,RECREATIEF ZITHET GOEDEen bank wordt nietzomaar een VelopA bank.Want een VelopA bank voorbuiten moet aon een aantalvoorwaarden voldoen. Zo zijnduurzaamheid von het moterioa! en de modernemilieu-eisen belangrijke voorwaarden.Het straatmeubilair van VelopA is dan ook prak-tisch onverslijtbaar en gemakkelijk in het onder-houd.Banken, tafels en picknicksets goan op in denatuurlijke omgeving. Veel aandacht wordtbesteed can de vornngeving van het straatmeu-bilair. Want wie recreeert wil niet olleen genietenvan de omgeving, maar ook goed zitten.VelopA adviseert en biedt opiossingen alshet gaat om het buitengebeuren. Daarin zijn wijthuis. Wij leveren een compleet assortment aanstraatmeubilair, afsluit- en markeringssystemen,afvalbakken, speelelementen en fietsenbergingen.De VelopA-catalogus geeftu een ovenicht. U kunt ditboekje bij ons aanvragen.Als hef om hef buiten-gebeuren gaat, is VelopAop z'n best.Achthovenerweg 21,Postbus 202, 2350 AE LeiderdorpTelefoon (071) 41 03 21Telefax (071) 89 41 52 VelopAlevSpanbroekerweg 163 Postbus 50,1715 ZH Sponbroek Tel. 02263-3504 Fax 02263-3049.ZAANSTAD. Eenjonge gemeente met een rijke historic. Met bijna 130.000 inwoners de twaalfdegemeente van Nederland. Een kwartiertje vanafhet centrum van Amsterdam en een halfuur vanSchiphol. Vcstigingsplaats van bedrijven met wereldnaam en wereldfaam, maar ook van honderdenklcinc en middelgrote bedrijven. Tegelijkertijd is Zaanstad een 'groene'gemeente met veel ruimte en rust,water en weilanden.Bij de dienst Stadsontwikkeling en Openbare Werken, hoofdafdeling Stadsontwikkeling kan op deafdeling Stedebouw worden geplaatst eenOntwezper (m/v)(voor 30,4 uur per week)Funktie-infonnatieTot de verantwoordelijkheden van de ontwerper behoren o.a.:- het ontwerpen van stedebouwkundige plannen, rekening houdend met de technische, juridischeen maatschappelijke randvoorwaarden;- het vormgeven en ontwerpen van de openbare ruimte, het mikro-milieu;- het verzorgen van de presentaties van stedebouwkundige plannen;- het deelnemen in projectgroepen, met name in het kader van de stadsvemieuwing.Funktie-vereistenWij zoeken voor deze funktie eenjonge stedebouwkundig ontwerper op minimaal HBO-niveau dieover duidelijke vormgevende kwaliteiten beschikt. Van hem/haar wordt tevens verwacht dat hij/zijgoede kontaktuele eigenschappen bezit en in team-verband kan werken. :Een psychologisch onderzoek zal deel uitmaken van de selektie-procedure. - ,Aanstelling/salarisHet aanvangssalaris is maximaal f 4.891,- bruto per maand. Na een jaar is bij goed funktionerendoorgroei mogelijk naar maximaal f 5.442,-bruto per maand (schaal 10).InfonnatieNadere inlichtingen omtrent de funktie kunnen desgewenst worden verkregen bij de heerF. J. Bakker, chef afdeling Stedebouw, tel.: 075-512418.Belangstellenden wordt verzocht voor 29 September a.s. een soUicitatiebrief te richten aan hetCollege van Burgemeester en Wethouders van Zaanstad, dienst Personeels- en Organisatie Zaken,Postbus 1400,1500 AK Zaandam, onder vermelding van de funktie.Het gemeentelijk beleid is gericht op gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Vrouwen genieten voorrangin diefunkties, waarin zij duidelijk zijn ondervertegenwoordigd. Indien zij aan de gestelde eisen voldoen,worden zij uitdrukkelijk verzocht te solliciteren.gemeente Zflanstad ^_provincie planologische dienstBij het bureau wonen, werken en voorzieningen, dat onderdeel uitmaakt van de afdeling maat-schappelijke planvorming, ontstaat per 1 September 1990 een vacature voor eenBELEIDSMEDEWERKER DEMOGRAFIE EN WONEN (V/M)Functie-inhoud:De functie omvat het opstellen van prognoses over demografische ontwikkelingen voor het pro-vinciaal beleid en het toetsen van de prognoses van anderen hieraan. Verder betreft het beleids-advisering over demografische ontwikkelingen in samenhang met andere maatschappelijke ont-wikkelingen, en beleidsadvisering over het spreidingsbeleid bevolking en wonen. Het verrichtenvan onderzoek in het kader van de functie maakt ook dee! uit van het takenpakket.Functie-eisen:- een op de functie gerichte academische opieiding, met keuzevakken demografie en/of metho-den en technieken van onderzoek;- kennis van automatisering;- goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid;- passende werkervaring en kennis van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting strekken totaanbeveling.Salaris:Het salaris is afhankelijk van opieiding, ervaring en leeftijd. Op basis van functiewaardering wor-den de hierna genoemde salarisschalen gehanteerd:aanloopschalen: 10 (f. 3.827,-- tot f. 5.442,-) en11 (f. 4.173,-tot f. 5.789,-)functieschaal: 12 (f. 4.705,- tot f. 6.376,-).Bij het (nagenoeg) ontbreken van werkervaring wordt gedurende een jaar salarisschaal 9 gehan-teerd.Alle bedragen zijn bruto per maand bij een volledige functie (norm 1-4-1990).In het kader van het geven van gelijke kansen aan vrouwen en mannen worden vrouwen uit-drukkelijk uigenodigd te solliciteren.Een vertegenwoordiging van het personeel wordt bij de selectie betrokken.In verband met een reorganisatie van het provinciale apparaat zai medio 1991 de ProvincialePlanologische Dienst worden samengevoegd met o.a. het beleidsveld welzijn tot een nieuweDirectie.Nadere informatie wordt gaarne verstrekt door het hoofd van de afdeling maatschappelijke plan-vorming, de heer drs. J.Th.H.M. van Hees, tel. 01180-31248, of diens plaatsvervanger de heerdrs. D.C. Kruis, tel. 01180-31244.Sollicitaties dienen voor 22 September 1990 in het bezit te zijn van de directeur van de Provin-ciale Planologische Dienst voor Zeeland, onder vermelding van nummer PPD 1/90.groenmarkt 13, postbus 153, 4330 ad middelburg, tel. 01180-31911ISEPTEMBER O0)INHOUD0)01^ JAARGANGDENK RAAMJ.M. MastopPlanologen-keurmerk in demaak 3SIGNALENNIEUWE PLANVORMENN.J.A. TielkemeijerKop van ZuidM. Gonggrijp-van MourikReactie3335PLANOLOGIECW.W. van LohuizenAmsterdam: provinciestadof metropool??? 37VOLKSHUIS VESTINGJW.C. LemsenH.J.WilhelmBeleidswijzer gemeentelijkvh-plan 38MILIEUJ. WesselRivier en stroomgebied-beheer 40EMANCIPATIEE.J.E. ModdermanVerkeer en vervoerbeleid:waar emancipatie en milieuelkaar raken 41PUBLIKATIESBoekbesprekingenSelectie aanwinstenfoto omslag: Waterland natuurland (Landinrichtingsdienst)S en V wordt gelijktijdig met ROM verzonden.4347Decentralisatie landinrichting,P.J.J. DriessenDe huidige landinrichting schiet vaak tekort waar het niet-agrarische belan-gen betreft, met name die van natuur en milieu. In dit artikel wordt een voor-stel tot verbetering gedaan.Ruimtelijke ordening, ieidend ofiljdend, P. LukkesDe ruimtelijke ordening wordt beinvloed door de ruimtelijke werkelijkheid.Kan de no. deze werkelijkheid nog voldoende coordineren? De centralevraag in dit artikel.Rationele planning op gevoel, G.J.M. ArtsHet begrip kennis neemt in de theorie van de planning een belangrijke plaatsin. Of dit in de praktijk ook het geval is werd onderzocht in Helmond.Verhuizen, maar waarheen?, s. siootwegOnnodig beslag op de sociale sector in de woningbouw wordt gelegd dooroudere eigenaar-bewoners met een redelijk inkomen die na verkoop van hunhuis een huurwoning betrekken. Suggesties voor opiossingen en de taakvangemeenten en corporaties daarbij.Ruimte voor ouderen, PJ.J. HeeremaIn de ruimtelijke ordening wordt nog te weinig rekening gehouden met degevolgen van de toenemende vergrijzing en de daaruit voortkomendebehoefte aan thuiszorg. Een terreinverkenning.Orgaan van het Nederlands Instituutvoor Ruimtelijke Ordening enVolkshuisvestingEen uitgave van DELWEL Uitgeverlj B.V.In samenwerking met het NIROVVerschijnt zes maal per jaarRedactie:Dr HJ.M. GoverdeIr RC. GroenMr.ir. A.W. HartmanMw.drs. I.T. KiaasenMw.drs. G.C.R van derPloegIr. K.R. de PoelProf, J. RothuizenMr A.M. Schaap-DubbelboerDrs. RW.A. VeldMw. mr Y. de VriesIr H. WestraRedactlesecretariaat:Mr A.M. Schaap-DubbelboerMw.drs. G.C.R van der PloegI. Steenhoff-BoogersRedactie, administratie en publlkatiester recensie:Mauritskade 21, 2514 HD Den Haagtelefoon: 070 - 346 96 52Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen en boekbesprekingenkunnen op het redactlesecretariaat "Richtlijnenvoor auteurs" aanvragen.Advertentie-expioitatie:DELWEL Uitgeverij B.V.Alexanderstraat 26Rostbus 191102500 CC 's-Gravenhagetelefoon: 070 - 362 48 00telefax: 070 - 360 54 36Advertentieverkoop:v. Scharrootelefoon: 070-362 48 00Basisvormgeving:Jeannette BollandHofhuis/Schriever\aangesloten bijinCKUjVak NOTU-groep vaktijdschriftenRuimtelijke Ordening bij SDU uitgeverijRuimtelijkeverkenningen 1990Het jaarboek van de Rijksplanolo-gische Dienst met een lerugblik op25 jaar realisering van ruimtelijkbeleid en een futuristische voor-uitblik naar de mogelijke situatie inde periode na het jaar 2000.ISBN 90 12 064961 Prijs / 74,50Hoe te bestellen. tel. 070-3789880. fax, 070-3854321^ antwoordnr. 