73eJAARGANG1992StedebouwVolkshuisvestingNATUUR ENSTADSUITBREIDINGEXTERNE INTEGRATIEIN RUIMTELIJKE ORDENINGRUIMTELIJKE IMPACT VANSTEDELIJKE VERNIEUWINGSTADSVERNIEUWINGSATLASTOEGEPASTDE WERELD ACHTER DE CIJFERS VANSTADSVERIMIEUWING.VB KAN EROVER MEEPRATEN.Scadsvernieuwing is uitgegroeid tot een complex van ordenende en economische maatregelen.Maatregelen die zichthaar worden in cijfers, maar veel minder zichtbaar is de wereld achter die cijfers.Een wereld waar uw accountant kennis van moet hebben om u deskundig en ter zake te kunnen adviseren.Een taak, die VB op het lijfgeschreven is.Al ruim 75jaar is VB actiel voor overheden en non-profit organisaties. Daarmee heeft VB een voor-sprong op het gebied van hestuurs- en beheersinstrumenten en kan zo gefundeerd signaleren, anticiperen enadviseren. VB kan u bijvoorbeeldadviseren bij de coordinate en herstructurering van diensten en bijhet opzettenvan een effectiefberhuisvestingsbeleid. Ofbij de organisatie voorgefaseerde vemieuwing van het rioleringsstelsel, in-clusieffinancieringssystemen met derden. VB is met ruim 1.300 medewerkers een van degrote accountantskantoren.Met 30 strategisch gespreide vestigingen werkt VB overal dicht bij de bron en blijft zo actueel betrokkenbij de wereld achter uw cijfers. Op basis waarvan u beter kunt beslissen.VB, Nassaulaan 12, Postbus 19331, 2500 CH Den Haag tel. 070-3738484. M/^AccountantsAdviesBelastineadviseursVB, BETROKKEN BIJ DE WERELD ACHTER DE CIJFERSInhoudDENKRAAMFeesten of werkenH.B. EenhoornARTIKELENNatuur en stadsuitbreidingH.C. Jansonius en P.A.W.M. RaaymakersAanleg en uitbreiding van industrieterreinenen woonwijken hebben vaak grote gevolgenvoor de natuur en bet landschap ter plaatse.De gemeente Goes laat zien boe zij biermeerekening beeft gebouden bij de stadsuitbrei-ding.*li'ti^I^10 Externe integratie in de ruimtelijkeordeningH. Hoeflaak en H.A.P. ZingerDi.iurzame ontwikkeling dient ook in ruimte-lijke pkinnen ingang te vinden. Wei moet betdan duidelijk zijn wat milieudeskundigenonder duurzame ontwikkeling verstaan en boedit op stimulerende wijze in plannen kan wor-den verwerkt.15 STOUT STUKJEl.T. Klaasen16 Ruimtelijke impact van stedelijke ver-nieuwingF.G. de KuijerGrootscbalige projecten van Internationaleallure zijn bij uitstek instrumenten van stede-lijke vernieuwing geworden. Bij de waarderingdaarvan mogen de publieke doelstellingenvoor de stad als gebeel, niet uit bet oog wor-den verloren. Onderzoek naar de ruimtelijkeimpact van (sleutel)projecten biedt eengescbikt evaluatiekader.26 Stadsvernieuwingsatlas toegepastF.R. van ErkelOm meer inzicbt te krijgen in de stadsver-nieuwingsopgave wenste BELSTATO een infor-matiesysteem voor de grotere steden op een, lager dan gemeentelijk scbaalniveau. Hiervooris de Stadsvernieuwingsatlas ontwikkeld.SIGNALENVOORBEELDPLANNEN . ;,,32 Fietsen onder dak in UtrecbtB. Bach, G.J.N, Folgerts en C.L.C.M. SpapePLANOLOGIE36 Koersen naar de Groene RuimteK. Lever -38 Hudig-penning voor Roel de WitN. vanderHeidenenG.J. WallaghVOLKSHUISVESTING41 Rijk verantwoordelijk voor volksbuisvesting?A.T. ZandstraUlTDERARO43 Tweede SEV .. , /44 Hoofdlijnen uit de inspraakINGEZONDEN , ,45 R.O. zou de m.e.r. beter moeten leren kennenC.G.Bos45 Nascbrift, C.W. Wall van LohuizenPUBLIKATIES46 Boekbesprekingen48 Selectie aanwinsten48 UNIVERSITARIAStedebouw enVolksbuisvesting73e jaargang 1992 nr. OOrgaan van hct NcdcrlanJsInstituut voor RuimtelijkeOrdening en VolkshuisvestingEen uitgave vanDELWEL Uitgeverij B.V. insamenwerking met het NIROVVcrscliijnt zes maal per jaarRedactie:Ir. J. BrouwerIt. H. DekkerMr. A.Cli. FortgensDr. H.j.M. GoverdeIr. P.C. GroenDns. R. te GrotenhuisMr.ir. A.W. HartmanMvv.drs. l.T. KlaasenIr. W. RehDrs. P.W.A. VeldMw.mr. Y. de VriesIr. H. WestraRedactiesecretariaat:Drs. R. te GrotenhuisI. Sreenhoff-BoogersRedactie, administratie enpublikaties ter recensie:Mauntskade 21,2514 HD Den HaagteIefoon070-.346 96 52Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen en boek-besprekingen kunnen op hetredactiesecretariaat "Richtlij-nen voor auteurs aanvragen".Advertentie-exploitatie:DELWEL Uitgeverij B.V.Alexanderstraat 26Postbusl91I02500 CC 's-Gravenhagetelefoon 070 - 362 48 00telefax 070 - 360 54 36Advertentieverkoop:Eric Noordamtelefoon 070 - 362 48 00Vormgeving:Arie]. LandmanUitgeverDrs. A.F. Wesrerhofaangcsloten bij(Q^TJOJ NOTU-groep vak-I VAKTIJDSCHRIFTEN tijd.SchriftCnAfbeelding omslagArie]. LandmanStedebouw L'n Volkshuisvesting 1992 nLinimer 6Nog is het niet te laat voor deLeergangStedelijkeOntwikkelingen VernieuwingVoor de 4? keer in successie start de Tweede FaseOpleiding voor personen werkzaam op het terreinvan het stadsbeheer en sociale vernieuwing.Doelgroepen:Projektleiders, coordinatoren, afdehngshoof-den, adviseurs, beleidsmedewerkers, technischmedewerkers met HBO/universitair niveau.Programma:Organisatie en belaid lokale overhedenTechniek en infrastructuur, stedebouwProjekt- en citymanagementFinancieel managementPubheke - private samenwerkingSociale vernieuwingCommunicatieve vaardighedenAfstudeerscriptieDuur:8 seminars van telkens 2 aaneengesloten dagenen een seminar van 4 dagen. Totaal tijdsbestek6 maanden.Stuurgroep:De Leergang Stedelijke Ontwikkeling enVernieuwing staat onder auspicien van eenstuurgroep die waakt over kwaliteit en inhoud.In deze stuurgroep hebben de volgendeorganisaties zitting: het NIDIG, het NIROV, deHogescholen West- en Midden-Brabant en deHeidemij.Comite van Aanbeveling:- L.J.M. Heijmans, Voorzitter Raad van BestuurVerenigde Heijmans Bedrijven;- Drs. E.H.T.M. Nijpels, Burgemeester Breda/ex-Minister VROM;- Mr. dr. A.G.J.M. Rombouts, Directeur Inter-provinciaal Overleg/ex-Burgemeester Boxtel;- A.H.A. Lensen, Burgemeester Emmen.Start enplaats:21 januari 1993 te BunnikInlichtingen:Middels het insturen van onderstaande bonontvangt u de brochure.InformatiebonOrganisatie :Postbus/straat :cA)Postcode/Plaats :Naam aanvrager :Telefoon (zakelijk):Deze bon insturen aan:Hogeschool West-Brabant/ Bedrijfsopleidingent.a.v. mevr. drs. Y.M. Stalfoort, Postbus 90116,4800 RA BREDA. Telefoon 076-250665.Feesten of ^verkenUwas er, op 11 September, in Amerongen. U vierde hetvijfenzeventig-j arig hestaan van het NIROV. De betekenisvan het NIROV werd op die dag nog eens onderstreept door Uwaanwezigheid. Een platform voor gedachtenuitwisseling overwar ons bezighoLidt als het gaat over de kwaliteit van de fy-sieke omgeving. Dat wil zeggen alle bestuurslagen, integraalen functioncel, wareti vertegenwoordigd, alle particuliere in-stanties lieten die dag van zich horen en alle disciplines had-den bun inbreng. Dat laatste al of niet vanuit de wetenschap-pelijke hoek. Vooral in al die vakgebieden is het belang vaneen goede afweging van alles wat de fysiekeomgeving beinvlocd af tc meten. Niet alleende volksbtiisvesters en de ruimtelijke orde-naars denken en praten mee, maar ook de des-kundigen op het terrein van het milieu, demobiliteit en aanverwante vakgebieden beb-ben hun plaats in het NIROV gevonden. In eenvorig Denkraam is al overtuigend aangegevenwaarom het NIROV bestaat en waarom het instituut voor dekwaliteit van het overheidshandelen onmisbaar is. Uw aan-wezigheid op de elfde September heeft die positie nog eens on-derstreept.Maar Uw feestelijke stemming heeft ertoe geleid dat wei-nig aandacht is besteed aan de resultaten van twee be-raadsgrocpcn, die die dag bijeen waren. De ene groep heeft dehersenen gebroken op het onderwerp van de versnelling vande besluitvorming in de ruimtelijke ordening. Zij deden dat ineen van de prachtige kamers op het kasteel Amerongen. Deandere groep heeft zwaar zitten bomen in het prachtige raad-huis van de gemeente over de decentralisatie van en in deVolkshuisvesting (al of niet met een hoofdletter). De feest-rede van de voorzitter zou de drager zijn van het wereldkundigmaken van de uitslagen van beide beraden. Maar, zoals ge-zegd, het feestgedruis overstemde alles; uw uitwisseling vangedachten over de invloeden op het fysieke milieu van demens was zo hevig, dat dit denkraam ten slotte overbleef deuitslag van de beraden aan u bekend te maken. Tevens mag udat zien als het inzetten van een nieuwe trend van het NIROV.Want behalve gedachten uitwisselen willen we die gedachtenover de kwaliteit van de