AUGUSTUSBRABANTSE STEDENR? GELDERSE VALLEI? PROSTITUTIEBELEIDGEBOUWENREGISTRATIESAiiiiiiiiiiDE WERELD ACHTER DE CIJFERS VANSTADSVERNIEUWING.VB KAN EROVER MEEPRATEN.Stadsvemieuwing is uitgegroeid tot een complex van ordenende en economische maatregelen.Maatregelen die zichtbaar warden in cijfers, maar veel minder zichtbaar is de wereld achter die cijfers.Een wereld waar uw accountant kennis van moet hebben am u deskundig en ter zake te kunnen adviseren.Een taak, die VB op het lijfgeschreven is.Al ruim 75jaar is VB actiefvoor overheden en non-profit organisaties, beeft dus een voorsprong opliet gebied van bestuurs- en beheersinstrumenten en kan zo gefundeerd signaleren, anticiperen en adviseren.VB kan u bijvoorbeeld adviseren bij de coordinatie en herstructurering van diensten en bij het opzetten van eeneffectiefherhuisvestingsbeleid. Ofbij de organisatie voorgefaseerde vemieuwing van het rioleringsstelsel, inclusieffinancieringssystemen met derden. VB is met ruim 1.200 medewerkers een van de grote accountantskantoren.Met 30 strategisch gespreide vestigingen werkt VB overal dicht bij de bron en blijft zo actueel betrokkenbij de wereld achter uw cijfers. Op basis waarvan u beter kunt beslissen. A ? ?-* AccountantsVB, De Veentjes 21-03, Postbus 373, 7000 AJ Doetinchem, tel. 08340-42729. Z^W D Bel?tingadviseursVB, BETROKKEN BIJ DE WERELD ACHTER DE CIJFERSIn oktober 1991 start de studierichting Milieukunde van de RijkshogeschoolIJselland te Deventer onder goedkeuring van het Nederlands Instituut voorRuimtelijke Ordening en Volkshuisvesting (NIROV) de post-HBOCURSUS MILIEUPLANOLOGIE(njimtelijke ordening en milieubeleid)DOELDe cursist heeft een breed en actueel inzicht in de mogelijk-heden tot afstemming en/of integratie van ruimtelijke ordeningen milieubeleid op verschilende schaalnivo's en binnen debelangrijkste ruimtevragende maatschappelijke sectoren.DOELGROEPDe cursus is gericht op medewerkers van zowel de overheidals van de particuliere sector die bennen het werkveW van deruimtelijke ordening en/of het milieubeleid zich op hbo denk-en werknivo bezighouden met beleid, planvorming ofonderzoek.CURSUSDUUR EN -OMVANGDe cursus duurt 1 jaar. De verdeling van de in totaal 400studiebelastingsuren (sbu) is als volgt: 36 keer een avondin de week, 9 keer een zaterdag in de maand (108 sbu),1 projectweek van 40 sbu en 5 uur zelfstudie per week.INHOUDDe cursus bestaat uit de volgende 4 blokken:DE RELATIES TUSSEN RUIMTELIJKE ORDENINGEN MILIEUBELEID:BLOK 1: Beleid en instrumentatie (120 sbu)UITWERKING IN SECTOREN:BLOK 2: Stedelijke funkties:Wonen, Werken Verkeer (120 sbu)BLOK 3: Funkties in het landelijk gebied:Landbouw, Natuur Openluchtrecreatie (120 sbu)TOEPASSINGEN EN INTEGRATIE:BLOK 4: Projectweek Zuid- Limburg (40 sbu)KWALITEITSZORGDe kwaliteit van de cursus wordl bewaakt door eencurriculumcommissie, een docententeam, het Centrum voorMilieukennis en een examencommissie.De curriculumcommissie is als volgt samengesteld:-P. Tj. Dijkema: Dienst Milieu en Stadsbeheer gemeenteDeventer-Ing. W.J. Fikken: Directoraat-Generaal Milieu-Ir. H. Kamphuis: Rijks Planologische Dienst-Drs. H. de Loor: NIROV Vertegenwoordiger, Insp. RO Oost-Drs. S. Tjallingi: Dorschkamp, Wageningen, Boom, Delft-Drs. M. Wingens: Milieuplanologie UVAVanuit de studierichting Milieukunde wordt de cursusgecobrdineerd door het Centrum voor Milieukennis.De rode lijn van het cursusprogramma wordt aangebracht enbewaakt door de vakgroep Milieuplanologie.De cursus-leiding is in handen van Dhr. Drs. E. Cornelissen.Daarnaast zai een aantal andere vakgroepen van Milieu-opleidingen IJselland een aanzienlijke bijdrage leveren aan deuitvoering van de cursus.Tevens zullen bij ieder blok gekwalificeerde gastdocenten uitde praktijk worden ingeschakeld.TENTAMINERING / DIPLOMERINGAan het eind van de cursus ontvangt de geslaagde cursisteen certificaat met de vermelding van de cursusonderdelendie de betreffende cursist heeft gevolgd.PLAATS/DAGDe opieiding vindt in Deventer plaats op 36 maandagavondenen 9 zaterdagen.KOSTENDe kosten van de cursus bedragen / 3.550,- inclusief studie-materiaal, exclusief projectweek. NIROV-leden krijgen 5%korting.AANMELDINGVoor 1 oktober 1991 door inzending van bijgaande aanmel-dingskaart naar Centrum voor Milieukennis, Postbus 357,7400 AJ Deventer. Tel: (05700) 20907 (toestel: 444)INLICHTINGENVoor nadere informatie kunt u zich wenden tot de cursusleiderdhr. drs. E Cornelissen; tel: (05700) 20907 (toestel 442)AANMELDINGSFORMULIER CURSUS MILIEUPLANOLOGIENaam:Huisadres:Postcode en woonplaats:Telefoon:Werkgever:(Afdeling):Telefoon:Vooropleiding:Wel/geen voorbehoud in verband met formele goedkeuringDatum: Handtekening:I INHOUDAUGUSTUS ?-0)0)rv JAARGANGDENK RAAMH. DekkerDruppel en gloeiende plaatSIGNALENNIEUWE PLANVORMENW- van de Bospoort en R. de MeyereHet bestemmingsplangehandhaafdVOLKSHUIS VESTINGA.C. van Reeken en J.M.C. WoltersWonen in de markten vanZuid-HollandLANDSCHAPC.M.VolkerVisie LandschapUITDE RAROJaarverslag 1990Definitieve voorzieningen inKroongeschillen3942444747Stedelijke knooppunten,I.T. Klaasen en C.Th.J.M. de RuweOntstaan en verdere lotgevallen van een ruimtelijk concept.De Brabantse stedenrij, R EsserInterurbane samenwerking tussen de grotere steden in Noord-Brabant is ver-eist, willen zij een rol kunnen spelen in Nederlands en Europees verband.Interdependenties kunnen een basis zijn voordeze samenwerking.Gelderse Vallei, EJ. verweijVoorstellen vooralternatlef ruimtegebruik in de Gelderse Vallei ter verminde-ring van de grote milleubelasting als gevolg van de intensleve landbouw.Ruimte voor prostitutiebeleid,D.G.FM. CorgelsProstitutie als beleidsprobleem. Onderzoek naar de wijze waarop Nijnnegenen Eindhoven proberen een eind te maken aan de overlast.Gemeentelijkegebouwenregistraties,J.J. de LeedeHistorie en functles van gemeentelijke gebouwenregistraties.Ingezonden. De ecologische stad alsmetafysische tuinStad, K. Doevendans en R. StolzenburgNaSChrift, R.J.I.M. vanderHamStartnotitie m.e.r. StructuurschemaElectriciteitsvoorziening 48Versiag over de werking van deregeiing m.e.r. 48PUBLIKATIESBoekbesprekingenSelectie aanwinstenfoto omslag: Enschede (Dagblad Tubantia)5054Orgaan van het Nederlands Instituutvoor Ruimtelijke Ordening enVolkshuisvestingEen uitgave van DELWEL Uitgeverij B.V.in samenwerking met het NIROVRedactie, administratieen publikatiester recensie:Mauritskade 21, 2514 HD Den Haagtelefoon:070-346 96 52Verschijntzes maal per jaar Richtltjnen voor auteurs:Auteurs van artikelen en boekbesprekingenRedactie: kunnen op bet redactiesecretariaat "RichtlijnenIr. H. Dekker voor auteurs" aanvragen.Mr, A.Cii FortgensOr H.J.M. Goverde Advertentie-exploitatie:Ir PC, Groen DELWEL Uitgeverij B.V,Drs. R. te Grotenhuis Aiexanderstraat 26Mr.ir. A-W, Hartman Postbus 19110Mw.drs, l,T, Klaasen 2500 CC 's-GravenbageIr, W. Reh telefoon:070-362 48 00Mr, A,M, Schaap-Dubbelboer telefax: 070 - 360 54 36Drs, P,W,A, Vel-Mw mr, Y de Vi es Advertentieverkoop:Ir H Westra Brenda Santeste!efoon:070-362 48 00Basisvormgeving:Redactiesecretariaat:Mr, A,M, Schaap-Dubbelboer Hofhuis/ScbrieverDrs R, te Grotenhuis1, Steenhoff-Boogers^ / . aangesloten bijCeoterpointEogirteerijig h.v, is eentaftelijk otsererenrfspfolektenorganisatie,dk op aan-neemt?n uitvoert voorbeVDe Nota Bouwprognoses 1990 - 1995 geeft aan dat de produktie in de nieuwbouwjaarlijks met een half miljard afneemt tot / 10 miljard in 1995. De raming voor onder-houd stijgt echter met / 2 miljard tot / 14,7 miljard in 1995. Dit heeft o.m. als gevolg dater een behoefte ontstaat naar informatie over onderhoud en verbeteringen vanbestaande woningen.Het Handboek Onderhoud Woningbouw voorziet in deze behoefte.Bestemd voor woningcorporaties, gemeentelijke woningbedrijven en de overige pro-fessionele woningbeheerders, vormt het Handboek een hulpmiddel bij de dagelijksepraktijk: Het nemen van bouwkundige beslissingen in het beheer van woongebouwen.HANDBOEK ONDERHOUD WONINGBOUWi.s.m. de Nationale WoningraadLosbladig naslagwerk in een band. AanvuUingen 2 a 3 maal per jaar.Paginaprijs / 1,48. Prijs hoofdwerk / 125,- incl. BTW ISBN 90 6155 446 2.Bestellingen en nadere informatie:DELWEL Uitgeverij B.V Postbus 19110,2500 CC 's-Gravenhage. Tel. 070 - 362 48 00, Fax 070 - 360 56 06DELWELUITGEVERIJOok in de boekhandel verkrijgbaar.DELWEL: VAN HUlS UIT INFORMATIEFDruppel en gloeiende plaatioet Nederland er ineens anders uil gaan zien? Archi-tectuur-beleid. Het lijkt een contradictio in terminis.Dezelfde Overheid die tot voor een jaar nog dreigde het verplichtewelstandstoezicht weg te reguleren uit de nieuwe woningwet heeftplotseling een nieuw geloof omarmd: het geloof in Venustas (schoon-heid), Utilitas (functionaliteit) en Soliditas (duurzaamheid) als crite-ria voor "Ruimtelijke Kwaliteit". Deze begrippen uit het jaar nul(Vitruvius), bUjken bij nader inzien geen echt nieuwe leer of funda-mentele dogma's op te leveren. "Want" zo betoogt het duo d'Aen A(dAcona en Alders): 'Wij zijnhetnietdieverantwoor-delijk willen zijn voor de kwaliteit van architectuur,we willen alleen maar voorwaarden scheppen voor detotstandkoming van goede architectuur. Dat doen wedoor het Goede Voorbeeld te geven en het juisteArchitectuur Klimaat te scheppen'. 