1252501 XD Den HaagUITGEVERIJ . bij de boekhandelJBglWAtlas StedelijkeKnooppuntenDe Atlas Stedelijke Knooppuntengeeft een overzicht van de standvan zaken die in de vierde notaover de ruimtelijke ordeningworden genoemd.Aan de hand van beschrijvingen,kaarten, grafieken en veleillustraties schetst de Atlas hetprofiel van elf Nederlandseknooppunten.ISBN 90 12 06497 X Prijs / 59,-&"J^^.-^:'^-"^??^ ~% V- '?S"Land op zicht,zicht op landVisies op de kaart van Nederland.Een zoektocht naar de ideale kaartvan Nederland waarin ook deruimtelijke kwaliteit van ons land inbeeld wordt gebracht. 'Land opzicht, zicht op land' laat zien dat ervele mogelijkheden zijn om dekenmerkende ruimtelijkeverscheidenheid en samenhangenvan Nederland te beschrijven.ISBN 90 12 06896 7 Prijs / 55,-In januari 1991 start voor dederde keer de succesvolleLeergangStadsbeheerDaze 2e fase-opleiding voor Integraal Stads-beheer is bestemd voor hoger geschoolden,die beschikken over enige jaren praktijk-ervaring op het gebied van de bebouwde leef-omgeving en die uit willen groeien tot genera-listen.De cursus duurt anderhalfjaar en is verdeeldover 12 seminars van drie aaneengeslotendagen.Kosten:/10.000,-,Er is plaats voor maximaal 16 cursisten.AANMELDEN VOOR 1 NOVEMBERVoor inlichtingen kunt u bellen met het cursus-secretariaat van de Hogeschool West-Brabant(sector EAO), telefoon 076-250666.Postbus 90116, 4800 RA Breda.HOGESCHOOLWEST-BRABANTm samenwerking met Heidemij en Hogeschool Midden-Brabantburo ir fgm van ekert bvstedebouwkundige adviseursneerstraat 2 5761 re bakel 04924-2324Bij de overheidsadvisering doorhet buro ligt het accent vaak opmeer gecompliceerde opdrachten.Daarom zoeken wij een veelzijdige:m/vstedebouwkundige ir/ingen tekenaar (mbo nivo).Voor onze creatieve organisatie(bestaande uit 6 medewerkers)staat kwalitatieve invulling vande vacatures voorop.Gerichte info is opvraagbaar.Gaarne schriftelijk solliciteren.Planologen-keurmerk in de maakTijdens een bijzondere algemene ledenvergadering op13 juni jongstleden in Utrecht heeft de Sectie Ruimte-lijke Planning en Onderzoek (SRPO) besloten over te gaan totoprichting van een beroepsvereniging van planologen. Meer speci-fiek: een beroepsvereniging van sociaal-wetenschappelijk opgeleideNederlandse planologen. Ais voorlopige naam voor deze beroepsver-eniging is gekozen: Bond van Nederlandse Planologen (BNP).Waarom zijn de leden van de SRPO tot deze stap gekomen?Voorop moet worden gesteld, dat de SRPO niet heeftstaan te trappelen. Beroepsvereniging gaat in de prak-tijk vrijwel altijd samen met een of andere vorm vanregistratie die aan ingeschrevenen een keurmerkgeeft. De SRPO heeft zeker niet de indruk dat de inNederland werkzame planologen voor de uitoefeningvan hun beroep dat keurmerk op dit moment missen.De verschillende opleidingen bieden daarvoor vol-doende garantie. Ook bestaat er geen angst voor dehuidige arbeidsmarktpositie van Nederlandse plano-logen. De met zekere regelmaat gehouden onder-zoekjes van de opleidingen in Amsterdam en Nijme-gen geven daar geen aanleiding toe. Integendeel zelfs. Nee, de aanlei-ding tot de stap van de SRPO is gelegen in 7992, zoals zoveel zakendie thans ruimtelijk ordenend Nederland bezighouden en ook moe-ten houden.D E N KW;^at is er aan de hand?Het feit, dat 1992 een keerpunt zal betekenen in hetvrije verkeer van goederen en personen tussen de EG-landen behoeftgeen betoog. Evenmin, dat daarvoor tal van nieuwe of aangepastewettelijke regelingen moeten worden getroffen. Maar het feit, datmen in het buitenland onze goed opgeleide en voor zijn taak bere-kende planoloog niet "kent" wel.Dit kan voor de individuele planoloog vervelende consequen-ties hebben. Wat te denken van de Nederlandse planoloog die bij-voorbeeld in West-Duitsland of (een beter voorbeeld wellicht)Frankrijk of "Brussel" wil gaan werken en tot de conclusie moetkomen, dat men zijn/haar opleiding daar niet kan inschatten? In eenrecent rapport') is nog eens de scheve beeldvorming (in negatievezin dan wel te verstaan) van het Nederlandse hoger onderwijs, uni-versitair en HBO, op de korrel genomen. Wat ook te denken van deplanoloog, die bij solUcitatie in Nederland tot de conclusie moetkomen, dat hij ofzij het moet afleggen tegen mede-Europeaan plano-logen of "town planners" omdat die een internationaal erkende sta-tus hebben? Wat te denken van de consequenties van voorstellen vanhet EG-departement voor Interne Zaken aangaande zogenaamde"procurement rules" voor de uitbesteding van EG-projecten enonderzoeken, leidend tot kwaliteitseisen voor uitvoerende bureausen instituten. Wat als die geen EG-erkende beroepsbeoefenaren inhuis hebben?Als aanval de beste verdediging is, dan is in de verdediginggedrongen worden welhcht de slechtste. Daarom maar de eersteoplossing gekozen. Er moet een planologen-keurmerk komen.Twee zaken zijn nu van belang. In de eerste plaats er voorzorgen dat Nederlandse planologen zich als beroeps-groep verenigen. In de tweede plaats er voor zorgen dat deze groepook Europees erkend wordt.Om met het laatste te beginnen. Sinds 1985 functioneert eenEuropean Council of Town Planners (ECTP). Deze treedt op alsbelangenbehartiger van Europese beroepsverenigingen in Europesecontext. Nederland is daarin vertegenwoordigd door de BNS (BondNederlandse Stedebouwkundigen). Planologen - als groep - niet, ter-wijl zij evenals stedebouwkundigen volstrekt voldoen aan de ECTP-omschrijving van het beroep van Europese "town planners".^)Daarin moet dus verandering komen. We zijn dan aangeland bij heteerste punt.Slechts beroepsverenigingen kunnen lid worden vande ECTP: geen individuen. De SRPO is echter geenberoepsvereniging en wil dat ook niet worden, maaris - evenals het NIROV in zijn geheel - primair eenforum voor planologen, stedebouwkundigen, onder-zoekers van verschillende disciplines, studenten enbestuurders. De noodzaak van een afzonderlijkberoepsgeorienteerde Bond voor Nederlandse Plano-logen ligt hiermee op tafel.De voorbereidingen daartoe zijn al ver gevorderd.Een door het SRPO-bestuur ingestelde werkgroepPlanologen-onderwijs heeft geadviseerd over de beroepsomschrij-ving van de planoloog en voorstellen gedaan voor toelatingscrite-ria.') De werkgroep heeft er daarbij met nadruk op gewezen, dat eendergeUjke beroepsvereniging nauw contact zal moeten onderhoudenmet de planologie-opleidingen over toelatings- annex opleidingsei-sen. Ook vindt met zekere regelmaat overleg plaats met bestuursle-den van de BNS om elkaar op de hoogte te houden en het pad naareventuele toekomstige samenwerking te effenen. Want een ding iszeker: BNP en BNS zuUen in de toekomst in Europees verband geza-menlijk moeten optrekken, een gezicht moeten tonen. Tenslottevindt overleg plaats met het NIROV om een goede verdeUng vantaken en verantwoordelijkheden tussen NIROV, SRPO en BNP teverkrijgen. De eerste twee primair als forum. De laatste als belan-genbehartiger.Kortom: er wordt alles aan gedaan om een goede start temaken en om een toekomstige BNP als volwaardige beroepsvereni-ging de belangen van de Nederlandse planologen zo goed mogelijk telaten behartigen. Of en hoe een en ander in de toekomst ook kan lei-den tot wettelijke titelbescherming van planologen, zoals nu al geldtvoor onder meer architecten, landschapsarchitecten en stedebouw-kundigen op grond van de Wet op de Architectentitel, is van laterzorg. De