74eJAARGANG 1993 NUMMER sStedebouwVolkshuisvestingCASCO-PLANCONCEPT INPRAKTIJK GETOETSTRUIMTELIJKEINVESTERINGSSTRATEGIEWATER VOOR RUIMTE?PKB: BASIS VOORBESCHERMING WADDENZEEBOUWKOSTENMANAGEMENTDe garantie voor een efficiente beheersing van bouwkosten,eteftS*at05bot?BOUV^KOSTENMANAGEMENTDFXWELBouwkostenmanagement houdt in dat investeringen wordenafgewogen tegen de levenscyclus en de exploitatiekosten vaneen gebouw.De bouwkostenmanager richt zich in zijn werkzaamiieden ophet geldaspect: iiet realiseren van het project binnen bet ge-stelde budget. Door in iedere fase van het project de conse-quenties van wensen en eisen inzichtelijk te maken, kan een ef-ficiente beheersing van bouwkosten worden bereikt.De specialist, of deze nou architect, aannemer of adviseur is,vindt in het eerste deel van het boek de principes van bouw-kostenmanagement behandeld. Aan de hand van praktischevoorbeeldcases wordt per fase van het bouwproces duidelijkwelke maatregelen moet worden getroffen. Het tweede deelwerkt tot in detail de belangrijkste onderwerpen uit in een serievan dossiers.De samenstelling van Bouwkostenmanagement is in handenvan Berenschot Osborne, Management Consultants voor huis-vesting, bouw- en industrieprojecten. Adviseurs met jarenlan-ge ervaring beschrijven uitvoerig wat de rol van de bouwkos-tenmanager in het bouwproces is.Beknopte InhoudsopgaveDeel I Bouwkosten in het bouwprocesFasering bouwproces, Orientatie, Projectdefinitie, Ontwerp, Bestek en aanbesteding, Uitvoering, IngebruiknameGebruik.Deel II DossiersHuisvestingsvraagstukken en het ondernemingsbeleid, Investeringskosten van gebouwen, Exploitatiekosten vangebouwen, Terminologie vloeroppervlakte van gebouwen, Kengetallen, Financieringsvormen, Beleggen in onroe-rend goed, Grondprijs, De elementenmethode. Reserves, Contracting plan, Waarde-analyse, Bestekken, Aanbeste-dingsvormen, De hoeveelhedenstaat, Procedure meer/minderwerk, Indexering, Termijnbetalingsregelingen, Kos-tenanalyse.BOUWKOSTENMANAGEMENTISBN 90 6155 411 X, 208 pag., ing. prijs/62,00 incl. BTWVoor bestellingen en nadere informatie:DELWELUitgeverijB.V,Postbus 19110, 2500 CC 's-Gravenhage.Tel.: 070-362 48 00, Fax 070-360 56 06.ffTifmDELWELUITGEVERIJOok verkrijgbaar via de boekhandelDELWEL: VAN HUlS UIT INFORMATIEFInhoudDENKRAAM3 Betuwe-routeH.M. GoudappelARTIKELEN1015Casco-planconcept in de praktijk getoetstRJ./.M. vanderHamVan der Ham begeleidde de uitwerking vanhet casco-planconcept in de voorbeeldplan-nen Nuenen, Ede en Nijkerk. Wat waren zijnbevindingen?21Ruimtelijke investeringsstrategieE. WeverOm de Internationale concurrentiepositie vanzijn nationale economie te versterken miktNederland op de dienstensector van de stede-lijke knooppunten. Het is de vraag of sterkevoorkeur voor diensten verstandig is. Waaromniet meet aandacht voor Industrie?PKB: basis voor bescherming van deWaddenzeeE. van Huijssteeden en E. WatervalDe bestaande Planologische Kernbeslissing(PKB) Waddenzee van 1980 wordt integraalherzien. Waarom wordt de pkb herzien enwelke opvattingen zijn er over deze herzie-ning?STOUTSTUKJE : '; , :.J.T. Klaasen22 Water voor ruimte?C.B.F. Kuijpers, M.H.B. Pen'Soetermeer enF.H.ter WelleDe waterkwaliteitsproblemen en de verdro-ging vereisen een betere afstemming tussenruimtelijke ordening en waterhuishouding.Dit heeft gevolgen voor de ruimtelijke orde-ning op rijks- en provinciaal niveau.28 VAKGENOTENH. van der CammenSIGNALENVOORBEELDPLANNEN29 Groen als voorbeeldKJ.H.W.DeenSTADSECOLOGIE33 De vruchtbare stadA.W. HartmanBESTUUR EN RECHT34 De grote stad als bestuurlijke oogappelGJ.W. Dijkink37 Pianologie met privaatrechtJ. StruiksmaVOLKSHUISVESTING39 HuursombeleidJ.M. KoopmanUIT DE RARO41 Grote projecten41 Taak/samenstelling RARO42 Jong-leren in de ruimte43 Inspraak BetuwerouteUIT DE RAVO43 Herstructurering RAVOPUBLIKATIES45 BoekbesprekingenStedebouw enVolkshuisvesting74e jaargang 1993 nr. ZOrgaan van liet NederlandsInstituut voor RuimtelijkeOrdening en VolkshuisvestingEen uitgave vanDELWEL Uitgeverij B.V. insamenwerking met het NIROVVerschijnt zes maal per jaarRedactie:Ir. J. BrouwerIr. H. DekkerMr. A.Ch. FortgensDr. H.J.M. GoverdeIr. P.C. GroenDrs. R. te GrotenhuisMr.ir. A.W. HartmanMw.drs. I.T. KlaasenIr. W. RehDrs. P.W.A. VeldMw.mr. Y. de VriesIr. H. WestraRedactiesecretariaat:Drs. R. te GrotenhuisI. Steenhoff-BoogersRedactie, administratie enpublikaties ter recensie:Mauritskade 21,2514 HD Den Haagtelefoon 070 - 346 96 52Richtlijnen voor auteurs:Auteurs van artikelen en boek-besprekingen kunnen op hetredactiesecretariaat "Richtlij-nen voor auteurs aanvragen".Advertentie-exploitatie:DELWEL Uitgeverij B.v.Alexanderstraat 26Postbus 191102500 CC 's-Gravenhagetelefoon 070 - 362 48 00telefax 070 - 360 54 36Advertentieverkoop:Eric Noordamtelefoon 070-362 48 00Vormgeving:ArieJ. LandmanUitgeverDrs. A.F. Westerhofaangesloten bijNOTU-groep vak-vAKTijDscHRiFTEN ; tijdscKriften48 UNIVERSITARIAAfbeelding omslagCasco-concept:een bundeling van laag-dynamischefuncties (houtwallen) in een raam-werk, terwijl de hoog-dynamischefuncties (landbouw) worden gecon-centreerd in gebruiksruimten. (Stap-borst, foto Aerocamera, Michel Hof-meester, Rotterdam).Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2Bewoners bepalen eigen huisindelingDoor het opkomen van andere samenlevingsvor-men, emancipatie en individualisering is een be-hoefte ontstaan naar nieuwe woonvormen. In hetboek Vormgeven aan flexibele woonwensenwordt op illustratieve wijze uitgelegd hoe aan dezenieuwe vraag kan worden voldaan.De traditionele gezinswoning voldoet steeds min-der en vandaag de dag wil de consument de moge-lijkheid hebben zelf zijn huis in te delen. Datwil zeg-gen kunnen kiezen uit verschillende vormen van in-deling, zelf bepalen wat er in huis komt en waar hetkomt.Het boek behandelt het Espritconcept. Dit concepthoudt in dat de toekomstige bewoner van een wo-ning kan kiezen uit een voUedig pakket van inbouw-produkten waarmee deze een indeling naar eigenwens kan realiseren. Deze inbouwprodukten zijnstekkerklaar, dus wijziging in de indeling is eenvou-dig te realiseren. Zelfs geldt dit voor het sanitair ende keuken. Om dit mogelijk te maken zijn produk-ten ontwikkeld als demontabele wandsystemen,verplaatsbare noppenvloeren en inplugproduktenvoor elektra en water.Vormgeven aan flexibele woonwensenArthur 0. Eger, Rene van Riggelen, Harm van Triest.100 pagina's. Geheel in kleur. Hard Cover.Groot formaat (24x32 cm). Prijs /60,10 incl. BTWISBN 90 6155 459 4.mmDELWELUITGEVERIJBesteiiingen en nadere informatie:DELWEL Uitgeverij B.V Postbus 19110,2500 CC 's-Gravenhage. Tel. 070 - 362 48 00, Fax 070 - 360 54 36Ook in de boekhandel verkrijgbaar.DELWEL: VAN HUIS UIT INFORMATIEFBetuwe'touteDe veronderstelde ontwikkeling van de haven van Rotter-dam tot een "mainport" van Europees-mondiale allurewas de aanleiding om zich in VINEX, SVV-II en MIT (als U nogweet wat dat allemaal betekent) de noodzaak van een nieuweautonome (Duitse!) achterland-verbinding per spoor door deBetuwe voor te stellen. Overgoten met een smeu'ig sausjeNMP+ (want spoor is toch immers milieuvriendelijk!) kon hetniet meer stuk. Het was inderdaad een doortastend beleid datal op 16 april 1992 een kant en klaar ontwerp-PlanologischeKernbeslissing (PKB) Betuwe-route (BR) gelanceerd kon wor-den, compleet met een afgeronde MER-procedure!Kant en klaar?? Misschien is dat wat eufemistisch gesteld. Zel-den (waarschijnlijk: nog nooit) werd de behandeling van eenPKB in de zogenaamde inspraak (voor bevol-king en lagere overheden) en door adviesra-den z6 getekend door pogingen om alsnoggaten in argumentaties, veronderstellingen,wankele prognoses en verdere onzekerheden(onder meer financiering en positie NS) dichtte timmeren. Zelfs een Bundesminister moest |eraan te pas komen om een Overeenkomstmet onze Minister van Verkeer en Waterstaat te forceren,waarin zware verplichtingen van Nederlandse zijde wordentoegezegd (veel verdergaand dan de BR! ). Het meest boeiendevan deze overeenkomst is dat eruit blijkt dat aan Duitse