fysieke omgeving in het vervolg watactiever uitdragen. Dit is dus een klein beginnetje, dat voormij als aftredend voorzitter tevens een formed eind betekent.In de eerste beraadsgroep werd zeer indringend als overheer-sende conclusie vastgesteld, dat de versnelling van de be-sluitvorming in de ruimtelijke ordening niet alleen door wijzi-ging van wetgeving kan worden bereikt."Om in ons land de besluitvorming over complcxe projectenvan nationaal belang, zoals de Betuwelijn, versneld te krijgenmoet niet alleen naar de wetgeving op ruimtelijk ordenings-gebied gekeken worden. Naast strakker project- en procesma-nagement is meet duidelijkheid in een vroeger stadium nood-zakelijk over de financiering. Daarnaast gaat het ook om eenprobleem van openbaar bestuur. Besluitvor-ming dient plaats te vinden op het schaalni-veau waarop het onderwerp speelt. Op dat ni-veau dient dan ook de rechtsbescherminggeconcentreerd te worden. De vrijblijvend-heid ten aanzien van bestuurlijke uitsprakenwordt daarmee verminderd."In de beraadsgroep over de decentralisatie van de volkshuis-vesting kwam het volgende naar voren:"De doelstellingen van het volkshuisvestingsbeleid van hetRijk moeten explicieter worden geformuleerd om de decen-tralisatie van bevoegdheden naar gemeenten en verzelfstandi-ging van woningcorporaties toetsbaar te maken. Op grondvan de nota-Heerma, "Volkshuisvesting in de jaren Negen-tig", vindt momenteel een rigoureuze decentralisatie van debevoegdheden en middelen van het Rijk naar de gemeentenen woningbouwverenigingen plaats. IJkpunten voor toetsingzijn het woningtekort, de kwaliteit van de voorraad en de be-taalbaarheid daarvan.Om het gedifferentieerd aanbod van nieuwe woningcn totstand te brengen is een grotere bijdrage van het Rijk in degrondexploitatie van nieuwe bouwlocaties wenselijk."Beide aanbevelingen zuUen voor u, lezers en NiROV-leden,een aansporing kunnen zijn. Een prikkel nog harder tewerken aan een hoogwaardige kwaliteit van onze fysieke om-geving. Het NIROV daagt ons allemaal uit; na vijfcnzeventigjaar nog steeds geen overbodige luxe.Drs. H. B. Eenhoorn,burgemeester van Voorburg, oud-voorzitter van het NIROV.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 nummer 6Natuur en stads*uitbreiding: kat en bond?Goes als voorbeeldAanleg en uitbreiding van industrieterreinen enwoonwijken hehhen vaak grote gevolgen voor na-tuur en landschap terplaatse. Daarnaast kunnennatuurwaarden ook in de wijdere omgeving wardenhe'invloed, hijvoorbeeld doordat belangrijke leefge-bieden en verbindingszones warden aangetast.Dit artikel laat aan de hand van een voorbeeld inGoes zi^n, hoe een gemeente hiermee bij stadsuit-breiding rekening kan houden.Ir. H.C. JansoniusIr. P.A.W.M.RaaymakersDe Groene Ruimte, Bureauvoor ecologisch onderzoeken beheerplanning te Wage-ningen.De gemeente Goes heeft uitbreidingsplan-Inen aan de zuidrand van de stad. Het be-treft een uitbreiding van het industriege-bied"DePoel" ("DePoelll") en de aanleg van eenwoonwijk (Over-zuid). De uitbreiding van het in-dustriegebied is gepland in een open agrarisch ge-bied, dat voornameUjk voor akkerbouw gebruiktwordt. De woonwijk is gepland in een besloten ge-bied dat voornamelijk voor fruitteelt gebruiktwordt.Aan De Groene Ruimte werd verzocht onderzoekte doen naar de mogelijkheden om behoud en ont-wikkeling van natuurwaarden in te passen in de111 /-- A58r< s/ ^^ kern GoesFiguur 1. Omgrenzing vanhet onderzoeksgehied en devoorgenomen hebouwing.Bron: De Groene Ruimte,Wageningen.|::::::;:;;::i:i:i::| onderzoeksQebJedf!?;^^^ bosgebied-zuidr^^""v. ^^'^''"?Joude spoorlijnplanvorming en ontwikkeling van de nieuwewoonwijk en het industrieterrein.Het eerste deel van het artikel geeft een korte be-schrijving van het onderzoeksgebied. Daarnawordt ingegaan op de leefgebieden en verbin-dingswegen die voor de planten en dieren in hetonderzoeksgebied van belang zijn. Het artikel be-sluit met een advies voor het inpassen van natuur-waarden in de plannen voor stadsuitbreiding.Het onderzoeksgebiedHet gebied waarin de stadsuitbreiding plaatsvindtis ongeveer 250 ha groot. Het wordt omgrensddoor de bestaande hebouwing van Goes en eendrietal wegen: de Deltaweg, de A58 en de 's-Gra-venpolderseweg (figuur I). Door het gebied loopttevens een oude spoorlijn die in de zomer enkelekeren per week gebruikt wordt voor een toeristen-trein.Ten westen van de spoorlijn wordt industrieter-rein De Poel II gerealiseerd. Dit deelgebied wordtin de rest van dit artikel deelgebied "De Poel II enomgeving" genoemd. Ten oosten van de spoorlijnwordt woonwijk Over-zuid gerealiseerd. Dit deel-gebied wordt in de rest van dit artikel deelgebied"Over-zuid en omgeving" genoemd. Na de stads-uitbreiding zal bijna de helft van het onderzoeks-gebied bebouwd zijn.Deelgebied "De Poel II en omgeving" sluit land-schappelijk aan bij het open landschap van hetwestelijk en zuidelijk van het onderzoeksgebiedgelegen gebied De Poel. Het bestaat voornamelijkuit open (akker)land. De bodem bestaat uit klei ofklei op veen, waarbij het veen meestal binnen1,20 meter begint. Oorspronkelijk bestond hetpoelgebied uit reliefrijke graslanden met veeldrinkputten (foto J). In de loop der tijd is een grootaantal percelen geegaliseerd en zijn veel drinkput-ten verdwenen. Bovendien is een groot aantal per-celen grasland omgezet in bouwland.Deelgebied "Over-zuid en omgeving" ligt op eenoude kreekrug. Het heeft een besloten landschapmet veel boomgaarden en windschutten (foto 2).De bodem bestaat voornamelijk uit (lichte) zavel.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 nummer 6Foto 1. Reliefrijk grasland metdrinkpoel (De Groene Ruimte,Wageningen).Foto 2. Besloten landschapvan Over-zuid en omgevingmet singel als onderdeel van degroene infrastructuur (DeGroene Ruimte, Wagenin-gen).Eenzelfde landschap treffen we aan op het aanslui-tende deel van deze kreekrug ten oosten van de's'Gravenpolderseweg en ten zuiden van de A58.Ocik cip de kreekrug ten westen van Goes treffenwe een dergelijk Umdschap aan.Ecologische infrastructurenZowel plante- als diersoorten hebben een leefge-bied ("kern"gebied) nodig om als individu te kun-nen overleven. De voorwaarden waaraan zo'nleefgebied moet voldoen varieren per soort. Omook als groep te kunnen voortbestaan, moetenplanten en dieren zich kunnen voortplanten.Daarvoor moeten er voldoende uitwisselingsmo-gelijkheden tussen de verschillende individuenzijn. In Nederland zijn geschikte leefgebiedenechter voor een aantal soorten veelal te klein ge-worden om voldoende individuen te kunnen her-bergen. Deze kleinere groepen zijn voor hunvoortbestaan aangewezen op uitwisseling met an-dere groepen. Dat betekent dat er ook verbin-dingszones nodig zijn tussen de verschillende leef-gebieden. Het totaal aan leefgebieden enverbiiidingszones voor een bepaalde soort wordtaangeduid met de term "ecologische infrastruc-tuur .Er is ook sprake van meerdere infrastructuren,omdat elke soort andere eisen stelt aan leefgebieden verbindingszone. Ter illustratie; voor soortenals velduil en patrijs vormen kleinschalige, exten-sief beheerde landbouwgronden goede leefgebie-den. In grootschalige, intensief beheerde land-bouwgronden kunnen ecologisch beheerdebermen, akkerranden en bosjes goede verbin-dingszones zijn voor deze soorten.In de regio Midden-Zeeland zijn drie ecologischeinfrastructuren onderscheiden, die elk voor eengroep van soorten van belang zijn:- een "BLAUWE", natte ecologische infrastructuurvan poelen, watergangen, moeras en drassige gras-landen, met name voor padden, salamanders, kik-kers, weidevogels, vleermuizen en planten vanmoerassen en drassige graslanden {foto 3);- een "GROENE", droge ecologische infrastructuurvan houtsingels, bosjes en struweel, met namevoor vleermuizen, (spits)muizen, kleine marter-achtigen, roofvogels en bosvogels in het cultuur-landschap. Daarnaast is een dergelijke infrastruc-tuur van belang voor diverse soorten insekten;- een "GELE", droge ecologische infrastructuurvan ruige en bloemrijke graslanden met namevoor (spits)muizen, kleine marterachtigen, insek-ten en planten van drogere graslanden.Ecologie in de regioVoor elk van deze regionale ecologische infra-structuren is onderzocht in hoeverre deze in hetonderzoeksgebied of de directe omgeving