74eJAARGANG1993 NUMMERStedebouwVolkshuisvestingDEEL III VAN STRUCTUUR-SCHEMA GROENE RUIMTENADER BELICI ITSPOORZONE VAN'S'HERTOGENBOSCHmSTRATEGISCH RUIMTELIJKEINVESTERINGENSTUDENTENl lUISVESTlNGCJEBRUIK IM.E.R. KAN EFFECTIEYERhoogleraarplanologie mivi.h.h. de lokale en regionale ruimtelijkeheleidsvoering mede in intemationaal vergelijkendperspectiefKatholieke h> it NijmegendetwetenschappenFaculteitDe snelgroeiende Faculteit der Beleidswetenschappen verzorgt weten-schappelijke opieidingen op het gebied van de bestuurs- en organisatie-wetenschap, bedrijfswetenschappen, sociale geografie, beleidsgerichtemilieukunde, politicologie, beleidsgerichte economie en planologie. Eris een voor alle studenten gemeenschappelijk basisprogramma, dat isondergebracht in de Universitaire School voor Beleidsv\/etenschappen. Bijde faculteit studeren ruim 2200 studenten en w/erken 160 medewerkers.Het onderzoek is geclusterd in drie facultaire speerpuntprogramma's.Vakgroep: Planologie (tweede leerstoel)De vakgroep bestaat naast de hoogleraar Planologie, uit een bijzonderhoogleraar, twee hoofddocenten, zeven docenten en een zestal aio'sen oio's, alsmede een wisselend aantal projectmedewerkers. Het aantalstudenten bedraagt 250. De vakgroep Planologie is verantw/oordelijkvoor de uitvoering van het doctoraal-onderwijsprogramma in de opieidingPlanologie en participeert in het gemeenschappelijk basisprogrammavan de Universitaire School voor Beleidswetenschappen.Het onderzoek van de vakgroep richt zich op effectieve ruimtelijkebeleidsvoering. De nadruk in het onderzoeksprogramma ligt daarom opde multi-actor benadering met betrekking tot gebiedsgericht beleid,grondgebruikbeleid, interventie-instrumentarium alsmede op stedelijkeinrichtingsvraagstukken met betrekking tot de dagelijkse leefomgeving.In facultair verband wordt in het speerpuntprogramma Omgevingsbeleidsamengewerkt met de vakgroepen Sociale Geografie en Milieu, Natuuren Landschap.De vakgroep wil in het onderwijs en onderzoek een concrete toepassingvan (nieuwe) wetenschappelijke inzichten en ontwikkelingen in de actuelebeleidspraktijk voor het voetlicht brengen. Daartoe zult u speciale aandachtmoeten schenken aan de praktijk van de ruimtelijke beleidsvoering op hetlokale en regionale niveau en vooral van de vernieuwingen die zich daarinaftekenen. Hierbij wordt van u tevens verwacht dat u deze ontwikkelingenkunt en zult plaatsen in intemationaal vergelijkend perspectief.Functie-inhoudU bent verantwoordelijk voor- ondenwijs en onderzoek naar ruimtelijke beleidsvoering op lokaal enregionaal niveau, met speciale aandacht voor planvormen enmethodieken, organisatie, instrumentatie, doeltreffendheid en doel-matigheid van het ruimtelijk beleid; plaatsbepaling hiervan in eenbredere Internationale context; de ontwikkeling van theorie enmethodologie van ruimtelijke beleidsvoering- een actieve inbreng in het ondenwijs- en onderzoeksmanagement vande vakgroep c.q. de faculteit- profilering van de vakgroep extern in nationaal en intemationaalverband.Functie-eisen- gepromoveerd- bewezen wetenschappelijke kwalificatie op (belangrijke delen) vanhet omschreven terrein, mede in het bredere verband van hetonderzoeksprogramma van de vakgroep, onder meer blijkend uit(inter)nationale publikaties en contacten- brede kennis van de theoretische ontwikkelingen op het gebied vande planologie, speciaal ten aanzien van processen van plan- enbeleidsontwikkeling en instrumentatie- kennis van en ervaring met enkele specifieke inhoudelijke aandachts-velden van het werkterrein van de ruimtelijke beleidsvoering c.q.planologie, overigens in de bredere context van de per definitie opgeintegreerde beleidsvoering gerichte planologische benaderingswijzevan de sociaal-ruimtelijke problematiek- ruime ervaring met en kennis van moderne onderzoeksmethoden enmethoden van plan- en beleidsontwikkeling- aanwijsbare Internationale orientatie- gebleken didactische kwaliteiten, ook in het kader van tweede faseonderwijs- gebleken werfkracht voor onderzoeksprojecten in de tweede enderde geldstroom- leidinggevende kwaliteiten teneinde het - beleidswetenschappelijke -profiel van de vakgroep en van de faculteit in totaliteit, zowel infacultair als in (inter)nationaal verband mede vorm te geven- bestuurlijke ervaring in universitaire en inter-universitaire gremia- bereid en in staat vorm te geven aan de vernieuwing van hetonderwijs in de planologie en de beleidswetenschappelijke identiteitvan de faculteit.ArbeidsvoorwaardenAanstelling zai plaatsvinden volgens hoogleraarschaal A. Het salarisbedraagt maximaal / 11.342,- bruto per maand.De Faculteit der Beleidswetenschappen streeft ernaar dat vrouwenen mannen op alle functieniveaus evenredig vertegenwoordigd zijn.Vrouwen wordt daarom nadrukkelijk verzocht te solliciteren.Informatie en sollicitatieNadere informatie wordt u verstrekt door de voorzitter van debenoemingsadviescommissie, prof, dr K. Bouwer, telefoon(080) 61 30 09 (werk) of (080) 22 72 81 (prive). Een uitvoerigeprofielschets alsmede het onderwijs- en onderzoeksprogramma vande vakgroep is op aanvraag verkrijgbaar bij de secretaris van debenoemingsadviescommissie, drs. M.G.J. Ganzevles, telefoon(080) 61 27 18 (werk) of (08897) 7 25 88 (prive).Uw schriftelijke sollicitatie met curriculum vitae en een lijst vanpublikaties kunt u binnen 4 weken richten aan Katholieke UniversiteitNijmegen, t.a.v. prof. dr. K. Bouwer, voorzitter van de benoemings-adviescommissie. Postbus 9108, 6500 HK Nijmegen.Brieven waarin de aandacht op mogelijke kandidaten wordt gevestigdkunnen eveneens aan hem worden gericht.InhoudDENKRAAM3 Weike infrastructuur is strategisch?J. BrouwerARTIKELENStructuurschema Groene Ruimtenader belichtM.C. van SchendelenHet Rijk vindt het landelijk gebied meer dande moeite waard. Dit blijkt uit het Structuur-schema Groene Ruimte dat in juni 1993 alsKabinetsstandpunt is vastgesteld.9 Strategische planning in deBossche spoorzoneGJ.ArtsHet bedrijfsleven in 's-Hertogenbosch is over-tuigd van de mogeUjkheid om de spoorzone teontwikkelen. Nu de Rijksoverheid nog.15 Strategisch ruimtelijke investeringenR.C.L. BakkerenH.C. NoppenHet probleem om meer vervoersinfrastructuurte realiseren, zonder daar additionele over-heidsmiddelen voor vrij te maken, is oplosbaarals gebruikers van vervoersinfrastructuurrechtstreeks meer gaan bijdragen. In dit finan-cieel-economische artikel - het negende in deserie strategisch ruimtelijke investeringen -schetsen de auteurs wanneer dit doelmatig is.21 Studentenhuisvesting: eenzaam incorporatielandF.M.J. vanderZonDe Stichtingen Studentenhuisvesting profile-ren zich als woningcorporaties voor jongerenen studenten. De vraag naar woonruimte vandeze doelgroepen is echter veel groter dan deSSH'S kunnen aanbieden. .,,26 Gebruik m.e.r. kan effectieverE.F. ten HeuvelhofIn dit nummer aandacht voor drie bijdragenwaarin de relatie milieu-effectrapportage(m.e.r.) en ruimtelijke ordening centraal staat.Volgens Ten Heuvelhof sluit de structuur vanhet instrument m.e.r. niet aan op de structuurvan de besluitvorming over grote woning-bouwlocaties. Dit staat een effectief gebruikvan de m.e.r. in de weg.32 VAKGENOTENH, van der CammenSIGNALENMILIEU33 Gebruik m.e.r. kan effectieverM. Kreft36 Relatie m.e.r. en r.o. biedt perspectievenH. WardenaarRUIMTELIJK ONTWERP39 Kustlocatie kan Den Haag ruimte gevenP.J. RisseeuwVOLKSHUISVESTING42 Woningbouwbeleid verandert]. Franke enHJ.M. Hanssen .,INGEZONDEN45 Verstedelijking landelijk gebiedA.A.M. Meuleman -46 NaschriftL.M. van den Berg47 SchoonwaterplanR. During48 UNIVERSITARIAStedebouw enVolkshuisvesting74ejaargang 1993nummer 5Orgaan van het NederlandsInstituut voor RuimtelijkeOrdening en VolksliuisvestingEen uitgave vanDELWEL Uitgeverij B.V. insamenwerking met het NIROVVerschijnt zes maal per jaarRedactie:Ir. ]. BrouwerIr. H. DekkerMr. A.Ch. FortgensDr. H.J.M. GoverdeIr. P.C. GroenDrs. R. te GrotenhuisMw.drs. I.T. KlaasenDrs. ].J. ModderIr. W. RehDrs. P.W.A. VeldMw.mr. Y. de VriesIr. H. WestraRedactiesecretariaat:Drs. R. te GrotenhuisI. Steenhoff-BoogersMauntskade 21,2514 HD Den Haagtelefoon 070 - 346 96 52RichtUjnen voor auteurs:Auteurs van artikelen en boek-besprekingen kunnen op hetredactiesecretariaat "RichtUj-nen voor auteurs" aanvragen.Advertentie-exploitatie:DELWEL Uitgeverij B.v.Alexanderstraat 26Postbus 191102500 CC 's-Gravenhagetelefoon 070-362 48 00telefax 070-360 54 36Advertentieverkoop:Eric Noordamtelefoon 070 - 362 48 00Vomigeving: Arie J. LanJmanUitgever Drs. A.F. WesterhofAan deze uitgave is de uiterste zorgbesteed; voor onvoUedige/onjuisteinformatie aanvaarden auteur(s),redactie en uitgever geen aansprake-lijkheid. Voor verbetering vanonjuistheden houden zij zich aanbe-volen.V-'^ aangesloten bijMCDjTjtlJ NOTU-groepvak-I VAmroscHSm-Nj tijdschriftenAfbeelding omslagBewoners gebruiken het landelijkgebied als doorgangsroute en alsdomein van recreatie (J. Drenth,HoUandse Hoogte).Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5VHP Stedebouwkundigen BDG Architekten Ingenieurs is een landelljk opererendadviesburo, met vestigingen in Rotterdam, Zwolle, Leiystad en Almere. De werkterreinenvan het buro zijn: stedebouw, landschap, architektuur, civiele techniek, milieutechniek,bouwkonstrukties, bouwmanagement, onderhoud, bouwfysica en gebouwinstallaties.Werkvelden vanuit de stedebouw zijn:? bestemmingsplannen en struktuurplannen? ruimteiijke (verkavelings) plannen voor woon- en werkgebieden en stedelijke centra? plannen voor stedelijke vernieuwing en herstrukturering? financleel-ekonomische begelelding van plannen, kosten/batenanaiyses? stedebouwkundige koordinatie en supervisie bij komplexe plannen.Alle plansoorten varieren van de klelne tot de zeer grote schaal. Het buro wordt zowelIngeschakeld voor all-round stedebouwkundige advisering, als bij deeltaken inprojekten van overheidsinstanties en partikuliere organisaties (projektontwikkelings-maatschappijen). De groei van de stedebouwkundige portefeuille van het buro inRotterdam maaktverdere versterking noodzakelijk.Z STEDEBOUWKUNDIGE ZWij zoeken een ervaren stedebouwkundige van academisch nivo. Een ontwerper metaantoonbaar en recent inzicht in planologische procedures, struktuurplannen,bestemmingsplannen, milieu-effektrapportages, etc. Adviseur van de overheid(gemeentebesturen) met gevoel voor bestuurlijke processen. Adviseur vanmarktpartijen met kennis van het bouwproces. U bent een stimulerende persoonlijkheidmet brede ervaring in o.a. het begeleiden van planologische procedures voor klelne engrote gemeenten, als voor marktpartijen. U gaat zelfstandig opdrachten leiden,hoofdzakelijk als adviseur van gemeentebesturen, zowel in ontwerp, interne organisatieals kontaktueel. Wij bieden u een breed werkveld, zelfstandigheid, verantwoordelijkheiden samenwerkingsmogeljjkheden met een goed team kundige, jonge kollega's.Leeftijdsindikatie:ca. 35jaar= STEDEBOUWKUNDIG_ MEDEWERKERWij zoeken een all-round stedebouwkundig medewerker U heeft ervaring in het leverenvan bijdragen aan stedebouwkundige plannen en adviezen in de breedste zin:bestemmingsplannen, struktuurplannen, verkavelingsplannen, op alle schaalnivo's.Zelfstandige en flexibele instelling, onderzoekende en vormgevoelige inslag.Affiniteit met ontwerpen op tekensysteem (ARRIS). Wij bieden u de kans om bij tedragen aan de ontwikkeling en uitwerking van een breed scala aan stedebouwkundigeplannen, in samenwerking met de stedebouwkundige adviseurs / ontwerpers.Leeftijdsindikatie:tot35jaar.Sollicitaties binnen 10 dagen na verschijning van dit blad richten aan:VHP Stedebouwkundigen BDG Architekten IngenieursPostbus 4327 3006 AH RotterdamTelefonische inlichtingen kunnen worden ingewonnen onder nummer 010-4520744V H P'S'T'E'D'E'B'O'UWK'U'N'D' I 'G'EWBA'R'C'H' I 'T'E'K'T'E'N' ' 'N'G'EW I 'E'U'R'S''\^ POUDEROYENIV- COMPAGNONSVORIVIGEVING VAN STAD EN LAND B.V.Pouderoyen Compagnons is een middelgroot ont-werp- en adviesbureau op het gebied van deruinntelijke ordening in brede zin. Zowel het lande-lijk als stedelijk gebied behoren tot het werkter-rein. Het bureau heeft een adviesrelatie met een25-tal gemeenten en verricht daarnaast regelma-tig onderzoek voor rijk en provincies. Opdrachtenworden uitgevoerd in multidisciplinair teamver-band, per geval afgestemd op aard en omvangvan de problematiek (maatwerk).In verband met uitbreiding van de portefeuille wordtgevraagd:EEN ALL-ROUNDSTEDEBOUWKUNDIGE (M/V)Zijn/haar taak zai bestaan uit:Het inspirerend vormgeven van gebouwde enongebouwde ruimteiijke ontwikkelingen.Het ontwerpen en begeleiden van verkavelings-en bestemmingsplannen voor alle gebieden vande R.O.Het adviseren van gemeenten in ruimteiijke enbeleidszaken op het gebied van de R.O.Een en ander in nauw samenspel met deskundi-gen op het gebied van milieu, planologie, verkeer,groen en landschap en juridische zaken.Na gebleken geschiktheid is het de bedoeling, dathij/zij ingeschakeld wordt bij de zelfstandige advi-sering van gemeenten.Belangstellenden dienen hun sollicitatie binnen 14dagen na het verschijnen van deze advertentie terichten aan:Pouderoyen Compagnons,Vormgeving van Stad en Land b.v.Postbus 156, 6500 AD Nijmegen. Tel.: 080-224579.Welke infrastructuuris strategisch?Welk industrieel produkt we ook nemen het bestaat uitdrie elementen. Dat zijn de elementen materie, energieen kennis. Elk produkt is het resultaat van een reeks omzettin-gen van deze onderdelen tot een samenhangend geheel Voor-dat allerlei grondstoffen met behulp van kennis en energie dejuiste vorm en plaats hebben en geschikt zijn voor gebruik,wordt een groot aantal stappen doorlopen. De beschikbaar-heid van de drie elementen is in de loop van de industrieleontwikkeling sterk veranderd en heeft een grote invloedgehad op de ruimtelijke ontwikkeling.De eerste industriele revolutie vond plaats in de vorige eeuw.Zij stond vooral in het teken van de omzetting van ener-gie. Dankzij de stoommachine kon de omzetting van warmtein mechanische energie op vee! grotere schaalplaatsvinden. De grote industriele centra vandeze revolutie staan overwegend in de buurtvan de grote energiebronnen.DenkraamDe tweede industriele revolutie staat in hetteken van de omzetting van materie.Dankzij de grote verspreiding van de machi-nes waarmee energie-omzetting kan plaatsvinden zijn allerleitoepassingen ontwikkeld om de omzetting van materie te ver-beteren, ofwel mechanisatie. Concentratie vande activiteitenbij energiebronnen was niet meer nodig. Er zijn uitgebreidenetwerken ontstaan voor de distributie van energie en goede-ren. Een ruimtelijke deconcentratie van de produktie is tot opzekere hoogte mogelijk.In de tweede industriele revolutie blijft er een concentratievan activiteiten vooral bij de knooppunten van infrastructuur.Dit is noodzakelijk voor de distributie van massaprodukten.De derde industriele revolutie is net begonnen. Het lijkterop dat deze in het teken zal staan van de omzetting enverspreiding van informatie. De grote uitvindingen van devoorgaande periodes waren de machines waarmee de omzet-ting van energie en materie kon plaatsvinden.De grote uitvinding van deze tijd is de computer. Informatie-verspreiding heeft natuurlijk altijd al een rol gespeeld; maar decomputer zorgt ervoor dat niet alleen de hoeveelheid ver-spreide informatie ernorm kan toenemen; ook de verwerkingvan de informatie in toepasbare kennis zal met sprongen toe-nemen. Dat betekent dat het mogelijk moet worden om inge-wikkelde processen, die tot voor kort alleen in gespecialiseerdecentra konden worden uitgevoerd, zijn over te dragen naar or-ganisaties die op kleinere schaal opereren.Het gevolg daarvan is een deconcentratie van de produktie eneen beperking van de groei van de goederenstromen. Op ditmoment lijkt deze groei niet te stoppen. Toch is het onvermij-delijk dat deze eigenlijk primitieve manier van overdracht zijnglorietijd heeft gehad.De grote en zeer prijzige investering voor de komende eeuwwaar onze samenleving de derde industriele revolutie meetegemoet stapt is plotseling de Betuwelijn geworden. De Betu-welijn is echter een systeem van infrastructuur uit de eerste in-dustriele revolutie en het containervervoer is typisch een pro-dukt van de tweede industriele revolutie. Zijn we niet wat laatom in deze beide systemen nog zoveel gemeenschapsgeld testeken. Dat de Oosterscheldedam slechts af en toe wordt ge-bruikt was van tevoren te voorzien en wordt niet als eenschande ervaren. Als de Betuwelijn straksveel minder wordt gebruikt dan verwacht,dan is dat wel een grote