zijdealle maatregelen ter verhoging van snelheden en capaciteitenzuUen worden gerealiseerd binnen het bestaande stelsel!De Raad van advies voor de ruimtelijke ordening (RARO)heeft zich in de afgelopen periode intensief bezig moetenhouden met de Projectnota en de PKB Betuwe-route.Ook de inderhaast opgestelde toelichtingen en prognosesvoorkwamen niet dat het advies zoveel vragen, bedenkingenen beperkende ("mits") clausules moest omvatten, dat enkeleraadsleden concludeerden dat op dit moment alleen een(krachtig) NEE tegen het Projectvoorstel en de PKB op zijnplaats is.Het laten horen van een "Nee", (tenzij...) lijkt in te gaantegen de principe-instemming van de RARO met de BR tijdensde behandeling van de VINEX in 1990. Toch ligt het voor dehand om bij de confrontatie met een concreet uitgewerkt pro-ject de vraag te stellen of dit nu is wat men zich ervan voor-stelde, ruimtelijk, functioned, milieukundig, financieel-eco-nomisch en exploitatief. Immers, het gaat hier om een soortindustrieterrein, van zo'n 50 m x 100 km(!), dat als eenFremdkorper in de ruimte wordt gelegd, zonder enige stimule-rende omgevingsrelatie. Dat is ook de belangrijkste redenwaarom alles en iedereen in het te treffen gebied terecht tehoop loopt. De wanhoopsvoorstellen om alles maar onder degrond te stoppen zijn in dit geheel alleen maar ernstige symp-tomen van struisvogelgedrag.De gemeente is overstelpt met prognoses. Maar de vraagnaar de aan de uitkomsten verbonden impacts, conse-quenties, en dergelijke is nauwelijks gesteld! Zo worden deveronderstellingen over een "noodzakelijk" geachte vergro-ting van het Rotterdamse havenpotentieel, met de ruimte-lijke en milieu-aspecten daarvan, zorgvuldig buiten de discus-sie gehouden. Evenmin komen de veronderstelde belastingenvan aan- en afvoerverbindingen aan de orde. In de voorlig-gende PKB wordt alleen gedacht binnen de beperkingen vaneen ujN-project; een netwerkbenadering ontbreekt.Nog ernstiger is dat we met de gehanteerde prognosetechnie-ken en -methoden weer volop terug zijn in het midden van dejaren zestig toen de absolute noodzaak van honderden km'smeer autosnelweg dan we nu uiteindelijkhebben, werd "bewezen", de aanleg van eentweede nationale luchthaven vaststond alseen huis en metro's vooral niet kleinschaligmochten worden opgezet. Op al deze terrei-nen heeft men destijds moeten inbinden,omdat de grondslagen waarop men zijn mo-delmatige toekomstvisie bouwde niet houd-baar bleken; technisch niet, maatschappelijk niet en finan-cieel-economisch niet.Zou men zich wel eens hebben afgevraagd wat de BR-progno-ses zouden opleveren als men ze zou loslaten op de andere on-derdelen van de Nederlandse infrastructuur? Zou een daarbijveronderstelde samenleving nog wel mogelijkheden van be-staan hebben, ruimtelijk en ...moreel?Wat dan wel? Primair zal de vraag gesteld moeten wordennaar de reele verwachting van de goederenstroom en demogelijkheden om de capaciteit daarvoor waar dan ook aan tebieden. Vervolgens zullen groei-opties, in casu geleidelijke in-vesterings- en uitvoeringswijzen, bezien moeten worden van-uit het bestaande stelsel. In een onzekere markt is het gebodenom uit te gaan van gefaseerde, flexibele en vooral multifunc-tionele uitbreidingen van infrastructuren. Voorts is een diep-gaande studie nodig van technologische ontwikkelingen eninnovaties.Juist NU, als er zo'n groot werk voor de deur staat, moet de kansgegrepen worden om toekomstgericht bezig te zijn! Een uitda-ging van het Nederlandse bedrijfsleven om een Europese stan-daard te ontwikkelen!Als men zes miljard wil investeren, laat men het dan doen inzaken die qua impact en karakteristiek een brede weerslag bie-den voor ons land als geheel, ook op railgebied.Prof.ir. H.M. Goudappel,Kroonlid RARO.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993CascO'planconcept in depraktijk getoetstIn het project Voorheeldplannen Vierde Nota heeftde Rijksplanologische Dienst hinnen het thema"Planning in het landelijke gebied'' het begripcasco-planning geselecteerd om aan de praktijk vande ruimtelijke planning te toetsen.Van der Ham hegeleidde de uitwerking van devoorheeldplannen Nuenen, Ede enNijkerk.Wat waren zijn bevindingen?Ir. R.J.I.M. van derHamLandschapsarchitect, be-stuursadviseur gemeenteDen Haag.Twintig procent van allebovenlokale planconcepten,die in de afgelopen zeventigjaar zijn gebruikt, is in delaatste vier jaar ontwikkeld.Citaat van Goedman enZonneveld in RuimtelijkeVerkenningen 1992, hoofd-stuk 2.6, Stedelijke concept-vorming. RijksplanologischeDienst.2Zie Visie Landschap, hlz. 68.Beleidsvoornemen VisieLandschap, maart 1991.Ministerie van Landbouw,Natuurbeheer en Visserij.Enig inzicht in het ontstaan en de betekenisvan het casco-planconcept is van belang,omdat in de ruimtelijke ordening in eenhoog tempo nieuwe planconcepten worden gein-troduceerd, waarvan het creatieve woordgebruikopvalt, maar waarvan de betrouwbaarheid van debeeldende werking minder opvallend is.'Vervolgens zal aandacht worden besteed aan debetekenis van dit concept in het rijksbeleid voorde landelijke en stedelijke gebieden. Dan komende drie voorbeeldplannen aan de beurt.Wat is casco-planning?Wat is eigenlijk dit begrip casco-concept? Wat be-tekent het, wat willen we en wat kunnen we er-mee?De meest gangbare definitie van het casco-con-cept geeft aan, dat het planningsbenadering iswaarmee een kader voor de ruimtelijke ontwikke-ling van het landelijk gebied wordt gegeven enwaarbij een scheiding tussen gebruiksfuncties metverschillende dynamiek wordt voorgestaan. Hier-bij wordt gestreefd naar een bundeling van laagdy-namische functies in een raamwerk, terwijl dehoogdynamische functies worden geconcentreerdin gebruiksruimten.^Laagdynamische functies omvatten bijvoorbeeldnatuurgebieden, waterelementen, bossen, cul-tuurhistorische fenomenen en dergelijke. Bijhoogdynamische functies meet men onder meerdenken aan diverse vormen van landbouw,nieuwe woonwijken, transport, infrastructuur et-cetera.^Deze planningsmethode komt voort uit de prak-tijk van de zogenaamde Landschapsstructuurplan-nen die in de jaren zeventig als planningsinstru-ment voor de landelijke gebieden gepresenteerdwerden en die vergeleken kunnen worden met destructuurschetsen voor de stedelijke gebieden.Deze landsschapsstructuurplannen laten een visiezien op de ruimtelijke ontwikkeling van het land-schap, gepresenteerd met de toen gebruikelijkeplanningsmethodieken.De kenmerkende elementen van het landschapwerden op min of meer wetenschappelijke wijzegeanalyseerd. Er werd een waarde-oordeel over dekwaliteit van deze kenmerken gegeven en deze ge-biedskwaliteiten werden geconfronteerd met degebruiksfuncties van het gebied. Het resultaat vandeze exercitie leverde een beleid op, waarin aanhet overwegende agrarische gebruik van het lan-delijk gebied in meer of mindere mate beperkin-gen werden opgelegd ten gunste van natuur, land-schap en recreatieve functies. Hoe die beper-kingen werden geeffectueerd en hoe de financie-ring ervan werd geregeld was van latere zorg.Scheiden en verwevenDit planningsbeleid werd de verweving genoemd.Het is een casco-concept avant la lettre. Het be-grip werd voor het eerst gepresenteerd in de DerdeNota over de Ruimtelijke Ordening in 1977, inhet deel 3 over de Landelijke Gebieden. Verwe-ving werd in een adem genoemd met het begripscheiding. Het principe van scheiden zou moetenworden toegepast in gebieden waaraan een duide-lijke hoofdfunctie was toegekend en de overige ge-bruiksfuncties zouden slechts door onderlingescheiding gehandhaafd kunnen worden.Dit verwevingsbeleid werd geintroduceerd omdatde toen "zacht" geachte functies niet voldoendetot hun recht kwamen ten opzichte van de hardelandbouwclaims. De landschappelijke en ecologi-Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummerZsche waarden bleken onvoldoende beschermd enin de ontwikkeling van de landelijke gebiedenwerd te weinig aandacht besteed aan de toene-mende vraag van de verstedelijkte bevolking naarvoorzieningen in het buitengebied