voorko-men. Er is nagegaan waar onderbrekingen of bar-rieres in de ecologische infrastructuren bestaan,waardoor verplaatsing door dieren en planten be-moeilijk wordt {figuur 2). Tevens is nagegaan hoedat kan worden opgelost.Foto 3. Watergangah essen-tieel onderdeel van de blauweinfrastructuur (De GroeneRuimte, Wageningen).Stedebouw en Volkshuisvesting 1992Natuur en stadsuitbreidingFiguur 2. Regionale versprei-dingecologischeinfrastructuren.Bron: De Groene Ruimte,Wageningen."Kern"gebicd blauwe in-frastructuur"Kern"gebied groene iiifra-structuur"Kern"gebied gele infra-stiTictuurop te heffen onderbreking inecologische infrastructuurtussen kerngebiedenop tc heffen barriere in eco-k)gische infrastructuurBlauwe infrastructuurIn het onderzoeksgebied komen brede watergan-gen, kavelsloten en poelen voor. Daarnaast komtop de reliefrijke percelen ook drassig grasland voor.Voor de soorten die gebonden zijn aan dezeblauwe infrastructuur zijn er weinig uitwisselings-mogelijkheden met de omgeving. Aan de noord-kant ligt de kern Goes en aan de oostkant ligt hetkreekruggenlandschap waarin natte elementenvrijwel ontbreken. Aan de andere kanten vormenwegen een belangrijke barriere. Om te voorkomendat soorten van de blauwe infrastructuur in hetonderzoeksgebied geisoleerd raken zijn betere uit-wisselingsmogelijkheden gewenst met het poelen-gebied ten zuiden van de A58 en ten westen vande Deltaweg. Het moeras in de verkeerslus bij dekruising van A58 en Deltaweg en de bermslotenlangs de A58 kunnen hierin een rol spelen.Groene infrastructuurIn het onderzoeksgebied zijn voor de groene in-frastructuur de boomgaarden, bomenrijen enkleine bosjes van belang. In deze landschapsele-menten komen veel vogelsoorten van bosachtigmilieu voor. Dit wijst erop dat het onderzoeksge-bied als verbindingszone voor aangrenzende bos-achtige gebieden fungeert. Desondanks dienenhet westelijke, open deel van het onderzoeksge-bied en de kern Goes als vrij sterke barrieres in deregionale groene infrastructuur beschouwd te wor-den. De Deltaweg is hierbij een extra barriere.Verbetering van de groene infrastructuur doorheggen of andere groenstroken is gewenst om opregionale schaal een betere uitwisseling van soor-ten mogelijk te maken. Het westelijk deel van hetonderzoeksgebied is hiervoor minder geschikt,omdat dan het open karakter van De Poel verlorenzou gaan. Om dezelfde reden is realisering van eenaaneengesloten groene infrastructuur in de omge-ving van de A58 niet gewenst. Het ontwikkelenvan de stadsrandgroenzones aan de noordzijdevanhet onderzoeksgebied is echter wel een goedemogelijkheid.Gele infrastructuurIn het onderzoeksgebied zijn de greppels, bermenen graslanden van belang voor de gele infrastruc-tuur. Door de aanwezigheid van graslanden heeftStedebouwcri Volkshuisvesting 1992 nummerer6de gele intrastructuur in het onderzoeksgebied eenrelatief groot oppervlakte. De gele infrastructuurstrekr zich vanuit het onderzoeksgebied voorna-melijk naar het westen toe uit. Naar het oosten toebestaat de gele infrastructuur vrijwei alleen uitbermen. Verbinding tussen de graslanden van degele infrastructuur is mogelijk via wegbermen enoevers van bermsloten.Stedebouwkundige plannenOp de eerste stedebouwkundige schets van Over-zuid zijn de structuurlijnen voor hoofdontsluitingbelangrijke groenvoorzieningen aangegeven.Langs deze lijnen zullen de hoofdontsluiting en debclangrijkste groenvoorzieningen gerealiseerdwordcn. Bestaande landschapselementen zullenzoveel mogelijk behouden worden, al is nog nietaangegeven welke latidschapselementen dat zijn.Het ontwerp voor het industrieterrein De Poel 11gaaf uit van een geheel nieuwe ontsluiting, waar-bij alle bestaande wegen en waterlopen geslechtzullen worden.Het open water van de hlauwe infrastructuur zal inde eerste plannen voor De Poel 11 voor een be-langrijk deel worden gedempt. Afhankelijk van deprofilering van de nieuwe watergangen (onder an-dere langs de A58) en van de aanwezigheid vankerngehieden in de omgeving, zal het dan echterenige tot lange tijd duren, voordat zich in denieuwe watergangen gelijkwaardige levensge-meenschappen hebbcn ontwikkeld. De plannenvoor Over-zuid hebben weinig invloed op de lo-kale blauwe infrastructuur.De groene infrastructuur in het onderzoeksgebiedwordt door de aanleg van Over-zuid volgens deeerste plannen sterk verzwakt, doordat de opper-vlakte aan boomgaarden en andere beplantingensterk afneemt. In de eerste schets is in beperktemate rekening gehouden met aansluiting op reedsbestaande bepalingen buiten het onderzoeksge-bied. In de eerste schets voor De Poel II wordenlangs de meeste wegen en alle waterlopen beplan-tingen aangelegd. Hiermee wordt het aantal ele-menten van de groene infrastructuur sterk uitge-breid. Deze zijn echter vooral van betekenis voorde regionale groene infrastructuur, wanneer dezebeplantingen aansluiten op de reeds bestaande be-plantingen in de omgeving.De graslanden van de gele infrastructuur in het on-derzoeksgebied nemen door beide uitbreidings-plannen sterk in aantal en oppervlakte af. Dit zalgedeeltelijk gecompenseerd kunnen worden dooreen aangepast beheer van bermen en oevers en hethandhaven van enkele graslandjes. Zonder com-penserende maatregelen zal de functie van het ge-bied voor soorten van de gele infrastructuur echtervoor een groot deel verloren gaan.Ecologisch adviesAansluitend bij de verspreiding van de regionaleecologische infrastructuren is voordeelgebied "DePoel 11 en omgeving" gekozen voor ontwikkelingvan de blauwe en de gele infrastructuur. Voordeelgebied "Over-zuid en omgeving" is gekozenvoor ontwikkeling van de groene en de gele in-frastructuur (figuur 3).Figuur 3. Nagestreefde ecolo-gische infrastructuur.Bron: De Groene Ruimte,Wageningen.Reeds gerealiseerde bebou-wingTe realiseren industriebe-bouwing zonder beplantinglangs wegen en waterlopenTe realiseren industriebe-bouwing met beplantinglangs wegen en waterlopenTe realiseren woonbebou-wingBos(plantsoen)Te handhaven boomgaardMoerasachtige zone mett)pen water en drassig gras-landemNat grasland met poelenOroog graslandDroge bermen en zoomvege-tatiesWatergangenStedebouw en Volkshuisvesting 1992 nummer 6Natuur en stadsuitbreidingMeer water in De PoelVoor het ontwikkelen van de blauwe infrastructuurin "De Poel II en omgeving" is het belangrijk openwater en moerasachtige situaties te ontwikkelen.Binnen het onderzoeksgebied is dit te realiserendoor een natuurontwikkelingsgebied met eengroot aantal natte elementen aan te leggen tussende toekomstige bebouwing, de Deltaweg en deA58. Naast de natte elementen zullen geleidelijkeovergangen naar het omliggende land gerealiseerdmoeten worden. De waarde van dit natuurontwik-kelingsgebied kan verder vergroot worden dooreen deel van het bouwland cm te vormen tot gras-land en in het huidige en toekomstige grasland re-lief aan te brengen.Door de bestaande reliefrijke graslanden en poe-len langs de oude spoorlijn te handhaven en aan-gepast te beheren, kunnen deze als "bron"gebiedfungeren. Wanneer ze verbonden worden met an-dere gebieden kan de isolatie van deze graslandenverminderd worden. Door een gericht beheer vanslootkanten en door het realiseren van een zonemet drinkpoelen en kleine plasjes langs de oudespoorlijn en de A58 kan een verbinding gereali-seerd worden met het hierboven genoemde na-tuurontwikkelingsgebied. Hierdoor kan een eco-logisch waardevol complex van sloten, poelen enmoeras ontstaan.De verbinding van dit natte complex in het on-derzoeksgebied met de rest van De Poel kan wor-den verbeterd door de aanleg van meerdere dras-sige en natte onderdoorgangen onder deDeltaweg. De ecologische functies van de huidigeonderdoorgang onder de A58, die "De Poel" methet moerasgebied in de verkeerslus van de A58Figuur 4. Voorbeeld van eco-logisch waardevolle duiker.Bron: De Groene RLiimte,Wageningen.verbindt, kunnen verbeterd worden door aan ten-minste een zijde langs de betonnen wand een dras-sige strook land te maken. Zo ontstaat er ook eenverbinding over land. In de buurt van deze onder-doorgang kunnen plaatselijk geleidelijke overgan-gen van het water naar de oever gemaakt worden.Zo kunnen dieren gemakkelijker van het water opde kant komen en omgekeerd en kunnen er opdeze plaatsen moerasachtige vegetaties