'En', zo beslui-ten ze: 'we doen dat niet met lege handen. We hebbener per jaar nog zo'n slordige l/200ste promille van deomzet in de-gebouwde-omgevings-branche voor overook'.Geen wonder dat de meeste betrokkenen de metzoveel spanning verwachte wereldprimeur met watteleurstelling hebben onlvangen. Nieuw elan wordt nauwelijks in deArchitectuurnota aangetroffen. Visies worden node gemist. Kortomweer een nota waarin een kundige slalom wordt uitgevoerd langstaboestokken die zijn versierd met clichevlaggetjes.Ik deel die kritiek niet. Liever de kool en de geit gespaard dan hetvan rijkswege hebben van een doctrine op het cultuurgoed dat devormgeving van de gebouwde omgeving moet uitstralen. Nederlandis geen Parijse agglomeratie, laat staan een Duizend-Jarig-Rijk. Danliever maar het Lichtend Voorbeeld in een tintelfris ArchitectuurKlimaat. Wat is er waardevrijer dan de evangelisatie te bevorderenzonder ook maar een woord te reppen over enig geloof?Zelden heb ik de sensatie gehad kennis te nemen van een nota waarinde bijlagen interessanter blijken te zijn dan de hoofdtekst zelf.Behalve nieuwsgierigheid naar de inhoud van de niet gepubliceerdeonderzoeken leverden de bijlagen een handreiking voor het vindenvan de werkelijke dimensies van het probleem.In mijn eigen woorden en als vraag gesteld:- om welke aard en omvang gaat het eigenlijk bij de ontwerpopgavevan de komende jaren?- welke overheid kan werkelijk actiefzijn als het om het veiligstellenvan kwaliteit gaat?- welke milieu-effecten treden op? en- wat is eigenlijk de plaats van de architect in dit verhaal?Als ik die vragen zelf probeer te beantwoorden dringt zich het gevoelop dat de rijksoverheid wat al te bescheiden is. Bij de komende bouw-opgave is in het gebouwde milieu het Rijk zelf de grootste potentielevisuele vervuiler!1 aai Nederland er in de komende jaren dan toch andersluitzien? Het zuUen de stedehjke knooppunten en hunnaaste en verdere omgeving zijn die het aanzien van Nederlandingrijpend veranderen.Zeker: er zuUen minder gesubsidieerde woningen komen en de parti-culiere opdrachtgevers zullen kritischer zijn.Dat neemt niet weg dat de wijze waarop de bouwopgaven in deknooppunten worden georganiseerd bepalend zal zijn voor hoe onslandje er in de eenentwintigste eeuw uit komt te zien. Getalsmatigmaar ook kwahtatief dient zich een taak aan die die van de wederop-bouw na de oorlog naar de kroon steekt.Zullen de vormgevers van straks tegen die immense taak zijn opge-wassen?Helemaal vertrouwt de nota de architectenstand niet. De architectmoet, wil hij niet helemaal uit het proces gewipt worden, zijn aan-sprakelijkheid beter regelen, lets internationaler gaan denken enmeer met de computer gaan doen. AanbeveUngen die naief aandoenbij de naderende omschoffeling van de completeRandstad en aanpalende Euregio's zoals Twente,Zuid-Limburg en Arnhem-Nijmegen.D E N K In 1985 dook de term "beeldkwaliteitsplan"(op in een van de notities van de FederatieWelstandstoezicht die afweermiddel moesten vor-men op de door Brokx beraamde moordaanslag ophet welstandstoezicht. Ik herinner me nog de bijna-scheuring die deze term in het bedreigde welstands-kamp veroorzaakte. De nota Architectuurbeleidheeft deze doodgewaande Lazarus weer voUedigopgewekt door het Beeldkwaliteitsplan met bijbehorende super-man, sorry: -visor aan te bevelen als middel om actuele en potentielekwaliteiten vooraf te formuleren.Deze strohalm wordt aangegrepen op het moment dat de stadsver-nieuwing wordt afgebouwd, de woningverbetering wordt geprivati-seerd en de Volkshuisvesting gedecentraliseerd.Met het daarmee uitgespaarde geld is het niet moeilijk om hier endaar zo'n beeldkwaliteitsplan te subsidieren! Echt doen hoor!Leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal en ledenvan de Raden voor de Kunst respectievehjk van Adviesvoor de Ruimtelijke Ordening en voor de Volkshuisvesting:Gaat u alien rustig slapen, de nota Architectuurbeleid zorgt dat uwoogleden gesloten kunnen blijven. Uw bewindsUeden hebben geenideologic, of het zou iets moeten zijn in de vorm van "kritisch regio-nalisme". Uw ministers laten het verder over aan de PlaatsehjkeOverheden. Zij hebben vertrouwen in een wegkwijnende architec-tuurstand. Zij raden goed opgeleide particuUere opdrachtgevers aanin hun publiek-private samenvverkingscontracten een kwaliteitspa-ragraaf op te nemen. Zij schromen niet lijdelijk toe te zien dat eenaantal ontwerp-onderwijs-instituten wordt gesloten.k e kwaliteit van de nota Architectuurbeleid bestaat erin'dat hij is uitgekomen. Ongewild houdt hij bouwendNederland een spiegel voor. Deze nota erkent dat het beleid elderswordt gemaakt; waar en door wie? Wie het weet mag het zeggen!Mag ik een poging tot antwoord doen?Als het zo is dat per jaar zo'n vijftig miljard wordt omgezet in degebouwde omgeving, en je zou daar een 1%-regeling op van toepas-sing verklaren (toch geen onbekend fenomeen in W.V.C.-land) danzou je met dat half miljard alle dingen kunnen doen die niet in denota Architectuurbeleid staan maar wel moeten gebeuren: Het gingtoch om RUIMTELIJKE KWALITEIT!senVHenk Dekker, Hoofd afdeling Stedebouw van de gemeente Zeist.I.T. KlaasenC.ThJ.M. de RuweHet begrip "stedelijke knooppunten" werd geintroduceerd in de Vierde Notaover de Ruimtelijke Ordening, in maart 1988. Zelden heeft een ruimtelijk con-cept, ook buiten vakkringen, zo'n bekendheid gekregen en zoveel stof doenopwaaien - maar voor hoe lang? Hieronder een beschouwing over dit feno-meen.senStedelijke knooppuntenachtergronden en perspectievenUe Vierde Nota over de Ruimtelijke Orde-|ning (VINO)') - inmiddels aangevuldmet de Vierde Nota Extra (VINEX) ^) -pretendeerde, anders dan eerdere vergelijl^bare nota's,nadrukkelijk niet allesomvattend te zijn. In menigopzicht was de nota selectief.Zo werd met het cog op een toenemende internationalise-ring ("Europa 92") de ruimtelijke ordening in belangrijkemate vanuit een economische invalshoek benaderd enkoos men voor het beleidsuitgangspunt: versterk wat alsterk is. Het concept "stedelijk knooppunt" (STEK) washiervan een concretisering. STEKs moeten we zien inhet licht van een toenemende vergroting van de schaalwaarop maatschappelijke processen zich afspelen, van deopwaardering van steden als gespecialiseerde centra vaneconomische activiteiten, en van de overtuiging dat alleenstedelijke regie's van een behoorlijke omvang en functio-nele sterkte de concurrentiestrijd binnen Europa aan zul-len kunnen.Het STEK-beleid "is gericht op het versterken van decentrumpositie voor dienstverlening van een beperkt aan-tal stedehjke knooppunten in hun regionaal verband". ^)Dergelijke steden beschikken reeds over een hoog voor-zieningenniveau, een kansrijke bedrijvenstructuur en eengoede aansluiting op systemen van (inter)nationale ver-bindingen. Bij het vestigen van voorzieningen met eenlandsdelig verzorgingskarakter en het verbeteren van debereikbaarheid krijgen zij prioriteit. *) Deze prioriteit