goede start staat voorop en is, als het aan de initiatiefnemersligt, verzekerd. Nu komt het er op aan dat die Nederlandse planolo-gen en zij die daarvoor studeren zich aangesproken zuUen voelendoor dit initiatief. Laat dit denkraam voor hen een doe-raam wor-den. Zij zuUen langs verschillende kanalen worden benaderd.;J.M. MastopWaardering van kwaliteit. Internationale erkenning en waardering van het Neder-lands hoger onderwijs (1990) NUFFIC, 's-Gravenhage.2Zie het rapport (voorjaar 1990) van een ad hoc werkgroep van bestuursleden vande BNS en hoogleraren planologie (alien op persoonlijke titel).3Rapport NIROV-Werkgroep Planologenondenivijs (mei 1990).SenVP.P.J. DriessenenVDe landinrichting vormt het belangrijkste instrument voorhet realiseren vanveranderingen in de inrichting van het landelijk gebied. Daarbij spelen zowelagrarische als niet-agrarische belangen een rol. in de pral^tijk blijken debesluitvormingsprocessen bij landinrichtingsprojecten bijzonder moeizaamte verlopen. Bovendien komen de niet-agrarische belangen zelden goed tothun recht. Nu met name op het gebied van het milieu- en natuurbeleidnieuwe prioriteiten zijn geformuleerd, zai ook de structuur van het landin-richtingsbeleid veranderingen moeten ondergaan.Decentralisatie landinrichtingIn oktober 1985 werd de Landinrichtingswetvan kracht, als opvolger van de Ruilverkave-lingswet uit 1954. Formed betekende deinvoering van de nieuwe wet een omslagpunt in het den-ken over de inrichting van het landelijk gebied. Stondenin de Ruilverkavelingswet nog voornamelijk de agrari-sche belangen op de voorgrond, de Landinrichtingswetheeft daarentegen een "multisectoraal" karakter: hetinstrument dient ingezet te worden voor agrarische enniet-agrarische doeleinden. Voorts dient de landinrich-ting zich, meer dan voorheen, te schikken binnen derandvoorwaarden die in het ruimtelijk ordeningsbeleidzijn geformuleerd (i.e. structuurschetsen, structuursche-ma's, streekplannen en bestemmingsplannen).In de praktijk van de landinrichting was deze kenteringevenwel al in het begin van de jaren zeventig te herken-nen, toen gaandeweg de aandacht voor natuur, landschapen openluchtrecreatie toenam, binnen de mogelijkhedendie provinciale streekplannen toentertijd boden.Ondanks deze verschuiving naar een meer multisectoraleplanning is in de loop der jaren gebleken dat de landin-richting toch nog voornamelijk gericht is op de agrarischesector, waaraan de andere belangen ondergeschikt zijn.Inmiddels heeft er op rijksniveau een ingrijpende ver-schuiving plaatsgevonden ten aanzien van de beleidsdoel-einden voor het landelijk gebied. DeVierde Nota over deRuimtelijke Ordening (1988a en 1988b), het NationaalMiheubeleidsplan (1989), het Natuurbeleidsplan (1989)en de Derde NotaWaterhuishouding (1989) spreken zichalle uit over een intensivering van het beleid ten behoevevan milieu, natuur en landschap. Het beleid zal in dekomende jaren gericht worden op een aantal bijzonderethema's, zoals het creeren van een ecologische hoofdstruc-tuur, het voorkomen van verdroging van natuurgebiedenen van de beinvloeding met gebiedsvreemd water, hetterugbrengen van de verzuring en de vermesting en hetbehoud c.q. de versterking van landschappelijke structu-ren. In al deze nota's wordt de landinrichting genoemdals een van de instrumenten om het nieuwe beleid gestaltete geven. Het Natuurbeleidsplan bevat zelfs een kaartmet daarop gebieden die in de komende jaren vanuitnatuur- en landschapsoogpunt voor landinrichting in aan-merking komen (ziefiguur 1).In de toekomst zal de noodzaak van de inzet van landin-richting voor de niet-agrarische belangen dus toenemen.De vraag is evenwel of deze verschuiving in doelstellin-gen ook daadwerkelijk op projectniveau kan leiden totandere plannen.Recent is een onderzoek uitgevoerd naar besluit-vormingsprocessen in landinrichtingsprojecten, waarbijvooral aandacht is besteed aan de afstemming tussen land-bouwkundige maatregelen en maatregelen ten behoevevan milieu, natuur en landschap (Driessen, 1990). Uitdeze studie is een aantal belangrijke knelpunten van hetinstrument landinrichting naar voren gekomen die, methet oog op de nieuwe beleidsprioriteiten, oplossing ver-dienen.Weliswaar kunnen in het kader van de landinrichtingallerlei inrichtingsmaatregelen worden genomen (metname op het gebied van de verkavehng, de ontsluiting,de waterbeheersing en de landschapsbouw) en kunnengronden worden aangekocht voor niet-agrarische doelein-den (bijvoorbeeld voor het creeren van natuurreserva-ten), maar de structuur van het beleid is nog te zeergericht op de agrarische belangenbehartiging.In het navolgende wordt eerst een typering gegeven vande besluitvorming in landinrichtingsprojecten. Vervol-gens worden de knelpunten die uit het onderzoek naarvoren zijn gekomen uiteengezet. Tenslotte worden enkelemogelijkheden aangegeven om deze knelpunten op te los-sen, waaronder een decentralisatie van de landinrichting.TYPERING BESLUITVORMINGDe planprocessen in de landinrichting zijn bij-zonder complex. Dit wordt ten dele veroorzaakt door hetgrote aantal actoren dat bij de besluitvorming is betrok-ken. Bovendien zijn de te volgen procedures buitenge-woon ingewikkeld.Het bestuurlijk-organisatorische kader van de landinrichtingkan men karakteriseren als een vorm van "complemen-tair bestuur": vele organisaties met elk hun eigen verant-woordelijkheden kunnen hun invloed op het planprocesdoen gelden. Allereerst hebben zowel de Centrale Land-inrichtingscommissie (CLC) op rijksniveau, als de pro-vinciale besturen en de projectgebonden landinrichtings-commissie (LC) bevoegdheden met betrekking tot debesluitvorming over een landinrichtingsplan. Daarnaastspelen ook gemeenten en waterschappen een belangrijkerol. Weliswaar mogen zij geen zelfstandig besluit nemenover de inhoud en uitvoering van een plan, maar zij die-nen wel akkoord te gaan met de door hen te dragen finan-ciele lasten. Gemeenten dienen tevens te zorgen voor eengoede afstemming tussen het landinrichtingsplan en hetbestemmingsplan buitengebied. Doorgaans zijn verte-genwoordigers van beide organen direct betrokken bij deplanvorming en planuitvoering.De organisatie van de landinrichting kan tevens wordengekenschetst als een vorm van "publiek-private samen-werking". Bij de voorbereiding en uitvoering van landin-richtingsprojecten is nadrukkelijk ruimte gecreeerd voorparticipatie en invloed van de direct betrokken belang-hebbenden, met name agrariers. De reden hiervoor is datde landinrichting ingrijpt in de eigendoms- en gebruiks-rechten van particulieren en dat deze particulieren ookeen deel van de kosten van de landinrichting moeten dra-gen.De gezamenlijke verantwoordelijkheid van overheid endirect belanghebbenden is terug te vinden in de samen-stelling van bestuurlijke organen als de CLC en de LC.Deze organen zijn corporatistisch georganiseerd. Zobestaat de CLC - die is belast met de algemene leidingover het landinrichtingsbeleid - zowel uit ambtelijke ver-tegenwoordigers van verschillende ministeries en verte-genwoordigers van lagere overheden, als uit vertegen-woordigers van belangenorganisaties op het gebied vande land- en tuinbouw, de natuurbescherming en de open-luchtrecreatie. Ook in de LC werken vertegenwoordigersvan belangenorganisaties samen met ambtelijke vertegen-woordigers.De besluitvorming over de inhoud en uitvoering van eenlandinrichtingsplan vindt voorts plaats binnen een uiter-mate gedifferentieerd stelsel vanjuridische enfinandek rege-lingen. Er kunnen maar liefst acht vormen van landinrich-ting worden onderscheiden, te weten zes "integrale" vor-men (ruilverkaveling, herinrichting, aanpassingsinrich-ting, reconstructie van glastuinbouwgebieden, herinrich-ting met een administratief karakter en ruilverkavelingmet een administratiefkarakter) en twee "enkelvoudige"vormen (kavelruil en waterschapswerken). Elke vormvan landinrichting kent een eigen procedure. Verder isvoor elke inrichtingsmaatregel op het gebied van de ver-kaveling, de ontsluiting, de waterbeheersing en de land-schapsbouw afzonderlijk bepaald hoe de kosten