met voldoendenatuurlijke en recreatieve kwaliteiten.Het scheidings- en verwevingsbeleid leidde op na-tionale schaal tot aanwijzing van gebieden, waarsprake diende te zijn van de afwisselende gebruiks-functies en gebieden met bepaalde hoofdfuncties.Verweving moest echter zoveel mogelijk verwe-zenlijkt worden. Dit betekende dat de sterkerefuncties moesten worden afgestemd op de zwak-kere functies. Als instrument werd het middel be-heersovereenkomst iiigevoerd (Relatienotagebie-den).Omdat dit concept op nationale schaal werdgeintroduceerd en het duidelijk geen vormcon-cept of planconcept was maar een beleidsconceptop het gebied van de ruimteUjke ordening, moesthet wel in beheersplannen en bestemmingsplan-nen gestalte krijgen.Volgen we dan dit beleidsconcept in de tijd, danblijkt volgens ZonneveW dat tien jaar later eenverschuiving in dit beleidsconcept is opgetreden.De scheiding van functies krijgt een prominentereplaats. Wat is de oorzaak hiervan? De landbouw-kundige bedrijfsvoering vraagt onder invloed vande ontwikkelingen op de wereldmarkt een grotereflexibiliteit van het areaal en van produktietech-niek en teeltkeuze.Daartegenover staat de wens om grotere arealennatuurgebied te realiseren en een ecologischehoofdstructuur te ontwikkelen.KoersbepalingHet concept verweving is niet haalbaar en in 1990introduceert de Vierde Nota over de RuimtelijkeOrdening het koersenbeleid, waarin een veel meergenuanceerde houding wordt ingenomen ten op-zichte van het krachtenveld van de verschillendegebruiksfuncties in de landelijke gebieden. Hoe-wel er nog wel sprake is van dominantie van de enegebruiksfunctie boven de andere, krijgt het schei-dingsprincipe toch weer meer nadruk. Echter, denadruk ligt vooral op de afstemming van de agrari-sche activiteiten op natuur en milieu en op de leef-baarheid.Hoewel de discussie en de gedachtenvorming overde koersbepaling nog volop aan de gang is, moethier echter al geconstateerd worden, dat in feitehet scheidings- en verwevingsbeleid als het bestdenkbare compromis voortgezet wordt, maar datook de roep om een meer concentrerend beleid tevoeren duidelijk hoorbaar is. (Nadruk op concen-tratie in stadsgewesten, concentreren van inten-sieve vormen van landbouw in complexen, devastlegging van een Ecologische Hoofdstructuur).Echt duidelijk is het rijksbeleid in dit opzicht dusniet. Per gebiedsdeel moet of worden gescheidenof worden verweven. Het verweven lijkt weer nieterg haalbaar te zijn. Dat blijkt onder meer ook uitde praktijk van de bestemmingsplannen buitenge-bied.^ Dus verplaatst de aandacht zich nu naar hetscheidingsprincipe en vooral naar de uitvoeringervan in de praktijk.Gezien het bovenstaande is het dan ook niet ver-wonderlijk, dat sinds de introductie van het begripcasco er al verwarring bestaat over de betekeniservan en over de wijze waarop het moet wordentoegepast in de ruimtelijke planning. De verwar-ring spitst zich onder meer toe op de vraag of decasco-benadering ook als een vormconcept, alseen ruimtelijk model kan worden toegepast. Maaral te gemakkelijk verwoorden immers planologen,stedebouwers en ontwerpers met modieuze neolo-gismen denkbeelden, die in het vakjargon zijn op-genomen, terwijl ze het prenatale stadium nogniet hebben verlaten.Een begrip is pas gedefinieerd als de personen diebij de discussie zijn betrokken, eenstemmigheidhebben bereikt over de betekenis ervan. Laten wedaarom eens kijken naar wat de onderzoekers vanhet casco-concept ervan vinden.OnderzoekersIn opdracht van het Ministerie van Landbouw,Natuurbeheer en Visserij heeft het adviesbureauHamhuis + Van Nieuwenhuijze + Sijmons eenrapport over het casco-concept samengesteld.*" Detekst van het rapport is moeilijk toegankelijk. Deconclusie lijkt te zijn dat het casco-concept be-CascO'Concept: een bundelingvan laag dynamische functies(zoah houtuiallen, water) ineen raamwerk, terwijl de hoogdynamische functies (land'bouw) worden geconcentreerdin gebruiksruimten (foto Hoi-landse Hoogte).Het is echter nog niet zovanzelfsprekend om een der-gelijke inhoud aan de laag-en hoogdynamische functieste geven. Van der Vlistplaatst i^ritische kantteke-ningen bij de gehanteerdedefinities, die bij de uitwer-king van de voorbeeldplan-nen niet aan de orde zijn ge-komen. Van der Vlist: Hetcasco-concept zijn nog on-voldoende onderbouwd. In:Blauwe Kamer, mei 1991.4W. Zonneveld, Conceptvor-ming in de ruimtelijke plan-ning, Encyclopedic vanplanconcepten, Planologi-sche studies 9a, 1991.5Zie commentaar van Idingbij het Bestemmingsplanbuitengebied van de ge-meente Wageningen. In:Blauwe Kamer, april 1992.6Zie biz. 45, Het Casco-con-cept, een benaderingswijzevoor de landschapsplanning,H+N+S adviesbureau voorruimtelijke planning en ont-werp, 1992.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2Casco-planconcept getoetstplanners ver-woorden metneologismendenkbeeldendie te vroeg inhet vakjargonkomenstaansrecht heeft op de regionale schaal als een or-deningsprincipe, waarbij echter tussen zandgebie-den en veenweidegebieden verschillen in uit-werking van het raamwerk en de gebruiksruimtenzijn. Het rapport spreekt gelet op de toepasbaar-held van het casco-concept op het lokale schaal-niveau over boven- en benedengrenzen, waarbin-nen raamwerk en gebruiksruimten nog kunnenfunctioneren. De benedengrens zou onder meerbepaald worden door fysieke zaken als minimumarealen, waarbinnen nog een effectief beheer engebruik mogelijk zijn. Het rapport zegt dus met an-dere woorden: een casco is een ruimtelijk orde-ningsprincipe dat zowel op de lokale als op de re-gionale schaal kan worden toegepast.Van het laatste geeft het nieuwe streekplan voorNoord-Brabant een goed voorbeeld. Hier wordteen ruimtelijke zonering voorgesteld, waarbij delaagdynamische functies zoveel mogelijk wordengescheiden van de hoogdynamische. Natuur- enlandschapswaarden moeten worden beschermd,maar ook de economische functies moeten wor-den versterkt. Dat betekent kiezen en structurenvastleggen van hoofdfuncties met randvoorwaar-den aan de ontwikkeling van andere functies. Opde kaart ontstaat een grofmazig raamwerk en in depraktijk heeft dit voorlopig nog forse boerenpro-testen tot gevolg.Samenvattend: Hamhuis, Van Nieuwenhuijze enSijmons komen tot de conclusie, dat zoals zoveelplanningsconcepten het casco-concept een me-tafoor is waarmee een visie wordt verwoord overeen ruimtelijke inrichting waarbinnen een vastpatroon van stabiele landschapselementen ge-bruiksruimten bestaan voor de meer dynamischefuncties. De feitelijke betekenis van het woord"casco" wijst ook op een ruimtelijk model. Deschaarse uitwerkingen op regionale schaal, die totop heden zijn verschenen van het casco-concept,ondersteunen deze betekenis van de metafoor.Maar of het casco-concept zich ook op het lokaleschaalniveau laat vertalen in een inrichtingscon-cept is een vraag, waarop de voorbeeldplanneneen antwoord moeten kunnen geven.RijksoverheidAlvorens de resultaten hiervan te bestuderen, ishet zinvol kort stil te staan bij het recente beleidvan de rijksoverheid met betrekking tot de casco-planning. Zoals reeds hierboven aangegeven,werd in het ruimtelijke ordeningsbeleid van onsland het principe van scheiden of verweven vangebruiksfuncties reeds lang toegepast.In de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordeningverschoofde aandacht naar scheiden van functies.Dit feit werd weliswaar niet beleidsmatig vertaaldin casco-concepten, maar vormde wel aanleidingvoor nader onderzoek binnen de voorbeeldplan-nen. Vooruitlopend op de definitieve vaststellingvan de Vierde Nota werd in de eerste ronde van devoorbeeldplannen het thema "Casco-planningvoor het landelijk gebied" opgevoerd. In 1990werd dit thema ongewijzigd herhaald, maar in1991 is het thema afgevoerd. Het concept van dekoersen zal immers de instemming van het kabinetverkrijgen. Leverde het onderzoek van de voor-beeldplannen te weinig resultaat op? De eindrap-portages hiervan waren in elk geval nog niet ge-reed, maar het leek crop dat de casco-planning alweer "uit" is.Op