ontstaan{figuur 4).Doordat de bestaande sloten en watergangen inDe Poel II zullen worden gedempt, moet in denieuwe watergangen het proces van vestiging vanplanten en dieren weer van voren af aan begin-nen. In dit geval kan de hervestiging vergemakke-lijkt worden door al geruime tijd voordat de oudesloten gedempt worden, nieuwe sloten en poelenaan te leggen.Ook kan bij demping van de oudewatergangen een deel van de daaruit afkomstigegrond en water naar de nieuwe elementen overge-bracht worden. Veel beter zou zijn, wanneer in eendergelijk ontwerp tenminste een deel van de oudewatergangen opgenomen zou worden, en zou wor-den aangesloten op nieuw gegraven watergangen.Hout en gras in De PoelOm de gele infrastructuur in "De Poel II en omge-ving" te ontwikkelen is het belangrijk brede ber-men en bermsloten met flauwe taluds aan te leg-gen. Naast het regelmatig maaien van de eerstestrook voor de verkeersveiligheid, is er dan nogruimte voor het ontwikkelen van levensgemeen-schappen van ruige en bloemrijke vegetaties. Eengrotere aaneengesloten oppervlakte bloemrijkgrasland zou als brongebied voor de verspreidingvan planten en dieren kunnen fungeren en daar-mee een extra versterking van de gele infrastruc-tuur betekenen. De zuidoostkant van De Poel II ishiervoor een geschikte locatie.De nagestreefde versterking van de groene infra-structuur in "Over-zuid en omgeving" kan onder-steund worden door in de noordoostelijke he1ftvan De Poel II langs de wegen en watergangenmeer beplanting aan te brengen dan waarin in heteerste ontwerp is voorzien. In de zuidwestelijkehelft van De Poel II kan beter geen beplantingaangelegd worden, in tegenstelling tot het eersteschetsontwerp. Door de voor groen beschikbareruimte in plaats daarvan tot graslandvegetatie teontwikkelen kan, ook na bebouwing, het oor-spronkelijk open karakter van het gebied geaccen-tueerd worden.Bomen in "Over-zuid en omgeving"De barriere in de regionale groene infrastructuurtussen de kreekruggen ten zuidoosten en ten wes-Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 nummer 6ten van Goes kan verzacht worden door het hand-haven van een zo aaneengesloten mogelijk stelselvan de bestaande laanbeplantingen en boomgaar-den. Dit kan ondersteund worden door de aanlegvan bosstroken in en om de nieuwe woonwijk.Voor de verbinding met de regio is het belangrijkdat dit groen in de wijk aansluit op de beplantin-gen aan de oostzijde van de 's-Gravenpoldersewegen op het stadsrand-groen van de kern Goes. Ookis het van beking dat het geheel van beplantingenzoveel mogelijk aaneengeskiten is en dus zo minmogeUjk doorsneden wordt door bijvoorbeeldwegen. Met het oog daarop zou de te ontwikkelengroene infrastructuur zoveel mogelijk aan eenzijde van de sttLictuurlijnen uit het concept-ont-werp voor Over-zuid geprojecteerd moeten wor-den.Om de groene infrastructuur verder te versterkenzonder het resterende open gebied aan te tasten ishet daarnaast gewenst om een groenstrook als hetware als een schil aan de zuidzijde tegen oude ennieuwe bebouwing te leggen. Een dergelijke schilschermt niet alleen het zicht op de (nieuwe) be-bouwing af. Op deze manier wordt ook een vrijaantrekkelijke, extra verbindingsweg gerealiseerdtussen de groenstructuren op de westelijke en oos-telijke kreekrug voor kleine marterachtigen, vlin-ders en vogels. Aan de zuidkant van de weg dieOver-zuid zal begrenzen kan beter geen beplan-ting aangelegd worden (beperking van de scha-duw), zodat daar ontwikkeling van meer kruiden-rijke bermen mogelijk is.Deze weg zal door de toenemende verkeersdruk,zeker bij verbreding, een grotere barriere wordenin de uitwisselingsmogelijkheden tussen destedelijke omgeving en het open gebied. Door ver-zachtende maatregelen (onderdoorgangen, snel-heidsverlagende voorzieningen) kan de barriere-werking verminderd worden.UitvoeringEen aangepast i)ntwerp is niet genoeg. Ook aanlegen, later, beheer van zowel de civieltechnische alsde ecologische elementen dienen mede op de na-gestreefde ecologische infrastructuren te zijn afge-stemd. Onder andere locatie, oppervlakte, type ensoortensamenstelling van de landschapselemen-ten zijn bepalend voor de mate waarin en de ma-nier waarop de verschillende ecologische infra-structuren zuUen functioneren. Van het grootstebelang is daarbij, dat de uiteindelijk te realiserenelementen werkelijk beschouwd worden als on-derdeel van een totale infrastructuur. Door be-paalde onderdelen daarvan niet of niet goed uit tevoeren of te beheren, wordt de structuur als geheelsterk verzwakt.In dit kader is het aan te bevelen om voor de ver-schillende fasen van planontwikkeling en uitvoe-ring ecologische bouwrichtlijnen op te stellen.Gedacht kan worden aan:- de volgorde van bepaalde werkzaamheden (bij-voorbeeld eerst nieuwe watergangen aanleggen,daarna oude dempen);- het treffen van beschermende maatregelenvoor te handhaven elementen (bijvoorbeeld viatijdelijke rasters voorkomen dat een te behoudenboomgaard als depot en/of parkeerplaats voorbouwmaterialen en materieel wordt gebruikt, ofdat een te handhaven grasland voUedig en totgrote diepte wordt beschadigd door bouwverkeer;rekening houden met te handhaven elementen bijhet leggen van kabels en leidingen);- het verrichten van bepaalde werkzaamheden inde juiste tijd van het jaar (bijvoorbeeld geenbomen rooien in het broedseizoen en geen slotenuitdiepen in de winter).Benadrukt wordt dat het daarbij ook van belang isom al in een vroeg stadium aandacht te schenkenaan de randvoorwaarden en de wensen met be-trekking tot het beheer van de uiteindelijke ele-menten.Wanneer de stedebouwkundige ontwerpen afge-rond zijn, dienen de te behouden en de nieuw aante leggen landschapselementen nader te wordenbeschreven. Locatie, type, lengte, breedte, opper-vlakte en orientatie bepalen het functioneren vande landschapselementen en van de ecologischeinfrastructuren als geheel. Daarom wordt geadvi-seerd om in dat stadium van de planvorming perelement concrete ecologische richtlijnen te for-muleren voor aanleg en beheer. Deze richtlijnendienen uiteraard te worden afgestemd op moge-lijke andere functies die door dat element moetenworden vervuld, zoals verkeersveiligheid bij weg-bermen en waterberging en -afvoer van watergan-gen. In dat kader is het zinvol om voor het geheleonderzoeksgebied een integrale aanleg- en be-heervisie op de bestaande en de te ontwikkelenelementen op te stellen.ConclusieHet hier beschreven voorbeeld geeft weer dat hetgoed mogelijk is om bij stadsuitbreiding rekeningte houden met de bestaande ecologische infra-structuren en inpassing van nieuwe ecologischeinfrastructuren, wanneer in een vroeg stadiumecologische aspecten bij de planvorming betrok-ken worden. Nog beter is het om een dergelijk on-derzoek in een eerder stadium uit te voeren, zodatook de locatiekeuze in het onderzoek meegeno-men kan worden.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992Externe integratie in deruimtelijke ordeningop weg naar duurzame plannenPlannenmakers moeten er aan geloven. Duurzameontwikkeling dient ook in ruimtelijke plannen zijningang te vinden. Het moet natuurlijk wel duidelijkzijn wat milieudeskundigen onder duurzame ont-wikkeling verstaan en hoe dit op stimulerende wijzein plannen kan worden verwerkt. Daartoe dient,hehalve aan milieuhygienische aspecten, ook aan-dacht hesteed te worden aan het sluiten van kring-lopen en ecologie.Ir. H. HoeflaakIr. H.A.P. ZingerGemeentewerken Rotter-dam, afdeling Milieubeleid(MR).1Zie strategielijn S50 uit hetNMP: "Het integreren vanmilieu-aspecten met het oogop duurzame ontwikkelingin alle relevante beleidster-reinen van de rijksover-heid".2RARO, Advies over ruimte-Ujke ordening en miUeube-leid, deel 2: coordinatie ver-gunningverlening enprojectmatige besluitvor-ming 1983.3Ministerie van VROM, P.Winsemius, Plan IntegratieMilieubeleid, TweedeKamernr. 