wordenverdeeld tussen rijksoverheid, lagere overheden en directbelanghebbenden.Het mag geen verwondering wekken dat de besluitvor-ming in de landinrichting voor een belangrijk deel wordtC=^senFiguur 1. Gebieden waar behoefte is aan integrale landinrichting vanuit hetNatuurbeleidsplan (1989, p. 89).gedomineerd door overleg en onderhandelingsprocessen.De wijze waarop het landinrichtingsbeleid is gestructu-reerd kan ook wel worden aangeduid met het begrip onder-handelingsarena: binnen een strak omlijnd kader van proce-dures, bestuurlijke organisatie en fmanciele middelenkan tussen de betrokken overheden en belanghebbendenonderhandeld worden over de inhoud en uitvoering vaneen landinrichtingsplan. De partijen in deze "arena" zijnwederzijds op elkaar aangewezen. Zij dienen er dus geza-menlijk uit te komen. Aangezien de tegenstellingen tus-sen de belangen vaak groot zijn, is de landinrichting ech-ter ook een potentiele broedplaats voor conflicten.KNELPUNTENIn het reeds vermelde onderzoek is gekeken naarde wijze waarop de planprocessen zich binnen de hiervoorgeschetste besluitvormingsstructuur voltrekken, metname voor wat betreft de afstemming tussen de land-bouwbelangen en de belangen van milieu, natuur en land-schap. Daartoe werden een achttal case-studies uitge-voerd, te weten in Ruinerwold-Koekange, Eemland,Bodegraven-Noord, Overbetuwe-Oost, Giethoorn-Wan-neperveen, Waterland, Land van Cuyk en Mergelland(West).Hoewel geconstateerd kan worden dat de belangen vanmiheu, natuur en landschap in de loop der jaren steedsmeer weerklank hebben gevonden in de landinrichting,hebben de case-studies niettemin uitgewezen dat zich inde processen van planvorming en planuitvoering diverseknelpunten voordoen.LANDINRICHTINGsen6Ten eerste verlopen de planprocessen in landinrichtings-projecten allerminst soepel. Op projectniveau blijkt menniet altijd in staat om de belangentegenstellingen op eenvoor alle partijen bevredigende wijze te reguleren. Eenbemiddeling van de CLC, het provinciaal bestuur of deambtelijke top is soms noodzakelijk om uit de ontstaneimpasses te geraken. Deze impasses worden veroorzaaktdoor problemen en onduidelijkheden in het ruimtelijkspoor (ontoereikend streekplan), het landinrichtings-spoor (onder meer ontoereikend onderzoek naar ingreep-effect relaties) of het Relatienotaspoor (de onmogelijk-heid om het gewenste aantal hectare agrarisch gebiedonder natuur- en landschapsbeheer te brengen), alsookdoor problemen in de afstemming tussen deze beleidsspo-ren.Ten tweede blijkt de multisectorale invulling van landin-richtingsplannen nog tekort te schieten. In bepaaldegevailen treden toch negatieve effecten op voor milieu,natuur en landschap, zonder dat getracht wordt deze involdoende mate te voorkomen. Het creeren van natuurre-servaten en het aanleggen van landschapselementen stuitvaak op verzet van agrariers indien hierdoor teveel grondaan de landbouw wordt onttrokken, dan wel teveel beper-kingen ontstaan voor een normale bedrijfsvoering. Alsgevolg hiervan wordt veelvuldig een compensatiebenade-ring toegepast in de afstemming tussen de belangen vande landbouw en die van natuur en landschap: hogereclaims vanuit de landbouw dienen gecompenseerd te wor-den door meer maatregelen voor natuur en landschap enomgekeerd. Daarenboven is de aandacht voor de kwalitei-ten van het grond- en oppervlaktewater en de bodem inde landinrichting nog onvoldoende. Uitgangspunten endoelsteUingen op het gebied van het milieubeleid wordenin de landinrichting nog niet standaard in de planvormingen planuitvoering betrokken. Ook milieuvriendelijkeinrichtingsalternatieven worden slechts bij uitzonderingopgesteld.Als gevolg van de toenemende complexiteit van de pro-blematiek en de optredende belangenconflicten treden inde derde plaats veel vertragingen op in de voortgang vanhet planproces. Ook de omvangrijke juridische procedu-res zijn op dit trage verloop van invloed. De gemiddeldeduur van landinrichtingsprojecten bedraagt momenteelcirca 27 jaar(!). Door de lange looptijd verandert evenwelde beleidsruimte voortdurend: streekplannen wordensoms tussentijds herzien, financiele mogelijkheden wor-den krapper of ruimer en politieke wensen kunnen wor-den bijgesteld. Planaanpassingen zijn in de uitvoerings-fase wel mogelijk, maar de rechtszekerheid en de rechts-bescherming, de beperkte financiele ruimte en de onmo-gehjkheid om moeizaam bereikte compromissen weeropen te breken kunnen belangrijke belemmeringen vor-men voor de inpassing van nieuwe wensen. De landin-richting heeft door deze lange duur en het geringe aanpas-singsvermogen een uitermate inflexibel karakter.Uit het onderzoek blijkt ten vierde dat de uitvoering door-gaans niet op alle punten verloopt volgens het vastge-stelde plan. De planuitvoering biedt voor eigenaren enINoordoostpolder (Ministerie van VROM).gebruikers van grond nog mogelijkheden om bepaaldemaatregelen tegen te houden. Eigenaren en gebruikersvan grond genieten in de uitvoeringsfase een grote matevan rechtsbescherming. Deze rechtsbescherming is voorde niet-agrarische belangen afwezig, tenzij bijvoorbeeldeen natuurbeschermingsorganisatie al gronden in hetgebied in bezit heeft.Voorts is de realisering van voorzieningen voor natuur enlandschap ten dele ook afhankelijk van de vrijwilligemedewerking van agrariers (zoals het verkopen vangrond, het overnemen van het beheer van landschapsele-menten en het afsluiten van beheersovereenkomsten inbeheersgebieden). In de uitvoeringsfase kunnen zichbovendien nog nieuwe problemen voordoen, die vanwegehet te globale karakter van de planvorming niet warenvoorzien en die kunnen leiden tot wijziging van de oor-spronkelijk geplande maatregelen en voorzieningen.Tenslotte is het opmerkelijk dat de ruimtelijke ordeningslechts van geringe betekenis is bij de afstemming tussenagrarische en niet-agrarische belangen in een landinrich-tingsproject. Het provinciale streekplan heeft nog demeeste invloed op de landinrichting, maar uit de bestu-deerde projecten is naar voren gekomen dat deze invloedtoch sterk verschilt van gebied tot gebied. Vaak is hetstreekplan te globaal en voor meerdere interpretaties vat-baar, zodat het geen houvast biedt bij concrete afwegings-vraagstukken in de landinrichting.Alhoewel de hiervoor genoemde verschijnselenin alle bestudeerde projecten waren te onderkennen, wasde mate waarin ze optraden verschillend. Het beleidsre-sultaat bleek op onderdelen sterk afhankelijk van de wijzewaarop de actoren omgaan met de hen ter beschikkingstaande middelen en strategieen. Dit betekent datbehalve de juridische en financiele kaders ook de onder-handelingsprocessen sterk bepalend zijn voor de inhouden uitvoering van een plan.Overigens zijn niet alle genoemde verschijnselen sympto-matisch voor alleen het landinrichtingsbeleid. Aspectenals het optreden van impasses in de besluitvorming en delange duur van planprocessen werden door De Koninghet al. (1985) reeds eerder geconstateerd in een onderzoeknaar ruimtelijk relevante besluitvorming. Ook op de pro-blematische aspecten van de beleidsuitvoering is de afge-lopen jaren veeivuldig gewezen (zie bijvoorbeeld: Wil-davsky and Pressman, 1979; Simonis, 1983; Glasbergen,1984; Maarse, 1985).DECENTRALISATIEHet mag duidelijk zijn dat het belang van hetinstrument landinrichting voor het realiseren van denieuwe beleidsvoornemens dient te worden gerelati-veerd. Zoals de landinrichting nu uitwerkt is zij in iedergeval te traag en te weinig flexibel. Het uiteindelijkebeleidsresultaat voor de belangen van milieu, natuur enlandschap is bovendien afhankeUjk van vele onzekere fac-toren, waaronder de gebrekkige rechtsbescherming, devereiste vrijwillige medewerking van agrariers, de rol vande ruimtelijke ordening, de gehanteerde methode vanplanning en het beschikbare budget.P""^y ^' ' ^i^^^19senLandbouw in Waterland (Landinrichtingsdienst).Op weike wijze zouden deze knelpunten nu kun-nen worden opgelost?In het verleden zijn reeds meerdere malen ideeen gelan-ceerd voor een structured wijziging van het landinrich-tingsbeleid. Zo werd door de Adviescommissie SaneringPlanprocedures