het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheeren Visserij is casco-planning echter nog in het ge-heel niet "uit". Daar heeft de casco-gedachte zichna een periode van geleidelijke ontwikkeling eenbelangrijke plaats verworven als planconcept inhet rijksbeleid voor de ruimtelijke ordening vande landelijke gebieden.Nadat het begrip grondig is doorgelicht in "VisieLandschap", is de casco-benadering als plannings-instrument genoemd in de ontwerp-planologischekernbeslissing van het structuurschema GroeneRuimte, die in het najaar van 1992 is verschenen.De "Visie Landschap" is een van de voorberei-dende beleidsnota's voor het nieuwe structuur-schema Landelijke Gebieden.Toch kan ook hier (nog) niet gesproken wordenover een algehele acceptatie van het casco-con-cept, want het komt in de besluiten over dit struc-tuurschema nauwelijks voor. Het wordt alleen ge-noemd als instrument van planning en niet alsvormconcept. Daarom is het ook niet terug te vin-den in de structuurschetsen, het vormt ook niet deonderlegger voor de gebiedsindelingen die voorNederland op de bij het Structuurschema beho-rende kaarten staan aangegeven. Het casco-con-cept is dus kennelijk geen beleidsconcept. Verge-lijking met bijvoorbeeld het planconcept van degebundelde deconcentratie laat zien dat dit be-leidsmatige verstedelijkingsmodel ook heeft ge-leid tot een vormconcept, waarmee nieuwe stads-uitbreidingen gesitueerd werden. Van hetcasco-concept is dit nog niet duidelijk. Het isdaarom interessant kennis te nemen van de resul-taten van de voorbeeldplannen.VoorbeeldplannenDe eerste twee ronden van de voorbeeldplannenin 1989 en 1990 met het thema casco-planning le-verden zeer veel inzendingen op, waarvan er duszes zijn geselecteerd om uitgewerkt te worden.Van de drie hier te bespreken voorbeeldplannenStedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2wordt kort aangegeven op welke wijze de casco-benadering is uitgewerkt.De gemeenten Nuenen en Ede kozen voor hetontwikkelen van een casco, dat zij vervolgens be-werkten tot een bestemmingsplan landelijk ge-bied. In Nuenen ontstond halverwege de rit be-roering in het plaatselijke bestuur. De plaatselijkepolitick ervoer het cascoplan als een bedreigendeingreep van buiten op de agrarische belangen. Zijvroeg om eerst een landschapsbeleidsplan temaken, waarmee het op te stellen bestemmingS'plan kon worden voorbereid. Het bestemmings-plan bindt de burger, en als de casco-gedachte eenvormconcept dreigt te gaan worden, dan gaat erkennelijk een oncontroleerbaar proces beginnen.In het voorbeeldplan Nijkerk is de relatie met hetbestemmingsplan niet direct gelegd, waardoor deaandacht meer gericht was op de agrarische ont-wikkeling binnen de gebruiksruimten. Ook hierbestond echter commotie in een later stadiumtoen het bestemmingsplan ter sprake kwam. Deagrariers wensten de ontwikkeling van het voor-beeldplan los te zien van het bestemmingsplanbuitengebied. Ze waren bang dat het cascoplanniet op vrijwillige basis, maar hen onder dwangvan het bestemmingsplan zou worden opgelegd.NuenenIn het voorbeeldplan van de gemeente Nuenenc.a. is de weg van de ontwikkeling van het voor-beeldplan zeer moeizaam verlopen. Het onderzoekwerd verricht door het bureau Pouderoyen Com-pagnons te Nijmegen, dat het buitengebied van degemeente onderwierp aan het gehele scala van in-ventarisaties, dat sinds de jaren zeventig in hetlandschapsonderzoek is ontwikkeld. Met de in-ventarisatie van de agrarische bedrijvigheid en degeconstateerde verstening van het landelijk ge-bied kwam een zodanig complex beeld van delandschappelijke situatie en de zich daarin bevin-dende agrarische en suburbane gebruiksvormen tevoorschijn, dat de makers van het voorbeeldplanenerzijds een zeer groot aantal landschapsverbete-rende maatregelen voorstelden en anderzijds hetagrarisch gebruik wilden reguleren door plaatse-lijk de agrarische bedrijfsvoering te intensiveren,te extensiveren of zelfs te onttrekken.Vanwege hevige protesten van de gemeenteraad,die grote vraagtekens plaatste bij de wijze waaropmet behulp van deze casco-gedachte het bestem-mingsplan buitengebied werd herzien, werd beslo-ten in het grootste gedeelte van het plangebied uitte gaan van verweving van landbouw, natuur,landschap en openluchtrecreatie. Natuurontwik-keling werd vooral voorgesteld langs de beekdalen(Dommeldal, Hooydonkse Beek en't Spekt). Vande totale oppervlakte agrarische cultuurgrondwerd hiervoor ongeveer 10% onttrokken.Gemeente Nuenen; hoofd-elementen landelijk gebied enlandschappelijke ontwikkelingin hoofdlijnen (gemeenteNuenen).Het casco-concept omvatte uiteindelijk het ge-hele plangebied, waarin een aantal landschapsty-pen werden onderscheiden. Voor elk van dezelandschapstypen is een gewenste ruimteliike ont-wikkeling geschetst, die als toetsingskader bij de toe-passing van het bestemmingsplan gelden en als zo-danig in de bij het bestemmingsplan behorenderichtlijnen zijn opgenomen.^ Onderscheiden wor-den:- Broekontginningshxndschap: extensief agrarischgebruik, nieuwvestiging van agrarische bedrijvenis niet toegestaan, geen vestiging van niet aan hetbuitengebied gebonden functies.- Oud bouwlandlandschap: nieuwvestiging vangrondgebonden agrarische bedrijven is toege-staan, geen vestiging van niet aan het buitenge-bied gebonden functies.- Heide-ontginningslandschap: nieuwvestiging magonder voorwaarden van grondgebonden agrari-sche bedrijven, geen vestiging van niet aan hetbuitengebied gebonden functies.- Semi'Urbaan gebied: nieuwvestiging kan ondervoorwaarden van grondgebonden agrarische be-Gemeente Nuenen c.a.,Bestemmingsplan buitenge-bied, Pouderoyen Compag-nons, februari 1992.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2Casco-planconcept getoetstcasco IS eenruimtelijk orde-ningsprincipeop lokale enregionaleschaal8Beekboerenplan, Een voor-beeldcasco-plan in degemeenteNijkerk, 1992,Gemeente Nijkerk, CopijnGroenadviseurs B.V.,Nieuwland Wageningen.drijven, niet-agrarische bedrijvigheid in voorma-lige agrarische bedrijven is onder voorwaardenmogelijk.- Dommeldal: nieuwvestiging van agrarische be-drijven is niet toegestaan, veel richtlijnen vooreen aanlegvergunning, bedrijfsinterne milieuzorgop bedrijfsniveau.Tevens is in het bestemmingsplan het afstem-mingskader opgenomen, waarin voor het gemeen-teUjk beleid van het buitengebied verwezen wordtnaar onder meer het Landschapsbeleidsplan(moet nog vervaardigd worden), en naar de Rela-tienota.In het casco'plan van de gemeente Nuenen werddus de scheiding van laagdynamische en hoogdy-namische gebruiksfuncties verlaten. Ervoor terugkwam in deze gemeente met zijn machtige agrari-sche lobby een degelijk onderbouwde visie op deverbetering van de ruimtehjke kwaUteit van hetbuitengebied.Met deze vertaUng van het casco-concept kan hetbeleid van het gemeentebestuur ondersteund wor-den. Of dat zal helpen zal het vernieuwde bestem-mingsplan buitengebied ons te zijner tijd leren,want de gemeenteraad heeft het bestemmingsplanin afwachting van het landschapsbeleid voorlopigeven terzijde geschoven!EdeHet adviesbureau voor ruimtelijk beleid, ontwik-keling en inrichting (RBOI) te Rotterdam werktehet voorbeeldplan van de gemeente Ede uit. Hetcasco-concept pakten zij - vergeleken met dat vande gemeente Nuenen - nog grondiger aan. Het bu-reau onderzocht de laagdynamische functies in dedrie thema's: landschap, ecologie en milieu. Dedrie inventarisaties leverden drie raamwerken opdie het gehele plangebied omvatten.Vervolgens werden zij ge'integreerd tot een casco-raamwerk. Dit raamwerk werd op een duidelijkewijze op een kaart aangegeven. Voor het raamwerkwerd onderzocht aan welke milieukwaliteitseisenmoet worden voldaan om het beheer op een duur-zame wijze te kunnen uitvoeren. Deze milieu-eisen betreffen de thema's verzuring, vermesting,verspreiding, verstoring en verdroging.De toekomstperspectieven van de landbouw wer-den vervolgens in een ontwikkelingsmodel ook inkaart gebracht. Hierbij werd het raamwerk vanhet casco als uitgangspunt genomen voor de ge-biedsindeling. Naast