schande. Investerenin de toekomst betekent ook investeren in deinfrastructuur van de toekomst: dat wil zeg-gen investeren in informatie- en kennisover-dracht.Een voorspelbare reactie op het voorgaande is dat het met desnelheid van de komende industriele revolutie wel mee zalvallen. In Oost-Europa is nog een geweldige inhaalbewegingnodig en tot die tijd kunnen er nog heel wat containers wordenversleept. Maar revoluties voltrekken zich altijd sneller danmen verwacht. Bovendien wordt gezegd dat zo'n infrastructuureen investering is voor de komende honderd jaar. Over eendergelijke periode gerekend lijkt de Betuwelijn op deze wijzegeen zinvoUe investering.Als er dan toch ge'investeerd moet worden in een spoorinfra-structuur als alternatief voor het wegvervoer, zorg er dan voordat het een flexibel systeem is, zeker als een verregaande de-concentratie van industriele activiteiten gaande is. De spoor-weg moet dan toegankelijk zijn voor een TGV naar het oostenen dus bovengronds. De spoorweg moet ook toegankelijk zijnvoor vervoer van vrachtwagens.Het zwakke punt van waterwegen, spoorwegen en eigenlijkook luchtwegen is dat er ruimtelijk gezien sprake is van zeersterke concentratie en dat er daarom steeds overslag nodig isnaar het wegvervoer voor de uiteindelijke bestemming. Wa-terwegen en spoorwegen zouden veel meer gebruikt moetenworden als 'varende' ofals 'rijdende' weg, waardoor milieuzorg,flexibiliteit en lage prijs worden gecombineerd.J. Brouwer,AB Onderzoek B.V. te Delft.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5Structuurschema GroeneRuimte nader belichtalles voor de tuin van NederlandHet Rijk vindt het landelijk gehied gelukkig meerdan de moeite waard, zoals hlijkt uit het Structuur-schema Groene Ruimte (SGR) ^, dat injuni 1993als Kahinetsstandpunt is vastgesteld. Dit, ondankshetfeit dat vele inspraakreacties op de Ontwerp-phxnologische kernbeslissing hlijk gaven van veelverwarring en onzekerheid bij degenen die het moe-ten uitvoeren ofdaarbij betrokken zijn-^ Het is eente complex en te veelomvattendplan, waarvan bo-vendien de samenhang met het al bestaande beleidonduidelijk is, aldus menigcommentaar.Mw.drs. M.C. vanSchendelenWetenschappelijk medewer-ker Planologisch en Demo-grafisch Instituut, Universi-teit van Amsterdam.Maar waarom is dit Structuurschema eigen-lijk gemaakt als er al een VINEX is? Draagtdeze sectorale nota daadwerkelijk iets bijaan een goede ruimtelijke ordening van ons land?Gaat het niet veel eerder om een grotere rol van deruimtelijke ordening in het landelijk gebied en omeen goede afstemming tussen stedelijke en platte-landsontwikkelingen, met als mogelijk instru-ment: het regionaal integraal omgevingsplan?NatuurrevivalNatuur, landschap en milieu staan weer volop inde aandacht. Omroepen weten met fraaie natuur-films leden te winnen, menigeen geniet pas vaneen vakantie, wanneer deze plaatsvindt in de on-gerepte natuur, musea richten tentoonstellingenin met landschapsschilderijen die jarenlang in de-pots waren opgeslagen.Al bijna een eeuw lang hebben bovendien Neder-landse stedebouwkundigen zich laten inspirerendoor de "Garden City Movement" van EbenezerHoward. Dit leidde aanvankelijk tot de bouw vantuindorpen en tuinsteden, en later tot de groeiker-nen. Het huis met een tuin was en is een droomvan menig burger, om maar niet te spreken vaneen boerderijtje ergens op het platteland. Cultuuren natuur, stad en platteland zijn begrippen dieniet los van elkaar gezien kunnen worden. On-danks, maar wellicht dankzij de sterke verstedelij-king van Nederland bestaat er een grote belang-stelling voor natuur, landschap en milieu, zowelbij stedelingen als bij de bevolking op het platte-land.Ook de Rijksoverheid is zich bewust van dewaarde van het landelijk gebied en het belang vannatuur en milieu. De Vierde Nota over de Ruimte-lijke Ordening Extra getuigt van een visie diemeer dan vroegere nota's niet alleen de verdereverstedelijking betreft, maar ook zeer veel aan-dacht besteedt aan het landelijk gebied. Andererijksnota's zoals de recent verschenen Structuur-schema's Natuur- en Landschapsbehoud, Open-luchtrecreatie en Landinrichting en de NotaRuimtelijk Kader Randstadgroenstructuur zijneind 1992 samengevoegd in het StructuurschemaGroene Ruimte, met als doel om een samenhan-gende Rijksvisie te presenteren voor het ruimte-lijk beleid van het landelijk gebied.Ook op lokaal niveau spant menigeen zich in omin buurt, wijk en stad zoveel mogelijk natuur engroen te sparen tegen de dreigende claims voorwoningen, wegen en werklocaties. Een zichzelfrespecterende gemeente heeft tegenwoordig eenecologische hoofdstructuur, die via een randstad-groenstructuur gekoppeld is aan de nationale eco-logische structuur.De tuin van NederlandVanwaar die hernieuwde belangstelling voor denatuur? Worden natuur, landschap en milieu deStedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5laatste tijd meer dan voorheen bedreigd, waardoorhet noodzakelijk is om zich te weer te stellen metpubliciteit, acties, nota's, een wetenschappelijkeaanpak en maatregelen?Is er in culturele zin sprake van een revival, waarinuit zich daze en hangt deze wellicht samen met degenoemde dreiging?Of kan men denken aan het aanbrengen van de"finishing touch": nu het huis en het straatje oporde zijn, moet het lapje grond voor en achter aan-gepakt en worden ingericht tot de mooiste tuinvan de hele straat door de beste tuinarchitect omaldus te komen tot het eindprodukt: "de tuin vanNederland" om daarvan na gedane arbeid tenvoile te genieten.Speelt wellicht ook het symbolische aspect eenrol? Natuur en landschap roepen positieve gevoe-lens op van ongereptheid en onbedorvenheid. Denatuur staat in onze cultuur voor "leven" en "over-leven" en wat is er mooier voor de mens dan omdeze ongereptheid en "het leven" te beheersen? Enin het verlengde hiervan, in hoeverre zijn de na-tuur en het landschap in historische zin van be-lang? De verbondenheid van generaties aan land-schap en streek, het landschap als deel van hetcoUectief geheugen en als decor voor gevoelensvan romantiek en nostalgic?Vragen te over, die hier in dit bestek niet alle be-antwoord kunnen worden. Feit is echter wel, datde roep om zorgvuldig om te gaan met natuur,landschap en milieu in het landelijk gebied bijveel bewoners van Nederland aanwezig is, of ze nuop het platteland of in de stad wonen.Structuurschema Groene RuimteMet het Structuurschema Groene Ruimte presen-teert het Rijk een ruimtelijke visie voor een aantaltuncties van het landelijk gebied. Het betreft con-crete beleidsuitspraken over land- en tuinbouw,natuur, landschap, openluchtrecreatie, toerisme,bosbouw en visserij en de samenhang tussen dezesectoren. Voor de eerstvolgende jaren wordt bo-vendien aangegeven op welke wijze en met welkemiddelen dit ruimtelijk beleid moet worden gere-aliseerd.Het Structuurschema is een gemeenschappelijkprodukt van het Ministerie van Landbouw, Na-tuurbehoud en Visserij en van het Ministerie vanVolkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Mi-lieubeheer. Als zodanig is het een prijzenswaardiginitiatief om het beleid van beide ministeries zogoed mogelijk op elkaar af te stemmen, waar hetgaat om de waarde van het landelijk gebied.Kort samengevat wordt in het StructuurschemaGroene Ruimte gestreefd naar meer natuur in Ne-derland via de realisatie van de ecologische hoofd-structuur: een dynamisch en samenhangend net-werk van natuurgebieden en verbindingszones.Het lege landHet interessante aan het StructuurschemaGroene Ruimte is de poging om tot een ruimte-lijke en integrale aanpak te komen en daarmee toteen landelijk gebied dat "de moeite waard" is. Debeide ministeries gaan uit van een aantal maat-schappelijke ontwikkelingen in de agrarische sec-tor, in de recreatie en op het gebied van natuur enmilieu, en trachten daarmee voor de toekomst toteen leefbaar Nederland te komen. De verschil-lende maatschappelijke ontwikkelingen dienenop integrale wijze ruimte te krijgen binnen de na-tionale grenzen, waarbij uitdrukkelijk wordt ge-steld dat realisering geen optelsom dient te zijnvan sectorale belangen.Verschillende zaken vallen bij nadere bestuderingvan het Structuurschema op.1. AUereerst de loskoppeling van het landelijk ge-bied van Nederland van het verstedelijkte. Waser bij de VINEX duidelijk sprake van een zekereafstemming tussen verstedelijkingsprocessenen ontwikkelingen in de landelijke gebieden, inhet Structuurschema wordt in de tekst en op dekaarten nauwelijks aandacht besteed aan destedelijke gebieden, de Randstad, de stedelijkeknooppunten, de grotere en kleinere kernen ophet platteland.2. Evenmin zijn de huidige en toekomstige in-frastructurele netwerken terug te vinden, zoalsverkeerswegen en spoorlijnen, die deze grotereen kleinere steden en kernen met elkaar ver-binden en daarmee uiteraard ook het landschapdoorsnijden.3. Wat daarmee ook ontbreekt is een analyse vande ruimtelijke gelaagdheden op verschillendeschaalniveaus: stad en ommeland die in ver-SGR schetst een romantischlandschap (]. hinders, Rotter-dam).SGR koppeltlandelijk enstedelijkgebied los1Structuurschema GroeneRuimte, Het landelijk ge-bied de moeite waard, deel 3Kahinetsstandpunt, deMinister en Staatssecretarisvan Landbouw, Natuurbe-heer en Visserij en de Minis-ter van Volkshuisvesting,Ruimtelijke Ordening enMilieubeheer, 's-Graven-hage,30junil993.2Hoofdlijnen uit de inspraakStructuurschema GroeneRuimte, Raad van Adviesover de Ruimtelijke Orde-ning, 's-Gravenhage, april1993.