in 1985 voorgesteld om de landinrichtingte decentraliseren, waarbij de beleidsruimte voor de pro-vincie wordt vergroot en de invloed van de CLC vermin-derd (Adviescommissie Sanering Planprocedures, 1985).De regering heeft reeds voor het van kracht worden vande Landinrichtingswet toegezegd dat bij een evaluatievan de wet bezien zal worden ofeen verdergaande decen-trahsatie, leidend tot een vereenvoudiging op het terreinvan procedures en bevoegdhedenverdeling mogelijk is(Decentralisatie van rijkstaken, 1983; Deregulering vanoverheidsregelingen, 1984). Met deze evaluatie is recenteen aanvang gemaakt.Een belangrijk argument om tot een decentralisatie vande landinrichting over te gaan is, dat door een grotereinhoudelijke verantwoordelijkheid van de provincies deafstemming tussen de landinrichting enerzijds en deruimtelijke ordening en het milieubeleid anderzijds effec-tiever vorm gegeven kan worden. Een inhoudelijke toet-sing van landinrichtingsplannen aan het provinciaalbeleid is om twee redenen te verkiezen boven een toetsingaan het rijksbeleid. Ten eerste sluiten de plannen doorhun gedetailleerdheid meer aan bij streekplannen, pro-vinciale milieubeleidsplannen en waterhuishoudings-plannen dan bij globale rijksnota's. Ten tweede leidt dedubbele besluitvorming op rijks- en provinciaal niveaualleen maar tot extra communicatie- en coordinatiepro-blemen en zodoende tot een onnodig zware bestuurslast.Behalve het voorgaande argument is er nog een anderereden waarom een decentralisatie van de landinrichtingte verkiezen is. De landinrichting heeft gezien de project-matige uitvoering van het beleid per defmitie een regio-naal karakter Het is dan ook vanzelfsprekend dat debesluitvorming plaatsvindt op het bestuursniveau dat hetdichtst bij dit regionale karakter aansluit. Het democra-tisch gehalte van de besluitvorming is daarbij gebaat. Ditpleit dus voor een grotere invloed van het provinciaalbestuur en de projectgebonden Landinrichtingscommis-sie ten koste van de invloed van de rijksoverheid.De provincies zouden bij een decentrahsatie devolledig inhoudelijke verantwoordelijkheid over de land-inrichting dienen te krijgen. Het opstarten van een land-inrichting en het vaststellen van een landinrichtingsplandient dan primair onder de verantwoordelijkheid van Pro-vinciale Staten te geschieden.De landinrichting zou voortaan moeten worden gezienals een instrument ten behoeve van de ruimtelijke orde-ning en het milieubeleid op provinciaal niveau. Naast deruimtelijke ordening dient ook het miheubeleid een rand-voorwaardenstellende functie te gaan vervullen ten aan-zien van de landinrichting.De planvormingsprocedure zou er in een gedecentrali-seerde structuur als volgt uit kunnen zien.Vanuit het provinciaal beleid dient bij de start van de plan-vorming het kader geschetst te worden voor de landin-richting. Dit kan evenals nu geschieden in een zogeheten"nota overwegingen en uitgangspunten" (art. 20, lid 2,sub b), die de LC als startpunt van planvorming dient tehanteren. Daarin zal aandacht moeten worden besteedaan de randvoorwaarden vanuit de ruimtelijke ordeningen het milieubeleid (gebiedsgerichte doelstellingen), als-mede aan de verschillende sectorwensen. Het verdient devoorkeur om deze nota als een gebiedsgerichte uitwer-king van een streekplan en/of een milieubeleidsplan tepubliceren. Het voordeel van deze constructie is dat opdeze wijze de landinrichting nadrukkelijker wordt gekop-peld aan de planvormen op het gebied van de ruimtelijkeordening en het miheubeleid. Ook kan als een voordeelworden gezien dat er over deze "planuitwerking" eenpolitieke toetsing plaatsvindt door PS en dat daarmee eendemocratische basis wordt gelegd voor de verdere plan-vorming. Voorts kan op basis van deze nota de LC meteen duidelijke opdracht op pad worden gestuurd. Naar-mate het provinciaal beleid duidelijker is over de gewen-ste ontwikkehng is het landinrichtingsplan ook sneller opte stellen. Hierbij is op te merken dat de huidige ontwik-LANDINRICHTINGsen8keling naar globalere streekplannen en bestemmingsplan-nen een duidelijke afstemming met de landinrichtingjuist bemoeilijkt.Met een decentralisatie van bevoegdheden zal ook eendecentralisatie van bestuurlijke organisatie gepaard die-nen te gaan. Het is immers weinig efficient om de Landin-richtingsdienst als een rijksinstantie te handhaven, ter-wijl de inhoudelijke verantwoordelijkheid volledig bij deprovincie ligt. In een gedecentraliseerde beleidsstructuurdient de Landinrichtingsdienst dan ook ondergebrachtte worden bij de provincie. Dat levert de beste waarborgop voor een goede bestutirlijke coordinatie.Een decentralisatie van de landinrichting biedtenkele duidelijke voordelen in vergelijking met de hui-dige situatie. Verwacht kan worden dat de afstemmingtussen landinrichting enerzijds en ruimtelijke ordeningen milieubeleid anderzijds via de constructie van destreekplanuitwerking en decentralisatie van de Landin-richtingsdienst beter tot stand komt. Bovendien zuUende provincies in de gelegenheid zijn de landinrichting rui-mer in te zetten dan tot op heden gebeurt. Te denken valtbijvoorbeeld aan landinrichting ten behoeve van hetgebiedsgerichte milieubeleid (zie o.a.: Versteijlen, 1987).Tenslotte worden de besluitvormingsprocedures eenvou-diger, waardoor en de bestuurslast wordt teruggebrachten plannen sneller kunnen worden vastgesteld en uitge-voerd.Een en ander betekent evenwel niet dat het Rijk haarinvloed op de landinrichting volledig kwijt is. Ten eerstezal zij de landinrichting moeten blijven financieren om devoortgang van het beleid niet te bemoeilijken. Voor deverdeling van de beschikbare financiele middelen over deprovincies zal een bepaalde verdeelsleutel gevonden moe-ten worden.') Dit is overigens geen nieuw probleem.Jaarlijks worden momenteel door de provincies projectenaangemeld bij de Minister van Landbouw, Natuurbeheeren Visserij waarbij aan de hand van de urgentie en debeschikbare budgetten wordt bepaald welke projectenprioriteit krijgen. Daarbij wordt tevens het criterium vanregionale spreiding gehanteerd. Ten tweede kan de rijks-overheid via de gebruikehjke verticale coordinatie op hetgebied van de ruimtehjke ordening en het miheubeleidhaar invloed doen gelden.Op rijksniveaU kunnen allerlei randvoorwaarden wordengesteld ten aanzien van de regionale ontwikkeling van delandbouw, de natuur- en landschapsbescherming en deoplossing van miheuproblemen en de wijze waarop in hetprovincial beleid hiermee rekening moet worden gehou-den. De behartiging van rijksbelangen kan voorts plaats-vinden via de "rijksheren" (ambtehjke vertegenwoordi-gers van verschillende ministeries) in de PPC. De PPCkan in een gedecentraUseerde besluitvormingsstructuurde adviserende taken van de CLC overnemen. Ook opdeze wijze wordt de landinrichting nadrukkelijker gekop-peld aan de ruimtelijke ordening op provinciaal niveau.Tenslotte kan in de nieuwe besluitvormingsstructuur eenaanwijzingsbevoegdheid voor de Minister van VROM5^ VrIp^y^''Landbouw in Mergelland (Landinrichtingsdienst)worden gecreeerd ten aanzien van de inhoud van een land-inrichtingsplan, indien natioale belangen in het gedingzijn.AANVULLENDE WlJZIGINGENDecentralisatie van de landinrichting is echtergeen middel tegen alle kwalen. Om de milieu-, natuur- enlandschapsbelangen naast de agrarische belangen opti-maal in de landinrichting te kunnen behartigen, dienenvoorts een aantal andere wijzigingen te worden aange-bracht in de Landinrichtingswet.In de wet zal tevens een rechtsbescherming voor de niet-agrarische belangen opgenomen dienen te worden, dusook voor hen die belangen verdedigen die niet recht-streeks zijn verbonden met het eigendom en het gebruikvan de grond. Dit betekent in ieder geval dat de mogelijk-heid wordt geschapen tot een Kroonberoep op het landin-richtingsplan voor eenieder die als belanghebbende kanworden aangemerkt.Het verdient verder aanbeveling om in de planvormings-procedure het opstellen van een alternatief, waarbij debest bestaande mogelijkheden ter bescherming van hetmiUeu worden toegepast (een milieuvriendelijk alterna-tief), verplicht te stellen. Dit biedt de garantie dat hetmilieubelang gedurende de gehele planvorming serieuswordt meegenomen.Daarenboven zouden projecten met mogelijk belangrijkegevolgen voor milieu, natuur en landschap onder dem.e.r.