de gewenste agrarische be-drijvigheid werden ook de overige vormen vanruimtegebruik van het landelijk gebied onder-zocht, zoals de woonuitbreidingen en de recre-atieve voorzieningen. Het geheel mondde uit ineen zogenaamd toekomstbeeld, waarin voor het ge-hele plangebied een beeld geschetst wordt van demogelijke ontwikkeling. Onttrekking van land-bouwgronden, concentratie van niet-grondge-bonden bedrijven, natuurbouw met name in debeekzones, beplantingen en stedelijke uitbreidin-gen worden hier gepresenteerd binnen het pa-troon van laagdynamische en hoogdynamischefuncties. De planbeschrijving eindigt met eencasco-bestemmingsplan met een voorbeeld van deplanvoorschriften, waarmee het casco-conceptzou kunnen worden vastgelegd.In deze aanpak toont het casco-concept een speci-fiek ruimtelijk patroon in de zin zoals men zich eencasco voorstelt.Hoewel de uitwerking van het casco-concept indit voorbeeldplan het uitgangspunt van scheidingvan functies in laag- en hoogdynamische functiesheeft gevolgd, is het uiteindelijke resultaat tochsterk gericht op het primaat van een landschappe-lijke herinrichting zonder voldoende oog te heb-ben voor het programma van eisen, dat voor degrondgebruikers van essentieel belang is.Het gemeentebestuur van Ede is zich dit kennelijkook bewust, want van die zijde mocht nog geen re-actie vernomen worden op het hen aangebodenrapport.NijkerkHet interessante aan het voorbeeldplan van de ge-meente Nijkerk, dat in samenwerking met de ge-meente werd uitgewerkt door Copijn Groenadvi-seurs te Utrecht te zamen met buro Nieuwland teWageningen, is het voorstel om met milieuvrien-delijke landbouw het cascolandschap in te rich-ten.^Daarvoor dienden zij allereerst de ruimtelijke in-richtingseisen van de milieuvriendelijke land-bouw te beschrijven. Daarnaast was het natuurlijkook nodig om volgens het recept van de casco-planning de laagdynamische functies van hetlandschap te inventariseren. Een dergelijk onder-zoek leverde niet al te grote problemen op, zoalsook in Ede en Nuenen al was gebleken. Kennelijkis het landschapsonderzoek de kinderschoenenontgroeid en is hiervoor een gemeenschappelijkinstrumentarium beschikbaar.De uiteindelijke conclusie uit deze exercitie le-verde op, dat duurzame landbouw geen specifiekandere eisen stelt aan het agrarisch landschap danwat op dit moment de reguliere landbouw al doet.Het actief stimuleren van duurzame landbouwheeft het hoogste ecologische rendement daarwaar de bedrijfsvoering het meest verweven is metde ecologische waarden van het gebied. In hetplan kwam dus de nadruk te liggen op elementenin het landschap, waar de verwevenheid tussenlandbouw en ecologie groot is. De landbouw wordtniet integraal gescheiden van de kwetsbare na-tuurwaarden, maar is daar weer de drager vanStedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2Invloed en eisen van de landbouw ten aanzien van het cascoOntwikkelen vanideeen voormilieuvriendelijkeen economischrendabelelandbouw"Casco-landschap Nijkerk"geworden. Uitgangspunt is de koppeling tussenecologisch waardevoUe gebieden en milieu- vrien-delijke landbouwbedrijven.Dit voorbeeldplan gaat uit van een diversiteit aanlandbouwbedrijfsvormen, hetgeen de flexibiliteitten aanzien van nieuwe ontwikkelingen ten goedekomt.Het casco bestaat uit punt-, lijn-, en vlakvormigedragers. De punten vormen twee gebieden die eenbelangrijke rol spelen in het hydrologische sys-teem van het gebied. Het zijn brongebieden. Delijnen worden gevormd door restanten van beek-systemen. Terwijl een wijdse polder als weidevo-gelgebied met interessante cultuurhistorische ele-menten, oude kavelpatronen, het vlak vormt. Ditzijn de kerngebieden, waarvoor een groot aantalactiepunten in het plan staan.De restgebieden, die buiten de casco vallen, zijnnatuurwetenschappelijk minder belangrijk enworden niet specifiek in het natuurontwikkelings-beleid betrokken, vooral omdat het milieurende-ment van het activeren van een milieuvriende-lijke landbouw niet al te hoog zou zijn. De onder-zoekers melden, dat in deze gebieden sterke agrari-sche bedrijven zijn.Dit uitgangspunt klopt met de opvattingen overhet casco-concept die we al eerder zijn tegengeko-men. Maar het laat nog eens duidelijk zien, dat -indien in de praktijk uitgevoerd - de hoogdynami-sche functies in de gebruiksruimten in de klein-schalige landschappen zich weinig zuUen aantrek-ken van de ecologische waarden.Bepalen ecologische/landschappelijkewaarde en kwetsbaarheidRuimtelijke planningBeheer, herstel enontwikkelingA in het cascoInvloed en eisen van het casco ten aanzien van de landbouwConclusies ,Vergeleken met de gemeente Nuenen wordt inNijkerk de verwevenheid nagestreefd om een her-structurering van de landbouw mogelijk te maken,terwijl in Nuenen juist de verwevenheid dient omde bestaande minder milieuvriendelijke landbouwte handhaven. In Ede leidt het casco-concept ooknaar een verweving, waarbij de te ontwikkelenlandschapsstructuur echter bovengeschikt is.De conclusie aan de hand van de resultaten vandeze drie voorbeeldplannen over de casco-plan-ning van het landelijk gebied is, dat de casco-be-nadering gericht op een praktische toepassing envertaald naar bestemmingsplanniveau soms meerplanconcept is dan vormconcept. Het inspireertde plannenmakers tot holistisch denken maar le-vert uiteindelijk niet altijd het beeld dat deze me-tafoor oproept. Eigenlijk moet geconstateerd wor-den, dat de casco-gedachte als ordeningsvisienuttig kan zijn bij het formuleren van beleidsvisiesover de ruimtelijke ontwikkeling van het lande-lijk gebied. Maar als inrichtingsmodel lijkt hetniet geaccepteerd te worden door de direct betrok-kenen.Dat betekent dat de ontwikkelingen op de agrari-sche grondmarkt van groot belang zijn voor het re-aliteitsgehalte van de casco-planning. Deze ont-wikkelingen zijn niet zonder meer eenduidig. Erligt in Nederland nog steeds geen agrarische grondbraak. De verwachtingswaarde van de grondwordt in het casco-concept in sterke mate bepaalddoor de duidelijkheid, die het bestemmingsplanbiedt.In al de drie voorbeeldplannen is die relatie tussenbestemmingsplan en casco-planning nog niet dui-delijk uit de verf gekomen. Tevens moet daaromnaar mijn mening in een vervolgonderzoek aan-dacht besteed worden aan de wijze waarop hetcasco-concept in de bestemmingsplannen buiten-gebied wordt opgenomen.Schematische voorstelling vanhet voorbeeldplan van Nijkerk(Copijn Utrecht groenadvi-seurs).Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummerZRuimtelijke investeringsstrategicOm de internationale concurrentieposide van denationale economie te versterken mikt Nederlandop stedelijke knooppunten. Het is de vraag ofdesterke orientatie van de knooppunten op dienstenverstandig is. Immers alleen de Randstad speelt eenml van hetekenis in de internationale dienstverle-ning. Daarnaast heeft men in de knooppunten wei-nig aandacht voor industrie, terwijl daarvoor weluitbreidingsmogelijkheden zijn.Prof. dr. E. WeverFaculteit Ruimtelijke We-tenschappen, Rijksuniversi-teit Utrecht.Het eerste nummer in 1992 van Stedebouwen Volkshuisvesting bevatte de aankondi-ging dat een serie bijdragen over "ruimte-lijke investeringsstrategieen" zou verschijnen.Ongetwijfeld heeft deze mededeling ook bij demeer economisch georienteerde lezers van dit bladbelangstelling opgeroepen. Omdat investeringenworden gepleegd door zowel het bedrijfsleven alsde overheid, kon bij hen de gedachte post vattendat ook beschouwingen zouden mogen wordenverwacht over ruimtelijke trends in de investerin-gen van bedrijfsleven en overheid, en het verbanddaartussen.Mogelijk bestond er bij sommigen onder bedoeldelezers wel enige scepsis. Toen in de Vierde Notahet begrip "ruimtelijke kwaliteit" werd geintrodu-ceerd, hadden zij namelijk ook het gevoel dat zedaar goed mee uit de voeten konden. In die Notawordt onder meer gesproken over de wenselijk-heid om de internationale concurrentiepositievan de Nederlandse economie te versterken.Daardoor moet het gemakkelijker worden omnieuwe bedrijven