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5SGR streeft via ecologischehoofdstructuur naar meer na-tuur (]. binders, Rotterdam).Auke van der Woud, Hetlege land, De ruimtelijkeorde van Nederland1798-1848, MeulenhoffInformatief, Amsterdam,1987.4Zie onder andere dr. H.P.Gorter, Ruimte voor natuur,80 jaar bezig voor de natuurvan de toekomst, Verenigingtot Behoud van Natuurmo-numenten in Nederland,'s-Graveland, 1986.- Fred Dijs en MauritsGroen, De natuur terug,Honderd Nederlanders overhet bouwen van onland,Zomer & Keuning, Ede/Ant-werpen - Samsom H.D.Tjeenk Willink, Alphen aanden Rijn, 1990.5Jan Romein, Op het breuk-vlak van twee eeuwen, deel1, pp. 241-242, Leiden,E.J. Brill, Amsterdam, Em.Querido uitgeverij N.V.,1967, geciteerd in Dijs enGroen, p. 29.schillende regie's nog steeds sterk op elkaar be-trokken zijn in functionele en landschappelijkezin, de relatie tussen de grote steden in de Rand-stad en het daarbinnen gelegen Groene Hart,de relatie tussen West-Nederland en "overig"Nederland in functionele en ruimtelijke zin.4. De visie op het landelijk gebied lijkt in sterkemate een plattelandsvisie te zijn, met daarinzorg en aandacht voor het veenweidegebied,waardevoUe cultuurlandschappen, de land- entuinbouw en het belang van natuur en milieu.De vraag is of deze visie ook daadwerkelijk al-leen te relateren is aan de belangen van het lan-delijk gebied.5. In het verlengde hiervan valt het op dat de na-druk zodanig ligt op de ruimtelijke structuurvan het landelijk gebied, dat het lijkt alsof desociaal-ruimtelijke aspecten, de belangengroe-pen, bewoners en gebruikers in verschillendehoedanigheden er nauwelijks toe doen. Alslezer krijgt men de indruk dat het gaat om hetlandelijk gebied op zichzelf, los van de maat-schappelijke context, los van bewoners vankleinere en grotere dorpen die daar bun activi-teiten verrichten, los van bewoners van de gro-tere steden, die het landelijk gebied gebruikenals doorgangsroute, als waterwingebied, als do-mein van recreatie, om slechts enkele aspectente noemen.6. In feite wordt het landelijk gebied als ruimte-lijke laag beschouwd, los van het gehele procesvan verstedelijking waaraan Nederland de ach-ter ons liggende eeuw zo onderhevig is geweest.Het kaartbeeld dat gehanteerd wordt bij hetStructuurschema roept alle mogelijke associa-ties op met "Het lege land", het proefschrift vanAuke van der Woud, dat een boeiende beschrijving geeft van de ruimtelijke orde van Neder-land in de eerste decennia van de vorige eeuw\een periode waarin Nederland ook nog werke-lijk "leeg" was en vele gebieden kende die niettot nauwelijks ontgonnen waren: het onland.Stad en landVan der Woud en vele andere historische auteursmaken duidelijk dat vanaf de vorige eeuw het ingebruik nemen van gronden voor agrarische pro-dukten, de ontginning van het "onland" voorbouwmaterialen (heipalen) en brandstof (turf enkolen) en het beschermen van landelijke gebie-den voor de watervoorziening in belangrijke mategeactiveerd en georganiseerd werden vanuit desteden. Omgekeerd werd het platteland ook be-schouwd als reservoir van de steden waar ongehin-derd het vuil gestort kon worden, waar de ruimteaanwezig was voor de stedelijke uitbreidingen enwaar zonodig schadelijke industrieen hun uitwegkonden vinden.Ook waren het de stedelingen Van Eeden, Thijsseen Heimans die de eerste initiatieven namen omte streven naar behoud van de natuur op het plat-teland en daarin financieel en organisatorisch ge-steund werden door rijke Amsterdamse, Rotter-damse en Twentse ondernemers.'' De bewonersvan de steden beschouwden in het verleden hetplatteland niet zozeer als het territoir van de be-woners aldaar, maar ook zeker als hun domein alshet ging om de instandhouding en verrijking vanhet stedelijk leven.Of zoals Jan Romein het uitdrukte: de mens magdan wel de nare stad geschapen hebben, "maarjuist het stad-scheppen had hem het "plannen" endaarmee ook de herschepping van het plattelandgeleerd. Hij zou stad en land verbinden (...). Hetproces (...) zou bepalen dat heel de beschavingvoortaan een stedelijk karakter zou dragen".'Met de toenemende aandacht voor de natuurvond een andere omslag plaats, Woeste grond zouniet langer meer "onland" zijn, maar "natuur" endiende te worden beschermd. Dankzij deze omslagwerd in de loop van de twintigste eeuw niet alleende kennis van en eerbied voor de natuur vergroot,maar ook de behoefte van de stadsmens aan bui-tenlucht aangewakkerd. En bijna iedereen isstadsmens tegenwoordig, ook de buitenmens isonderhevig geraakt aan de stedelijke zienswijze opde natuur, het milieu en het landschap.Tegelijkertijd heeft in de loop van deze eeuw deagrarische produktie zich meer en meer los ge-maakt van de natuur. Verwetenschappelijking vandeze bedrijfstak heeft bovendien geleid tot steedshogere opbrengsten per areaal en tot een vermin-dering van afhankelijkheid van tijd, ruimte, na-Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer:tuur en grond. Nu zijn het niet alleen de stedelin-gen, maar ook de agrariers zelf die het plattelandgebruiken voor het dumpen van afvalstoffen, ruikbijvoorbeeld de mestoverschotten. Hiermee heeftde agrarische ondernemer inmiddels vele over-eenkomsten met de industriele ondernemer, dieeveneens aan Hinderweteisen moet voldoen.Het is te stellig beweerd dat het vooral de stedeUn-gen zijn die belang hechten aan een goed miUeu,de natuur en een fraai landschap. Als het gaat ominteresse dan is die inmiddels wijd en zijd verbreid.Als het gaat om nonchalance en gemakzucht tenkoste van natuur en milieu, dan geldt daarvoorhetzelfde.En het zijn niet meer de stedelingen, zoals aan hetbegin van deze eeuw, die de dienst uitmaken ophet platteland, maar het zijn de eigen agrarischeorganisaties verstrengeld met de bankwereld, devoedingsindustrie en de politick die richtinggeven aan de toekomst van het platteland.Als men als lezer de vraag tracht te beantwoordenvoor wie het landelijk gebied in feite de moeitewaard is, kan men dat niet uit het Structuur-schema Groene Ruimte halen. Gaat het hier omdirecte producenten in de land- en tuinbouw dievan oudsher grondgebonden zijn, gaat het hier omde bewoners van het platteland, die prijs stellen opeen aangenaam woonmilieu en een leefbaar plat-teland, gaat het hier om de stedelingen die het lan-delijk gebied beschouwen als aangename verblijf-plaats om te recreeren dan wel als doorgangsroute?De doelstellingen zijn zodanig abstract dat in prin-cipe niemand tegen kan zijn, realisatie is echtereen tweede. Dit geldt eveneens voor de voorge-stelde strategieen, die enigszins een richting aan-geven, maar nauwelijks zijn geoperationaliseerd.Integraal omgevingsplan?Alhoewel het Structuurschema Groene Ruimteeen integrale benadering beoogt van het landelijkgebied, is er toch duidelijk sprake van een secto-rale aanpak van de problematiek. De direct grond-gebonden sectoren, zoals de veehouderij, de ak-kerbouw, de glastuinbouw en de boUen- enbomenteelt staan voorop. Door te kiezen voor eenaanpak waarbij het verstedelijkte gebied fungeertals "contramal" voor het landelijk gebied raakt dedifferentiatie aan belangen ondergesneeuwd.Wat node gemist wordt in het Structuurschema iseen visie vanuit de verschillende actoren, diezowel in het landelijk gebied als ook in de verste-delijkte regio's hun belangen hebben. In feite vol-deed de VINEX wel aan deze vraag. Dit probleemwordt ook gesignaleerd door Van den Berg in hetvierde nummer van deze jaargang.