18010, Den Haag,1983.Met de introductie van het begrip "duur-zame ontwikkeling" als uitgangspunt vanhet gehele overheidsbeleid is het milieu-beleid volwassen geworden. Deze verandering heeftook de uitvoering van het milieubeleid niet onbe-roerd gelaten. De belangrijkste opdracht van de mi-lieusector is heden ten dage de verwezenlijking vanhet milieubeleid in andere sectoren van het over-heidsbeleid. Externe integratie is nu het devies.'Externe integratie vereist niet alleen een op desector, in dit geval ruimtelijke ordening, toege-spitste operationalisering van het begrip duurzameontwikkeling, maar ook een goede communicatieen heldere informatie-overdracht. Het laatsteloopt wel eens stroef, omdat nu juist de operatio-nalisering van duurzame ontwikkeling vaak nieteenvoudig is.Historic RO en milieuDe discussie over de milieu-inbreng in ruimtelijkeplannen heeft nauw opgelopen met de ontwikke-ling van het milieubeleid. Het milieubeleid ont-stond onder invloed van de maatschappelijke ont-wikkelingen rond 1970. De positie van demilieuzorg in relatie tot de ruimtelijke ordeningwerd destijds (1971) in een citaat van de Commis-sie van Veen (Interdepartementale Taakverde-ling en Coordinatie) treffend tot uitdrukking ge-bracht: "Ruimtelijke Ordening is het zoeken naaren het tot stand brengen van de best denkbare we-derkerige aanpassing van ruimte en samenleving,zulks terwille van de samenleving. De Commissiemeent daarom dat een belangrijk deel van de mi-lieuzorg kan en moet komen in de ruimtelijke or-dening in ruimere zin." In de praktijk leidde ditvaak tot een op normen gebaseerde milieutoetsvan ruimtelijke plannen, met alle problemen vandien. Milieu werd als lastig beschouwd, omdat deplannen vaak in een vergevorderd stadium warenen door deze toets achteraf, vertraging opliepen.In het besef dat het zo niet langer kon verschoofhet accent langzaam naar samenwerking. De Raadvoor Advies voor de Ruimtelijke Ordening(RARO) betoogde in 1983' dat er sprake is vancomplementariteit en gelijkwaardigheid tussenbeide beleidsvelden. De verhouding laat zich om-schrijven door tweesporigheid. Milieu en ruimte-lijke ordening houden in een zo vroeg mogelijkstadium rekening met elkaar. De koppeling vanbouw- en milieuvergunning en de afstemming tus-sen gemeentelijke ruimtelijke ordening en deHinderwet kregen moeizaam gestalte. Daarnawordt de afstemming vervangen door integratie.Deze integratie wordt tot uitdrukking gebracht inhet begrip "ruimtelijke kwaliteit".'Met het uitkomen van het Nationaal Milieu Be-leidsplan (NMP) staat het streven naar duurzameontwikkeling centraal. In de Vierde Nota over deRuimtelijke Ordening doen de begrippen: ge-bruikswaarde, belevingswaarde en toekomst-waarde hun intrede. In de Vierde Nota (VINEX)die onder invloed van het milieubeleid werd aan-gescherpt, wordt het begrip toekomstwaarde ver-der uitgewerkt: "Toekomstwaarde is gediend metduurzaamheid uit milieu-oogpunt, en met eenflexibele ruimtelijk structuur." Het uitwerken enhet vormgeven aan het begrip duurzame ontwik-keling in plannen is nu de belangrijkste opgavevoor de betrokkenen bij ruimtelijke planvorming.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 nummer6De praktijkUit de f^emeentelijke praktijk van alledag bltjktdat niet iedereei^ in dezelfdc mate is meegegroeidin de hierboven beschreven ontwikkeling. Onzeindruk is dat in het algemeen het afstemmen nogoverheerst. Voorbeelden zijn er legio: de VNG-bro-chure "Van Tweeen Een" of de Rotterdamse Nota"Ruimtelijke Ordening en Milieu, een aanzet toteen samenhangend ruimtelijk en milieubeleid".Zelfs toetsing achteraf komt nog voor. In het gun-stigste geval heeft deze toetsing betrekking opduLirzame ontwikkeling, maar vaak worden ruim-telijke plannen door hogere overheden alleenachteraf getoetst op basis van wettelijke normenaan de hand van checklisten.'' Dit laatste leidtweer tot de reeds eerder genoemde irritatie en ver-traging en is zeker niet bevorderlijk voor de ex-terne integratie.De uitwerking van het begrip duurzame ontwikke-ling in plannen bevindt zich nog in een onder-zoeks- en experimenteerfase. Uit de plannen vanonder andere Breda (Het stromend stadsgewest)^en Schiedam (Spaland-west)^' blijkt dat ook ge-meenten zich hierbij niet onbetuigd laten.Ook Gemeentewerken Rotterdam, afdeling Mi-lieubeleid (MR) tracht het begrip duurzame ont-wikkeling in ruimtelijke plannen handen en voe-ten te geven. Daarom heeft zij het initiatiefgenomen om een handleiding "Ruimtelijke Orde-ning en Milieu" te schrijven. In deze handleidingwordt het begrip duurzame ontwikkeling hanteer-baar gemaakt. De juiste milieu-inbreng op hetjuiste ruimtelijke schaalniveau vormt hierbij eenbelangrijk element.Milieugebruiksruimte"Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling dievoorziet in de behoefte van huidige generaties,zonder daarmee voor de toekomstige generaties demogelijkheid in gevaar te brengen ook in hun be-hoeften te voorzien".^ In deze definitie klinkt hetin stand houden van het draagvermogen van hetmilieu door. Het draagvermogen van het milieu isin feite een voorraadgrootheid. Opschoor en Vander Ploeg'^ beschrijven duurzame ontwikkelingdan ook als een zodanige ontwikkeling dat dedaaruit voortvloeiende milicudruk "economischinpasbaar" is. Het totale draagvermogen van hetmilieu wordt gepresenteerd als een milieuge-bruiksruimte. De milieugebruiksruimte heeft hier-bij drie dimensies:a) de omvang van de voorraad van natuurlijkehulpbronnen, zoals aardolie, hout, et cetera;b) de aanwas en het verbruik van de voorraad.Beide definieren in enge zin het begrip duurzaam-heid. Het sluiten van kringlopen staat hierbij cen-traal. Indien bijvoorbeeld het verbruik van na-tuurlijke hulpbronnen niet in de pas loopt met deaanwas is dit in feite in strijd met de hierboven ge-noemde definitie van duurzame ontwikkeling.Maar omdat duurzaamheid wel een noodzakelijkemaar niet voldoende voorwaarde is voor het ont-staan van kwaliteit, en kwaliteit mede de omvangvan het draagvermogen van het milieu bepaalt,introduceren Opschoor en Van der Ploeg in hetmilieugebruiksruimte-concept ook de derde di-mensie, namelijk:c) de milieukwaliteit.De milieukwaliteit wordt gedefinieerd als de matewaarin de toestand van het milieu correspondeertmet de gestelde streefniveaus. De term algemenemilieukwaliteit richt zich op het garanderen vanfunctievervulling voor de maatschappij: bijvoor-beeld wc~)nen, werken en recreeren. De milieukwa-liteit zou hierbij als een van de indicatoren voorleefbaarheid kunnen gelden. Bijzondere milieu-kwaliteit richt zich op bescherming van specifiekevormen van biologische rijkdom ofdiversiteit vansoorten en ecosystemen. Door Opschoor en Vander Ploeg integriteit genoemd. Vanuit boven-staande invalshoek is kwaliteit gekoppeld aanfuncties in het gebied.Samenvattend kan er dus onderscheid gemaaktworden in duurzaamheid, leefbaarheid en integri-teit. Deze scheiding is niet waterdicht omdat debegrippen met elkaar verbonden zijn: een hogekwaliteit zai bijvoorbeeld het regeneratie-vermo-gen van de aarde vergroten. Voor de operationali-sering van duurzame ontwikkeling is deze indelingwel bruikbaar.Terugkomend op de terminologie uit de VINEX ZOUde volgende parallel getrokken kunnen worden.De "toekomstwaarde" houdt verband met duur-zaamheid. Het belang is dat van de toekomstigegeneraties. De termen "gebruiks-" en "belevings-waarde" hebben raakvlakken met de (milieu)kwa-liteit. Het belang is vooral dat van de huidige ge-neratie.Het bovenstaande is weergegeven in schema I.Schema 1. Operationalisering van duurzame ontwikkeling.Enkele voorbeelden:1. toetsformulier 1992 vande RIMH-ZH;2. Provincie Zuid-HoUand,Nota planheoordeling, toet-singskader voor gemeente-lijke ruimtelijke ordenings-plannen;3 Bureau SME, Inventarisa-tie ruimtelijk relevante mi-lieunormen ten behoeve vanruimtelijke plannen, plano-logische kentallen.5Het stromend stadsgewest,vormgeven aan de ecoregioBreda, Eo Wijcrsstichting,1992.6Spaland, beeld van een he-dendaagse woonwijk, ge-meente Schiedam, 1990.7The World commission onenvironment and develop-ment: Our common future,1987, Oxford UniversityPress.8 ? ? '' 'J.B. Opschoor en S.W.F. vander Ploeg, Duurzaamheid enKwaliteit, hoofddoelstellin-gen van het milieubeleid.Het Milieu, denkbeeldenvoorde 21e eeuw, Kercke-bosch.Zeist, 1990.milieu-gebruiks-ruimteduur-zaamheidtoekomst-waardecluster1milieu-kwaliteitleefbaarheid(alg. milieukwaliteit) gehruiks-cluster2integriteit(bijz. milieukwaliteit)waarde cluster3Opschoor en Van der Ploeg VINEX \ MR1Bron: Milieubeleid Rotterdam.