van elders aan te trekken res-pectievelijk bestaande bedrijven voor Nederlandte behouden. Een voorwaarde hiervoor is wel dathet vestigings- of produktiemilieu in Nederlandvan hoge, internationale kwaliteit moet zijn,omdat er sprake is van een toenemende concur-rentie in het "Europa van de regio's." Omdat hetvestigings- ofproduktiemilieu ook een ruimtelijkedimensie kent, is de relatie met het begrip "ruim-telijke kwaliteit" snel gelegd. Ruimtelijke kwali-teit omvat in dit geval onder meer ook goedeverkeersverbindingen, bedrijfsterreinen, kantoor-locaties et cetera. De scepsis kwam later, toenbleek dat het begrip "ruimtelijke kwaliteit" al wasgereserveerd voor iets anders.De bijdragen die tot nu toe in de serie zijn versche-nen zouden dezelfde scepsis kunnen oproepen. Af-gezien van het feit dat het strategisch element,door Reitsma als "wat willen we" aangeduid, nogmaar weinig aan bod is gekomen, is er in de be-schouwingen nauwelijks aandacht voor hetgeenin het bedrijfsleven gebeurt. Toch staat de ruimte-lijk structurerende werking van bedrijfsinveste-ringen buiten kijf en veel overheidsinvesteringenworden geacht hiermee in verband te staan.Ruimtelijke beslissingenHet versterken van de internationale positie vande Nederlandse economie impliceert concurren-tie met andere gebieden in Europa. De uitkomstvan deze concurrentiestrijd wordt in belangrijkemate bepaald door "ruimtelijke beslissingen" vanhet bedrijfsleven. Daarbij gaat het zowel in deVierde Nota als in de nota "Regio's zonder gren-zen" (de laatste nota inzake het te voeren regio-naal beleid) in het bijzonder om het internatio-naal opererend bedrijfsleven. Hieronder wordt inRegio's zonder grenzen verstaan: "die (Neder-landse of buitenlandse) bedrijven, die voor dekeus van vestigingsplaatsen voor hun bedrijfson-derdelen niet gebonden zijn aan Nederland en diedus de selectie van vestigingsplaatsen (mede)laten afhangen van een internationale vergelij-king van de kwaliteit van de bedrijfsomgeving".De relatie met het begrip "nationaal stuwende ac-tiviteiten" zal duidelijk zijn. Volgens de VierdeNota moet aan de gewenste kwaliteit van de be-drijfsomgeving ook de ruimtelijke ordening haarsteentje bijdragen.Met het bovenstaande wil overigens geenszins ge-zegd zijn dat nationaal verzorgende activiteitenniet van belang zouden zijn voor de versterkingStedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2van de concurrentiepositie van de Nederlandseeconomic. Voor het aantrekken respectievelijkhet vasthouden van internationaal opererendebedrijven zijn dergelijke activiteiten vaak vangrote betekenis. Zo vormt de aanwezigheid in eengebied van op zich niet exporterende, maar kwali-tatief wel goede toeleveranciers, een belangrijkevestigingsfactor voor vele internationaal opere-rende (uitbestedende) bedrijven.Het bovengenoemde feit dat internationaal ope-rerende bedrijven in meer of mindere mate eenkeuzevrijheid hebben, impliceert dat regio's metelkaar wedijveren om de gunst van de investeer-der. Deze concurrentie loopt via het vestigings- ofproduktiemilieu. Zo vormt de aanwezigheid in eengebied van op zich niet exporterende, maar kwali-tatief wel goede toeleveranciers een belangrijkevestigingsplaatsfactor voor vele internationaalopererende (uitbestedende) bedrijven. Een deelvan dit vestigingsmilieu heeft betrekking op fysiekruimtelijke componenten: wegen, spoorwegen,havens, terminals, bedrijfslocaties etcetera. Ditzijn aspecten waarop de diverse overheden zich(ook) richten. Daarmee pogen ze goed en tijdig inte spelen op "ruimtelijke" trends in het internatio-nale bedrijfsleven.Investeren: waar?De Vierde Nota gaat uit van de opvatting dat over-heidsinvesteringen in ofvoor de stedelijke knoop-punten een bijdrage kunnen leveren aan deverbetering van het vestigingsmilieu. Dezeinvesteringen kunnen als strategisch worden be-schouwd, gegeven de achterliggende doelstelling:het versterken van de concurrentiepositie van deNederlandse economic. Zonder het belang vanbedoelde investeringen ook maar enigszins te wil-len kleineren, toch twee opmerkingen.Laten we eerst kijken naar de plannen die de ste-delijke knooppunten in het kader van het VROM-beleid hebben ontwikkeld {tabel I). In deze plan-nen is, logisch en terecht, veel aandacht voor deverbetering van de woon- en leefomgeving in enbij de knooppunten.Dit sluit aan bij het grotere gewicht dat tegen-woordig aan de leef- en woonomgeving wordttoegekend als vestigingsplaatsfactor. Ontegen-zeglijk speelt deze factor een steeds grotere rolwanneer een bedrijf een keuze maakt tussen ver-schillende potentiele vestigingsplaatsen binnenNederland. Gaat het echter om een keuze tussenplaatsen of regio's in Europa, dan ligt de situatieanders. Dit als gevolg van het feit dat er binnenEuropa, anders dan binnen Nederland, (nog al-tijd) grote kostenverschillen bestaan. NaarmateStedelijk knooppunt Strategisch projectAmsterdam Oostelijk havengebiedIJ-OeversRotterdam Kop van ZuidIntegraal Plan NoordrandDen Haag Nieuw CentrumUtrecht Utrecht City ProjectEindhoven Corridor Eindhoven-Veldhoven-WelschapGroningcn VcrbindingskanaalzoneArnhem-Nijmegen EuroTransPortEnschede/Hengelo Stationsomgeving Enschede/HengeloTerminal gecombineerd vervoerMaastricht/Heerlen Sphinx-CeramiqueRandwijckHeerlen-CentrumLeeuwarden Internationaal Nutri-businessCentrumZwoUe HanzelandBreda SpoorzoneTilburg StationszoneTabel 1. Strategischeprojec-ten per stedelijk knooppunt.Bron: Buck Consultants, In-ternational, Nijmegen 1992.deze verschillen groter zijn (inclusief de omvangvan de beschikbare subsidies) worden indirectwerkzame factoren naar de achtergrond ge-drongen, zoals een aantrekkelijk woon- en leefmi-lieu. Een en ander impliceert dat het knoop-puntenbeleid ter versterking van het Nederlandsevestigingsmilieu voor internationaal opererendebedrijven alleen effectief kan zijn, wanneer Ne-derland op het gebied van de "harde" kostenfactorniet al te veel uit de pas loopt.De tiveede opmerking betreft het beleid van hetMinisterie van Economische Zaken. Het is op zichbegrijpelijk dat vanuit de ruimtelijke ordeningwordt gestreefd naar een concentratie van hoog-waardige voorzieningen in de stedelijke knoop-punten. De vraag of daarvoor 13 knooppuntennodig zijn, laat ik maar buiten beschouwing. Hetantwoord op die vraag is wel duidelijk. Minder be-grijpelijk is, dat ook het huidige regionaal beleiduitgaat van de stedelijke knooppunten. Het zoge-noemde bedrijfsomgevingsinstrument is namelijkuitsluitend van toepassing verklaard op de knoop-punten. Dit instrument is als volgt omschreven:"die externe factoren die in een directe relatiestaan tot het functioneren van het bedrijfslevenen die door overheidsbeleid zijn te bei'nvloeden".Het gaat dus om aspecten als wegen, terminals,havens, bedrijfsterreinen et cetera die anders danbij de factor woon- en leefomgeving, direct hetfunctioneren van bedrijven raken en die boven-dien het Nederlandse vestigingsmilieu moetenverbeteren. Eerder is al opgemerkt dat men daarbijhet internationaal opererend bedrijfsleven op hetoog heeft. Maar in dat geval is het zeker niet van-Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2Ruimtelijke investeringsstrategieThema's ProjectenA Versterking mainports 1 Ontsluiting SADC-locaties2 Knelpunten weginfrastructuur rond Schiphol3 Rcalisatic bedrijventerreinen Noordzeekanaalgebied4 Multimodaal distributiecentrum Westelijk HavengebiedB Inrichting lokaties voor 5 Hoogwaardig bedrijfsterrein in Almere Antipolis (voorinternationaal Europese distributiecentra + hoofdkantoor)functionerende bedrijven 6 Kwaliteitsverhoging openbare ruimte bij bestaandeinternationale handelscentra7 Industrieterrein in Zaanstreek of op Noordelijke IJ-oever8 Aanlcg ruw-waterleiding voor grootschalige industrielebedrijven9 "Amsterdam Science Park"10 Inrichting openbare ruimte centrale IJ-oever11 Inrichting omgeving Science Center12 Haalbaarheidsonderzoek "convention center"C Faciliteiten voor 13 Uitbreiding van de internationale schoolbuitenlandse ondernemers 14 Culturele