zouvan overheidswege vorm moeten krijgen door herschik-king van de inzet van rijksmiddelen. De beleidsmakersgaven overigens niet aan hoe.Een nadere beschouwing van de overwegingen waarophet concept "STEK" bhjkens de VINO berust, leert datdeze in principe ruimtelijk-functioneel van aard zijn. Stu-rende gedachte is het zo doelmatig mogelijk inzetten vanmiddelen. In het "netwerk van steden" dat voor ons landkenmerkend is, zou bij onvoldoende onderhnge afstem-ming van "lokatiebeslissingen" het regionale voorzienin-genniveau verschralen, waardoor economische ontwikke-lingskansen op nationaal en internationaal niveau gemistzouden worden. Deze afstemming geldt zowel voor voor-zieningen in de sfeer van gezondheidszorg, cultuur enonderwijs, als commerciele voorzieningen, met inbegripvan de onderlinge samenhang tussen beide.Het STEK-concept lijkt in bepaalde opzichten opdat van het stadsgewest, zij het dat de rond STEKsgedachte regio's een aanzienlijk grotere omvang hebben.Er is immers sprake van landsdelige voorzieningen en vaneen indicatief draagvlak van anderhalf miljoen mensenper knooppunt. Het criterium van de goede aansluitingop systemen van (inter)nationale verbindingen is echtervan een andere aard. Het verwijst naar economische pro-cessen op een hoger schaalniveau en is niet direct draag-vlakafhankelijk. De in eerste instantie niet als STEK aan-gewezen gemeente Breda zou zich in haar lobby-cam-pagne vooral op dit criterium beroepen, de gemeenteZwolle op dat van de regionale positie.Mede op basis van ambtelijk-bestuurlijk regionaal voor-overleg werd in het beleidsvoornemen VINO het conceptvertaald in negen STEKs, waarvan drie zogenaamde"dubbelknooppunten": Amsterdam, Rotterdam, DenHaag, Utrecht, Arnhem-Nijmegen, Eindhoven, Gronin-gen, Enschede/Hengelo en Maastricht/Heerlen. In eer-dere ambtelijke versies was zowel sprake geweest vanmeer, als van minder knooppunten. ^)Het draagvlak van deze negen STEKs dekte ongeveerhet inwonertal van Nederland. De vraag of men bij hetdraagvlak-criterium ook over de landsgrenzen been geke-ken heeft blijft onbeantwoord, omdat de regie's niet inkaartgebracht zijn.Met name het verschijnsel "dubbelknooppun-ten", maar ook de geringe middeleninzet, maakt duide-lijk dat bij de operationalisering de oorspronkelijke uit-gangspunten (doelmatigheid van middelen op basis vanruimtelijk-funtionele overwegingen) het deels niet geredhadden: een verondersteid collectief belang strookt nietaltijd met individuele belangen, zeker niet als het gaat omhet verdelen van geld. Achter de schermen was reedsmeer en minder succesvol gelobbied door lagere overhe-den, en tussen ministeries stevig onderhandeld. Niet allebetrokken departementen waren uiteindelijk bereid ombij relevante onderdelen van hun beleid prioriteit te gevenaan STEKs. Het Ministerie van Economische Zaken bijvoorbeeld kon zich er in dat stadium slecht in vinden.Wat de lobby van andere overheden betreft was hetbesluit om Heerlen aan Maastricht toe te voegen deopmerkelijke uitholling van het oorspronkelijke concept.Niet alleen liggen de centra van beide steden per treinnog juist lets verder uit elkaar dan die van Rotterdam enDen Haag, maar bovendien maakt Heerlen onderdeel uitvan het Duits-Nederlandse stadsgewest Aken. Met namedeze dubbelaanwijzing zette de deur open voor verdereverwatering van het ruimtelijk-functionele concept.DEREACTIESDe knooppuntenDe aangewezen knooppunten zelf reageerdentijdens de formele inspraakperiode elk afzonderlijk en devier grote steden daarnaast op basis van hun bestaandesamenwerking. Het versturen van een gezamenlijkcommentaar op de VINO van de andere vijfknooppunten(acht gemeenten) strandde op het laatste moment op deoverweging dat een gezamenlijk optreden van alle knoop-punten meer gewicht in de schaal zou leggen. Aan heteind van de zomer van '88 kwam het tot een overleg vanalle negen STEKs, op initiatief van burgemeester VanKemenade van Eindhoven. Er waren twee motieven.Niet de minst belangrijke was dat zich inmiddels eenreeks van gemeenten in de strijd geworpen had om ookde blijkbaar zo begeerlijke status van STEK te verwerven(niet in de laatste plaats in Brabant). Dit gegeven vormdeniet alleen een politieke bedreiging voor het selectiviteits-beginsel, maar ook voor het overeind houden van hetconcept als zodanig. Anderzijds had de knooppuntfilo-sofie in de VINO nog wel erg weinig instrumentele"body" gekregen. In een half oktober 1988 vastgesteldegezamenlijke reactie*) gericht aan de Minister vanVROM (Nijpels) benadrukten "de negen" zowel de selec-tiviteitsgedachte (zonder evenwel zover te gaan dat metzoveel woorden iedere uitbreiding van het toenmaligeaantal werd afgewezen) als het ontbreken van een passendfmancieel en bestuurhjk instrumentarium. Betoogd werddat beide noodzakelijk waren om gestalte te geven aandoor de regering blijkens de VINO gewenste ontwikke-hngen. Besloten werd voorts het STEK-overlegweliswaar niet te instituiionaliseren, maar wel voort tezette.Begrijpelijkerwijs was de aanwijzing tot STEK voor devier grote steden van minder importantie dan voor deoverige acht gemeenten. In Amsterdam, Rotterdam enDen Haag richtte men zich primair op het Internationale"ontwikkelingsperspectief" (westelijk deel) Randstad,terwijl men in Utrecht vooral geoccupeerd was met deachterstelling ten opzichte van de andere drie. Bovendienhadden de "grote vier" een positie te verliezen.De voordelen voor de grote steden van een gezamenlijkoptreden van STEKs leken vooral gelegen in hetdoorbreken van de min of meer traditioneel bij ruimte-lijke beleidsnota's opgeworpen tegenstelling "Randstad -rest van Nederland" en de mogelijkheid een nieuwplatform te creeren voor het richting Rijk behartigen vantypisch stedelijke belangen.De door het STEK-overleg ontplooide activitei-ten waren er aanvankelijk vooral op gericht de knoop-punt-filosofie in gang te doen vinden bij alle relevanteministeries, om met name het financiele instrumenta-rium te versterken, en op voorlichting over STEKs in hetalgemeen en de aangewezen knooppunten in het bijzon-der. Bij deze laatstgenoemde activiteit speelde het Minis-terie van VROM een belangrijke rol, beide activiteitenmoeten ook zeker niet los van elkaar gezien worden. Eenen ander resulteerde kort voor deTweede-Kamer-behan-deUng van de VINO in mei 1990 in de Adas StedelijkeKnooppunten - een lijvig boekwerk als co-produktie vanVROMenVNG.')ZWOLLEKUN JE NIET ONGEZIEN PASSERENNa het verschijnen (voorjaar 1989) van het Advies van deCommissie Montijn over de bestuurlijke problematiekvan de vier grote steden *) en het advies van de Raad voorhet binnenlands bestuur "Het bestuur in (groot)stede-Ujke gebieden"') kreeg ook het versterken van hetbestuurhjk instrumentarium prioriteit.'") Ten tijde vandeTweede-Kamer-behandehng had het ambtelijk STEK-overleg een duidelijke vorm gekregen en was voorts meteen zekere regelmaat sprake van bestuurhjk overleg.De niet-knooppuntenAl snel na het verschijnen van het beleidsvoor-nemen VINO ontstond in een niet gering aantalgemeenten die niet het predikaat STEK gekregen haddengrote onrust. De voor ons land kenmerkende interge-meentelijke concurrentiestrijd dreigde door eenvooralsnog voornamehjk psychologische factor, uitbalans geslagen te worden. Een reeks van gemeenten,waaronder Venlo, Apeldoorn, Leeuwarden, Zwolle,Breda en Tilburg, wierp zich met wisselende inzet, enmeer of minder luidruchtig en langdurig, in de strijd.Aangezien deze strijd zich voor een niet onbelangrijk deelin de pubhc-relations-sfeer afspeelde - in de PR-kringenwerd overigens de term "knooppunt" als zeer onhandigenVSTEDELIJKE KNOOPPUNTENsen60 2^// -., 0f^'^''X"*?'?%,.'"'