-phcht moeten vallen. Recent is door de Commissievoor de Milieu-effectrapportage onomwonden vastge-steld dat toepassing van de m.e.r. in de landinrichtingzowel procedureel als inhoudelijk meer waarborgen biedtvoor een goede inbreng van het milieu-belang in debesluitvorming dan de in de landinrichting reeds toege-paste Herziene Evaluatie Landinrichtingsplannen-methode (Commissie voor de Milieu-effectrapportage,1990, bijlage 6).Buiten een decentrahsatie van het beleid zou ook hetRiviertje in Mergelland (Landinrichtingsdienst).werken met kleinere projecten een belangrijke bespoedi-ging kunnen betekenen voor de landinrichting. De com-plexiteit van de problematiek kan daarmee immers tothanteerbare properties worden teruggebracht. Te denkenvalt bijvoorbeeld aan een omvang van maximaal 5.000hectare.Voorts is een vereenvoudiging van het aantal proceduresgewenst. De huidige differentiatie in procedures is name-lijk niet doelmatig. Niet alleen zijn de criteria op basiswaarvan de verschillende procedures worden toegepastverre van helder, maar ook is niet aan te tonen dat de ver-schillende procedures ook tot significant andere plannenleiden. Het verschil in planinhoud is hoofdzakelijk te wij-ten aan een differentiatie aan inrichtingsproblemen enniet aan de toepassing van verschillende procedures. Hetlijkt daarom zinvoller om nog slechts twee vormen van /landinrichting te handhaven, te weten een "intregrale land-inrkhting" en een "eenvoudige landinrichting". Het verschiltussen beide richtingsvormen zit met name in de intensi-teit en de omvang van de te nemen inrichtingsmaatrege-len, te weten een omvattende landinrichting voor com-plexe inrichtingsproblemen en een minder omvattendevorm voor relatief eenvoudige problemen.Met deze wijziging van inrichtingsvormen dient ook demogelijkheid tot stemming over een landinrichtingsplanonder eigenaren en pachters te verdwijnen. Het "gewo-gen stemrecht" (dit wil zeggen dat eigenaren en pachtersmet meer grond ook een zwaardere stem hebben) geeft delandinrichting een te beperkte democratische basis enbenadrukt te zeer de economische rationaliteit van hetplan. Provinciale Staten zuUen in alle gevallen debevoegdheid moeten krijgen om het definitieve besluit tenemen over de inhoud en uitvoering van een landinrich-tingsplan.Tenslotte is het nuttig om in de landinrichting aanpassin-gen van al vastgestelde plannen te vergemakkelijken.Daarvoor zouden voorwaarden dienen te wordengecreeerd op het gebied van de financien en de grondver-werving.Momenteel zijn in Nederland 196 projecten in voorberei-ding en in uitvoering, met een gezamenlijke oppervlaktevan 1.095.000 hectare (45% van het landelijk gebied!).Mede met het oog op de realisering van de "ecologischehoofdstructuur" uit het NBP, het beleid uit het NMP ende Derde Nota Waterhuishouding zou bezien moetenworden in welke projecten aanpassing van de plannennodig is (ook in de uitvoeringsfase!), teneinde een bij-drage te leveren aan de realisering van dit beleid. Metname dient gedacht te worden aan ruimere financielemogelijkheden voor de uitvoering van natuurtechnischeen milieuhygienische maatregelen en een verhoogde taak-stelling voor grondverwerving ten behoeve van reservaat-vorming. In dit verband is door Van Grondelle (1989)reeds gepleit voor het instellen van een "planologischerampenpot", een rijkssubsidie om de realisering vannieuw beleid flexibel in te passen in bestaande plannen.Ook zou gedacht kunnen worden aan het creeren van een"grondbank" voor het landelijk gebied, waardoor rui-mere mogelijkheden ontstaan om projectoverstijgendgronden uit te ruilen (zie ook: RARO, 1988). Op dezewijze zouden agrariers binnen de "ecologische hoofd-structuur" op eenvoudige wijze verplaatst kunnen wor-den naar elders.SLOTDe hiervoor genoemde aanpassingen in de struc-tuur van het landinrichtingsbeleid vormen reeds onder-werp van diverse bestuurlijke discussies.Zoals in het voorgaande werd vermeld is er al voor de tot-standkoming van de Landinrichtingswet in 1985 gepleitvoor een verdere decentralisatie van het beleid. In hetkader van het decentralisatiebeleid van het Rijk werd in1988 door de rijksoverheid besloten om in Noord-Bra-bant en Friesland een decentralisatie-experiment te star-ten, waarbij aan deze provincies in de planvormingspro-cedure meer bevoegdheden werden toegekend (te wetenbij de opstelhng van de zogeheten "zienswijze" en bij devaststelling van het inspraakverslag behorende bij hetvoorontwerp-plan). Van een daadwerkehjke decentralisa-tie van beleid, zoals in het voorgaande beschreven, maghier echter nog niet gesproken worden.De provincie Noord-Holland heeft onlangs in haar NotaLandinrichting laten weten voorstander te zijn van eenvergaande vorm van decentralisatie van de landinrich-ting, zowel voor wat betreft de besluitvormingsbevoegd-heid als de middelen en de bestuurlijke organisatie.Tevens acht zij een milieu-effect-rapportage bij de voor-bereiding van landinrichtingsprojecten wenselijk (Pro-vinciaal Bestuur van Noord-Holland, 1989, p. 36,41).De regering is tenslotte in 1989 gestart met een herover-wegingsonderzoek naar aanleiding van de lange voorbe-reidings- en uitvoeringsduur van landinrichtingsprojec-ten, in samenhang met de doelmatigheid en effectiviteitvan de ingezette overheidsmiddelen. In de Miljoenennota1990 wordt geconstateerd dat er door de lange duur vande projecten sprake is van "begrotingstechnische inflexi-biliteit".Rekening houdend met de Structuurnota Landbouw enhet Natuurbeleidsplan wordt momenteel onderzocht ofenV9LANDINRICHTINGsen10het landinrichtingsinstrumentarium niet op een anderewijze kan worden ingezet, waarbij wordt gedacht aanmeer eenvoudige, snel uit te voeren projecten ofmeer opeen specifiek probleem in landbouw of natuur toegesne-den project (Rijksbegroting voor het jaar 1990,1989, p.312-313). Gezien de resultaten uit het in het voorgaandevermelde onderzoek is dit heroverwegingsonderzoekalleszins zinvol. Daarnaast zal evenwel bij een evaluatievan het functioneren van de Landinrichtingswet bekekenmoeten worden welke juridische, plannings-methodischeen bestuurlijk-organisatorische aspecten aangepast moe-ten worden. In het voorgaande zijn hiervoor enkeleideeen aangeleverd.Dr. P.P.J. Driessen is werkzaam bij de Interfacultaire Vak-groep Milieu, Natuuren Landschap, FaculteitderBeleidsweten-schappen, Katholieke Universiteit Nijmegen.Voorwatbetreftdemaatregel-gebondensubsi-diering kan voortgegaan worden op de oudevoet. Aan sommige subsidies zijn recent doorde Minister van LNV inhoudelijke randvoor-waarden gekoppeld (zo wordt bijvoorbeeldboerderijverplaatsing in veenweidegebiedenniet meergesubsidieerd, tenzij andere danagrarisclie belangen daarmee g'ediend zijn oftenzij er geen bezwaren bestaan uit niet-agrari-sche overwegingen). In het iiclnt van de decen-tralisatiegedachte is het wenselijk om de rand-voorwaarden bij de financiering meer in overlegvast te stellen met de provincies.IJJIIIIIIIljjjjiy^Adviescommissie Sanering Planprocedures(1985). Carnavalstocht der planprocedures,'s-Gravenhage,Commissie voor de Milieu-effectrapportage(1990), Toetsingsrapport van het evaluatierap-port (HELP) van de ruilverkaveling Baarle-Nassau, ISjanuari, Utrecht.Decentralisatie van rijkstaken (1983). Plan,Tweede Kamer zitting 1982-1983. 16492, nrs.7-8.Deregulering overheidsregelingen (1984),Kabinetsstandpunt, Tweede Kamer, vergader-jaar 1983-1984, 17931, nr 39,Driessen, RP.J, (1990), Landinrichting gewo-gen; de plaats van de milieu-, natuur- en land-schapsbelangen in het landinrichtingsbeleid,diss.. Nijmegen/Zeist,Glasbergen. R (1986), Visies op beleid;sociaal-wetenschappelijke analyse van over-heidsbeleid, Amsterdam,Grondelle, W.J, (1989), Vierde Nota R.O.aanpassen aan milieu- en natuurbeleid; lezinggehouden tijdens de NIROV-studie-ochtend"Het NMR een uitdaging voorde ruimtelijkeordening". 