*' Vanuit een ietsandere invalshoek concludeert hij dat in hetStructuurschema Groene Ruimte weinig aan-dacht is besteed aan verstedelijkingsprocessen inhet landelijk gebied. Zijn pleidooi houdt in om inde toekomst meer houvast te bieden voor de niet-agrarische bedrijvigheid en het wonen in het lan-delijk gebied, meer aandacht te schenken aan destedelijke verschijningsvormen van diverse agra-rische activiteiten en aan de integratie van groeneen "rode" (stedelijke) functies van stadsgebieden.Meulemans reactie hierop, elders in dit nummer(zie blz- 45), onderstreept dat het rijksbeleid methet Structuurschema Groene Ruimte niet zozeer"op maat", maar vooral "mondjesmaat" aandachtschenkt aan de verstedelijking van het landelijkgebied.Een ander probleem is dat het StructuurschemaGroene Ruimte sterk gedomineerd wordt doorconceptuele denkbeelden. In het Structuur-schema wordt een ruimtelijke structuur benoemdtot "Groene Ruimte", "Het Groene Hart" of tot"de Randstad". Kennelijk gaan de beide ministe-ries ervan uit dat de werkelijkheid zich min ofmeer zal voegen naar deze concepten. Van hetGroene Hart en de Randstad is inmiddels genoeg-zaam bekend dat het vooral politick geladen ter-men zijn, die gerelateerd kunnen worden aan degedachte dat de samenleving maakbaar en van bo-venaf stuurbaar is. De "Groene Ruimte" dreigthiermee eveneens een politieke constructie teworden, maar daarmee is het landelijk gebied vanNederland noch groen noch ruimtelijk te houden.Kenmerkend voor de landschapsvisie van hetStructuurschema is ondanks alles het ideaalbeeldvan het romantische landschap. Typerend hier-voor is bijvoorbeeld dat ook op de illustraties vanhet Structuurschema nauwelijks een stedelijk ele-ment in de vorm van een snelweg, een hoogspan-SGR lijkt het landelijk gebiedlos te zien van zijn bewoners(J. hinders, Rotterdam).infrastructu-rele netwer-ken staanniet in SGR6L.M. van den Berg, HeeftRijk beleid voor verstedelij-king landelijk gehied? Stede-bouw en Volkshuisvesting,1993, nummer 4, pp. 4-11.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5Structuurschema Groene RuimteSGRbeschouwtlandelijkgebied alsplattelandLandschap in Nederland,Fotografie Andre-PierreLamoth en Jannes Linders,Inleiding Willem F. Heine-meyer en Mariette Have-man, Rijksmuseum Amster-dam, Gary Schwartz/SDUDen Haag, 1990.8Hans Aarsman, HoUandseTaferelen, Fragment Uitge-veri], 1989.9Op weg naar het GroeneHart, Basisdocument voorde discussie over de vormge-ving van een Groene Hart-regio, Projectbureau HetGroene Hart, Alphen aanden Rijn/Gouda, maart1993.ningslijn of een stadsrand te zien valt. Zelfs eenfoto van een geconserveerd agrarisch dorp ont-breekt.Deze landschapsvisie is nauwelijks reeel te noe-men. Karakteristiek voor ons land is het probleemdat een grote verscheidenheid van functies beslaglegt op een zeer beperkt beschikbare ruimte. Nietminder karakteristiek is de traditie in de ordeningvan de ruimte om de schaarse ruimte zo planmatig,doeltreffend en eerlijk mogelijk te verdelen.Het Rijksmuseum heeft dat recent nog tot uit-drukking laten komen door de foto-opdracht voorde afdeling Nederlandse geschiedenis aan de foto-grafen Andre-Pierre Lamoth en Jannes hinders.^Deze fotografen hebben de uitdaging aangenomenom in een serie landschapsfoto's te laten zien hoede veelheid van steeds wisselende functies en dedaarmee samenhangende ingreep door mensenhet gezicht van landschappen hebben bepaald,aldus de sociaal-geograaf Heinemeyer in de Inlei-ding van Landschap in Nederland. Ook de Hol-landse Taferelen van Hans Aarsman^ zijn beziens-waardig vanwege de spanning tussen de bewoondewereld en het platteland.In het Structuurschema is in feite gekozen vooreen zekere zonering op verschiUende schaalni-veaus tussen economische en ecologische poten-ties, waarbij voor de ecologische structuur ge-streefd wordt naar bescherming en versterkingvan het bestaande landschapspatroon. Dat hethuidige landschapspatroon hoogstens enkele de-cennia oud is doet daar kennelijk niets aan af. Ookhet coulissenlandschap wordt in verschiUende va-rianten opgevoerd. Het meest opvallend in dezezin zijn de voorgestelde boslocaties, die niet alleenvoor produktiedoeleinden bedoeld zijn, maar ookals buffers ingezet worden tussen het "natuurland-schap" en de verstedelijkte gebieden. De recre-atieve functie die zij tevens kunnen bieden is zoook mooi meegenomen.Is het werkelijk zo dat een waardevol landelijk ge-bied niet samen zou kunnen gaan met de aanwe-zigheid van grotere en kleinere steden en dorpen,zoals het Structuurschema Groene Ruimte vanbegin tot eind suggereert? Zijn de belangen vanstedelingen om landschappen zo goed mogelijk inte richten en te beheren niet minstens zo groot alsdie van de directe eigenaren op het platteland enomgekeerd, maken de plattelandsbewoners niet inmenig opzicht op een vanzelfsprekende wijze ge-bruik van de steden, waarmee het verstedelijktgrondgebied toch ook mede bun domein is?Naar mijn mening is de scheiding tussen stad enlandelijk gebied die gepresenteerd is in het Struc-tuurschema Groene Ruimte weinig vruchtbaar.De gebiedsgerichte aanpak die naast de sectorge-wijze invalshoek in zekere zin aanwezig is in hetStructuurschema, dient om die reden dan ook ver-der uitgewerkt te worden tot de aanpak voor inte-grale omgevingsplannen, waarin agrarische, eco-logische, economische en stedelijke vraagstukkengeintegreerd aan de orde worden gesteld en waar-bij overheden, bedrijven, boeren, burgers en bui-tenlui eendrachtig werken aan de toekomst vanbun regio.Belangrijk verschil tussen de Ontwerp-planologi-sche kernbeslissing en het Kabinetsstandpunt isde gewijzigde rol van de provincie. Het Rijk blijftverantwoordelijk voor de hoofdlijnen, maar deprovincies krijgen een belangrijkere rol bij de re-gionale uitwerking en de aanzet tot uitvoering vanhet beleid. Hiervoor zou goed aangesloten kunnenworden bij de reeds bestaande samenwerkingsver-banden tussen provincies en gemeenten in eengroot aantal regio's, die thans op basis van de WetGemeenschappelijke Regelingen functioneren.Een stap verder zou kunnen zijn institutionalise-ring van regionale samenwerking tot een nieuwebestuursvorm. Als voorbeeld kan dienen de be-stuurlijke ontwikkelingen in het Groene Hart,waarbij de gemeenten van het IntergemeentelijkSamenwerkingsorgaan Midden-Holland en hetIntergemeentelijk Overlegorgaan Rijnstreeksinds augustus 1992 streven naar een nieuw sa-menwerkingsverband, dat zij beschouwen als eeneerste stap in de richting van een bestuursvormvoor het Groene Hart.^ConclusieDe tuin van Nederland is ieders zorg en niet alleendie van de tuinman in de vorm van het Ministerievan Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. Delichte assistentie die het Ministerie van Volks-huisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieube-heer bij dit tuinplan geboden heeft doet geenrecht aan de waarde die het landschap heeft voorelke Nederlander, ongeacht of hij/zij in de stad ofop het platteland woont. Het StructuurschemaGroene Ruimte geeft daarbij een te vertekendbeeld door geen aandacht te besteden aan de ste-delijke gebieden en de infrastructurele netwerkendie het landschap doorsnijden. De plattelandsvi-sie, die nu van A tot Z doorklinkt in het Struc-tuurschema, ontkent bovendien het verleden datzo bepalend is geweest voor de inrichting van staden platteland. Deze visie mist iedere relatie met derealiteit en, wat minstens zo storend is, met de Ne-derlandse traditie van een goede ruimtelijke orde-ning, waarin vanuit verschiUende invalshoekenen belangen gestreefd wordt om zo goed mogelijkmet de schaarse ruimte om te gaan.