%1Stek-symbool zelfs op cafe-pui (foto L. Leferink).ervaren door de associatie met knelpunt - kreeg hetbegrip STEK ook veel aandacht in de diverse media enwerd het mede daardoor een voor ruimtelijke beleidsbe-grippen zeer "hot" poiitiek item. Uiteindelijk zou hetpohtiek gezien het belangrijkste onderdeel van de VINOworden bij deTweede Kamer-behandeling. De lobbywerd zowel via de media gevoerd als direct gericht op hetMinisterie van VROM en de (leden van de) TweedeKamer, al dan niet via partijlijnen. PoUtieke zwaarge-wichten werden in de strijd geworpen.Hoezeer de oorspronkehjke ruimtelijk-functionele onder-bouwing van het concept STEK aan betekenis verloor,bleek wel uit de voorstellen die gedaan werden cm - alszelfstandige aanwijzing tot STEK slecht haalbaar leek -combinaties van gemeenten tot STEK te bombarderen:Leeuwarden samen met Groningen, en Breda/Tilburg/Den Bosch/Eindhoven als een knooppunt. Sommigekleinere gemeenten haastten zich tenslotte in politiekekringen de onrechtvaardigheid te benadrukken vaniedere bevoorrechting van al dan niet dichtbijgelegengrotere gemeenten.Het regeringsstandpunt bleek beinvloedbaar: in deregeringsbesUssing VINO was het aantal STEKsgegroeid tot elf: Breda en Zwolle waren op inhoudelijkonduidehjke motieven toegevoegd. ") Diegenen die naasthet net gevist hadden restte nog de Tweede Kamer.De marktsectorBij de presentatie van de VINO poneerde detoenmalige Minister Nijpels de stelling "Het geld klotstachter de toonbank", vanuit de gedachte dat via nieuwevormen van publiek-private samenwerking (PPS) voorinvesteringen in grootschalige projecten van stedelijkevernieuwing, de marktsector meer dan voorheen geinte-resseerd zou kunnen worden - en ook gei'nteresseerd zoumoeten worden. De marktsector betoonde zich met hetSTEK-concept aanvankelijk ingenomen. Een bron vanzorg en tegelijkertijd een wezenlijk argument voor nietals knooppunt aangewezen gemeenten.De indruk werd gewekt dat deze gemeenten aanzienlijkeinvesteringen misliepen en zouden gaan lopen in de vormvan bedrijfsvestigingen en kantorenbouw. Naderonderzoek zal de huidige indruk moeten bevestigen datdit niet zo'n vaart gelopen heeft. Inmiddels hjkt voor demarktsector het concept al enige tijd aan relevantie tehebben ingeboet en worden STEKs niet andersbehandeld dan niet-knooppuntgemeenten. '^)De Tweede KamerPR en lobby-activiteiten in de lange aanloop")naar de Kamerhandeling van deVINO stonden er garantvoor dat het onderdeel STEKs een inhoudelijk gezienbuitenproportionele aandacht kreeg. De diverse fractiesreageerden niet onverdeeld enthousiast op het gepresen-teerde concept en de uitwerking ervan. Het selectiviteits-beginsel op zichzelf riep problemen op door de gevoeldestrijdigheid met het gelijkheidsbeginsel en de opvattingdat de rijksoverheid zich niet teveel moest bemoeien metde onderlinge concurrentie tussen gemeenten gebaseerdop het marktmechanisme.Bij acceptatie van het selectiviteitsbeginsel werd mengeconfronteerd met het vraagstuk hoeveel STEKs enwelke dan. Wat dit laatste betreft had de regering de doorhaarzelf voorgestane selectiviteit reeds vertroebeld doorin haar uiteindelijke beslissing alsnog Breda en Zwolletoe te voegen. In de optick van deTweede Kamer kregendaardoor meer gemeentebesturen recht van spreken alshet op aanwijzing tot STEK aankwam. Voor PvdA enCDA gold daarbij dat ze regeringspartijen waren, voor deWD dat het concept geintroduceerd was door eenVVD-minister.Voorafgaande aan de kamerbehandeling van deVINO, inmei 1990, deed een reeks van besluitvormingsvariantende ronde, gebaseerd op de hierboven reeds gememo-reerde lobby. Deze liepen uiteen van het verlaten van hetSTEK-concept ten gunste van de mainports en deStedenring Centraal Nederland, via ruimtelijk sterkuiteengelegde knooppunten tot een (aanzienlijke)uitbreiding van het aantal. Toen de kruitdampen warenopgetrokken had de Tweede Kamer het uiteindelijkeaantal STEKs bepaald op dertien. Via de motie VanNoord c.s. '*) werden Tilburg en Leeuwarden toege-voegd. In dezelfde motie werd echter ook een rangordetussen de STEKs aangebracht door introductie van driecategorieen van verschillende niveaus: (inter)nationaal,Euregionaal en regionaal. Laatstgenoemde categoricwerd gevormd door Breda, Zwolle, Tilburg enLeeuwarden, waarmee feitelijk recht werd gedaan aan deoorspronkehjke regeringsbesUssing zoals neergelegd inhet beleidsvoornemen. '^)Van de regering werd gevraagdom deze differentiatie van het STEK-instrument met debetrokken overheden uit te werken met het oog op deKamerbehandeling van de - op dat tijdstip nog nietverschenen - Vierde nota Extra (VINEX).STAND VAN ZAKENVan meet af aan hebben de betrokken gemeente-besturen te kennen gegeven zelfactiefbij te willen dragenaan de uitwerking van de knooppuntfilosofie. Het is zin-vol een onderscheid te maken tussen activiteiten op hetvlak van ruimtelijke ontwikkeling en dat van bestuurlijkeorganisatie. Wat het eerste betreft is in aile knooppuntende afgelopen jaren sprake van meer en minder spectacu-laire projecten, ofvoorstellen daartoe, van stedehjke ver-nieuwing. Wat echter de veronderstelde inspanning vanrijkszijde betreft, constateren we dat met daadwerkelijkeinvuUing van het fmanciele instrumentarium nog weinigvoortgang geboekt is. Van de door de regering beoogdeherschikking van fmanciele middelen in het voordeel vande STEKs, is tot nu toe bitter weinig terecht gekomen.In een enkele rijksnota slechts wordt expHciet de STEK-status als criterium genomen voor de toekenning vanrijksmiddelen. "'J Van een herkenbare herschikkingsope-ratie is echter nog geen sprake.Mogehjk ook als een opstap naar deze "operatic" heeft deMinister van VROM de STEKs verzocht zogenaamde"regionale profielschetsen" op te stellen. '^) Hierin moe-ten de diverse knooppunten op basis van sterkte-zwakte-analyses ontwikkelingsrichtingen voor de lange termijnpresenteren. In de in november 1990 gepresenteerdeVINEX schrijft de regering letterlijk: 'Verzocht is omdaarbij een overzicht te geven van de daartoe benodigdebijdragen van de overheden en de particuliere sector'. Uiteen recente brief van Minister Alders aan de betrokkengemeentebesturen terzake van de uitwerking van hetknooppuntenbeleid bhjkt dit verzoek minder rose-gekleurd dan de betrokken gemeentebesturen aanvanke-hjk veronderstelden. De minister is slechts geinteres-seerd in hooguit een strategisch project per knooppunt,toegespitst op "het eigen gezicht" in economisch-functio-nele zin van de afzonderlijke STEKs. '*) Niet het "norma-le" inrichtingsbeleid van een knooppunt is aan de orde,maar "extra kwahteit". Financiele koppen met spijkersworden voorlopig niet geslagen. Het overlegstadium isnog niet afgerond.Op het punt van de door de STEKs onderstreepteproblematiek met betrekking tot bestuurlijke organisatievan stedelijke gebieden, zijn meer vorderingen gemaakt.Na het rapport van de Commissie Montijn in maart 1989over de vier grote steden en het even later gepresenteerdeadvies van de Raad voor het binnenlands bestuur in ste-delijke gebieden, waren de geesten rijp voor een her-nieuwde discussie over de bestuurlijke organisatie vanons land.In de nota "Bestuur op niveau" die in September 1990verscheen'') sluit het kabinet aan bij de verschillende rap-portages over de bestuurlijke vernieuwing. In deze notawordt de noodzaak van sterke bestuurlijke eenhedenbenadrukt met het oog op de behartiging van bepaaldetaken in stedelijke gebieden op een schaal die aansluit opbestaande maatschappelijke en functionele verbanden.De regering wil daarom op langere termijn komen tot eenstructurele voorziening in de vorm van een bestuurlijkeautoriteit op bovenlokaal niveau. Zij legt daarbij denadruk op het proces, waarlangs een en ander gestaltemoet krijgen. Om dit groeiproces naar regionale bestuurs-autoriteiten voor een aantal stedelijke gebieden te onder-steunen kondigt het kabinet een interimwet aan, die 'zalvoorzien in de mogelijkheid om regionale bestuursorga-nen te creeren en in het wegnemen van thans bestaandebelemmeringen voor intergemeentelijke samenwerking'.In het inmiddels verschenen regeringsstandpunt "Be-stuur op niveau: deel 2" presenteert het kabinet hiervoorde "stedelijk-gebieds-autoriteit". In eerste instantie heefthet kabinet daarbij het oog op de vier grote steden en eenaantal andere STEKs, waarvan in het bijzonder Eindho-ven(/Helmond), Enschede/Hengelo en Arnhem-Nijme-gen worden genoemd. ^'') De Tweede Kamer zal zichmogelijk nog dit jaar over deze voorstellen buigen.TERUGBLIK EN PERSPECTIEVENVanaf