centra voor bepaalde nationaliteitenD Vergroten internationale 15 Verbetering van anderstalige informatie over musea,bezoekersstroom attracties, etc.16 Oplossing van parkeerproblematiek bezoekersbussenE Versterken internationaal 17 Aantrekken internationale instellingenprofiel 18 Advertentie-campagne in de Europese mediaTabel 2. Het meerjarenplanBedrijfsomgevingsinstrument:knooppunt Amsterdam.Bron: Buck Consultants In-ternational, Nijmegen 1992.Figuur 1. Zelfstandigekantoorvestigingen van Ameri-kaanse enjapanse onderne-mingen met een coordinade-functie voor Europa.Bron: Buck Consultants In-ternational, Nijmegen 1992.zelfsprekend dat een project ter verbetering vanhet vestigingsmilieu in de Zeeuwse havens (metoverwegend internationaal opererende bedrij-ven) per definitie een lagere prioriteit zou moetenkrijgen dan een project in het als "regionaal" ge-classificeerd stedelijk knooppunt Zwolle. Nogminder vanzelfsprekend wordt een en ander wan-neer wordt gekeken naar de aard van de projectendie in het kader van de meerjarenplannen voorhet bedrijfsomgevingsinstrument door de knoop-AmsterdamRotterdamDen HaagUtrechtEindhovenGroningenArnhem-NijmegenEnschede/HengeloMaastricht/HeerlenLeeuwardenZwolleBredaTilburg0 10 20 30 40 50punten zijn opgevoerd. Ter illustratie de thema'sen projecten van knooppunt Amsterdam (tabel 2).Investeren: waarin?KantorenWanneer gemakshalve bij de beantwoording vande vraag van Reitsma ("wat willen we") de plan-nen van de stedelijke knooppunten als uitgangs-punt worden genomen, dan valt de sterke fixatieop kantoren op. Waarom opvallend? Omdat hetaantal kantoren dat kan worden bestempeld als"internationaal opererend bedrijfsleven" zeer be-perkt is. Als gevolg van de betekenis van face-to-face contacten voor de activiteiten die in kanto-ren worden uitgeoefend, wordt al snel overgegaantot de oprichting van filialen in andere marktge-bieden. Wanneer we kijken naar de vestigings-plaats van de hoofdkantoren van grotere Neder-landse ondernemingen, dan wel naar de locatievan Europese hoofdkantoren van niet-EG bedrij-ven {figuur 1), dan is volstrekt duidelijk dat natio-naal-stuwende kantoren vooral worden aange-troffen in de Randstad, in het bijzonder inAmsterdam. In de overige knooppunten zal over-wegend sprake zijn van kantoren met een regio-naal-, hooguit nationaal-verzorgende functie. Endaar gaat het bij het versterken van het Neder'landse vestigingsklimaat eigenlijk niet om.Nu is het nuttig om bij het geven van een realis-tisch antwoord op de vraag "wat je wilt" op zijnminst even stil te staan bij de vraag "wat je kunt".Hoewel Nederland bij het werven van Europesehoofdkantoren van buitenlandse ondernemingengeen slecht figuur slaat, is het ook duidelijk dat deRandstad op het terrein van de internationale za-kelijke dienstverlening niet tot de echte top in Eu-ropa behoort. Een illustratie daarvan geeft tabel 3.Deze constatering heeft twee consequenties.De eerste: als de internationale zakelijke dienstver-lening datgene is "wat we willen" zal het vesti-gingsmilieu voor deze activiteiten verbeterd moe-ten worden. Daarbij zal de aandacht vooral uitmoeten gaan naar de beide mainports, in het bij-zonder Schiphol en in het verlengde daarvan Am-sterdam. Duidelijk moge zijn dat tegen de achter-grond van de concurrentie in Europa en de huidigepositie van de Randstad het mikken op internatio-nale zakelijke diensten zich moeilijk laat vereni-gen met een beperking van de mogelijkheden vanSchiphol of met het weren van hoge "Europese"snelheidstreinen.De tweede: het lijkt gegeven de huidige positie vanNederland respectievelijk de Randstad riskant omzich te sterk te richten op de internationale zake-Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummerZlijke diensten. In de plannen van de knooppuntenwordt hier ook wel enigszins rekening mee gehou-den, gelet op de aandacht voor transport- en distri-butJe-activiteiten. Dit is een activiteit waarin westerk zijn: Nederland Distributieland. Een aan-zienlijk deel van de Europese distributiecentra vangrote Amerikaanse en Japanse ondernemingen isin ons land gevestigd {figuur 2).Het handhaven of nog verder versterken van dedistributiefunctie impliceert het inspelen optrends die zich in deze sector voordoen. In con-creto betekent dit opnieuw aandacht voor debeide mainports. Daar, maar ook langs de hoofd-verkeersassen naar de Europese bevolkingscentrazai ruimte gereserveerd moeten worden om ook oplangere termijn de distributiefunctie voor Neder-land te kunnen behouden. Daarnaast zal op in-frastructureel terrein aangesloten moeten wordenbij nieuwe trends, zoals de versterking van het ver-voer per rail, binnenvaart en kustvaart en hetscheppen van mogelijkheden voor indermodaalvervoer. In het kader van deze beschouwing zijnvoor wat betreft dit laatste aspect met name dieterminals van belang die een internationale func-tie hebben. Daarbij gaat het niet alleen om het feitdat wij in Nederland vooral vanuit milieu-over-wegingen het intermodaal vervoer willen bevor-deren.De aanwezigheid van dergelijke voorzieningenvormt ook een wezenlijk element in het beleid om"de internationale concurrentiepositie van de Ne-derlandse economic te bevorderen." Uitgaandevan het bekende rapport van de Commissie Kroeszou ter versterking van de distributiefunctie naastde uitbouw van de beide bekende mainports, ookgewerkt moeten worden aan terminals in Arn-hem-Nijmegen, Twente, Venlo en mogelijk ookVeendam (de Vierde Nota Extra noemt ook nogCoevorden).IndustrieOpvallend in de plannen van de meeste knoop-punten is de beperkte aandacht voor industriele ac-tiviteiten. Wanneer men hierop al mikt dan ishet uitsluitend op "hoogwaardige" activiteiten.Waarom opvallend? Omdat de industrie in Neder-land bij uitstek uit internationaal opererend be-drijfsleven bestaat: ruim 60% van onze exportwordt door deze sector geleverd. Bovendien vormtde industrie een belangrijke klant voor de zake-lijke dienstverlening en de transport- en distribu-tiesector. Maar afgaande op de plannen van deknooppunten hoeft de industrie niet zo nodig. Ditgeldt ook voor de knooppunten buiten de Rand-stad waar de industrie sterk vertegenwoordigd is.Toch zijn er redenen om het belang van de indus-trie te onderstrepen. Daarbij kan behalve op hetexportpotentieel en het beroep dat de industrie opStad Aantal hoofdkantorenLonden 403Parijs 181Frankfurt 53Hamburg 49Amsterdam 43Miinchen 39Diisseldorf 31Brussel 29Rotterdam 23Utrecht 14Den Haag 11de diensten- en transportsector doet, ook wordengewezen op het feit dat we dit ook kunnen, on-danks recente ontwikkelingen die het tegendeelzouden kunnen suggereren. Buitenlandse onder-nemingen zijn al jaren geinteresseerd in de over-name van Nederlandse industriele bedrijven.Ook scoort Nederland redelijk bij het aantrekkenvan industriele vestigingen van Amerikaanse enJapanse ondernemingen, zij het dat deze score vaneen andere orde is dan bij de transport- en distri-butiesector. We weten echter meer bedrijven aante trekken dan op grond van de omvang van deNederlandse markt verwacht mocht worden (fi-guur 3). Overigens zij hier herhaald dat voor hetversterken van de industriele sector niet alleen fy-siek ruimtelijke investeringen van belang zijn.Ook andere factoren (loonkosten, subsidies, ener-giekosten, belastingen, arbeidsmarkt) spelenhierbij een belangrijke rol.ConclusieIn bovenstaande beschouwing is uitgegaan van degenoemde wenselijke versterking van de interna-Tabel 3. De locatie van dehoofdkantoren van Europeseondernemingen.Bron: The Randstad; an in-ternational perspective. In:Tijdschrift voor Sociale enEconomische Geografie,1992,4.Figuur 2. Het Nederlandsedeel van EDC'S in grote Ameri-kaanse en Japanse bedrijven.Bron: Stichting NederlandDistributieland, Den Haag1990. ,, ,.NL = NederlandF = FrankrijkVK = Verenigd KoninkrijkB = BelgieL = LuxemburgG = GriekenlandVS = Verenigde StatenNL36%F+VK+B+L+G60%VSF+VK+B+L+G64%JapanStedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2Ruimtelijke investeringsstrategieVoor internationale