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5Strategische planning in deBossche spoorzoneDe ontwikkelingen in de Bosschespoorzone weerspiegelen de eco-nomische dynamiek van het niet-knooppunt 's-Hertogenhosch enzijnregio.Hethedrijfslevengelooft in de verstedelijking vande nieuwe spoorzone. Het vuoordis nu aan de Rijksoverheid. Zij zalde sleutelrol van de stad in de eco-nomische ontwikkeling van eenwijde regio moeten ondersteunen.Sinds enkele jaren staat de Brabantse steden-rij volop in de belangstelling. Duidelijk is datBreda, Tilburg, 's-Hertogenbosch, Eindho-ven en Helmond een volwaardig onderdeel zijnvan de Stedenring Centraal Nederland. Erken-ning heeft onder andere plaatsgevonden met deaanwijzing van Breda, Tilburg en Eindhoven totstedelijk knooppunt. Dat Eindhoven knooppuntis, en in veel opzichten vijfde stad van Nederlandna de vier grote, zal niemand ontkennen.Bij de knooppuntstatus van Breda en Tilburg kun-nen, zeker ook gezien de wijze waarop deze totstand is gekomen, vraagtekens gezet worden.'s-Hertogenbosch heeft steeds gesteld dat met uit-zondering van Eindhoven zij volstrekt evenwaar-dig is aan de andere grote Brabantse steden. Expli-ciet heeft zij daarbij gewezen op de noodzakelijkecomplementariteit binnen de Brabantse steden-rij.'Zorg kan uitgesproken worden of door de aanwij-zing van knooppunten deze complementariteitooit van de grond zal komen. Hoop kan natuurlijkwel geput worden uit de aandacht voor de Steden-ring Centraal Nederland als totaal. Misschien datdat voor de steden op de zuidflank het sein op con-structieve samenwerking zet.Ondanks het feit dat 's-Hertogenbosch geenknooppunt is gaat het de stad in economisch op-zicht goed. In het tijdschrift "Vastgoedmarkt"(24 januari 1992) wordt aan 's-Hertogenbosch dekwaliteit toegedicht om een stabiel kantorenge-bied te worden. Buiten de vier grote gemeenten inons land heeft slechts Eindhoven deze kwalifica-tie.Zeer recent onderzoek van STOGO^ toont zelfs aandat Eindhoven en 's-Hertogenbosch in een voorde kantorenmarkt concurrerende positie zitten.Andere 'wapenfeiten' die tonen dat de stad kan te-rugkijken op een periode waarin zij zich een gun-stige uitgangspositie heeft verworven zijn:1. In inwonertal heeft de stad zowel relatief als ab-soluut de laatste decennia de grootste groei vande grote Brabantse steden doorgemaakt: devlucht uit de stad is omgebogen in een trek naarde stad.2. Qua economische vitaliteit scoort de stad gelijkof hoger dan de haar omringende stedelijkeknooppunten Breda, Tilburg, Eindhoven,Utrecht en Arnhem/Nijmegen.^SpoorzoneDe ontwikkelingen in de Bossche spoorzone vor-men de exponent van de dynamiek van stad enregio. Het gebied vormt de belangrijkste (bin-nen)stedelijke (her)ontwikkelingslocatie inde re-gionale structuurvisie (zie afbeelding 1 op blz- 10).Dit komt tot uitdrukking in de viNEX-subsidie-aanvraag, die vanaf 1 juni ter beantwoording ligtte wachten bij VROM.De spoorzone biedt letterlijk en figuurlijk ruimteom het natuurlijke groeiproces van stad en regio ingoede banen te leiden en te stimuleren. Met hetstation als "motor" vindt in een uitgestrekte zonegrootschalige stedelijke vernieuwing plaats. Dezemoet leiden tot functionele herschikking en ver-sterking, herstructurering en mobiliteitsbeper-Dr. GJ. ArtsWerkzaam bij de sectorStadsontwikkeling van degemeente 's-Hertogenhosch.Het artikel is gesciireven oppersoonlijke titel.De auteur dankt ir. M. Daal-derop voor het commentaarop een eerdere versie van ditartikel.1R. Esser, De Brabantse ste-denrij - interdependentiesen interurbane samenwer-king; in: Stedebouw enVolkshuisvesting, augustus1991.2STOGO, Onderzoek naar deontwikkelingsmogelijkhe-den van de Wolfsdonken;Utrecht, december 1992.3Zie: Economische ontwikke-lingen in de stadsregio's-Hertogenbosch, TNO-be-leidsstudies, juni 1993.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5Bossche spoorzonegemeente wilbinnenstadover spoorheen tillenAfbeelding 1. Bossche spoor-zone: de befangrijkste (bin-nen)stedelijke (her)ontwikke'lingslocatie.king. In de Bossche spoorzone is sinds enkele jarensprake van strategische planning met de bood-schap dat alleen via een goede strategie en eendaaraan gekoppelde planning complexe en inte-grale projecten van de grond kunnen komen.De beschrijving van de plannen vindt plaats aande hand van de trits: wat willen we (strategisch be-leid)? wat kunnen we (randvoorwaarden)? watdoen we (investeringsstrategie)?'' In de slotpara-graaf zuUen conclusies getrokken worden met ge-bruikmaking van de zeven succesfactoren voorstrategische planning bij stedelijke vernieuwing,zoals die door Van den Berg' zijn opgesteld.Wat we willenOndanks het feit dat 's-Hertogenbosch geenknooppunt is, is er, mede op uitnodiging van deprovincie, toch een profielschets opgesteld. Dezeprofielschets telt - in sterk contrast met de lijvigeprofielschetsen van de stedelijke knooppunten -slechts 8 A-4tjes en vormt onderdeel van de ge-meentebegroting 1992. In het profiel, met als titel'"s-Hertogenbosch Ontmoetingsstad", wordt nietalleen uitdrukking gegeven aan wat de stad is,maar ook aan wat ze wil zijn:"'s-Hertogenbosch heeft een specifieke positie op bo-venregionaal, regionaal en stadsregionaal niveau.Van een bovenregionale meerwaarde is met namesprake door de strategische ligging op de as Amster-dam-Eindhoven. Ook de culturele kwaliteitenzijn van een bovenregionaal karakter. De stad heeftop dit niveau daarom voor drie speerpunten gekozen:verstedelijking van de spoorzone, ontwikkeling vande CLiltuur-historische binnenstad en versterking vande stad als bestuurs- en besliscentrum.De stad is daarnaast het hoofdcentrum van een regiovan 400.000 a 500.000 inwoners. Ze is regionaalwerkcentrum, heeft een uitgebreid kernwinkelappa-raat, een breed aanbod aan voorzieningen op het ge-bied van onderwijs en gezondheidszorg en is het be-stuurlijk-administratieve centrum in de regio. Despeerpunten op het regionale niveau zijn als volgt ge-formuleerd: ontwikkeling van de regionale verkeers-en vervoersstructuur (onder andere via een vervoer-regio), kwalitatieve versterking van het kernwinkel-apparaat (het project Loeffplein en omgeving) enaansluiting van arbeidsmarkt, onderwijsvoorzieningen economisch profiel.Tenslotte is 's-Iriertogenbosch het centrum van eenveelkleurige, gedifferentieerde stadsregio. De krachtvan de stadsregio wordt ontleend aan haar intiemestedelijkheid en menselijke maat, waardoor een aan-trekkelijke en gewaardeerde leefomgeving aanwezigis. De stedelijke kwaliteiten krijgen extra dimensie,omdat ze gelegen zijn tussen gebieden met hoge na-tuur- en recreatieve waarden. Op het stadsregionaleniveau kent de stad twee speerpunten: ontwikkelingvan woon- en werklocaties en de ontwikkeling vanhet sport- en vrijetijdscentrum De Vliert."Het complexe project spoorzone loopt als verbin-dend element doot de overige speerpunten heenen is daarmeede slagader van het stadsprofiel. Metde vetstedelijking van de spoorzone probeert degemeente de binnenstad "over het spoor heen tetillen". In deze nieuwe binnenstad zal plaats ge-maakt wotden voor zogenaamde stedelijke func-ties: functies die een groot aantal mensen per vier-kante meter herbergen, alsmede bun plek vindenin gebouwen en ruimten met een hoogwaardigestedelijke architectuur, aansluitend bij de Bosschestedelijkheid in een menselijke maat en schaal.Ook de inrichting van de openbare ruimte speeltdaarbij een belangrijke rol. Typerend voor de oudebinnenstad is de diffuse en gevarieerde mengingvan stedelijke functies. In de spootzone zal een-zelfde menging van stedelijke functies nagestreefdworden. Naast de vestiging van voor de stadnieuwe functies biedt de spoorzone natuurlijktegelijkertijd ruimte voor stedelijke functies dieelders in de (binnen)stad uit hun jasje gtoeien {zieafbeelding 2). Daarmee ontstaat er noodzakelijkeStedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummerSlucht voor nieuwe ontwikkelingen in de "oude"binnenstad.Afbeelding 3 (zie hlz- 12) laat zien welke verplaat-singsbewegingen gegenereerd worden door de ver-stedelijking van de spoorzone en de ontwikkelingvan de andere speerpunten. Hiermee is tevensaangetoond dat er sprake moet zijn van een inte-grale en daarom complexe aanpak van de verschil-lende deelprojecten in de spoorzone en de speer-punten daarbuiten.WatwekunnenInvesteringsplannenOm de vraag "Wat kunnen we?" te beantwoordenmoet allereerst duidelijk zijn tot op welke hoogtede gemeente zelf financiele ruimte