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 numiTier6Externe integratie in ROClustering van milieuthema'sIn ruimtelijke plannen speelt altijd een groot aan-tal milieu-aspecten tegelijkertijd. De vraag is ofhet mogelijk is de milieu-aspecten zodanig testructureren dat deze hanteerbaar worden voormilieudeskundigen en overdraagbaar zijn op plan-ontwikkelaars, politici en bevolking.Op basis van het milieugebmiksruimte-concept:de indeling in duurzaamheid, leefbaarheid en inte-griteit, heeft MR getracht de milieu-inbreng te or-denen naar een voor de ruimtelijke ordening sa-menhangende set van thema's uit het NMP (plus).Voor deze thematische clustering is gekozen,omdat er per thema concrete (reductie)doelstel-lingen en maatregelen zijn geformuleerd.De milieu-aspecten zijn uitgewerkt naar drie clus-ters:1. milieu-aspecten met de daaraan gekoppeldethema's; verandering van klimaat, verzuring, ver-spreiding (emissies), verspilling en verwijdering.Deze thema's zijn gericht op het belang van toe-komstige generaties en sluiten nauw aan op de de-finitie van duurzaamheid. De criteria hebben be-trekking op reductie- (bijvoorbeeld terugdringenenergiegebruik) en algemene doelstellingen (bij-voorbeeld het sluiten van kringlopen);2. milieu-aspecten met de daaraan gekoppeldethema's verstoring en verspreiding (immissies).De belanghebbende is hier de huidige generatie.De kwaliteit van de leefomgeving (leefbaarheid)en in het uiterste geval de gezondheid staan cen-traal. De milieu-aspecten hebben een duidelijkmilieuhygienisch karakter: verontreiniging vangrond- en oppervlaktewater, lucht en bodem en debeperking van gevaar, geluid- en geurhinder. Voorhet meten van de kwaliteit kent het milieubeleidstreef-, richt- en grenswaarden;3. milieu-aspecten met betrekking tot de natuuren het landschap. De milieuthema's versnippe-ring, vernietiging en verdroging behoren bij dezemilieu-aspecten. Niet de mens maar de natuurstaat centraal. Er ligt hier een link met het doorOpschoor en Van der Ploeg geintroduceerde be-grip integriteit. Met betrekking tot doelstellingenwordt niet alleen geput uit het NMP, maar ook uithet Natuurbeleidsplan.planniveau en voor elke cluster andere accentenworden gelegd.De thema's verandering van klimaat en verzuringworden in het verkeers- en vervoerbeleid op struc-tuurplanniveau anders benaderd dan op bestem-mingsplanniveau.Op structuurplanniveau ligt het accent op aantalgereden kilometers (energieverbruik) en de totaleuitstoot van stoffen en het totaal aantal geluidbe-laste woningen. Deze kunnen beinvloed wordenmet locatiebeleid en de realisatie van hoogwaar-dig openbaar vervoer.Op bestemmingsplanniveau ligt het accent bij-voorbeeld op de lokale luchtkwaliteit tengevolgevan de uitstoot van verontreinigende stoffen terplaatse, het geluidsniveau aan de gevels en de na-bijheid van openbaar vervoer. De eerste twee kun-nen beinvloed worden door een autoluwe inrich-ting van de wijk. De derde heeft te maken met debereikbaarheid van hakes openbaar vervoer, vei-lige fietsroutes en locaties van parkeervoorzienin-gen. Een Verkeers Milieukaart kan in dit verbandvoor beide planniveaus de gewenste informatie le-veren.Op een globaal planniveau (structuurplanniveau)kan vaak worden volstaan met een globale kwali-ficatie van effecten, omdat kwantificering nietnodig en bovendien niet eenvoudig is.Concreet dient op structuurplanniveau aandachtte worden besteed aan locatiekeuzen: compactestad of nieuwe uitleg in open landschap. Hierbijspelen onder andere het sluiten van kringlopen(bijvoorbeeld energieverbruik), mobiliteitsbeper-king (voorkomen emissies en versnippering), glo-bale milieuzonering en ecologische infrastructuureen belangrijke rol (zie schema 2). Een voorbeeldvan een uitwerking op dit niveau is de winnaarvan de Eo Wijersprijs 1992 (zie nootS).Op bestemmingsplanniveau hoeven de aspectenbehorend bij het globale niveau niet opnieuw inbeschouwing te worden genomen. Op dit niveaukan vaak wel concreter worden aangegeven welken in welke mate een bepaald milieu-effect aan deorde is en welke maatregelen daartoe getroffendienen te worden.Inbreng op juiste planniveauDe ruimtelijke planningspraktijk kent een grootaantal planvormen die varieren in schaalniveauen mate van gedetaiUeerdheid: van structuurplannaar bouwplan. Met de hierboven beschrevenclustering van milieu-aspecten is het mogelijk omop systematische wijze de effecten van een plan tebeschrijven. Het is wel duidelijk dat er voor elkConcreet zou hier aandacht besteed kunnen wor-den aan wijkinrichting: bezonning, regenwater-berging, milieuhygienische kwaliteit, autoluwewoonwijk, buitenruimte, bodemverontreiniging,afvalverwerking, et cetera {zie schema 3). Voor eengroot aantal aspecten is een kwantificering moge-lijk. Als voorbeeld op dit niveau kan de uitwer-king van de wijk Spaland-west in Schiedam die-nen.Tenslotte is nog het bouwplanniveau te onder-Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 niimmei 6Schema 2. Aandachtspunten structuurplanniveau.Clusters van milieu-aspecten belangentoekomstige generaties(duurzaamheid)volksgezondheid/hinderhuidige generaties(Icefbaarheid: "quality oflife")natuur, landschaphuidige en toekomstigegeneraties (integritcit)milieu-thema'sverandering van klimaat,verzuring, verspreiding(emissies)verstoring, verspreiding(immissies)vernietigmg, versnipperingverstoring, verdrogingaandachtspunten- verkeersstructuur (aantalkm en emissie van stof-fen)- modal split- afstand tot centrum,werk- en recreatiegebieden- aard-/rest-/stadswarmtemilieuhygienisch totaal-beeld (zie ROM nota'',zoneringsplan Oss 1995,PIM Maastricht)Bedrijfsterrein etiketteringvia Bedrijven en milieuzo-nering'"handhaven/versterkenecologische infra-structuur'', bescherminglandschappen, waterwin-gebieden, stiltegebieden,etc.Bron: Milicubeleid Rotterdam.scheiden. Ook op dit niveau dient aandacht be-steed te worden aan het milieu.'^ Hierbij kan ver-wezen worden naar het door VROM geinitieerdeproject "duurzaam bouwen". Dit project besteedtmet name aandacht aan energieverbruik, materi-aalkeuze en kringkipeii van grondstoffen, met an-dere woorden aan het eerste cluster "duurzaam-heid".Ervan uitgaande dat de effecten van een plan vol-ledig inzichtelijk zijn te maken bevordert de voor-gestelde indeling een heldere besluitvorming enafweging. Daar waar nu vaak het accent op geluid-hinder of externe veiligheid wordt gelegd, biedtbovenstaande clustering een verbreding van hetblikveld. Tevens bestaat de mogelijkheid om demilieukwaliteit af te wegen tegen bijvoorbeeldduurzaamheid.Het kan immers best zo zijn dat een bepaald planeen bijdrage levert aan de vermindering van hetenergiegebruik en de vermindering van de uit-stoot co^ (cluster 1), terwijl door hetzelfde planhet aantal geluidbelaste woningen (cluster 2) toe-neemt. lUustratief is in dit verband ook de zoge-naamde paradox van de "compacte stad": de trans-Schema 3. Aandachtspunten en hestemmingsplanniveau.clusters van milieu-aspecten^ TV\ /7WV\\^^*^m4svFr'\\-W\^\'*f\y fLLnV, }\\\ 1 ] (*%-*' f^ ^belangentoekomstige generaties(duurzaamheid)volksgezondheid/hinderhuidige generaties(leefbaarheid: "quality oflife")natuur, landschaphuidige en toekomstigegeneraties (integriteit)milieu-thema'sverandering van klimaatverzuring, verspreiding(emissies), vcrwijderingverstoring, verspreiding(immisies)vernietiging, versnippermgverstoring, verspreidingaandachtspunten/criteriaafstand tot ov, fietsont-sluitingsstructuurPassieve zonne-energie(bijv. zuidorientatie)afval/reststoffeninzamelingwaterhuishouding (afvoerenzuivering)"milieuhygienische kwaliteitin relatie tot omgeving:- beoordelingsmethode mi-lieu"- auto-arme woonwijk'''- Water en Wijkontwerp''milieukwaliteit in relatietot functie van buitenruim-ten, natuur- en recreatie-gebiedeninvuUing ecologische kern-gebieden en verhindings-zonesRuimtelijke Ordening enMilieu, een aanzet tot eensamenhangend ruimtelijk enmilieubeleid, VerkeerdienstRotterdam, 1990.10Bedrijven en milieuzone-ring, VNG, Den Haag, juli1992, kan op dit niveau ge-bruikt worden voor een (mi-lieuhygienische) typeringvan een bedrijfsterrein.11Ecologi.sche uitgangspuntenherinrichting NoordrandRotterdam, on 205, Project-bureau Noordrand Rotter-dam, april 1991.Bron: Milieubeleid Rotterdf12Regenwaterbeheer op eenindustrieterrein, voorbeeld-plan Vierde Nota, RPD.13Handboek beoordelingsme-thode milieu, inhoudelijkeachtergronden en handlei-ding, N. Streefkerk/vNG,Den Haag, 1992.14Verwezen kan worden naarhet zogenaamde Houtensemodel en het rapport "Demilieuvriendelijke wijk, ont-werp en effecten van eenauto-arme woonwijk. Bu-reau voor Stedebouw, F.J.Zandvoort, 1990.15Water en wijkontwerp, stad-ecologische stappen in deplanvorming, art. Landschap8,1991.16Bi] de bepaling van de lokalemilieukwaliteit kan geputworden uit de discussiestuk-ken naar aanleiding van deministeriele handreikingvoor een voorlopige syste-matiek voor de IMZ.17Ook op dit niveau kan ver-wezen worden naar enkeleVoorbeeldplannen VierdeNota: Smallingerland, Haar-lem, etc.