5 oktober Utrecht.Koningh. Tj, de en J.W.M. van der Knaap etal. (1985), Ordening van besluitvormingoverderuimte; overdevert:icaleco6rdinatie van besluit-vorming over ruimtelijke aangelegenheden,DeventerMaarse, J,A,M, (1985). De uitvoering vanoverheidsbeleid.in: A, Hoogerwerf(red,), Over-heidsbeleid, Alphen aan den Rijn.Provinciaal Bestuurvan Noord-Holland(1989). Nota landinrichting voorde provincieNoord-Holland, Haarlem,Rijksbegroting voor het jaar 1990(1989).Nota over de toestand van 's rijks financien.Tweede Kamer, vergaderjaar 1989-1990,21300, nr. 1.Simonis. J.B.D. (1983), Uitvoering vanbeleid als probleem, Amsterdam,Versteijien. G. (1987), De Landinrichtings-wet als instrument van milieubeleid: een verken-ning. CultuurtechnischTijdschrift, jg, 26, nr 6.p, 363-371.Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening(1988). Deel c: Advies van de Raad van Adviesvoorde Ruimtelijke Ordening, Tweede Kamervergaderjaar 1988-1989, 20490,Wildavsky, A, and J.L. Pressman (1979).Implementation; how great expectations inWashington are dashed in Oakland. Berkely,p. LukkesDe ruimtelijke ordening ondervindt er de invloed van, dat de ruimtelijkewerkelijkheid als het ware uitdijt alsmede turbulenter en minder voorspel-baar wordt. De vraag is of deze beleidssector in staat is c.q. zai zijn om blij-vend op geloofwaardige en trefzekere wijze leidinggevend en coordinerendop te treden met betrekking tot deze ruimtelijke ontwikkelingen. Op belang-rijke punten wordt te weinig aandacht besteed aan de ontwikkeling van ruim-telijke theorieen, die de ruimtelijke ordening te stade kunnen komen.Ruimtelijke Ordeningsen11leidend oflijdend?In woelig vaarwater moet de koers voortdu-I rend worden aangepast. Dat geldt ook voor deI ruimtelijke ordening. Want ook deze beleids-sector, die gericht is op het ingrijpen in de wijzigingen diede ruimtelijke ordening ondergaat (Van den Berg, 1981)ondervindt volop de invloed van het proces, dat door Hin-terhuber en Popp (1988)".. .the increasing complexity ofall human institutions and the acceleration of change"wordt genoemd. Feitelijk komt de uitspraak van dezeauteurs er op neer, dat de werkelijkheid steeds meereigenschappen gaat vertonen, die kenmerkend zijn vooreen systeem waarin een hoge graad van entropie heerst.Bij zo'n systeem is de immer terugkerende vraag aanwelke eisen het besturende systeem (de ruimtelijke orde-ning) moet voldoen om zegenrijk - voor de ruimtehjkeomgeving wel te verstaan - richting te kunnen geven aande processen, die in het te besturen systeem optreden.Kan de ruimtelijke ordening met behoud van de eigenidentiteit op een functionele wijze leiding geven aan dewijzigingen, die in de als het ware uitdijende werkelijk-heid optreden?De indruk bestaat, dat hier sprake is van een moeizaamproces, vooral omdat de maatschappelijke en technologi-sche turbulentie een wisseling van beleidsaccenten verei-sen, die de ruimtelijke ordening deels op vrijwel onbe-kend gebied brengen.Van meer dan een accentverlegging is sprake waar het omhet milieubeleid gaat. De sterk vergrote aandacht hier-voor doet zelfs de vraag rijzen of niet het milieubeleidbezig is de ruimtehjke ordening te verdringen of althansten opzichte daarvan een superpositie te verwerven. Illus-tratief is in dit verband de inhoud van het "Tijdschriftvoor Ruimtelijke Ordening en Miheubeheer", dat insamenwerking met het ministerie van VROM wordt uit-gegeven. De titel van dit tijdschrift is zeer misleidendwant zeker 90% van de tekst is gewijd aan miheu-onder-werpen. Ook het feit, dat opVROM nu al de derde achter-eenvolgende minister zetelt met bijzondere belangstel-ling voor milieu-aangelegenheden laat de ruimtelijkeordening natuurlijk niet onberoerd. De verklaring van dehuidige minister, dat hij bovenal coordinerend milieumi-nister wil zijn (Financieel Dagblad, 1-12-1989), plaatstde ruimtelijke ordening immers impliciet op de tweederij.Overigens komt het ons, gelet op de aanzienUjke verschil-len tussen de finale doelstellingen van genoemde beleids-terreinen, voor dat men wel over "zwei Seelen in einerBrust" moet beschikken, om op beide gebieden een goedcoordinerend beleid te kunnen voeren.De uitdijende en in complexiteit toenemendewereld, waarop de ruimtelijke ordening vat moet probe-ren te houden, brengt in beginsel twee gevaren met zichmee. Het eerste daarvan wordt door Wootton (1972) ver-woord als hij zegt'... A concept (de ruimteijke ordening)that appUes to everything is logically empty'. Het tweedegevaar is de discrepantie, die kan ontstaan tussen debeschikbare kennis met betrekking tot ruimtehjke pro-cessen enerzijds en de dwingende invloed, die mendaarop uitoefent anderzijds (Miller, 1989). In dezen staaneen onvoldoende kennis en een falend beleid heel dichtbij elkaar.Terecht merkt Miller in dit verband op, dat de huidige ente verwachten snelle maatschappelijke veranderingenfundamenteel moeten worden benaderd en dat dit voorplanners een herijking van theorieen, methoden en basis-ideeen betekent. Zo'n herijking moet in het geval van deruimtelijke ordening beginnen met een kritische belich-R.O., LEIDEND OF LIJDEND?senV12ting van de achtergronden, de actuele gedaante, de gebe-zigde middelen en de kwaliteit van de resultaten.In die zin kunnen de volgende paragrafen als een allereer-ste aanzet tot een ijking worden beschouwd, want in onge-veer deze volgorde zal aan genoemde ijkpunten aandachtworden besteed. Een extra accent zal bovendien wordengelegd op de dezerzijds zo belangrijk geachte (potentieel)leidinggevende betekenis van de ruimtelijke ordeningmet betrekking tot overheids- en particuliere investerin-gen.Tenslotte zal worden getracht een antwoord te geven opde in de titel gestelde vraag.POLITIEK EN CENTRALISTISCHOndanks de vele taken, die op lagere schaalni-veaus worden afgedaan, is de ruimtelijke ordening teonzent in hoge mate een Haagse aangelegenheid. Dereden daarvan is tweeledig.In de eerste plaats moet worden onderkend, dat de ruim-telijke ordening een politick beleidsveld is. Ondanks hetfeit, dat men in kringen van de ruimtelijke ordening eenwetenschappelijk imago allerminst pleegt te verwerpen,gaat het op dit gebied toch niet om een wetenschappelijkemaar om een politieke vertaling van standpunten en welvan die standpunten, die bij de aan de politieke machtzijnde partijen heersen. Het feit, dat meteen na het aan-treden van het kabinet Lubbers-3 tal van nota's op de hel-ling zijn gezet, vormt hiervan een getuigenis. Omdat inde praktijk nogal wat partijen ervan uitgaan, datgenoemde nota's als het ware een blauwdruk zijn voor eenecht te verwachten c.q. te creeren toekomst, ware het ove-rigens beter ze nadrukkehjker van het etiket politickwensbeeld te voorzicn.Het centralisme, waarover we het hier ook heb-ben, is van meet af aan een van de belangrijkste kenmer-ken van de Nederlandse ruimtelijke ordening geweest. Alruim voor deTweedeWereldoorlog streefden prominenteberocpsbcocfenaren naar een Nationaal Plan, dat alleplannen op een lager ruimtelijk niveau moest overkoepe-len en onzekerheden moest uitbannen door ontwikkelin-gen te kanaliseren (Bakker Schut, 1944).Omdat de nauw met de ruimtelijke ordening gclicerdegebieden van de planologie en de stedebouw eveneensccntralistische trekken vertoonden, is de ruimtelijkeinrichting van ons land nauwelijks gestoeld op regionalevariatics en regionale cigcnheden.Het idee van een Nationaal Plan heeft er onder meer toegeleid, dat de huidige Rijksplanologische Dienst bij degeboorte in 1941 de naam Rijksdienst voor het NationalePlan kreeg. "Op grond van opgedane ervaringen" is in dejaren '60 uiteindelijk afgezien van een formeel vastgesteldNationaal Plan.Een van die ervaringen is ongetwijfeld geweest, dat dedoelen van de ruimtelijke ordening op nationaal niveaualtijd rijkelijk vaag zijn geformuleerd. Van den Berg(1981) merkt wat dit betreft op, dat in officiele stukkennergens staat te lezen waarover het in de stedebouw en deruimtelijke ordening gaat en nog minder waarom hetgaat. Merkwaardig genoeg is de doorVan den Berg gewor-pen handschoen niet opgepakt, zelfs niet door de colum-nisten