zakelijke diensten bezitalleen de Randstad en daarbinnen nog metname de regio Amsterdam de mogelijkheidbinnen Europa een rol van betekenis te spe-Figuur 3. Het aandeel vanNederland in nieuwe vestigin-gen van Amerikaanse enja-panse industriele ondernemin-gen in Europa (1987-1991).Bron: Buck ConsultantsInternational.tionale concurrentiepositie van de Nederlandseeconomie, zoals is genoemd in de Vierde Nota enin de nota Regie's zonder grenzen. Als we dit wil-len, dan kunnen de volgende samenvattende con-clusies worden geformuleerd.B = BelgieF = FrankrijkG = GriekenlandIRL = lerlandI = ItalieNL = NederlandE = SpanjeVK = VerenigdKoninkrijk^M VSn = 2311 Japn= 191BNP (8)1. Het in het kader van de Vierde Nota ge-voerde beleid om via de stedelijke knoop-punten het Nederlandse vestigingsmilieuvoor internationaal opererende bedrijven teverbeteren, zal met name zoden aan de dijkkunnen zetten wanneer Nederland voor watbetreft kosten en subsidies niet te zeer uit depas loopt met de Europese concurrenten.2. Het in het kader van het regionaal beleidtoespitsen van het zogenoemde bedrijfsom-gevingsinstrument op uitsluitend de stede-lijke knooppunten doet geen recht aan hetgrote belang van andere gebieden in onsland als (hestaande en potentiele) vesti-gingsplaatsen voor internationaal opere-rende (met name industriele) bedrijven.3. De sterke orientatie op de kantorensector innagenoeg alle knooppunten komt, redene-rend vanuit de doelstelling dat het Neder-landse vestigingsklimaat moet worden ver-beterd, op zijn minst merkwaardig over.len.4. De aandacht in een aantal knooppuntenvoor de transport- en distributiesector sluitaan bij een sterk punt van de Nederlandseeconomie. De beide mainports en de belang-rijkste verkeerscorridors naar het achterlandvan deze mainports nemen daarbij een sleu-telpositie in.5. De Industrie is blijkbaar niet erg populair inons land. Ook de knooppunten gelegen bui-ten de Randstad, waarin de Industrie tochsterk is vertegenwoordigd, tonen hiervoorweinig belangstelling. Dit lijkt onterecht,gegeven de sterke internationale orientatievan de Industrie.6. De belangrijkste strategische investerings-beslissingen van de kant van de overheid,gericht op de versterking van de internatio-nale concurrentiepositie van de Neder-landse economie vloeien rechtstreeks uitbovenstaande conclusies voort.Investeringen voor de uitbouw van de inter-nationale zakelijke dienstverlening dienenbij voorkeur in de Randstad en dan metname in Amsterdam plaats te vinden.Schiphol en "Europese" hoge snelheidstrei-nen vormen daarbij noodzakelijke voorzie-ningen.Investeringen voor de uitbouw van de inter-nationale distributiefunctie dienen primairplaats te vinden in de beide mainports.Langs de belangrijkste verkeerscorridors zalruimte beschikbaar moeten zijn voor distri-butiecentra(C-locaties). Voor het optimaal,in onderlinge samenhang benutten vanweg-, spoor- en waterverbindingen zal ge-mikt moeten worden op enkele gecombi-neerde vervoerterminals (internationalefunctie).Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2PKB: basis voor beschermingvan de WaddenzeeDe hestaande PlanologischeKernbeslissing (PKB) Waddenzeevan 1980 wordt integraal her-zien. Onlangs verscheen deel 3van de herziene PKB . hiaarvuaarom wordt de PKB herzien envuelke opvattingen komen er uitIedereen kent de Waddenzee als een grootscha-lig natuurgebied in het noorden van ons land.In 1970 leverde de commissie Mazure een es-sentiele bijdrage aan het voortbestaan van deWaddenzee. Zij kreeg van de regering de opdrachtte adviseren over de positieve en negatieve conse-quenties van een particle of gehele inpoldering.Medio 1974 bracht de commissie haar eindrapportuit en adviseerde zij cm zowel van integrale als vanpartiele inpoldering af te zien. De commissiestelde dat "...de Waddenzee in zijn tegenwoordigetoestand een waardevol natuurgebied is en dat hetwegvallen van dit gebied (...) nadelen meebrengtvoor landschappelijke en biologische waarden...".'Met het voorrang geven aan de natuurfunctie vanhet gebied effende de commissie de weg voor eenspecifiek gebiedsgericht beleid ter beschermingvan de Waddenzee. Dit resulteerde in 1976 in detotstandkoming van een ontwerp PKB Waddenzeemet als hoofddoelstelling "de bescherming, hetbehoud en waar nodig het herstel van de Wadden-zee als natuurgebied". Het parlement keurde dezePKB Waddenzee in 1980 goed.^Vanaf die tijd ontwikkelde zich ook meet en meerde bestuurlijke organisatie van het gebied. Oprijksniveau werd in 1980 de InterdepartementaleWaddenzeecommissie (iwc) ingesteld. Deze com-missie is belast met de afstemming en voorberei-ding van het beleid van de verschillende departe-menten voor de Waddenzee. Tevens werd in 1980het CoordinatiecoUege Waddengebied (ccw) in-gesteld voor de verticale coordinatie van beleidtussen Rijk, provincies en gemeenten. Als coordi-nerend bewindsman voor Waddenzee-aangele-genheden is de Minister van VROM voorzitter vandit college.De provinciale indeling van de Waddenzee vondplaats in 1981, waarop in 1986 tevens een ge-meentelijke indeling van het gebied volgde. Dedrie betrokken provincies (Friesland, Groningenen Noord-HoUand) zijn verenigd in de StuurgroepWaddenprovincies. De gemeenten werken samenin de Vereniging van Waddenzeegemeenten enhet Overlegorgaan Waddeneilanden. Gezamen-lijk vormen de laatste twee de Federatie van Wad-denzeegemeenten.De inspraak uit de samenleving werd in 1982 ge'in-stitutionaliseerd door de instelling van de Voorlo-pige Waddenadviesraad (WAR), die de Ministervan VROM zowel gevraagd als ongevraagd van ad-vies kan voorzien. De - inmiddels definitief inge-stelde - WAR vertegenwoordigt een groot aantalmaatschappelijke organisaties. Bij de thans lo-pende reorganisatie van adviesorganen van derijksoverheid behoudt de WAR overigens de ad-viestaken die hem wettelijk zijn gegeven in 1990.Hiermee zijn de belangrijkste betrokkenen bij detotstandkoming van het Waddenzeebeleid ge-noemd. Wij zijn van mening dat hier met recht ge-sproken kan worden van een netwerk van actoren.Dit Wadden-netwerk is schematisch weergegevenin figuur 1.Aanleiding tot beleidsherzieningIn februari 1991 deelde Minister Alders aan deTweede Kamer in de zogenaamde hoofdlijnenbriefmee dat de vigerende PKB Waddenzee herzien zouworden. De minister gaf aan dat ontwikkelingenin het flankerend rijkssector' en facetbeleid, de ont-wikkelingen op het gebied van bestuur en regelgeving,en autonome ontwikkelingen in het gebied een her-ziening rechtvaardigen. Wij merken hierbij op datook Internationale afspraken, zoals gemaakt op deTrilaterale Ministersbijeenkomst van Esbjerg (no-vember 1991), om een uitwerking in nationale ka-ders vragen.Drs. E. van Huijs-steedenDrs. E. WatervalBeleidsmedewerkersAfdeling Landelijke Gebie-den, RPD.Het artikel is geschreven oppersoonlijke titel.1Rapport van de Waddenzee-commissie, Advies inzake deprincipiele mogelijkhedenen de voor- en nadelen vaninpolderingen in de Wad-denzee, Den Haag, 1974,hlz. 283.2PKB Waddenzee, deel e, TK,1980-1981, 13 933, nr. 53.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 2PKB WaddenzeeBegrenzing van het gebied waarop de PKB van toepassing is.In 1986 waren ontwikkelingen op het gebied vandiepe delfstoffenwinning overigens aanleidingvoor een particle herziening van de PKB. Bij de par-tiele herziening besloot het Rijk de gebieden die inhet verleden in "concessie"^ waren uitgegeven aanwinningsmaatschappijen, tot 1 januari 1994 tevrijwaren van boorwerken (het zogenaamde mo-ratorium).De meest relevante ontwikkeling in het flankerendrijkssector- en facetbeleid is de totstandkoming vanparaplunota's als de Derde nota Waterhuishou-ding, het Natuurbeleidsplan, het Nationaal Mi-lieubeleidsplan (Plus) en de Vierde Nota op deRuimtelijke Ordening Extra (VINEX), waarin deWaddenzee een belangrijke natuurfunctie krijgttoegedacht. In de VINEX bijvoorbeeld wordt deRIJK7 Departementen^INTERDEPARTEMENTALEWADDENZEECOMMISSIEiPROVINCES3 Waddenprovincies^STUURGROEPWADDENPROVINCIESSCOORDINATIECOLLEGEWADDENGEBIED
Reacties