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 aummcr6Externe integratie in RO18Streefbeeld Mainport,Streefbeeld ruimtelijke in-richting en doelstellingenmilieu, ROM project Rijn-mond, Schiedam, mei 1992.19Samenvatting project ecolo-gisch verantwoorde stede-lijkeontwikkeling, Instituutvoor hos- en natuuronder-zoek in opdracht van de RPDen de gemeenten Dordrecht,ZwoUe en Breda.20hi "Miheuheleid in theorieen praktijk", P. Glasbergen(red), 1989 worden tweeoorzaken aangewezen voorhet falen van het milieube-leid: Er wordt onvoldoenderekening gehouden met decomplexe en samenhan-gende aard van de problema-tiek en de onvoldoende af-stemming tussen ensamenhang van de milieu-doelstellingen op politieke,bestuurlijke en ambtelijkeorganisatie.portafstanden blijven klein, het landschap wordtgespaard, maar door de verdichting neemt de bin-nenstedelijke milieubelasting toe.Praktische richtlijnenDe clustering van thema's biedt het voordeel dater per thema landelijke doelstelUngen zijn gefor-muleerd. Er gemakshalve van uitgaande dat, in-dien aan de doelstellingen van het NMP wordt vol-daan, men al aardig op weg is naar duurzameontwikkeling, lijkt een brede toetsing en afwegingvan activiteiten en plannen niet moeilijk.Het tegendeel is echter vaak waar. Ter illustratieworden de problemen geschetst om de doelstellin-gen ten aanzien van geluidhinder te vertalen inpraktische richtlijnen en toetsingscriteria vooreen brede afweging.Ingang 1: toetsen aan wettelijke normenStel een plan voldoet aan de grenswaarden voorgeluidhinder. Met ontheffing en de daarbij voor-geschreven isolatie staat niets het plan formeel inde weg. Het enige wat van het plan gezegd kanworden is dat het voor wat geluid betreft een mini-maal kwaliteitsniveau nastreeft. Hiermee is dusnog niet duidelijk of het plan zonder meet alsduurzaam kan worden beschouwd. Er zijn immersmeer milieu-aspecten en bovendien moet nogworden voldaan aan de NMP doelstelling voor ge-luid.Ingang 2: Voldoen aan de nrnp-doelstellingHet NMP stelt dat het aantal geluidgehinderdenten opzichte van 1986 niet mag toenemen. Methet voldoen aan de wettelijke norm is het nog nietduidelijk of het plan correspondeert met het NMP.Voor de toetsing aan het NMP dient de doelstellingvan het NMP dus vertaald te worden naar de regiodie op het plan betrekking heeft. De volgende vra-gen doemen hierbij op:- wat wordt beschouwd als een geluidgehin-derde?;- wat was het aantal geluidgehinderden in 1986?;- wordt de hinder veroorzaakt door weg-, rail- ofvliegverkeer of door de Industrie?;- op welk gebied wordt beschouwd;- etcetera.In het ROM Rijnmondproject is een poging gedaanom de doelstellingen van diverse thema's naar deregio te vertalen'**, zoals verstoring en thema's diebetrekking hebben op het eerste cluster.Ook deze ingang is, hoewel noodzakelijk, niet toe-reikend voor de beoordeling van het plan. Eenplan als Kop van Zuid dat voorziet in 5000 nieuwewoningen in het hartje van Rotterdam genereertextra verkeer. Hiermee zal de geluidhinder ten ge-volge van wegverkeer in de omliggende wijkentoenemen. Toch is het plan, gelet op het milieu,geen slecht plan, als bedacht wordt dat de beoogde5000 woningen ook elders buiten de stad haddenkunnen worden gebouwd.Uit het bovenstaande blijkt dat een plan beoorde-len op milieu meer is dan het voldoen aan wette-lijke normen en optellen van het aantal geluidbe-laste woningen.Bij de afweging dienen elementen uit alle clusterste worden meegenomen: duurzaamheid en kwali-teit.Voor de beoordeling van de kwaliteit dient niethet voldoen aan wettelijke (minimum) eisen cen-traal te staan, maar de kwaliteit die bij de functiegewenst is. De streefwaarden (ingang 1) en indienaanwezig de doelstellingen (ingang 2) kunnenhierbij als uitgangspunt dienen. Afwijken hier-van, zoals het toestaan van grenswaarden, moetgemotiveerd worden, bijvoorbeeld door een dui-delijke verbetering ten aanzien van cluster 1 of 3.InvuUing van deze clusters is reeds in voile gang.Dit is geen eenvoudige klus. Voor duurzaamheidwordt verwezen naar het project "Ecologisch Ver-antwoorde Stedelijke Ontwikkeling"" en het spe-ciale nummer van Stedebouw en Volkshuisves-ting, jaargang 72, mei 91. Voor leefbaarheid enintegriteit is de "beoordelingsmethode milieu" diein ZwoUe is ontwikkeld, een waardevoUe prakti-sche uitwerking. Milieubeleid Rotterdam (MR) isgestart met het project "milieutoetsingskader".Dit project beoogt de doelstellingen van het NMPnaar de stad te vertalen en te voorzien van toets-bare criteria.Zoals uit het voorgaande blijkt worden vooralvanuit de milieusector alle zeilen bijgezet om"duurzaamheid en kwaliteit" inhoudelijk uit tewerken. Belangrijk voor de verwezenlijking vanhet rnilieubeleid is ook het uitdragen van deze"moeilijke en complexe" boodschap naar plan-nenmakers, projectontwikkelaars, politici et ce-20tera.Handleiding RO en MilieuOm het externe integratieproces in Rotterdamhanden en voeten te geven heeft MR een projecthandleiding Ruimtelijke Ordening en Milieu ingang gezet. Het doel van dit project is tweeledig:1. Operationaliseren van het begrip duurzaam-heid en kwaliteit voor de ruimtelijke-ordenings-praktijk;2. Overdragen van dit concept aan de betreffendegemeentelijke dienst(en).Een belangrijk middel hiertoe is de ontwikkelingvan de Handleiding Ruimtelijke Ordening enStedebouw en Volkshuisvesting 1992 nummer 6Milieu. Het is de hedoeling om samen met de plan-nenmakende dicnsten via voorlichting en discus-sie te komen tot deze handleiding. Het totstand-komingsproces van de handleiding is dus cruciaal.Naast de operationalisatie van het "complexe"milieubeleid wordt aandacht hesteed aan commu-nicatie. Er zal dus veel met voorbeelden gewerktmoeten worden. Voor de communicatie zijn debegrippen blauw, grijs en groen geintroduceerd.Het blauwe milieu rcpresenteert cluster 1 en ver-wijst naar "the blue planet" op de omslag van hetNMP. Het grijze milieu representeert de tweedecluster en heeft betrekking op het stedelijke mi-lieu. De nadruk ligt bier op de "klassieke" milieu-hygienische kwaliteit behorende bij een bepaaldefunctie. De wettelijke grens- en streefwaarden zijnhier aan de orde. Het groene milieu tenslotte gaatin op de derde cluster, te weten natuur en land-schap.ConclusiesRealisering van de doelstellingen van het milieu-beleid staat of valt met het operationaliseren enoverbrengen van het milieubeleid. Dit is niet een-voudig.Ten behoeve van de externe integratie naar deruimtelijke ordeningspraktijk heeft MilieubeleidRotterdam de aandachtsvelden van het milieube-leid in het blauwe, grijze en groene milieu. Samenmet de plannenmakende diensten wordt deze in-deling verder uitgewerkt naar praktisch toepas-bare handreikingen en criteria. Hierbij zal veel-vuldig gebruik gemaakt worden van voorbeelden.Het uiteindelijke doel is een handleiding Ruimte-lijke Ordening en Milieu waarin het kader ge-schetst wordt en voorbeelden gebundeld worden.Stout stukjeStel, u, lezer krijgt hericht dat u benoem-baar bent in de Tweede Kamer. U doethet.Uw fractie blijkt op de hoogte van uwkwaliteiten en belangstelling en u magvoortaan het woord voeren over ruimte-lijke ordening.U valt met uw neus in de boter, want aande orde is net de Vierde Nota Extra!Op een avond zit u in de trein terug naarhuis, broedend op de vragen die u nueens zal gaan stellen in het kader van deschriftelijke voorbereiding van de mon-delinge behandeling. Uw oog valt op ditplaatje:omdat u weet dat er een A-B-c-locatiebe-leid bestaat, dat u bovendien steunt,vraagt u zich af waarom die regionalerailverbinding van Den Haag naar Delftbij het station van