heeft, danwelin de toekomst kan creeren. Financieel liggenrandvoorwaarden vast in de begroting en de meer-jarenbegroting. Op basis van het strategisch pro-fiel worden keuzen gemaakt in de begroting, metname in dat deel dat de gemeentelijke investerin-gen betreft.Deze keuzen volgen weliswaar niet rechtlijnig uithet profiel, maar het ambtelijk management enhet bestuur kiezen met het profiel als denkkader.Dat denkkader heeft overigens bij de vaststellingvan de begroting 1993 en de voorbereidingen voorde begroting 1994 aan stuurkracht en operationa-liteit gewonnen.Zo gaan deze begrotingen uit van een investe-ringsperspectief, waarin de volgende soorten pro-jecten worden onderscheiden.1. Identiteitsversterkende projecten, die te ma-ken hebben met wat uniek is aan deze stad.2. Beeldbepalende projecten, die het aanzien, hetklimaat en het functioneren van de stad ver-sterken.3. Infrastructurele projecten, die te maken heb-ben met leefbaarheid en veiligheid en vaak eenwettelijke basis kennen.4- Projecten met betrekking tot de (interne) be-drijfsvoering. Dit investeringsperspectief zorgtervoor dat evenwichtig en tegelijkertijd selec-tief gestuurd kan worden ten aanzien van ge-meentelijke investeringen en het formulerenvan overig nieuw beleid in de exploitatiesfeer.In 's-Hertogenbosch ontstaat op deze wijze een in-vesteringsplan, met een looptijd van vier jaar, datuitdriikking geeft aan het profiel van de stad enuitgaat van het hiervoor geschetste investerings-perspectief Onderdeel van het plan is een extrainvesteringsprogramma dat is voortgekomen uitde roep om extra financiele injecties in grotereprojecten. Een gezond Grondbedrijf heeft daarbo-venop nog miljoenen gereserveerd voor de meestactuele verstedelijkingsopgaven (met name deONDERWIJSBEDRUVENONDERWIJSnieuwe bouwlocaties en de spoorzone) om op diemanier de dynamiek in deze projecten te garande-ren en tegelijkertijd handreikingen te doen aan departiculiere investeerders, het Rijk, de Provincieen de Nederlandse Spoorwegen.Het zal duidelijk zijn dat je als stad niet alles tege-lijk kunt en dat de investeringskeuzen ervoor zor-gen dat andere zaken minder prioriteit krijgen enop de lange baan geschoven worden. Dat gebeurtvanuit het besef dat een stad alleen sterk kan wor-den door selectief te opereren. Op deze manieromgaan met strategisch beleid is een noodzake-lijke voorwaarde om andere investeerders over destreep te trekken en daarmee het gemeentelijkvertrouwen in de plannen om te zetten in geloofbij andere participanten.Ter Braak en Van 't Spijker'' zeggen het zeertreffend: "Duidelijk is wat dit (strategisch beleid,GA) veronderstelt: politieke bestuurders die visiedurven te tonen, die ongemakkelijke boodschap-pen niet uit de weg gaan en die dwars tegen allerleikrachten - die in een beleidsplan drie prioriteitenper bladzijde bepleiten - in willen gaan. Bestuur-ders die willen en durven te kiezen omarmen stra-tegisch beleid."In de eind 1993 voorliggende concept-begrotingvoor het jaar 1994 vindt deze beleidslijn overigenshaar voortzetting. De verkoop van het Nutsbedrijfzorgt ervoor dat de gemeente nog eens 100 miljoenextra kan investeren. Dat gebeurt vanuit een anti-cyclische gedachte, omdat duidelijk is dat aan desterke economische groei voorlopig een einde zalkomen, ondanks het feit dat de Bossche produk-tiestructuur - relatiefweinig industrie - op dit mo-ment minder gevoelig lijkt. De gemeentelijkeoverheid schept met de investeringsimpuls van100 miljoen de voorwaarden voor continuiteitvan de economische groei op dit moment en in detoekomst, door directe en indirecte (spin-off) ef-fecten op de werkgelegenheid.Afbeelding 2. Links; de ste-delijke funcdes die nu in despocrrzone en de binnenstadaanwezig zijn.Rechts: naast de vesdging vanvoor de stad nieuwe functiesbiedt de spoorzone ruimte voorstedelijke functies die elders inde binnenstad uit hunjasjegroeien (uit nota De NieuweSpoorzone 's-Hertogenbosch,junil993).D. Reitsma, OverhedenStrategisch onderweg?; in:Stedebouw en Volkshuisves-ting.nr. 1,1992.5M. van den Berg, Strategi-sche planning voor stede-lijke vernieuwing; bijdragevoor de studiedag "Strate-gisch management in stede-lijke vernieuwing", Studie-centrum voor Bedrijf enOverheid, 16 mei 1991.6H. ter Braak en W. van 'tSpijker, Overheid en strate-gie - een introductie; in: Be-stuurskunde, nr. 1, 1993.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5Bossche spoorzonem. I It"""-.fpjih?, -- - jr/iri?;I?Afbeelding 3. VerpJaatsmgenvan de binnenstad naar despoorzone (uit nota DeNieuuie Spoorzone 's-Herto-genbosch, juni 1993).Afbeelding 4. Het Hoofdbu-reau van politie verhuist naarOrthenpoort. In i994 ivordthet nieuwe gebouw m gebruikgenomen (Gemeentepolide's-Henogenhosch, WaltherJansen).OrganisatieOok op het organisalorische vlak moeten rand-voorwaarden gesteld worden om tot een verant-woorde uitwerking van het strategisch beleid tekomen. Afbeelding 3 met de verplaatsingsbewegin-gen laat allereerst zien dat het verstedelijkingspro-ces vele activiteiten kent en daarmee participan-ten afhankeUjk van elkaar maakt. Tegelijkertijdbestaan er soortgeUjke afhankeUjkheidsrelatiesbinnen de verschillende deelgebieden. Om een enander binnen de gemeente - ambtelijk en bestuur--s -" .; maillijk - op elkaar af te stemmen is een inmiddels hel-dere organisatiestructuur ontwikkeld. Inmiddels,omdat na verloop van tijd bleek dat de in eerste in-stantie geconstrueerde organisatiestructuur tecomplex was en te weinig duidelijkheid bood overde roUen die betrokkenen dienden te vervuUen.Een projectcoordinator is de centrale spil in de or-ganisatie. De strategische en financiele verant-woordelijkheid ligt bij het ambtelijk en bestuur-lijk management.Het grootste probleem wat hier speelt is de in-schatting van de consequenties voor de (beno-digde) capaciteit binnen het gemeentelijk appa-raat. De verstedelijking van de spoorzonegenereert zoveel werk dat de vraag opkomt in hoe-verre de gemeente hier capacitair nog voldoendeop in kan spelen. Ook hier moet de relatie gelegdworden naar de gemeentelijke begroting en hetvrijkomen van middelen om niet voor verrassin-gen te komen staan. Probleem daarbij is dat demarkt grillig is en de gemeente kan dwingen vanhet ene op het andere moment cruciale en daar-mee capaciteit verslindende keuzen te maken.Wat we doenBij de ontwikkeling van de verschillende deelge-bieden in de spoorzone is een groot aantal partici-panten betrokken. De eerste resultaten van de sa-menwerking met private actoren zijn reedszichtbaar. Beleggers en ontwikkelaars hebben in-middels de potenties van de spoorzone onderkend.Zittende bedrijven zijn bereid mee te werken aanen mee te denken over het uitbuiten van die po-tenties.Typerend is het dat in 's-Hertogenbosch de eersteinitiatieven, in het bijzonder betreffende het kan-torenproject "La Gate", door het bedrijfsleven ge-nomen zijn (zie afbeelding 5). Dit heeft geleid tothet aangaan van een intentie-overeenkomst, ge-volgd door een ontwikkelingsovereenkomst,waarin concrete afspraken zijn gemaakt over de re-alisering van bebouwing en infrastructuur.Natuurlijk zijn daarnaast de plannen van de Ne-derlandse Spoorwegen essentieel voor het welsla-gen van de verschillende projecten (Rail 21). DeNS heeft besloten om in 1996 een passarelle (die deoostzijde en de westzijde van het spoor met elkaarverbindt) en een nieuw stationsgebouw te realise-ren. De gemeentelijke bijdrage van 4,5 miljoengulden in de passarelle heeft op deze beslissing eengrote invloed gehad.Cruciaal is ook de steun van verschillende minis-teries. Deze steun wordt niet alleen op het finan-ciele, maar ook op het organisatorische vlak ge-zocht. Het gaat daarbij zowel om coordinatie vanactiviteiten als om het bespoedigen van reeds aan-Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5gekondigde uitbreidingen en verplaatsingen vanrijksdiensten, in de geest van het rijksbeleid in-zake mobiliteitsbeperking. Verscheidene ministe-ries dienen aan te sturen op het realiseren vannieuwe gebouwen bij het station ofhebben dat in-middels al gedaan (Justitie!). De Rijksgebouwen-dienst speelt in deze verplaatsingen een crucialerol. Daarnaast moet een financieel beroep gedaanworden op het Ministerie van VROM en het Minis-terie van Economische