de officiele introductie was het STEK-con-cept een beleidsconcept met meer dan een dimensie. Ont-wikkeld als een ruimtelijk concept, kreeg het een wel-haast louter economische kleur, die al snel verschoot ineen door het begrip selectiviteit aangewakkerde interste-delijke strijd om status en investeringsmiddelen die erniet waren.Als ruimtelijk concept is het interessant omdat het een(schaars) voorbeeld is van een beleidsbenadering waarbijuitdrukkelijk uitgegaan wordt van de ontwikkelingspo-tenties van de bestaande functioneel-ruimtelijke verste-delijkingsstructuur en niet, zoals gebruikelijk, van eenbepaald (sectoraal) probleem waarvoor een ruimtelijkeoplossing gevonden moet worden - anders gezegd denadruk lag op kansen in plaats van op bedreigingen. Hetis een mogelijk instrument om lets te doen aan de inhe-rente nadelen van een steeds verdergaande ruimtelijkefragmentarisering van het stedelijk systeem (soms aange-duid als urban field-ontwikkelingen).Vermoedelijk ook door gebrek aan kennis wat dezebeleidsbenadering betreft, maar zeker door bestuurlijk-politieke barrieres waar men al snel tegen aanliep, is hetconcept maar gedeeltelijk ontwikkeld. Er werd geenpoging gedaan om de indicatieve draagvlakken van ander-halfmiljoen inwoners per knooppunt ruimtelijk te verta-len in regie's. De relatie tussen STEK(-regio) en stadsge-west blijft althans in deVINO en deVINEX onbenoemd.Wei wordt de visie van de minister hierop verwoord in hetantwoord op een desbetreffende Tweede-Kamer-vraag:bij STEKs gaat het primair om de externe gerichtheid, bijstadsgewesten om de interne. ^') Hoewel de VINO eenInternationale gerichtheid pretendeerde, domineerdenlandsgrenzen boven de landsgrensoverschrijdende ruim-telijke samenhang. In het reeds genoemde geval vanMaastricht-Heerlen/Aken verzwakt elke versterking vanHeerlen juist de concurrentiepositie van Maastricht tenopzichte van Aken en Luik. -^)Het concept werd opgehangen aan bestuurhjke (ge-meente-)grenzen en niet aan begrenzingen die afgeleidzijn van de functioneel-ruimtehjke structuur. In deVINEX wordt ook geen relatie gelegd met de concepten"bereikbaarheidsprofiel" en "mobiliteitsprofiel".Een analyse van wat de specifieke economischesenSTEDELIJKE KNOOPPUNTENsen8potenties van de diverse STEKs zijn, wordt nu pas ach-teraf door de knooppuntgemeenten zelf ondernomen.Dit lijkt ons nu echter bij uitstek een activiteit waarin deRPD een trekkende rol had moeten spelen, gezien hetbovenregionale aspect dat hierbij overduidelijk aan deorde is. Gegeven te verwachten veranderingen op ditschaalniveau van zowel infrastructurele als bestuurlijk-organisatorische aard, hadden hierbij bovendien, naastbestaande, potentiele sterkten betrokken moeten wor-den. Mogelijkheden voor een kansrijke bedrijvenstruc-tuur zouden juist kunnen ontstaan en daarmee overheids-investeringen doelmatig maken. Ook het omgekeerde isheel wel mogelijk.Gi^? Bijna 150.000 inwoners? Negende gemeente van Nederland? De grootste van het oosten? Vergeten in de vierde notaDat slechts de economische potenties van STEKs de voileaandacht kregen was gezien het ruimtelijk-economischekarakter van de VINO weliswaar voor de hand liggend,maar doet wel degelijk de daar overigens mee samenhan-gende sociaal-culturele betekenis van het concept (lande-lijke voorzieningen) tekort. Met de recente brief van deMinister van VROM aan de knooppuntgemeenten^') isdeze eenzijdige benadering nog eens opnieuw bevestigd.De hierboven geschetste zwakten van het concept maak-ten het mede mogelijk dat al snel het bestuurlijk-organisa-torische aspect ging overheersen. In de bijna rituele dan-sen om status en geld - waarbij maar weer eens bleek dathet belang van bestuurders met goede Haagse connectiesniet onderschat moet worden - werd de rol van het con-cept een psychologische. Met name in het niet-randstede-lijke deel van Nederland veronderstelde men dat dePTEK-status van grote invloed zou zijn op toekomstigelokatiebeslissingen in de publieke en private sfeer, endaarmee klaarblijkelijk op het welzijn van de "eigen"gemeente en de positie daarvan in Nederland en Europa.De ogenschijnlijk probleemloze uitbreidbaarheid van hetaantal knooppunten, al dan niet in "gezamenlijkheid"zetten het principe zodanig onder druk dat het er bijnaonder bezweek.Ook het Ministerie vanVROM zelfkende vooral psycho-logische betekenis toe aan het concept. Weliswaar was deVINO een beleidsvoornemen van de regering en daarmeeimpliciet van alle ministeries, maar het werkeUjk commit-ment van andere departementen was in aanvang gering,terwijl bovendien de scepsis bij de leden van het parle-ment groot was. In dat licht werd hetVROM-beleid voor-namelijk gericht op voorlichting over en promotie vanhet STEK-concept, teneinde een zo breed mogelijkbestuurlijk en maatschappelijk draagvlak te verkrijgen.Deze strategic werd niet van harte ondersteund door deknooppuntbesturen, die van meet af aan prioriteit wen-sten te geven aan de instrumentele vulling van het STEK-concept. Politiek gezien diende zich hierbij het dilemmaaan dat met iedere instrumentele versterking de overle-vingskans ervan als beleidsconcept geringer werd.Over de effecten op de korte termijn vallen devolgende positieve opmerkingen te maken. Het STEK-concept heeft eraan bijgedragen dat het item bestuurlijkeorganisatie opnieuw, en niet slechts symbolisch, op delandelijke politieke agenda geplaatst is. Met name in dedubbelknooppunten Arnhem-Nijmegen en Enschede/Hengelo is van de STEK-status een impuls uitgegegaanom tot vergaande bovenlokale samenwerking te beslui-ten.Voorts lijkt het selectiviteitsprincipe in zijn algemeenheidbeter bespreekbaar geworden, evenals de opvatting dat(stedelijke) regio's in en buiten de Randstad in een "ver-enigd Europa" aan betekenis zuUen winnen. Met dit laat-ste is bijgedragen aan een verzachting van de tegenstel-ling "Randstad-Rest van Nederland" en aan een positieveherwaardering van stedelijke gebieden door het bena-drukken van potenties en kansen in plaats van problemenen bedreigingen van stedelijke gebieden.De invloed op processen van stedelijke vernieuwing lijktons, ook buiten de Randstad, marginaal. Veel plannendateerden al van voor '88 en ze bhjven niet beperkt totSTEK-gemeenten alleen. Wel lijkt het STEK-concepthet denken over ruimtelijke-ontwikkelingsperspectievenverhelderd te hebben, waardoor gemeenten zich naar demarkt-sector toe strategischer zijn gaan opstellen. Overhet opereren van de regering met betrekking tot het finan-cieel instrumentarium dat hierbij een rol zou moeten spe-len, is weinig positiefs te melden. Hoogstens dat het zichaanvankelijk afzijdig houdende Ministerie van Economi-sche Zaken bijgedraaid is.Van een herschikking van prioriteiten binnen bestaandebudgetten is nog geen sprake. Een dergelijke herschik-king (milieusaneringVROM), verkeers- en vervoersvoor-zieningen (VenW), bedrijfsomgevingen (EZ) lijkt inmid-dels uitsluitend betrekking te gaan hebben op unieke, bijuitstek strategische, projecten. Dit is een duidehjke afwij-king van het in de VINO gepresenteerde voornemen.Ten behoeve van haalbaarheidstudies is op de begrotingvanVROM tenslotte een voor STEKs geoormerkt bedragvan 500.000 opgenomen. De symboliek hiervan lijkt gro-ter dan de strategische betekenis, in aanmerking geno-men de omvang van de eigen gemeentelijke begrotingen.Het STEK-concept hjkt het wat het ruimtelijk beleidbetreft voorlopig vooral te moeten hebben van zijn psy-chologische dimensie. Dit lijkt allesbehalve een garantievoor de duurzaamheid van dit concept op de langere ter-mijn, laat staan voor het bereiken van de ermee beoogdeeerzame doelen: gerichte en daardoor doelmatige inzetvan rijksmiddelen ter versterking van de Nederlandseeconomic en het landsdelige voorzieningen- en verzor-gingsniveau. Het oude sprookje over de nieuwe klerenvan de keizer lijkt in dit verband tijdloos.Alle vraagtekens ten spijt zou het te betreurenzijn wanneer het concept langzaam achter de horizon zouverdwijnen en zo een zachte dood zou sterven. Om dat tevoorkomen is het van belang terug te keren naar de oor-spronkelijke