van de "Denkraam"-rubriek in het tijdschrift"Stedebouw en Volkshuisvesting". Zo'n 50 jaar geledenzou dat zeker anders zijn geweest!!Ook al is het begrip "Nationaal Plan" uit hetwoordenboek verdwenen, toch is door de rijksoverheidwel degelijk getracht om vanuit een nationale optiek lei-ding te geven aan de ruimtehjke ontwikkeling en inrich-ting van ons land. Voor dat doel heeft onder meer een 4-talnota's gediend, die sinds 1960 zijn verschenen en somsvoor nogal wat commotie hebben gezorgd. Aan deze viernota's is alom veel aandacht besteed. Daarom wordt hiermet een paar opmerkingen volstaan.Het valt op hoezeer de ruimtelijke ordening, die via dezenota's tot ons komt, is gestoeld op demografische wens-beelden, die vervolgens worden vertaald in aan onsschoonheidsgevoel appellerende kaartbeelden. Aan deeconomische en financiele onderbouwing hiervan wordtrelatief weinig aandacht besteed.Marktonderzoek als fundament voor ruimtelijke orde-ning is tot dusver een vrijwel onbekend fenomeen en hetbegrip management heeft pas onlangs de ruimtelijkeordening bereikt.Opvallend is ook hoezeer de nationale nota's inzake deruimtelijke ordening hun gezicht moeten ontlenen aaneen thema: het aanwijzen van te bevoorrechten steden.In de Tweede Nota heetten deze steden "bevolkingscon-centraties", in de Derde Nota "groeisteden en groeiker-nen" en in de Vierde Nota "stedelijke knooppunten".Leunen op een centraal thema is nog tot daar aan toe alshet betreffende terrein maar ijzersterk wordt beheerst enonderbouwd. En juist hier schort het. Steeds andere ste-den worden op grond van wisselende en vaak zwak onder-bouwde argumenten naar voren geschoven. Scepsis overde wenselijkheid dit beleid in praktijk te brengen, evenalseen beperkt geloof in deze nationale plannen is eennatuurhjke reactie.Hiermee komen we bij het onderwerp trefzekerheid vande ruimtehjke ordening.TREFZEKER EN GELOOFWAARDIG?Ruimteljke ordening istoekomstgericht. Daaromzijn voor dit beleidsterrein twee vormen van trefzeker-heid van vitale betekenis. De eerste is een achteraf juistgebleken schatting (prognose) van een toekomstige situa-tie. De tweede belangrijke vorm van deze trefzekerheidbetreft de mate van overeenkomst tussen het oorspronke-lijke plan en de latere werkelijkheid. Een grote mate vantrefzekerheid geeft gezag en maakt de planning geloof-waardig. Het is geheel onmogelijk dit onderwerp ookmaar enigszins representatief te behandelen. Toch is hetaardig een paar dingen naast elkaar te leggen.We beginnen dan bij Kloos, die in 1939 omstan-dig een prognose opbouwde met betrekking tot de bevol-kingsontwikkeling respectievelijk het motorvoertuigen-bestand anno 1970 en zijn prognose naast de werkelijk-heid te leggen.In feite geeft tabel 1 al aan waarmee de nationale/Waardevaste belegging en instrument ruimteiijk beleid tegelijk?ruimtelijke planning van meet af aan te kampen heeftgehad, namelijk een bij voortduring verrassingsvoUe toe-komst.Tabel 1. Maximum-prognose Kloos (1939) versuswerkelijke aantallen.inwonertal NederlandX 1 miljoenKloos1werkelijk2K0I.2/K0I.I (%)31950 9.54 10.2 1071960 10.1 11.6 1151970 10.6 13.1 124motorvoertu gen x 1000:1970 473-711 2.500 ca. 400Mede ter illustratie zetten we hier een prognoseuit het Structuurschema Volkshuisvesting 1977 tegen-over. Dit Structuurschema geeft voor de jaren '80 nietalleen de gewenste omvang van de woningproduktie,maar tevens wordt cijfermatig aangegeven welke taak elklandsdeel wat dit betreft dient te gaan vervullen. Nu weaan het eind van de periode zijn gekomen is het een gun-stig moment om eens te kijken hoe wens en werkelijkheidzich hebben verhouden. Daarbij wordt bewust van detussentijdse bijstellingen geabstraheerd. Het gaat hiertenslotte om een toetsing van de trefzekerheid van de oor-spronkelijk uitgezette strategic.Getalsmatig blijkt het werkelijk aantal gerealiseerdewoningen het geplande aantal nogal te overtreffen. In hetStructuurschema werd over de periode 1980-1989 eengemiddelde produktie per jaar van 99.700 voorzien. Overde periode 1980-1989 zijn dat er in werkelijkheid gemid-deld ruim 112.000 per jaar geweest. Een misrekening dusvan zo'n 12% over een prognoseperiode van gemiddeld 6jaar, verbetering ten opzichte van 1939 (Kloos) valt der-halve niet te bespeuren! Dit maakt het wat moeihjk omde oorspronkelijke doelsteUing te vergelijken met hetwerkelijk aantal gebouwde huizen. Vandaar dat die oor-spronkehjke doelsteUing is vermenigvuldigd met 112/99,7. Op die manier is het totaal van doelsteUing en reali-satie beide op 112.000 gekomen. Tabel 2 toont wat er danuitkomt.Tabel 2. Berekende, d.w.z. tot 112.000 eenheden per jaaropgetrokken, regionale taakstelling woningproduktievolgens Structuurschema Volkshuisvesting 1977,vergeleken met de werkelijke woningproduktie per regio inde periode 1980-1989.1 2 3Taak Gerealiseerd K0I.2/K0I.I (%)Noord 13.830 9.660 70Oost 23.160 24.100 104West 40.920 51.460 126Z.West 3.710 1.880 51Zuid 30.460 24.970 82senV13Behalve dat deze cijfers op een te wensen overla-tende trefzekerheid duiden, tonen ze 00k aan, dat van debeoogde ombuiging van de woningbouwstroom uit hetwesten des lands naar de andere landsdelen weinigterecht is gekomen. Ten opzichte van het peiljaar 1975 ishet westen zelfs de enige regio waarin tijdens de jaren '80een flink hoger aantal woningen per jaar is gebouwd.Trefzekerheid heeft te maken met het samenvallen vandoelsteUing en werkelijkheid. Onmiskenbaar belangrijkedoelen van de ruimtelijke ordening zjn steeds een meerevenredige spreiding van bevolking en werkgelegenheidover ons land geweest. Indien dit doel is bereikt dan moetdat niet alleen uit de bevolkingscijfers maar ook uit dewoningbouwproduktie en uit de geografische spreidingvan de investeringen in vaste activa bhjken. Hoe is hetdaarmee de laatste 30 jaar gegaan? (Tabel 3).Tabel 3. Spreiding over landsdelen van respectievelijk bevolking, gereed gekomenwoningen en investeringen in vaste activa door bedrijven en overheid, in %.enVBevolking1958 1988Woningbouw'57-'59 '87-'inv. vaste activa'55-'58 '83-'86Noord 11,1 10.8 10,6 8,1 8,9 10,8Oost* 18,1 19,5 17.7 18,8 16,9 15,7nWest** 47,6 45.2 47,2 47,3 51,2 48.7nZuid 23,2 24,5 24,5 25,8 23,0 24,7Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0* incl. ZIJR excl Al mere en Leiystad D bij benadering** inci. Aimere en Leiystad.Voor zover deze tabel structurele kenmerken vertoont,hebben die geen betrekking op een herverdehng over deR.O., LEIDEND OF LIJDEND?sen14landsdelen. Daarvan is in de afgelopen 30 jaar slechtsminimaal sprake geweest. Structured is wel, dat het noor-den des lands steeds verder in de verdrukking blijkt tezijn gekomen.Geruststellend voor de ruimtelijke ordening kan dezekleine verkenning naar de trefzekerheid niet wordengenoemd. Is dit te wijten aan een gebrek aan middelen eninstrumenten of schort het ergens anders?STRATEGIEEN EN INVESTERINGENKijken naar beleid, geslaagd of minder geslaagd,betekent kijken naar de middelen die ingezet worden omdoelen te bereiken. Bij het bereiken van ruimtelijke doel-einden spelen investeringen een belangrijke rol.De onroerende zaken waarop de ruimtelijke ordeningbetrekking heeft kunnen uitsluitend via investeringen invaste activa tot stand worden gebracht. Een belangrijke,zo niet de belangrijkste, opgaafvoor de ruimtelijke orde-ning is om aan de investeringsprocessen in vaste activa opeen zodanige manier leiding te geven, dat de investerin-gen op precies die plekken terecht komen, die uit orde-ningsoogpunt het meest zijn gewenst. Dit paradigmavindt in de ruimtelijke ordening nog nauwelijks erken-ning en heeft bovendien het nadeel, dat de bakermatervan niet in de Randstad ligt. Het gevolg is, dat tot dus-ver de als achterhjk aan te duiden situatie bestaat van hetontbreken van een geografische ofplatwbgische theorie van deinvesteringen. Op dit thema komen we verderop nog terug.Teneinde doelen naderbij te brengen staat deruimtelijke ordening, meestal in cooperatie met een aan-tal andere beleidssectoren, een aantal instrumenten terbeschikking. Noch naar voUedigheid noch naar een clas-sificatie strevend
Reacties