Zaken in verband metnoodzakelijke bodemsaneringen, bedrijfsver-plaatsingen en miUeubelasting van de bestaandebedrijven. Tot slot speelt natuurlijk het Ministerievan Verkeer en Waterstaat, c.q. Rijkswaterstaateen belangrijke rol bij de financiering van infra-structurele voorzieningen.Naast deze min of meet abstracte investeringsstra-tegie heeft de gemeente een strategic uitgestippeldvoor de korte c.q. middellange termijn, waarbin-nen een aantal deelprojecten centraal staan,omdat deze cruciaal zijn om het totale project eengoede start te laten beleven. Het integraal ver-voersknooppunt met de aanliggende bouwont-wikkelingen aan de stationspleinen is de hefboomvoor de ontwikkeling van de spoorzone en moetenals eerste ter hand genomen worden. Voor devoortgang van het totale project zijn daarnaast deaanleg van de Zuid-Weststructuur en een tijdigebodemsanering van Orthenpoort en een goedeontsluiting van dit deelgebied van belang. Dit be-drijvengebied heeft een belangrijke opvangfunc-tie voor de in het kader van de herstructureringvan de binnenstad en delen van de stationsomge-ving te verplaatsen bedrijven en instellingen.Zeven succesfactorenEen en ander kunnen we resumeren en analyserenmet de door Van den Berg opgestelde succesfacto-ren voor stedelijke vernieuwing: het ontwikkelenvan concepties, evenwicht tussen doel en midde-len, open processen, superieur georganiseerd, ver-krijgen van draagvlak door interdisciplinair wer-ken en aandacht voor elkaars taal en cultuur,veranderen van de verhouding overheid naarpartners en klanten, klein beginnen en succesboeken, het bereiken van overeenstemming dooronderhandeling.In hoeverre voldoet 's-Hertogenbosch aan dezefactoren? Tegelijkertijd kan via deze inventarisa-rie bekeken worden op welke fronten de gemeentehaar inspanningen moet vergroten, danwel kanverminderen.]. Het ontwikkelen van conceptiesSteeds meer wordt duidelijk dat in processen vanstedelijke vernieuwing een duidelijke visie van de?1j=.?'i*-.:^JEM'Ioverheid een noodzakelijke voorwaarde is. Met devisie "Verstedelijking Spoorzone" lijkt deze voorde korte en middellange termijn neergelegd. Ookde strategische visies die in het kader van de be-groting ontwikkeld worden, dragen hun steentjebij. Tegelijkertijd is duidelijk dat hiermee draag-vlak ontstaat bij de vele betrokken actoren.Op dit moment wordt gewerkt aan een communi-catieplan dat ervoor moet zorgen dat de visie dui-delijker dan voorheen voor het voetlicht van eenzeer verscheiden groep geinteresseerden wordt ge-bracht.Opvallend is dat de op dit moment betrokken in-vesteerders bij de externe communicatie geza-menlijk optrekken: dit commitment aan de visietoont het gemeenschappelijke geloof in het ge-bied. Daarbij zal overigens rekening moeten wor-den gehouden met de risico's die kleven aan "hetaan de man brengen" bij de bevolking van grotestedelijke vernieuwingsprojecten. Rutten' heeftin dit opzicht een aansprekende poging tot analyseondernomen: "Wat de bevolking betreft, gaat hetom heel subtiele zaken, zoals het "coUectieve ge-heugen" van een plek en de algemene perceptievan stedebouw en architectuur (de morfologischecontext). Het enthousiasme en draagvlak vooreen plan en ontwerp hangen immers voor eengroot deel af van de wijze waarmee daarop wordtingespeeld: de gevoelige snaar dus." Hoe gevoeligdie kan zijn - en dan in negatieve zin - bleek ove-rigens onlangs bij de presentatie van de tekenin-gen van het nieuwe stationsgebouw (zie afbeelding6 opblz- i4). In een stad waar het historisch besefin sterke mate geinstitutionaliseerd is, blijkt hetmoeilijk moderne architectuur te "verkopen".2. Evenwicht tussen doel en middelenIn het voorgaande is uitgebreid beschreven hoe in's-Hertogenbosch evenwicht gezocht is en nogsteeds wordt tussen het algemene doel (de visie,het concept) en de financiele en organisatorischemiddelen. Dat evenwicht zal in de komende jarende inzet blijven van de strategic die op gemeente-lijk niveau wordt ontwikkeld.Afbeelding 5. In hel kaniu-rencomplex La Gare heeft hetbedrijfsleven het initiatiefgeno-men om de potenties van despoorzone uit te buiten (SectorStadsontwikkeling 's-Herto-genbosch) .gevolgenspoorzone'planner!krijgenAveinig aan-dacht vangemeentenJ. Rutten, Kracht en kwets-baarheid van een visioen; in:Bouw, nr. 18, September1991.Stedebouw en Volkshuisvesting 1993 nummer 5Bossche spoorzoneAAfbeelding 6. Het oude ita-tion maakt plaats voor eenmooi en efficient nieuw sta-tion. (Sector Stadsontwikke-ling 's-Hertogenhosch).nieuwespoorzonew^ordt nietofficieelaangemeldals sleutel"project3. Openprocessen, superieur georganiseerdOp dit punt zou er in 's-Hertogenbosch nog heteen en ander kunnen gebeuren. Natuurlijk is ersprake van open processen. Vraag is echter hoeopen ze zijn en naar welke doelgroepen dat zo is. Iser openheid betracht naar de juiste doelgroepen?Is deze communicatie op een efficiente en effec-tieve manier verlopen? Ook is de vraag of de hui-dige organisatiestructuur 'superieur' genoeg is.Naaien de veie projectgroepen en dergelijke niette veel hun eigen naad? Is er wel draagvlak vooreen superieur gestuurd proces? Met de ontwikke-ling van het communicatieplan en de inmiddelsaangebrachte verfijningen in de organisatiestruc-tuur wordt er op de bier bedoelde punten op ditmoment vooruitgang geboekt.4 Verkrijgen van draagvlak door interdisdplinair uier-ken en aandacht voor elkaars taal en cultumDuidelijk is dat er - tot op zekere hoogte - sprakeis van interdisciplinair werken en aandacht voorelkaars taal en cultuur. Op dit punt zou echter stil-gestaan moeten worden bij het proces tot nu toe:reflectie kan ervoor zorgen dat geleerd wordt vangemaakte fouten en juist genomen beslissingen.5. Veranderen van de verhouding overheid naar part-ners en klantenDe Bossche organisatie kan omschreven wordenals open en omgevingsgericht, inspelend op de dy-namische verhouding overheid - partners/klan-ten. In de strategische visie van de begroting 1993wordt gesproken over een sterke (onder)hande-lingsgerichtheid. In samenhang met punt 4 zouook bier echter structureler en uitgebreider reflec-tie plaats kunnen en moeten vinden.Zo bestaat er nog weinig inzicht in en aandachtvoor de consequenties die de spoorzone-plannenhebben voor zittende bewoners en bewoners inaangrenzende gebieden. In die zin moet de slagtussen sociale vernieuwing en stedelijke vernieu-wing nog expliciet gemaakt worden. Initiatievenvanuit de gemeenteraad om daar in de spoorzonevia social return letterlijk en figuurlijk werk van temaken lijken tot nu toe een zachte en onopval-lende dood te sterven.6. Klein beginnen en succes boekenNatuurlijk ontstaat strategic zowel van bovenafals van onderop. In 's-Hertogenbosch zijn eengroot aantal deelprojecten samengevoegd in hetBossche profiel en in het bijzonder in de "Verste-delijking Spoorzone". De vraag wat er nu het eer-ste was - de strategic of de deelactiviteiten - is ei-genlijk niet zo relevant, omdat ze in wisselwerkingontstaan. Deelprojecten ontstaan daarbij vaakvanuit een min of meet impliciete strategic. Dezeimpliciete strategic is in ieder geval in 's-Herto-genbosch al jaren aanwezig geweest bij zowel degemeente als degenen die in de stad investeren ofop andere manieren met de stad begaan zijn (bij-voorbeeld winkeliers, zittende bedrijven, bewo-ners).Een en ander kreeg haar weerslag in de zoge-naamde "Stadsvisie" die in 1989 het daglicht zag.In de spoorzone is vanuit het "klein beginnen" ineerste instantie succes geboekt met deelprojectenals La Gate, het congres- en evenementencen-trum Brabanthallen en de vestiging van het on-derwijscluster. Met de visie "Verstedelijking Spoor-zone" vallen deze deelprojecten op hun plek in eengroter geheel.7. Het bereiken van overeenstemming door onder-handelingInmiddels zijn vele (intentie-)overeenkomsten af-gesloten en reageren andere overheden en het be-drijfsleven goed. De verwachting is dat dat zal blij-ven gebeuren.GeloofGezien het grote aantal sleutelprojecten en hetfeit dat 's-Hertogenbosch geen knooppunt is, zalde nieuwe Spoorzone niet officieel aangemeldworden als sleutelproject, hoewel uit reactiesblijkt dat het wel die potenties heeft. Bekekenwordt hoe op dit moment het sleutelkarakter vanhet project het beste vormgegeven kan worden.D
Reacties