opzet en een aantal ingeslopen mechanismenbuiten werking te stellen. In de volgende stelhngen for-muleren wij wat in onze ogen essentieel is.wiflmi smAls beleidsbenadering binnen de ruimtelijke ordeningverdient het STEK-concept een verdere uitwerking -waar relevant met een blik over bestuurlijke grenzenheen - die enerzijds gericht is op de kwaliteit van lands-delige voorzieningen- en verzorgingsniveaus en dieanderzijds richting geeft aan elkaar aanvullende auto-nome ontwikkelingen van STEKs ter versterking van denationale economie.De doorde regering gekozen beleidsoptie "versterk watal sterk is'', met het oog op de Internationale concurren-tiepositie van Nederland, veronderstelt (onder meer)een gerichte keuze voor de mainports Schiphol en Rot-terdam Haven en een benutting van die potenties vanstedelijke agglomeraties, die de functie van de main-ports ondersteunen. In dit verband verdient het concept"stedenring Centraal-Nederland" verdere uitwerking.Een dergelijke gerichte beleidskeuze vraagt om eenmeerfundamentele analyse van de sterkten en zwaktenvan stedelijke agglomeraties dan tot nu toe geschied is,inclusief kansen en bedreigingen, op basis waarvannationaal en per regio bestuurlijke keuzes kunnen wor-den gemaakt over eenduidige ontwikkelingsrichtingenop projectbasis.Zo'n sterkte-zwakte analyse kan leiden tot een nieuwerangorde tussen stedelijke knooppunten onderling entussen stedelijke knooppunten en stadsgewesten alsbasis voor een gerichte inzet van rijksmiddelen in hetalgemeen.Het STEK-concept zai alleen het beoogde effect hebbenwanneeralle betrokken ministeries zich daar daadwerke-lijk achter stellen. Daarmee ook wordt het concept aan-trekkelijk voor de marktsectorDe duurzaamheid van het STEK-concept of een daaraanverwant instrument van ruimtelijke ordening staat of valtmet de daadwerkelijke invoering van een op de schaalvan stedelijke regie's toegesneden bestuurlijke autoriteitmet vergaande sturingsbevoegdheden.Mw. drs I.T. Klaasen is universitairdocent stedebouwkundeaan de TU-Delft en van 1988-1990 voor de gemeente Amster-dam betrokken bij het stedelijk knooppuntenoverleg.Mr. C.Th.J.M. de Ruwe is plaatsvervangend directeurvande Dienst Stadsontwikkeiing, gemeente Nijmegen en sinds1988 voor deze gemeente betrokken bij het stedelijk knooppun-tenoverleg.Tweede Kamer vergaderjaar 1987-1988,20490, nrs. 1-2. 1718-88.2Tweede Kamer vergaderjaar 1990-1991. 21879.nrs. 1 -2. november 1990 en deel III nr 5-6, juni1991.3PKBVierdeNotaoverde Ruimtelijke OrdeningCzle noot 1), Ruimtelijke Ontwikkelings Per-spectief 1.4De versterking heeft wat het Rijk betreft betrek-king op: bundeling van voorzieningen. telecom-municatie. goede bereikbaarheid (citaat R0P1,Zie noot 3).5In eerste instantie waren zowel Arnhem als Nij-megen in beeld. De samenvoeging daarvanleidde tot toevoeging van Hengelo aanEnschede en Heerlen aan Maastncht.6Brief d.d. 13-10-1988 aan de regering teratten-tie van de Minister van VROM.7Op het laatste moment trok het Ministerie vanVROM zich terug als formeel verantwoordelijkevoor de Atlas, vanwegedegrote politiekecom-motie in de Tweede Kamer met betrekking totdit Vierde-nota-item. De RPD heeft de uitgavewel grotendeels gefinancierd.8Grote steden, grote kansen, rapport vanExterneCommissieGrote Stedenbeleid, maart1989.9Advies van de Raad voor het binnenlandsbestuur over het bestuur in groot-stedelijkegebieden. maart 1989.10Brief van de gezamenlijke STEKs d.d. 29-9-1989aan informateur Lubbers, bevattende eenstellingname inzake de bestuurlijke organisatie.11Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening deeld. vergaderjaar 1988-1989, 20490, nr 9-10.Voordemotieven wordt verwezen naarbladzij-de 118.12Zie bij voorbeeld BB Management nr 2/29.3.91. Thema Stedelijke Vernieuwing.13Gevolg van tussentijdse verkiezingen en eenKabinetswisseling in 1989.14Tweede Kamer vergaderjaar 1989-1990,20490, nr 44.15(Inter)nationaal: Amsterdam. Rotterdam, DenHaag, Utrecht, Eindhoven, Arnhem-Nijmegenen Groningen. Euregionaal: Enschede/Hengeloen Maastncht/Heerien.16Een voorbeeld is de nota "Regie's zondergren-zen" van het Ministerie van EconomischeZaken (Tweede Kamer vergaderjaar 1989-1990.21571. nr 1).17Brief van de Minister van VROM d.d. 12-3-1991aan alle STEKs. Hiermee werd uitwerking gege-ven aan de motie Van Noord c.s. (zie noot 14).18Brief van deMinistervan VROM d.d. 12-3-1991aan alle STEKs. In dezelfde steer de brief van deMinister van VROM en de Staatssecretarissenvan BiZa, EZ en VROM d.d. 26-6-1991 aan deVoorzitter van de Tweede Kamer inzake destand van zaken met betrekking tot de uitwer-king van het stedelijk-knooppuntenbeleid percategorie en per knooppunt. waarin wordt aan-gekondigd dat in het najaarvan 1991 opnieuwde stand van zaken zaI worden opgenomen enzaI worden bezien, hoe de ontwikkeling is in deverschillende stedelijke knooppunten en weikebeleidsmatige consequenties daaruit moetenworden getrokken.19Bestuur en stedelijke gebieden: Bestuur op^niveau, Tweede Kamer vergaderjaar 1989-1990, 21062, nrs. 3 en 4 (September 1990).20Bestuur op niveau: deel 2, juni 1991. In dit kabi-netsstandpunt wordt weliswaar ook aandachtbesteed aan de overige STEKs. echter de aanhet kabinetsstandpunt gehechte concept-lnte-nmwet 'bestuur stedelijke gebieden' is slechtsvan toepassing op de in de tekst genoemde 7gebieden.21De vraag met betrekking tot de relatie tussenbeide concepten werd gesteld en beantwoordtijdens de schriftelijke voorbereiding van deTweede-Karnerbehandeling van de VINO. Vol-gens de stand-van-zaken brief van de Ministervan VROM (noot 18) is het onderscheid alsvolgt: "Bij knooppuntenbeleid gaat het om hetfunctioneren van regio's en de centra daarvannaar buiten toe. het is sterk economisch geVn-spireerd. op ontwikkeling gericht en selectief.hiet stadsgewestbeleid is naar binnen gericht.integraal en betreft het ruimtelijk inrichtingsbe-leid".22Zie ook: N. A. de Boer: Vierde Nota Extra, inArchis no. 4. april 1991.23Zie noot 18.Sen9enV10R. EsserOm in de komende jaren goed in te kunnen spelen op de maatschappelijkeontwikkelingen in de stad is interurbane samenwerking tussen (grote) ste-den onderling vereist. De aard, omvang en richting van (mogelijke) interde-pendenties tussen deze steden kunnen in dit opzicht de sleutel zijn voor eenantwoord op de vraag "samenwerking met wie?". Aan de hand van de case"Brabantse stedenrij" zai deze stelling op zijn theoretische en praktischewaarde getoetst worden.De Brabantse stedenrijinterdependentws en interurbane samenwerkingTijdens de opening van de actie "Internatio-nal Year of Shelter for the Homeless" in1987, beschrijft Lord Scarman Engelandals een "slum society": een samenleving van sloppen(Harskamp, 1987,34). Hij vertolkt daarmee de gevoelensvan veel Britten voor wie de grote stad synoniem is gewor-den voor ellende en problemen en die nauwelijks een wegzien om uit de spiraal van stedelijk verval te geraken.Maar niet alleen in Engeland, ook in Nederland is deteneur in diezelfde periode er een van stedelijke crisis,verpaupering, criminaliteit, congestie, en dergelijke.Nu, ruim vier jaar later, heeft een duidelijke omslag inhat denken over de stad plaatsgevonden. Het doemden-ken van weleer is voorbij. Nog steeds wordt af en toegewezen op de problematiek waarmee de grote stad tekampen heeft, maar optimisme overheerst. Kansen zijner volop en economische potenties eveneens. Het komt eralleen op neer deze te benutten en door het uitvoeren vanstedelijke revitaliseringsprogramma's en compacte stad-plannen te werken aan de toekomst van de stad.In diverse overheidsnota's en andere publicaties is dit den-ken duidelijk terug te vinden.') Opvallend is hierbij dathet vertrouwen in de betekenis en de mogelijkheden vanbepaalde steden in Nederland groter is dan het vertrou-wen in de betekenis v^n de mogelijkheden van andere ste-den in ons land. Met -ame van de in deVierde Nota aan-gewezen stedelijke knooppunten wordt het een en anderverwacht. Eveneens opmerkelijk is dat meer dan eensgesteld wordt dat interurbane samenwerking vereist is,willen de genoemde steden nationaal of internationaaleen