Delft naar het zuid-westen afbuigt, een woongebied in, enniet naar het zuidoosten, een werkge-bied in. U vroeg zich dat eigenlijk allanger af en u ruikt uw kans. U weet na-melijk dat daar aan de snelweg tussenDen Haag en Rotterdam, in wat deTU-wijk genoemd wordt, duizendenmensen werken, voor een aanzienlijkdeel op hoogwaardige, dus goed be-taalde, arbeidsplaatsen: TUD, TNO,V en w - een kantorengebied met boven-dien een redelijk hoog overheidskarak-ter, op een c-locatie.RUSWUKDe woonwijk-doortrekking is indertijddoor het Rijk aan de gemeente Delft toe-gezegd in het kader van de ontwikkelingvan de wijk Tanthof.Dit soort dingen begrijpt u.Maar dan.Een oostelijke doortrekking is een ver-spilling van geld omdat verwacht magworden dat dit slechts mensen van defiets in het openbaar vervoer zal doen be-landen.U leest dit drie keer.U denkt een paar dingen die u als politi-cus niet op kan schrijven.U realiseert zich weer eens hoe weinigspreektijd u hebt bij de Kamer-behande-ling.U belooft uzelf plechtig hoe dan ook bijeen of andere gelegenheid hierop terugte komen. Met deze foto!AlBICAocMics. Bron: VINEX.Omdat u het een en ander weet van ver-voersketens,omdat u weet hoe cruciaal juist het na-transporttraject hierin is enSneltram naar TU-ivijk in Delft!(illustrade M. Jacobs).Uw vraag belandt met alle andere op hetWillem Witsenplein en enige wekenlater, op 15-11-92, verschijnt er eendoorwrochte lijst met antwoorden.Best' een beetje nieuwsgierig zoekt uvraag 191 op. Het antwoord bestaat uittwee delen.(Fotografische Dienst, TU-Delft.)U besluit nog maar even Kamerlid teblijven.Ina KlaasenStedebouw en Volkshuisvesting 1992 nummer6Ruimtelijke impact vanstedelijke vernieuwingvernieuwingsprojecten in ruimtelijk verbandGrootschalige projecten van internationale allurezijn bij uitstek (ruimtelijke) instrumenten van ste-delijke vernieuwing geworden. Bij waarderingdaarvan mogen de publieke doelstellingen voor destad ah geheel niet uit het oog warden verloren.Onderzoek naar de ruimtelijke impact van (sleu-tel)projecten biedt een geschikt evaluatiekader. Deprojecten moeten worden gewaardeerd op hun eco-nomische en locationele doorwerking op (groot)ste-delijke schaaLDrs. F.G. de KuijerMedewerker Sociaal Weten-schappelijk Onderzoek, RPD,Den Haag.Dit artikel is op persoonlijketitel geschreven.Ruimtelijke impact vangrootschalige herstructure-ring; deel 1: Resultaten vaneen literatuurverkenning,Prof. Dr. J. Buit, Planolo-gisch en Demografisch Insti-tuut, Universiteit van Am-sterdam, 1989.Ruimtelijke impact vangrootschalige herstructure-ring; deel 11: Resultaten vaneen verkenning van Dock-landsprojecten in Liverpoolen Bristol, Prof. Dr. J. Buit,Planologisch en Demogra-fisch Instituut, Universiteitvan Amsterdam, 1990.Ruimtelijk impactonderzoek richt zich op de(in)directe effecten van een structurele in-greep in het stedelijk lichaam. Afhankelijkvan hun aard en omvang hebben die ingrepen in-vloed op de ruimtehjke omgeving, varierend vande directe omgeving (het aangrenzende winkel-,kantoren- of woongebied), de stad als geheel totaan de grootstedelijke regio.Naast concrete - op locaties gerichte - invloedengaat het ook om abstracte doorwerking in ondermeer de economische structuur en de vastgoed-markt van de stad als geheel.Allereerst moet worden vastgesteld wat de rele-vante omgeving is. Vervolgens welke effecten inwelke richting (positief of negatief) en in welkeomvang optreden.In derde instantie moet worden nagegaan of en zoja in welke mate de ingreep (on)gunstig is voor derelevante omgeving. De doelstellingen van de in-greep zelf kunnen vervolgens van kritische kant-tekeningen worden voorzien.Een dergelijke impact'evaluatie geeft een aanzet toteen integrale ruimtelijke afweging van stedelijkevernieuwing nieuwe stijl.Stedelijke vernieuwing nieuwe stijl kan wordenomschreven als de uitvoering van relatief groot-schalige projecten, die in essentie gericht zijn ophet scheppen van nieuwe stedelijke milieus om erbij voorkeur functies in onder te brengen die destad een eigen profiel kunnen geven in de(inter)nationale stedenconcurrentie (city-marke-ting). De aandacht is vooral gericht geweest ophet instrumentele karakter van city-marketing; deorganisatie en financiering van projecten door zo-genaamde private-publieke samenwerkingscon-structies.De projecten hebben hun eigen doelstellingen:voor wie en door wie moeten welke ruimtelijkemilieus worden ontwikkeld? Wat de vernieuwingop haar beurt bijdraagt aan de publieke doelstel-lingen voor de stedelijke samenleving als geheelraakt daarbij te vaak ondergesneeuwd. De ver-nieuwingsdiscussie krijgt dan - ten onrechte - eente eenzijdig uitvoeringsgericht karakter.Althans dat is de centrale veronderstelling in ditartikel, die slechts hard gemaakt kan worden dooreen systematische evaluatie van projecten in hunuiteenlopende fasen van ontwikkeling, uitvoeringen realisatie. Zo's alomvattende evaluatie ont-breekt nog in ons land.Waarom dit artikel?Het artikel bevat een beargumenteerd pleidooivoor het doen van onderzoek naar de ruimtelijkeimpact van vernieuwingsprojecten. Dat zijn inNederland de zogenaamde sleutelprojecten uit deVierde Nota.Recent ruimtelijk impactonderzoek' heeft hetthema weer actualiteitswaarde gegeven. Naast eenliteratuurstudie, is de omgevingsinvloed van tweezogenaamde "Dockland"-projecten (in Liverpoolen Bristol) onderzocht. De "Docklands" staan in-ternationaal model voor het geslaagde type pro-jectmatige stedelijke vernieuwing. De studievormt een aansporing tot soortgelijk onderzoek inNederland.Stedebouw en Volkshuisvesting 1992 nummer6Een tweede inspiratiebron is het lopende, acade-misch debat over stedelijke vernieuwing in inter-nationaal perspectief, zoals dat onder meer optwee conferenties in Nederland is gevoerd.^ Daarkon herhaaldelijk worden beluisterd dat publiekedoelstellingen een prominente(re) rol in de plan-ning dienen te spelen om een adequate beoorde-ling van de doelgerichtheid van de desbetreffendeprojecten mogelijk te maken.De huidige uitvoeringspraktijk, die nog het best tetyperen is als "een breed-spectrumbenadering meteen veelheid van onderling weinig samenhan-gende projecten"', laat nog veel vragen daarom-trent onbeantwoord.Gaat het de stedelijke vernieuwers vooral omnieuwe banen en zo ja voor wie? Of gaat het pri-mair om de creatie van nieuw stedelijk inkomenen hoe sijpelt dat dan door in de lokale economic(multiplierwerking)? Wordt er geinvestecrd in degcbouwde omgeving en de stedelijke infrastruc-tuur omdat daarvan positieve hefboom-effectenworden verwacht voor de directe omgeving en/ofde stad als geheel? Of vormen de projecten in delokale context een "wereld apart", omdat zij pri-mair zijn opgehangen aan een internationaal net-werk en onvoldoende zijn ingebed in een lokaalontwikkelingspatroon?Om wiens doelstellingen gaat het nu eigenlijk?Die van de (centrum)gemeentelijke overheidof die van een grootstedelijke (samenwerkings)-regio? Aan wie komt de vernieuwing uitein-delijk ten goede? Deze en soortgelijke vragenkomen in het artikel aan bod.Een derde aanleiding vormt het zogenaamde loca-ticbeleid uit de Vierde Nota Extra waarmee beper-king van de groei van de automobiliteit in hetwoon-werkverkeer, ter bestrijding van congestieen milieu-overlast, wordt nagestreefd.Impactonderzoek lijkt bij uitstek geschikt om der-gelijke vragen naar de relatie tussen doel(en) eninstrumenten van stedelijke vernieuwing in eenmtegraairMimtelijk perspectiefteoperationaliseren.In het verleden is dergelijk onderzoek vooral ge-richt geweest op koopkracht- en overlasteffectenin de directe (woon)omgeving. Het gaat nu omandere zaken, veelal op hogere schaalniveaus,zoals in het navolgende zal worden aangetoond.Economisch modelHet economisch model achter de huidige stede-lijke vernieuwing is schematisch in drie variantenuit te werken, elk met eigen doelstellingen, instru-menten en impact-effecten. Ook het type ver-nieuwingsgebied (type locatie en situering) kanonderling uiteenlopen, evenals de schaal waaropde effecten doorwerken. Als er in het vervolgsprake is van "de stad", kan dat zowel op de cen-trumgemeente als op een (nader af te bakenen)grootstedelijk gebied slaan, afhankelijk van deruimtelijke actieradius van het project.1) De eerste v
Reacties