rol van betekenis (blijven) spelen.SAMENWERKING: WAAROM EN METWIE?Met het cog op Europa 1992 ligt het in de lijn derverwachting dat de concurrentiepositie van de groteNederlandse steden danig aan kracht zal inboeten, alsdeze steden ieder voor zich de concurrentiestrijd metandere Europese steden en regie's zuUen aangaan. Willendeze steden nationaal en/of internationaal een rol vanbetekenis (blijven) spelen, dan lijkt interurbane samen-werking waar mogelijk vereist. Met name ten aanzien vanhet voeren van een gezamenlijk promotie- en acquisitiebe-leid, het meer structureren van de dikwijls op ad hoc basisgefundeerde samenwerking en het verminderen van de"ongezonde" onderlinge concurrentie.Dit "inclusief de ander denken" (INRO-TNO, 1990:2)lijkt ook noodzakelijk als het gaat om het oplossen vanbestaande sociale knelpunten in de genoemde steden,aangezien nu veel tijd, geld en energie verloren gaat meteen vaak puur op het eigenbelang gerichte citymarketing.Investeringen van publieke en private investeerders inonroerend goed zouden door samenwerking ook beter opelkaar afgestemd kunnen worden. Het imago van een aan-tal van de genoemde steden zou evenzeer sterk verbeterdkunnen worden, door op te komeii voor gezamenlijkebelangen en te communiceren vanuit een visie.Interurbane samenwerking dient in dat opzicht geba-seerd te zijn op de gedachte dat deze samenwerking nietalleen noodzakelijk is uit het oogpunt van de versterkingvan de eigen positie en het benutten van de eigen poten-ties van de stad, maar ook essentieel is voor het kunnenverhelpen van eigen zwakten en het kunnen keren vanAMSTERDAMDEN HAAGteerd worden welke redenen aan de keuze voor juist dezepartner ten gronde hebben gelegen. Het is dan ook nietverwonderlijk dat stadsbestuurders en andere participan-ten in het stedelijk samenwerkingsproces meer dan eenseen kritische houding aannemen ten aanzien van datgenedat over samenwerking in rapporten en nota's gesteldwordt. Het lijkt daarom zinvol een conceptueel raamwerkte ontwikkelen waarbinnen ideeen en voorstellen overinterurbane samenwerking een plaats kunnen krijgen endat een basis kan vormen voor gedegen onderzoek op datterrein.NETWERKEN^)Het startpunt bij het ontwikkelen van zo'n con-ceptueel raamwerk is de gedachte dat steden deel uitma-ken van verschillende netwerkconfiguraties, waarbij determ netwerk niet alleen verwijst naar het bestaan vaneen ruimtelijk, economisch of infrastructureel systeem,maar ook naar netwerk bepalende elementen als kennis-,communicatie- en onderwijsfuncties. Netwerkconfigura-ties duiden daarbij op het ontstaan ofbestaan van interde-pendenties tussen steden onderling.Interdependenties die bij voorbeeld gebaseerd zijn op deaanwezigheid van bepaalde kennis-, communicatie- enonderwijsfuncties in de ene stad en de afwezigheid vandeze functies in de andere stad of gebaseerd zijn op hetbestaan van ondernemingsnetwerken, waardoor er rela-ties ontstaan c.q. bestaan tussen economische subjectenin stad A en stad B. Complementariteit van steden tenopzichte van elkaar kan in dat opzicht als een katalysatorwerken.Daar waar deze interdependenties een bepaalde mate vansamenwerking te boven gaan kan gesproken worden vaneen poly-nucleair complex: de (potentiele) functionelerelaties en daarmee de (mogelijke) onderlinge vervlech-ting tussen steden onderling is dermate groot dat hetbetreffende stedelijke gebied als een "eenheid in verschei-denheid" betiteld kan worden. De grootte van een poly-nucleair complex is natuurlijk afhankelijk van de criteriadie gehanteerd worden ten aanzien van de aard, omvangen richting van de gevonden interdependenties.senV11ROTTERDAMFiguur 1. Stedelijke revitaliseringsplannen: met name in Amsterdam.Rotterdam en Den Haag (VROiUI, 1988: 117).bedreigingen. 'Een analyse van de eigen sterkten/zwak-ten en kansen/bedreigingen, die niet bij de gemeentegren-zen ophoudt' is dan ook zeker gewenst (RPD, 1989: 126).Zeker in het licht van de opmerking van Talsta dat 'niethet abstracte idee van de concurrentie tussen steden inspi-ratiebron dient te zijn van het denken over stedelijke poh-tiek (en daarmee samenwerking, RE), maar de analysevan maatschappelijke ontwikkelingen in de stad' (IVA,1990:12).In veel nota's en publicaties wordt echter niet of nauwe-lijks expliciet ingegaan op de vraag met wie er interur-baan samengewerkt zou moeten worden. Zo er alleenvoorkeur uitgesproken wordt voor samenwerking vanstad A met stad B, kan dikwijIs onvoldoende beargumen-Figuur 2. Netwerkconfiguraties in Noordwest-Europa: nodale centra respectievelijk nodaregie's (RPD, 1986: 121-127).INTERDEPENDENTIESVoortbordurend op het denken over netwerkenzouden (mogelijke) interdependenties tussen steden naarmijn mening een invalshoek kunnen zijn voor een ant-BRABANTSE STEDENRIJsen12woord op de vraag welke steden met welke steden interur-baan zouden moeten samenwerken om op de bestemanier in te kunnen spelen op de maatschappelijke ont-wikkelingen in de stad. Inzicht in de aard, omvang enrichting van deze interdependenties tussen min of meergelijkwaardige steden zou dan tot de typering van poly-nucleaire complexen kunnen leiden, waarbinnen inten-sief samengewerkt zou kunnen worden. Daarbij zouzeker onderscheid gemaakt moeten worden naar de aardvan de samenwerking, om op die manier te kunnen diffe-rentieren naar type complex. Zo zou de wens om op cultu-reel terrein samen te werken met andere steden namelijksamenwerking met de steden A, B en C kunnen implice-ren, terwijl interdependenties op economisch gebied juistkunnen duiden op samenwerking met de steden D en E.Essentieel bij samenwerking met wie dan ook en metwelk doel dan ook, is dat het er niet alleen om gaat eenpolitiek, maar bovenal een maatschappelijk draagvlakvoor samenwerking te creeren, door actief steun te zoe-ken of te vinden bij bij voorbeeld bedrijfsleven, Kamersvan Koophandel en belangenorganisaties op terreinen alsverkeer en vervoer, recreatie, bouw en investeringen, endergelijke. Daarnaast is samenwerking alleen zinvol alsvoor alle partijen voordeel te behalen is en er dus sprakeis van een zogenaamde "win-win" situatie. Een gefor-ceerde of van bovenaf opgelegde samenwerking isonvruchtbaar en zinloos.')BRABANTSE STEDENRIJOok in Brabant leeft de vraag welke steden metwelke andere steden interurbaan zouden moeten samen-werken om op de beste manier in te kunnen spelen op demaatschappelijke ontwikkelingen in de stad en in regio-naal verband niet afte hoeven haken in "de ratrace van deEuropese regio's" (Metze, 1990: 68)/) Ofschoon de dis-cussies op gemeentelijk en provinciaal niveau en onderandere ook binnen de vier Kamers van Koophandel nogin voile gang zijn, tekenen zich de eerste stellingnames opeconomisch terrein af. Breda heeft een grote voorkeurvoor samenwerking met Antwerpen en Rotterdam, Eind-hoven voor het Roergebied en Arnhem/Nijmegen. Til-burg daarentegen ziet veel in samenwerking met de Bra-bantse steden evenals 's-Hertogenbosch dat samenwer-king met de Randstad daarbij echter niet wil uitsluiten.De laatste tijd is in meerdere publicaties imphciet ofexpli-ciet ingehaakt op de gedachtengang van Tilburg datsamenwerking met Breda, Eindhoven en Den Bosch inbovenstaand opzicht noodzakelijk en gewenst is. In denota "Hoofdlijnen voor de streekplanherziening" van deprovincie Noord-Brabant bij voorbeeld wordt het begrip"stedenregio" geintroduceerd, symbool voor een econo-mische, sociale, culturele en bestuurlijke samenhang tus-sen Breda, Tilburg, Eindhoven en Den Bosch: een een-heid in verscheidenheid (Provincie Noord-Brabant1990). De provincie speelt daarmee naar eigen zeggen inop de externe relaties en de toenemende afhankelijkheidvan de steden ten opzichte van elkaar en pleit voor meerbestuurhjke samenwerking in het Brabantse land.Ook in een recente studie van het IVA, Instituut voorsociaal wetenschappelijk onderzoek van de KatholiekeUniversiteit Brabant, getiteld "De Brabantse stedenrij:eenheid in verscheidenheid", is op deze gedachten inge-haakt. Thema van de studie was het "hoe" en "waarom"van de Brabantse stedenrij, ofwel enerzijds de vraagwaarom een meer intensieve en structurele vorm vansamenwerking tussen Eindhoven, Breda, 's-Hertogen-bosch en Tilburg noodzakelijk en gewenst is, anderzijdsde vraag hoe deze samenwerking bestuurlijk gezien vormen inhoud gegeven kan worden. Door de Brabantse ste-denrij als het ware uit de netwerkconfiguratie Noordwest-Europa te lichten en specifiek te benoemen, is uitdruk-king gegeven aan de gedachte dat de vier Brabantse ste-den dusdanige relaties met elkaar onderhouden en er eenzodanige mate van onderlinge complementariteit bestaat,dat er in grote lijnen gesproken kan worden van een poly-nucleair complex, op zowel economisch als sociaal-cultu-reelterrein.C:^Figuur 3. De Brabantse stedenrij: zuidvleugel van de StedenringCentraal-Nederland (VROM, 1988: 105, respectievelijk provincieNoord-Brabant, 19901.LAGE PRIORITEITDat deze stellingname echter zeer discutabel isbleek zeer duidelijk op een studiemiddag over de Bra-bantse stedenrij, die in September 1990 gehouden is.Naast bestuurlijke en ambtelijke vertegenwoordigers vande gemeenten Breda, Eindhoven, 's-Hertogenbosch enTilburg waren op deze besloten discussie-bijeenkomstook ambtelijke vertegenwoordigers van de provincieNoord-Brabant en de Rijksplanologische Dienst aanwe-zig. Een aantal wetenschappers van de Katholieke Uni-versiteit Brabant en onderzoekers van het IVA comple-teerden het gezelschap.Nadat de kruitdampen waren opgetrokken en de balanswas opgemaakt, kon worden vastgesteld dat de discussiein een drietal opzichten verhelderend was geweest.In de eerste plaats werd namelijk duidelijk dat het poli-tieke klimaat in de vier grote Brabantse steden (nog) nietzodanig is dat interurbane samenwerking tussen weikesteden dan ook hoog op de agenda staat. Voor de viergrote Brabantse steden heeft de stadsgewestehjke proble-matiek momenteel (logischerwijs) de hoogste prioriteit,zodat hieraan vrijwel alle beschikbare energie, tijd en geldwordt gewijd. In dat opzicht is het interessant dat zich deactuele discussie over bestuurlijke vernieuwing en de her-ziening van de verhouding tussen Rijk, provincie engemeenten in Noord-Brabant in een bijzondere settingafspeelt, namelijk die van de gemeentelijke herinde-ling.5)In de tweede plaats kon worden vastgesteld dat op ditmoment te weinig gegevens voorhanden zijn om degedachte "poly-nucleair complex Brabantse stedenrij"kwantitatief te onderbouwen. Zo voor Noord-Brabant alin kaart is gebracht waar zich alle netwerk bepalende ele-menten bevinden, dan nog is niet bekend of, op welkewijze en in hoeverre deze elementen met elkaar samen-hang vertonen. Evenmin is weinig bekend over de com-plementariteit van de vier grote Brabantse steden. Uiteen globale analyse van de produktiestructuur en het pro-duktie- en consumptiemilieu van Breda, Tilburg, Eind-hoven en 's-Hertogenbosch mag dan wel de conclusiegetrokken worden dat er sprake is van een zekere matevan complementariteit, een zeer gedetailleerde profiel-schets van de genoemde steden ontbreekt. ^) Bovendienis in de studie geen aandacht besteed aan (mogelijke)interdependenties met steden buiten Noord-Brabant.Mede hierom wekt het geen bevreemding dat met nameBreda en Eindhoven meer heil zien in het aanhalen vande banden met Antwerpen en Rotterdam, respectievelijkArnhem/Nijmegen en het Roergebied. Opmerkelijk isechter dat deze stellingname voor een groot deel geba-seerd is op een perceptie van de werkelijkheid, die even-min als de idee "poly-nucleair complex Brabantse steden-rij" met cijfers onderbouwd kan worden. Logisch gerede-neerd zou namehjk voor bij voorbeeld Eindhoven hetrelatieve belang van de interdependenties met Arnhem/Nijmegen en het Roergebied evenzeer ter discussie moe-ten staan als die met Breda, 's-Hertogenbosch enTilburg.Bovendien hoeft een aantoonbare sterkere orientatie vanbij voorbeeld Breda op Antwerpen en Rotterdam dan opde steden in de Brabantse stedenrij niet te betekenen dataan die laatste orientatie geen consequenties hoeven teworden verbonden.GEMEENSCHAPPELIJKE BELANGENIn de derde plaats maakte de discussie duidelijkdat de gedachte "poly-nucleair complex Brabantse ste-denrij" politick gezien niet in zijn geheel verworpenwordt. Van de ene kant wordt namelijk onderkend dat ernaar alle waarschijnhjkheid een groot scala aan interde-pendenties tussen de vier steden onderling bestaat, vande andere kant wordt ingezien dat het bestaan c.q. ont-staan van of het inspelen op zuike interdependenties optermijn voordelen met zich mee kan brengen. Een aantalargumenten voor samenwerking tussen Breda, Eindho-ven, 's-Hertogenbosch enTilburg wordt dus door alle par-tijen onderschreven, een aantal gemeenschappeiijkebelangen wordt algemeen erkend.Een van die belangen is het gezamenlijk aanpak-ken van promotie- en acquisitie-activiteiten om bedrij-ven, instellingen, congressen, toeristen, en dergelijkenaar de stedenregio Noord-Brabant te halen. Voor allevier de steden geldt namelijk dat, bij wijze van voorbeeld,vestiging van bepaalde typen bedrijvigheid in willekeurigwelke grote stad in de stedenregio een positieve uitstra-Ung heeft op het vestigingsklimaat van de eigen stad enhet ondernemingsnetwerk versterken kan. De aanwezig-heid van Fuji inTilburg is hier volgens Eindhoven onder-meer een bewijs van. ^)Maar niet alleen in het licht van Europa 1992, ook innationaal perspectief wordt een krachtenbundeling eneen presentatie "en bloc" voor wensehjk gehouden. Wilde Randstad namelijk voldoende ruimte houden om toe-komstige ontwikkelingskansen te benutten, dan zal zijbepaalde niet-kernfuncties en andere activiteiten moetenafstoten. Onder de hoed van de Brabantse stedenrij kun-nen de vier grote Brabantse steden zich dan presenterenals dat gebiedsdeel dat met minder kosten, minder bereik-baarheidsproblemen en minder milieubelasting delenvan de toeleveringssector voor de Randstad kan overne-men, met inbegrip van de beroepsbevolking en de voor-zieningen.^)Een ander gemeenschappelijk belang wordt gezien in hetmaken van afspraken over functieverdeling en functietoe-deling tussen de vier steden ofhet gebied van voorzienin-gen voor onderwijs (WO, HBO, MBO), detailhandel(winkelconcentraties), cultuur (musea), medische zorg(ziekenhuizen), bedrijfs- en kantorenvestiging, toploka-ties langs autosnelwegen en in stationsomgevingen en ves-tiging van Internationale instituten. Voor de vier Bra-bantse steden is het namehjk evident dat het inspelen opofstreven naar een bepaalde mate van complementariteithet functioneren en de economische concurrentiekrachtvan de afzonderlijke steden ten goede kan komen.Zeker als gekomen wordt tot het ontwikkelen van eengemeenschappeiijke investeringsstrategie, die als kaderkan dienen voor de eigen investeringsbesHssingen vanpublieke en private opdrachtgevers van onroerend goed.Ook wordt erkend dat vestiging van landsdelige voorzie-ningen in willekeurig welke grote stad in de stedenregioNoord-Brabant, een positieve uitstraling heeft op het ves-tigingsklimaat van de eigen stad en het stedelijk netwerkkan versterken. Eendrachtige samenwerking tenopzichte van Rijk en provincie zou dan in klinkende muntomgezet kunnen worden bij de toedeling en verdeling vansen13BRABANTSE STEDENRIJsen14bij voorbeeld landsdelige voorzieningen en de positie vande steden afzonderlijk kunnen verbeteren.Een derde gemeenschappelijk belang is volgens Breda,Tilburg, Den Bosch en Eindhoven geiegen in het geza-menhjk streven naar een verbetering van de fysieke infra-structuur in de stedenregio Noord-Brabant. Unaniemwordt namehjk ingezien dat de nationale en internatio-nale verbindingen van de regie Noord-Brabant per spoor,over de weg en via de lucht verbeterd moeten worden, depositie van Eindhoven Airport ten opzichte van andereluchthavens (Schiphol, Diisseldorf, Brussel) uitgebouwddient te worden en aangedrongen moet worden op aan-sluiting op hetTGV-net. Gezamenlijk optreden zou in ditopzicht kunnen leiden tot het tegemoet treden van de pro-vinciale en rijksoverheid met een evenwichtig en goeddoordacht eisenpakket en tegehjkertijd tot het voldoendekracht bijzetten van di
Reacties